CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1 AEF Rapport Samenwerking in de Leidse Regio (bijl. 2 samenw.ovk)

Gemeenteraad Voorschoten 5 april 2023, gemeente voorschotenBij agendapunt: Samenwerkingsovereenkomst Maatschappelijke zorg en Wmo 2023 Leidse regio11.303 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Samenwerking in de Leidse Regio 26-10-2022

Managementsamenvatting

Managementsamenvatting

Binnen Holland-Rijnland bestaan er afspraken over de samenwerking op het gebied van Beschermd Wonen (BW) en Maatschappelijke Opvang (MO). Deze afspraken gaan onder ander over de op- en afbouw van voorzieningen, en de financiële en inhoudelijke verantwoordelijkheid voor cliënten die buiten de eigen gemeente in zorg gaan. De gemeenten binnen de Leidse Regio hebben de behoefte om aanvullende afspraken te maken over (financiële) samenwerking. Belangrijke redenen hiervoor zijn de grote opgaven die er liggen omtrent de op- en afbouw van voorzieningen, het vormgeven van preventie, en het realiseren van uitstroommogelijkheden. Daarnaast bestaan er relatief grote financiële risico’s. Scenario’s voor samenwerking in de Leidse Regio Samen met medewerkers van alle gemeenten binnen de Leidse Regio zijn twee scenario’s voor samenwerking verkend. Het eerste betreft een scenario waarin elk gemeente haar eigen budget heeft, en verantwoordelijk is voor haar eigen inwoners, ook als deze in een andere gemeente in zorg gaan. Het tweede scenario is een subregionaal budget, waarbij alle middelen van de vijf gemeenten samen worden gebracht. 2

Voorkeursscenario: een subregionaal budget In het bestuurlijk overleg van 15 september 2022 is een voorkeur uitgesproken voor het hanteren van een subregionaal budget. De belangrijkste voordelen hiervan zijn als volgt: ▹ Financiële risico’s worden geminimaliseerd. ▹ Ook andere kosten (zoals gesubsidieerde vormen van BW of MO) kunnen worden bekostigd vanuit het subregionale budget. Hiervoor zijn geen aanvullende afspraken of verdeelsleutels nodig. ▹ Dit geeft de mogelijkheid voor de Leidse Regio om zich te concentreren op de inhoudelijke transformatie (op- en afbouwopgave, inrichting van preventie en realisatie van uitstroommogelijkeden), zonder gelijktijdig ook een financiële transformatie vorm te moeten geven.

Het grootste nadeel van dit scenario is het feit dat de financiële prikkels voor op- en afbouw, preventie en het realiseren van uitstroommogelijkheden in mindere mate aanwezig zijn.

Managementsamenvatting

Managementsamenvatting

Aanvullende afspraken / beslissingen Bij het hanteren van een subregionaal budget moeten er een aantal aanvullende afspraken worden gemaakt. Naast afspraken over de concrete implementatie, kunnen er ook inhoudelijke afspraken worden gemaakt die de nadelen zo goed mogelijk mitigeren. Onderstaand zijn de onderwerpen weergegeven waarover afspraken gemaakt moeten worden. Op pagina’s 18 t/m 24 is een nadere uitwerking opgenomen van deze afspraken, waarbij ook opties voor de invulling van de afspraken worden benoemd. ▹ Welke gemeente beheerd het subregionale budget? (zie pagina 18) ▹ Hoe lang wordt een subregionaal budget gehanteerd? (zie pagina 18) ▹ Waarvoor wordt het subregionaal budget precies gebruikt? Welke kosten worden hier wel / niet uit betaald? (zie pagina 19)

▹ Wordt er een subregionale reserve gehanteerd? Zo ja, hoe wordt deze reserve gevuld? (zie pagina 20) ▹ Hoe worden eventuele tekorten / overschotten verdeeld? (zie pagina 20)

3

▹ Hoe wordt er gezorgd dat preventie goed wordt vormgegeven in de Leidse Regio? (zie pagina 21) ▹ Hoe wordt er gezorgd dat er voldoende uitstroommogelijkheden worden gerealiseerd in de Leidse Regio? (zie pagina 22) ▹ Hoe wordt gezorgd dat gemeenten in de Leidse Regio voorzieningen op- en afbouwen om een gespreid en dekkend aanbod te creëren? (zie pagina 23) ▹ Hoe wordt de monitoring van maatschappelijke zorg binnen de Leidse Regio vormgegeven? (zie pagina 24) Op- en afbouwopgave Om een beeld te geven van de op- en afbouwopgave is het regionale model* vertaald naar een model op het niveau van de Leidse Regio (zie hoofdstuk 4). Dit overzicht geeft inzicht in de opgave, maar is een theoretisch model. Een realistisch op- en afbouwplan kan hierop worden gebaseerd, maar het is noodzakelijk om een aantal andere facetten mee te nemen zoals: een minimale omvang voor voorzieningen, de nabijheid van andere voorzieningen (zoals dagbesteding), en de mate waarin locaties passen bij de doelgroep.

Inhoudsopgave

1. Introductie

p. 5

2. Alternatieve scenario’s

p. 9

3. Uitwerking voorkeursscenario

p. 16

4. Op- en afbouwplan Leidse Regio

p. 26

Bijlagen A. Regionale en subregionale afspraken 4

p. 33

1. Introductie

Aanleiding en context

5

In de regio Holland-Rijnland werkt men al jaren samen op het gebied van Beschermd Wonen (BW) en Maatschappelijke Opvang (MO), samen ook wel Maatschappelijke Zorg (MZ) genoemd. De regio kent 13 gemeenten welke zijn verenigd in drie subregio’s: de Leidse Regio, de Rijnstreek en de Duin- en Bollenstreek. De regio heeft besloten om de doordecentralisatie van BW al in 2023 te laten plaatsvinden, en naast BW ook MO te decentraliseren.

De afspraken die de Leidse Regio zelf had overwogen, bleken inderdaad niet verenigbaar met deze regionale afspraken. De behoeften op basis waarvan de Leidse Regio deze afspraken wilde maken, waren er echter nog steeds. Na het concretiseren van de regionale afspraken, wil de Leidse Regio nu dan ook bezien in hoeverre er toch in deze behoeften kan worden voorzien, zonder daarbij afspraken te maken die in strijd zijn met de regionale afspraken.

In december 2021 wilden de gemeenten van de Leidse Regio afspraken maken over de onderlinge financiële samenwerking. Deze zijn echter niet bekrachtigd, omdat ze op gespannen voet bleken te staan met de regionale afspraken. Een belangrijke reden hiervoor was dat de regionale afspraken verschillend werden geïnterpreteerd door de verschillende subregio’s. Hiermee ontstond de noodzaak om de regionale afspraken te verduidelijken. Andersson Elffers Felix (AEF) heeft Holland Rijnland begin 2022 ondersteund bij het concretiseren van de afspraken op een manier die alle subregio’s voldoende comfort bood bij de samenwerking.

Omdat een relatief groot deel van de voorzieningen voor MZ zich momenteel in Leiden bevinden, kent de regio een vrij grote opgave rondom het spreiden van deze voorzieningen over alle gemeenten. Hoewel dit in grote mate gaat over spreiden en ombouwen van voorzieningen, wordt dit typisch aangeduid met de term ‘op- en afbouwopgave’. Voor de herkenbaarheid zullen we deze term ook in dit rapport hanteren. Hoewel dit speelt voor de gehele regio, is het zeker voor de Leidse Regio van groot belang dat er een duidelijk op- en afbouwplan wordt opgesteld. Bij het opnieuw bezien van eventuele afspraken in de subregio, is het de wens om ook een bijpassend op- en afbouwplan op te stellen. Wederom is belangrijk om daarmee aan te sluiten bij het regionale open afbouwplan.

1. Introductie

Vraagstelling en aanpak

Vraagstelling De Leidse Regio heeft AEF gevraagd om te ondersteunen bij het komen tot (financiële) afspraken en een op- en afbouwplan. De concrete onderzoeksvragen die we hanteren hiervoor zijn als volgt. 1. Welke financiële afspraken die de Leidse Regio wilde maken, zijn inderdaad niet verenigbaar met de regionale afspraken?

2. Welke andere afspraken kunnen hiervoor in de plaats komen om de doelen die de Leidse Regio had alsnog te bereiken? 3. Wat zijn de voor- en nadelen van verschillende scenario’s hiervoor, en welk scenario is het best passend? 4. Hoe ziet de op- en afbouwopgave er uit voor de gemeenten in de Leidse Regio, en hoe kunnen de geldstromen hieraan worden gekoppeld? Aanpak Omdat het belangrijk is dat eventuele afspraken binnen de Leidse Regio niet in strijd zijn met de regionale afspraken, kijken we eerst naar de afspraken die

6

regionaal zijn gemaakt. Dit zijn de randvoorwaarden voor eventuele subregionale afspraken. Nadat deze in beeld zijn, maken we een overzicht van de afspraken die de Leidse Regio in een eerder stadium heeft overwogen. Van daaruit bekijken we welke afspraken al dan niet verenigbaar zijn met de afspraken binnen Holland Rijnland. Daarnaast brengen we in kaart wat de behoeften waren die hebben geleid tot de afspraken die in december 2021 zijn voorgesteld. Vanuit dit startpunt definiëren we mogelijke scenario’s die tegemoet kunnen komen aan de bestaande behoeften, zonder daarbij in te gaan tegen de regionale afspraken. Elk van deze scenario’s kent voor- en nadelen. Na deze in kaart te hebben gebracht, maken we een afweging voor een voorkeursscenario. Tot slot richten we ons op het op- en afbouwplan. Dat doen we door eerst te kijken naar het regionale plan dat momenteel wordt opgesteld. Van daaruit maken we een vertaling naar de gemeenten binnen de Leidse Regio, waarbij we specifiek kijken naar de manier waarop dit plan aansluit bij de gekozen financiële samenwerkingsvorm binnen de subregio.

1. Introductie

Leeswijzer

Het vervolg van deze rapportage is als volgt opgebouwd ▹ In het onderzoek is eerst gekeken naar de afspraken die binnen Holland Rijnland zijn gemaakt, de afspraken die de Leidse Regio eind 2021 voornemens was te maken, en de mate waarin deze verenigbaar waren. In deze rapportage is deze analyse opgenomen in bijlage A. Hierdoor is de lopende tekst van het rapport meer gericht op de toekomstige afspraken over samenwerking binnen de Leidse Regio. ▹ In hoofdstuk 2 beschrijven we twee vormen van samenwerking die de Leidse Regio zou kunnen hanteren om aan de behoefte die ten grondslag lagen aan de beoogde afspraken te voldoen. Van beide scenario’s brengen we de voor- en nadelen in beeld. Ten slotte beschrijven we de manier waarop er in beide scenario’s gezorgd kan worden dat er geen spanningen ontstaan met de regionale afspraken. ▹ In hoofdstuk 3 gaan we in op het scenario dat door bestuurders als voorkeursscenario is aangewezen. Van dit scenario beschrijven we manieren om de nadelen zo goed mogelijk te mitigeren. Daarnaast brengen

7

we in kaart welke aanvullende beslissingen en afspraken er gemaakt moeten of kunnen worden voor dit scenario. ▹ In hoofdstuk 4 beschrijven we ten slotte de vertaling van het regionale open afbouwplan naar een op- en afbouwplan voor de individuele gemeenten binnen de Leidse Regio.

Inhoudsopgave

1. Introductie

p. 5

2. Alternatieve scenario’s

p. 9

3. Uitwerking voorkeursscenario

p. 16

4. Op- en afbouwplan Leidse Regio

p. 26

Bijlagen A. Regionale en subregionale afspraken 8

p. 33

2. Alternatieve scenario’s

Alternatieve scenario’s voor samenwerking in de Leidse Regio De afspraken die de Leidse Regio oorspronkelijk wilde maken introduceerden een ongewenste financiële prikkel.* In dit hoofdstuk bekijken we alternatieve scenario’s van (financiële) samenwerkingsafspraken waarmee de beoogde doelen behaald kunnen worden, zonder daarmee tegen de regionale afspraken in te gaan. Achterliggende behoeften De belangrijkste redenen van de gemeenten binnen de Leidse Regio om de eerdere afspraken op te stellen waren als volgt. ▹ Veel voorzieningen bevinden zich in de gemeente Leiden. Het risico voor deze gemeente is dat andere gemeenten voorzieningen niet op tijd kunnen opbouwen, waardoor er meer cliënten in Leiden blijven dan waar middelen voor beschikbaar zijn.

▹ Financiële verantwoordelijkheid voor eigen inwoners geeft iedere gemeente een prikkel om in te zetten op preventie. ▹ Verantwoordelijkheid voor de uitstroom van eigen inwoners, gecombineerd

9

met de financiële verantwoordelijkheid voor het zorgtraject, geeft gemeenten een prikkel om voldoende uitstroommogelijkheden te realiseren. Alternatieve scenario’s Er zijn een aantal mogelijkheden voor samenwerkingsafspraken die in meer of mindere mate aan deze behoeften kunnen voldoen. Kort samengevat zijn dit de volgende opties. 1. Individuele budgetten a) Direct betalen van zorgkosten door gemeente van herkomst b) Kostenverrekening 2. Een subregionaal budget Op de komende pagina’s definiëren we deze scenario’s, en geven van elk hiervan de voor- en nadelen en verdere opties.

* Zie bijlage A voor de onderliggende analyse en een overzicht van de regionale afspraken en de afspraken die de Leidse Regio in december 2021 voor ogen had.

2. Alternatieve scenario’s

Alternatieve scenario’s voor samenwerking in de Leidse Regio 1. Individuele budgetten In deze scenario’s is elke gemeente financieel verantwoordelijk voor haar eigen inwoners. Om de zorg voor BW en MO te kunnen bekostigen, ontvangt iedere gemeente een eigen budget volgens de bestaande regionale verdeelsleutel. Er zijn twee subscenario’s, die zich onderscheiden in de manier van contractvoering. De gemeenten in de Leidse Regio hebben het zorgaanbod voor BW en MO gezamenlijk ingekocht. Het is echter nog niet duidelijk hoe de contractvoering precies vormgegeven zal worden. Afhankelijk hiervan is ofwel scenario 1.a ofwel scenario 1.b mogelijk. 1.a Direct betalen van zorgkosten door gemeente van herkomst Indien alle gemeenten in de Leidse Regio een contract hebben met alle zorgaanbieders, kunnen deze aanbieders zorgkosten direct in rekening brengen bij de gemeente waar de desbetreffende cliënt vandaan komt.*

mogelijk is om zorgkosten bij deze gemeente in rekening te brengen, dan kan er een kostenverrekening worden afgesproken. Hierbij betaalt de gemeente die penvoerder is de kosten aan de aanbieder, en verrekent deze vervolgens onderling met de gemeente waar de betreffende cliënt vandaan komt. In beide situaties is het van belang om te voorkomen dat dezelfde prikkel ontstaat als bij de oorspronkelijke afspraken die de Leidse Regio wilde invoeren (zie bijlage A, pagina 43). Dit betekent dat moet worden gezorgd dat er geen financiële prikkel ontstaat voor gemeenten in de Leidse Regio om inwoners buiten de subregio in zorg te laten gaan. Recentelijk is op regionaal niveau afgesproken dat er voor inwoners die niet in de eigen gemeente terecht kunnen, altijd eerst wordt gekeken naar instellingen in gemeenten binnen de subregio. Hiermee is er van de eerder genoemde prikkel geen sprake meer.

1.b Kostenverrekening Als één gemeente optreedt als penvoerder, en het voor aanbieders dus alleen

10

* Afhankelijk van hoe de contracten precies zijn opgesteld, kan dit voor aanbieders die zowel in de Leidse Regio als in andere subregio’s actief zijn extra administratieve lasten met zich meebrengen.

2. Alternatieve scenario’s

Alternatieve scenario’s voor samenwerking in de Leidse Regio 2. Een subregionaal budget In dit scenario brengen alle gemeenten binnen de Leidse Regio de budgetten die zij ontvangen samen om één subregionaal budget te vormen. Alle kosten voor BW en MO voor alle inwoners uit de subregio worden vanuit dit budget betaald. Hieronder vallen zorgkosten, maar ook bijv. kosten voor preventie. Er moeten afspraken worden gemaakt over eventuele tekorten of overschotten die er aan het eind van het jaar kunnen zijn. Overschotten kunnen bijvoorbeeld (tot een afgesproken maximum) aan een subregionale (verevenings)reserve worden toegevoegd, en / of via een verdeelsleutel worden uitgekeerd aan de individuele gemeenten. Tekorten kunnen uit een subregionale reserve worden gedekt voor zover dit mogelijk is, en / of door de individuele gemeenten worden gedekt volgens dezelfde verdeelsleutel.*

Voor- en nadelen van beide scenario’s In gesprekken met medewerkers van de gemeenten binnen de Leidse Regio zijn deze twee scenario’s besproken. In deze gespreksronde is geen aanvullend alternatief scenario aangedragen, maar zijn er wel veel aandachtspunten en eigenschappen van beide scenario’s ter tafel gekomen. Onderstaand geven we eerst een overzicht van de belangrijkste voor- en nadelen van beide scenario’s, en bespreken daarna hoe er bij deze scenario’s voor kan worden gezorgd dat er geen spanningen met de regionale afspraken ontstaan. In het volgende hoofdstuk gaan we verder in op welk scenario de voorkeur geniet, wat de belangrijkste aandachtspunten zijn en welke (aanvullende) keuzes hierbij gemaakt kunnen worden.

In dit scenario wordt de Leidse Regio vanuit het perspectief van HollandRijnland feitelijk gezien als één grote gemeente, met één budget. Omdat er voor ondersteuning aan inwoners altijd eerst moet worden gekeken naar aanbod binnen de eigen gemeente, is er geen sprake van de eerder genoemde perverse prikkel. 11

* Zie pagina 20 voor de mogelijkheden en benodigde afspraken rondom een subregionale reserve.

2. Alternatieve scenario’s

Voor- en nadelen van alternatieve scenario’s voor samenwerking in de Leidse Regio Voor- en nadelen individuele budgetten Voor een kostenverrekening zijn de volgende voor- en nadelen te noemen. Financiële prikkel voor preventie Omdat gemeenten zelf financieel verantwoordelijk zijn voor hun inwoners, en zorgkosten voor MZ typisch vrij hoog zijn, hebben gemeenten een prikkel om te voorkomen dat inwoners deze zorg nodig hebben.

Financiële prikkel voor uitstroom Om dezelfde reden hebben gemeenten een prikkel om ervoor te zorgen dat cliënten in MZ waarvoor (intensieve) zorg niet langer noodzakelijk is, uit kunnen stromen. Meer autonomie voor gemeenten Gemeenten hebben een eigen budget en de mogelijkheid om dat in te zetten op de volgens hen meest passende manier. Geen financiële prikkel voor opbouw Gemeenten betalen voor hun eigen inwoners, ongeacht of zij in de eigen

12

gemeente of een andere gemeente in zorg gaan. Er is dus geen prikkel om zelf voorzieningen op te bouwen. Grote financiële risico’s Voor kleinere gemeenten gaat het om relatief kleine aantallen, waardoor de kans dat het budget niet goed aansluit bij werkelijkheid vrij groot is. Voor Leiden geldt het financiële risico dat zij voorzieningen niet tijdig kunnen afbouwen doordat de opbouw in andere gemeenten achterblijft. Minder goed aansluitend verdeelmodel De middelen vanuit het Rijk bestaan uit een historisch deel en een objectief deel. Het historisch deel wordt vanaf 2024 steeds kleiner, en het objectief deel wordt navenant groter. Het objectief deel wordt aan alle gemeenten uitgekeerd o.b.v. de verwachte aantallen cliënten. Het historisch deel wordt vanuit het Rijk alleen aan Leiden uitgekeerd. Binnen de regio is een verdeelsleutel afgesproken van dit historisch deel op basis van aantallen cliënten in zorg (en dus voorzieningen). Gemeenten die momenteel geen voorzieningen hebben, krijgen in 2023 dus geen budget. Dit betekent dat het voor hen vrijwel onmogelijk is om voorzieningen op te gaan bouwen.*

2. Alternatieve scenario’s

Voor- en nadelen van alternatieve scenario’s voor samenwerking in de Leidse Regio Voor- en nadelen subregionaal budget Voor een kostenverrekening zijn de volgende voor- en nadelen te noemen.

13

moeten geven. Dit kan later, na een op- en afbouwperiode, alsnog worden gedaan.

Minimaliseren financiële risico’s Doordat het voor de subregio als geheel om een groter aantal cliënten gaat dan voor elke gemeente individueel, zullen de fluctuaties kleiner zijn, en daarmee ook de verschillen tussen kosten en beschikbare middelen.

Geen financiële prikkel voor opbouw Zorg voor inwoners uit de Leidse Regio wordt betaald vanuit het subregionale budget, ongeacht in welke gemeente inwoners in zorg gaan. Er is dus geen prikkel voor gemeenten om zelf voorzieningen op te bouwen.

Frictiekosten meenemen Bij een subregionaal budget kan eenvoudig worden afgesproken welke kosten er allemaal vanuit dit budget moeten worden betaald. In het bijzonder kunnen zo dus ook frictiekosten worden betaald vanuit dit budget, zonder dat daar een aparte verdeelsleutel voor afgesproken wordt.

Verminderde financiële prikkel voor preventie Hoewel zorgkosten voor MZ relatief hoog zijn, en er dus in principe een prikkel is voor gemeenten om deze kosten te voorkomen, worden de kosten vanuit het subregionaal budget betaald, waardoor individuele gemeenten hier in verhouding minder aan bijdragen.

Scheiding inhoudelijke / financiële transformatie Er wordt een inhoudelijke transformatie beoogd waarbij zorg dichterbij komt, en waarvoor er dus een op- en afbouwopgave ligt. Tegelijkertijd is er een transformatie van middelen van Leiden (als centrumgemeente) naar alle gemeenten. Een subregionaal budget geeft de mogelijkheid voor de Leidse Regio om zich te concentreren op de inhoudelijke transformatie, zonder tegelijkertijd ook de financiële transformatie succesvol vorm te

Verminderde financiële prikkel voor uitstroom Eenzelfde redenatie geldt voor het realiseren van uitstroommogelijkheden. Het realiseren hiervan is lastig en vraagt veel capaciteit en middelen van een individuele gemeente, terwijl de zorgkosten van een cliënt die langer in zorg zit doordat er geen uitstroommogelijkheid is worden betaald door de subregio als geheel.

2. Alternatieve scenario’s

Verenigbaarheid regionale afspraken en alternatieve scenario’s voor samenwerking in de Leidse Regio Voor elk van de geïdentificeerde spanningen tussen regionale en subregionale afspraken (zie bijlage A, pagina’s 41 t/m 44) beschrijven we voor beide scenario’s wat er aanvullend moet worden afgesproken om te zorgen voor verenigbaarheid met de regionale afspraken.

14

Conclusie Voor beide scenario’s is het mogelijk om de afspraken dusdanig te maken dat deze niet ingaan tegen de regionale afspraken, en ook geen prikkels introduceren die negatief uitpakken voor gemeenten in andere subregio’s.

Afspraken

1. Individuele budgetten

2. Een subregionaal budget

Op- en afbouwplannen (H1, H3, pagina 41)

Het afbouwplan van Leiden wordt in samenhang ontwikkeld met het regionale op- en afbouwplan. Het totaal aantal decentrale opvangplekken dat gemeenten in de Leidse Regio realiseren, sluit aan bij de regionale afspraak hierover.

Verwijzingen naar andere gemeenten (H4, H5, pagina 42)

Verwijzen naar een andere gemeente binnen de Leidse Regio kan in meer situaties dan verwijzen naar een gemeente buiten de Leidse Regio. Er is dus geen prikkel die nadelig uitpakt voor gemeenten in andere subregio’s.

In dit scenario wordt de gehele Leidse Regio effectief als één gemeente bezien vanuit het oogpunt van Holland-Rijnland. Er is dus geen prikkel die nadelig uitpakt voor gemeenten in andere subregio’s.

Verantwoordelijkheden (H0, H5, pagina 43)

Regionaal is onlangs de afspraak gemaakt dat als het voor een inwoner beter is om in een andere gemeente in zorg te gaan, er altijd eerst wordt gekeken of dit kan in een andere gemeente binnen de subregio. Door deze afspraak is er geen spanningsveld meer tussen de regionale en subregionale afspraken.

Omdat de Leidse Regio vanuit het perspectief van HollandRijnland effectief als één gemeente wordt bezien, móet er voor inwoners die niet in de eigen gemeente in zorg kunnen eerst worden gekeken of deze ergens anders in de Leidse Regio in zorg kunnen. Daarmee is er automatisch geen spanningsveld meer tussen de regionale en subregionale afspraken.

Inhoudsopgave

1. Introductie

p. 5

2. Alternatieve scenario’s

p. 9

3. Uitwerking voorkeursscenario

p. 16

4. Op- en afbouwplan Leidse Regio

p. 26

Bijlagen A. Regionale en subregionale afspraken 15

p. 33

3. Uitwerking voorkeursscenario

Voorkeursscenario: subregionaal budget

In het bestuurlijk overleg van donderdag 15 september 2022 zijn de voor- en nadelen van beide scenario’s besproken. Uit het gesprek met de bestuurders van de vijf gemeenten uit de Leidse Regio is het volgende gekomen. ▹ Op basis van de uitleg over beide scenario’s en het overzicht van voor- en nadelen, bestaat bij alle vijf de gemeenten een voorkeur voor het hanteren van een subregionaal budget.

▹ Een belangrijke reden voor deze keuze is de scheiding tussen inhoudelijke en financiële transformatie. Omdat sommige gemeenten momenteel zeer weinig of zelfs geen BW-voorzieningen hebben, ontvangen zij ook geen middelen in het eerste jaar. Hierdoor zou het in het alternatieve scenario vrijwel onmogelijk zijn voor deze gemeenten om voorzieningen op te bouwen. ▹ Daarnaast hebben de bestuurders aangegeven dat zij in het belang van de continuïteit van zorg en de toegang daartoe veel waarde hechten aan een goede samenwerkingsrelatie binnen de Leidse Regio, zeker ook in het kader van de gehele transformatie binnen Holland-Rijnland.

16

▹ De grootste uitdaging is het daadwerkelijk realiseren van de op- en afbouwopgave binnen de Leidse Regio.* In beide scenario’s, en ook met de afspraken binnen Holland-Rijnland, is hiervoor geen financiële prikkel. Om dit toch te kunnen bewerkstelligen zijn aanvullende afspraken nodig waar men elkaar ook aan kan houden. ▹ Daarnaast is het belangrijk om afspraken te maken over het vormgeven van preventie en uitstroommogelijkheden, omdat hiervoor de financiële prikkels vrij klein zijn bij het hanteren van een subregionaal budget. ▹ Ten slotte geven bestuurders aan dat een subregionaal budget voor een tijdelijke periode gehanteerd zou moeten worden. Binnen deze periode moet er zorg voor worden gedragen dat de inhoudelijke transformatie (het op- en afbouwen van voorzieningen) daadwerkelijk tot stand komt. Hiervoor is een duidelijk plan nodig, zodat de Leidse Regio er na afloop van de periode waarvoor het subregionale budget wordt afgesproken goed voor staat om opnieuw een keuze te maken over de wijze van (financiële) samenwerking.

* Zoals beschreven op pagina 5 wordt de term ‘op- en afbouwplan’ gebruikt in dit rapport, maar gaat het in de praktijk voor een groot deel om een opgave rondom de spreiding en ombouw van voorzieningen.

3. Uitwerking voorkeursscenario

Voorkeursscenario: bijbehorende afspraken en beslissingen Het scenario waarin er wordt gewerkt met een subregionaal budget heeft de voorkeur van de gemeenten in de Leidse Regio. Dit scenario kent echter nog een aantal aanvullende beslissingen en afspraken. Onderstaand geven we een kort overzicht van de verschillende punten waarover een beslissing moet worden genomen of een aanvullende afspraak over moet worden gemaakt. Beslispunten

Aanvullende afspraken

Beheerder subregionaal budget

Preventie

Periode subregionaal budget

Uitstroommogelijkheden

Scope subregionaal budget

Op- en afbouw

Subregionale reserve

Monitoring

Verdeling van tekorten / overschotten

17

Op de volgende pagina’s gaan we hier verder op in. Hierbij beschrijven we eerst kort waar het beslispunt of de aanvullende afspraak over gaat, en geven dan een (aantal) mogelijke optie(s) hiervoor.

3. Uitwerking voorkeursscenario

Voorkeursscenario: bijbehorende beslissingen

Beheerder subregionaal budget Het subregionaal budget ontstaat doordat de budgetten van alle gemeenten in de Leidse Regio samen worden gebracht in één budget. Hiervoor dient één van de vijf gemeenten verantwoordelijk te zijn. Vanuit haar huidige functie als centrumgemeente ligt de gemeente Leiden hiervoor voor de hand, maar er kan ook worden besloten om een andere gemeente deze functie te laten vervullen. Het is van belang om aan te geven dat er bij de functie van beheerder ook een transparante planning & control cyclus hoort, waarbij er verantwoording wordt afgelegd richting de andere gemeenten, bijvoorbeeld via periodieke voortgangsrapportages. Beslispunt: welke gemeente beheert het subregionale budget voor beschermd wonen en maatschappelijke zorg in de Leidse Regio? Opties: Eén van de vijf gemeenten, maar gemeente Leiden ligt het meest voor de hand.

18

Periode subregionaal budget Er moet worden besloten hoe lang er (in ieder geval) met een subregionaal budget wordt gewerkt. Na deze periode kan opnieuw worden bezien of deze manier van samenwerken de voorkeur geniet. Er kan worden gekozen voor een collegeperiode, zodat de volgende colleges nieuwe keuzes kunnen maken. Een andere optie is een periode die past bij de inhoudelijke transformatie (de op- en afbouw). In dat geval ligt het voor de hand om aan te sluiten bij het ingroeipad dat samenhangt met de uitstroom van bestaande cliënten, en dus de overgang van historisch budget / objectief budget. Beslispunt: voor welke periode wordt het subregionale budget in eerste instantie gehanteerd? Opties: een eerste mogelijkheid is vier jaar (een collegeperiode). Het alternatief is aansluiten bij de verwachte periode van uitstroom van bestaande cliënten, omdat hierna ook het op- en afbouwplan voltooid zou moeten zijn. Dit hangt samen met het landelijke ingroeipad van historische naar objectieve middelen, dat in totaal zes jaar duurt. Een laatste optie is om de totale lengte van het landelijke ingroeipad aan te houden, wat 10 jaar behelst.

3. Uitwerking voorkeursscenario

Voorkeursscenario: bijbehorende beslissingen

Scope subregionaal budget Er moet worden besloten wat er precies wordt bedoeld met een subregionaal budget: welke middelen worden hiervoor bijeen gebracht, en welke kosten worden hier wel / niet uit betaalt. Voor de middelen ligt het voor de hand om alle budgetten (historisch en objectief) voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang samen te leggen. Mogelijke kosten die hieruit bekostigd kunnen worden zijn als volgt: ▹ Zorgkosten BW en MO (de directe zorgkosten bij aanbieders) ▹ Kosten voor het verlenen van toegang ▹ Kosten voor vormen van beschermd wonen / beschermd thuis die via subsidie worden ingekocht.* ▹ Kosten voor het vormgeven van preventie (zie pagina 21) ▹ Kosten voor het realiseren van uitstroommogelijkheden** (zie pagina 22) ▹ Frictiekosten bij het op- en afbouwen van voorzieningen (zie pagina 23) ▹ Kosten voor inzet en ondersteuning van (sub)regionale samenwerking. 19

* Zie hiervoor ‘Notitie subsidies maatschappelijke zorg Leidse Regio 2023‘ ** Hierbij gaat het voornamelijk om de kosten voor de benodigde beleidscapaciteit.

Beslispunt: uit welke budgetten bestaat het subregionale budget, en welke kosten worden hier wel / niet uit betaald? Opties: alle historische en objectieve budgetten BW en MO van de vijf gemeenten in de Leidse Regio vormen het subregionale budget. Hieruit kunnen alle kosten worden betaald die samenhangen met de uitvoering van BW en MO, zoals hierboven weergegeven. Indien er wordt besloten om bepaalde kosten niet vanuit de subregionale middelen te dekken, dan dienen gemeenten hier een deel van het budget voor de behouden. Dit zal echter altijd in meer of mindere mate een arbitraire opsplitsing zijn. Het is in ieder geval aan te raden om vormen van beschermd thuis (getransformeerde, minder intensieve vormen van beschermd wonen) ook uit het subregionale budget te bekostigen. Als dit niet wordt gedaan, moeten gemeenten deze vormen uit hun lokale Wmo-budget bekostigen, wat een prikkel geeft om beschermd wonen zo min mogelijk te transformeren tot beschermd thuis. Daarnaast zijn de landelijke budgetten gebaseerd op historische aantallen cliënten uit een periode dat er alleen beschermd wonen bestond. Hierdoor bevatten deze dus ook de middelen voor getransformeerde vormen.

3. Uitwerking voorkeursscenario

Voorkeursscenario: bijbehorende beslissingen

Subregionale reserve De jaarlijkse kosten zullen naar alle waarschijnlijkheid niet perfect aansluiten op de beschikbare middelen vanuit het subregionale budget. Eventuele overschotten kunnen in een subregionale reserve worden ondergebracht, en eventuele tekorten kunnen daaruit worden opgevangen. Naast de vraag of er een subregionale reserve moet komen, moet ook worden besloten of deze reserve een maximum heeft. Beslispunt: wordt er een subregionale reserve gehanteerd en zo ja, hoe wordt deze reserve gevuld? Opties: als er wordt gekozen voor een subregionale reserve dan kan worden besloten om het maximum in te stellen op een vast bedrag of een percentage van de totale subregionale middelen op jaarbasis (bijvoorbeeld 10%).

20

Verdeling van tekorten / overschotten Er moet worden afgesproken hoe eventuele tekorten of overschotten op de subregionale middelen worden verdeeld.* Daarnaast dient ook te worden besloten hoe wordt omgegaan met middelen die over zijn na afloop van de periode waarin het subregionale budget wordt gehanteerd. Beslispunt: hoe worden tekorten / overschotten op het subregionale budget verdeeld? Opties: er kan worden gekozen voor een verdeling naar rato van de ingebrachte middelen per gemeente. Voor jaarlijkse tekorten / overschotten kan worden gekeken naar de historische en objectieve middelen van dat jaar. Voor middelen die over zijn na afloop van de periode waarin het subregionale budget wordt gehanteerd, kan worden gewerkt met de verdeling van het totaal van ingebrachte middelen per gemeente over de gehele periode. Een alternatief voor de verhouding van ingebrachte middelen is om te kijken naar het aantal cliënten per gemeente van herkomst.

* Als er voor een subregionale reserve wordt gekozen, dan gaat het hier om overschotten / tekorten die ontstaan nadat middelen van / naar de reserve zijn overgeheveld.

3. Uitwerking voorkeursscenario

Voorkeursscenario: aanvullende afspraken

Preventie Door het hanteren van een subregionaal budget hebben gemeenten een verminderde financiële prikkel om preventie vorm te geven. Omdat het echter wel belangrijk is om te voorkomen dat inwoners maatschappelijke opvang of zorg vanuit beschermd wonen nodig hebben, ligt het voor de hand dat hier aanvullende afspraken over worden gemaakt. Met een subregionaal budget kan preventie op twee manieren worden vormgegeven: 1. De subregio als geheel draagt zorg voor preventie. In dit geval dient er te worden afgesproken welke werkzaamheden er in de gehele subregio worden uitgevoerd, en welk budget daarvoor beschikbaar is. Een mogelijkheid is om hiervoor structureel een bepaald percentage van het totale budget beschikbaar te stellen. 2. Elke gemeente draagt individueel zorg voor preventie. Omdat een bepaalde vorm van preventie mogelijk een andere impact heeft in verschillende gemeenten, kan er ook voor worden gekozen om elke

21

gemeente zelf zorg te laten dragen voor het vormgeven van preventie. In dit geval moet er worden afgesproken welk deel van het budget elke gemeente krijgt. Hierbij ligt het minder voor de hand om dit naar rato van het aantal cliënten te doen, omdat dan gemeenten met een succesvol preventiebeleid minder middelen zullen krijgen voor de toekomstige uitvoering van dat beleid. Een mogelijkheid is om dit te verdelen naar rato van de middelen die elke gemeente individueel zou ontvangen vanuit het Rijk. Verder dient te worden afgesproken óf, en zo ja hoe, er verantwoording plaats moet vinden over de besteding van de middelen voor preventie. Omdat het effect van verschillende vormen van preventie vaak onduidelijk is, is het verstandig om ervaringen over welke vormen wel en niet lijkten te werken met elkaar te delen, ook als er verder geen verantwoording plaatsvindt.

3. Uitwerking voorkeursscenario

Voorkeursscenario: aanvullende afspraken

Uitstroommogelijkheden Door het hanteren van een subregionaal budget hebben gemeenten een verminderde financiële prikkel om te zorgen voor voldoende mogelijkheden voor uitstroom. Als er te weinig uitstroommogelijkheden zijn, zullen cliënten langer dan nodig in (te zware) vormen van zorg blijven, wat voor hogere subregionale kosten zorgt. Hierdoor is het van belang dat er aanvullende afspraken worden gemaakt over het realiseren van uitstroommogelijkheden. Het raakvlak met andere domeinen (bijvoorbeeld het woonbeleid), maakt dat het realiseren van uitstroommogelijkheden lastiger is dan het vormgeven van preventie. Ook in dit geval dient er afgesproken te worden of hier een deel van het subregionale budget voor ingezet wordt. Inhoudelijk moeten er afspraken gemaakt worden over de hoeveelheid uitstroommogelijkheden die elke gemeente dient te realiseren. In haar oorspronkelijk beoogde afspraken maakte de Leidse Regio hierin onderscheid tussen MO en BW. Voor MO zou de gemeente van herkomst verantwoordelijk worden voor de uitstroom. Voor BW zou er een afwegingsmoment plaatsvinden gedurende het traject waarbij wordt besproken welke gemeente 22

de beste kansen biedt voor de cliënt. Deze werkwijze kan ook hier worden gebruikt om gezamenlijk te bepalen hoeveel uitstroommogelijkheden elke gemeente dient te realiseren. Een andere optie is bijvoorbeeld om een percentage af te spreken van alle beschikbare sociale huurwoningen dat als uitstroommogelijkheid moet worden aangewezen. Omdat het realiseren van uitstroommogelijkheden alleen kan in samenspraak met corporaties, en dit voor de vijf gemeenten grotendeels dezelfde corporaties zijn, is het aan te raden om hier samen in op te trekken. Ten slotte dient er afgesproken te worden wat er gedaan wordt in het geval dat een gemeente de voorgenomen uitstroommogelijkheden niet kan realiseren. Er kan in zo’n geval vanuit de subregio periodiek worden gevraagd om een update omtrent de stand van zaken, of een verantwoording over de besteding van eventuele middelen. Een meer verstrekkende afspraak zou kunnen zijn om beschikbaar gesteld budget hiervoor terug te vorderen. Dit maakt het echter ook in toekomstige jaren lastiger voor de betreffende gemeente om de voorgenomen uitstroommogelijkheden te realiseren.

3. Uitwerking voorkeursscenario

Voorkeursscenario: aanvullende afspraken

Op- en afbouw Eén van de belangrijkste redenen voor het hanteren van een subregionaal budget is de scheiding tussen de financiële transformatie en de op- en afbouwopgave die er ligt. Omdat er echter geen financiële prikkel is voor gemeenten om op te bouwen, dienen hier aanvullende afspraken over te worden gemaakt. De eerste stap hierin is dat men het eens moet zijn over de aantallen voorzieningen die moeten worden op- en afgebouwd. In een eerdere rapportage is de op- en afbouwopgave op subregionaal niveau in beeld gebracht. Het volgende hoofdstuk bevat de vertaling van dit op- en afbouwplan voor Holland-Rijnland naar de op- en afbouwopgave voor de gemeenten in de Leidse Regio. Naar aanleiding van het uiteindelijke op- en afbouwplan moet er ook worden afgesproken welke middelen hiervoor beschikbaar komen. Elke gemeente zou jaarlijks een vast percentage van het budget kunnen ontvangen, maar er kan bijvoorbeeld ook op planbasis worden gefinancierd. Het is in ieder geval van belang dat gemeenten geen of nauwelijks risico lopen bij het realiseren van 23

opbouwvoorzieningen. Dit zou bijvoorbeeld eerder pleiten voor een bedrag op basis van werkelijk gemaakte kosten, in plaats van een vast bedrag per te realiseren voorziening. Als er een gezamelijk op- en afbouwplan is afgesproken, is het zaak om te zorgen dat dit ook volgens planning wordt uitgevoerd. Hiervoor moeten er afspraken worden gemaakt over de frequentie waarmee men de voortgang bespreekt en over eventuele maatregelen of hulpmiddelen voor gemeenten die achter blijven bij het op- en afbouwplan. Een mogelijke afspraak is om de inhoudelijk betrokken medewerkers van de vijf gemeenten elk kwartaal bijeen te laten komen om de voortgang te bespreken. Dit kan vervolgens eens per half jaar of eens per jaar ook door de bestuurders onderling worden besproken. Als blijkt dat een gemeente achter ligt op het beoogde schema, kan er eerst worden besproken wat deze gemeente nodig heeft om haar opgave alsnog te kunnen realiseren. Ten slotte kan worden afgesproken dat als de opbouw structureel achter loopt, de betreffende gemeente een kleiner deel krijgt van een eventueel subregionaal overschot, of een groter deel bij moet dragen aan een eventueel tekort.

3. Uitwerking voorkeursscenario

Voorkeursscenario: aanvullende afspraken

Monitoring Het is de bedoeling dat de Leidse Regio na de periode waarin een subregionaal budget wordt gehanteerd een goede uitgangspositie heeft om eventueel te kunnen kiezen voor een andere vorm van samenwerking. Hiervoor is een goede monitoring cruciaal. Er dient (per gemeente van herkomst) goed zicht te zijn op de precieze aantallen cliënten, de instroom en de uitstroom, de gemiddelde doorlooptijd, en de prijs per traject. Op basis daarvan kan er op een gegeven moment inzichtelijk worden gemaakt welke kosten welke gemeente zou hebben gemaakt als er geen subregionaal budget was gehanteerd. Door dit te vergelijken met de beschikbare middelen krijgt elke gemeente inzicht in de mate waarin deze middelen dekken zijn, Er moet af worden gesproken wie verantwoordelijk is voor deze monitoring, en hoe deze beschikbaar wordt gemaakt voor de andere gemeenten. Verder moeten er afspraken worden gemaakt over de monitoring van zowel de op- en afbouwopgave alsook de realisatie van mogelijkheden voor uitstroom. Ook hiervoor moet worden afgesproken welke gemeente 24

verantwoordelijk is, en hoe hier over wordt gecommuniceerd richting de andere gemeenten. Ook voor vormen van preventie kan worden afgesproken dat er monitoring plaatsvindt. Als alle gemeenten zelf verantwoordelijk worden voor preventie, dan moet er worden afgesproken hoe de verschillende inzichten samen worden gebracht op één plek, en hoe er wordt gezorgd dat ze goed op elkaar aansluiten. De monitoring van de dynamiek van cliënten kan vooral ook gebruikt worden om bepaalde verschillen tussen gemeenten te duiden. Als blijkt dat het aantal cliënten in een bepaalde gemeente bijvoorbeeld structureel daalt, kan bijvoorbeeld worden onderzocht of dit te maken heeft met een vorm van preventie van die gemeente. Als dit het geval blijkt te zijn, dan kunnen andere gemeenten overwegen om deze vorm van preventie ook te hanteren. Op deze manier wordt de monitoring ook gedurende de periode van het subregionaal budget gebruikt om van elkaar te leren. Om dubbel werk te voorkomen, is het aan te raden om te zorgen dat de monitoring aansluit bij de regionale monitoring. Zo kunnen ervaringen en resultaten vanuit de regio worden gebruikt in de subregio en andersom.

Inhoudsopgave

1. Introductie

p. 5

2. Alternatieve scenario’s

p. 9

3. Uitwerking voorkeursscenario

p. 16

4. Op- en afbouwplan Leidse Regio

p. 26

Bijlagen A. Regionale en subregionale afspraken 25

p. 33

4. Op- en afbouwopgave Leidse Regio

Op- en afbouwopgave Holland Rijnland

Onlangs is de rapportage over het op- en afbouwplan van de maatschappelijke zorg in Holland Rijnland gepubliceerd. Op deze pagina beschrijven we kort de belangrijkste conclusies uit dit rapport. Daarna gaan we verder in op de vertaling van dit rapport naar een subregionaal op- en afbouwplan.

▹ ASS: cliënten met een autismespectrumstoornis.

Regionaal op- en afbouwplan maatschappelijke zorg Op- en afbouw is nodig zodat voorzieningen verspreid zijn over alle gemeenten in Holland Rijnland, en maatschappelijke zorg zo dicht bij de inwoner als mogelijk kan worden geleverd. In het eerdere onderzoek zijn BW en MO onderverdeeld in een aantal verschillende doelgroepen, voor BW zijn dit:

▹ Jongeren: cliënten tussen 18 en 27 jaar.

▹ MO: cliënten die vanuit MO in BW stromen. Dit gaat dus niet om MO zelf. ▹ LVB: cliënten met een licht verstandelijke beperking.

▹ PL: cliënten die instromen vanuit een behandelplek (‘psychiatrie langdurig’). ▹ JP: cliënten die vanuit de jeugdwet instromen.

26

Voor MO worden de volgende doelgroepen onderscheiden ▹ Alleenstaanden: cliënten zonder partner of familie.

▹ Gezinnen: cliënten die met een gezin MO instromen. Het opgestelde op- en afbouwplan maakt inschattingen van het aantal cliënten en het aantal plekken. Het verschil tussen beiden bepaalt de toe- of afname van de wachtlijst. Het is belangrijk om te benadrukken dat het om inschattingen gaat die zijn gedaan op basis van de gegevens die momenteel beschikbaar zijn. Het op- en afbouwplan moet flexibel worden benaderd, continu worden herijkt en waar nodig worden aangepast. Op de volgende pagina beschrijven we kort hoe het model werkt dat heeft geleid tot het op- en afbouwplan, om vervolgens de uitkomsten voor de Leidse Regio weer te geven.

4. Op- en afbouwopgave Leidse Regio

Op- en afbouwopgave Holland Rijnland

Het op- en afbouwmodel gebruikt een aantal parameters. De belangrijkste hiervan zijn het verwachte aantal benodigde plekken, het verwachte aantal aanmeldingen en het aantal bestaande plekken. Aantal benodigde plekken Het aantal benodigde plekken voor BW is bepaald aan de hand van het objectieve verdeelmodel. Hiervoor is het totale budget gedeeld door de (gemiddelde) prijs per plek. De verdeling van inkomsten uit het objectieve model over de subregio’s is gehanteerd als verdeling van het aantal benodigde plekken.*

Huidig aantal plekken Om de op- en afbouwopgave te kunnen bepalen is ook een overzicht van het huidige aantal plekken nodig. Hiervoor is gebruikt gemaakt van een eerdere inventarisatie door de regio, aangevuld met recente ontwikkelingen door de subregio’s. In het eerdere onderzoek hebben de subregio’s deze plekken zelf onderverdeeld naar de doelgroep waarvoor deze bestemd zijn.

Verwacht aantal aanmeldingen Het aantal inwoners dat zich naar verwachting ieder jaar meldt voor BW is berekend door het aantal benodigde plekken te delen door de gemiddelde trajectduur. De gemiddelde trajectduur voor BW komt op basis van uitstroom in het verleden uit op 3,3 jaar. Voor MO is het verwachte aantal aanmeldingen voor elk jaar gelijk gehouden aan het aantal ingestroomde cliënten in 2021.

27

* Hierbij is rekening gehouden met het feit dat een deel van het budget wordt gebruikt voor regionaal ingekochte plekken.

4. Op- en afbouwopgave Leidse Regio

Totale op- en afbouwopgave Leidse Regio

Op deze pagina vatten we de cijfermatige conclusies voor de Leidse Regio vanuit het eerdere onderzoek naar de op- en afbouwopgave samen. Aantal plekken BW In onderstaande tabel is voor 2023 (huidige situatie) en 2032 weergegeven hoeveel BW-plekken voor elke doelgroep er in de Leidse Regio (zouden moeten) zijn. Op de laatste regel is het verschil weergegeven, wat de op- en afbouwopgave voor de subregio behelst. MO

LVB

PL

JP

ASS

Totaal

2023

25

22

25

24

91

187

2032

26

26

36

13

92

193

Verschil

+1

+4

+11

-11

+1

+6

Uit dit overzicht blijkt dat de Leidse Regio als geheel een lichte opbouwopgave heeft voor BW over de periode tot 2032. Belangrijker is echter de ombouwopgave van (voornamelijk) plekken voor cliënten vanuit de jeugdzorg naar plekken voor cliënten die instromen vanuit een behandelplek.

28

Aantal plekken MO In onderstaande tabel is eenzelfde overzicht weergegeven voor de verschillende doelgroepen binnen MO. Hierbij is de huidige situatie echter die van 2021. Alleenstaanden

Jongeren

Gezinnen

Totaal

2021

62

15

12

89

2032

44

10

11

66

Verschil

-18

-5

-1

-23

Uit dit overzicht blijkt dat er voor de Leidse Regio als geheel een afbouwopgave bestaat, waarbij er voornamelijk plekken voor alleenstaanden moeten worden afgebouwd.

4. Op- en afbouwopgave Leidse Regio

Vertaling naar theoretische op- en afbouwopgave per gemeente Een eerste stap om te komen tot een subregionaal op- en afbouwplan is de directe vertaling van het regionale op- en afbouwplan naar de individuele gemeenten in de Leidse Regio. Hiervoor is hetzelfde model gebruikt, maar zijn de parameters per gemeente ingevoerd, in plaats van per subregio. Aantal plekken BW In de tabel rechts is voor 2023 (huidige situatie) en 2032 weergegeven hoeveel BW-plekken er per gemeente (zouden moeten) zijn. Omdat het om relatief kleine aantallen gaat, is ervoor gekozen om geen uitsplitsing te maken naar de verschillende doelgroepen. Voor dit overzicht zijn de gegevens gebruikt uit juli 2022. Doordat dit een net iets andere bron is dan eerder voor het subregionale op- en afbouwplan is gebruikt, wijkt het totaal aantal plekken in 2023 iets af. In het subregionale op- en afbouwplan betrof het 187 plekken, terwijl er met deze huidige gegevens uit wordt gegaan van 190 plekken voor BW in de Leidse regio. Het totaal voor 2032 wijkt licht af van het getal in de het eerdere subregionale op- en afbouwplan door afrondingen in de onderliggende cijfers.

29

Gemeente

2023

2032

Verschil

Leiden

151

127

-24

Leiderdorp

23

18

-5

Oegstgeest

15

22

+7

Voorschoten

1

17

+16

Zoeterwoude

0

7

+7

Totaal

190

191

+1

Het is belangrijk om hierbij op te merken dat de op- en afbouwopgave richting 2032 ook al de verwachte groei van het aantal cliënten over deze periode bevat.

4. Op- en afbouwopgave Leidse Regio

Vertaling naar theoretische op- en afbouwopgave per gemeente Aantal plekken MO In onderstaande tabel is eenzelfde overzicht weergegeven voor de op- en afbouwopgave voor MO. Ook hierbij is de verwachte groei van het aantal cliënten over de weergegeven periode al meegenomen in de op- en afbouwopgave. Net als voor BW is ook voor MO de keuze gemaakt om geen verdere uitsplitsing naar doelgroepen weer te geven.

30

Gemeente

2021

2032

Verschil

Leiden

75

56

-19

Leiderdorp

7

3

-4

Oegstgeest

1

2

+1

Voorschoten

6

3

-3

Zoeterwoude

0

1

+1

Totaal

89

65

-24

Voor de situatie in 2021 waren de gegevens die voor het subregionale op- en afbouwplan zijn gebruikt ook beschikbaar op gemeentelijk niveau. Hierdoor komt het totaal in de tabel rechts exact overeen met het eerdere subregionale aantal. Voor 2032 bestaat er een lichte afwijking. Ook in dit geval komt dit door afrondingen in de subtotalen.

4. Op- en afbouwopgave Leidse Regio

Van een theoretisch model naar een realistisch op- en afbouwplan Op de twee vorige pagina’s is de directe vertaling van het regionale op- en afbouwplan naar een subregionaal plan weergegeven. Deze vertaling betreft echter een theoretisch model, en kan niet direct worden gebruikt als praktisch op- en afbouwmodel. Het theoretische model geeft echter wel een indicatie van de opgave waar elke gemeente voor staat. Aandachtspunten voor een op- en afbouwmodel Met het theoretische model als uitgangspunt is het van belang om als subregio een praktisch model op te stellen. Bij deze vertaling is het van belang om de volgende punten in ieder geval mee te nemen. ▹ Voor veel voorzieningen is een minimale omvang nodig. Het is dan ook aan te raden om met het op- en afbouwplan aan te sluiten bij deze omvang. ▹ De nabijheid van andere voorzieningen (zoals dagbesteding) is van belang bij het bepalen welke voorzieningen het beste in welke gemeenten gevestigd kunnen worden. ▹ Bestaande voorzieningen kunnen soms worden omgebouwd.

31

▹ Bij het maken van het op- en afbouwplan is het verstandig om rekening te houden met de doelgroep. Voorzieningen voor cliënten die gebaat zijn bij een prikkelarme omgeving kunnen bijvoorbeeld beter niet in het centrum van Leiden worden opgebouwd. ▹ Er kan rekening worden gehouden met de ervaring die inwoners hebben met bepaalde doelgroepen. Als inwoners van een gemeente momenteel gewend zijn aan een bepaalde groep cliënten, kan dit een reden zijn om voorzieningen voor deze doelgroep in deze gemeente te plaatsen. ▹ Het is belangrijk om bepaalde kansen te grijpen indien zij zich voordoen. Dit geldt bijvoorbeeld voor vastgoed dat (onverwacht) beschikbaar kan komen. Het succesvol uitvoeren van een op- en afbouwplan is een lastig proces. Het is dan ook randvoorwaardelijk om hierbij samen op te trekken met ambtenaren en bestuurders met de portefeuille ‘wonen’. Daarnaast is het ook ten zeerste aan te raden om aanbieders nauw te betrekken bij het opstellen van het open afbouwplan, aangezien zij inhoudelijke kennis hebben van de doelgroep en mogelijk ook zicht hebben op de (on)mogelijkheden.

Inhoudsopgave

1. Introductie

p. 5

2. Alternatieve scenario’s

p. 9

3. Uitwerking voorkeursscenario

p. 16

4. Op- en afbouwplan Leidse Regio

p. 26

Bijlagen A. Regionale en subregionale afspraken 32

p. 33

A. Regionale en subregionale afspraken

Bestaande afspraken in Holland-Rijnland

In het portefeuillehoudersoverleg (PHO) van 18 mei 2022 hebben bestuurders uitgesproken dat de subregio’s veel belang hechten aan het samen oppakken van de opgave rondom MZ. Regionaal is afgesproken dat het landelijke woonplaatsbeginsel binnen Holland Rijnland niet wordt gehanteerd. In plaats daarvan wordt er gewerkt met ‘open luiken’. Hierbij wordt aanbod ook opengesteld voor andere subregio’s / gemeenten. Het doel hiervan is dat inwoners die op een andere plek beter herstellen, daar ook terecht kunnen. We formuleren deze onderliggende afspraak als volgt. H0. Binnen Holland-Rijnland geldt het woonplaatsbeginsel dat landelijk voor BW ingevoerd zal worden niet. Gemeenten stellen hun aanbod ook open voor cliënten uit andere gemeenten. De gemeente waarin een cliënt in zorg gaat is (financieel en inhoudelijk) voor het zorgtraject, inclusief de uitstroom na afloop van het traject. Om dit mogelijk te maken, is het van belang dat elke subregio hier voldoende comfort bij ervaart. Dit kan in principe op twee manieren: via financiële beheersmaatregelen, of via inhoudelijke beheersmaatregelen. De voorkeur is uitgegaan naar inhoudelijke beheersmaatregelen. In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de afspraken die daarbij zijn gemaakt. 33

De drie onderwerpen waarover afspraken zijn gemaakt zijn: ▹ De gezamenlijke op- en afbouwopgave ▹ De locatie van zorg ▹ De huisvestingsopgave na uitstroom Daarnaast is aangegeven dat ook preventie een belangrijk thema is, waarop gezamenlijke inzet noodzakelijk is. Het delen van elkaars inzet en de uitwerking daarvan is van belang om van elkaar te leren, en beter aan te kunnen sluiten bij elkaars inzet. Op de volgende pagina’s zijn de gemaakte afspraken opgenomen, inclusief een aanvullende onderbouwing. Elke afspraak is genummerd, zodat hier in het vervolg naar verwezen kan worden.

A. Regionale en subregionale afspraken

Bestaande afspraken in Holland-Rijnland

De gezamenlijke op- en afbouwopgave Voor de continuïteit van zorg kan afbouw alleen gelijktijdig met (of na) opbouw plaatsvinden. Opbouw kan echter alleen wanneer de middelen beschikbaar zijn. Deze middelen komen landelijk pas beschikbaar als het objectieve model (stapsgewijs) wordt ingevoerd. De afspraken die men in Holland-Rijnland heeft gemaakt hierover zijn als volgt. ▹ H1. Subregio’s spreken een gezamenlijk op- en afbouwplan af, dat uitgaat van beschikbare middelen, en conformeren zich hieraan. Bij deze afspraak is een mogelijke concretisering opgenomen over hoe een dergelijk op- en afbouwplan tot stand kan komen. Belangrijk hierbij is het uitgangspunt dat mensen niet tijdens een traject hoeven te verhuizen. Er moeten ook afspraken worden gemaakt over frictiekosten die ontstaan doordat er (tijdelijk) dubbele voorzieningen bestaan. ▹ H2. Consequenties van afwijken van het plan (bijv. wachtlijsten) zijn voor de betreffende subregio. Gemeenten maken afspraken over een situatie waarin middelen niet tijdig meegroeien.

34

Als een inhoudelijk op- en afbouwplan niet aansluit bij de beschikbare middelen vanuit het Rijk, kan er regionaal eventueel worden afgesproken om middelen tussen subregio’s eerder / later over te hevelen. ▹ H3. Subregio’s maken afspraken over financiële compensatie indien op- en afbouw onverhoopt niet (tijdig) lukt. Een mogelijkheid hiervoor zou kunnen zijn om het deel van het budget dat correspondeert met de opbouw die niet (tijdig) is gerealiseerd, over te hevelen naar de subregio die de afbouw daardoor niet kan realiseren. Ten slotte is het van belang om aan te geven het regionaal niet hanteren van een woonplaatsbeginsel, betekent dat dit ook niet binnen een subregio kan. Met deze werkwijze staat het de subregio’s echter wel vrij om binnen de eigen subregio additionele financiële beheersmaatregelen af te spreken, zolang deze geen invloed hebben op de andere subregio’s en de zorgaanbieders. Een kostenverrekening binnen een subregio is dus wel mogelijk als een subregio dat wenselijk vindt.

A. Regionale en subregionale afspraken

Bestaande afspraken in Holland-Rijnland

De locatie van zorg vanuit het perspectief van de inwoner Het uitgangspunt is dat hulp zo lokaal mogelijk wordt geboden. Soms is het echter in het belang van een inwoner om op een andere plek in zorg te gaan. Het is belangrijk om zicht te hebben op wanneer deze situatie zich voor kan doen, en hoe men hiermee omgaat. De afspraken die men in Holland-Rijnland heeft gemaakt hierover zijn als volgt. ▹ H4. Plaatsing van een inwoner in een andere gemeente is alleen mogelijk als dit in het belang is van de inwoner. Gebrek aan plek (wachtlijst) is hier geen reden voor. Nuancering is dat opbouw (en de benodigde overheveling van middelen) volgens plan gebeurt. Het hebben van een wachtlijst kan op zichzelf nooit een reden zijn om een inwoner in een andere gemeente te plaatsen.

▹ H5. Gemeenten bepalen in overleg of een inwoner bij een andere gemeente in zorg kan gaan. Er worden afspraken gemaakt over een escalatieladder wanneer gemeenten er niet uitkomen. Inwoners krijgen altijd toegang vanuit de lokale toegang van de gemeente waarin de inwoner in zorg gaat.

35

Er is altijd contact tussen gemeenten bij plaatsing in een andere gemeente. Voor de onderwerpen die besproken moeten worden, kan teruggegrepen worden op de overlegbepaling die is uitgewerkt in de handreiking woonplaatsbeginsel. Veel van deze onderwerpen (zoals de beste plek voor herstel en de beoogde uitstroomgemeente) zijn namelijk ook nuttig in de context van deze regio. Daarnaast wordt een escalatieladder geregeld die in werking treedt wanneer gemeenten er niet uitkomen. ▹ H6. Subregio’s zetten zich ervoor in om de afwegingen in de toegang zo goed mogelijk te uniformeren over de regio. Het borgen van de uniformiteit van de afwegingen die door de lokale toegangen worden gemaakt kan verder geconcretiseerd worden d.m.v. gelijke toegangscriteria, of een gezamenlijk overleg (bijv. de plaatsingscommissie). De regionale toegang, voor specialistische voorzieningen, kan hier ook een rol in hebben.

A. Regionale en subregionale afspraken

Bestaande afspraken in Holland-Rijnland

De huisvestingsopgave na uitstroom De regionale contingentregeling wordt uitgebreid, maar biedt nog niet voldoende woningen. Ook is er een discrepantie tussen het type beschikbare woningen en de vraag. Er is een wens om dit regionaal op te pakken. De afspraken die men in Holland-Rijnland heeft gemaakt hierover zijn als volgt. ▹ H7. Gemeenten committeren zich om de woonopgave voor deze doelgroep inzichtelijk te maken (dit is reeds gebeurd). Regionale monitoring van de uitstroom is noodzakelijk. Er moet nog worden bezien waar dit wordt belegd. Een andere mogelijkheid is om subregionaal te monitoren, en de informatie vervolgens regionaal samen te brengen. ▹ H8. De woonopgave wordt geagendeerd in het PHO economie en leefomgeving. Vanwege de vele raakvlakken is het van belang om de huisvesting na uitstroom breder te bezien. ▹ H9. Gemeenten trekken samen op bij het realiseren van huisvesting voor deze doelgroep, en sluiten daarbij aan bij de afspraken rondom op- en afbouw.

36

De uitstroomopgave is gerelateerd aan de op- en afbouwopgave van de subregio’s, en moet in samenhang met het plan daarvoor worden bezien.

A. Regionale en subregionale afspraken

Beoogde afspraken in de Leidse Regio

In december 2021 heeft de Leidse Regio in een bestuurlijk overleg afspraken besproken over de inrichting van de (samenwerking rondom) MZ in de subregio. Hoewel deze afspraken uiteindelijk niet zijn bekrachtigd, geven we op de komende pagina’s een kort overzicht van de afspraken. Het algemene uitgangspunt van de afspraken is als volgt. Elke gemeente draagt zorg voor haar eigen inwoners en geeft de begeleiding zo lokaal mogelijk vorm. Tegelijkertijd bestaat de wens om goede zorg te leveren, en accepteert de Leidse Regio dat het niet realistisch is om te denken dat elke gemeente alle voorzieningen aan kan bieden. Op de komende pagina’s geven we een gedetailleerd overzicht van de afspraken die uit dit uitgangspunt voort zijn gekomen. Op een aantal punten zit hier verschil in tussen beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Ook deze afspraken zijn genummerd om er later gemakkelijker naar te kunnen verwijzen. In deze afspraken is onderscheid gemaakt tussen MO en BW, waarbij de afspraken rondom MO steeds links staan, en die voor BW rechts.

37

De volgende algemene afspraken kunnen worden gezien als samenvatting ▹ De gemeente van herkomst is verantwoordelijk voor, en neem beslissingen over, het hersteltraject. Deze gemeente van herkomst is ook drager van de kosten van het hersteltraject. ▹ Voor gevallen waarin de gemeente van herkomst niet bepaald kan worden, worden werkafspraken gemaakt Zowel in deze algemene afspraken, alsook in de gedetailleerdere afspraken op de volgende pagina’s, komt het begrip gemeente van herkomst voor. De definitie die hiervoor wordt gehanteerd is de volgende. De gemeente van herkomst van een betrokkene is de gemeente waar deze het jaar voorafgaand aan de melding hoofdzakelijk stond ingeschreven als ingezeten in de zin van de Basisregistratie Personen (BRP).

A. Regionale en subregionale afspraken

Beoogde afspraken in de Leidse Regio : financiële en inhoudelijke verantwoordelijkheid Afspraken Maatschappelijke Opvang

Afspraken Beschermd Wonen

▹ M1. Cliënten die 24-uurs zorg nodig hebben worden centraal opgevangen. De toegang en financiering hiervan is apart geregeld.

▹ B1. Inwoners verwijzen naar een BW-instelling in een andere gemeente kan om drie redenen: 1. het is beter voor het herstel van de cliënt om in een andere omgeving in zorg te gaan. 2. De benodigde voorzieningen zijn nog niet in voldoende mate opgebouwd in de gemeente of 3. de gemeente beschikt niet (en gaat ook niet beschikken) over de benodigde voorzieningen voor de zorgvraag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=8d7cbdd9-0405-4ffb-ad2f-dc7aeadcf272