CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Uitgangspuntenkader regionaal warmtebedrijf en collectieve warmtetransitie (vastgesteld)

Gemeenteraad Voorschoten 15 mei 2025, gemeente voorschotenBij agendapunt: Uitgangspuntenkader regionaal warmtebedrijf en collectieve warmtetransitie17.094 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Uitgangspuntenkader regionaal warmtebedrijf en collectieve warmtetransitie

Pagina 1 van 42

Samenvatting De gemeente heeft de regierol in de warmtetransitie van Voorschoten. Dat is het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving door de overstap op duurzamere manieren van verwarmen. Voor een groot deel van Voorschoten is een collectief warmtenet een goed alternatief voor aardgas. Binnen het programma Warmte Leidse Regio (WLR) werkt de gemeente Voorschoten daarom samen met de gemeenten Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Zoeterwoude aan de oprichting van een regionaal warmtebedrijf dat een collectief warmtesysteem kan realiseren. Met het vaststellen van dit uitgangspuntenkader stelt de gemeenteraad kaders en geeft het richting aan de oprichting van een regionaal warmtebedrijf en de collectieve warmtetransitie in het algemeen. De uitgangspuntenkaders van de zes WLR-gemeenten samen vormen de kaders waarbinnen de oprichting van een regionaal warmtebedrijf kan plaatsvinden. De uitgangspunten zijn ook een manier om keuzes te maken over hoe een aantal nieuwe bevoegdheden en instrumenten in Voorschoten gaan worden ingezet. De gemeente krijgt via nieuwe wetgeving namelijk bepaalde bevoegdheden en instrumenten van het Rijk om de vormgeving van de lokale transitie naar duurzame collectieve warmte vorm te geven. Er zijn geen vormvereisten voor het uitgangspuntenkader.

Als minimale eis dient het uitgangspuntenkader echter wel aan te sluiten op het huidige en het voorziene juridische kader. Het gaat hierbij vooral om de Wet collectieve warmte (Wcw) en Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). Daarnaast moeten de uitgangspunten passen bij eigen beleid en regelgeving, zoals de omgevingsvisie, het omgevingsplan, de transitievisie warmte (in de toekomst: warmteprogramma) en het participatiebeleid. Met de nieuwe wetgeving wordt het college het bevoegd gezag in de meeste besluitvorming voor de warmtetransitie. De gemeenteraad kan vooraf sturen met dit uitgangspuntenkader en de omgevingsvisie, en achteraf met het vaststellen van het omgevingsplan. Het college kan op basis van de kaders in samenwerking met de andere WLR-gemeenten een Samenwerkingsovereenkomst (SOK) vaststellen, waarmee ze afspraken maken over de oprichting van een regionaal warmtebedrijf. Hierbij moeten mogelijk ook compromissen gesloten worden. Via een wensen- en bedenkingenprocedure kan de gemeenteraad terugkoppeling over de SOK geven aan het college, inclusief opmerkingen over de eventuele compromissen.

Inzet op collectieve warmte De warmtetransitie helpt Voorschoten op weg naar het doel om in 2050 een aardgasvrije gemeente te zijn. Uit de transitievisie warmte 1.1 blijkt dat collectieve warmte voor een groot deel van de gemeente het voorkeursalternatief voor aardgas is. Met het vaststellen van het warmteprogramma voor eind 2026 bepaalt het college waar in de gemeente collectieve warmte de voorkeur heeft en wanneer dit verwacht wordt. Dit gebeurt na een uitgebreid proces met relevante betrokkenen en lokale initiatieven. Naast de inzet op een collectief warmtesysteem, behouden bewoners de mogelijkheid om voor individuele warmteoplossingen te kiezen. Wel stellen we een aantal kaders om de tijd, geld en aandacht van de gemeente zo goed mogelijk te besteden. Uitgangspunten 1.

Het college bepaalt in het warmteprogramma waar en wanneer er collectieve warmte komt als alternatief voor aardgas, op basis van de leidende principes. Totdat het warmteprogramma is vastgesteld blijft de transitievisie warmte 1.1 leidend.

Pagina 2 van 42

2.

3. 4.

Waar gekozen is voor collectieve warmte stimuleert het college de verduurzaming van woningen en andere gebouwen, blijven individuele warmteoplossingen mogelijk, en staat het mini-warmtenetten toe, zolang de activiteiten voldoen aan de geldende wetten, regels en beleid. Om de betaalbaarheid en haalbaarheid van een collectieve oplossing te vergroten, stimuleert het college individuele warmteoplossingen niet actief in de gebieden waar voor collectieve warmte is gekozen. Alle gemeenten uit de samenwerking Warmte Leidse Regio stellen uitgangspunten vast; bij conflicterende uitgangspunten zoekt het college passende compromissen.

Leidende principes Het college wil een aantal leidende principes vaststellen, zodat het vertrouwen, enthousiasme en steun voor de warmtetransitie behouden blijft. Alle stappen in de warmtetransitie zullen dan worden beoordeeld en gewogen op basis van deze leidende principes. Op deze manier geeft de gemeente Voorschoten invulling aan haar regierol in de warmtetransitie, als bewaker van publieke waarden en het algemeen belang. Deze waarden zijn in lijn met eerdere besluiten door de gemeenteraad en deze worden ook in regionaal verband toegepast. Het gaat om betaalbaarheid, haalbaarheid, doelmatigheid, toegankelijkheid, betrouwbaarheid, beschikbaarheid, participatie, overlast, koppelkansen en de weging van deze publieke waarden. Uitgangspunten 5.

Het college houdt de kosten voor individuele afnemers van warmte en de maatschappij als geheel zo laag mogelijk, en het volgt daarbij landelijke richtlijnen voor de beoordeling van de betaalbaarheid van warmte. 6. Bij planvorming en uitvoering toetst het college op de (technische, economische, ruimtelijke en organisatorische) haalbaarheid en de doelmatigheid van gekozen oplossingen, waarbij een collectief warmtesysteem ook wordt vergeleken met andere alternatieven voor aardgas. 7. Het college maakt de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving van Voorschoten zo snel mogelijk en uiterlijk in 2050 aardgasvrij. 8. Het college zorgt dat afnemers van warmte kunnen vertrouwen op een voor iedereen toegankelijke, functioneel betrouwbare en altijd beschikbare warmtevoorziening. 9. Afnemers van warmte en andere relevante betrokkenen worden door het college actief meegenomen bij planvorming, besluitvorming en uitvoering. 10. Overlast en andere negatieve effecten bij de uitvoering, voor afnemers van warmte, andere betrokkenen of andere opgaven, probeert het college zo klein mogelijk te houden. 11. Waar mogelijk en wenselijk maakt het college werk met werk (koppelkansen) en stemt ze de aanpak van de warmtetransitie af met die van andere gemeentelijke opgaven. 12. Het college is verantwoordelijk voor de weging van de leidende principes en kijkt daarbij integraal naar het hele energiesysteem.

Deelname aan een regionaal warmtebedrijf De toekomstige Wet collectieve warmte (Wcw) gaat uit van een nieuw marktmodel voor warmte. Dit betekent dat alleen een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap kunnen worden aangewezen om een collectieve warmtevoorziening te exploiteren in een warmtekavel, dat wordt vastgesteld door het college. Het meerderheidsbelang zorgt ervoor dat publieke partijen, zoals de gemeente, het beleid van het warmtebedrijf (mede) kunnen bepalen. Op deze manier kan de publieke partij sturen op verschillende dingen, zoals investeringen in warmtenetten, meebeslissen over de hoogte van tarieven voor afnemers van warmte, en het benutten van koppelkansen met andere opgaven in de buurt. Er zijn vooralsnog geen publieke partijen actief in Voorschoten en de bredere Leidse regio die de rol van een publiek warmtebedrijf op zich kunnen nemen. Daarom stelt het college voor dat de gemeente Voorschoten deelneemt aan een regionaal warmtebedrijf dat bewoners van warmte kan gaan voorzien. Daarbij stelt het college wel enkele voorwaarden aan de oprichting van het warmtebedrijf. Het warmtebedrijf moet goed omgaan met risico’s, een efficiënte organisatie

Pagina 3 van 42

hebben en de financiële gevolgen goed inzichtelijk maken. Daarnaast wil het college al stappen kunnen zetten voordat het warmtebedrijf eenmaal is opgericht. Uitgangspunten 13. De gemeente neemt financieel deel en wordt mede-eigenaar in een regionaal publiek integraal warmtebedrijf, om zo gemeentelijke zeggenschap te organiseren en publieke slagkracht in de warmtetransitie te creëren. 14. Het college maakt een goede inventarisatie van risico’s en legt deze risico’s zoveel mogelijk neer bij die partijen die ze kunnen dragen en beïnvloeden. 15. Het college onderzoekt de mogelijkheden van een kleine efficiënte organisatiestructuur van het regionale warmtebedrijf, om onnodige winstmarges, risico-opslagen, faalkosten, tussenlagen en betrokken partijen te voorkomen. 16. Het college zal op basis van een businesscase een voorstel doen aan de gemeenteraad voor de gewenste (aanvullende) gemeentelijke financiering, investeringen en/of subsidies. De raad neemt hierover vervolgens een besluit. 16a: In de business case, genoemd in uitgangspunt 16, zullen (minimaal) de volgende aspecten doorgerekend en uitgewerkt zijn: a. De financiële bijdrage voor het op te richten regionale warmtebedrijf voor aansluiting op de hoofdleiding WarmtelinQ. b.

De kosten van de aanleg en exploitatie van het noodzakelijke WOS met mogelijk ook piek- en backupinstallatie, voorzien aan de Hofweg met een voorstel door wie en hoe deze bekostigd en terugverdiend zullen worden. c. De investeringsplanning en bijbehorende kosten van het aanleggen van het collectieve warmtesysteem naar en in de warmtekavel(s) in Voorschoten met een voorstel door wie en hoe deze bekostigd en terugverdiend zullen worden. d. Het verwachte aantal aansluitingen in de warmtekavel(s) in Voorschoten. e. Een bandbreedte van de verwachte aansluitkosten per afnemer. 17. Om de warmtetransitie te versnellen blijft het college in de tussenfase - de periode tot de inwerkingtreding van de Wcw en de oprichting van het regionale warmtebedrijf - stappen zetten, om collectieve warmte te realiseren, op basis van de vastgestelde uitgangspunten, in anticipatie op komende wetgeving, en met de mogelijkheid dat projecten uit de tussenfase overdraagbaar zijn aan het regionale warmtebedrijf. 17a: Het college zorgt voor een periodieke en gestructureerde informatievoorziening aan de Raad over de vorderingen van de vorming van het warmtebedrijf inclusief een zo vroeg mogelijke inschatting van de mogelijke financiële gevolgen voor de Raad en geeft de raad de kans zich over de vorming van het warmtebedrijf uit te spreken alvorens onomkeerbare stappen hiertoe worden gezet.

Inzet wettelijke instrumenten: kavelstrategie & aanwijsbevoegdheid Met de introductie van twee nieuwe wetten krijgt de gemeente ook nieuwe wettelijke instrumenten en bevoegdheden. De Wet collectieve warmte (Wcw) introduceert een kavelsystematiek voor warmtesystemen. Door een aanwijzing van het college krijgt een warmtebedrijf vervolgens het recht om hier warmte te leveren. De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) geeft de gemeenteraad onder specifieke voorwaarden de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen die aardgasvrij gaan worden. Zo heeft de gemeenteraad meer invloed op de richting van de warmtetransitie. Het inzetten van deze instrumenten kan een toekomstig warmtebedrijf helpen bij het uitvoeren van haar taken. Met de uitgangspunten maken we keuzes hoe we deze instrumenten inzetten. Uitgangspunten 18. Het college stelt de omvang en begrenzing van kavels zo vast dat deze, binnen de wettelijke kaders, optimaal voldoen aan de leidende principes (zie hoofdstuk 2). 19. Het college stemt de omvang en begrenzing van kavels af met relevante partijen in de gemeente, in de regio, met het aan te wijzen regionale warmtebedrijf en/of warmtegemeenschap(pen).

Pagina 4 van 42

20. Voorafgaand aan de toewijzing van een warmtekavel inventariseert het college de aanwezigheid van lokale initiatieven en (potentiële) warmtegemeenschappen binnen de kavel, onderzoekt het gezamenlijk met het regionale warmtebedrijf en actieve warmtegemeenschappen de wensen en kansen tot samenwerking binnen de kavel, en onderzoekt het de mogelijkheid om een (warmtebedrijf van een) warmtegemeenschap zelfstandig aan te wijzen voor de kavel. 21. Het college wijst nieuwe warmtekavels toe aan het regionale warmtebedrijf, waaraan de gemeente Voorschoten zal deelnemen, tenzij uit onderzoek blijkt dat een andere toewijzing beter aansluit bij de leidende principes (zie hoofdstuk 2). 22. Het college zal op aanvraag van initiatiefnemer(s) binnen het wettelijke kader ontheffing verlenen voor de exploitatie van kleine collectieve warmtesystemen, tenzij het de situatie voor andere afnemers van warmte in de gemeente nadelig beïnvloedt of het de voorgenomen ontwikkeling van warmtekavels belemmert. 23. Het college gebruikt de aanwijsbevoegdheid in die clusters waar een aanbod voor collectieve warmte gaat worden gerealiseerd, op voorwaarde dat de inzet van de aanwijsbevoegdheid voldoet aan alle wettelijke vereisten en collectieve warmte voor dat cluster in het warmteprogramma als het beste alternatief voor aardgas is beoordeeld.

De gemeenteraad bekrachtigd de aanwijsbevoegdheid in het omgevingsplan.

Lokale betrokkenheid Voor een succesvolle warmtetransitie is lokale betrokkenheid belangrijk. Daarbij zijn verschillende aspecten van belang: aandacht voor afnemers bij de oprichting van het warmtebedrijf, goede participatie tijdens de realisatie van de collectieve warmtevoorziening, en betrokkenheid van afnemers en lokale initiatieven als het warmtebedrijf operationeel is. Met de uitgangspunten geeft de gemeenteraad een stem aan afnemers van warmte en lokale initiatieven. Uitgangspunten 24. Het college onderzoekt de mogelijkheden van en zet zich in voor een vorm van zeggenschap, invloed of betrokkenheid voor de afnemers van warmte in het regionale warmtebedrijf, om te zorgen dat afnemers kunnen meedenken, meebeslissen en/of dat hun belangen altijd gediend blijven in de onderwerpen die voor hen belangrijk zijn. 25. Het college onderzoekt de mogelijkheden voor een vorm van gedeeld belang, winstdeling en/of eigenaarschap van afnemers van warmte in het regionale warmtebedrijf, om een prikkel te realiseren voor het gezamenlijk reduceren van risico’s en kosten. 26. Het college onderzoekt de mogelijkheden voor het regionale warmtebedrijf om samen te werken met lokale warmtegemeenschappen of andere lokale initiatieven. 27.

De gemeenteraad en het college blijven lokale initiatieven stimuleren die zich inzetten voor het omschakelen naar een aardgasvrije buurt en deze initiatieven worden nauw betrokken bij het (opstellen van een) uitvoeringsplan. 28. Het college draagt zorg voor een inclusieve, duidelijke en transparante participatieaanpak, waarin maatwerk per gebied wordt toegepast. Dat betekent: laagdrempelig, toegankelijk voor iedereen en passend bij de doelgroep, met een duidelijke fasering en tijdspad.

Pagina 5 van 42

Inhoudsopgave Samenvatting ...................................................................................................................2 Inhoudsopgave .................................................................................................................6 Lijst van afkortingen en begrippen ......................................................................................7 Inleiding ..........................................................................................................................9 Achtergrond uitgangspuntenkader .....................................................................................10 1. Inzet op collectieve warmte .......................................................................................12 2. Leidende principes ....................................................................................................14 3. Deelname aan een regionaal warmtebedrijf .................................................................16 4. Inzet wettelijke instrumenten: kavelstrategie & aanwijsbevoegdheid ...............................19 5. Lokale betrokkenheid ................................................................................................23 Verdiepende bijlagen .......................................................................................................25 A.

Netcongestie en de warmtetransitie ............................................................................25 B.

Betaalbaarheid en inzet financiële middelen .................................................................26

C.

Rolneming in een regionaal warmtebedrijf ...................................................................30

D.

Aanwijzen van een kavel of warmtebedrijf ...................................................................33

E.

Toepassen van de aanwijsbevoegdheid .......................................................................39

F.

Planning en bestluitvorming warmtetransitie ................................................................40

Colofon ..........................................................................................................................42

Pagina 6 van 42

Lijst van afkortingen en begrippen Afkorting of begrip

Omschrijving

Aanwijsbevoegdheid

BAK

Onderdeel van de Wgiw is de aanwijsbevoegdheid. Die biedt gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan binnen hun grondgebied gebieden aan te wijzen die overgaan op een duurzame warmtevoorziening en waar het transport en de levering van aardgas op termijn eindigt. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) is een onafhankelijke toezichthouder die zich sterk maakt voor goed werkende markten voor mensen en bedrijven Bijdrage Aansluitkosten, kan worden gevraagd aan afnemers van warmte

College

College van burgemeester en wethouders (van de gemeente Voorschoten)

Gebied Gemw

Een afgebakend stuk grond. Dit kan, maar hoeft niet, gelijk te zijn aan een kavel, cluster, buurt of een wijk. Gemeentewet

Kavel

Zie warmtekavel

Kavelstrategie

De aanpak waarmee een gemeente of regio de warmtevoorziening in verschillende warmtekavels organiseert en beheert. Dit omvat het toewijzen van kavels aan warmtebedrijven, het vaststellen van voorwaarden voor de exploitatie, en het coördineren van de ontwikkeling van de infrastructuur. Een kans om twee losstaande opgaven samen en vaak tegelijkertijd te realiseren

ACM

Koppelkans Lokale initiatieven

Maatschappelijke kosten Mini-warmtenetten Onrendabele top

Participatie Raad RPIW

SOK TCO Transitievisie warmte Uitgewerkt kavelplan

Uitgangspuntenkader UGW Warmtebedrijf

Pagina 7 van 42

In de context van dit document is dit een collectief van bewoners, bedrijven of andere belanghebbenden die samenwerken om hun warmtevoorziening te verduurzamen. Een lokaal initiatief van bewoners is vaak de voorloper van een warmtegemeenschap. Dit zijn kosten die niet alleen door individuen, organisaties of bedrijven worden betaald, maar ook door de samenleving als geheel. Dit zijn warmtenetten met 2 tot 100 aansluitingen. Het verschil tussen de werkelijke kosten van een warmtesysteem en de opbrengsten of besparingen die het genereert. Dit is het deel van de investering dat niet rendabel is, en vaak wordt gefinancierd door subsidies of andere vormen van financiële ondersteuning om de warmtetransitie te stimuleren. Het doel van participatie is om alle belangen en meningen van de omgeving in kaart te brengen, waardoor zorgvuldige besluitvorming door het gemeentebestuur kan plaatsvinden. Gemeenteraad (van de gemeente Voorschoten) Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf. Het regionale aspect betreft de samenwerking Warmte Leidse Regio (WLR), waarbinnen de gemeente Voorschoten de voorbereidingen treft voor de oprichting van een RPIW. Een publiek warmtebedrijf is een warmtebedrijf dat voor meer dan 50% van de aandelen in eigendom is van een of meerdere publieke partijen. Het begrip ‘integraal’ duidt op de brede, integraliteit van verantwoordelijkheden.

Deze omvatten warmtebronnen, inclusief transport en netbeheer, tot aan de levering van warmte aan afnemers. Samenwerkingsovereenkomst Total cost of ownership. De totale kosten van het bezitten en exploiteren van een warmtesysteem over de gehele levensduur. Zie warmteprogramma Een uitgewerkt kavelplan is een gedetailleerd plan dat door een aangewezen warmtebedrijf wordt opgesteld in opdracht van het college. Dit plan bevat een gedetailleerde uitwerking van het globale kavelplan en wordt na de aanwijzing van het warmtebedrijf opgesteld. Het doel van een kavelplan is om ervoor te zorgen dat de collectieve warmtevoorziening op een doelmatige, duurzame en betrouwbare manier kan worden gerealiseerd en geëxploiteerd. Dit document, uitgangspunten regionaal warmtebedrijf en collectieve warmtetransitie Uitgangspunten Gebiedsgerichte Warmtetransitie van de gemeente Leiden. Onderneming of warmtegemeenschap die zich bezighoudt, of voornemens is zich bezig te houden, met het transport en de levering van warmte en de

productie of inkoop van warmte. Warmtegemeenschap Warmtekavel

Warmteprogramma

Warmtetransitie Wcw

Wgiw WLR

Pagina 8 van 42

Een warmtegemeenschap is een lokaal warmtebedrijf waar eindgebruikers de zeggenschap en het eigendom hebben. Een specifiek gebied binnen een gemeente of regio dat wordt toegewezen voor de ontwikkeling van een warmtenet. Binnen dit kavel zijn er vaak afspraken of verplichtingen vastgelegd welke partijen verantwoordelijk zijn voor de aanleg en exploitatie van de infrastructuur voor de warmtevoorziening. Als eerste stap hebben gemeenten een transitievisie warmte opgesteld. Daarin staat in welke gebieden zij de komende jaren aan de slag gaan met verduurzaming of het aardgasvrij maken van gebouwen, en wanneer zij verwachten dat het gebruik van aardgas in specifieke gebieden ook daadwerkelijk wordt beëindigd. Deze visie moet in 2026 worden geactualiseerd als verplicht warmteprogramma onder de Wgiw. Vanaf dan moet het warmteprogramma iedere 5 jaar worden geactualiseerd. De overstap van aardgas naar duurzamere manieren van verwarmen. Wet collectieve warmte (wetsvoorstel). Deze vervangt de huidige Warmtewet. Het doel van de nieuwe wet is om de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten te versimpelen, maar ook om betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid van collectieve warmtelevering te waarborgen. Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie.

Deze is erop gericht om gemeenten de bevoegdheden te geven die nodig zijn om regie te voeren in de gebiedsgerichte aanpak van de warmtetransitie. Warmte Leidse Regio. Dit is een samenwerkingsverband tussen de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Zoeterwoude, Voorschoten, Oegstgeest en Katwijk, op basis van de in 2021 en in 2023 gesloten samenwerkingsovereenkomsten. De samenwerking richt zich op de verduurzaming van de warmtevraag in de regio en het oprichten van een regionaal publiek integraal warmtebedrijf.

Inleiding De gemeente heeft de ambitie en wettelijke taak om de regierol te pakken in de warmtetransitie van Voorschoten, namelijk het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving door over te stappen op duurzamere manieren van verwarmen. Collectieve warmte is een belangrijke pijler van de in 2024 vastgestelde transitievisie warmte 1.11. Voor een groot deel van Voorschoten is collectieve warmte de oplossing met de laagste kosten voor bewoners en de maatschappij. Binnen het programma Warmte Leidse Regio (WLR) werkt de gemeente Voorschoten met de gemeenten Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Zoeterwoude samen aan de oprichting van een regionaal warmtebedrijf. Het zelf oprichten van een regionaal warmtebedrijf is een belangrijk middel om een collectief warmtesysteem te realiseren voor bewoners. Met de oprichting van een warmtebedrijf geeft het college invulling aan de regierol. Het college bewaakt daarbij publieke waarden, zoals betaalbaarheid, duurzaamheid en betrouwbaarheid. De samenwerking binnen WLR, voor de oprichting van een regionaal warmtebedrijf, was de aanleiding om dit uitgangspuntenkader vast te stellen. Het bouwt voort op de technischeconomische analyse bij de transitievisie warmte 1.1. De functie van het uitgangspuntenkader is echter breder.

Ook de collectieve warmtetransitie in het algemeen en het warmteprogramma, dat in 2026 vastgesteld zal worden, kunnen gebruik maken van dit uitgangspuntenkader. De inhoud van dit uitgangspuntenkader, en met name de verdiepende bijlagen, zijn mede gebaseerd op de Uitgangspunten Gebiedsgerichte Warmtetransitie (UGW) van de gemeente Leiden. Dat document is opgesteld als uitgangspuntenkader voor de oprichting van hetzelfde warmtebedrijf. Met het vaststellen van het uitgangspuntenkader stelt de gemeenteraad kaders en geeft het richting, waarmee het college invulling kan geven aan de oprichting van een regionaal warmtebedrijf en de collectieve warmtetransitie in het algemeen. De uitgangspuntenkaders van de zes WLR-gemeenten samen vormen de kaders waarbinnen de oprichting van een regionaal warmtebedrijf kan plaatsvinden. De regierol van de gemeente in de lokale warmtetransitie krijgt nu concreet vorm doordat gemeenten bepaalde bevoegdheden en instrumenten van het Rijk (gaan) krijgen die bepalend zijn voor de vormgeving van de lokale transitie naar duurzame collectieve warmte. De uitgangspunten zijn daarmee ook een manier om keuzes te maken over hoe deze bevoegdheden en instrumenten in Voorschoten gaan worden ingezet.

Leeswijzer Het volgende hoofdstuk gaat kort in op de context van dit uitgangspuntenkader. De hoofdstukken daarna beschrijven telkens de uitgangspunten voor het regionaal warmtebedrijf en de collectieve warmtetransitie rond verschillende thema’s: collectieve warmte, leidende principes, deelname aan een regionaal warmtebedrijf, de inzet van wettelijke instrumenten en lokale betrokkenheid. Elk hoofdstuk bevat ook een uitleg en onderbouwing van de uitgangspunten. Voor gedetailleerdere achtergrondinformatie verwijzen we naar de verdiepende bijlagen.

1 https://www.voorschoten.nl/transitievisie-warmte

Pagina 9 van 42

Achtergrond uitgangspuntenkader Dit uitgangspuntenkader heeft raakvlakken met ander beleid en worden opgesteld binnen een (toekomstig) wettelijk kader, met bijbehorende bevoegdheden van de gemeenteraad en het college. Dit hoofdstuk beschrijft de context van het uitgangspuntenkader.

Relatie met ander beleid In 2024 heeft de gemeenteraad de transitievisie warmte 1.1 vastgesteld. Hierin zijn de ambities van de gemeente ten aanzien van de warmtetransitie beschreven. Bovendien is hierin een aantal startclusters opgenomen dat het eerst van het aardgas af gaat. In 2025 gaan we aan de slag met de opvolger van de transitievisie warmte, namelijk het warmteprogramma. Dit is een wettelijke taak. Met dit warmteprogramma actualiseert de gemeente het beleid van de warmtetransitie en wordt het uitgebreid. Het is belangrijk dat het warmteprogramma aansluit op de ambities voor de gehele fysieke leefomgeving van Voorschoten: de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Aan de omgevingsvisie wordt momenteel gewerkt. Ook hierin zullen ambities voor de warmtetransitie verankerd worden. De omgevingsvisie wordt in 2025 door de gemeenteraad vastgesteld. Ook het vaststellen van het omgevingsplan is een besluit van de gemeenteraad. Het warmteprogramma wordt voor eind 2026 door het college vastgesteld (op basis van de Wgiw). Voor de oprichting van een regionaal warmtebedrijf is ook geld nodig. In de kadernota voor de jaren 2026 tot en met 2029 moeten we daarom al rekening houden met de benodigde financiële middelen op de lange termijn. Daarom zal de oprichting van een regionaal warmtebedrijf ook terugkomen in de kadernota. De kadernota wordt door de gemeenteraad vastgesteld.

Het uitgangspuntenkader is geen formeel instrument in wettelijke zin. De omgevingsvisie, het omgevingsplan, het warmteprogramma en de kadernota zijn dat wel. Het geeft de gemeenteraad wel de kans om een uitspraak te doen over de uitgangspunten en randvoorwaarden voor een regionaal warmtebedrijf. Het college kan op basis van de kaders in samenwerking met de andere WLR-gemeenten een Samenwerkingsovereenkomst (SOK) vaststellen, waarmee ze afspraken maken over de oprichting van een regionaal warmtebedrijf. De gemeenteraad kan via een wensen- en bedenkingenprocedure terugkoppeling op de SOK geven aan het college, voordat de overeenkomst wordt vastgesteld en ondertekend.

Vereisten en wettelijk kader Er zijn geen vormvereisten voor het uitgangspuntenkader. Het moet zo worden opgesteld dat het begrijpelijke en uitvoerbare uitgangspunten meegeeft waaraan een regionaal warmtebedrijf moet voldoen. Het kan daarbij richten op een breed kader, gericht op de hele warmtetransitie. Of een smal kader, alleen gericht op de contouren voor een regionaal warmtebedrijf. Of iets daartussenin, zoals in dit uitgangspuntenkader is beschreven. Als minimale eis dient het uitgangspuntenkader echter wel aan te sluiten op het huidige en het voorziene juridische kader. Het gaat hierbij vooral om de Wet collectieve warmte (Wcw) en Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). De Wgiw is inmiddels aangenomen door de Eerste Kamer (d.d. 10 december 2024) en de inwerkingtreding wordt voorbereid. De Wcw moet nog aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. In dit uitgangspuntenkader gaan we uit van de conceptwetstekst zoals die aan de Tweede Kamer is aangeboden. Daarnaast moeten de uitgangspunten passen bij eigen beleid en regelgeving, zoals de omgevingsvisie, het omgevingsplan, de transitievisie warmte (later: warmteprogramma) en het participatiebeleid.

Pagina 10 van 42

Bevoegdheden gemeenteraad en college De gemeenteraad is het hoogste bestuursorgaan in de gemeente. De gemeenteraad is democratisch gelegitimeerd en heeft drie belangrijke taken: budgetstellend, kaderstellen (regelgevend) en controlerend. De leden van de gemeenteraad (raadsleden) nemen de beslissingen die voor de gemeente van belang zijn. Het college van burgemeester en wethouders (ook wel college van B&W of kortweg college genoemd) vormt het dagelijks bestuur van de gemeente. De bevoegdheden van de gemeenteraad en het college zijn vastgelegd in de Gemeentewet. Met de nieuwe wetgeving, Wgiw en Wcw, komen er voor de warmtetransitie nieuwe bevoegdheden en taken bij voor de gemeenteraad en het college. Bij wet is het college het bevoegd gezag voor de meeste besluiten in de warmtetransitie. Denk aan het vaststellen van (de omvang van) een warmtekavel of het aanwijzen van een (publiek) warmtebedrijf. De gemeenteraad kan vooraf sturen met het vaststellen van dit uitgangspuntenkader en de omgevingsvisie, en achteraf met het vaststellen van het omgevingsplan. Daarnaast beslist de gemeenteraad over het beschikbaar stellen van budget voor de realisatie van de warmtetransitie en de afzonderlijke warmteprojecten. Het planproces voor de warmtetransitie wordt gedetailleerder toegelicht in bijlage D (bijvoorbeeld figuren 4, 5 en 6).

Hierin staan verschillende besluiten waarvoor het college als bevoegd gezag is aangewezen door de Wgiw of Wcw. Tot slot oefent de gemeenteraad altijd de controlerende taak uit over het beleid dat het college voert. Volgens de nieuwe Omgevingswet stelt de raad wijzigingen van het omgevingsplan vast. Het omgevingsplan speelt vooral een rol als de aanwijsbevoegdheid uit de Wgiw wordt ingezet en bij ruimtelijke besluiten. In eerste instantie kondigt het college in het warmteprogramma het voornemen aan om in bepaalde gebieden de aanwijsbevoegdheid in te zetten. De inzet van de aanwijsbevoegdheid is echter pas bindend voor bewoners en bedrijven als het door de gemeenteraad wordt vastgesteld als een maatwerkregel in het omgevingsplan. De inzet van de aanwijsbevoegdheid moet goed worden onderbouwd. Dit kan worden gedaan in het warmteprogramma en/of een uitvoeringsprogramma. Programma’s onder de Omgevingswet worden vastgesteld door het college. Het warmteprogramma is een verplicht programma onder de Omgevingswet. Een uitvoeringsplan is optioneel en vormvrij, en kan gebruikt worden als verdiepende uitvoeringsslag van het warmteprogramma. Gezien het vormvrije karakter van het uitvoeringsplan kan dit eventueel door de gemeenteraad worden vastgesteld, maar gezien het uitvoerende karakter van het document is dit niet logisch.

Het is ook mogelijk om het uitvoeringsplan vast te stellen als een vrijwillig programma onder de Omgevingswet. Daarmee sluit het qua formele vereisten goed aan bij het omgevingsplan. Meer informatie over het inzetten van de aanwijsbevoegdheid is opgenomen in bijlage E. Naast de aanwijsbevoegdheid kan ook de aanleg van een WOS of warmtenetten op zichzelf wijzigingen van het omgevingsplan vereisen. Ook dan is de gemeenteraad aan zet om te beslissen over de planologische aspecten daarvan. Binnen de samenwerking Warmte Leidse Regio wordt de oprichting van een regionaal warmtebedrijf onderzocht. Hierbij ligt de bevoegdheid formeel bij het college, maar vereist de Gemeentewet wel betrokkenheid van de raad. Zo kan de raad invloed uitoefenen op het besluit van het college met een wensen- en bedenkingenprocedure. Het juridische kader en het besluitvormingsproces voor de oprichting van een warmtebedrijf zijn uitgewerkt in bijlage C (figuur 3). Daarnaast besluit de gemeenteraad over de financiën van de gemeente. Eventuele investeringen in een warmtebedrijf worden door het college voorgesteld op basis van een businesscase, waarbij de gemeenteraad het besluit neemt. De warmtetransitie in Voorschoten kent verschillende sporen. Voor een overzicht van de planning voor de komende jaren en welke besluiten door wie genomen worden verwijzen we u naar de figuur en tabel in bijlage F.

Pagina 11 van 42

1. Inzet op collectieve warmte De gemeente voert de regierol in de warmtetransitie van Voorschoten: het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving en overstappen op duurzamere manieren van verwarmen. Uit de transitievisie warmte 1.1 uit 2024 blijkt dat collectieve warmte voor een groot deel van Voorschoten de oplossing is met de laagste kosten voor bewoners en de maatschappij. Het college zet daarom stevig in op collectieve warmte, zowel op basis van regionale als lokale warmtebronnen. Het vaststellen van uitgangspunten door de gemeenteraad van Voorschoten over hoe de gemeente inzet op collectieve warmte helpt een regionaal warmtebedrijf om keuzes te maken en biedt kaders bij het opstellen van het warmteprogramma.

Definitie collectieve warmte Collectieve warmte is, volgens het wetsvoorstel Wet collectieve warmte (Wcw), een systeem met meer dan tien particuliere aansluitingen waarbij een of meer warmtebronnen door middel van een warmtenet ontsloten worden voor de levering van warmte. Binnen collectieve warmte maken we onderscheid tussen kleine en grote collectieve systemen, op basis van de Wcw. Kleine systemen zijn kleiner dan 1.500 aansluitingen, grote systemen groter. Daarnaast onderscheiden we miniwarmtenetten. Dat is geen officiële term maar wel een schaalniveau tussen individuele warmteoplossingen (één aansluiting) en de grotere collectieve systemen van honderden of zelfs duizend(en) aansluitingen. Mini-warmtenetten zijn bijvoorbeeld interessant voor sommige straten en gaan over 2 tot 100 aansluitingen.

Warmteprogramma Het warmteprogramma is de opvolger van de transitievisie warmte. Na een uitgebreid participatieproces met relevante betrokkenen, waaronder toekomstige afnemers en lokale initiatieven, bepaalt het college in het warmteprogramma waar en wanneer in de gemeente collectieve warmte komt. Ze bepaalt ook in welke gebieden ze de aanwijsbevoegdheid uit de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wil inzetten. Voor deze gebieden zal het college in het warmteprogramma ook een voorstel doen voor de alternatieve energievoorziening. De keuze voor de warmteoplossing in het warmteprogramma heeft gevolgen voor alle gebouwen in het gebied. Het is namelijk niet te verwachten dat er een keuze ontstaat tussen meerdere collectieve systemen in een gebied. Daarom moet het college de voor- en nadelen van iedere warmteoplossing zorgvuldig afwegen. Deze afweging gebeurt aan de hand van de leidende principes die in het volgende hoofdstuk worden beschreven. Het warmteprogramma wordt uiterlijk in 2026 vastgesteld. In de tussentijd zal de transitievisie warmte 1.1 gebruikt worden om invulling te geven aan de warmtetransitie in Voorschoten.

Invulling warmtetransitie Bewoners hebben altijd keuzevrijheid voor individuele warmteoplossingen vanwege de opt-out in de Wcw. Gebouweigenaren zijn niet verplicht om de voorkeursoptie in een gebied te volgen. Het college staat deze oplossingen dus toe, op voorwaarde dat dit kan binnen geldende wetten, beleid en regels. Het zelfstandig gekozen alternatief moet bijvoorbeeld net zo duurzaam zijn als de oplossing waarmee de gemeente komt. Daarnaast stimuleert het college in de gehele gemeente het verduurzamen van woningen en bedrijven, zoals isolatiemaatregelen. Het belangrijkste alternatief voor collectieve warmte, namelijk individuele (all-electric) warmteoplossingen, draagt te veel bij aan het (groeiende) probleem van overbelasting van het

Pagina 12 van 42

elektriciteitsnet: ook wel netcongestie genoemd (zie bijlage A). De aansluiting op een warmtenet wordt goedkoper, zodra er meer woningen en/of gebouwen in een gebied zijn aangesloten. Het is dan ook niet logisch om in gebieden waar een collectief systeem wordt aangeboden, ook nog actief individuele warmteoplossingen te stimuleren. Alle gemeenten uit de samenwerking Warmte Leidse Regio stellen uitgangspunten vast. Hoewel er uitvoerige afstemming plaatsvindt tussen de gemeenten onderling, kan het zijn dat conflicterende uitgangspunten worden vastgesteld. In dat geval gaat het college op zoek naar passende compromissen, die worden vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst (SOK) voor de oprichting van een regionaal warmtebedrijf. Via een wensen- en bedenkingenprocedure kan de gemeenteraad terugkoppeling over de SOK geven aan het college, inclusief opmerkingen over de eventuele compromissen.

Uitgangspunten collectieve warmte 1. 2.

3. 4.

Het college bepaalt in het Warmteprogramma waar en wanneer er collectieve warmte komt als alternatief voor aardgas, op basis van de leidende principes (zie hoofdstuk 2). Totdat het warmteprogramma is vastgesteld blijft de transitievisie warmte 1.1 leidend. Waar gekozen is voor collectieve warmte stimuleert het college de verduurzaming van woningen en andere gebouwen, blijven individuele warmteoplossingen mogelijk, en staat het mini-warmtenetten toe, zolang de activiteiten voldoen aan de geldende wetten, regels en beleid. Om de betaalbaarheid en haalbaarheid van een collectieve oplossing te vergroten, stimuleert het college individuele warmteoplossingen niet actief in gebieden waar voor collectieve warmte is gekozen. Alle gemeenten uit de samenwerking Warmte Leidse Regio stellen uitgangspunten vast; bij conflicterende uitgangspunten zoekt het college passende compromissen.

Pagina 13 van 42

2. Leidende principes Voor de realisatie van collectieve warmte worden warmtenetten aangelegd en warmteoverdrachtstations gebouwd. Bovendien moeten huizen op een andere manier worden verwarmd. Dit betekent dat er een afleverset of een warmtepomp moet worden geïnstalleerd, in plaats van een cv-ketel. Deze grote verbouwingen gaat elke persoon in Voorschoten merken. Het behouden van vertrouwen, enthousiasme en steun voor de warmtetransitie is van essentieel belang. Daarom wil het college een aantal leidende principes vaststellen, op basis waarvan alle stappen in de warmtetransitie worden beoordeeld en gewogen. Op deze manier geeft de gemeente Voorschoten invulling aan haar regierol in de warmtetransitie, als bewaker van publieke waarden en het algemeen belang. Deze waarden zijn in lijn met eerdere besluiten en deze worden ook in regionaal verband toegepast.

Betaalbaarheid De omschakeling naar een aardgasvrij Voorschoten kost veel partijen geld. Warmtenetten zijn meestal een goede oplossingen vanuit het oogpunt van totale maatschappelijke kosten, omdat het elektriciteitsnet dan minder verzwaard hoeft te worden. Op het niveau van individuele afnemers is het soms nog een flinke puzzel om tot een betaalbaar aanbod te komen. Toch is dit wel het uitgangspunt: betaalbaarheid voor zowel de gehele maatschappij als voor individuele afnemers. Het college volgt hierbij in de basis altijd landelijke richtlijnen voor betaalbaarheid, zoals de Handreiking Betaalbaarheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en VNG2, maar kan hiervan afwijken als de lokale situatie daarom vraagt. Het onderwerp betaalbaarheid is verder uitgewerkt in bijlage B.

Haalbaarheid en doelmatigheid In de zoektocht naar het beste aanbod voor afnemers, moet de gemeente ook letten op de uitvoerbaarheid voor het toekomstige warmtebedrijf. Daarom let het college er bij de planvorming en de uitvoering ook op of gekozen oplossingen haalbaar en doelmatig zijn. Daarbij wordt onder andere gekeken naar technische, economische, ruimtelijke en organisatorische aspecten. De oplossing moet een effectieve manier zijn om Voorschoten aardgasvrij te maken.

Duurzaamheid Het doel van de inzet op collectieve warmte en de oprichting van een regionaal warmtebedrijf is om de verwarming van de gebouwde omgeving van Voorschoten aardgasvrij te maken. Uiterlijk in 2050 moet de warmtetransitie voltooid zijn, zoals is vastgelegd in de Klimaatwet. Om negatieve effecten door klimaatverandering te beperken is het van belang om niet tot het laatste moment te wachten. De warmtetransitie is namelijk een complexe opgave en niet alles kan tegelijkertijd en op het laatste moment worden uitgevoerd. Daarom is het uitgangspunt om zo snel mogelijk aan de slag te gaan en de warmtetransitie te realiseren.

Toegankelijkheid, betrouwbaarheid en beschikbaarheid Als personen willen aansluiten op een collectief warmtesysteem, dan moet dit in de basis voor iedereen mogelijk zijn. Daarnaast moeten afnemers kunnen vertrouwen dat de aansluiting functioneel betrouwbaar en altijd beschikbaar is. Het regionale warmtebedrijf moet dus zorgen

2 https://vng.nl/publicaties/handreiking-betaalbaarheid-hulpmiddel-voor-gemeenten-voor-de-

warmtetransitie-in-de-wijkaanpak

Pagina 14 van 42

dat het collectieve warmtesysteem van een goede kwaliteit is en operationeel is wanneer afnemers de warmte nodig hebben.

Participatie De warmtetransitie is iets waar iedereen mee te maken krijgt. Het college spant zich daarom in om afnemers van warmte en andere relevante betrokkenen zo goed mogelijk te betrekken bij de verschillende fases van planvorming, besluitvorming en uitvoering. De gemeente en het warmtebedrijf realiseren de warmtetransitie dus niet alleen vóór inwoners en andere partijen, maar ook samen met hen.

Overlast en koppelkansen Het college wil de negatieve effecten in de uitvoering, zoals overlast bij de aanleg van warmtenetten, zoveel mogelijk beperken. Een belangrijke manier om dat te bereiken is door koppelkansen te benutten tussen de aanleg van warmtenetten en de duurzame wijkvernieuwingen (zoals rioolvervanging en herinrichting van de openbare ruimte, inclusief klimaatadaptatie en biodiversiteit). Hoewel dit uitdagend is in de uitvoering, kan het zowel de kosten verlagen als de overlast voor bewoners en bedrijven beperken.

Weging In sommige situaties is het toepassen van de leidende principes gemakkelijk, maar in andere gevallen zullen de principes met elkaar kunnen conflicteren. Zo kan het aanleggen van een warmtenetleiding voor slechts een klein aantal aansluitingen (leidend principe: toegankelijkheid voor iedereen) ervoor zorgen dat de betaalbaarheid in het gedrang komt. Tegelijkertijd groeit de noodzaak om energiesysteem integraal te bekijken, door bijvoorbeeld koeling, opslag of de staat van het elektriciteitsnet in de afweging mee te nemen. In lijn met de nieuwe wetgeving (Wcw en Wgiw) en om de warmtetransitie uitvoerbaar te houden is de afweging van de leidende principes een verantwoordelijkheid van het college.

Uitgangspunten leidende principes 5.

Het college houdt de kosten voor individuele afnemers van warmte en de maatschappij als geheel zo laag mogelijk, en het volgt daarbij landelijke richtlijnen voor de beoordeling van de betaalbaarheid van warmte. 6. Bij planvorming en uitvoering toetst het college op de (technische, economische, ruimtelijke en organisatorische) haalbaarheid en de doelmatigheid van gekozen oplossingen, waarbij een collectief warmtesysteem ook wordt vergeleken met andere alternatieven voor aardgas. 7. Het college maakt de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving van Voorschoten zo snel mogelijk en uiterlijk in 2050 aardgasvrij. 8. Het college zorgt dat afnemers van warmte kunnen vertrouwen op een voor iedereen toegankelijke, functioneel betrouwbare en altijd beschikbare warmtevoorziening. 9. Afnemers van warmte en andere relevante betrokkenen worden door het college actief meegenomen bij planvorming, besluitvorming en uitvoering. 10. Overlast en andere negatieve effecten bij de uitvoering, voor afnemers van warmte, andere betrokkenen of andere opgaven, probeert het college zo klein mogelijk te houden. 11. Waar mogelijk en wenselijk maakt het college werk met werk (koppelkansen) en stemt ze de aanpak van de warmtetransitie af met die van andere gemeentelijke opgaven. 12. Het college is verantwoordelijk voor de weging van de leidende principes en kijkt daarbij integraal naar het hele energiesysteem.

Pagina 15 van 42

3. Deelname aan een regionaal warmtebedrijf Sinds 2021 werkt de gemeente Voorschoten samen met vijf andere gemeenten in het programma Warmte Leidse Regio (WLR). Daarin wordt samen toegewerkt naar de oprichting van een regionaal publiek integraal warmtebedrijf (RPIW). Dat is in lijn met de hoofdregel van de toekomstige Wet collectieve warmte (Wcw) die bepaalt dat alleen warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschappen voor een warmtekavel kunnen worden aangewezen en hier een collectieve warmtevoorziening kunnen exploiteren. Een publieke partij heeft hierdoor het laatste woord in het warmtebedrijf. Het publieke meerderheidsbelang versterkt de regie op de warmtetransitie en waarborgt de publieke belangen: de publieke partij kan het beleid van het warmtebedrijf (mede) bepalen. Het meerderheidsbelang in een warmtebedrijf geeft een publieke partij bovendien zeggenschap over de infrastructuur. Dit is vergelijkbaar met andere infrastructuren, zoals gas, elektriciteit en drinkwater. Er zijn vooralsnog geen publieke partijen actief in Voorschoten en de bredere Leidse regio die de rol van een publiek warmtebedrijf op zich zouden kunnen nemen. Het is daarom des te belangrijker voor de gemeente Voorschoten om regie te nemen bij het vormgeven van een regionaal warmtebedrijf dat bewoners van warmte kan gaan voorzien.

Bijlage C geeft meer achtergrond over hoe de gemeente kan deelnemen in een regionaal warmtebedrijf.

De gemeente als aandeelhouder Een groot deel van de inhoudelijke keuzes over de toe te passen warmtetechniek en infrastructuur ligt bij het warmtebedrijf. De gemeente mag het warmtebedrijf in principe geen aanvullende wensen of opdrachten opleggen. Het wetsvoorstel Wcw bevat zelfs een verbod voor gemeentebesturen om regels op te stellen over hoe het warmtebedrijf zijn taken uitvoert. De gemeente heeft daardoor geen directe invloed op de bedrijfsvoering van het warmtebedrijf. De gemeente kan wel mede-eigenaar worden. Door als aandeelhouder deel te nemen en mee te werken aan de oprichting van een warmtebedrijf, heeft de gemeente meer invloed op de strategische keuzes van het warmtebedrijf. Voorbeelden van strategische keuzes zijn: investeringen in warmtenetten, meebeslissen over de hoogte van tarieven voor afnemers van warmte, en het benutten van koppelkansen met andere opgaven in de wijk. Het regionale warmtebedrijf opereert echter wel als eigen entiteit, dat integraal verantwoordelijk is voor een doelmatige en betrouwbare warmtevoorziening. Bij de oprichting van een warmtebedrijf worden keuzes gemaakt over de bevoegdheden van gemeenteraden en colleges in de besluitvorming over het warmtebedrijf. Het juridische kader en bevoegdheden zijn uitgewerkt in bijlage C.

Door deel te nemen in het warmtebedrijf krijgt de gemeente ook invloed op de uitgangspunten van de businesscase van een warmtenet, zoals het gewenste rendement en de risicoafdekking. De gemeente kan meebeslissen over wie welk risico draagt. Voorbeelden van risicogroepen zijn: financieel, technisch, organisatorisch, vollooprisico en wet- en regelgeving. Als risico’s bij partijen worden neergelegd die daar geen invloed op kunnen uitoefenen, is het resultaat vaak dat hoge en dubbele risico-opslagen worden berekend. Dit heeft een prijsopdrijvend effect. De gemeente kan als aandeelhouder invloed uitoefenen om risico’s op de juiste plek neer te leggen. Om onnodige winstmarges, risico-opslagen, faalkosten, tussenlagen en betrokken partijen te voorkomen is een kleine efficiënte organisatie het uitgangspunt. Daarom is ook een directe samenwerking van het regionale warmtebedrijf met uitvoerende partijen wenselijk. Een uitbreiding van de organisatiestructuur is alleen te verantwoorden als dit helpt de leidende principes beter te volgen.

Pagina 16 van 42

Afweging zeggenschap en financiële deelname De uiteindelijke mate van zeggenschap van de gemeente in een warmtebedrijf staat nog niet vast. Naar verwachting leidt een groter aandeel tot grotere zeggenschap. Een groter aandeel in het warmtebedrijf kan echter ook zorgen voor grotere risico’s voor de gemeente en een grotere benodigde financiële inbreng. Naast de deelname van de gemeente is het waarschijnlijk ook nodig om andere publieke en eventueel private partijen te laten deelnemen in het warmtebedrijf. Dit kan nodig zijn voor voldoende financiële en organisatorische capaciteit. Dit betekent dat de gemeente Voorschoten waarschijnlijk als minderheidsaandeelhouder zal deelnemen en niet zelfstandig een doorslaggevende stem zal hebben. Hoe gemeente Voorschoten precies kan deelnemen in het regionale warmtebedrijf is nog onderwerp van onderzoek binnen WLR. De financiële deelname in een publiek warmtebedrijf kan waarschijnlijk worden gerealiseerd met een klein percentage eigen vermogen. Door samen te werken met andere publieke partners en gebruik te maken van het - nog te op te richten - nationale Waarborgfonds voor warmtenetten, kan de inbreng van eigen vermogen aanzienlijk worden verkleind. Waarschijnlijk volstaat 20% eigen vermogen en kan 80% gedekt worden door vreemd vermogen (leningen).

Voor een gebied waar de gemeente publieke collectieve warmte wil inzetten wordt een businesscase opgesteld. De businesscase wordt transparant en uniform opgebouwd, zodat deze gedeeld kan worden (voor meer informatie zie bijlage B). Op basis hiervan wordt bepaald welke aanvullende inzet van de gemeente nodig is om de businesscase haalbaar te maken en de betaalbaarheid van het warmtenet te waarborgen. Het college zal een voorstel doen aan de gemeenteraad voor de benodigde financiering, investeringen of subsidies.

Tussenfase De inwerkingtreding van de Wcw en de oprichting van een regionaal warmtebedrijf, waarin de gemeente deelneemt, zijn belangrijke voorwaarden voor de collectieve warmtetransitie. Met het uitgangspuntenkader bereidt het college zich op beide voor. Tegelijkertijd wil het college tempo maken in de transitie en zijn er duidelijke doelen vastgesteld. Zowel het politieke proces rondom nieuwe wetgeving, als de regionale en lokale besluitvorming over een warmtebedrijf brengen onzekerheden met zich mee. Om de doelstellingen te behalen is het noodzakelijk om niet te wachten maar voortgang te blijven boeken. In de tussenperiode - tenminste tot eind 2026 wanneer het regionale warmtebedrijf opgericht zou kunnen zijn - wil het college stappen zetten op basis van verstandige keuzes in lijn met de komende wetgeving en de toekomstige rol in een regionaal warmtebedrijf. Het college volgt daarbij de leidende principes. Daarnaast moet gezorgd worden dat projecten uit de tussenfase overdraagbaar kunnen zijn aan het warmtebedrijf.

Uitgangspunten deelname warmtebedrijf 13. De gemeente neemt financieel deel en wordt mede-eigenaar in een regionaal publiek integraal warmtebedrijf, om zo gemeentelijke zeggenschap te organiseren en publieke slagkracht in de warmtetransitie te creëren. 14. Het college maakt een goede inventarisatie van risico’s en legt deze risico’s zoveel mogelijk neer bij die partijen die ze kunnen dragen en beïnvloeden. 15. Het college onderzoekt de mogelijkheden van een kleine efficiënte organisatiestructuur van het regionale warmtebedrijf, om onnodige winstmarges, risico-opslagen, faalkosten, tussenlagen en betrokken partijen te voorkomen. 16. Het college zal op basis van een businesscase een voorstel doen aan de gemeenteraad voor de gewenste (aanvullende) gemeentelijke financiering, investeringen en/of subsidies. De raad neemt hierover vervolgens een besluit. 16a: In de business case, genoemd in uitgangspunt 16, zullen (minimaal) de volgende aspecten doorgerekend en uitgewerkt zijn: a. De financiële bijdrage voor het op te richten regionale warmtebedrijf voor aansluiting op de hoofdleiding WarmtelinQ.

Pagina 17 van 42

b. c. d. e.

De kosten van de aanleg en exploitatie van het noodzakelijke WOS met mogelijk ook piek- en backupinstallatie, voorzien aan de Hofweg met een voorstel door wie en hoe deze bekostigd en terugverdiend zullen worden. De investeringsplanning en bijbehorende kosten van het aanleggen van het collectieve warmtesysteem naar en in de warmtekavel(s) in Voorschoten met een voorstel door wie en hoe deze bekostigd en terugverdiend zullen worden. Het verwachte aantal aansluitingen in de warmtekavel(s) in Voorschoten. Een bandbreedte van de verwachte aansluitkosten per afnemer.

17. Om de warmtetransitie te versnellen blijft het college in de tussenfase - de periode tot de inwerkingtreding van de Wcw en de oprichting van het regionale warmtebedrijf - stappen zetten, om collectieve warmte te realiseren, op basis van de vastgestelde uitgangspunten, in anticipatie op komende wetgeving, en met de mogelijkheid dat projecten uit de tussenfase overdraagbaar zijn aan het regionale warmtebedrijf.

17a: Het college zorgt voor een periodieke en gestructureerde informatievoorziening aan de Raad over de vorderingen van de vorming van het warmtebedrijf inclusief een zo vroeg mogelijke inschatting van de mogelijke financiële gevolgen voor de Raad en geeft de raad de kans zich over de vorming van het warmtebedrijf uit te spreken alvorens onomkeerbare stappen hiertoe worden gezet.

Pagina 18 van 42

4. Inzet wettelijke instrumenten: kavelstrategie & aanwijsbevoegdheid Met de introductie van twee nieuwe wetten krijgt de gemeente ook nieuwe wettelijke instrumenten en bevoegdheden. De Wet collectieve warmte (Wcw) introduceert een kavelsystematiek voor warmtesystemen. De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) geeft gemeenten de bevoegdheid om gebieden onder voorwaarden aan te wijzen die aardgasvrij moeten worden. Het inzetten van deze instrumenten kan een toekomstig warmtebedrijf helpen bij het uitvoeren van haar taken. Meer achtergrond over deze instrumenten staat beschreven in de bijlagen D en E.

4.1

Kavelstrategie

Door de kavelsystematiek uit de Wcw is de levering van warmte zonder een aanwijzing voor een warmtekavel verboden. Een warmtekavel is een gebied waar collectieve warmtesystemen functioneren of worden ontwikkeld en waar één integraal verantwoordelijk warmtebedrijf de exploitatie verzorgt. De integrale verantwoordelijkheid betekent hier: zorg voor beschikbaarheid, transport en levering van warmte (en eventueel koude), dus de hele keten. Het belangrijkste instrument van het college is het bepalen van de ligging en de omvang van de warmtekavels. Daarmee bepaalt het college waar in de gemeente collectieve warmte de beste oplossing is en op welke schaal het warmtebedrijf zal opereren. Naast grootschalige warmtelevering binnen een kavel kan het college ook een ontheffing verlenen aan initiatiefnemers van een klein warmtesysteem. In de Wcw heeft het college twee belangrijke bevoegdheden gekregen: (stap 1) bepalen waar de collectieve warmtevoorziening in de gemeente komt door warmtekavels vast te stellen en (stap 2) een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang voor een warmtekavel aanwijzen.

Stap 1: aanwijzing warmtekavel Volgens de Wcw is een kavel een aaneengesloten gebied binnen een of meerdere gemeenten waarvoor een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen. Het college stelt warmtekavels vast. Aan deze keuze gaat een participatieproces vooraf. Het college stelt de omvang van de kavels vast op basis van de volgende aspecten: • • • •

efficiëntie van de warmtetransitie; doelmatigheid van aanleg en exploitatie, inclusief een aanvaardbare businesscase voor het warmtebedrijf en voor de bewoners; voldoende leveringszekerheid, in het bijzonder van de huidige en in de toekomst te verwachten warmtebronnen; goede afstemming met buurgemeenten.

Bij de ontwikkeling van nieuwe collectieve warmtesystemen zal het college op basis van bovenstaande wettelijke criteria een passende kavelomvang moeten vaststellen. Bij de eventuele vaststelling van gemeentegrensoverstijgende kavels (regionale kavels) is onderlinge coördinatie tussen de gemeenten nodig. De colleges van de gemeenten moeten gelijkluidende besluiten nemen over de kavelomvang en samen een integraal warmtebedrijf aanwijzen. De keuzes voor welke warmteoplossing en broninzet het meest geschikt is en op welke plek, is vervolgens aan het warmtebedrijf. Dit bedrijf wordt door het college per warmtekavel aangewezen (stap 2).

Pagina 19 van 42

De tarievensystematiek van de Wcw is gekoppeld aan de warmtekavels. Dat wil zeggen dat elk kavel één eigen tarief heeft. Wanneer er meerdere kavels binnen de gemeentegrenzen zijn, kunnen de tarieven onderling verschillen, omdat deze gebaseerd zijn op de kosten per kavel. De gemeente heeft geen directe invloed op de warmtetarieven en alleen indirecte invloed via de eventuele inzet van aanvullende financiële instrumenten.

Stap 2: aanwijzing warmtebedrijf De tweede stap is het aanwijzen een integraal verantwoordelijk warmtebedrijf die de collectieve warmtevoorziening gaat ontwikkelen en exploiteren. Het college publiceert per kavel een uitnodiging voor publieke warmtebedrijven die een aanvraag tot aanwijzing mogen indienen. De volgende typen organisaties mogen een collectief warmtesysteem van meer dan 1.500 aansluitingen binnen een kavel exploiteren. • • •

Een warmtebedrijf dat in meerderheid in publieke handen is. Een warmtegemeenschap op lokaal niveau (dat een warmtebedrijf opricht). Private warmtebedrijven, als er geen publiek warmtebedrijf beschikbaar is (gedurende de eerste zeven jaar na de inwerkingtreding van de Wcw).

De Wcw bepaalt de voorwaarden waar een publiek integraal warmtebedrijf aan moet voldoen: • • • •

een publiek meerderheidsaandeel in een warmtebedrijf óf een bedrijf dat in handen is van een warmtegemeenschap; voldoende organisatorische en technische bekwaamheid (naar het oordeel van de ACM); voldoende financieel in staat de taken van een warmtebedrijf voor de desbetreffende warmtekavel uit te voeren (naar het oordeel van de ACM); een globaal kavelplan dat haalbaar is voor het warmtebedrijf en de gebruikers.

De regel bij de aanwijsprocedure in de Wcw is: wie het eerst komt, het eerst maalt. Het college kan een warmtebedrijf niet weigeren als deze aan de wettelijke vereisten voldoet. Alleen als het globale kavelplan niet haalbaar lijkt of de goedkeuring van de ACM (Autoriteit Consument & Markt) ontbreekt, kan het college het verzoek tot aanwijzing weigeren. Bij uitblijven van een aanbod van een publiek warmtebedrijf of warmtegemeenschap, mogen ook private bedrijven een aanwijzingsverzoek indienen. In dat geval mag het college een aantal wettelijk voorgeschreven criteria toepassen en meewegen. Vooralsnog gaan we ervan uit dat er tijdig en genoeg publieke realisatiekracht beschikbaar is om een regionaal publiek integraal warmtebedrijf aan te wijzen. Het college mag alleen specifieke aanvullende voorschriften verbinden aan de aanwijzing van een warmtebedrijf voor de exploitatie van een warmtekavel. Aanvullende voorschriften mogen bijvoorbeeld over de ruimtelijke aspecten gaan, maar niet over het type warmteoplossing of de tarieven. Dit is om de bedrijfsvoering uitvoerbaar te houden. Dit sluit aan bij de werkwijze in andere gemeentelijke deelnemingen in publieke voorzieningen, zoals elektriciteit en drinkwater.

Ontheffingen Een initiatiefnemer voor kleine collectieve warmtesystemen van minder dan 1.500 aansluitingen kan een verzoek indienen voor een ontheffing van het algemene verbod om warmte te leveren. Een ontheffing kan alleen worden verleend aan een warmtebedrijf, bijvoorbeeld van een lokale coöperatie. Dit geeft verder een aantal mogelijkheden. Voor een ontheffing geldt niet de eis van een publiek meerderheidsbelang. Een lokaal initiatief dat kwalificeert als warmtegemeenschap kan ook samen met een warmtebedrijf een aanwijzing krijgen voor een warmtekavel. Een ontheffing kan ook worden verleend aan een privaat bedrijf. Binnen een ontheffingsgebied gelden minder administratieve eisen. De ACM houdt wel toezicht op doelmatigheid, leveringszekerheid en duurzaamheid in het systeem, maar de rapportageplichten zijn minder frequent. Een ontheffing kan zowel buiten als binnen een warmtekavel worden verleend. Binnen een (voorgenomen) kavel kan het college een ontheffing weigeren als deze de businesscase van het warmtebedrijf dat de rest van de kavel exploiteert, in gevaar brengt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=3cb134c0-48ed-43c2-b572-95b5b05c8cf7