Bijl. 3 Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104.pdf
Tekst van het document
Er wordt in het kader van het initiatief geen oppervlaktewater gedempt, dit wordt geborgd in de overeenkomst met de bewoners. In de bestaande situatie is het perceel voor een groot deel verhard. Zo is er in de bestaande situatie 815 m2 verharding aanwezig (550m2 aan gebouwen en 265m2 aan overig verhard oppervlak). In de nieuwe situatie wordt er 341 m2 bebouwd en wordt er 435 m2 aan overige verhard oppervlak (774m2 totaal) gerealiseerd. Het initiatief is afgestemd met het waterschap. In deze correspondentie is geconcludeerd dat de toename van de verharding onder de 500m2 blijft. Compenserende maatregelen zijn daarmee niet nodig. (Beschermingszones) waterkeringen Het projectgebied is gelegen binnen de buitenbeschermingszone van een direct ten oosten van het projectgebied gelegen waterkering. Raadpleging van de keur van het waterschap leert dat het er vanuit de keur geen beperkingen, dan wel voorwaarden, gelden in relatie tot het initiatief. Het waterschap heeft op 16 maart 2018 vergunning verleend voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen de beschermingszone van de waterkering ten behoeve van de realisatie van het initiatief. Na verlening van de vergunning door het waterschap is overigens het bouwplan aangepast , waardoor de funderingswerkzaamheden (dit zijn de relevante werkzaamheden in relatie tot de waterkering) buiten de beschermingszone vallen.
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 27
Afbeelding: uitsnede van de legger regionale waterkeringen van het waterschap ter plaatse van de projectlocatie.
Waterkwaliteit De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Het hemelwater wordt afgekoppeld. Er worden geen uitlogende materialen toegepast. Het initiatief leidt daarmee niet tot negatieve effecten op de waterkwaliteit. Conclusie Het initiatief is in relatie tot het aspect water uitvoerbaar. 4.2
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in geval van ruimtelijke ontwikkelingen aan te worden getoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. In het algemeen geldt dat verontreiniging van de bodem (grond en grondwater) moet worden voorkomen. Uitgangspunt is dat de bodem schoon is en dat dat zo moet blijven (zorgplicht). Voor vervuilde bodems geldt dat deze functiegericht en kostenefficiënt gesaneerd moeten worden. Voorwaarde is dat hierbij geen verspreiding van of ontoelaatbare blootstelling aan verontreiniging optreedt. De Wet bodembescherming geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor de stof geldende streefwaarde overschrijdt. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat heeft betrekking op de realisatie van vijf woningen ter plaatse van het perceel aan de Leidseweg 104. Het initiatief gaat gepaard met relevante bodemactiviteiten en tevens wordt een verblijfsfunctie gerealiseerd, waarbij dezelfde mensen gedurende een langere periode minstens 2 uur per dag op de betreffende gronden verblijven. De nieuwe functie is daarmee in verhouding tot het voormalige gebruik gevoeliger. Onderzocht dient te worden of de bodemkwaliteit toereikend is voor de voorziene functie.
Daartoe is door onderzoeksbureau Lingemilieu BV een verkennend bodemonderzoek NEN5740 (d.d. september 2017), inclusief een indicatief asbestonderzoek van de licht puinhoudende bovengrond van de locatie uitgevoerd.
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 28
Uit het onderzoek blijkt dat de licht puinhoudende en zandige bovengrond van het terrein aan de Leidseweg licht verontreinigd is met enkele metalen, olie en PAK. Voor koper en lood worden in het mengmonster van de licht puin- en koolhoudende grond van de boringen 6 en 7 de tussenen interventiewaarde overschreden. Naar aanleiding van de verhogingen zijn op 8 september vier aanvullende boringen gezet, rond boring 7. In de bovengrond van de vier aanvullende boringen aan de achterzijde van de schuur, rond boring 7, wordt de interventiewaarde niet overschreden. De ondergrond van 0.5 tot 0.9 m-mv ter plaatse van boring 7 zelf is licht verontreinigd met lood. De matige en sterke verhogingen beperken zich dus tot de bovengrond, zo wordt in het onderzoek gesteld. Geconcludeerd wordt dat het volume aan sterk verontreinigde grond geschat wordt op een enkele kuub, de directe omgeving van boring 7. Er is daarmee geen sprake van een Ernstig Geval van bodemverontreiniging. Het criterium daarvoor is ten minste 25 m³ sterk verontreinigde grond. Uit het onderzoek blijkt tevens dat de bovengrond rond de opstallen aan de Leidseweg 104 niet verontreinigd is met asbest. Het grondwater kan als schoon worden beschouwd; alleen voor barium wordt de streefwaarde overschreden. Dit metaal wordt landelijk verhoogd aangetroffen.
Gesteld wordt dat, aangezien boring 7 binnen de contour van de nieuwe woningen ligt en deze grond daarmee ontgraven zal worden, ontgraving onder saneringscondities noodzakelijk is. In opdracht van initiatiefnemer is daartoe door Lingemilieu een Plan van Aanpak (d.d. 6 maart 2020) opgesteld. Uit dit plan van aanpak blijkt dat de verontreiniging gesaneerd kan worden teneinde te komen tot een bodemkwaliteit die voldoet aan het wonen-criterium. De kosten van deze sanering worden als post binnen de projectbegroting opgenomen. Conclusie Het initiatief is daarmee in relatie tot het aspect bodem uitvoerbaar.
4.3
Flora en fauna
Op basis van wetgeving is bepaald dat ruimtelijke initiatieven geen (onevenredige) nadelige effecten mogen hebben op eventueel voorkomende beschermde flora en fauna. De bescherming van ecologische waarden en van planten- en diersoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 29
soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In de verordening van de provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Aardmuis, Gewone bosspitsmuis, Ree, Bastaardkikker, Gewone pad, Rosse woelmuis, Bosmuis, Haas, Veldmuis, Bruine kikker , Hermelijn, Vos, Bunzing, Huisspitsmuis, Wezel, Dwergmuis, Kleine watersalamander, Woelrat, Dwergspitsmuis, Konijn, Egel, Meerkikker. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat betreft de herstructurering van een voormalig agrarisch perceel, waarbij de bestaande voormalige bedrijfsopstallen worden gesaneerd en ter plaatse vijf nieuwe woningen worden opgericht. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting om onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Daartoe is door onderzoeksbureau Blom ecologie een ecologische quickscan (d.d.
28 juli 2017) uitgevoerd waarbij de (potentiele) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het projectgebied voor deze soorten in kaart is gebracht. Met het onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het ruimtelijk plan dat wordt opgesteld voor het project, zoals hiervoor omschreven, uitvoerbaar zoals het bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland? Het onderzoek is opgebouwd uit een veldbezoek (uitgevoerd 11 juli 2017) en raadpleging van externe bronnen. Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Er is onderzoek gedaan naar vaatplanten, zoogdieren, vleermuizen, amfibieën , reptielen, vissen, insecten, libellen, ongewervelde en vogels.
Met het onderzoek wordt gesteld dat ter plaatse van het projectgebied of de directe omgeving daarvan mogelijk beschermde flora en fauna van de Wet natuurbescherming voorkomen. Vleermuizen gebruiken het terrein mogelijk als foerageerbied en/of tijdens migratie. Indien de ontwikkelingen leiden tot kap van grote bomen dient voorafgaand aan de kap de boom
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 30
geïnspecteerd te worden op mogelijke aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen en de aanwezigheid van nesten van algemene broedvogels. De locatie maakt voorts mogelijk onderdeel uit van het leefgebied van algemene amfibieën, zoogdieren, (broed)vogels, insecten, libellen en ongewervelden. Potentiële nestlocaties van algemene broedvogels kunnen aanwezig zijn binnen de invloedsfeer van de beoogde ontwikkelingen. Om negatieve effecten op potentieel aanwezige broedvogels te voorkomen dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen om te worden opgestart. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de afstand tot gebieden is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. In het kader van de uitvoerbaarheid wordt in het onderzoek gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde gebieden. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden, mits de gegeven aanbevelingen in acht worden genomen. Zo dient tijdens de werkzaamheden rekening te worden gehouden met foeragerende en passerende vleermuizen. De werkzaamheden dienen opgestart te worden na het broedseizoen om verstoring van broedvogels tijdens het broedseizoen te vooromen.
De aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit). Als te treffen maatregelen zijn in het onderzoek voorgesteld: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodem bewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
• De werkzaamheden uitsluiten tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera. Aanvullend op de quickscan ecologie is door onderzoeksbureau Els & Linde een voortoets uitgevoerd om aan te geven welke effecten het initiatief gedurende de bouwfase en de
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 31
gebruiksfase heeft op de stikstofuitstoot en of dit tot significant negatieve effecten op beschermde gebieden leidt. Uit de voortoets (d.d. 14 februari 2020) blijkt dat er zowel tijdens de bouwfase als de gebruiksfase geen sprake is van een verhoging van de depositie op de beschouwde en relevante Natura 2000-gebieden (Meijendel & Berkheide op circa 5,0 km afstand en De Wilck op circa 5,7 km afstand). Negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. Conclusie De te treffen maatregelen, zoals voorgesteld in de quickscan ecologie, worden doorgevoerd. Het initiatief is daarmee in relatie tot de aspecten flora en fauna uitvoerbaar. 4.4
Cultuurhistorie en archeologie
Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Ten aanzien van het ruimtelijk domein regelt deze wet de omgang met rijksbeschermde gebouwde en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. De Erfgoedwet werkt door in de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (2009) (MoMo) Het doel van de MoMo is het doorvoeren van veranderingen in de monumentenzorg. Bij de uitwerking heeft de Minister zich op drie pijlers gericht. Eén van de pijlers uit de Modernisering Monumentenzorg van het Rijk is het opnemen van cultuurhistorische waarden in de ruimtelijke ordening. Deze wijziging is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Wro/Bro In het Bro wordt het bestemmingsplan genoemd als instrument waarin cultuurhistorische waarden kunnen worden verankerd. Het Bro is een uitwerkingsbesluit van de Wro. Dit besluit verplicht gemeenten om in de toelichting bij een ruimtelijk plan te beschrijven op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden (Artikel 3.1.6, lid 5).
Belangrijk daarbij is dat het cultuurhistorische belang uitdrukkelijk als afwegingsgrond in het ruimtelijk plan moet worden genoemd, omdat anders een juridische grond voor toetsing op basis van dit beleidsterrein ontbreekt. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat betreft de herstructurering van een voormalig agrarisch perceel, waarbij de bestaande voormalige bedrijfsopstallen worden gesaneerd en ter plaatse vijf nieuwe woningen worden opgericht.
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 32
Archeologie Ingevolge het bepaalde in het vigerende bestemmingsplan geldt ter plaatse van het projectgebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch gebiedstype 5'. Deze aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. Met deze bestemming is gesteld dat bij de bouw van bouwwerken groter dan 30 vierkante meter en bij bodemingrepen dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld nader onderzoek vereist is waarbij de archeologische waarde wordt vastgesteld en waaruit blijkt dat het behoud van eventueel aanwezige waarden gewaarborgd kan worden. Daartoe is in het kader van het initiatief nader onderzoek nodig. Door onderzoeksbureau Transect is een archeologisch bureauonderzoek, d.d. 15 augustus 2017, uitgevoerd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied op een strandwal ligt die in theorie vanaf het Neolithicum aantrekkelijk is geweest voor bewoning. De strandwal is naar verwachting afgedekt met Oude Duinen waarin mogelijk meerdere overstuivingsniveaus aanwezig zijn. Mogelijk is de strandwal plaatselijk afgedekt met een veenlaag in het Laat-Neolithicum/de Vroege Bronstijd. Het is niet bekend of het hele plangebied is afgedekt met veen.
Wanneer de bodem intact is, heeft het plangebied vooralsnog dan ook een hoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen. Resten uit de Late-Middeleeuwen worden op basis van historisch kaartmateriaal niet direct verwacht, maar resten uit de Nieuwe tijd wel. Het plangebied heeft dus ook een hoge archeologische verwachting op resten en/of sporen uit de Nieuwe tijd. Het is onbekend in hoeverre de bodem verstoord is door de huidige bebouwing. Het is daarmee nog niet bekend in hoeverre eventuele archeologische niveaus zijn aangetast dan wel nog intact zijn, zeker omdat ook meerdere archeologische niveaus aanwezig kunnen zijn. Vooralsnog worden dus nog zowel vondsten als grondsporen verwacht, zo wordt in het onderzoek gesteld. Op basis van het bovenstaande wordt in het onderzoek verwoord dat er nog archeologische resten en/of sporen in het plangebied aanwezig kunnen zijn, ook vanaf onder de bouwvoor. De voorgenomen ingreep vormt daarmee mogelijk een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische resten. Daarom wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan dan ook worden bepaald of nog verder archeologisch onderzoek nodig is of niet.
Cultuurhistorie Vanuit cultuurhistorisch perspectief is de projectlocatie gelegen in het stedelijke gebied van de gemeente Voorschoten. Het gebied kan worden gekarakteriseerd als een nederzetting/ kern met een lage historische waarde. Ter plaatse van het projectgebied zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig. De boerderij Herdershoeve (Leidseweg 104) is opgenomen in de lijst van beeldbepalende objecten in de gemeente. Deze lijst heeft echter geen status. In de directe omgeving van het projectgebied zijn de De Heilige Laurentiuskerk en de bijbehorende pastorie gelegen, welke wel een cultuurhistorische waarde hebben. Beide gebouwen zijn een rijksmonument en opgenomen in de Monumenten Inventarisatie Project
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 33
Zuid-Holland. Van rijkswege is het geheel beschermd als een complex. Het bezit door de vrije ligging en door de onderlinge ruimtelijke en functionele samenhang met de overige complexonderdelen hebben een hoge ensemblewaarde. Met dit initiatief wordt de waarde van het ensemble gerespecteerd en versterkt. De kenmerken van het ensemble, zoals de hiërarchie in volumes en de oriëntatie aan een meervormig ‘voorplein’ vormen de inspiratie voor het bouwplan. Zo worden de woningen in een relatief compact volume, laag en, gelijk aan de te saneren boerderij, in een langhuisvorm gerealiseerd. Voorts wordt als onderdeel van het initiatief een meervormig voorplein aangelegd, waarop de woningen zich met de voorgevel oriënteren en waarmee de relatie met de overige ensembledelen wordt benadrukt. Het bouwplan heeft voorts geen invloed op de genoemde monumenten in de omgeving. Conclusie Voorliggend initiatief is in relatie tot de aspecten cultuurhistorie en archeologie uitvoerbaar.
4.5
Geluid
In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai opgenomen. Wanneer er een nieuwe geluidsgevoelige functie wordt gerealiseerd op een locatie waar momenteel geen geluidsgevoelige functie aanwezig of toegestaan is en deze locatie binnen de geluidszones van industrie, rail- of wegverkeer valt dient middels een akoestisch onderzoek onderzocht te worden of de geluidniveaus in relatie tot de geluidgevoelige functie aanvaardbaar zijn. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat betreft de herstructurering van een voormalig agrarisch perceel, waarbij de bestaande voormalige bedrijfsopstallen worden gesaneerd en ter plaatse vijf nieuwe woningen worden opgericht. Een woning betreft een geluidgevoelige functie in de zin van de Wet geluidhinder. Het projectgebied is gelegen binnen de geluidzone van diverse gezoneerde wegen. Daartoe is door onderzoeksbureau Windmill een akoestisch onderzoek uitgevoerd (d.d. 10 februari 2021) In dit onderzoek is de geluidbelasting ter plaatse van de projectlocatie getoetst aan het stelsel van voorkeurswaarden en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de relevante 30 km/uurwegen beschouwd. De planlocatie is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zone van de Leidseweg, de Badhuisstraat en de Prof.
Boerhaaveweg (50 km/u-wegen). De locatie is niet gelegen binnen de zone van andere wegen, industrieterreinen of spoorwegen. Verder is de planlocatie gelegen binnen de invloedsfeer van de Krimkade en de J.P. Coenstraat (30 km/uur-wegen).
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 34
Normen met betrekking tot de geluidbelasting vanwege wegverkeer ter plaatse van geprojecteerde geluidgevoelige gebouwen (woningen) zijn vermeld in artikel 82 en 83 van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel van woningen bedraagt 48 dB. In onderhavige situatie is sprake van nieuwe woningen in binnenstedelijk gebied. De maximale ontheffingswaarde bedraagt derhalve 63 dB. Uit het onderzoek blijkt dat vanwege het wegverkeer op de Leidseweg, de Badhuisstraat en de Prof, Boerhaaveweg de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt gerespecteerd. De hoogste waarde, als gevolg van het wegverkeer op de Leidseweg, wordt berekend op de noordwest- en zuidwestgevel en is berekend op 46 dB. Een onderzoek naar mogelijke maatregelen aan de bron, overdracht of ontvanger is hiermee niet aan de orde. In het kader van de Wet geluidhinder dient vastgesteld te worden of van een relevante blootstelling door meerdere bronnen sprake is. Dit is alleen het geval indien de zogenaamde voorkeurswaarde van die te onderscheiden bronnen wordt overschreden. In onderhavige situatie wordt ten gevolge van alle gezoneerde wegen de voorkeursgrenswaarde gerespecteerd. Derhalve is geen sprake van cumulatie in de zin van de Wet geluidhinder.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de gecumuleerde geluidbelastingen vanwege alle wegen (gezoneerd en niet gezoneerd) inzichtelijk gemaakt. De hoogste cumulatieve geluidbelasting exclusief aftrek overeenkomstig artikel 110g van de Wet geluidhinder bedraagt 52 dB. Overeenkomstig methode Miedema is dit de classificeren als ‘redelijk’. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Gesteld kan worden dat de geluidwaarde binnen de woningen (binnenwaarde) kan voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB. Conclusie Het initiatief is in relatie tot het aspect geluid uitvoerbaar. 4.6
Lucht
Wet milieubeheer / Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in Amvb's en ministeriële regelingen. De nieuwe wetgeving kent een dubbele doelstelling: 1. De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen zodat in ons land de Europese normen worden gehaald; 2. De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig om dat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd vanwege het niet halen van de normen.
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 35
De Wet luchtkwaliteit vereist een genuanceerde toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Een ruimtelijk plan is in overeenstemming met de Wet luchtkwaliteit als de planvorming niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de normen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Voor projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan de concentratie is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant. Amvb Niet In Betekenende Mate en Regeling Niet In Betekenende Mate (NIBM) De Amvb NIBM en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. NIBM pro-jecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Er is een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel ‘niet in betekenende mate’) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Een verslechtering van maximaal 3% komt overeen met een nieuwbouwproject van 1.500 woningen of 100.000 vierkante meter kantoorvloeroppervlak. Grotere projecten kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat betreft de herstructurering van een voormalig agrarisch perceel, waarbij de bestaande voormalige bedrijfsopstallen worden gesaneerd en ter plaatse vijf nieuwe woningen worden opgericht. Het initiatief blijft daarmee ver onder de grenzen van de regeling Niet in betekenende mate en heeft daarmee niet of slechts in geringe mate invloed op de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Ook met het oog op de heersende achtergrondwaarden kan gesteld worden dat de voorgestane ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Conclusie Voorliggend initiatief is daarmee in relatie tot het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 36
4.7
Externe veiligheid
Algemeen Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau van transport en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Voor nieuwe situaties is voor kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) de grenswaarde voor het PR gesteld op een niveau van 10-6/jr. Voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld bedrijven) is dit een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR.
Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. Indien een ruimtelijk plan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Externe veiligheid transport In het Besluit externe veiligheid transportroutes, dat per 1 april 2015 in werking is getreden, heeft het Rijk het beleid vastgelegd met betrekking tot de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het besluit zijn regels opgenomen voor het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de zogeheten basisnetafstanden van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Deze basisafstanden zijn vastgelegd in de Regeling Basisnet. Het besluit is onder meer van toepassing op omgevingsbesluiten, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan.
Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10 -6 per
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 37
jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien een ruimtelijk plan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een buisleiding toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat betreft de herstructurering van een voormalig agrarisch perceel, waarbij de bestaande voormalige bedrijfsopstallen worden gesaneerd en ter plaatse vijf nieuwe woningen worden opgericht. Woningen worden gekwalificeerd als een kwetsbare objecten. Uit een raadpleging van de risicokaart blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in de nabijheid, dan wel invloedssfeer, van risicobronnen. Het initiatief heeft daarmee geen (negatieve) gevolgen voor de bestaande veiligheidsniveaus. Ook worden met het initiatief geen risicobronnen geïntroduceerd. Conclusie Het initiatief is in relatie tot het aspect externe veiligheid uitvoerbaar. 4.8
Milieuzoneringen
Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om deze hindersituaties te voorkomen dient er bij ruimtelijke plannen, waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt, in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Hiertoe zijn in de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009; hierna te noemen B&M) richtafstanden opgesteld. In deze handreiking wordt afstanden, zogeheten milieuzoneringen, tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies aangegeven waarmee wederzijdse hinder voorkomen wordt. Zo zorgt de milieuzonering ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. De invloed van een bedrijf op de omgeving hangt op de (milieubelastende) karakteristieken van het bedrijf. In de handreiking worden daarom zes milieucategorieën met de daarbij behorende richtafstanden onderscheiden (zie tabel). Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van de hinderaspecten geluid, stof, gevaar en geur. Voorts wordt onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies.
De gedachte daarbij is dat gebieden met gemengde functies hogere achtergrondwaarden voor wat betreft de hinderaspecten kennen, waardoor milieubelasting van
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 38
een specifiek bedrijf meer op zal gaan in de omgeving en minder snel als hinder zal worden ervaren. Milieucategorie
Richtafstanden tot rustige woonwijk 1 10 meter 2 30 meter 3 50 tot 100 meter 4 200 tot 300 meter 5 500 tot 1000 meter 6 1500 meter Afbeelding: Richtafstanden per milieucategorie.
Richtafstanden tot gemengd gebied 0 meter 10 meter 30 tot 50 meter 100 tot 200 meter 300 tot 700 meter 1000 meter
De VNG-publicatie voorziet in richtafstanden. Deze richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Door middel van een gedegen op een specifieke situatie toegespitste onderbouwing kan gemotiveerd van deze richtafstanden worden afgeweken. Naast het VNG-stelsel moeten bedrijven op basis van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer/Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning milieu) of op basis van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) aan voorschriften voldoen. Deze voorschriften dienen onder andere ter regulering van de hinder voor de omgeving en kunnen daarmee relevant zijn voor de beschouwing van hindersituaties. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat betreft de herstructurering van een voormalig agrarisch perceel, waarbij de bestaande voormalige bedrijfsopstallen worden gesaneerd en ter plaatse vijf nieuwe woningen worden opgericht. Een analyse van de omgeving leert dat er in de nabijheid van het projectgebied, binnen mogelijke hinderafstand, geen bedrijfsmatige, dan wel andere mogelijke hindergevende, functies voorkomen, uitgezonderd het bondsgebouw en de kerk. Volgens de VNG-systematiek worden dergelijke functies beschouwd als een milieucategorie 2. In verband met het aspect geluid geldt voor beide functies een richtafstand van 30 meter.
De omgeving van het projectgebied kan daarbij beschouwd worden als een gemengd gebied waardoor deze afstand met één stap verlaagd mag worden, dit impliceert dat een afstand van 10 meter tot gevoelige functies, zoals de woningen die met dit initiatief worden gerealiseerd, volstaat voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan deze afstand van 10 meter wordt voldaan: het bondsgebouw en de kerk zijn op respectievelijk 20 en 45 meter gelegen. Gesteld kan worden dat er ter plaatse van het projectgebied, vanuit het oogpunt van milieuzonering, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat er geen belemmeringen optreden voor de activiteiten van bedrijven. Conclusie Het initiatief is in relatie tot het aspect milieuzonering uitvoerbaar.
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 39
4.9
Besluit milieueffectrapportage
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder C of D van het Besluit m.e.r. . Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat betreft de herstructurering van een voormalig agrarisch perceel, waarbij de bestaande voormalige bedrijfsopstallen worden gesaneerd en ter plaatse vijf nieuwe woningen worden opgericht. Een dergelijk project (van een dergelijke kleine schaal) wordt niet benoemd in bijlage C of D van het Besluit m.e.r. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling of plan M.E.R. is niet noodzakelijk. Conclusie Het initiatief is in het kader van het Besluit milieueffectrapportage uitvoerbaar. 4.10
Verkeer en parkeren
Een ruimtelijk initiatief kan tot wijzigingen in verkeerstromen en de parkeervraag leiden. Omwille van een goede ruimtelijke ordening dient beargumenteerd te worden dat het wegennet de nieuwe verkeersintensiteiten voldoende aankan en dat er geen onaanvaardbare parkeerdruk ontstaat. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat betreft de herstructurering van een voormalig agrarisch perceel, waarbij de bestaande voormalige bedrijfsopstallen worden gesaneerd en ter plaatse vijf nieuwe woningen worden opgericht. Parkeren Uit de correspondentie met de gemeente wordt uitgegaan van de eis om per woning twee parkeerplaatsen te realiseren. Deze parkeerplaatsen dienen openbaar te zijn. Het initiatief is afgestemd op deze eis. Zo blijven negen reeds bestaande parkeerplaatsen behouden. Aanvullend worden 10 parkeerplaatsen aan het voorplein aangelegd. Verkeer Gesteld kan worden dat de realisatie van de vijf woningen tot een beperkte toename van de verkeersintensiteit zal leiden. De projectlocatie wordt via de bestaande uitrit bij de kerk ontsloten op de Leidseweg. Vanaf deze uitrit is er ruim zicht op het verkeer op de Leidseweg: zowel op fiets- als op autoverkeer. De uitrit en de ontsluiting worden niet gewijzigd. In de bestaande situatie zijn er geen verkeerstechnische, dan wel verkeerveiligheidsproblemen, bekend.
De beperkte verhoging van de verkeersintensiteit als gevolg van de realisatie van de vijf woningen zal niet tot problemen leiden. De capaciteit van deze weg is in de bestaande situatie ruimschoots toereikend, waardoor de extra verkeersbewegingen als gevolg van het initiatief goed afgewikkeld
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 40
kunnen worden. Tevens kan gesteld worden dat de bewoners frequent gebruik zullen maken van de uitrit waardoor zij snel goed bekend raken met de situatie. Conclusie Het initiatief is in relatie tot de aspecten verkeer en parkeren uitvoerbaar.
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 41
HOOFDSTUK 5: 5.1.
UITVOERBAARHEID
Financiële uitvoerbaarheid
In het kader van artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient de financieeleconomische uitvoerbaarheid van een afwijkingsbesluit te worden aangetoond. Op grond van het bepaalde in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorzien. De gemeenteraad, dan wel, indien deze bevoegdheid gedelegeerd is, het college van burgemeester en wethouders, kan besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen als het verhaal van kosten anderszins verzekerd is. De beoogde ontwikkeling betreft een privaat initiatief. De kosten van het initiatief zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Voorschoten zal met initiatiefnemer een planschadeovereenkomst sluiten. Voor de gemeente zijn aan onderhavig plan geen financiële consequenties verbonden. Het plan is hiermee economisch uitvoerbaar. Het opstellen van een exploitatieplan is niet nodig. 5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De bewoners in de omgeving van het projectgebied zijn op 3 juli 2017 tijdens een bewonersbijeenkomst geïnformeerd over het initiatief. In hoofdzaak betrof de kritiek de bouwhoogte van de nieuwe woningen. Naar aanleiding van deze kritiek is het initiatief aangepast met dien verstande dat de bouwhoogte is verlaagd. Op grond van artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt de ontwikkeling voorgelegd aan de betrokken overlegpartners. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken wordt gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder wordt tijdens deze periode in de gelegenheid gesteld om zienswijzen tegen het initiatief kenbaar te maken.
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 42
HOOFDSTUK 6:
MOTIVERING
Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat betreft de herstructurering van een voormalige agrarische kavel, waarbij de bestaande opstallen, welke deels in een matige bouwkundige staat verkeren, gesaneerd worden en waarbij vijf moderne eengezinswoningen worden gerealiseerd. Met het initiatief wordt aangesloten bij de behoefte om voldoende woningen binnen bestaand stedelijke gebied te realiseren. Bij de inpassing en architectuur van de woningen wordt rekening gehouden met de waardevolle stedenbouwkundige structuur en de locatiespecifieke kenmerken van de (bouwwerken in de) directe omgeving. Met het initiatief wordt derhalve een ruimtelijke kwaliteitsverbetering tot stand gebracht. In de voorgaande hoofdstukken is het relevante beleid in relatie tot het plan beschreven. Het voorliggende initiatief past binnen de kaders van de beleidsuitgangspunten van het vigerende Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Ook is het plan uitvoerbaar in relatie tot gelden milieuen omgevingsaspecten. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project voldoet aan de uitgangspunten van een goede ruimtelijke ordening.
Ruimtelijke onderbouwing Leidseweg 104, te Voorschoten
Pagina 43