Bijlage 1 Bestemmingsplan Palestrinalaan 2 - IMRO-code NL.IMRO.0626.BPPalestrinalaan2-VA01
Tekst van het document
4.6
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang).
Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).
Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. In de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied.
Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens: de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit. De aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron telt niet mee voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het projectgebied gelegen zijn. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risico-contouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.
Risicovolle inrichtingen Rondom het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Er is geen belemmering van risicovolle inrichtingen of op risicovolle inrichtingen. Kwetsbare objecten In de nabijheid van het plangebied bevinden zich een aantal kwetsbare objecten, waaronder: 1. Meerdere onderwijsinstelling; 2. Een tehuis. De nieuwe woningen hebben geen negatieve invloed op de kwetsbare objecten. Andersom hebben kwetsbare objecten geen risicovolle aspecten op de nieuwe woningen. Immers zijn in de huidige situatie al meerdere woningen om het plangebied aanwezig. Er is geen belemmering van en op kwetsbare objecten. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Er bevindt zich geen weg in de nabije omgeving van het plangebied waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over wegen die van negatieve invloed op het planvoornemen zijn. De beoogde locatie ligt in de nabijheid van de N447 en op een afstand van circa 1.750 meter van de A4. Over deze wegen kan vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Gelet op de beoogde functie(reguliere woningen) is een korte verantwoording opgesteld voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn aanwezig. Daardoor is er geen negatief effect op het planvoornemen. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over een spoorlijn. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Ten noordoosten van het plangebied is een buisleiding aanwezig. Het betreft een aardgasleiding (NEN 3650-leiding) die wordt beheerd door Gasunie Transport Services. De buis heeft een wanddikte van 1 centimeter. De buisleiding bevindt zich op een minimale afstand van 402 meter van het plangebied. Het planvoornemen vormt geen belemmering voor de leiding. Andersom vormt de buisleiding geen belemmering voor de nieuwe woningen. Nadere toetsing is niet nodig. Transport via de lucht Het plangebied bevindt zich buiten de afwegingsgebieden voor externe veiligheid van het Luchthavenindelingsbesluit van Schiphol (LIB). Er is geen belemmering vanuit luchtverkeer. Onderstaande figuur toont de ligging van het plangebied ten opzichte van het LIB.
Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzaam vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en vluchten. De mogelijkheden van zelfredzaamheid zijn afhankelijk van het scenario dat zicht voordoet. Buiten de 100% letaliteitszone zijn personen tegen de warmtestraling beschermd indien ze zich binnen een gebouw bevinden. Omdat het plangebied gelegen is buiten de 100%-letaliteitszone is het rampscenario bestrijdbaar. Om de aanwezigen in het gebied zo goed mogelijk te kunnen helpen is het van
belang dat: 1. De bereikbaarheid van het blootgestelde gebied voldoende is; 2. De inzetbaarheid van middelen mogelijk is (bluswatervoorzieningen en inzet materieel); 3. Er voldoende opstelmogelijkheden zijn in het blootgestelde gebied. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten via diverse ontsluitingen. Ook is de wandel- en fietsroute toegankelijk voor hulpdiensten. In de direct omgeving van het plangebied is voldoende ruimte voor opstelmogelijkheden. Voor de brandweer dienen voldoende bluswatervoorzieningen in het gebied aanwezig te zijn met het oog op effectbestrijding en nazorg. Er is in de directe omgeving een brandkraan aanwezig. Naast het scenario ‘Gebouwbrand’ is het scenario ‘Toxische wolk’ relevant. In de omgeving van het plangebied is de A4 gesitueerd. Het plangebied bevindt zich binnen het effectgebied van deze inrichting. Vanwege de mogelijkheid dat er bij een calamiteit toxische stoffen vrijkomen in de omgeving, wordt geadviseerd om er zorg voor te dragen dat aanwezigen tijdelijk in het bouwwerk kunnen schuilen. Er wordt dan ook geadviseerd om de bouwwerken te voorzien van de mogelijkheid om de ventilatie met één druk op de knop af te kunnen schakelen. In het toekomstige Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) is in artikel 4.124, lid 4 geregeld dat de mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig moet kunnen worden uitgeschakeld.
Qua zelfredzaamheid is het relevant dat de gebouwen bescherming bieden tegen warmtestraling. Voor de personen in het plangebied betekent dit dat zij afgeschermd zijn door de rijwoningen langs de N447. Tevens dienen zij bij een incident met de aardgastransportleiding binnen te blijven en niet te vluchten. In dit geval maakt het niet uit of de personen goed of verminderd zelfredzaam zijn. Zij kunnen immers het beste binnen blijven. Gelet op dat de gebruikers van de woningen zelfredzaam zijn, wordt rekening gehouden met passende maatregelen. Bij de verdere planuitwerking wordt gekeken welke maatregelen en voorzieningen er worden getroffen. De veiligheidsregio is in de gelegenheid gesteld om een advies uit te brengen. Conclusie externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Andersom bevat het planvoornemen geen risicovolle activiteiten en belemmeringen in het kader van de externe veiligheid voor de omgeving.
4.7
Bodemgeschiktheid
Aanleiding Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig gesaneerd dient te worden dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Beoordeling planvoornemen Nulsituatie Door IDDS is in 2018 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de betreffende locatie.
Vanuit dit rapport is een verkenning gedaan voor de nulsituatie. In het rapport wordt geconcludeerd dat de hypothese verdacht formeel dient te worden gehandhaafd. Zowel de boven- als ondergrond is licht verontreinigd. Eindsituatie Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de norm NEN 5740+A1;2016 gehanteerd. In deze norm is de werkwijze beschreven voor het opstellen van de onderzoeksstrategie voor de vaststelling van de nul- en eindsituatie van een onderzoekslocatie. Voor het eindsituatie bodemonderzoek is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het uitgevoerde nulsituatie bodemonderzoek. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • • •
In de grond is plaatselijk sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft met name bijmengingen met baksteen (in de maten resten tot zwak) en zeer plaatselijk slakken (in de mate zwak) in de boven- en ondergrond; Zintuiglijk zijn geen bodemvreemde geuren en/of kleuren waargenomen; In de grond zijn hooguit licht verhoogde gehalten aan verontreinigde stoffen gemeten.
Deze verontreinigingen liggen in lijn met de resultaten van het door IDDS uitgevoerde nulsituatie onderzoek uit 2018. Aanvullend bodemonderzoek Door IDDS is in juli 2023 een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Ter plaatse van het plangebied is door IDDS reeds een eindsituatie bodemonderzoek uitgevoerd in verband met de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten (kenmerk A180706/KHA/rap1, d.d. 8 mei 2023). De voorgenomen herontwikkeling zal echter plaatsvinden op het gehele perceel. Om te voldoen aan de randvoorwaarden van de Omgevingsvergunning moet een (aanvullend) verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Tevens is in de beoordeling vanuit bevoegd gezag (Document Advies Ruimtelijke Plannen ODWH, 9 juni 2023) aangegeven dat ter plaatse van enkele delen van het plangebied aanvullingen op het eindsituatie bodemonderzoek benodigd zijn. Op basis van de onderzoeksresultaten blijkt het volgende: • In de grond is plaatselijk sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft met name bijmengingen met baksteen en/of slakken. Ter plaatse van boring 209 (traject 0,2 - 1,0 m-mv) zijn sterke bijmengingen met baksteen, metselpuin en beton aangetroffen.
Direct onder deze laag is een baksteenlaag aanwezig welke niet als bodem wordt beschouwd en derhalve niet in onderzocht in onderhavig bodemonderzoek; • Op basis van de indicatieve asbestbepaling zijn geen bijzonderheden aangetoond en wordt aanvullend asbestonderzoek niet noodzakelijk geacht; • Ter plaatse van boring 212 (voormalige opslagtanks benzine-service-station) is een zwakke olie-water reactie waargenomen met een zwakke brandstofgeur in het traject 1,1 à 1,3 m-mv. In de overige boringen zijn geen bodemvreemde geuren en/of kleuren waargenomen; • Ter plaatse van de garage terrein is de grond hooguit licht verontreinigd met zware metalen en PAK. Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; • Ter plaatse van het zuidwestelijk terreindeel is de bovengrond hooguit licht verontreinigd met PAK. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters;
• Ter plaatse van de herstelwerkplaats met vulpunt en smeerbruggen is de grond niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater is hooguit licht verontreinigd met molybdeen; • Ter plaatse van de voormalige opslagtanks van het benzine-service-station is de grond zeer plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie. De overige grond en het grondwater zijn niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en/of de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende streefwaarden (grondwater) dient de hypothese ‘onverdacht’ voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. De conclusie van de rapportage luidt dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de locatie in afdoende mate is vastgelegd. Belemmeringen inzake de voorgenomen werkzaamheden en het voorgenomen gevoeligere gebruik worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Op 1 augustus is door de Omgevingsdienst geconcludeerd dat de chemische kwaliteit van de bodem in voldoende mate is vastgesteld, en dat er ten aanzien van bodem geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.
Conclusie bodemgeschiktheid Op basis van het nul- en eindsituatie onderzoek is geconcludeerd dat de grond licht verontreinigd is. De chemische kwaliteit van de bodem is voldoende in kaart gebracht. Ten aanzien van bodem zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.8
Flora en Fauna
Aanleiding In verband met de voorgenomen sloop en nieuwbouw, is er inzicht nodig in de gevolgen voor (beschermde) soorten en gebieden. Dit in het kader van de Wet natuurbescherming. Beoordeling planvoornemen Quickscan Op 1 december 2021 is door IDDS een Quickscan Wet natuurbescherming opgesteld en opgeleverd. Hierin is onderzoek gedaan naar gebieds- en soortenbescherming. Voor beide wordt het volgende geconcludeeerd: Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een provinciaal beschermd gebied zoals belangrijke weidevogelgebied of een strategische reservering natuur. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Het plangebied ligt op circa 4.760m afstand tot Natura 2000-gebied. De resultaten van het uitgevoerde stikstofonderzoek staan onder paragraaf 4.5. Soortenbescherming Naar aanleiding van de uitgevoerde Quickscan is gebleken dat het plangebied potentieel leefgebied vormt voor beschermde soort. Zodoende is het uitvoeren van nader ecologisch onderzoek noodzakelijk.
Vleermuizen: de opstallen binnen het plangebied zijn geschikt als zomer-, individueel winter-, paar- en kraamverblijfplaats voor kleine, gewone en ruige dwergvleermuis. Een functie als massawinterverblijf wordt uitgesloten wegens het ontbreken van meer dan vier verdiepingen. Nader onderzoek naar gebouwbewonende soorten moeten uitwijzen of het plangebied een functie vervult voor vleermuizen. Daarnaast kunnen er vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden binnen het plangebied. Deze zijn beschermd tussen grofweg 15 maart en 15 augustus. Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten deze periode te laten plaatsvinden of voor het begin de werkzaamheden te starten en in de broedperiode door te werken, zodat vogels er niet (kunnen) gaan broeden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Buiten de maatregelen om geldt de algemene zorgplicht, wat inhoudt dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Het uitgevoerde onderzoek is als separate bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Beoordeling planvoornemen nader onderzoek vleermuizen Naar aanleiding van de quickscan is een nader onderzoek vleermuizen uitgevoerd. De conclusie luidt dat er in het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn geconstateerd.
Wel zijn verblijfplaatsen in de directe omgeving aanwezig. Wanneer de juiste maatregelen in acht worden genomen is een ontheffing van de Wnb niet nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Tussen zonsondergang en -opkomst mogen er geen felle (bouw)lampen worden toegepast en de verlichting mag niet schijnen op omliggende gebouwen. Dit aspect vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Het uitgevoerde nader onderzoek is als separate bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Conclusie flora en fauna Het nader onderzoek vleermuizen heeft vastgesteld dat het onderdeel flora en fauna geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.
Watertoets
Algemeen Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m 2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.
Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling).
2.
Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.
Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau zijn het beleid van het Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente Voorschoten met name relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met en in aanvulling op de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente. Waterbeheerplan 5: Waardevol Water Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samenwerken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met de omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen.
Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te
onderhouden. Daarbij wil het Hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur Hoogheemraadschap van Rijnland Per 13 mei 2020 is een nieuwe Keur (gewijzigd vastgesteld) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak. Indien een initiatiefnemer meer dan 500m2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van de totale verharde oppervlakte. Als er boven de 10.000m2 verhard oppervlak wordt aanlegt moet dit gecompenseerd worden aan de hand van een maatwerkberekening.
Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen.
Verordening afvoer hemelwater en grondwater gemeente Voorschoten 2020 Aangezien er een toename van regenbuien en schaarste in dinkwatervoorziening wordt verwacht, is door de waterketen Leidse regio besloten om binnen het Intergraal Waterketen plan (IWKp) een hemel- en grondwater verordening op te stellen. Deze verordening is ook in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland opgesteld, De hemel- en grondwater verordening moet bij nieuwe ontwikkelingen en vernieuwbouw een bijdrage leveren aan het terugdringen van verbruik drinkwater tussen 15% en de 25% en tijdens een regenbui het reduceren van het direct lozen van hemel- en grondwater op het riool tussen de 25% en de 35%. Binnen de verordening is een verbod opgenomen om bij nieuwbouw of vernieuwbouw hemelwater te lozen op riolering of openbaar terrein. De initiatiefnemer is verplicht het hemelwater binnen eigen perceel te verwerken. Het verbod is niet van toepassing als het totaaloppervlak van nieuwe bouwwerken en nieuwe verhard oppervlak minder bedraagt dan 50 m². Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is.
De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a) Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b) Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c) Afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d) Huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e) Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: - zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; - lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht. Klimaat adaptief bouwen Het klimaat in Nederland is aan het veranderen. De gevolgen van deze veranderingen hebben een grote impact op de maatschappij. De provincie Zuid-Holland heeft samen met verschillende partijen het ‘Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland’ in het leven geroepen om de delta waarin we liggen adaptief te maken op deze veranderingen. Met klimaat adaptief bouwen wordt er gestreefd naar minder wateroverlast, minder hittestress, minder langdurige droogte inclusief de nodige gevolgen, minder bodemdaling inclusief de nodige gevolgen en meer biodiversiteit in vergelijking met de oude situatie.
Er kan gedacht worden aan natuur inclusief bouwen, minder verharding aanleggen, meer groen in de openbare ruimte en in tuinen, zonwering plaatsen, meer regenwateropslag en verhoogde trottoirs. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.
Klimaatadaptatie Volgens de klimaatkaarten van Rijnland blijkt dat Voorschoten gevoelig is voor hemelwateroverlast (https://rijnland.klimaatatlas.net/). Door klimaatadaptief te bouwen kunnen problemen, zoals wateroverlast bij extreme buiten, worden voorkomen. Het advies is dan ook om gebruik te maken van het principe vasthouden – bergen/hergebruiken – afvoeren. Zo ontstaat er maximale berging en minimale overlast en kosten. Enkele adapterende maatregelen tegen de negatieve effecten van klimaatverandering zijn bijvoorbeeld: regenwaterinfiltratie, een regenwatervijver, minder (terras)verharding en meer beplanting aanleggen. Beoordeling planvoornemen Het huidige terrein is voor het grootste gedeelte bebouwd met de voormalige autogarage. De rest van het plangebied bestaat voornamelijk uit verharding. Het planvoornemen bestaat uit de sloop van de autogarage en de bouw van drie woningen tuinen. Op basis van dit gegeven wordt geconcludeerd dat het verhard oppervlak zal afnemen. Volledigheidshalve is in onderstaande tabel aangegeven met welke hoeveelheid het verhard oppervlak afneemt. Tabel 7: Verschil verharding gewenste situatie t.o.v. huidige situatie (indicatief)
Toepassing
Oppervlakte
Oppervlakte
Bestaande situatie
Nieuwe situatie
2
Saldo
2
[m ]
[m ]
Gebouw
889
599
-290
Terrein verharding
871
0
-871
Half verhard terrein
0
580,5
581
1.760
1.180
-581
Groen
0
0
0
Water
0
0
0
Half verhard terrein
0
580,5
581
Deeltotaal
0
581
581
1.760
1.760
Verhard Deeltotaal
Onverhard
Totaal
Uit bovenstaande berekening blijkt dat het totale verharde oppervlak in de gewenste situatie afneemt met circa 581 m². Dit bestaat uit bebouwing, verharding en half-verharding. Zowel in de huidige als toekomstige situatie is geen water aanwezig binnen het planvoornemen. Aangezien het verhard oppervlak niet toeneemt is geen compensatie van water noodzakelijk volgens de uitvoeringsregels behorende bij de Keur. Nader onderzoek is niet nodig. Onderstaand is het verschil in oppervlakte verbeeld. Opgemerkt wordt dat de berekening indicatief is en dat de definitieve tekeningen op details kunnen verschillen. Omdat er sprake is van een afname van meer dan 400 m2 zal dit niet leiden tot andere inzichten. Tijdens de verdere ontwerpfases wordt rekening gehouden met de geldende verordeningen (inclusief de regenwaterverordening). Daar waar mogelijk wordt rekening gehouden met natuur inclusief bouwen.
Digitale watertoets Als de gegevens uit tabel 6 worden gehanteerd voor invoering van de digitale watertoets geeft de watertoets als resultaat dat de korte procedure dient te worden doorlopen aangezien waterschapbelangen worden geraakt met het planvoornemen. Bij de invoering van de toets in uitgegaan van aansluiting op bestaande riolering, met lozing van water minder dan 5 huishoudens en minder toename verhard oppervlak dan 500m². Geconcludeerd wordt dat geen vergunningen benodigd zijn voor het beoogde plan. We adviseren de stukken aan het hoogheemraadschap voor te leggen ter inzage.
Uit bovenstaande figuur blijkt dat er zich geen aangewezen oppervlaktewateren en waterkeringen in het plangebied bevinden of in de directe nabijheid daarvan. De beoogde
ontwikkeling heeft geen effect op de aangewezen aspecten. Er zijn vanuit de legger van het Hoogheemraadschap geen beleidsregels die betrekking hebben op de beoogde ontwikkeling. Conclusie Vanuit de bovenstaande bevindingen geldt dat er geen vergunningen benodigd zijn voor de realisatie van de drie woningen. Het verhard oppervlak neemt af en er zijn geen veranderingen wat betreft wateroppervlakten. Voor de handelingen gelden de zorgplicht of algemene regels. Geadviseerd wordt het plan voor te leggen aan het Hoogheemraadschap ter inzage. Conclusie watertoets Gelet op het voorgaande hoeven er in het kader van de planontwikkeling geen water compenserende maatregelen getroffen te worden. Het aspect water vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.
6.
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Archeologie
Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valletta, ook wel de Conventie van Malta genoemd. Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Op 1 juli 2016 is de Wamz met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedwet, sindsdien dé wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Valletta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: • • •
Het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; Het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; De verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.
Beoordeling planvoornemen In februari 2022 is door IDDS een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd naar de betreffende locatie. De noodzaak tot het archeologisch onderzoek komt voort uit het bestemmingsplan. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap in het plangebied, voor zover deze vormeenheden van invloed kunnen zijn geweest op de bruikbaarheid van de locatie door de mens in het verleden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen kansarme zones van het plangebied worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor behoud of voor vervolgonderzoek. In het plangebied zijn 5 boringen gezet met een diepte die varieert van 2,0 tot 4,0 m beneden het maaiveld. Deze boringen zijn verdeeld over de nieuw aan te leggen bebouwing. Er is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 10 cm voor het deel van de ondergrond dat boven de grondwaterspiegel ligt. Voor het deel onder de grondwaterspiegel is gebruik gemaakt van een zuigerboor. Aanbevelingen IDDS Archeologie Het plangebied ligt op een strandwal waarvan de top omgewerkt is.
Tijdens het onderzoek zijn alleen afzettingen aangetroffen met een kleine kans op het aantreffen van in situ archeologische waarden. Hierdoor adviseert IDDS Archeologie om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden.
Aanbevelingen gemeente Voorschoten Het advies van IDDS om de locatie vrij te geven voor de beoogde ontwikkeling wordt door de gemeente Voorschoten niet overgenomen. De reden hiervoor is de omvang (>250m2) en de locatie van de verwachte bodemingrepen als ook de locatie van de gezette boringen in relatie tot de te verwachten archeologische vindplaatsen. Er is een beperkte verspreiding van de boringen ten opzichte van de vorm en afmeting van het plangebied en de te verwachte ingrepen. Vermoedelijk veroorzaakt door de nog aanwezige en te slopen bebouwing. De archeologische waarde is naar ons oordeel daardoor nog in onvoldoende mate aangetoond. Dit betekent dat er archeologische voorwaarden gesteld gaan worden aan de ondergrondse sloop in de vorm van een archeologische begeleiding. Voor de sloop is een omgevingsvergunning daardoor verplicht. Nadat de archeologische begeleiding is uitgevoerd dient er een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden waarmee de archeologische waarde van het terrein kan worden vastgesteld. Als er behoudenswaardige waarden aanwezig blijken te zijn, kan de gemeente besluiten dat deze waarden ex situ dienen te worden behouden door middel van een archeologische opgraving. Voor de archeologische begeleiding, het proefsleuvenonderzoek als ook voor de eventuele opgraving is een door de gemeente goedgekeurd PvE verplicht.
Mogelijk kan dit in de vorm van een gecombineerd PvE. Dit PvE dient door de aanvrager van de omgevingsvergunning te worden aangeleverd. Het PvE wordt daarna als voorwaarde aan de nog te verlenen omgevingsvergunning verbonden. Het archeologisch onderzoek is als separate bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd. 6.2
Cultuurhistorie
Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is er sprake van een dubbelbestemming cultuurhistorische vrijwaringszone. Dat heeft te maken met het omliggend gebied. Beoordeling planvoornemen Het plangebied ligt niet op gronden met cultuurhistorische waarde, zoals beschermd kasteel- en landgoedbiotoop. Daarnaast valt het plangebied niet in de nabijheid van een beschermd molenbiotoop en is er geen dubbelbestemming betreft beschermd stads- en dorpsgezicht. Nader onderzoek is niet benodigd.
Conclusie archeologie en cultuurhistorie Vanuit archeologisch oogpunt dient er na de sloop van de huidige opstallen nog een nader onderzoek plaats te vinden. De archeologische waarde is naar het oordeel van de gemeente nog in onvoldoende mate aangetoond. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is er geen belemmering voor het planvoornemen.
7.
Juridische aspecten
7.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de in de vorige hoofdstukken toegelichte beoogde ruimtelijke situatie in het plangebied juridisch is vertaald in planregels en de bijbehorende verbeelding. Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels. 7.2
Opzet van de planregels
De regels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) ondergebracht in een viertal hoofstukken: • • • •
Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
Hierna wordt kort ingegaan op de inhoud van de regels per hoofdstuk. De regels zijn opgesteld met als uitgangspunt de geldende regels uit het onderliggende moederplan. Indien verwezen wordt naar een bepaling en/of een bestemming welke niet wordt genoemd in dit bestemmingsplan, wordt verwezen naar het daarvóór geldende bestemmingsplan, te weten ‘Bestemmingsplan West’. In de slotregel is de naamgeving van dit bestemmingsplan bepaald. 7.3
Uitleg van de planregels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de voorschriften worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. De begripsomschrijvingen zijn overgenomen uit het reeds vigerende bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan West’.
Artikel 2 Wijze van meten De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. De wijze van meten is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen In dit artikel staan de regels beschreven met betrekking tot wonen. Hierin staat onder ander beschreven waarvoor de gronden bestemd zijn, welke bouw- en gebruiksregels daarbij horen en welke afwijkingen daarbij mogelijk zijn. Artikel 4 Tuin In dit artikel staan de regels beschreven met betrekking tot tuinen. Hierin staat onder andere dat de gronden bestemd zijn voor tuinen en daarbij behorende gebouwen, toegangspaden en andere voorzieningen. Onder deze bestemming zijn een aantal bouwregels en afwijkingen opgenomen. Gebouwen zijn enkel toegestaan als deze al aanwezig zijn. Artikel 5 Waarde – Archeologie 3 Het plangebied is voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3’. Uitgangspunt voor deze bestemming is dat potentiële aanwezige archeologische waarden beschermd dienen te worden. Bij verstoringen van de bodem dient een archeologisch rapport te worden opgesteld alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden. Reeds is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd.
Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden bij werkzaamheden, waarbij er dieper in de grond wordt gegraven dan de aangegeven diepte zoals omschreven in de Regels behorende bij dit bestemmingsplan. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat vijf algemene regels. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel In het nieuwe Besluit op de ruimtelijke ordening is hiervoor een standaard bepaling opgenomen. Het besluit verplicht om deze bepaling in het bestemmingsplan op te nemen. Artikel 7 Algemene bouwregels In deze regel worden de grenzen of de regelgeving aangegeven die randvoorwaardelijk zijn bij of waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn de algemene gebruiksregels opgenomen. In het eerste lid zijn de activiteiten opgenomen die in ieder geval verboden zijn voor gebruik. Er is een opsomming van deze gebruiksvormen opgenomen en hebben betrekking op gebouwen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In deze algemene regels zijn de in de gemeente Voorschoten gebruikelijke afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor ondergeschikte bebouwing. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In deze algemene regels zijn de bevoegdheden voor Burgemeester & Wethouder om een plan te wijzigen, beschreven.
Artikel 11 Algemene procedureregels In deze regels wordt de procedure voor toepassing van de afwijkingsbevoegdheid geregeld evenals de voorwaarden voor het toepassen van de toetsingscriteria toepassing afwijkingsbevoegdheid. Artikel 12 overige regels In deze algemene regels staan de regels met betrekking op verwijzingen naar andere regelgeving, die dan van kracht zijn. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. Artikel 13 Overgangsregels Het overgangsrecht is opgenomen conform artikel 3.2.1 en artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. De overgangsregels regelen het overgangsrecht voor de bebouwing en het gebruik van de bebouwing in het plangebied. Uit oogpunt van behoorlijk bestuur dienen bestaande bebouwing en bestaand gebruik, welke afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen regels, te kunnen worden voortgezet (overgangsregels). Artikel 14 Slotregel De slotbepaling geeft aan onder welke benaming de regels kunnen worden aangehaald.
8.
Uitvoerbaarheid
8.1
Maatschappelijk uitvoerbaarheid
Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. De voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan, zijn besproken met belanghebbenden. Daarnaast dient het plan in overwegende mate op maatschappelijk draagvlak te kunnen rekenen. De ervaring leert dat het niet altijd mogelijk is om alle belanghebbenden bij dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen volledig tegemoet te komen. De raadpleging van belanghebbenden tijdens verschillende fasen in het planvormingsproces moet er dan ook vooral toe leiden dat het bevoegd gezag een goede afweging kan maken tussen eventuele tegenstrijdige ruimtelijke belangen. Vooroverleg Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg gedeeld met het waterschap, de provincie de omgevingsdienst en de veiligheidsregio. Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan heeft in de periode van woensdag 5 juli tot en met dinsdag 15 augustus ter inzage gelegen. Een ieder kon in die periode zijn of haar zienswijze indienen. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen. Daarmee heeft de ter inzage legging niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Wel is er een kleine aanpassing geweest in de verbeelding. De eerste verdieping van woning 1 en 2 bleek net niet te passen binnen het bouwvlak.
Abusievelijk was bij het opstellen van de verbeelding het bouwvlak enkel geprojecteerd op de begane grond terwijl dit op de eerste verdieping had moeten zijn. Om de eerste verdieping wel te laten passen op het bouwvlak, is het bouwvlak van woning 1 iets verlengd, en zijn de bouwvlakken van woning 1 en 2 beide iets verbreed. Vaststelling bestemmingsplan Het bestemmingsplan is ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. 8.2
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat overeenkomstig Hoofdstuk 6 in de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en de plankosten, deze verhaald moeten kunnen worden op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Tussen de ontwikkelaar en de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal gewaarborgd is. Zowel de gemeentelijke kosten, als de kosten van de initiatiefnemer zijn hiermee gedekt. Gelet hierop is het plan financieel uitvoerbaar. 8.3
Eindconclusie
Geconcludeerd wordt dat het project, in overeenstemming met de in de voorgaande hoofdstukken gegeven omschrijving van het project en projectgebied, zowel ruimtelijk als milieu hygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de
omgeving aanwezige waarden en belangen.
9. • • • • • • • • •
Bijlagen Bijlage 1. Akoestisch onderzoek 20-07823.R01.V02 – incl. bijlagen Bijlage 2. A1807-07 Stikstofberekening sloop, aanleg, gebruik incl. bijlagen Bijlage 3A. Bodemonderzoek nulsituatie Bijlage 3B. Bodemonderzoek eindsituatie Bijlage 4. Aanvullend bodemonderzoek Bijlage 5. A1807-03 Rapport quickscan Wnb - Operapad 1, Voorschoten Bijlage 6. A1807-03 Rapport nader onderzoek vleermuis - Operapad 1, Voorschoten_v1.2 Bijlage 7. Vergunningencheck Digitale watertoets Bijlage 8. Archeologisch onderzoek
Bestemmingsplan Palestrinalaan 2, Voorschoten
Bestemmingsplan Palestrinalaan 2, Voorschoten
Identificatie
:
NL.IMRO.0626.BPPalestrinalaan2-VA01
Kenmerk
:
A1807-07/JLA/BP
Planstatus
:
Ontwerp Vaststelling
Contactpersoon :
[17 mei 2023] [7 december 2023]
V.C.A. Mientjes MSc
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
II.
REGELS
Inhoud Hoofdstuk 1
Inleidende regels ............................................................................................... 6 Begrippen ......................................................................................................... 6 Wijze van meten ............................................................................................. 11
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels ........................................................................................ 12 Tuin ................................................................................................................. 12 Wonen ............................................................................................................ 13 Waarde – Archeologie - 3 ............................................................................... 16
Hoofdstuk 3
Algemene regels .............................................................................................. 19 Anti-dubbeltelregel ......................................................................................... 19 Algemene bouwregels .................................................................................... 19 Algemene gebruiksregels ............................................................................... 19 Algemene afwijkingsregels ............................................................................. 20 Algemene wijzigingsregels ............................................................................. 20 Algemene procedureregels ............................................................................ 20 Overige regels ................................................................................................ 21
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels ................................................................................ 22 Overgangsrecht .............................................................................................. 22 Slotregel ......................................................................................................... 22
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: plan het bestemmingsplan ‘Palestrinalaan 2, Voorschoten” met identificatienummer NL.IMRO.0626.BPPalestrinalaan2-VA01 van de gemeente Voorschoten. bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0626.BPPalestrinalaan2-VA01 met de bijbehorende regels; aanbouw: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte aan een woning is aangebouwd en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan en onderscheiden kan worden van de woning, functionele ondergeschiktheid aan de woning is niet vereist, onder aanbouw wordt mede begrepen een aangebouwde overkapping; aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar, ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; aan huis verbonden bedrijf: het bedrijfsmatig uitoefenen van bedrijfsactiviteiten, voor zover in deze regels nader bepaald, in de woning en de daarbij behorende aanbouwen, met behoud, in overwegende mate, van de woonfunctie; aan huis verbonden beroep: het beroepsmatig uitoefenen van activiteiten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, ontwerptechnisch, maatschappelijk en daarmee gelijk te stellen gebied, voor zover in deze regels nader bepaald, in de woning en de daarbij behorende aanbouwen, met behoud, in overwegende
mate, van de woonfunctie; archeologische waarde: vindplaats of vondst met een oudheidkundige waarde, met name archeologische relicten in hun oorspronkelijke ruimtelijke context; bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; begane grond(laag): de eerste op, of nagenoeg op, het maaiveld gelegen bouwlaag van een gebouw, niet zijnde onderbouw;
bestaand: a. bestaande maten en bouwwerken: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp, dan wel toe te staan krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; b. bestaand gebruik: bestaand ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan; bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; bijgebouw: een bij een woning behorend vrijstaand gebouw, dat minimaal 1 m afstand houdt tot het hoofdgebouw, dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan de woning en dat niet voor bewoning is bestemd; functionele ondergeschiktheid aan de woning is niet vereist, onder bijgebouw wordt mede begrepen een vrijstaande overkapping; bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; bouwgrens: de grens van een bouwvlak; bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop, ingevolge de regels, een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak,
waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect, met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; categorie: een groep bedrijfsactiviteiten, die een gelijke of nagenoeg gelijke invloed hebben op een nabij gelegen of omringende woonomgeving;
dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; dakkapel: een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst; detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en leveren van goederen die worden aangeschaft voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder belwinkel en internetcafé; eengezinswoning: een zelfstandig, al dan niet zijdelings aaneen gebouwd, grondgebonden gebouw dat enkel één woning omvat; erf: de oppervlakte van het bouwperceel, uitgezonderd de oppervlakte van het hoofdgebouw; erker: een uitbouw van de gevel van het hoofdgebouw, uitsluitend op de begane grond; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus, overige); gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met
wanden omsloten ruimte vormt; gestapelde woningen: boven elkaar of nagenoeg boven elkaar gebouwde woningen; hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken; horeca: a. restaurant, café, cafetaria, snackbar of daaraan verwante inrichting, waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen worden bereid en verstrekt overwegend voor nuttiging ter plaatse, een en ander met uitzondering van discotheek of soortgelijke inrichting, en
b. hotel, pension of daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt; kampeermiddel: a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan; b. enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voorzover niet zijnde een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist; c. een en ander voorzover de onder a. en b. bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; kleinschalige bedrijfsmatige activiteit: de in de bij de planregels behorende 'lijst van bedrijven' (bedrijvenlijst ontleend aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering VNG) genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; luifel: een uitstekend afdak aan een gebouw; nutsvoorziening: voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals ten behoeve van de levering van elektriciteit, gas, drinkwater en telecommunicatiediensten, alsmede ten behoeve van riolering en afvalinzameling; onderbouw: het onderste gedeelte van een gebouw, niet zijnde een eengezinswoning, met een maximum bouwhoogte, gemeten vanaf het peil, van 1,5 meter, dat bestaat uit bergruimte, stallingruimte of
andere dienstruimte, met uitzondering van woonruimte; overkapping: een constructie die maximaal drie wanden heeft waarvan er maximaal twee tot de constructie behoren; peil: a. voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdam Peil; c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein; prostitutie: het zich ten behoeve van een ander tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten; raamprostitutie: het etaleren van prostituees achter vensters, met de kennelijke intentie passanten te werven voor prostitutie;
seksinrichting: een inrichting , bestaande uit een of meer voor publiek toegankelijke, besloten ruimten, waarin bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; straatprostitutie: het op de openbare weg door handeling, houding, woord, gebaar of op andere wijze benaderen van het publiek, met de kennelijke intentie passanten te werven voor prostitutie; tuin: gedeelte van het erf dat geheel of gedeeltelijk is ingericht met gazons, planten en/of bomen, en waarbinnen onder in dit plan gestelde regels erkers en/of ingangsportalen mede zijn toegestaan; voorgevel de naar de weg gekeerde of aan de voorzijde van een gebouw gelegen gevel; indien het een gebouw betreft met meerdere zodanige gevels, dan gelden al deze gevels als voorgevel; waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede water aan- en/of afvoer, waterberging en waterkwaliteit; woning: een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden; zolder: een ruimte onder het dak van een gebouw die niet geschikt is voor verblijf, maar wel voor
opslag.
Wijze van meten Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten: 1. de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2. de goothoogte van een gebouw vanaf het peil tot aan de snijlijn tussen gevel- en dakvlak; 3. de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 4. de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antenneinstallaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 5. de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 6. ondergeschikte bouwdelen bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsplan vlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 1 m. wordt overschreden.
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Tuin 3.1. Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen; Met daarbij behorende: b. c. d. e. f.
parkeren; gebouwen; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; toegangspaden; waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen.