Achtergrondinformatie - Vergelijk basis modelverordening.pdf
Tekst van het document
Aan deze verwachtingszones zijn vervolgens ondergrenzen (in ruimte en diepte) gekoppeld waarbij rekening gehouden is met de kans op aantreffen van een vindplaats binnen een te ontwikkelen plangebied. Hoe lager de trefkans (en verwachting) des te groter kan de verstoring in het te ontwikkelen plangebied zijn.
k. Gemeentelijk kerkelijk monument Vanwege de integrale benadering van het cultureel erfgoed wordt ook het onderscheid tussen verschillende typen monumenten (bijvoorbeeld gebouwd monument of, archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het ) ondergebracht in de integrale term beschermd gemeentelijk monument. Het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De gemeentelijk kerkelijk monument is echter in deze verordening gehandhaafd in navolging van de Erfgoedwet. Zo blijft de gelijke behandeling tussen eigenaren van rijks- en gemeentelijk kerkelijke monumenten geborgd. Ook ingeval van een vergunning voor het gemeentelijke kerkelijk monument is, net als bij een kerkelijk rijksmonument, overleg tussen eigenaar en vergunningverlener vereist (zie artikel 10 lid c), maar alleen in geval de aanvraag de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening betreft. Voor bijvoorbeeld een pastorie, een catechisatieruimte of verblijven van kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel dan niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere monumenten gelden.
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 23
l. Gemeentelijk monument Met het begrip gemeentelijk monument is aansluiting gezocht bij de Erfgoedwet. Deze stelt in art. 3.1. dat een monument kan worden aangewezen als het van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. Het betreft in alle gevallen een onroerende zaak of terrein. Tot de onroerende zaken horen ‘aard- en nagelvaste onderdelen als kerkorgels of schouwen of andere zaken die naar de verkeersopvatting onderdeel van de onroerende zaak uitmaken. Ook groene elementen, zoals houtopstanden, solitaire - of gedenkbomen vallen onder de begripsbepaling van gemeentelijk monument. Roerende zaken vallen buiten de werking van de Erfgoedverordening Voorschoten 2016. Wel wordt, aansluitend bij de Erfgoedwet, erkend dat er sprake kan zijn van een waardevol ‘ensemble’. Bij een ensemble bestaat er een onlosmakelijke en waardevolle verwevenheid tussen het gebouw(en) met zijn interieur, (groene)omgeving en ondergrond. Een bekend type van een ‘ensemble’, met een grote ruimtelijke en functionele verwevenheid is de buitenplaats. Het hoofdhuis en bijgebouwen met hun interieurs en de tuin- en parkaanleg zijn in onderlinge samenhang tot stand gekomen. Dergelijke ensembles kunnen met deze Erfgoedverordening naar analogie van de Erfgoedwet als ‘complex’ worden beschermd.
Voor archeologische monumenten geldt dat onder dit begrip wel zaken kunnen worden gerekend, die naar hun aard roerend zijn. Tot het archeologisch terrein horen immers alle zaken die zich in het terrein (in de bodem) bevinden en die tot het monument behoren zolang er geen sprake is van een opgraving van de betreffende roerende zaken.
m. Gemeentelijk erfgoedregister Met wijziging van het begrip gemeentelijke monumentenlijst in erfgoedregister en de definiëring van dit begrip wordt voldaan aan het gestelde in art 3.16, derde lid van de Erfgoedwet, die de verplichting inhoud tot een lijst die niet alleen betrekking heeft op beschermde gemeentelijke zaken, maar ook die van het Rijk. Het is een openbaar document (zie artikel 7 lid c). De opname in het gemeentelijke erfgoedregister heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de opname in het register is het de aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de als gemeentelijke monument die het rechtsgevolg beoogt. De aanwijzing en plaatsing zijn daarom uit elkaar getrokken. Zie artikel 3, lid a en artikel 7.
o. Monument De term monument is gekoppeld aan de veel bredere omschrijving en integrale benadering van het cultureel erfgoed zoals hierboven toegelicht.
p. onderzoek: Op grond van een aanvraag tot wijziging van een monument kan een (cultuurhistorisch) onderzoek van belang zijn. De gemeente bepaalt welke vorm van onderzoek noodzakelijk is en dat (de uitkomst van) het onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot een Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 24
beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet, mede op basis van jurisprudentie, wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument en de betekenis ervan voor het monumenten in relatie tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Voor een aantal typen onderzoek zijn landelijke richtlijnen vastgesteld, die worden gehanteerd: –
Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, opgesteld onder auspiciën van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Stichting Bouwhistorie Nederland, Atelier Rijksbouwmeester en Rijksgebouwendienst, april 2009;
–
Een handreiking voor cultuurhistorisch onderzoek, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Amersfoort 2014; deze handreiking richt zich vooral op de verplichte afweging van cultuurhistorie in bestemmingsplannen;
–
Handreiking erfgoed en ruimte, digitale handleiding op de website van de RCE; deze handreiking richt zich vooral op de verplichte afweging van cultuurhistorie in bestemmingsplannen
–
Richtlijnen tuinhistorisch onderzoek: voor waardestellingen van groen erfgoed, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Amersfoort, 2012
–
Archeologisch onderzoek, dat tot doel heeft om archeologische waarden in de ondergrond te onderzoeken, te verzamelen en te documenteren mag volgens de Erfgoedwet 2016 uitsluitend worden uitgevoerd door daartoe gecertificeerde instanties en naar maatstaven van de vigerende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
q. Opgraving Betreft reguliere handelingen die moeten worden uitgevoerd om ondergrondse archeologische resten die door planvorming worden bedreigd veilig te stellen. Overeenkomstig de omschrijving in de Erfgoedwet art. 1.1 en paragraaf 5.1.
r. Plan van aanpak Conform de KNA dient elke archeologisch booronderzoek, waardestellend (sleuvenonderzoek), opgraving en archeologische begeleiding te worden uitgevoerd aan de hand van een plan van aanpak (PvA). Het betreft hier een gedetailleerd werkplan van de te volgen werkwijze bij de uitvoering van een archeologisch onderzoek. Het PvA dient door de archeologische uitvoerder te worden op gesteld conform de vigerende versie van de KNA en de eventueel aanvullende richtlijnen van het bevoegd gezag. Hierbij geldt dat de afspraken en procedures in overeenstemming moeten zijn met het Programma van Eisen (zie onder q (indien aanwezig) en het contract met de opdrachtgever. Het PvA bevat tenminste de probleemformulering van het onderzoek en een verwijzing naar uitkomsten (waardering/ verwachtingsmodel) bureauonderzoek en bij IVO-proefsleuven naar het PvE.
s. Programma van eisen Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 25
Een Programma van Eisen (PvE) is een document waar in het bijzonder de wetenschappelijke vraagstelling is omschreven en waarmee duidelijk wordt gemaakt welke vraagstelling beantwoord dient te worden met het beoogde archeologisch onderzoek. Het programma van Eisen is een door het college vastgesteld onderzoekskader, waarin kaders worden gesteld voor doel, uitvoering en rapportage van gravend archeologisch onderzoek, hetzij in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning, hetzij als onderdeel van de voorschriften bij de omgevingsvergunning.
t. Redengevende omschrijving Een redengevende omschrijving is nodig om een onroerende zaak of terrein voor te kunnen dragen voor gemeentelijke bescherming. Naast een aantal gegevens ter identificatie van het object, zoals het adres en de kadastrale gegevens, wordt een omschrijving gegeven. Ook staat beschreven welke bijzondere cultuurhistorische kwaliteiten en waarden er zijn die de aanwijzing als gemeentelijk monument rechtvaardigen. Er wordt daarbij gemotiveerd waarom het object van algemeen belang is. In geval van afvoering als gemeentelijk monument dient op dezelfde wijze aan de hand van de criteria te worden getoetst waarom de zaak of terrein niet meer in aanmerking komt voor bescherming. In de toelichting van artikel 3, Lid a staat welke algemene criteria worden gehanteerd. Een meer uitgebreide toelichting op de criteria wordt gegeven in de bijlagen 3 en 6 van de Kadernota Erfgoed 2013–2017, Voorschoten 2013.
u. Rijksmonument Dit betreft een monument zoals bedoeld in art. 1.1. van de Erfgoedwet. Een monument is een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed. Op basis van artikel 3.1.1 kan een monument of archeologische monument worden aangewezen als rijksmonument uit oogpunt van algemeen belang wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.
v. Selectiebesluit Een gemotiveerd besluit van de bevoegde overheid tot het al dan niet behouden van een bepaalde archeologische vindplaats. Het besluit leidt tot het al dan niet, of onder voorwaarden, vrijgeven van een terrein of het nemen van archeologische maatregelen;
w. Omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 Omgevingswet
x. Beeldbepalende zaak of terrein Bij een aanvraag om vergunning wordt uitsluitend getoetst aan onderstaand specifieke beoordelingskader: 1. De bouwmassa, naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen; 2. De dakvorm, nokrichting en dakhelling; 3. De gevelindeling door bijvoorbeeld vensters, deuren en erkers; Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 26
4. De dakoverstekken, goot en daklijsten; 5. De stoepen, plinten, pilasters, gevellijsten en ornamenten; 6. Het materiaalgebruik; 7. De bouwtypologie; 8. De uitstraling of beeldbepaling in de openbare ruimte; 9. Het interieur blijft buiten beschouwing bij de toetsing van wijzigingen y. Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht Bij een aanvraag om vergunning wordt uitsluitend getoetst aan onderstaand specifieke beoordelingskader: 1. De bouwmassa, naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen; 2. De dakvorm, nokrichting en dakhelling; 3. De gevelindeling door bijvoorbeeld vensters, deuren en erkers; 4. De dakoverstekken, goot en daklijsten; 5. De stoepen, plinten, pilasters, gevellijsten en ornamenten; 6. Het materiaalgebruik; 7. De bouwtypologie; 8. De uitstraling of beeldbepaling in de openbare ruimte; 9. Het interieur blijft buiten beschouwing bij de toetsing van wijzigingen
Artikel 2te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwetbestemming, maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent; één en ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand. Dit artikel is van belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de besluitvorming op een vergunningaanvraag. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als gemeentelijk beschermd monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de verordening van vóór 2016 (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening.
Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd.
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 27
Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (een bouwwerk of (groen)aanleg). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijke gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wkpb. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Tweede lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar.
Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Ow en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.
Artikel 7. Voorbescherming Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. De voorbescherming voor gemeentelijk monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wkpb en vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeideuit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Ow blijft gelden voor rijksmonumenten). De voorbescherming van rijksmonumenten loopt onder de Ow via de definities ‘voorbeschermd rijksmonument’ en
‘rijksmonumentenactiviteit’ en de vergunningplicht in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Ow. Een rijksmonumentenactiviteit is vergunningplichtig en betreft gelet op de definitie ook voorbeschermde rijksmonumenten. In de definitie van ‘voorbeschermd rijksmonument’ staat wat er onder wordt verstaan (hetzelfde als tot 1 juli 2022).
Artikel 8. Advies gemeentelijke adviescommissie Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Ow. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg. De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling te regelen van een commissie waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht. In de praktijk wordt de monumentencommissie bijvoorbeeld wel gecombineerd met een commissie voor ruimtelijke kwaliteit. Artikel 8 Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 28
maakt daarvan gebruik om mogelijk te maken dat vooruitlopend op de Ow gewerkt kan worden met een bredere gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Nu een voorwaarde van de Ow zal zijn dat geen leden van het gemeentebestuur deel uitmaken van deze commissie (onder de Monumentenwet 1988 geldt dat voor leden van burgemeester en wethouders), is deze voorwaarde daartoe overgenomen in deze verordening. Onder de Ow zal op basis van artikel 17.9 een gemeentelijke adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het gaat (onder de Ow) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Ow) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Ow maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze adviescommissie mogelijk.
De gemeentelijke adviescommissie is geregeld in de [citeertitel Verordening op de
gemeentelijke adviescommissie].
Artikel 9. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Nadere toelichting bij te maken keuze eerste lid Gemeenten kunnen afhankelijk van de gekozen beslistermijn er zelf voor kiezen of het artikel nog nadere toelichting behoeft. Als voor de termijn van 26 weken gekozen wordt kan bijvoorbeeld het volgende opgenomen worden: “Wat betreft de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).”
Artikel 10. Bekendmaking rechthebbenden en inschrijving
aanwijzingsbesluit
aan
Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wkpb. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wkpb.
Artikel 11. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 8 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van paragraaf 4 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 29
wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.
Artikel 12. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister, in een provinciaal erfgoedregister of een provinciale omgevingsverordening.
Artikel 13. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Het verbod op beschadigen en vernielen van rijksmonumenten en voorbeschermde rijksmonumenten wordt onder de Ow geregeld in artikel 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal).
Artikel 14. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Dit artikel is oorspronkelijk gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en vanwege het
overgangsrecht tot en met 2029 inhoudelijk zoveel mogelijk gelijk gebleven. Wel is een bepaling conform artikel 3.11 van het Bal onder andere handelend over rijksmonumentenactiviteiten bij begraafplaatsen en grafmonumenten toegevoegd.
Artikel 15. (Vervallen) Nadere toelichting Artikel 15 vervalt vanwege de inwerkingtreding van de Ow en wordt vervangen door een beperkender regime. Na inwerkingtreding van de Ow zijn de intrekkingsgronden van een omgevingsvergunning uitputtend geregeld in onder andere de artikelen 5.39 en 5.40 van de Ow, artikel 8.97 e.v. van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) en – i.v.m. overgangsrecht – ook artikel 10a.12 van het Bkl.
Artikel 16. Weigeringsgronden In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Dit geldt ook deels voor artikel 16.58 van de Ow, maar er is geen gebruik gemaakt van het eerste lid
van dit artikel waarin wordt gesproken over “overleg” en niet over “overeenstemming” omdat dit de kerkelijke eigenaar minder rechten geeft.
Artikel 17. Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 30
(Vervallen)
Artikel 18. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen[, die vervolgens krachtens het omgevingsplan moeten worden beschermd. Het is mogelijk dat het tijdelijke omgevingsplan,
onderdelen van het bestemmingsplan of de beheersverordening, als beschermend worden aangemerkt.Dit is vergelijkbaar met de tot inwerkingtreding van de Ow nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988 voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.. Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- of dorpsgezichten mogelijk via deze verordening (tot het eind van de overgangsfase) of het omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- of dorpsgezicht geldt dan de artikelen 5.1 en 5.22 van de Ow en van gemeentelijke monumenten artikel 13. Ook het Rijk zal de bescherming van nieuwe stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Ow regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan. Voor bestaande rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten geldt artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet.] Zevende lid De voorgaande leden zijn niet van toepassing op een stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd heeft op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Ow, of provinciaal beschermd heeft op grond van artikel 2.33, eerste lid, van de Ow.
Artikel 19. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.
Artikel 20. Verbodsbepaling omgevingsvergunning
en
aanvraag
Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo gaf de gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht aan een omgevingsvergunningplicht te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven. Artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Ow geeft de gemeenten de mogelijkheid een dergelijke verplichting op te nemen als een omgevingsplanactiviteit in het omgevingsplan. Totdat het omgevingsplan is aangepast, kan het verbod in de Erfgoedverordening blijven staan, in aanvulling op het overgangsrecht ten aanzien van de 2.2 van de Wabo activiteiten. De Ow regelt in de artikelen 22.2, 22.8 en 2.1a
van het Omgevingsbesluit het overgangsrecht.
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 31
Artikel 21. Strafbepaling De strafbaarstelling geldt in aanvulling op de Ow en de Wet economische delicten (hierna: Wed). Het handelen zonder vergunning zoals vereist op grond van de artikelen 14 en 20, eerste lid, is strafbaar gesteld in de Wed (artikel 1a, onderdeel 2, na inwerkingtreding Ow). Voor inwerkingtreding van de Ow was dit ook strafbaar op grond van de Wed, onder verwijzing naar artikel 2.2 van de Wabo. Art 154, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de maximale boete die de gemeenteraad op overtreding van verordeningen kan stellen een geldboete van de tweede categorie is. Artikel 21 verwijst naar de artikelen 13 en 14, derde lid. Artikel 13 bevat de instandhoudingsverplichting van een gemeentelijk monument, zolang deze regel of verplichting nog niet in het omgevingsplan is opgenomen. Als wordt gehandeld in strijd met de instandhoudingsverplichting, geldt deze strafbaarstelling en kan een boete worden opgelegd. Artikel 14, derde lid, geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om nadere regels te stellen in het belang van de monumentenzorg met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Als die nadere regels worden overtreden, geldt deze strafbaarstelling en kan een boete worden opgelegd.
Artikel 22. Toezichthouders Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders toegekend. Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Uit artikel 5.13 van de Wabo volgt dat de ambtenaren die op grond van artikel 22, eerste lid, belast zijn met het toezicht op de naleving ter zake van het bepaalde bij of krachtens de Wabo, voor zover het betreft activiteiten als bedoeld in artikel 2.2, daarnaast ook bevoegd zijn, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner. Dit laatste wordt in artikel 18.7
van de Ow geregeld.
[Artikel 23
HOOFDSTUK 2 AANWIJZING GEMEENTELIJK MONUMENTEN
Artikel 3 Lid 1 De aanvraag voor de aan te wijzen onroerende zaak of het terrein dient minimaal de volgende gegevens te bevatten: adresgegevens, kadastrale gegevens, eigenaar gegevens. Deze gegevens worden ook opgenomen bij de registratie (zie artikel 7, lid 2). Daarnaast wordt een op schrift gestelde inhoudelijke onderbouwing in beeld en tekst verlangd, waarin aanvrager Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 32
uiteen zet op welke inhoudelijke gronden naar zijn mening de onroerende zaak of het terrein aangewezen zou moeten worden. De grondslag voor aanwijzing van een zaak of terrein tot gemeentelijk monument is te vinden in opeenvolgende Erfgoedverordeningen (voorheen Monumentenverordening). Het collegebesluit tot aanwijzing dient gebaseerd te zijn op een waardestelling in de vorm van een redengevende omschrijving (zie artikel 1) en wel op basis van de cultuurhistorische en wetenschappelijke waarde, de architectuurhistorische en esthetische waarde, ensemble waarde, gaafheid, herkenbaarheid, zeldzaamheid. Een nadere uitwerking van de criteria voor aanwijzing staat in de bijlagen 3 en 6 van de Kadernota Erfgoed 2013–2017 (2013). Voor houtopstanden gelden afzonderlijke criteria. Groene monumenten/elementen met cultuurhistorische waarden (houtopstanden) kunnen aangewezen worden vanwege hun beeldbepalende, cultuurhistorische en/of dendrologische waarde. Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding.
De aanwijzing verandert immers niets aan het bestaande gebruik van het monument. Onder art 1, lid m is reeds uitgelegd wat onder het begrip monument wordt verstaan. Het kan om gebouwen gaan, maar ook om objecten (grenspalen), groen erfgoed (bomen) en terreinen, waaronder parken en archeologische terreinen zijn ingrepen. Bij dit laatste wordt aangesloten bij de Erfgoedwet, die het mogelijk maakt archeologische terrein aan te wijzen als rijksmonument. Voor archeologische terreinen geldt een waardering (inclusief toelichting) op basis van de vigerende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. Deze waardering wordt geleverd door een daartoe gecertificeerd archeologisch bureau. Bij de waardestelling hoort een ruimtelijke vertaling van locatie, begrenzing (in ruimte en diepte) en aard van de te behouden vindplaatsen.
Lid 2 Het college van burgemeester en wethouders moet het advies inwinnen van de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten. Voordat er een besluit wordt genomen over bovengrondse monumenten, worden op grond van de artikelen 4:8 en 4:9 van de Awb de aanvrager en andere belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken. De verordening bindt het advies van de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. De aangewezen plaats daarvoor is het reglement van orde voor de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten, die de taak en werkwijze van de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten regelt. Er wordt niet bepaald dat de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord voordat het college van burgemeester en wethouders over een aanwijzing een besluit neemt, omdat dit is geregeld in de artikelen 4:8 en 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarmee belanghebbenden binnen zes Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 33
weken na bekendmaking van een aanwijzingsbesluit een bezwaarschrift kunnen indienen. Bij spoedeisende gevallen is er geen tijd om het advies van de adviescommissie Omgevingskwaliteit af te wachten, omdat directe sloop dreigt. Het college kan dan zonder advies van de adviescommissie Omgevingskwaliteit wel besluiten om de aanwijzingsprocedure te starten, zodat voorbescherming op basis van art 4 in werking treed. Sloop is dan niet mogelijk zonder omgevingsvergunning. Gedurende de aanwijzingsprocedure zal de adviescommissie Omgevingskwaliteit op verzoek van het college alsnog advies uitbrengen over de aanwijzing. Lid 3 Voor archeologische monumenten vraagt het college advies aan de adviseur archeologie van de gemeente. Lid 4 Zie hier voor de toelichting art. 1 kerkelijk gemeentelijk monument. Lid 5 Zowel bij ruimtelijke planvorming (verplichting op grond van het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 4.6 in samenhang met afdeling 4.1 IwOw als bij individuele plannen voor monumenten heeft cultuurhistorisch onderzoek vooraf, ter afweging van de belangen, het verkrijgen van inzicht in de consequenties van ingrepen, ter onderbouwing van gemaakte keuzen en vanwege de documentatiewaarde zijn waarde ruim bewezen. Voor onderzoek naar individuele panden bestaat er geen wettelijke bepaling die onderzoek vereist.
Het behoort tot de beleidsvrijheid van de gemeente om een cultuurhistorisch onderzoek te verlangen. In geval van een aanvraag om omgevingsvergunning zal dit vaak een bouwhistorisch en/of archeologisch onderzoek betreffen.
Artikel 4 Dit artikel regelt de voorbescherming voor gemeentelijke monumenten. Dat betekent dat in de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om aanwijzingsprocedure te starten tot het daadwerkelijke aanwijzingsbesluit onherroepelijk is (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met 13 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning voor monumenten. Om ervoor te zorgen dat de duur van de voorbescherming in een redelijke verhouding staat te staan tot de mogelijke last die dit met zich mee brengt, wordt de voorbescherming slechts beperkt tot de duur van de daadwerkelijke aanwijzingsprocedure waarvoor de termijnen staan genoemd in artikel 5. Deze termijnen betreffen geen fatale termijnen maar zijn termijnen van orde. Bij te laat beslissen is de Wet dwangsom van toepassing.
Artikel 5 In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten moet adviseren (lid 1) en het college van burgemeester en wethouders een beslissing moet nemen (lid 2). Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 34
Commissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in lid a) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open, die ook tegen een reëel besluit open zou staan. Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3:6).
Artikel 6 De mededeling van de aanwijzing tot gemeentelijk beschermd monument van het college van burgemeester en wethouders is voor de eigenaar en de anderszins zakelijk gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat de mededeling door de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de mededeling bij aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst uitgaan. In latere instantie kan de eigenaar of de anderszins zakelijk gerechtigde zich dan niet beroepen op het feit dat men niet is geïnformeerd over de aanwijzing. Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is artikel 4:8 toegepast (het horen van geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.
Artikel 7 Door aanwijzing als gemeentelijk monument is de gehele zaak en/of het terrein, onder de werking van de verordening geplaatst. Bij gebouwen gaat het om zowel in- en uitwendig onderdelen die in de redengevende omschrijving worden genoemd, inclusief al zijn bestanddelen uit hoofde van het Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen interieuronderdelen die fysiek verbonden zijn met de onroerende zaak en die losse onderdelen die volgens verkeersopvatting bij de onroerende zaak behoren. Andere zaken die zich op het kadastrale perceel van het gemeentelijk monument bevinden, zoals bijgebouwen, tuinaanleg- en inrichting en bomen moeten expliciet in de redengevende omschrijving worden benoemd, willen zij onder de werking van de verordening vallen. Voor de duidelijkheid kan, bijvoorbeeld in verband met de kadastrale vernummering, een plattegrond aan de omschrijving worden aangehecht. Voor elke niet-vergunningsvrije wijziging van het gemeentelijk monument is een vergunning nodig. Zie hiervoor de toelichting op artikel 10. In geval sprake is van een aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument, dan neemt het college op basis van een waardestellend archeologisch onderzoek een selectiebesluit tot behoud van een archeologische vindplaats in situ. Daarmee wordt bedoeld dat de vindplaats, begrensd in ruimte en diepte, planologisch en fysiek beschermd wordt.
Hiervoor moeten maatregelen genomen worden om de fysieke kwaliteit (gaafheid en conservering) van Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 35
archeologische vindplaatsen in situ op de lange termijn in stand te houden. Het streven is het (verdere) verval van archeologische waarden tegen te gaan en aangerichte schade, zo mogelijk, te herstellen. Hiertoe dient per vindplaats een beheers- en inrichtingsplan te worden opgesteld. Onder beheermaatregelen worden verstaan alle regelmatig te treffen maatregelen, welke noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat archeologische monumenten die in een goede staat verkeren dat ook blijven. Beheer bestaat uit schouwen, uitvoeren van onderhoud en eventueel monitoren. Het gaat hier om het treffen van maatregelen op de lange termijn. Inrichtingsmaatregelen hebben tot doel de meest gunstige randvoorwaarden te creëren voor duurzaam behoud. De inrichtingsmaatregelen mogen geen schade aanrichten aan het monument. Alle eenmalige maatregelen betreffen beschermingsmaatregelen welke noodzakelijk zijn om (verdere) aantasting van het archeologisch monument te voorkomen (consolidatie). Daarnaast zijn maatregelen mogelijk om het archeologische monument beter zichtbaar/herkenbaar en toegankelijk te maken (visualiseren en toeristisch recreatief ontsluiten); beschadigingen van het archeologische monument te herstellen (restauratie).
Vanwege de kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is van toepassing artikel 1, onder a, lid 1 juncto artikel 1, onder b, Lid 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. De voorschriften uit deze wet zijn van toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.
Artikel 8 Door dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te wijzigen of in te trekken (lid 1), bijvoorbeeld als gevolg van nieuwe inzichten of omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig verloren zijn gegaan. Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure (advies van de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten of eventueel archeologische begeleidingscommissie of eigenaar van een kerkelijk monument) als voor de aanwijzing tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 2), waarmee bedoeld wordt dat de wijziging niet de monumentale waarde van het monument verandert. Wijzigingen in de aanwijzing worden doorgevoerd in het gemeentelijk erfgoedregister (lid 3). Besluiten voor wijzigen of intrekking moeten nader gemotiveerd worden. Het 4e lid regelt dat monumenten die na aanwijzing als gemeentelijk monument worden geregistreerd als rijksmonument, vanaf dat tijdstip geacht worden niet meer te zijn aangewezen als gemeentelijk monument. Een van de uitgangspunten in het Voorschotense erfgoedbeleid is dat objecten niet ongezien verloren gaan. Daarom kan voor een aanvraag tot intrekking van de aanwijzing documentatie worden geëist. Enerzijds voor een goede afweging van de aanvraag, anderzijds wordt daarmee het object voorafgaand aan een eventuele wijziging of sloop goed gedocumenteerd.
HOOFDSTUK 3 INSTANDHOUDING GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN EN TERREINEN
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 36
Artikel 9 Lid 1 De op de instandhouding van het monument gerichte verbodsbepaling vertoont gelijkenis met artikel 5.1 respectievelijk 5.3 en 5.4 juncto 4.4, tweede lid Omgevingswet.
Lid 2 In artikel 9, lid 2 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. Deze bepaling valt buiten de Wabo. Het college is hiervoor het bevoegde gezag en kan hiervoor nadere toetsingscriteria uitwerken. In algemene zin dient de bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voor Voorschoten zijn in ieder geval van toepassing de in bijlage 6 van de Kadernota 2013–2017 (https://www.voorschoten.nl/beleid-cultureel-erfgoed), genoemde Uitgangspunten voor het omgaan met monumenten. Het bevoegd gezag kan aan de vergunning voorschriften verbinden betreffende nader uit te voeren (destructief) onderzoek, vereiste technische deskundigheid, de uitvoering en materiaaltoepassingen. Bij het stellen van eisen betreffen het doen van onderzoek moet er sprake zijn van evenredigheid tot de uit te voeren werkzaamheden. De nadere voorwaarden in de vergunning kunnen ook van toepassing zijn bij monumenten waarvan uit de redengevende omschrijving blijkt dat bepaalde onderdelen voor de bescherming van geen of ondergeschikt belang zijn. Het college kan voor die onderdelen ontheffing van vergunning voor de activiteit monumenten verlenen, mits blijkt dat de bouwkundige en monumentale kwaliteit geborgd is.
Ook wordt deregulering bereikt door het invoeren van artikel 9 lid 5, waarbij door middel van het vergunningsvrij toestaan van regulier (klein) onderhoud en het wegnemen van niet-monumentale interieurelementen, de regelgeving voor rijks- en gemeentelijke monumenten gelijk wordt getrokken. Met gewoon onderhoud ‘Werkzaamheden bedoeld die erop gericht zijn om te behouden wat er is’, zoals het herstel van een beperkt deel van het voegwerk of het schilderen in dezelfde kleur, inpandige wijzigingen van onderdelen zonder monumentale waarde: in veel gevallen gaat het hierbij om recente toevoegingen (dat zijn bijvoorbeeld onderdelen die ten tijde van de aanwijzing als beschermd monument nog niet bestonden). Voor al deze vergunningvrije activiteiten geldt dat ze zonder hak- en breekwerk in het casco worden uitgevoerd. Bij twijfel is de gemeente de eigenaar van dienst om te bespreken of er sprake is van vergunningvrije werkzaamheden. Wie namelijk zonder vergunning werkzaamheden verricht die feitelijk vergunningplichtig zijn, is aansprakelijk voor eventuele schade aan het monument, aangezien artikel 9 lid 1 en 2 te allen tijde van toepassing blijven.
Voor archeologie geldt dat de kwaliteit van de uitvoering en de deskundigheid van de actoren die het archeologisch onderzoek uitvoeren geregeld is in het kader van de certificering van bedrijven en de registratie van de actoren (overeenkomstig Erfgoedwet 2016, artikel 5.4). De vigerende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) is altijd van toepassing.
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 37
In het algemeen kan worden gezegd dat de gemeente in alle gevallen het eerste aanspreekpunt is voor de aanvrager, met wie (voor)overleg wordt gevoerd voordat plannen worden uitgewerkt. Uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met het gebruik, maar zodanig dat het monument niet of zo min mogelijk wordt aangetast. Ook kan duidelijkheid worden gegeven over al dan niet vergunningsvrije werkzaamheden aan, op, naast en bij het monument.
Artikel 10 De termijnen in deze erfgoedverordening is overgenomen van de Erfgoedverordening 2016. De termijn waarbinnen op de aanvraag moet worden beslist, is acht weken, met de mogelijkheid om tot ten hoogste zes weken te verdagen. Mocht de beschikking niet tijdig zijn gegeven, dan is de vergunning van rechtswege verleend. Vergunningaanvragen voor gemeentelijke monumenten kunnen worden verdaagd vanwege de meervoudige aanvraag (bouw en monumenten). De reden tot verdaging dient altijd te worden onderbouwd. Indien er meerdere activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de uitgebreide procedure op grond van de Wabo gevolg moet worden, dan wordt voor het hele project de uitgebreide procedure gevolgd. Het bevoegd gezag kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid, Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed. Gegeven een beslistermijn van 8 weken heeft de Commissie een redelijke adviestermijn (4 weken) alsmede het bevoegd gezag (4 weken) om het advies van de Commissie te verwerken en een besluit voor te bereiden. In artikel 3.9. lid 3 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn opgenomen.
Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en 4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist.
Artikel 11 In het kader van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het geding is. Het algemene toetsingscriterium is dat het behoud van het monument, en van alle bijbehorende onderdelen van dat monument, altijd de voorkeur heeft boven vernieuwing. Bij vernieuwing gaat er onherroepelijk historisch materiaal verloren. Wordt er toch iets gewijzigd, dan is het bestaande monument – de optelsom van ontwerp, hoofdvorm, materiaal, uitvoering en details – het uitgangspunt. Dat is immers het geheel dat om weloverwogen Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 38
redenen in het erfgoedregister is opgenomen. Bij wijzigingen draait het telkens om het vinden van een goede balans tussen de wensen van de gebruiker en de mogelijkheden die het monument in de relatie tot de instandhouding van de monumentale waarden biedt. Daarom dient elke ingreep te worden gemotiveerd met een zorgvuldige afweging. Eén van de pijlers in de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (2009) is dat monumenten nooit op zichzelf staan, maar onlosmakelijk verbonden zijn met hun omgeving. De ruimtelijke en maatschappelijke context zegt vaak iets over de functie en het type monument. Het monument zelf kan als een groter geheel worden bezien, maar ook worden ‘ontleed’ in aparte onderdelen: de gevels, de kap, de draagconstructie, de indeling van de plattegrond, interieurafwerking etc., die vaak een functionele relatie en betekenis met elkaar hebben. In het Besluit Kwaliteit Leefomgeving wordt in art 5.130 gesteld dat moet worden voorkomen dat de omgeving van het monument wordt aangetast. De gemeente Voorschoten beschouwt monumenten op drie verschillende schaalniveaus. Het eerste schaalniveau is de inpassing van het monument in zijn landschappelijke of stedenbouwkundige omgeving. Type monument, verschijningsvorm, en bouwstijl bepalen het tweede schaalniveau.
Het derde schaalniveau tenslotte heeft betrekking op de toepassing van materialen en kleuren, de uitwerking in details en authenticiteit. Deze schaalniveaus spelen bij de wijziging aan het monument en de beoordeling daarvan door het bevoegd gezag een essentiële rol en zijn voor de gemeente Voorschoten het kader waarbinnen vergunningaanvragen worden beoordeeld en zijn tevens kaderstellend voor wat de gemeente beschouwd als ‘het belang van de monumentenzorg’ waarover dit artikel spreekt. Zie hiertoe de bij artikel 9 genoemde bijlage 6 van de Kadernota 2013–2017, Uitgangspunten voor het omgaan met monumenten.
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 39
HOOFDSTUK 4 Aanwijzing gemeentelijk beschermd dorpsgezicht of beeldbepalend object Het doel van het aanwijzen van een dorpsgezicht of beeldbepalende zaak is het behouden van de Voorschotense karakteristiek. Voor dorpsgezichten geldt dat het met name gaat over de beeldkwaliteit van zowel de bebouwing als de inrichting van de openbare ruimte en de samenhang daarvan. Dit betreft dus de landschappelijke en stedenbouwkundige structuur en de architectonische waarden. Beeldbepalende objecten zijn solitair en van cultuurhistorische waarde. Hierbij het is gehele exterieur beschermd behoudens de in artikel 17 lid 2 genoemde uitsluitingsgronden.
HOOFDSTUK 5 INSTANDHOUDING ARCHEOLOGISCHE TERREINEN
Artikel 18 Dit artikel is overgenomen uit de erfgoedverordening 2016. Op grond van dit artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Deze dienen verankerd te worden in het PvE/PvA.
Artikel 19 Het goedkeuren en vaststellen van een Plan van Aanpak (voor booronderzoek) en een Programma van Eisen (voor gravend onderzoek) is een bevoegdheid van het college en wordt gemandateerd aan de adviseur archeologie van de gemeente.
HOOFDSTUK 6 OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 20 Deze strafbepaling is alleen van toepassing op de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 9, lid 2 en artikel 15 tot en met 17. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict. Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 40
Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp en de wens om enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere regels voor de hand liggend.
Art 21 De artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering wijzen de ambtenaren aan die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast. Artikel 141 noemt de ambtenaren met een algemene opsporingsbevoegdheid, zoals politieagenten. Uit de bewoordingen van artikel 142 blijkt dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is om in zijn verordeningen buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen. Aangezien de gemeente geen opsporingsambtenaar kent, kan het bevoegd gezag medewerkers van de gemeente Voorschoten aanwijzen als toezichthouder.
HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN
Artikel 22 Dit artikel regelt de intrekking van de vorige verordening, zodat niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.
Artikel 23 Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande rechten is in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument en de vergunningverlening. In het eerste lid worden de, op grond van de oude verordening, op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening in het erfgoedregister. In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden.
Artikel 24 Uit artikel 142 van de Gemeentewet volgt dat een verordening in werking treedt de dag na bekendmaking.
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 41
Artikel . Vangnet archeologie Op grond van artikel 38a Monumentenwet jo. artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening diende in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting was de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Alle bestemmingsplannen die na 2007 zijn geactualiseerd, moeten in principe voldoen aan deze eis. Er waren echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Valletta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgevingverplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Artikel 22.4 van de Ow bevat een overgangsbepaling.
Voorts bepaalt artikel 22.8, onder a, van de Ow dat gemeenten slechts beschermingsmaatregelen in hun omgevingsplan mogen opnemen inzake bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek zoals genoemd in het tweede lid van dit artikel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak. Het tweede lid wordt, gelet op het vervallen van artikel 38 van de Monumentenwet 1988 en het inwerking treden van de Ow, rechtstreeks onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan.] 25 Dit artikel noemt de naam van de verordening, zijnde ‘Erfgoedverordening Voorschoten 2016’.
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 42