CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording schriftelijke vragen ex art. 39 RvO 300 D66 over inf.brief 010 warmtetransitie (incl. bijl.).pdf

Gemeenteraad Voorschoten 5 april 2023, gemeente voorschotenBij agendapunt: Schriftelijke beantwoording van vragen uit de raad40.521 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Schriftelijke vragen

ex Artikel 39 Reglement van Orde gemeenteraad Voorschoten

Datum Nummer vraag Ons zaaknummer

21 maart 2023 300 Z/21/052099/338701

Datum verzending Behandelaar Portefeuillehouder Bijlage

22 maart 2023 Boy Luiks Wethouder Van der Elst Bijlage 1. Onderzoek Sociaal Cultureel Planbureau over woningverduurzaming

Onderwerp

Beantwoording schriftelijke vragen 300 Informatiebrief 010 warmtetransitie

Geachte Raad, Door de D66-fractie is op woensdag 22 februari 2023 een vraag gesteld met betrekking tot informatiebrief 010 warmtetransitie. Naast technische en financiële belemmeringen, spelen er sociale belemmeringen om huizen te verduurzamen zoals bijvoorbeeld schaamte voor een overvolle zolder of een taalbarrière of opzien tegen de overlast bijvoorbeeld vanwege leeftijd. De beantwoording van deze vraag treft u hieronder aan. Vraag 1. Hoe worden sociale belemmeringen die verduurzaming belemmeren aangepakt in onze gemeente? Antwoord 1. Het college is zich bewust van de sociale belemmeringen die spelen bij het verduurzamen van woningen. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (2021) blijkt echter dat ‘praktische belemmeringen die vaak met het verduurzamen van de woning gepaard gaan (dat het lastig is, tijd kost of rommel geeft) niet op de voorgrond treden als belangrijkste redenen om (nog) niet te verduurzamen’ (p. 71). Uit dit onderzoekt blijkt dat vooral een gebrek aan kennis, en financiële en contextuele (geschiktheid woningen, onzekerheid over woonduur) belemmeringen een grote rol spelen. Ook blijkt het dat veel mensen zich nog niet hebben verdiept in woningverduurzaming en dus daarin wellicht barrières ondervinden. Daarom ligt onze focus nu op het informeren, stimuleren en faciliteren van woningeigenaren.

Tegelijkertijd ontwikkelen we aanpakken in het kader van energiearmoede en het Nationaal Isolatieprogramma om mensen te ondersteunen, ontlasten

Gemeente Voorschoten Leidseweg 25 | Postbus 393, 2250 AJ Voorschoten | T 14071 | E gemeente@voorschoten.nl | www.voorschoten.nl BTW NL 00179762B01 | KvK 27381083 | IBAN NL43 BNGH 0285 0796 70 | BIC BNGHNL2G

en ontzorgen die uit zichzelf de woning niet kunnen verduurzamen. Vragen van inwoners worden indien nodig in het Engels beantwoord.

Met vriendelijke groet, het college van burgemeester en wethouders,

A.R. de Graaf, gemeentesecretaris

drs. N. Stemerdink, burgemeester

Deze brief is digitaal vastgesteld. Hierdoor staat er geen fysieke handtekening in de brief.

Gemeente Voorschoten Leidseweg 25 | Postbus 393, 2250 AJ Voorschoten | T 14071 | E gemeente@voorschoten.nl | www.voorschoten.nl BTW NL 00179762B01 | KvK 27381083 | IBAN NL43 BNGH 0285 0796 70 | BIC BNGHNL2G

Woningverduurzaming: willen en kunnen betekent nog niet doen Drijfveren en ervaren barrières bij woningeigenaren

Woningverduurzaming: willen en kunnen betekent nog niet doen Drijfveren en ervaren barrières bij woningeigenaren

Anja Steenbekkers Rick Fransman Yvonne de Kluizenaar Paulette Flore

Sociaal en Cultureel Planbureau Den Haag, april 2021

Het Sociaal en Cultureel Planbureau is een interdepartementaal, wetenschappelijk instituut, dat – gevraagd en ongevraagd – sociaal-wetenschappelijk onderzoek verricht. Het scp rapporteert aan de regering, de Eerste en Tweede Kamer, de ministeries en maatschappelijke en overheidsorganisaties. Het scp valt formeel onder de verantwoordelijkheid van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het scp is opgericht bij Koninklijk Besluit op 30 maart 1973. Het Koninklijk Besluit is per 1 april 2012 vervangen door de ‘Regeling van de minister-president, Minister van Algemene Zaken, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen voor de Planbureaus’.

© Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag 2021 scp-publicatie 2021-17 Opmaak binnenwerk: Textcetera, Den Haag Figuren: Staet van Creatie, Tilburg Vertaling samenvatting: avb-vertalingen, Amstelveen Omslagontwerp: Textcetera, Den Haag Foto omslag: hh | Evert van Moort isbn 978 90 377 0981 0 nur 740 Copyright U mag citeren uit scp-rapporten, mits u de bron vermeldt. U mag scp-bestanden op een server plaatsen mits: 1 het digitale bestand (rapport) intact blijft; 2 u de bron vermeldt; 3 u de meest actuele versie van het bestand beschikbaar stelt, bijvoorbeeld na verwerking van een erratum. Data scp-databestanden, gebruikt in onze rapporten, zijn in principe beschikbaar voor gebruik door derden via dans www.dans.knaw.nl. Contact Sociaal en Cultureel Planbureau Postbus 16164 2500 bd Den Haag www.scp.nl info@scp.nl Via onze website kunt u zich kosteloos abonneren op een elektronische attendering bij het verschijnen van nieuwe uitgaven.

Inhoud

Voorwoord

5

1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Opmaat Woningverduurzaming Doel en onderzoeksvragen Onderbouwing, afbakening en aanpak Enkele relevante wetenschappelijke inzichten Actueel beleid Noten

6 7 8 8 10 12 14

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Woningverduurzaming door eigenaar-bewoners Na-isolatie van woningen Zonnepanelen op het dak Adoptie van isolatie en zonnepanelen Informatie zoeken over woningverduurzaming Resumé Noten

16 16 25 27 29 32 33

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7

Bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming Wetenschappelijke kennis over drijfveren en belemmeringen Aanpak Drijfveren voor na-isolatie Belemmeringen voor woningisolatie Drijfveren voor zonnepanelen Belemmeringen voor zonnepanelen Resumé Noten

35 35 36 38 40 43 46 49 50

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Voorlopers en achterblijvers Aanpak Classificatie en karakterisering groepen Verschillen tussen latente groepen Verklaring groepsverschillen Resumé Noten

51 51 52 56 63 65 67

5 5.1

Samenvatting en slotbeschouwing Hoever zijn eigenaar-bewoners in de opgave van woningverduurzaming?

68 68

3

inhoud

5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Welke drijfveren en belemmeringen spelen een rol voor woningeigenaren? Welke groepen kunnen we in deze opgave onderscheiden? Conclusie Slotbeschouwing en aandachtspunten voor beleid Tot besluit Noten

70 72 73 73 85 87

Summary and concluding discussion

88

Literatuur

108

Bijlagen (te vinden op www.scp.nl bij dit rapport)

4

inhoud

Voorwoord Het tegengaan van klimaatverandering vormt een van de grote maatschappelijke opgave van deze tijd. In de Klimaatwet zijn doelen vastgelegd die moeten leiden tot een substantiële reductie van broeikasgasemissies. Het Klimaatakkoord bevat de afspraken hoe deze doelen te bereiken. Daarin heeft de gebouwde omgeving een stevige rol. Duidelijk is dat het bereiken van die klimaatdoelen mede afhankelijk zal zijn van een brede en actieve betrokkenheid van de Nederlandse burgers. Het Klimaatakkoord geeft aan dat er vooralsnog te weinig inzicht is in het denken en doen van burgers. Op het vergroten van die kennis richt het verkennende onderzoeksprogramma ‘De energietransitie vanuit burgerperspectief’ zich. Hoe kijken burgers aan tegen klimaatverandering en tegen de beleidsmaatregelen? Kunnen en willen zij mee in de gevraagde veranderingen? En wat doen ze al? Welke verschillen zijn er tussen groepen en waardoor kunnen deze worden verklaard? Dit rapport richt zich op de verduurzaming van woningen door woningeigenaren. We zien dat er in de afgelopen jaren stappen zijn gezet en dat een deel van de eigenaren gemotiveerd is om de energie-efficiëntie van de woning te verbeteren. Maar ook dat er nog diverse belemmeringen zijn die ervoor zorgen dat willen en kunnen niet automatisch leiden tot daadwerkelijk verduurzamen van de woning.

Het rapport biedt verschillende aanknopingspunten voor beleid. Dit rapport is het tweede rapport op basis van de survey ‘Verkenning Energie Transitie’. Het voorgaande rapport was Op weg naar aardgasvrij wonen’ (Scholte et al. 2020). Binnenkort zal een derde publicatie in de reeks verschijnen die ingaat op opvattingen van burgers over klimaatverandering en klimaatmaatregelen. In de voorbereiding en de loop van deze onderzoekreeks zijn diverse wetenschappelijke experts betrokken geweest, evenals een klankbordgroep met beleidsmakers en wetenschappers. Ik wil allen die hieraan hebben bijgedragen hartelijk danken. Prof. dr. Kim Putters Directeur Sociaal en Cultureel Planbureau

5

voorwoord

1

Opmaat

In navolging van de internationale afspraken in het Klimaatakkoord van Parijs in 2015 heeft de Nederlandse regering zich aangesloten bij de ambitie om klimaatverandering tegen te gaan. In de Klimaatwet is als doelstelling voor 2050 vastgelegd om de uitstoot van broeikasgassen met 95% te reduceren ten opzichte van 1990. De afgelopen twee jaar onderhandelden overheden, ondernemers en maatschappelijke organisaties in het Klimaatberaad over maatregelen die nodig zijn om dit doel te bereiken. Dit resulteerde in een Klimaatakkoord waarin een breed pakket aan maatregelen en afspraken is vastgelegd. Er zijn meer dan zeshonderd afspraken gemaakt op het gebied van elektriciteit, industrie, landbouw en landgebruik, mobiliteit en de gebouwde omgeving.1 Van iedereen wordt verwacht dat hij of zij een steentje bijdraagt: overheden, bedrijven en burgers (Klimaatberaad 2019: 4). De voorgestelde maatregelen laten burgers niet ongemoeid. Het gaat namelijk niet alleen om veranderingen in de manier waarop bedrijven goederen produceren, maar ook om veranderingen in de manier waarop wij onszelf vervoeren (bv. door een elektrische auto aan te schaffen), consumeren (bv. door minder vlees te eten) en onze huizen verwarmen (bv. door de cv-ketel te vervangen voor een duurzaam alternatief).

En de maatregelen zorgen daarnaast voor veranderingen in onze leefomgeving door windturbines, zonneparken en hoogspanningsleidingen. Doordat het klimaatbeleid raakt aan het leven van alledag, zijn klimaatverandering en klimaatbeleid steeds vaker onderwerp van het publieke debat. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) constateerde eerder in de onderzoekreeks Continu Onderzoek Burgerperspectieven dat het klimaatdebat op stoom is gekomen (Den Ridder et al. 2019). Er zijn steeds meer mensen die een standpunt innemen over de vraag of Nederland meer actie moet ondernemen om klimaatverandering tegen te gaan. En er ontstaat steeds meer verdeeldheid in de meningen (Dekker en Den Ridder 2020). In het onderzoeksprogramma ‘Verkenning energietransitie vanuit burgerperspectief’ heeft het scp verkennende en verdiepende onderzoeksvragen gesteld.

Hoe kijken burgers aan tegen de veranderingen die het klimaatbeleid voorstelt? Hoe gaan zij met deze veranderingen om? Wat willen burgers zelf bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering, wat zijn de drijfveren en op welke manier doen zij dat (al of niet)? Wat verklaart of burgers wel of niet in actie komen en wat verklaart verschillen hierin tussen groepen burgers? Deze vragen zijn hoofdvragen binnen een bredere set vragen die aan bod komen in een reeks studies, waarvan eerder verschenen de studies over aardgasvrij wonen (Steenbekkers en Scholte 2019; Scholte et al. 2020) en opvattingen over klimaatverandering en klimaatbeleid (De Kluizenaar en Flore 2021, te verschijnen). In elk van deze studies belichten wij het burgerperspectief vanuit een andere invalshoek. De reeks gaat in op diverse onderdelen van het klimaat- en energiebeleid en kijkt naast de publieke opinie ook naar duurzaam gedrag. Dit rapport richt zich op de bijdrage die woningeigenaren zelf willen leveren (en al leveren) aan de transitie naar een duurzame gebouwde omgeving door

6

opmaat

middel van het verduurzamen van de woning en de drijfveren en belemmeringen die zij daarbij ervaren. 1.1

Woningverduurzaming We staan aan de vooravond van een duurzame transformatie van de gebouwde omgeving, een aanpassing van onze ruim 7 miljoen huizen en 1 miljoen gebouwen, veelal matig geïsoleerd en vrijwel allemaal verwarmd door aardgas, tot goed geïsoleerde woningen en gebouwen, die we met duurzame warmte verwarmen en waarin we schone elektriciteit gebruiken of zelfs zelf opwekken. Dat gaan we tot 2050 stapsgewijs en samen met bewoners en eigenaren van deze gebouwen doen. (Klimaatberaad 2019: 15)

Dit fragment uit het Klimaatakkoord laat zien dat woningeigenaren expliciet een rol hebben bij de verduurzaming van woningen (Klimaatberaad 2019). De energietransitie vereist een forse afname van het totale energieverbruik in Nederland en daar ligt een flinke opdracht voor de ‘sector’ gebouwde omgeving. Het doel is dat ruim 7,5 miljoen woningen en gebouwen in 2050 qua energiegebruik verduurzaamd zijn (tk 2019/2020a). Voor de kortere termijn stelt de Klimaatwet dat in 2030 1,5 miljoen woningen verduurzaamd moeten zijn. Nederland telt momenteel bijna 7,9 miljoen woningen (cbs 2020). In termen van finaal energiegebruik is de sector gebouwde omgeving de grootste energiegebruiker in Nederland. In 2019 vond ongeveer een kwart van het finale energieverbruik2 in Nederland plaats in deze sector voor de verwarming van gebouwen. Het Klimaatakkoord (en daarvoor het Energieakkoord) heeft deze sector een flinke energiebesparing en een aantal andere maatregelen3 opgelegd om broeikasgasemissies uit deze sector te verlagen. Woningen leveren met een aandeel van circa 70% (in 2019) de grootste bijdrage aan de totale uitstoot door de gebouwde omgeving. In 2019 was circa 9% van alle broeikasgasemissies in Nederland afkomstig van woningen (pbl 2020). Woningverduurzaming behelst onder meer het verbeteren van de energie-efficiëntie van de woning.

Hoe dichter de schil van de woning is, bijvoorbeeld door isolatie van dak, vloer en gevel, des te minder warmteverlies treedt er op en des te geringer is het energieverbruik voor warmte. Zodoende kan woningverduurzaming bijdragen aan het verminderen van het gebruik van fossiele energie en elektriciteit voor verwarming. Daarom spreekt men ook wel van de warmtetransitie, vooral in het kader van het aardgasvrij maken van woningen. Daarnaast kunnen woningeigenaren bijdragen aan de productie van hernieuwbare energie, bijvoorbeeld door het opwekken van elektriciteit uit zonne-energie. Ook dit draagt bij aan een verminderde vraag van stroom van het elektriciteitsnet en aan minder co2-emissies. Feitelijk stuurt het beleid al decennialang aan op het verbeteren van de energieprestatie van woningen; sinds de jaren tachtig vooral door het stimuleren van verbetering van de isolatiegraad. En gedurende een kortere periode wordt daarnaast productie en zelfgebruik van duurzame energie succesvol gestimuleerd, bijvoorbeeld door het verstrekken van 7

opmaat

subsidie op zonnepanelen en saldering van de teruggeleverde energie (Vringer et al. 2014). Desondanks constateerden de wrr (2016), de ser (2018) en pbl (2020) eerder al dat de woningverduurzaming (te) traag verloopt; iets wat overigens ook in het buitenland wordt gesignaleerd (o.a. Weiss et al. 2012; Tsvetanov 2019). In deze studie staat het burgerperspectief op de energietransitie in de gebouwde omgeving centraal. We kijken daarbij specifiek naar woningeigenaren en hun belevingen, ervaringen en verwachtingen omtrent de verduurzaming van de eigen woning. De focus ligt op concrete gedragingen zoals isoleren van de woning en het plaatsen van zonnepanelen op het eigen dak. Specifiek richten we ons op de verduurzaming door de eigenaren die tevens bewoner zijn van de bestaande woning. Deze worden ook wel aangeduid met termen zoals particuliere eigenaren of eigenaar-bewoners, die we in de tekst door elkaar heen gebruiken. In Nederland zijn volgens het cbs ruim 4,5 miljoen koopwoningen die door de eigenaar zelf bewoond worden (57% van het woningenbestand). Daarnaast zijn circa 1 miljoen koopwoningen van particuliere eigenaren in verhuur (13%) en 2,5 miljoen woningen van woningcorporaties (32%) voor sociale huur (cbs 2020). Woningverduurzamingsbeleid gericht op particuliere verhuurders en corporaties is meer verplichtend dan voor eigenaarbewoners.

Ook om die reden is het voor het burgerperspectief vooral interessant om eigenaar-bewoners te onderzoeken. 1.2

Doel en onderzoeksvragen

Met deze studie willen we inzicht bieden in drijfveren en belemmeringen die groepen woningeigenaren ervaren in woningverduurzaming. We kijken specifiek naar de groep eigenaren die tevens de bewoner zijn. We beschrijven wat deze eigenaar-bewoners al dan niet willen doen of al gedaan hebben aan woningverduurzaming en waarom. Hierbij onderscheiden we groepen in de bevolking die een voorloperrol lijken te vervullen en die dreigen achter te blijven. We bespreken welke factoren een rol spelen bij de voorlopers en de achterblijvers. Onze onderzoeksvragen luiden: 1 Hoever zijn eigenaar-bewoners in de opgave van woningverduurzaming? 2 Welke drijfveren en belemmeringen spelen een rol in de opgave van woningverduurzaming? 3 Zijn er binnen de woningeigenaren groepen die meer of minder mee kunnen komen in deze verduurzamingsopgave? De beantwoording van deze vragen biedt handreikingen voor beleidsmakers. 1.3

Onderbouwing, afbakening en aanpak

Energiebesparing in de woning kan gerealiseerd worden langs twee hoofdroutes: via besparingsgedrag dat ingrijpt op de energieconsumptie van de bewoners/het huishouden 8

opmaat

en via het investeren in maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie van de woning. In de internationale gedragsliteratuur worden deze besparingsroutes ook wel curtailment behaviour c.q. efficiency behaviour genoemd (Gardner en Stern 2002; Steg 2008; Urban en Ščasný 2012; Umit et al. 2019). Onder besparingsgedrag vallen bijvoorbeeld alledaags (routine)gedrag, zoals korter douchen, zuinig instellen van de thermostaat en het sluiten van gordijnen. Onder efficiëntiegedrag valt niet alleen het isoleren van de woning, maar ook de aanschaf van zonnepanelen, aangezien door eigen elektriciteitsproductie een kleinere behoefte is aan energie van het elektriciteitsnet. Het blijvend aanpassen van alledaags (en vaak onbewust) gedrag is een lastige opgave (Gardner en Stern 2002). Dit heeft alles te maken met de psychologische barrières die een rol spelen bij het veranderen van vaak routinematig gedrag (o.a. Kempton et al. 1985; Gifford 2011; Steg 2008), met de beperkte invloed van motivationele factoren bij de persoon, te midden van veel andere bepalende factoren in de context, zoals het beschikbare aanbod van energie(on)zuinige alternatieven, sociale en culturele normen en economische factoren (Guagnano et al. 1995; Abrahamse et al. 2005; Organ et al. 2013; Judson en Maller 2014; Kollmuss en Agyeman 2020).

Daarom wordt in de wetenschappelijke literatuur al decennialang benadrukt dat in het kader van energiebesparing het best kan worden ingezet op het sturen van high impact behaviour (Stern en Gardner 1981; Abrahamse et al. 2007; Dietz et al. 2009). Daarmee verwijst men naar maatregelen gericht op energieefficiëntie van de woning zoals investeren in isolatie en zonnepanelen. Dit is in het algemeen effectiever dan interventies die een blijvende gedragsverandering van alledaags gedrag van de bewoners beogen (Kempton et al. 1985; Gardner en Stern 2002; Nair et al. 2010; Urban en Ščasný 2012). Dit komt vooral doordat efficiëntiegedrag meestal eenmalige besluitvorming vergt, terwijl de effecten blijvend zijn. Afbakening We richten ons in deze studie op verduurzaming van bestaande woningen en stellen daarbij twee typen maatregelen centraal: 1) na-isolatie van de woning ten behoeve van energiebesparing en 2) het plaatsen van zonnepanelen4 op de woning ten behoeve van het zelf opwekken van hernieuwbare energie. Een belangrijk argument om deze maatregelen centraal te stellen in dit onderzoek is dat we hiermee aansluiten bij de voornaamste woningverduurzamingsmaatregelen die op dit moment door het beleid worden gestimuleerd.

Beleidsmatig staan ze te boek als ‘spijtvrije maatregelen’5 (Integraal Nationaal Klimaat- en Energieplan 2021-2030), maatregelen die voor energiebesparing zorgen, zich binnen redelijke termijn terugverdienen en die nu al genomen kunnen worden, los van de keuze voor de warmtebron die in de toekomst in de wijkaanpak wordt gemaakt. Ander argument is dat de meeste woningeigenaren deze maatregelen veelal zelfstandig kunnen oppakken. Aanpak De gerapporteerde cijfers in deze studie zijn gebaseerd op de survey ‘Verkenning Energie Transitie’, in mei 2019 uitgezet in het liss-panel (zie verder methodologische verantwoording in bijlage A). Wat woningverduurzaming betreft, is hierin uitgebreid gevraagd 9

opmaat

naar het nemen van isolatiemaatregelen en het plaatsen van zonnepanelen, inclusief belemmeringen en drijfveren. Zonnepanelen op een andere plek dan het dak van de eigen woning zijn niet meegenomen, omdat specificatie hiervan in de vragenlijst te veel ruimte zou vragen. Om de vraagstelling eenduidig te houden, is niet ingegaan op zonnepanelen die eventueel aan een zonneboiler zijn gekoppeld. Voor dit rapport maken we alleen gebruik van de antwoorden van bewoners van koopwoningen6 (n = 1626). Dat is inclusief woningeigenaren die een woongebouw delen met andere kopers en/of huurders en onder een Vereniging van Eigenaren (VvE) vallen.7 Deze zijn bij ingrijpende aanpassingen aan het gebouw veelal afhankelijk van besluitvorming door de VvE en dus van de medewerking van medebewoners.8 Woningen in Nederland zijn voor 57% koopwoningen, maar deze worden niet allemaal door de eigenaar zelf bewoond. De woningen die particuliere eigenaren verhuren, blijven hier buiten beschouwing. We gaan hier uit van eigenaren die de woning zelf bewonen, aangeduid met de gangbare term ‘eigenaar-bewoners’. Ook woningcorporaties hebben als institutioneel woningeigenaar een flinke rol in de woningverduurzaming, maar zowel corporaties als huurders blijven in dit rapport buiten beschouwing.

De gedragingen en intenties (hoofdstuk 2) en drijfveren en belemmeringen (hoofdstuk 3) rond het verbeteren van de isolatie van de woning (na-isoleren) en het plaatsen van zonnepanelen zijn eerst middels univariate beschrijvende statistieken behandeld. Vervolgens beschouwen we gedrag(sintenties) rond woningverduurzaming op een overkoepelend niveau, waarbij we naast isolatie en zonnepanelen ook de transitie naar aardgasvrij wonen meenemen. Om inzicht te krijgen of er specifieke groepen van woningeigenaren zijn die minder goed lijken mee te komen in de opgave van woningverduurzaming, en waaraan beleid wellicht extra aandacht kan geven, bekijken we in hoeverre zich subgroepen onderscheiden. Daartoe passen we een latente-klassenanalyse (lca) toe om groepen woningeigenaren te identificeren die verschillen in hun denken en doen met betrekking tot woonverduurzaming. We gebruiken distal outcomes als beschrijvende statistiek om de verdeling over groepen weer te geven. Voor nadere toelichting van gemaakt keuzes en methodologie hierbij verwijzen we naar de methodologische verantwoording (bijlage C). Ten slotte gebruiken we een multinomiale logistische regressieanalyse om groepsverschillen te verklaren (voor nadere toelichting zie bijlage D). 1.4

Enkele relevante wetenschappelijke inzichten

Dat woningverduurzaming een bijdrage kan leveren aan het reduceren van fossiel brandstofgebruik en broeikasgasemissies en daarmee aan de doelen van het klimaatbeleid, wil nog niet zeggen dat alle woningeigenaren dat ook willen en kunnen. Wat betreft het willen verwijst de literatuur als belangrijkste onderliggende mechanisme naar de attitude-behaviour gap. Bij allerlei vormen van gedrag, en zo ook bij woningverduurzaming, zien we dat milieuvriendelijke attituden en intenties niet automatisch leiden tot milieuvriendelijk gedrag (Van den Broek 2015; Pelenur 2018). Er is veel literatuur beschik10

opmaat

baar over de rol van kennis en motivaties als drijfveren van gedrag. De motivatie om duurzaam gedrag te vertonen wordt (mede) beïnvloed door de self-efficacy, de perceptie van het eigen kunnen om duurzaam gedrag te vertonen (Bandura 1977). Ook de perceptie dat collectieve actie daadwerkelijk bij kan dragen aan de uitkomst, namelijk het tegengaan van klimaatverandering (outcome efficacy), speelt een rol bij de acceptatie van nieuwe duurzame technieken (Huijts et al. 2012). Mensen moeten namelijk het vertrouwen hebben dat hun actie bijdraagt aan het collectieve doel, maar ook het vertrouwen hebben dat de maatregel in de praktijk doet wat men ervan verwacht (zoals energiebesparing, bijdragen aan het wooncomfort, enz.). Belangrijke drijfveren van consumenten om energiebesparende maatregelen te nemen zijn dan ook verwachtingen over de uitkomsten ervan, zoals geldbesparing, een beter milieu, het verbeteren van comfort in huis of een combinatie hiervan (Lindenberg en Steg 2007). Maar ook de (sociale) context is hierbij een sterk bepalende factor (bv. Steg 2008; Steg et al. 2015); mensen laten zich vaak onbewust beïnvloeden door wat mensen in hun omgeving doen (Schultz et al. 2007; Langley et al. 2020). Maar ook als men gemotiveerd is om maatregelen te nemen, gaat men lang niet altijd tot actie over. Er zijn diverse obstakels in het omzetten van intenties naar daadwerkelijk handelen.

Deels komen belemmeringen voort uit het eenvoudigweg niet kunnen handelen, wat deels ligt in de persoonlijke hulpbronnen (bv. geld, tijd en sociaal netwerk) en vaardigheden (zoals informatieverwerking, digitale vaardigheden, netwerkvaardigheden) die woningeigenaren c.q. het huishouden tot hun beschikking hebben. Maar ook in de context van de woning (bv. monumentale woning) kunnen er praktische belemmeringen zijn om voorgenomen gedrag daadwerkelijk ten uitvoer te brengen. Daarnaast zijn er economische randvoorwaarden; zo bepaalt het aanbod van praktisch toepasbare oplossingen uit de markt bijvoorbeeld welke keuzes men ten aanzien van de woning kan maken; de prijs van isolatie/zonnepanelen in combinatie met de energieprijzen en de gerealiseerde hoeveelheid bespaarde/opgewerkte energie bepaalt hoe snel maatregelen terugverdiend kunnen worden. In het geval mensen de benodigde hulpbronnen niet zelf of niet afdoende hebben, is de beschikbaarheid van door de overheid gerealiseerde praktische en/of financiële ondersteuning (bv. advisering, praktische ondersteuning, subsidie) medebepalend. De sturing die uitgaat vanuit lopend beleid is dus ook een relevante factor voor beslissingen van woningeigenaren. Op de ervaren belemmeringen gaan we in hoofdstuk 3 nader in. Ten slotte kijken we naar het daadwerkelijk doen, het uitvoeren van verduurzamingsmaatregelen aan de woning.

Woningverduurzaming is een complex en vaak langdurig proces en vraagt van woningeigenaren nogal wat management skills en overzicht (Galvin 2012). Naast het in actie komen is het doorgaan en omgaan met tegenslag relevant bij dergelijke complexe processen in het voorbereiden en uitvoeren van technische maatregelen. Deze factor, het zogeheten ‘doenvermogen’ (wrr 2017) vergt behoorlijk wat van eigenaarbewoners bij woningverduurzaming (Weijnen et al. 2018). Vanuit het perspectief van de woningeigenaar als consument worden allerlei tools ontwikkeld die intermediaire partijen kunnen benutten om de woningeigenaar effectief en langdurig te kunnen begeleiden bij de ‘klantreis’ die ze maken tijdens zo’n proces van woningverduurzaming (De Wilde en Spaargaren 2017). 11

opmaat

Er komt nogal wat specialistische kennis kijken bij woningverduurzaming. Vanuit het perspectief van de gemiddelde woningeigenaar bezien, kunnen ook woningisolatie en bijbehorende technieken, die vaak al langere tijd in zwang zijn, beschouwd worden als een vorm van innovatie. In zijn zogeheten innovatieadoptietheorie onderscheidt Rogers (1995) groepen van individuen die verschillend kijken naar nieuwe technologie en daardoor minder of meer geneigd zijn een innovatie te adopteren. Kennis, overtuiging, besluitvorming, implementatie en bevestiging vormen onderliggende factoren, die elk beïnvloedbaar zijn, verschillende gedragingen omvatten en in samenhang een zekere fasering in de adoptie van vernieuwing vertegenwoordigen. Rogers onderscheidt daarbij vijf groepen9 die de voorhoede, de volgende massa en de achterhoede in deze vernieuwing vertegenwoordigen. De vraag is of we in deze studie eenzelfde soort beweging zullen kunnen ontdekken in de toepassing van na-isolatie en/of zonnepanelen. 1.5

Actueel beleid

In de basis schetst het Klimaatakkoord uit 2019 de aanpak van het huidige beleid rond woningverduurzaming. In aanvulling daarop en in verbinding met het Europese beleid werd in maart 2020 de langetermijn-renovatiestrategie voor Nederland gepubliceerd (rvo 2020a). Uitgangspunten van dit beleid zijn betaalbaarheid en kostenneutraliteit. Dat kan, als we de kosten […] laten dalen en met betere financiering ervoor zorgen dat voor het overgrote deel van de bewoners de maandlasten van de lening die je aangaat voor de verbouwing niet hoger zijn dan het voordeel dat je op de energierekening boekt. Waar dat niet lukt, zullen we met gerichte ondersteuning moeten komen. (Klimaatberaad 2019: 15) Het woningverduurzamingsbeleid in Nederland omvat een breed palet aan maatregelen, vanwege verschillende schaalniveaus van uitvoering (nationaal, regionaal en gemeente) en vanwege verschillende betrokken sectoren (particuliere woningen, huurwoningen en utiliteit), en vanwege differentiatie in aanpakken (wijkgerichte aanpak, fiscaal, innovatie & opleiding). Een belangrijk deel van de energie-efficiëntiedoelstellingen moet worden gerealiseerd bij nieuwbouw, maar we benoemen hier alleen beleidsinstrumenten voor bestaande woningen en maatregelen die direct aangrijpen op particuliere woningbezitters.

Het enige verplichtende instrument voor particuliere woningeigenaren tot op heden is het verkrijgen van een definitief energielabel10 van de woning bij verkoop van de woning; zij zijn verplicht dit over te dragen aan de nieuwe eigenaar. Dit energielabel geeft de normering voor de energiedichtheid van woningen weer. Elke stap naar een volgend label (‘labelstap’ of ‘labelsprong’) betekent ongeveer 20% tot 25% minder energieverbruik. Een labelstap van G naar F is in absolute zin meer energiebesparend dan van B naar A (Mulder et al. 2013). Daarnaast bestaan er fiscale instrumenten die aanzetten tot woningverduurzaming, waaronder de zogenoemde ‘energieschuif’ en de btw-teruggaaf bij de aanschaf van zonnepanelen. Door de energieschuif wordt de belasting op aardgas de komende jaren gaandeweg hoger en die op elektriciteit een kleine beetje lager; hiermee beogen beleidsmakers te 12

opmaat

bereiken dat men gaat investeren in energiebesparing en in alternatieven voor fossiele energie. Er zijn diverse financiële maatregelen die woningeigenaren zouden moeten helpen om investeringen in woningverduurzaming mogelijk te maken. De financiering kan men bijvoorbeeld organiseren via een verruiming van de hypotheeknorm specifiek voor woningverbetering gericht op co2-emissiereductie. Verder kan men leningen verkrijgen via een publiek warmtefonds (voorheen energiebespaarfonds) en via de energiebesparings- en duurzaamheidsleningen die de financiële instellingen aanbieden. Ook zijn er subsidies die woningeigenaren een kleine tegemoetkoming bieden in de kosten van woningverduurzaming, zoals de Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (seeh), de Investeringssubsidie Duurzame Energie (isde), de Regeling Reductie Energieverbruik (rre) en het verlaagde btwtarief voor woningverbetering. Tot slot noemen we nog de salderingsregeling, die voorlopig nog regelt dat door particulieren aan het elektriciteitsnet teruggeleverde zonnestroom gunstig wordt verrekend met afgenomen stroom. Deze regeling zal vanaf 2023 worden afgebouwd, omdat de terugverdientijd door lagere aanschafkosten steeds korter wordt.

De benodigde eigen investering is voor een deel van de woningeigenaren echter niet haalbaar; enerzijds komt niet iedereen in aanmerking voor een extra hypotheek of heeft men niet de middelen voor het dragen van de rentelast van een (extra) lening. Anderzijds kan niet iedereen een investering voorfinancieren, met als gevolg dat ook subsidies voor veel huiseigenaren niet binnen bereik liggen (Bos et al. 2020). Een nieuw soort instrument is ten slotte de programmatische aanpak. In het programma aardgasvrije wijken beogen gemeenten in proeftuinbuurten wijkaanpakken te ontwikkelen om de beweging naar ‘van het gas af’ te versnellen. Daarbij staat een schaalsprong in woningverduurzaming centraal. Zolang de regionale en gemeentelijke energiestrategieën nog niet bekend zijn, is het onduidelijk wat deze wijkaanpakken precies gaan betekenen voor woningeigenaren in de overige wijken en buurten in Nederland. Door aanscherpingen van beleid vanwege prognoses door Planbureau voor de Leefomgeving (pbl 2020), vanwege de coronacrisis en onder druk van de Urgenda-uitspraak (tk 2019/2020b) en van Europa (ec 2019, 2020), blijft het verduurzamingsbeleid continu in ontwikkeling. Zo werd bijvoorbeeld een aanvullende subsidieregeling voor woningeigenaren geïntroduceerd (rre) en de bestaande seeh-regeling tijdelijk verruimd (Ollongren 2020).

Met ingang van 2021 zijn diverse nieuwe regels gaan gelden, bijvoorbeeld de zogenoemde beng-normen voor nieuwbouwwoningen.11 De verwachting is dat dit zal zorgen voor een bredere introductie van co2-arme en -vrije technieken die vervolgens ook toegepast kunnen worden bij bestaande gebouwen. Ook is de verwachting dat eisen aan de energieprestatie van bouwdelen (zoals muren, daken en ramen) en van technische bouwsystemen (zoals verwarmingsinstallaties) zorgen voor verbetering van bestaande woningen op natuurlijke momenten, bijvoorbeeld bij verkoop en renovatie (rvo 2020a). Er zal worden gewerkt met duurzaamheidsstandaarden per woningtype en met streefwaarden voor de isolatiegraad. De verwachting is dat deze particuliere eigenaren zullen helpen bij verbetering van hun woning en hen aldus laten bijdragen aan de gewenste co213

opmaat

emissiereductie. Een digitaal platform zou de processen in de bouw moeten vergemakkelijken en daarmee ook de processen die bij renovatie komen kijken (rvo 2020a). Europees beleid Het door de Europese Commissie onder leiding van Juncker (2014-2019) tot stand gebrachte Europees wetgevingskader voor klimaat en energie is nog steeds het vigerende kader (pbl 2020). Wel heeft de Europese Commissie bij het aantreden van voorzitter Von der Leyen in december 2019 aangekondigd het ambitieniveau voor klimaat te willen aanscherpen en dit in lijn te willen brengen met de afspraken in de overeenkomst van Parijs. Dit is onderdeel van een veelomvattende Europese Green Deal waarmee de Europese Commissie de Europese economie wil moderniseren. Een belangrijk uitgangspunt hierbij is ‘energie-efficiëntie eerst’. Onder de Green Deal is een groot aantal energiegerelateerde initiatieven aangekondigd, waaronder strategieën voor een renovatiegolf in de gebouwde omgeving. Met de renovatiegolf streeft de Europese Commissie ernaar meer hernieuwbare energie toe te passen in de gebouwde omgeving. Noten 1

2 3

4 5 6

7 8

9

14

Deze afspraken werden gemaakt per sector: naast industrie, energiebedrijven, verkeer en vervoer en landbouw wordt ook de gebouwde omgeving als ‘sector’ gezien. Onder gebouwde omgeving vallen naast woningen ook gebouwen van dienstverlenende bedrijven en organisaties (bv. onderwijs, ziekenhuizen, kantoren, winkels), maar bijvoorbeeld ook straatverlichting (pbl 2020). Finaal eindverbruik: energie verbruikt door eindverbruikers (industrie, gebouwde omgeving, landbouw en mobiliteit). Maatregelen in de sector gebouwde omgeving zijn gericht op het verduurzamen van het resterende energieverbruik in woningen, bv. aardgasvrij bouwen/renoveren, eigen opwek en (via warmtebedrijven) benutten van restwarmte, geothermie en aquathermie. Zonnepanelen kunnen gekoppeld zijn aan een zonneboiler en aldus hernieuwbare warmte opwekken, daar hebben we niet specifiek naar gevraagd. Bij isolatie geldt als randvoorwaarde dat de maatregelen wel moeten passen bij het type woning en ook in de toekomst toereikend moeten zijn voor gebruik van lagetemperatuur-verwarmingssystemen. De bevraagde bewoner van een koopwoning is niet in alle gevallen de eigenaar zelf (bv. in geval van inwonende volwassen kinderen, een (nieuwe) partner die geen mede-eigenaar is). Met het oog op de leesbaarheid spreken we hier wel van woningeigenaren. Bijna 1,2 miljoen koopwoningen vallen onder een van de 125.000 VvE’s.

In ongeveer de helft van de gevallen vallen er ook huurwoningen onder een VvE (cbs 2016). In geval van gemengde bewoning door kopers en huurders (zgn. gespikkelde bouw) en dus een gemengde VvE, is men ook afhankelijk van besluitvorming in de woningbouwcorporatie, waarbij een 70%-instemmingsrecht door huurders geldt. De innovators en early adopters vormen een kleine voorhoede in een grotere beweging. Het gedrag dat deze voorhoede laat zien, brengt vervolgens algauw de early majority in beweging. Deze drie groepen samen vertegenwoordigen volgens Rogers ongeveer de helft van de populatie. De andere helft omvat de late majority als grootste groep, die zonder overtuigingskracht en hulp niet snel zal volgen. Van de achterblijvers, laggards, is het beeld dat ze zelfs met hulp nauwelijks in beweging zullen komen (Rogers 1995).

opmaat

10

11

15

Er is geen goed inzicht in hoe de energielabels verdeeld zijn, aangezien ongeveer de helft een definitief label heeft. Naar schatting heeft 34% van de koopwoningen een ‘groen’ label (A, B) en 38% een ‘rood’ label (D, E, F, G); vooral in de particuliere huursector zou het rode label zijn oververtegenwoordigd (rvo 2020b). Voor woningen met rode labels is energetische verduurzaming het meest nuttig vanuit oogpunt van klimaat en warmtecomfort in de woning. Het Bouwbesluit vereist dat nieuwbouwwoningen sinds 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energie-Neutrale Gebouwen (beng). Ook moet er een minimaal aandeel hernieuwbare energie toegepast worden.

opmaat

2

Woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

In dit hoofdstuk gaan we in op gedrag en gedragsintenties ten aanzien van woningverduurzaming. We kijken daarbij niet alleen naar wat eigenaar-bewoners al hebben gedaan aan de woning, maar ook naar hun intentie om verduurzamingsmaatregelen te treffen. In paragraaf 2.1 gaan we in op het verbeteren van de woningisolatie, in paragraaf 2.2 op het (laten) plaatsen van zonnepanelen. In paragraaf 2.3 gaan we in op beide. We vervolgen met bevindingen over informatie zoeken over woningverduurzaming (§ 2.4) en bundelen de belangrijkste bevindingen in een kort resumé (§ 2.5). 2.1

Na-isolatie van woningen

Middels een vragenlijst is respondenten die een koopwoning bezitten gevraagd naar verbetermogelijkheden,1 de bereidheid (willen2) en het daadwerkelijk uitvoeren (doen3) van isolatiemaatregelen aan de vloer, spouwmuren of het dak van de bestaande woning. Bij gebrek aan een goede indicator van de energie-efficiëntie van de woning, om het gedrag en intenties ten aanzien van woningverduurzaming tegen af te zetten, gebruiken we hier een proxy. Het energielabel is immers niet accuraat, aangezien de helft van de woningen nog een voorlopig energielabel heeft, en aangezien de wel toegekende definitieve labels aan de andere helft van de woningen lang niet altijd de feitelijke energetische kwaliteit van een woning weerspiegelt. Als proxy gebruiken we daarom een construct dat op basis van bouwkarakteristieken, waaronder het (voorlopige of definitieve) energielabel, bepaalt in hoeverre een woning in theorie meer of juist minder energie-efficiënt is. We hanteren daarbij twee categorieën, namelijk onzuinige respectievelijk zuinige woningtypen. Minder energie-efficiënt en dus onzuinig zijn in principe de woningen die zijn gebouwd vóór het jaar 2000, die een lager (C t/m G) energielabel4 hebben en die grondgebonden zijn (dus exclusief flat, appartement, etage-, boven- of benedenwoning5). Zie tabel B.1 voor de verdelingen van (on)zuinige woningen op deze variabelen.

2.1.1 Isolatie verbeterd Wat betreft het doen: een kwart van de huizenbezitters zegt de isolatie van de woning te hebben verbeterd (figuur 2.1). Zo’n een vijfde deel (22%) antwoordt niet te hebben geïsoleerd omdat de isolatie van de woning al op orde was toen men de woning betrok. Grofweg de helft van de woningbezitters is nog niet in actie gekomen op dit punt (47%) of weet niet (6%) of dat is gebeurd. Door de eigenaren van onzuinige woningtypen is vaker de woningisolatie verbeterd dan door die van zuinige woningen (38% vs. 9%), zoals te verwachten, aangezien het effect van maatregelen in onzuinige woningen het grootst is. Eveneens plausibel is dat de eigenaren van zuinige woningen vaker dan die van onzuinige woningen aangeven dat de isolatie al goed is (40% vs. 7%). Gemiddeld 6% van de respondenten weet niet of de isolatie is verbeterd.6 De groep die nog geen isolatie heeft toe-

16

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

gepast, is in beide gevallen ongeveer even groot (48% bij onzuinige vs. 45% bij zuinige woningen). Figuur 2.1 De meeste woningeigenaren hebben (nog) geen isolatiemaatregelen genomen in de huidige woning Frequentie van isolatieadoptie in zuinige versus onzuinige woningen (in procenten, gewogen cijfers)a, b, c

totaal (n = 1626)

25

onzuinige woning (n = 925)

22

38

zuinige woning (n = 701)

7

40

6

48

7

45

6 scp.nl

9

47

0

10

20

30

ja, isolatie verbeterd

a b c

40

50

60

woning was al goed geïsoleerd

70

80

nee

90

100

weet niet

Stelling: Ik heb (mijn huishouden heeft) de woningisolatie verbeterd door het (laten) aanbrengen van vloer-, spouwmuur- of dakisolatie. Operationalisatie onzuinige woningen: selectie op grondgebonden, bouwjaar vóór 2000 en energielabel C t/m G). Getoetst met chikwadraattoets; het verschil is significant bij p < 0,001.

Bron: scp (vet’19)

De bevinding dat bijna de helft van de woningeigenaren nog geen isolatiemaatregelen heeft genomen, strookt met ander onderzoek (Groot en Ryszka 20197). Het feit dat dit percentage ook geldt voor onzuinige woningen geeft aan dat er nog een flink verbeterpotentieel is. Gedifferentieerd naar bouwperiode van de woning zegt 71% van de eigenaren van de categorie woningen gebouwd vanaf 2000 dat de isolatie al goed is (figuur 2.2). Isolatie is door relatief veel eigenaren (45%) toegepast in de oudste woningen (gebouwd voor 1975) en door minder (16%) in de woningen uit de periode 1975-2000. De bevindingen over het aandeel woningeigenaren dat wel heeft geïnvesteerd in isolatie zijn lastig te vergelijken met de Woon-surveys, omdat daarin getrapt gevraagd wordt naar bredere investeringen in de woning, waaronder energie-investeringen (in onze studie vragen we direct naar isolatiemaatregelen) en de vraag werd ingekaderd voor de afgelopen 17

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

vijf jaar (in onze studie is geen tijdsframe gegeven). Desondanks kunnen we stellen dat de bevinding dat gemiddeld 25% van de eigenaren heeft geïsoleerd in lijn ligt met andere bronnen. Op basis van de grootschalige WoON-studie 2012 werd gevonden dat 21% van de eigenaren in de afgelopen vijf jaar investeerde in onder meer isolatie van de woning (Tigchelaar en Leidelmeijer 2013).8 Recenter vond abf Research op basis van de Energiemodule uit de WoON-studie 2018 dat bijna een kwart van de woningeigenaren isolatie van dak, vloer en/of muren heeft toegepast (abf 2019).9 Figuur 2.2 Eigenaren van de oudste woningen hebben vaker isolatiemaatregelen toegepast Frequentie van isolatieadoptie naar bouwjaar van de woning (in procenten, gewogen cijfers)a, b

25

totaal (n = 1626)

22

na 2000 (n = 277) 1

47

6

71

23

5

38 1975-2000 (n = 671)

16

18

59

45

4

45

6 scp.nl

voor 1975 (n = 678)

7

0

10

ja, isolatie verbeterd

a b

20

30

40

50

60

woning was al goed geïsoleerd

70

80

nee

90

100

weet niet

Stelling: Ik heb (mijn huishouden heeft) de woningisolatie verbeterd door het (laten) aanbrengen van vloer-, spouwmuur- of dakisolatie. Getoetst met chikwadraattoets; het verschil is significant bij p < 0,001.

Bron: scp (vet’19)

Wat is er te zeggen over het soort van isolatie dat men toepaste? Van degenen die isolatiemaatregelen hebben getroffen (tabel 2.1) rapporteert ruim twee derde deel het dak te hebben geïsoleerd, ruim de helft de muren en de helft de vloeren. Dit beeld is vrijwel gelijk voor de meer onzuinige en zuinige woningtypen. Wanneer we deze cijfers percenteren over de hele groep woningeigenaren, dan is het aandeel eigenaren dat heeft geïnvesteerd in isolatie van de vloer 14%, het dak 19% en muren 15%. Deze cijfers liggen net iets hoger dan abf vond in 2018 (resp. 11%, 12% en 10%). Over spouwmuurisolatie wordt het vaakst gezegd dat deze al goed is. 18

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

We hebben ook gekeken naar tochtmaatregelen als meer laagdrempelige manier om de energiezuinigheid van de woning te verbeteren. Maatregelen ter bestrijding van tocht in de winter zijn door ruim een derde deel van de woningeigenaren genomen, zoals te verwachten vaker in onzuinige dan in zuinige woningen. Het nemen van isolatiemaatregelen hangt significant samen met het nemen van maatregelen tegen tocht.10 Tabel 2.1 De eigenaar-bewoners die isoleerden hebben het vaakst het dak aangepakt Frequentie van isolatieadoptie naar onderdelen van de woninga en van tochtmaatregelenb (in procenten, ongewogen cijfers)

ja, isolatie verbeterd nee, isolatie niet verbeterd dit (deel van de isolatie) was al goed weet niet a b

vloer (n = 441)

dak (n = 441)

spouwmuren (n = 441)

tochtmaatregelenb (n = 1626)

53 43 1

69 27 3

50 40 6

36 35 24

2

1

5

4

Respondenten die aangaven de woningisolatie te hebben verbeterd (n = 441) kregen als vervolgvraag voorgelegd: Kunt u aangeven wat u hebt (laten) verbeteren? Alle woningeigenaren zijn bevraagd over het nemen van tochtmaatregelen.

Bron: scp (vet’19)

2.1.2 Kunnen en willen isoleren Afhankelijk van het antwoord op de vraag of men de woningisolatie had verbeterd, kregen respondenten vervolgens stellingen voorgelegd over verbetermogelijkheden (kunnen) en het willen verbeteren van de isolatie van hun woning. Aan degenen die aangaven dat de woning al (zeer) energiezuinig was toen men er kwam wonen, is gevraagd of zij toch nog verbetermogelijkheden zien. Het betreft een relatief kleine groep respondenten (n = 360), dus deze cijfers zijn puur indicatief (geen tabel). Gemiddeld 19% van deze groep antwoordt positief, met een significant verschil tussen eigenaren van onzuinige woningtypen (34%) en die van zuinige woningtypen (16%). Er lijken dus logischerwijs iets meer verbetermogelijkheden te zijn in onzuinige woningtypen dan in de zuinige woningtypen. Maar toch wordt door gemiddeld 19% van de eigenaren na-isolatie van de woning alsnog nuttig gevonden, zelfs als de woning eerder werd beoordeeld als (zeer) energiezuinig. Hoe groot is de bereidheid onder woningeigenaren om te verduurzamen door te isoleren? In dit onderzoek is de vraag naar het willen na-isoleren aan een subpopulatie woningeigenaren voorgelegd, namelijk aan degenen die nog niet hebben na-geïsoleerd (of er niet van op de hoogte zijn) en degenen die nog verbetermogelijkheden zien (n = 898).

In deze subgroep geeft 42% aan de isolatie te willen verbeteren; daarbij maakt het geen verschil of ze een zuinig of onzuinig type woning hebben. Daar tegenover staat een relatief grote groep (46%) die niet wil na-isoleren, ook ingeval ze een onzuinig woningtype bewonen. 19

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

De overige 12% geeft aan hierover niet te kunnen beslissen. Bezien over de totale populatie eigenaren van woningen die nog energiezuiniger kunnen, is de groep die niet bereid is tot na-isolatie wellicht zelfs nog groter. Want de groep die de isolatie wel al deels verbeterde (en deze vraag niet voorgelegd heeft gekregen), zal niet altijd bereid zijn dit opnieuw op te pakken. Met 46% is het aandeel woningeigenaren dat niet bereid is de isolatie te verbeteren opvallend groot, zeker vanuit het perspectief van de groep die een onzuinige woning heeft en mogelijkheden ziet om de isolatie te verbeteren. Vanuit de bevinding in deze studie dat bijna twee derde van de onzuinige woningtypen een (voorlopig) energielabel D t/m G heeft (zie tabel B.1) is er hier in de meeste gevallen naar verwachting dus nog een flinke winst te behalen. Volgens schattingen van rvo (2020b) zouden er nog extra maatregelen kunnen worden genomen in 2,7 miljoen woningen met energielabel D of lager. Dit roept de vraag op of er achter dit niet willen misschien een niet kunnen schuilgaat. In hoofdstuk 3 gaan we uitgebreider in op barrières die huisbezitters rapporteren in relatie tot het al dan niet willen verduurzamen. Er is dus een flinke groep eigenaren met een onzuinige woning die, om wat voor redenen dan ook, de isolatie niet wil verbeteren.

Dit roept de vraag op of het hier specifieke groepen woningeigenaren of contexten betreft die specifieke belemmeringen meebrengen. We relateerden de eigenaren van onzuinige en zuinige woningen aan enkel achterliggende sociaal-demografische kenmerken (zie tabel B.2). Eigenaar-bewoners van onzuinige woningen zijn in deze onderzoeksgroep gemiddeld significant ouder, lager opgeleid, niet werkend of gepensioneerd. Ook kunnen ze minder gemakkelijk rondkomen, maar dit beeld is scherper wanneer we het afzetten tegen het energielabel van de woning (figuur 2.3). Deze kruistabel toont een samenhang tussen het moeilijk kunnen rondkomen en het vaker wonen in een woning met een lager energielabel. Tegelijkertijd spelen hierbij ook andersoortige (persoons-/huishoudens-/omgevings)karakteristieken een rol (zie tabel B.2), dus de financiële situatie vertelt niet het hele verhaal. En een dergelijke analyse leent zich niet om een oorzakelijk verband te leggen, dus we kunnen niet zeggen dat het een de oorzaak zou kunnen zijn van het ander. Wel is bekend dat lagere-inkomensgroepen vaker zeggen de kosten van woningverduurzaming niet te kunnen betalen (Kullberg en Ras 2019).

20

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

Figuur 2.3 Eigenaren die (zeer) moeilijk kunnen rondkomen, wonen vaker in onzuinige woningen Frequentieverdeling van financieel rondkomen naar energielabel van de woning(in procenten, gewogen cijfers)a, b 100

zeer gemakkelijk

90 31

31

23

26

20

14 30

gemakkelijk

26

niet moeilijk / niet gemakkelijk

80 70

35

(zeer) moeilijk

41

60 40

50

43

44

37

41

26

28

8

6

G

totaal (n = 1513)

49 40

20 10

25

A

b

32 27

20

0

a

28

3

6

4

6

B

C

D

E

11 F

scp.nl

39

30

Hoe moeilijk of gemakkelijk kunt u (of kan uw huishouden) op dit moment van uw totale netto huishoudinkomen rondkomen, dat wil zeggen, de gebruikelijke noodzakelijke uitgaven betalen? Getoetst met chikwadraattoets; het verschil is significant bij p < 0,001.

Bron: scp (vet’19)

Dit is in lijn met eerdere bevindingen dat in onzuinige woningen gemiddeld genomen meer lagere-inkomensgroepen wonen, maar ook meer ouderen en lager opgeleiden (Tigchelaar en Leidelmeijer 2013; Kullberg en Ras 2019). Van ouderen is bijvoorbeeld bekend dat ze minder geneigd of in staat zijn te investeren in de woning (zie o.a. Van Middelkoop 2014; Schilder 2019; Bos et al. 2020), hogere-inkomensgroepen en groepen van middelbare leeftijd doen dit juist meer (abf 2019). Dit duidt erop dat financiële belemmeringen een belangrijke rol spelen in het niet kunnen verduurzamen door een deel van de eigenaren van onzuinige woningtypen. In hoofdstuk 3 gaan we in op empirische cijfers van ervaren financiële belemmeringen en andere redenen om niet te isoleren. Geografisch gezien zijn de onzuinige woningen in dit onderzoek gemiddeld vaker gesitueerd in relatief ruim opgezette woonmilieus (niet-stedelijke en weinig stedelijke postcodegebieden). In dergelijke woonmilieus zijn meer vrijstaande woningen en meer oudere woningen te vinden, waarvan bekend is dat de verduurzaming meer kosten met zich mee zal brengen (Van Hoek en Koning 2018).

21

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

2.1.3 Diepe renovatie Hoe hoger de isolatiegraad van de woning (of van de afzonderlijke onderdelen van de woningschil: muren/gevels, beglazing, vloer en dak), des te beter zal de woning de warmte in de winter vasthouden, en tevens in de zomer de hitte kunnen weren. Een diepgravende empirische studie naar de energiebesparing in particuliere woningen in Nederland laat zien dat in 78% van de gerenoveerde woningen één of twee energiebesparende maatregelen zijn doorgevoerd; dit wordt gezien als bewijs dat er een gebrek is aan diepgaande renovatie (Filippidou et al. 2019). Cijfers van rvo zijn hier lastig mee te vergelijken, want zij benaderen energiebesparende maatregelen breder; dit omvat bijvoorbeeld ook de keuze voor een hr-ketel of zonnepanelen. Volgens schattingen troffen in 2019 ruim 1,2 miljoen huishoudens één of meer energiebesparende maatregelen, waarvan 380.000 huishoudens twee of meer maatregelen; bij 63% ging het om het renoveren van koopwoningen (rvo 2020b).

We hebben respondenten gevraagd naar de toepassing van dak-, spouwmuur- of vloerisolatie, dus tellen isolatiemaatregelen hier op tot maximaal drie gerapporteerde maatregelen.11 Uit figuur 2.4 blijkt dat eigenaren van onzuinige woningtypen, waarvoor we op grond van objectieve woningkenmerken verwachten dat ze het meest baat zullen hebben bij isolatiemaatregelen, duidelijk vaker maatregelen hebben genomen en ook méér maatregelen hebben genomen (vergeleken met de totale populatie). In gemiddeld 22% van de woningen zijn geen maatregelen zijn genomen, wat in lijn is met de zelfrapportage door de respondenten dat deze woning al (zeer) energiezuinig was (zoals we ook eerder in figuur 2.1 al zagen). Dit beeld, dat in het overgrote deel van de renovaties één of twee maatregelen worden genomen, komt overeen met Filippidou et al. (2019). Ook in onzuinige woningen worden dus in zeer beperkte mate drie maatregelen genomen, en dat betekent voor woningen uit de laagste energieklassen dat een groen energielabel niet snel binnen bereik komt.

22

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

Figuur 2.4 De eigenaren van onzuinige woningtypen hebben vaker en meer isolatiemaatregelen genomen in de huidige woning Frequentie van het genomen aantal maatregelen in zuinige versus onzuinige woningen (in procenten, gewogen cijfers)a, b, c

totaal (n = 1626)

22

onzuinige woning (n = 926)

53

7

12

55

zuinige woning (n = 701)

18

14

4

6

51

4 22 scp.nl

40

9

0

woning al zuinig

a b c

10

20

0 maatregelen

30

40

1 maatregel

50

60

70

2 maatregelen

80

90

100

3 maatregelen

Vraagformulering was: U heeft aangegeven dat u de woningisolatie verbeterd heeft. Kunt u aangeven wat u heeft (laten) verbeteren? Onzuinige woningtypen: selectie van minder energie-efficiënte woningen (geselecteerd op grondgebonden, bouwjaar voor 2000 en (voorlopig) energielabel C t/m G). Getoetst met chikwadraattoets; het verschil is significant bij p < 0,001.

Bron: scp (vet’19)

Relateren we het toepassen van isolatiemaatregelen aan het energielabel van woningen, dan zien we twee interessante zaken (figuur 2.5). Ten eerste laat de figuur een duidelijk patroon zien, namelijk dat het aandeel woningeigenaren dat heeft geïsoleerd, oploopt naarmate de woning onzuiniger is. Dit beeld gaat op voor de labels B tot en met F, maar niet voor label G, dat staat voor de meest onzuinige woningen.12 Opvallend is dat het aandeel na-isolatie daar terug lijkt te zakken, terwijl juist in dit type woningen met isolatie een flink voordeel te behalen is qua energiebesparing en warmtecomfort. Het achterblijven in verduurzaming van G-label woningen past in het beeld dat in dit type woningen vooral kwetsbare groepen leven, die nauwelijks aan woninginvesteringen toe komen. Maar wanneer we specifiek kijken naar de bewonerskarakteristieken behorende bij labelG-woningen, dan komt daaruit toch een aanvullend beeld naar voren. We vinden dat in label-G-woningen inderdaad relatief meer mensen wonen die lager opgeleid zijn en 23

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

moeilijk kunnen rondkomen. Maar anderzijds wonen er ook relatief meer hogeropgeleiden, hogere-inkomensgroepen (tabel B.2)13 en mensen die gemakkelijk rond kunnen komen (figuur 2.3). Dit strookt met eerdere bevindingen (Kullberg en Ras 2019). Enkele studies laten zien dat hoogopgeleiden in het algemeen meer geneigd zijn hun woning te verduurzamen (Heiskanen en Matchoss 2017; Pelenur en Cruickshank 2012). De algemene verwachting dat deze groepen sneller overgaan tot isoleren, gaat bij label-G-woningen kennelijk niet op. De verklaring hiervoor ligt waarschijnlijk niet zozeer in het niet willen, als wel in niet kunnen isoleren van deze woningen. Want bij de oudere gebouwen (vóór 1945 gebouwd) is isoleren tamelijk ingewikkeld vanwege bijvoorbeeld ontbrekende spouw; ook hebben deze woningen vaker een monumentale status. En het optrekken van het energieniveau tot minimaal label C zal in dit type woningen een kostbare zaak zijn. Waarschijnlijk speelt ook voor een meer bemiddelde groep eigenaren het kostenplaatje van isolatie een rol. Figuur 2.5 In de minst energie-efficiënte woningen blijft de isolatie door eigenaren achter Frequentieverdeling van isolatieadoptie naar energielabel van de woning (n = 1547, in procenten, gewogen cijfers)a, b 100

8

4

7

7

11

7

4

weet niet

7

90 80

nee 17 33

43 70

51

47

5 61

4 48

49

38 28

A

25

18

scp.nl

14

0

b

56

12

20

a

21

14

30

10

ja, isolatie verbeterd

3

50 40

42

46

63

60

woning was al goed geïsoleerd

5 B

C

D

E

F

G

totaal

Het energielabel is gebaseerd op het register van het (voorlopige) energielabel, zoals 1 januari 2019 bekend in bag. Getoetst met chikwadraattoets; het verschil is significant bij p < 0,001.

Bron: scp (vet’19)

Ten tweede blijkt uit figuur 2.5 dat 14% van de label-A-woningen na-isolatie heeft ondergaan, wat atypisch lijkt voor dit energielabel. Dit duidt erop dat waarschijnlijk sprake is van een labelsprong (verbeterd energielabel) naar label A dankzij na-isolatie en wellicht ook 24

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

zonnepanelen. Dit past in het beeld dat er relatief veel label-A-woningen zijn met een definitief energielabel (rvo 2020b). Overigens zal ook voor een deel van de label-G-woningen gelden dat er verduurzaming heeft plaatsgevonden en een labelsprong naar ten minste F is gemaakt; dit verklaart wellicht het relatief grote aandeel eigenaren met label F dat zegt de isolatie te hebben verbeterd en het relatief kleine aandeel bij label-G-woningen. Overigens kan de situatie ook zijn dat verbeterde isolatie in theorie wel tot een labelsprong heeft geleid, maar dat het energielabel daarop nog niet is aangepast. 2.2

Zonnepanelen op het dak

Het is niet duidelijk hoeveel woningen in Nederland zonnepanelen op het dak hebben liggen (rvo 2020b). Berekeningen op basis van opgewekte zonne-energie (uitgaande van een gemiddeld aantal zonnepanelen per dak) hebben geleid tot de schatting dat er eind 2019 ongeveer één miljoen woningen zouden zijn met zonnepanelen (rvo 2020b). Volgens zelfrapportage door eigenaar-bewoners in de vragenlijst liggen er bij gemiddeld 21% van de woningen zonnepanelen op het dak (niet in tabel). Hierbij blijkt het een significant verschil te zijn of een woning beschikt over een eigen dak. Want 24% van de eigenaren van een woning met een eigen dak gaf aan zonnepanelen te hebben, tegenover 8% van de woningen met een gedeeld dak (zoals in geval van flats, appartementen, boven- en benedenwoningen). Ook naar bouwperiode lijkt er sprake van duidelijke verschillen (niet in tabel): de meeste panelen liggen op de jongere woningen gebouwd na 2000 (28%), de minste op de woning gebouwd voor 1975 (15%). Voorgaande cijfers gaan over de status quo wat betreft zonnepanelen op koopwoningen. Hieronder gaat we in op het in actie (willen) komen door eigenaren, door middel van het aanschaffen en op het eigen dak leggen van zonnepanelen.

We vroegen respondenten in hoeverre ze zonnepanelen op de woning hebben geplaatst of laten plaatsen.14 Een eventuele investering in zonnepanelen op daken van andere gebouwen15 is hier buiten beschouwing gebleven. We zoomen in op de populatie eigenaarbewoners die de beschikking hebben over een eigen dak en dus autonoom16 zijn in de beslissing tot investeren in zonnepanelen. Circa een kwart van de eigenaren van een woning met een eigen dak (22%) rapporteert zonnepanelen op het dak te hebben gelegd (figuur 2.6). Volgens 2% was de woning al van zonnepanelen voorzien door de vorige eigenaar. Kijken we naar de ouderdom van de woningen, dan blijken zonnepanelen relatief iets vaker door de eigenaar aangebracht op woningen gebouwd in de periode 1975-2000 (26%) en minder vaak op de oudere woningen (18%). We zagen in paragraaf 2.1 dat in oudere woningen juist vaker is geïnvesteerd in isolatie, dus het is plausibel dat eigenaren dan minder budget overhouden voor zonnepanelen. Voor een deel van de woningen kan ook een verklaring zijn dat ze in een beschermd stads- of dorpszicht staan of monument zijn, en het vaak niet is toegestaan zonnepanelen op het dak te leggen. Een andere verklaring kan zijn dat naarmate men langer in dezelfde woning woont (dit gaat het meest op voor ouderen), de kans kleiner wordt dat er maatregelen worden genomen (Vringer et al. 2014). 25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=b3a0d75b-13e2-4212-9733-2166edf9ef19