Bijlage 1 Bestemmingsplan Palestrinalaan 2 - IMRO-code NL.IMRO.0626.BPPalestrinalaan2-VA01
Tekst van het document
Bestemmingsplan Palestrinalaan 2, Voorschoten
Bestemmingsplan Palestrinalaan 2, Voorschoten
Identificatie
:
NL.IMRO.0626.BPPalestrinalaan2-VA01
Datum Kenmerk
: :
5 oktober 2023 A1807-07/JLA/BP
Planstatus
:
Ontwerp Vaststelling
Contactpersoon
:
V. C. A. Mientjes MSc
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
[17 mei 2023] [7 december 2023]
INHOUDSOPGAVE
I.
TOELICHTING
II.
REGELS
III.
BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)
IV.
VERBEELDING
I.
TOELICHTING
Inhoud toelichting 1. 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding ........................................................................................................................ 7 Aanleiding ...................................................................................................................... 7 Ligging van het plangebied ............................................................................................ 9 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................... 9 Leeswijzer .................................................................................................................... 12
2. 2.1 2.2 2.3 2.4
Beleidskader ............................................................................................................... 13 Rijksbeleid .................................................................................................................... 13 Provinciaal beleid ......................................................................................................... 14 Regionaal beleid .......................................................................................................... 16 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................... 17
3. 3.1 3.2 3.3
Planbeschrijving ........................................................................................................ 20 Huidige situatie ............................................................................................................ 20 Beoogde situatie .......................................................................................................... 20 Verkeer en parkeren .................................................................................................... 21
4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
Milieuaspecten ........................................................................................................... 25 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................ 25 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................... 26 Geluidhinder ................................................................................................................. 29 Luchtkwaliteit................................................................................................................ 30 Stikstofdepositie ........................................................................................................... 33 Externe veiligheid ......................................................................................................... 33 Bodemgeschiktheid ...................................................................................................... 37 Flora en Fauna ............................................................................................................. 39
5.
Watertoets................................................................................................................... 41
6. 6.1 6.2
Archeologie en cultuurhistorie ................................................................................. 48 Archeologie .................................................................................................................. 48 Cultuurhistorie .............................................................................................................. 49
7. 7.1 7.2 7.3
Juridische aspecten .................................................................................................. 50 Inleiding ........................................................................................................................ 50 Opzet van de planregels .............................................................................................. 50 Uitleg van de planregels .............................................................................................. 50
8. 8.1 8.2 8.3
Uitvoerbaarheid .......................................................................................................... 53 Maatschappelijk uitvoerbaarheid ................................................................................. 53 Financiële uitvoerbaarheid ........................................................................................... 53 Eindconclusie ............................................................................................................... 53
9.
Bijlagen ....................................................................................................................... 55
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
Aan de Palestrinalaan 2/Operapad 1 te Voorschoten is een bestaand pand aanwezig dat deels in gebruik is als een autogarage. De eigenaren zijn voornemens het huurcontract met garagehouder (huurder) af te laten lopen en op de locatie te gaan wonen. Zij hebben de wens om hier drie woningen te bouwen. De locatie ligt in een woonwijk en leent zich hier goed voor. Binnen het plan wordt het volgende mogelijk gemaakt: • •
Drie woningen bestaande uit twee bouwlagen; Tuinen en parkeren.
Onderstaand figuur geeft een impressie van de omvang en het plangebied met de invulling van het terrein. Opgemerkt wordt dat dit een schets is. De uiteindelijke plannen zullen er anders uitzien.
Tabel 1: Gegevens locatie Plaats
Voorschoten
Locatie
Palestrinalaan 2
Perceel
5289, sectie A, kadastraal bekend onder de gemeente Voorschoten (VST00)
Aanleiding onderzoek
Realisatie 3 woningen
Oppervlakte plangebied
Ca. 1.760 m²
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt buiten het centrum en de schil van Voorschoten. Het ligt aan de rand van de wijk Adegeest in de rest bebouwde kom van Voorschoten. Het plangebied ligt dicht langs de Leidseweg, een belangrijke verbindingsweg richting het centrum van Voorschoten. Het plangebied wordt ten zuidoosten omgeven door maatschappelijke functies aan de Leidseweg. Langs de Leidseweg liggen een kinderdagverblijf en een huisartsenpraktijk. Zowel aan de noordoost-, noord- en westkant wordt het plangebied omgeven door woningen. Dit biedt de potentie om de autogarage te transformeren naar woningen. Onderstaand is de ligging van het plangebied weergegeven.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Op het plangebied is het bestemmingsplan ’Bestemmingsplan West’ van kracht. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk en vastgesteld door de gemeente voorschoten op 16 mei 2013. In het vigerende bestemmingsplan is op het plangebied de enkelbestemming ‘Bedrijf’ van kracht. Bij deze enkelbestemming is een maximale bouwhoogte van 6,5 meter van toepassing op het bouwvlak. Naast de enkelbestemming is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ van kracht op het plangebied. Er zijn geen functieaanduidingen en gebiedsaanduidingen van toepassing. Onderstaand is een uitsnede uit het vigerende bestemmingsplan weergegeven.
Strijdigheid met het bestemmingsplan Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ is het niet mogelijk woningen te realiseren. De gronden onder de bestemming zijn enkel bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten. Het planvoornemen is strijdig met deze bestemming. Daarnaast geldt dat gebouwen binnen het bouwvlak dienen te worden gebouwd. Voor de realisatie van het planvoornemen is een ander bouwvlak benodigd dan het bouwvlak als in het vigerende bestemmingsplan. Er is daarmee strijdigheid met het bouwvlak. Naast de strijdigheid van de enkelbestemming is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 5’ van toepassing. Voor de gronden onder deze dubbelbestemming geldt dat er enkel gebouwen mogen worden gebouwd als aan de volgende bouwregels wordt voldaan: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals bedoeld in lid 24.2 onder b. sub 1. door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: o het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; o het doen van opgravingen;
o
begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige;
bovenstaande regels zijn niet van toepassing, indien het plan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 30 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Op basis van de bouwregels is een archeologisch onderzoek nodig om de woningen te kunnen bouwen. In artikel 24.4.2 van het vigerende bestemmingsplan zijn nog een aantal uitzonderingen opgenomen waaronder geen onderzoek nodig is. Dat is indien de werkzaamheden: a. Noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 24.2 (de bouwregels) in acht is genomen; b. Een oppervlakte beslaan van ten hoogste 30 m²; c. Een diepte bereiken van ten hoogste 30 centimeter beneden het maaiveld; d. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; e. Mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning; f. Ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Opgemerkt wordt dat de 'Waarde - Archeologie 5’ inmiddels is gewijzigd in ‘Waarde – Archeologie 3’.
Op basis van bovenstaande gegevens is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn in dit bestemmingsplan onder paragraaf 7.1. De ontwikkeling kan enkel mogelijk worden gemaakt door de bestemming te wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’. Dit rapport voorziet in de bestemmingsplanwijziging door een bestemmingsplanprocedure te doorlopen. In het verloop van het rapport wordt getoetst aan het beleid en komen de omgevingsaspecten aan bod.
1.4
Leeswijzer
Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling, zodat binnen de kaders van dit plan enige flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De toelichting voorziet in een nadere onderbouwing van de juridisch bindende stukken, de planregels en de verbeelding. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 3) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 5). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Hoofdstuk 2 beschrijft het beleidskader met relevant beleid voor dit planvoornemen. Er wordt onder andere gekeken naar het Rijks-, provinciaal, regionaal en het gemeentelijk beleid. Hoofstuk 3 gaat in op het te realiseren plan met aandacht voor diverse specifieke onderdelen. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten en biedt verantwoording waarom dit plan ruimtelijk gezien passend is op deze locatie. Hoofdstuk 5 beschrijft de watertoets en hoofdstuk 6 gaat in op de onderdelen archeologie en cultuurhistorie. De juridische beschrijving en de uitvoerbaarheid worden behandeld in respectievelijk hoofdstuk 7 en 8.
De systematiek van de planopzet sluit aan bij de gangbare landelijke systematiek voor de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012).
2.
Beleidskader
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen. 2.1
Rijksbeleid
Nationale omgevingsvisie De Nationale omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk betreffende de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving. De NOVI is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI vervangt de Structuurvisie infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Nationaal Milieubeleidsplan en de Rijksnatuurvisie. De NOVI is vastgesteld ter voorbereiding op de Omgevingswet. Van belang in de NOVI is het richting geven aan decentrale afwegingen en het gebiedsgericht werken. Het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten moeten meer samenwerken. De NOVI is gericht op ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’, ‘duurzaam economisch groeipotentieel’, ‘sterke en gezonde steden en regio’s’ en ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’. Barro Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden.
De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkeling op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Indien een ontwikkeling ladderplichtig is dienen volgende treden doorlopen te worden: 1. Is er een regionale behoefte? 2. Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied. 3. Zoek een locatie die multimodaal ontsloten is of kan worden voor de resterende regionale behoefte. Toetsing aan de ladder Aangezien het planvoornemen uit de realisatie van 3 woningen bestaat is de ontwikkeling niet ladderplichting. Volledigheidshalve wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling aansluit op de regionale woningbehoefte van Voorschoten en omgeving. Door de steeds toenemende woningvraag is het inpassen van woningen een moeilijk vraagstuk geworden. Door de sloop van de autogarage en de bouw van de woningen wordt in bestaand stedelijk gebied gebouwd.
Conclusie Rijksbeleid Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het rijksbeleid.
2.2 Provinciaal beleid In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Op 2 december 2022 heeft er een update plaatsgevonden van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerd 2023-04-01) De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: -
-
Een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.
De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen: -
de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
Omgevingsverordening De beleidskeuzes uit de Visie, werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. In de omgevingsverordeningen worden geen regels beschreven die direct op wonen slaan. Wel staan een aantal verordeningen beschreven die slaan op bestemmingsplannen. Er wordt wat vermeld over ruimtelijke kwaliteit, stedelijke ontwikkelingen, Ke-contour Schiphol, NNN, bescherming landgoed- en kasteelbiotoop en ontheffing op natuur. Dit zijn onderwerpen die betrekking hebben op het plangebied en planvoornemen. Artikel 6.9: Ruimtelijke kwaliteit In de Omgevingsverordening wordt het volgende beschreven: 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten
voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid van artikel 6.9. 4. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: -
een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid.
In het vijfde lid wordt het volgende beschreven: 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: -
-
-
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
Artikel 6.10: Stedelijke ontwikkelingen In deze verordening staat beschreven dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de ladder van duurzame verstedelijking. Er moet dan worden gekeken naar de behoefte van de te bouwen woningen en de locatie ervan. Hierin wordt gestreefd naar locaties binnen het bestaande stads- en dorpsgebied. Daarnaast wordt er allereerst gestreefd naar inbreiding, herstructurering en transformatie binnen dat gebied. Als dat niet mogelijk is, wordt pas gekeken naar ontwikkeling buiten stads- en dorpsgebied.
Beoordeling planvoornemen provinciaal beleid De Omgevingsvisie zet in op het beter benutten van bestaand dorps- en stadsgebied. Het beter benutten van de ruimte omvat verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformaties. Onderdeel van het beter benutten van stedelijke ruimte is de eerder benoemde ladder voor duurzame verstedelijking. Dit is een belangrijk aspect, met name om landelijk gebied te kunnen behouden en functies en activiteiten beter met elkaar in verband te brengen. Daarnaast zet de provincie in op de zorg voor voldoende en passende woningen voor verschillende doelgroepen, waarin met name woningen voor de huursector worden benoemd. De provincie Zuid-Holland heeft ook de ambitie om alle woningen in 2035 CO2-neutraal te maken en vóór 2050 klimaat robuust te zijn ingericht en ingepast. De provincie is dan ook terughoudend als het gaat om de realisatie van woningen buiten het bestaande stads- en dorpsgebied. Het planvoornemen vormt geen strijdigheid met de Omgevingsvisie. Het planvoornemen wordt binnen bestaand dorps- en stadsgebied gerealiseerd. Onder het kopje Rijksbeleid is al gemotiveerd dat het plan niet onderhavig is aan de ladder van duurzame verstedelijking. Daarnaast draagt het planvoornemen bij aan de aanbod van woningen voor Voorschoten en omgeving.
Wat betreft de verordeningen wordt geconcludeerd: Artikel 6.9: Ruimtelijke kwaliteit Het planvoornemen past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet niet in een wijziging op structuurniveau. De locatie ligt niet in een gebied aangewezen als kaart 14 van de omgevingsverordening. Het planvoornemen sluit aan bij de omliggende woningen. Daarnaast is de aard en de schaal van het planvoornemen vrijwel gelijk aan de bestaande en omliggende bebouwing. Ten slotte worden de nieuwe woningen ingepast in het bestaand bebouwd gebied van Voorschoten. Artikel 6.10: Stedelijke ontwikkelingen In de verordening staat vermeld dat de ontwikkeling moet worden getoetst aan de ladder van duurzame verstedelijking en dat er wordt gestreefd naar locaties binnen bestaand stedelijk stads- en dorpsgebied. Hier wordt met het planvoornemen aan voldaan. Het planvoornemen voldoet aan de verordeningen en vormt geen strijdigheid met het provinciale beleid. Conclusie Provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het provinciaal beleidskader en dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening. Er wordt voldaan aan de omgevingsvisie en verordeningen.
2.3
Regionaal beleid
Regionale Structuurvisie 2020 (2009) Op 24 juli 2009 is de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland door het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland vastgesteld. In deze structuurvisie wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Deze structuurvisie heeft geen wettelijk karakter, maar door vaststelling van deze visie committeren de deelnemende
gemeenten zich aan de in de visie gemaakte afspraken. De besluiten in deze structuurvisie zijn leidend voor de structuurvisie en beleidsnota’s van de gemeenten. Conclusie regionaal beleid Het voorgenomen plan past binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Voorschoten. De ontwikkeling valt onder de te realiseren woningen in Voorschoten en omgeving. Met het plan wordt de bestaande karakter van de stad behouden, worden woningen toegevoegd ten behoeve van de woningvraag en wordt de leefkwaliteit van het dorp bevordert.
2.4
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie 2025 ‘Groen, veilig en betrokken’ Op 9 maart 2017 heeft de gemeenteraad de zienswijzennota en de structuurvisie Voorschoten 2025 “Groen, veilig en betrokken” vastgesteld. De structuurvisie geeft nut en noodzaak aan van het duurzaam behoud van Voorschoten voor volgende generaties met ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Het nodigt andere partijen uit te investeren in Voorschoten en biedt binnen een richtinggevend kader ruimte aan ambities van initiatiefnemers. In de nieuwe structuurvisie wordt op hoofdlijnen de ruimtelijke visie voor Voorschoten geschetst. Vanaf 2015 is een nieuwe structuurvisie opgesteld met behulp van inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden. In samenspraak is gewerkt naar een gedeelde en gedragen ruimtelijke visie voor Voorschoten. Voor het duurzaam behoud van het dorpse karakter van Voorschoten gelden de volgende pijlers: groen, veilig en betrokken. Wonen De gemeente Voorschoten wordt gezien als aantrekkelijke plaats. Dit komt door de gunstige ligging in de Randstad, het historische centrum en het groene karakter. Daarnaast zijn er goede basisvoorzieningen, plusvoorzieningen, is de bereikbaarheid goed en is er een groen en harmonieus leefklimaat.
De kernboodschap van het woonbeleid van Voorschoten is het behoud van Voorschoten als aantrekkelijke woongemeente voor de brede groep inwoners en bewaking van en sturen op slaagkansen van verschillende groepen op de woningmarkt. Speerpunten van het woonbeleid zijn: • Alle doelgroepen (starters, gezinnen, ouderen, alleenstaanden) kunnen goed wonen in Voorschoten. • Vergroten van de slaagkansen voor lagere inkomens en middeninkomens. • Een levensloopvriendelijke gemeente: langer zelfstandig wonen in de wijk in een passende woning voor ouderen en mensen met een beperking. Aandacht voor kwetsbare groepen. • Verduurzaming van de woningvoorraad. Werken Een bloeiende economie, goede werkgelegenheid en gezonde bedrijventerreinen en winkelcentra in Voorschoten dragen bij aan de leefbaarheid van Voorschoten. Qua winkels en supermarkten zijn er twee kernen. De ambitie bestaat om beide kernen met recreatief winkelgebied en het boodschappencentrum te versterken.
Wat betreft de kantorenmarkt in Voorschoten wordt gesteld dat deze qua omvang en dynamiek bescheiden is. Er zijn weinig nieuwe kantoren ontwikkeld en de leegstand ligt onder het landelijk gemiddelde van 14%. Dit percentage is nodig om de bedrijvendynamiek ruimte te geven. Belangrijke speerpunten voor economie, recreatie en toerisme zijn: • Voorschoten zet in op een compacte en toekomstbestendige detailhandel structuur; • Voorschoten heeft daarbij de duidelijke ambitie om de twee kansrijke gebieden: recreatief winkelgebied het centrum van Voorschoten en boodschappencentrum Hofland te versterken. Uitbreiding met nieuwe detailhandel buiten deze gebieden wordt in principe uitgesloten; • Het centrum is als hart van ons dorp, de plaats van ontmoeting en samenkomst van ongekend belang voor de leefbaarheid van Voorschoten. Het centrum wordt versterkt als verblijfsgebied. Dit wordt gedaan door detailhandel en horeca voornamelijk te concentreren in het centrum of is gerelateerd aan een bepaald gebied. Ook wordt er samen met de ondernemers Maart 2017 // P. 047 onderzocht op welke wijze het centrum verder versterkt en beter gepositioneerd kan worden; • Het versterken van het dorp door functiemenging toe te staan om de levendigheid in wijken te vergroten en monofunctionaliteit tegen te gaan. Beoordeling planvoornemen Het beoogde plan sluit aan op de structuurvisie van Voorschoten.
Het plan sluit aan op het DNA van Voorschoten. Het sluit aan bij een divers woningaanbod. De nieuwe woningen sluiten aan bij de ambitie voor levensloopbestendige woningen in de gemeente, waardoor ervoor wordt gezorgd dat men langer zelfstandig kunnen wonen in de wijk. Daarnaast sluit het plan aan bij de duurzaamheidsambitie. Aangezien de woningen duurzaam worden opgeleverd. Zo komen de woningen niet aan het gas, zijn de woningen voorzien van zonnepanelen en worden de woningen ontworpen met een groene visie. Woonvisie 2019-2022 (actualisatie vigerend woonbeleid) Het college heeft in het Coalitieakkoord 2018 – 2022 de ambities verwoord om te bouwen waar vraag naar is en daarbij een goed evenwicht in het woningbouwprogramma te realiseren voor alle generaties. De ambitie is om de voorspelde groei van 10% huishoudens in 2040 te kunnen opvangen en het groene karakter van Voorschoten te behouden. De hoofddoelstelling van het woonbeleid is eveneens: “Ervoor blijven zorgen dat Voorschoten een aantrekkelijke woongemeente blijft voor een brede groep inwoners.” De actualisatie heeft betrekking op verschillende veranderingen van beleidkaders, zoals ook de regionale woonagenda van Holland Rijnland 2017. Daarnaast wordt tot 2040 een demografische groei verwacht van 10%, waardoor de woningvoorraad in 2040 met circa 900 woningen groeit. Ook binnen Voorschoten ligt dus een woningopgave.
Vanuit de woonvisie worden de volgende woonopgaven beschreven voor de opbouw en kwaliteit van de woningvoorraad: 1. Bouwen voor jongeren, starters en ouderen om zo een evenwichtig mogelijke verhouding te realiseren. 2. De huidige plancapaciteit c.q. geplande woningbouwprogrammering tot uitvoer brengen
3. 4. 5. 6. 7.
om de 10% groei in huishoudens tot 2040 op te vangen. Aandacht voor jongeren en ouderen om zo de ambities te realiseren van het college. Instrumenten inzetten om versnelling van nieuwbouwprojecten te realiseren. Inzetten op circa toename van circa 150 woningen in de sociale sector om 25% sociale huurvoorraad te generen. Optimaliseren wat groen is blijft groen. Optimaliseren van integrale aanpak.
Beoordeling planvoornemen Het beoogde plan sluit gedeeltelijk aan op de woonvisie van Voorschoten. Er wordt namelijk niet voorzien in huurwoningen, waar de meeste vraag naar is. Wel zorgt de ontwikkeling voor doorstroming op de woningmarkt waardoor meer bestaande woningen vrijkomen. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan het woningbouwprogramma voor de gemeente Voorschoten. Visie op Energie en Klimaat De Visie op Energie en Klimaat markeert het startpunt van uitdagingen waar de gemeente Voorschoten samen voor staan. De Visie geeft richting aan de duurzame doelen waar de gemeente samen naar streven. Iedereen wil een goede milieukwaliteit, een klimaatrobuuste leefomgeving en een duurzame energievoorziening. De vraag is hoe we die met elkaar gaan bereiken. Klimaatadaptatiebeleid (ontwerp) Op het thema klimaatadaptatie is er in 2022 beleid gemaakt dat een eerste aanzet geeft tot een klimaatrobuust Voorschoten. Klimaatadaptatie is het aanpassen van de leefomgeving, zodat de gevolgen van klimaatverandering het dagelijkse leven, de gezondheid, economie en natuur zo min mogelijk beïnvloeden. Afgelopen jaar is hier beleid voor opgesteld. Het heeft als titel: Groen, leefbaar en klimaatrobuust Voorschoten. Het beleid is nog niet vastgesteld, omdat iedereen in Voorschoten er nog een reactie op kan geven (een zienswijze). Daarom heet het ‘Ontwerp Klimaatadaptatiebeleid’.
In het Ontwerp Klimaatadaptatiebeleid staan doelen en uitgangspunten om nieuwbouw aangepast aan het klimaat te bouwen. Ook zijn er doelstellingen geformuleerd om het dorp komende jaren groen, leefbaar en klimaatrobuust in te richten. Komende jaren werkt de gemeente deze samen met haar bewoners uit. Beoordeling planvoornemen De woningen worden klimaatrobuust opgeleverde en er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van duurzaam bouwmaterieel. De initiatiefnemers willen de tuinen zo groen mogelijk inrichten, wat bijdraagt aan een goed klimaatadaptieve situatie. Uiteraard worden de woningen gasloos opgeleverd en voorzien van duurzame energiebronnen. Bij de bouwaanvraag wordt hier specifieker op in gegaan. Conclusie gemeentelijk beleid Het planvoornemen is niet strijdig met het gemeentelijk beleid van de gemeente Voorschoten. Het planvoornemen voorziet in woningen, waardoor doorstroming op de markt ontstaat en andere woningen vrijkomen. Ook wordt het plan binnen bestaand stads- en dorpsgebied ingepast, in een woonomgeving. Het plan is in lijn met de uitgangspunten van de verschillende thema’s zoals bovenstaand omschreven.
3.
Planbeschrijving
3.1
Huidige situatie
In de huidige situatie is er een autogarage aanwezig. Het hele buitenterrein is ingericht als verhard parkeerterrein voor het parkeren en het stallen van de auto’s.
3.2
Beoogde situatie
Het planvoornemen bestaat uit de sloop van het bestaande pand en bouw van drie vrijstaande woningen aan de Palestrinalaan met adresnummer 2. De woningen bestaan uit twee bouwlagen. Er worden drie vrijstaande woningen gebouwd, die verbonden zijn via een tuinmuur/berging. De woningen zijn voorzien van een eigen tuin en oprit om de auto op eigen terrein te kunnen parkeren.
3.3
Verkeer en parkeren
Verkeer Met de realisatie van de drie woningen ontstaan nieuwe vervoersbewegingen die in de huidige verkeerssituatie worden ingepast. Het plangebied is ontsloten door de Palestrinalaan, die via de Von Weberlaan en Grieglaan, aansluit op de Bachlaan. De Bachlaan verzorgd verbinding met de Leidseweg, de hoofdontsluitingsweg door Voorschoten heen. De Leidseweg zorgt richting het noorden voor de aansluiting met Leiden en richting het zuiden met Den Haag en Leidschendam. Het verkeer zal zich in beide richtingen verspreiden. Huidige situatie Op basis van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen’ volgen de volgende toename van verkeersbewegingen door realisatie van het project. Op basis van de omgevingsadressendichtheid van 1.526 adressen (buurt Adegeest) wordt er uitgegaan van een sterk stedelijk gebied. Gezien de ligging buiten het centrum en de schil van Voorschoten, maar aan de rand van de buurt Adegeest, is er uitgegaan van rest bebouwde kom. Op basis van deze gegevens volgen de onderstaande vervoersbewegingen: Tabel 2: Verkeersgeneratie planvoornemen Onderdeel Functie Aantal Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats Totaal (afgerond)
autogarage
960 m2 (bagviewer)
Norm per 100 m2 bvo
Totaal
10,1 vervoersbewegingen per dag
96,96 vervoersbewegingen per dag
97 vervoersbewegingen per dag
Op basis van de berekening ontstaan 96,96, oftewel 97 vervoersbewegingen per dag.
Toekomstige situatie In de onderstaande tabel is het aantal vervoersbewegingen berekend die ontstaan met de realisatie van de woningen. Op basis van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen’ volgen de volgende toename van verkeersbewegingen door realisatie van het project. Op basis van de omgevingsadressendichtheid van 1.526 adressen (buurt Adegeest) wordt er uitgegaan van een sterk stedelijk gebied. Gezien de ligging buiten het centrum en de schil van Voorschoten, maar aan de rand van de buurt Adegeest, is er uitgegaan van rest bebouwde kom. Op basis van deze gegevens volgen de onderstaande vervoersbewegingen: Tabel 3: Verkeersgeneratie planvoornemen Onderdeel Functie Aantal Koop, huis, vrijstaand
Woning
Totaal (afgerond)
3
Norm per woning
Totaal
8,6 vervoersbeweging en per dag
25,8 vervoersbewegingen per dag 26 vervoersbewegingen per dag
Op basis van de berekening ontstaan 25,8, oftewel 26 vervoersbewegingen per dag. Dit aantal vormt een dermate klein aantal van de bestaande vervoersbewegingen dat er geen belemmeringen ontstaan voor de huidige verkeerssituatie. De autogarage zorgt conform de CROW voor meer vervoersbewegingen dan de toekomstige woningen. Nader onderzoek is niet nodig. Parkeren De gemeente Voorschoten streeft ernaar de ideale woon- en leefomgeving te zijn en te blijven. Veiligheid, leefbaarheid en bereikbaarheid vormen elementen die hier in belangrijke mate aan bijdragen. In het verkeersbeleid richt de gemeente zich op het verbeteren van: • • •
Verkeersveiligheid Leefbaarheid Bereikbaarheid
Bereikbaarheid mag hierin niet ten koste gaan van de leefbaarheid en de veiligheid. Om dit te voorkomen wordt daarom de onderstaande volgorde gehanteerd: 1. Verkeersveiligheid: aandacht voor langzaam verkeer, primaat bij de voetganger, inrichten volgens de principes van Duurzaam Veilig. 2. Leefbaarheid: duurzaamheid en toegankelijkheid. 3. Bereikbaarheid. Het beleid van autoverkeer is erop gericht de bereikbaarheid van en vanuit Voorschoten zo goed mogelijk te faciliteren, zonder dat Voorschotense wegen een aantrekkelijk alternatief worden voor doorgaand autoverkeer tussen omliggende plaatsen. In de parkeervisie staat beschreven dat voor nieuwe ontwikkelingen de parkeernormen van de CROW-publicatie dienen te worden gehanteerd. In 2022 is een nieuwe Nota Parkeren verschenen. In de Nota Parkeren Voorschoten 2022 is bepaald wat de toe te passen parkeernorm voor de gemeente Voorschoten is. Deze zijn afgeleid van de CROW. De gemeente hanteert daarvan het gemiddelde. In onderstaande tabel is het aantal benodigde parkeerplaatsen berekend op basis van de nieuwe Nota.
Tabel 4: Parkeerberekening planvoornemen Onderdeel Functie Aantal Koop, huis, vrijstaand Totaal (afgerond)
Woning
3
Norm per woning
Totaal
2,1 parkeerplaatsen (waarvan 0,3 bezoekers)
6,3 parkeerplaatsen 7 parkeerplaatsen
Uit de bovenstaande berekening wordt geconcludeerd dat er 7 parkeerplaatsen benodigd zijn voor de drie nieuwe woningen. De 7 parkeerplaatsen zijn worst-case voldoende. Deze worden allen op het eigen terrein gerealiseerd. De onderstaande afbeelding geeft de positie aan. De parkeerplaatsen zullen qua afmetingen voldoen aan de Nota Parkeren van Voorschoten.
Voorgesteld wordt om de parkeerplaatsen al volgt te realiseren. Daarbij wordt rekening gehouden dat de gemeente bij een lange oprit die bestaat uit 2 parkeerplaatsen uitgaat dat deze meetelt als 1,5 parkeerplaats. In de Nota Parkeren staat het volgende aanvullend advies voor passeerruimte: “Voor opritten geldt als aanvullend advies dat er tenminste 1 meter vrije ruimte, naast de oprit, moet zijn om de voordeur, de garage of de steeg (voor bijvoorbeeld het stallen van een fiets) te kunnen bereiken. Voor de garage(box) geldt dat er naast de garage een ruimte moet zijn om de fietsen te kunnen stallen dan wel dat er een grotere garage wordt gebouwd.”
Vanuit de initiatiefnemers is gemotiveerd om hiervan af te wijken, om de volgende redenen: 1. De entree van de woningen W1 en W2 bevindt zich aan de voorzijde van het pand en niet bij de opritten. Voor woning W3 is deze bereikbaar via de oprit, maar is er voldoende ruimte omdat de woning hier inspringt. 2. De berging / garage van woningen W1 en W2 bevinden zich in het verlengde van de opritten en grenzen aan elkaar. De gezamenlijke breedte van de opritten is 7600 mm en biedt zodoende toch voldoende ruimte om de berging/garage te bereiken met de fiets, hoewel de opritten afzonderlijk niet aan het advies voldoen. 3. De berging/garage van woning W3 bevinden zich aan de zijkant van de woning en in de achtertuin van het perceel en zijn niet via de oprit toegankelijk. Fietsparkeren In het gemeentelijk beleid is geen minimale norm voor fietsparkeren bij woningen. Wel is er in en rondom de woningen voldoende ruimte voor het stallen van fietsen.
Conclusie verkeer en parkeren Gelet op het bovenstaande, vormt het planvoornemen geen belemmering voor de aspecten verkeer en parkeren, zoals getoetst aan het beleid.
4.
Milieuaspecten
4.1
M.e.r.-beoordeling
Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De voorgenomen ontwikkeling staat niet direct genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het dichtst in de buurt komt de beschrijving in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r.: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3.
een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarde van 2.000 woningen wordt met dit planvoornemen niet gehaald. Dat neemt niet weg dat in dat geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria zoals genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU): 1. Kenmerken van het project; 2. Plaats van het project; 3. Kenmerken van het potentiële effect. Gelet op de aard en omvang van het planvoornemen is het niet doelmatig een m.e.r. beoordeling op te stellen. Het planvoornemen voorziet in de sloop van een autogarage en de bouw van drie woningen. Uit diverse jurisprudentie over het begrip stedelijke ontwikkeling in relatie tot het Besluit m.e.r blijkt dat er een onder grens is voor aantal woningen waaronder geen sprake is van een stedelijk ontwikkeling. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraken van 10 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:729; 2020) en 16 februari 2023 (ECLI:NL:RBGEL:2023:728). Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL: RVS: 2019:1879) en een tussenuitspraak van de AbRvS van 22 mei 2019 (ECLI:NL: RVS:2019:1668) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.
Dit plan bestaat uit de vervanging van een bedrijfspand door drie woningen in het binnenstedelijk gebied van Voorschoten en kan worden gezien als een vorm van kleinschalige opvulling in het binnenstedelijk gebied. Gelet op deze bevindingen is er hier geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. (D 11.2). Een vormvrije m.e.r.beoordeling en m.e.r.-beoordelingsbesluit is niet nodig
Het plan ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland en ligt niet op een beschermd landgoed- en kasteelbiotoop, waardoor er geen potentiële effecten ontstaan met het planvoornemen. Ook ligt het plangebied niet binnen de invloedssferen van een beschermd molenbiotoop. Het plangebied ligt volgens het huidige bestemmingsplan buiten het bestaand stads- en dorpsgebied, in het reguliere welstandsgebied. In het vervolg zijn de milieuaspecten op en rondom het plangebied voldoende beoordeeld. Er is geen belemmering vanuit milieutechnische aspecten. Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling Gelet op het bovenstaande vormt het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.2
Bedrijven en milieuzonering
Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Beoordeling planvoornemen In het kader van een goede ruimtelijke ordening, heeft er een inventarisatie plaatsgevonden van relevante bedrijven in de nabije omgeving. Zoals ook valt op te maken uit de onderstaande figuur kenmerkt de omgeving van het plangebied zich als een rustige woonwijk.
Rondom het plangebied bevinden zich in de directe omgeving voornamelijk woonbestemmingen en enkele maatschappelijk en kantoorbestemmingen. In het geldende bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan West’ staat vermeld dat het plangebied kan worden getypeerd als een woongebied. Daarom wordt uitgegaan van een rustige woonwijk.
De volgende bedrijven en functies zijn relevant en liggen in de nabijheid van het plangebied: -
-
-
-
-
Ten zuidwesten van het plangebied ligt een bestemming ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan. Volgens de VNGpublicatie geldt hiervoor een richtafstand van 50 meter. Op de onderstaande afbeelding is te zien dat het plangebied buiten de richtafstand ligt van dit bedrijf. Nader onderzoek is niet nodig. Ten noorden bevindt zich ook een verkooppunt van motorbrandstoffen zonder lpg. Vanuit de VNG publicatie geldt voor benzineservicestations (zonder LPG) milieucategorie 2, met een richtafstand van 30 meter. Op de onderstaande afbeelding is te zien dat het plangebied buiten de richtafstand ligt van dit bedrijf. Nader onderzoek is niet nodig. Verder ten noorden van het plangebied ligt een bestemming bedrijf met ‘specifieke vorm van bedrijf - 3’. Ter plaatse van deze aanduiding geldt uitsluitend een garagebedrijf, als bedoeld in (en behorende tot) regel SBI-2008 code 451, 452, 454 (Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven) van de Lijst van bedrijfsactiviteiten van toepassing. Hiervoor geldt milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. Op de onderstaande afbeelding is te zien dat het plangebied buiten de richtafstand ligt van dit bedrijf. Nader onderzoek is niet nodig. Verder bevinden zich enkele kantoorbestemmingen en maatschappelijke bestemmingen. Binnen deze bestemmingen zijn geen bedrijven toegestaan.
De bestemmingen zij respectievelijk bestemd voor kantoren en bijbehorende voorzieningen en maatschappelijke voorzieningen en de handhaving van woningen. Vanuit de bestemmingen is geen belemmering te voorzien. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een kinderdagverblijf ’t Kwebbeltje. Formeel hoeft het stemgeluid conform het Activiteitenbesluit niet te worden beoordeeld. Echter dient in het kader van ‘goed ruimtelijk ordenen’, stemgeluid vanwege een kinderdagverblijf wel in de overweging te worden meegenomen. Zoals op onderstaande figuur te zien is, grenst het kinderdagverblijf reeds aan bestaande woningen. Ook de achterliggende speeltuin ligt dichterbij de naastgelegen woning dan de nieuwe woningen. Tussen het kinderdagverblijf en de nieuwe woningen, staan in de huidige situatie reeds schuttingen en gebouwen. Deze zorgen voor een geluid reducerende werking. Daarnaast bevindt de rooilijn van de nieuwe woningen zich aan de zijde van de Palestrinalaan en komt er een schuur in de tuin welke automatisch zorgt voor voldoende afstand. Hiermee vormt het kinderdagverblijf geen belemmering voor de ontwikkeling en visa versa wordt het kinderdagverblijf niet belemmerd door de komst van de woningen.
Uit het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn van omliggende bedrijven. Andersom vormt de ontwikkeling geen belemmering voor de omgeving.
Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.3
Geluidhinder
Aanleiding Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient overeenkomstig de Wet geluidhinder (Wgh) beoordeeld te worden of aan wet- en regelgeving wordt voldaan en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Geluidsoverlast kan veroorzaakt worden door lawaai afkomstig van industrie, railverkeer, wegverkeer en/of luchtvaartverkeer. Er bevinden zich in de buurt van het plangebied geen grote lawaaimakers overeenkomstig bijlage 1 onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Bor), noch een gezoneerd industrieterrein conform artikel 40 Wgh (industrielawaai). Ook is er in de nabijheid van het plangebied geen drukke weg, of spoorlijn (railverkeerlawaai) en ligt het plangebied niet binnen een geluidszone (’20 Ke-contour’) van een luchthaven (luchtvaartverkeer-lawaai).
Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een ‘zone’, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De ‘zone’ is een aandachtsgebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. Toetsing van niet gezoneerde wegen is in het kader van de Wgh niet aan de orde. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing dient echter wel aangegeven te worden in hoeverre nabij gelegen 30 km/uur wegen een relevante invloed uitoefenen op het akoestisch klimaat ter plaatse. Beoordeling planvoornemen Het voornemen bestaat om de huidige bedrijfsfunctie op de planlocatie te wijzigen naar een woonfunctie welke 3 woonkavels toestaat. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig. In dit onderzoek worden de geluidsbelastingen gepresenteerd ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Leidseweg, Van Beethovenlaan en Bachlaan. Uitgangspunt voor het geluidsonderzoek zijn de tekeningen van Van Manen architecten en de van de Omgevingsdienst West-Holland ontvangen verkeergegevens. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de individuele geluidsbelasting van alle gezoneerde wegen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting vanwege de 30 km/uur wegen in de directe nabijheid van het plan bedraagt ten hoogste 48 dB en is daarmee niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde voor gezoneerde wegen.
De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 54 dB exclusief correctie artikel 110g Wgh. Voor de cumulatieve geluidsbelasting geldt geen wettelijk toetsingskader. Deze waarde is slechts 1 dB hoger dan de wettelijk voorkeursgrenswaarde van 53 dB (exclusief de aftrek volgens artikel 110g Wgh) die voor een individuele weg geldt. De gemeente kan daarom overwegen dat deze cumulatieve geluidsbelasting aanvaardbaar is. De geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Het akoestisch onderzoek is als separate bijlage toegevoegd bij dit bestemmingsplan. Conclusie geluidhinder Het aspect geluid vormt geen hinder voor het planvoornemen.
4.4
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen.
Tabel 5: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer Stof
NO2
PM10 PM2,5
Concentratie [μg/m3]
Omschrijving
40
Jaargemiddelde concentratie
200
Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden
40
Jaargemiddelde concentratie
50
24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden
25
Jaargemiddelde concentratie
Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om ervoor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM).
AMvB en Regeling niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 μg/m3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol.
Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen. Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan een ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan wordt gesteld dat de voorgenomen planontwikkeling, met de bouw van drie woningen, niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald.
In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2020.
Uit bovenstaande figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 langs de Leidseweg nabij het plangebied voor de voorgenoemde stoffen achtereenvolgens maximaal 20,0 en 17,4 μg/m³ zijn. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 μg/m3 voor PM2,5. Deze is in de nabijheid van het plangebied maximaal 9,0 μg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 6,1 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd. Tabel 6: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10 Stof
Maximale achtergrondwaarde [μg/m³]
Jaargemiddelde grenswaarde [μg/m³]
PM2,5
9,0
25
PM10
17,4
40
NO2
20,0
40
Conclusie luchtkwaliteit Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
4.5
Stikstofdepositie
Wetgeving De uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 heeft een streep gezet door de tijdelijke vrijstelling van de stikstofuitstoot als gevolg van de sloop-, aanleg- en bouwfase, zoals opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Hierdoor dient het stikstofonderzoek net als voorheen niet alleen de gebruiksfase te beslaan, maar ook rekening te houden met (de mobiele voertuigen die ingezet worden bij) de sloop-, aanleg- en bouwfase. Bovendien zal met de intreding van de Omgevingswet ook een inspanningsverplichting gaan gelden om de stikstofuitstoot bij bouwprojecten te verminderen. Door deze uitspraak dienen stikstofberekeningen te worden uitgevoerd zoals voor 1 juli 2021 het systeem was. Dit betekent dat zoals onder de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig kan zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Beoordeling planvoornemen Het projecteffect is berekend met behulp van de AERIUS Calculator. Hierbij is een berekening gemaakt voor de uitstoot van de bouwmachines en het verkeer in de sloop-, aanleg-, bouwfase en het verkeer in de gebruiksfase.
De conclusie luidt dat geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt daarom geen toename van de stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied. In de bijlage is de stikstofberekening met daarbij behorende bijlage ingevoegd. Conclusie stikstofdepositie Het projecteffect is berekend met behulp van de AERIUS-calculator. De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied.