Achtergrondinformatie - Vergelijk basis modelverordening.pdf
Tekst van het document
Model Erfgoedverordening 2016 (gewijzigd model, september 2021)Voorschoten 2023
Leeswijzer modelbepalingen - […] of [datum] = door gemeente in te vullen, zie bijvoorbeeld artikel 8, eerste lid.- [iets] = facultatief, zie bijvoorbeeld artikel 2, tweede lid, onder b. - [(iets)] = een duiding ter illustratie of uitleg voor gemeente, zie bijvoorbeeld artikel 9, eerste lid. - Eventuele nadere toelichting bij te maken keuzes is opgenomen in de artikelsgewijze toelichting. Nadere uitleg is opgenomen in de VNG ledenbrief. Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot vaststelling van de Erfgoedverordening [naam gemeente en eventueel jaartal] (Erfgoedverordening [naam gemeente en eventueel jaartal])
De raad van de gemeente [naam gemeente];Voorschoten;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer];14 februari 2023,
gelet op artikel3: Artikel 3.16 1e lid van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet 1988;
gezien het advies van de [naam commissie];Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed 23 januari 2023 besluit: 1
De erfgoedverordening Voorschoten 2023 vast te stellen de volgende verordening:.
Erfgoedverordening [naam gemeente en eventueel jaartal] § 1. Algemeen HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Definities Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: - gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed a. Archeologische begeleiding: In de gangbare praktijk van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) moet bij veldwerkzaamheden bij archeologisch landbodemonderzoek worden gekozen voor een inventariserend veldonderzoek (IVO) of voor een opgraving. In uitzonderlijke gevallen kan een archeologische begeleiding worden uitgevoerd. Dit dient dan niet ter vervanging van een IVO of Opgraving, maar is daarvan een bijzondere variant. Bij een archeologische begeleiding geldt als uitgangspunt dat het protocol 4003 IVO-P, resp. 4004 Opgraven gevolgd wordt.
1
b. Archeologisch terrein: Terrein dat deel uitmaakt van het cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige archeologische overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen.
c. Archeologisch verwachtingsgebied: Gebied, aangegeven op de gemeentelijk archeologische waarden- en verwachtingenkaart waarvan specifiek kan worden verwacht dat er archeologische vondsten of sporen aanwezig zijn.
d. Archeologische waarden: Waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die in de ondergrond zitten en die een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling.
e. Archeologische waardestelling: Beoordeling van de fysieke kwaliteit, de inhoudelijke kwaliteit en de belevingswaarde van een archeologische vindplaats op basis van onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van de KNA-leidraad bijlage IV ‘het waarderen van vindplaatsen’.
f. Bevoegd gezag: Bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid;Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. - gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18; - gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid; - gemeentelijk g. College: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorschoten
h. Adviescommissie Omgevingskwaliteit Voorschoten: De op basis van artikel 17.9 Omgevingswet door de raad ingestelde commissie met als taak het college van burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Erfgoedwet, Omgevingswet, deze verordening en het gemeentelijk cultureel erfgoed- en archeologiebeleid.
i. Cultureel erfgoed: Uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden.
j. Cultuurhistorische waardenkaart: Topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of gelijkwaardig beleidsinstrument waarop zijn aangegeven en/of opgenomen de beschermde (archeologische) rijks- en 2
gemeentelijke monumenten, de beschermde stads- en dorpsgezichten, andere boven- en ondergrondse cultuurhistorische waardevolle objecten, waaronder de beeldbepalende objecten, en (weg-, water- en groen)structuren, zoals beeldbepalende zaken, gebieden met archeologische waarde en verwachting en cultuurhistorisch waardevolle stedenbouwkundige landschappelijk elementen en structuren, met de daarbij behorende gegevensbestanden.
k. Gemeentelijk kerkelijk monument: Monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging.
l. Gemeentelijk monument of archeologisch : Onroerende zaak of terrein, met cultuurhistorische waarden, boven- en/of ondergronds, die overeenkomstig de bepalingen van deze verordening, als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen en als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedweterfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;. - minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - omgevingsvergunning: m. Gemeentelijk erfgoedregister: Lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening en de Erfgoedwet als beschermde monument aangewezen zaken of terreinen.
n. Kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie (KNA): Wie archeologisch onderzoek verricht moet voldoen aan de daarvoor opgestelde kwaliteitscriteria – of 'dient zich te houden aan de normen zoals die in de archeologische beroepsgroep gelden’. Deze criteria zijn vastgelegd in de protocollen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA-protocollen bevatten de minimale inhoudelijke en ambachtelijke eisen die worden gesteld aan archeologische werkzaamheden van inventariserend onderzoek tot aan depotbeheer (het bewaren van archeologisch vondstmateriaal).
o. Monument: Onroerende zaak of terrein die deel uitmaakt van cultureel erfgoed.
p. Onderzoek: 1. cultuurhistorische rapportage als bedoeld in artikel 22.292 van de Bruidsschat en 2. een door een externe partij of door de gemeente Voorschoten uitgevoerd onderzoek resulterend in een schriftelijke rapportage naar: • de architectonische, bouwhistorische, interieurhistorische, kleurhistorische, tuinhistorische, wetenschappelijke en/of cultuurhistorische ontwikkeling en waarde van een (rijks)beschermd monument of een gemeentelijk monument. • de esthetische kwaliteiten, de ruimtelijke (bouw)historische en kleurhistorische kenmerken evenals de wetenschappelijke en cultuurhistorische ontwikkeling en waarde van een (gemeentelijk) beschermd stads- of dorpsgezicht. 3
3. werkzaamheden met betrekking tot het bodemarchief die ten behoeve van de archeologische monumentenzorg door daartoe gecertificeerde instanties, overeenkomstig de Erfgoedwet art. 5 worden uitgevoerd volgens de eisen zoals gesteld door het college en de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
q. Opgraving: Handelingen als bedoeld in artikel 1 en paragraaf 5.1 van de Erfgoedwet, te weten: het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan.
r. Plan van aanpak: Het PvA is een gedetailleerd werkplan van de te volgen werkwijze bij de uitvoering van een (archeologisch)project. Doorgaans is het een praktische vertaling van het PvE (indien aanwezig) en wordt in het veld gebruikt als handleiding voor het onderzoek. Het bevat in elk geval de concrete planning van het veldwerk en een beschrijving van de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.
s. Programma van eisen: Een Programma van Eisen (PvE) is een inhoudelijk document waarin het doel, de vraagstelling en de uitvoeringswijze van een archeologisch veldonderzoek en specialistisch onderzoek verwoord staan. Ook staan hierin de randvoorwaarden bij het onderzoek, bijvoorbeeld wat betreft de omgang met het vondstmateriaal. In een PvE zijn voor elk onderdeel eisen geformuleerd waaraan onderzoek en uitvoering ten minste moeten voldoen. Het doel van een PvE is het borgen van de inhoudelijke kwaliteit van archeologisch onderzoek en het kan beschouwd worden als basisdocument voor archeologisch onderzoek. Een PvE speelt op die manier een belangrijke rol in het archeologische werkproces en bij de cyclus van de monumentenzorg om te komen tot hoogwaardige archeologische kennisvorming. Het PvE wordt door het college vastgesteld overeenkomstig de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
t. Redengevende omschrijving: Een omschrijving, bedoeld voor monumenten die bestaat uit algemene gegevens, een omschrijving van de bestaande toestand en een waardestelling.
u. Rijksmonument: Monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet.
v.
Selectiebesluit: Een gemotiveerd besluit van de bevoegde overheid op basis van een archeologisch rapport tot het weigering van de vergunning of een vergunning met voorschriften ter bescherming van archeologische waarden. De derde mogelijkheid is: er is voldoende onderzoek uitgevoerd, derhalve vrijgave van het terrein en vergunning zonder archeologische voorschriften.
4
w. Omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
x.
Artikel 2. Beeldbepalende zaak: Een beeldbepalende (of karakteristieke) zaak is een zaak, geen monument zijnde, waarvan de hoofdvorm van algemeen belang is: • als kenmerkende uitdrukking van een bepaalde bouwwijze, architectuur, verkaveling of typologie; • als kenmerkend overblijfsel van de historische ontwikkeling van Voorschoten; • en als zodanig is aangewezen in het bestemmingsplan.
y. Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht: Onroerende zaken en of terreinen, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.
Artikel 2 Het gebruik van het monument Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument, respectievelijk met onroerende zaken gelegen in een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht en respectievelijk met terreinen gelegen in een archeologisch verwachtingsgebied.
HOOFDSTUK 2 AANWIJZING GEMEENTELIJK MONUMENTEN
Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument 1
Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een zaak of (archeologisch) terrein, van algemeen belang wegens zijn esthetische waarde, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aanwijzen als gemeentelijk monument.
2
Voordat het college over de aanwijzing van een bovengronds monument een besluit neemt, vraagt het advies aan de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten, zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en Verordening op de instelling van de Advies commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten. In spoedeisende gevallen kan van het vragen van advies worden afgezien.
3
Voordat het college over de aanwijzing van een terrein tot archeologisch monument een besluit neemt, wordt advies gevraagd aan de adviseur archeologie van de gemeente.
4
Voordat het college een monument met een religieuze bestemming, dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.
5
Het college kan bij de aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als gemeentelijk monument bepalen dat onderzoek wordt verricht.
5
6
Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale
erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een
omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.
Artikel 4 Voorbescherming Met ingang van de datum van verzending van de schriftelijke kennisgeving over het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 6 en 7 1e lid plaatsvindt, dan wel dat onherroepelijk vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 9 tot en met 13 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5 Termijn advies en aanwijzingsbesluit 1
De Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten adviseert schriftelijk aan het college binnen acht weken na de datum van ontvangst van het verzoek tot advisering van het college.
2
Het college beslist omtrent de aanwijzing tot gemeentelijk monument binnen 12 weken na de datum van ontvangst van het advies van de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten, maar in ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag.
Artikel 6 Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, lid 1, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan, de ingeschreven hypothecaire schuldeiser en, indien om de aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker.
Artikel 7 Registratie in het gemeentelijk erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; [b. gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht;]; [c. gegevens over door burgemeester en wethouders van gedeputeerde staten ontvangen instructies als
bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende
een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht.].
6
[§ 2. Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling
3. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling
Artikel
1. Burgemeester8 Wijzigen en wethouders kunnen besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom isintrekken van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. 2. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling. 3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is
toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4. Over het voornemen van een Het college kan de aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5. Dit artikel is niet van toepassing ambtshalve of op: a. door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 6. Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister aanvraag van een belanghebbende, .
4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling
Artikel 1
1. Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 3, vierde lid, is hierop 2 tot en met 4 en artikel 5 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan op het wijzigings- of intrekkingsbesluit.
2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 2 3. Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, Indien de wijziging naar oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 1, achterwege. 3
De wijziging of intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct wordt onder vermelding van de inhoud of reden van intrekking en de datum van ingang in het gemeentelijk erfgoedregister.] geregistreerd.
§ 3. Aanwijzing gemeentelijk monument 4
De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.1 van de Erfgoedwet.
7
HOOFDSTUK 3 INSTANDHOUDING GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN EN TERREINEN
Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 1 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.
Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.
Artikel 7. Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 8. Advies gemeentelijke adviescommissie
1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en [citeertitel Verordening op de gemeentelijke adviescommissie].Instandhoudingbepaling 2. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.
Artikel 9. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen [aantal (bijvoorbeeld 26)] weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.
8
Artikel 10. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 11. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na [aantal (bijvoorbeeld 26)] weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5, eerste lid. 3. Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.
Artikel 12. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. § 4. Bescherming gemeentelijk monument
Artikel 13. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden het voortbestaan van een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, in gevaar te beschadigen of te vernielen, brengen enof daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 14. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethoudershet bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige omgevingsvergunning gestelde voorschriften een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, of te verplaatsen; b. te verstoren of in enig opzicht te wijzigen, of; c. b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.; d. te beschadigen of te vernielen;
of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.[2. Het eerste lid is niet van toepassing op: e. a. de uitvoering van normaal 2
Het verbod, bedoeld onder 1, geldt niet indien het college in de omgevingsvergunning nadere voorschriften stelt met betrekking tot de wijze waarop onderzoek wordt verricht en werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. Deze regels kunnen mede inhouden
9
een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het vijfde lid. 3
Het bevoegd gezag kan in het belang van het behoud van de cultuurhistorische waarden bepalen, dat voorafgaand aan de besluitvorming onderzoek wordt verricht.
4
Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een gemeentelijk kerkelijk monument, geen omgevingsvergunning als bedoeld onder 1 dan in overleg met de eigenaar indien en voor zover het een omgevingsvergunning betreft, waarbij de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.
5
Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld onder 1 is niet vereist indien deze activiteit betrekking heeft op: a. regulier onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg vanbij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt; b. b. alleeneen activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen vanaan een onderdeel van heteen monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft;
c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: c. 1˚. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; 2˚. doen van begravingen of asbijzettingen, of 3˚. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 2˚. doen van begravingen of asbijzettingen, of 3˚. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.] 6 3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan of in een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid[,, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid]..
Artikel 15. 10 Termijnen van advies (Vervallen)
1
Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een bovengronds gemeentelijk monument aan de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten voor advies.
2
Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten schriftelijk advies uit aan het college.
Artikel 16.11 Weigeringsgronden 1. De omgevingsvergunningvergunning kan slechts worden verleend alsindien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.
10
2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. § 5. (Vervallen) HOOFDSTUK 4 Artikel 17. (Vervallen) § 6. Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
of beeldbepalend object
Artikel 1812. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
2.
Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid. 3, tweede lid. Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
De gemeenteraad beslist binnen [aantal (bijvoorbeeld 26)]26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.
4.
Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
[5.
De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.
6.
Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt.].
7.
Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 1913. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 1812, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 1812, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing
11
van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3.
Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 2014. Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1.
Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen.
2.
De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
3.
De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als de cultuurhistorische waarden onevenredig worden geschaad
4.
De artikelen 1512 en 1613 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 15. Aanwijzing Beeldbepalend object 1
Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een zaak of terrein van algemeen belang wegens zijn esthetische waarde, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aanwijzen als beeldbepalend object
2
Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het advies aan de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten, zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en Verordening op de instelling van de Advies commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten. In spoedeisende gevallen kan van het
vragen van
advies worden afgezien. 3
De aanwijzing betreft uitsluitend het exterieur.
4
Het college kan bij de aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beeldbepalend object bepalen dat onderzoek wordt verricht.
5
Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale
erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of
een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet, en c. Gemeentelijk monument
12
Artikel 16 Wijzigen of intrekken van de aanwijzing 1
Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een belanghebbende wijzigen.
2
Artikel 15, lid 2, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing.
3
Indien de wijziging naar oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.
4
De inhoud en de datum van de wijziging worden in het gemeentelijk erfgoedregister opgenomen.
5
De zakelijk gerechtigde zoals bekend in de kadastrale legger wordt voorafgaand aan het besluit in kennis gesteld van het voornemen tot aanwijzing van een zaak of terrein tot beeldbepalend object.
6
De aanwijzing als bedoeld in artikel 15, lid 1, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigde in de kadastrale legger bekend staat en indien om de aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker.
Artikel 17 Instandhoudingsbepaling 1
Het is verboden het voortbestaan van een beeldbepalend object, als bedoeld in artikel 1, in gevaar te brengen en zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige omgevingsvergunning gestelde voorschriften een beeldbepalend object: a. te slopen of te verplaatsen; b. te verstoren of te wijzigen; c. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht; d. te beschadigen of te vernielen; of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
2
Onverminderd van toepassing zijn artikelen 22.27 en 22.36 van de Bruidsschat indien de cultuurhistorische waarden, zoals omschreven bij het besluit onder artikel 15 lid 1 niet worden aangetast
HOOFDSTUK 5 INSTANDHOUDING ARCHEOLOGISCHE TERREINEN Artikel § 7. Handhaving en toezicht
Artikel 21.18. Instandhoudingsbepaling archeologische terreinen Het college kan in geval werkzaamheden leiden tot een verstoring van een archeologisch terrein of een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart en/of archeologische beleidskaart nadere regels stellen aan de uitvoering van het archeologisch onderzoek.
Artikel 19 Archeologisch onderzoek Indien binnen het grondgebied van de gemeente Voorschoten archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd, dient, onverminderd de overige bepalingen van de wet: het college een Plan van Aanpak vast te stellen voordat booronderzoek wordt uitgevoerd.
13
het college een Programma van Eisen vast te stellen voordat gravend onderzoek wordt uitgevoerd, waarbij nadere regels worden gesteld. Deze nadere regels kunnen mede betrekking hebben op het doel, ontwerp, uitvoering, toezicht en rapportage van gravend archeologisch onderzoek. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen.
HOOFDSTUK 6 OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 20 Strafbepaling Degene, die handelt in strijd met artikel 13 of met het bepaalde krachtens artikel 14, derde lid,10 en 19 wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.
Artikel 22.21 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast […]. 2. Burgemeester en wethouders kunnen daarnaast andere de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen met dit toezicht belasten.
[§ 8. Vangnet archeologie HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN
Artikel 23. Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend; b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.] § 9. Slotbepalingen
Artikel 24.22 Intrekken oude verordening De [citeertitel oude verordening] wordt ingetrokken.
De Erfgoedverordening Voorschoten 2016 wordt geacht te zijn ingetrokken op het moment dat de Erfgoedverordening Voorschoten 2023 in werking treedt.
14
Artikel 25. Overgangsrecht23 Overgangsbepalingen 1
1. Een krachtens [citeertitel oude verordening]De op grond van de Erfgoedverordening gemeente Voorschoten 2016 aangewezen en geregistreerdgeregistreerde gemeentelijke monumentmonumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.
2
2. Aanvragen en bezwaren om vergunning die zijn ingediend voorafgaand aan vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de [citeertitel oude verordening]. Erfgoedverordening gemeente Voorschoten 2016.
Artikel 26.24 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op [datum].de dag na bekendmaking. 2. Artikel 25 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Erfgoedverordening [naam gemeente en eventueel jaartal].Voorschoten 2023.’
Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Voorschoten in de openbare raadsvergadering [datum].van Voorschoten, De voorzitterRaad voornoemd, De griffier,
15
16
de griffier,
de voorzitter,
drs. B.J. Urban
drs. N. Stemerdink
Toelichting NB Deze toelichting is ook geschreven met het oog op de (mogelijke) keuzes die in de model Erfgoedverordening gemaakt zijn. Als een individuele gemeente op onderdelen andere keuzes maakt dan in deze modelverordening, dan sluit deze toelichting mogelijk niet aan. Wel kan ze uiteraard als basis dienen voor een door de gemeente zelf op te stellen toelichting. Voor een goed beeld dient deze modelverordening in samenhang met de hierbij behorende ledenbrief gelezen te worden. Voorschoten 2023 Algemeen
Inleiding Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Vooral de bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet en de invoering van de Omgevingswet (hierna: Ow) stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Door de invoering van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke Erfgoedverordening in vergelijking met de verordening vóór 1 juli 2016 zowel breder – het betreft nu monumenten én cultuurgoederen – als smaller: belangrijke fysieke onderwerpen zoals de aanwijzing of bescherming van stads- of dorpsgezichten of archeologische waarden en verwachtingen worden steeds minder geregeld via een verordening en meer via het bestemmingsplan en straks, onder de Ow, het omgevingsplan. Per saldo leidt een en ander tot een vereenvoudigde Erfgoedverordening. De Erfgoedverordening is vernieuwd vanwege de invoering van de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Ow. De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de Ow door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Ow.
Daarom is deze verordening zowel gebaseerd op de Erfgoedwet als op de Monumentenwet 1988. In de Ow wordt materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-één overgenomen. Wel vindt op een aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies, de aanwijzing van gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezichten en in dat kader het opstellen van beschermende bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gaan over naar de Ow.
Reikwijdte De Erfgoedwet integreert vanaf juli 2016 de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Monumentenwet 1988, de Wet tot behoud van cultuurbezit, de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied. Met de
inwerkingtreding van de Ow vervalt daaruit Monumentenwet 1988, dat overgaat naar de Ow.
het
onderdeel
In aansluiting op de Erfgoedwet is in 2016 gekozen voor een brede Erfgoedverordening die conform het begrip ‘cultureel erfgoed’ ziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten en stads- en dorpsgezichten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen). Deze verordening ziet in beginsel niet meer op archeologie. Archeologische waarden moesten ook voor de Ow worden geborgd via het ruimtelijke spoor (lees: de bestemmingsplannen en de afwijkvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)) op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht. [Omdat er binnen de gemeente nog bestemmingsplannen zijn waarin de bescherming van archeologische monumenten niet is opgenomen die na de inwerkingtreding van de Ow deel uitmaken van Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 17
het (tijdelijk) omgevingsplan, is in het overgangsrecht afzonderlijk in een vangnetbepaling voorzien (artikel 23).]
Wettelijke grondslag De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet enartikel 38 van de Monumentenwet 1988. Na inwerkingtreding van de Ow zal in de Erfgoedwet (artikel 3.16, vierde lid,) zijn
opgenomen dat deze verordening geen regels bevat over de fysieke leefomgeving als bedoeld in artikel 2.4 van de Ow. Dit geldt met een geplande overgangstermijn tot en met 2029.Regels ter bescherming van het cultureel erfgoed van Voorschoten In de Erfgoedverordening Voorschoten 2023 staan regels waarmee het cultureel erfgoed binnen de gemeente kan worden behouden, beschermd en beheerd. De hoofdpunten die in de verordening worden geregeld zijn: de aanwijzing van een
Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.
Artikel 1. Definities
•
De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen ‘gemeentelijk beschermd cultuurgoed’, ‘gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht’, ‘gemeentelijk beschermde verzameling’, ‘gemeentelijk monument’, ‘minister’ en ‘omgevingsvergunning’ waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven. De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn voorts: - archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; - archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; - beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat: a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Erfgoedwet; b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de Erfgoedwet; of c.
in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Erfgoedwet zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt; - beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid, van de Erfgoedwet; - cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; - cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; - monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; of terrein tot gemeentelijk monument;
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 18
•
- normaalhet vergunningenstelsel voor gemeentelijke monumenten; het dereguleren van o.a. klein onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde; - rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; - rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3, van de Erfgoedwet; - verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.
Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het gemeentelijk (beschermd) aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten,cultuurgoederen of verzamelingen. [Tweede lid, onder b Hier is geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister.
Het kan ook gaan om informatie via instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Ow betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.] [Tweede lid, onder c In onderdeel c van het tweede lid is opgenomen dat door burgemeester en wethouders van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Ow betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht in het gemeentelijke erfgoedregister kunnen worden opgenomen.] Gelet op de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: Wkpb) dienen gemeenten uiterlijk op 1 januari 2021 hun publiekrechtelijke beperkingen op onroerende zaken geregistreerd te hebben in de Basisregistratie kadaster publiekrechtelijke beperkingen (hierna: BRK-PB). Dit geldt ook voor gemeentelijke monumenten plus gemeentelijk beschermde stads- of dorpsgezichten. Beperkingen kunnen niet alleen meer op kadastrale percelen worden geregistreerd, maar ook op basis van Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)-objecten (bijvoorbeeld een woning of een bedrijfspand), Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT)-objecten (bijvoorbeeld een brug) en vrije contouren (bijvoorbeeld een verontreinigingscontour).
Na de inwerkingtreding van de Ow is het de bedoeling dat bestaande ruimtelijke beperkingen te zien zijn in het Digitaal Stelsel Omgevingswet - Landelijke Voorziening (DSO-LV), mogelijk per tranche. Dit geldt ook voor nog aan te wijzen nieuwe beperkingenbesluiten met name op basis van het omgevingsplan. Levering aan de openbare registers en bijhouding in de BRK-PB komt voor deze besluiten dan te vervallen. De beperkingen die vóór de inwerkingtreding Ow in de BRK-PB zijn opgenomen, komen tot en met 2029 te vervallen wanneer ze worden vervangen door nieuwe beperkingenbesluiten op basis van de Ow.
[Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of gemeentelijk beschermde verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 19
een cultuurgoed of verzameling als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 2 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd. De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling. De aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste.
Burgemeester en wethouders moeten voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen. Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders te creëren. en
Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling •
Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan; over het voornemen daartoe vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaanduiding i.v.m. verhuizing van een cultuurgoed naar een andere locatie ter plekke of omdat het in tijdelijke bruikleen wordt gegeven aan een museum. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking door de minister op een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling.]wijzigingen aan gemeentelijke monumenten;
•
Artikel 5. Aanwijzing de deregulering als gevolg van een nadere uitwerking van de beperkte ministeriële adviesplicht voor rijksmonumenten;
•
de inschakeling van de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten als onafhankelijk adviesorgaan dat adviseert over de toepassing van de Erfgoedwet, deze verordening en het gemeentelijk monumenterfgoedbeleid;
•
Aanwijzen gemeentelijk beschermd dorpsgezicht;
•
Aanwijzen beeldbepalend zaak of terrein;
•
het instellen van en het eisen stellen aan archeologisch (en overig cultuurhistorisch) onderzoek.
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 20
Aanleiding voor actualisering De aanleiding voor een actualisering van de Erfgoedverordening Voorschoten is tweeledig: Invoering Omgevingswet 1
Het gemeentelijk beleid: Bij het opstellen van de Erfgoedverordening Voorschoten 2023 is waar mogelijk op de nieuwe wetgeving geanticipeerd en het geeft daarmee tevens vorm aan de uitwerking van al vastgesteld en nog vast te stellen gemeentelijk (erfgoed)beleid. Dat betekent concreet:
2
Voorbereidingen voor het opstellen van het Omgevingsplan, waaronder de mogelijkheid om gemeentelijk beschermde dorpsgezichten en beeld bepalende objecten aan te wijzen. In voorbereiding op het Omgevingsplan worden voor het gehele grondgebied gebiedskarakteristieken opgesteld waaraan regels kunnen worden gekoppeld ter bevordering van een goede omgevingskwaliteit. In specifieke gevallen kunnen deze regels gecombineerd worden met een beschermde status van de beeldkwaliteit. Dit betreffen maatwerkregels per gebied terrein of object.
Verantwoording Deze verordening is zoveel mogelijk gebaseerd op de Erfgoedverordening Voorschoten 2016. Voor de nodige aanpassingen i.r.t. de Omgevingswet is gebruik gemaakt van de Modelverordening VNG 2021.
Artikelsgewijs HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 a. Archeologische begeleiding De omschrijving is conform de Kwaliteitseisen voor de Nederlandse Archeologie (KNA). Omdat er vaak onduidelijkheid is over de aard van deze vorm van archeologisch onderzoek volgt de definitie in strikte zin de in de archeologische monumentenzorg (overeenkomstig de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA) gangbare omschrijving. In de KNA wordt ten aanzien van het waardestellend onderzoek en het definitieve onderzoek in uitzonderlijke gevallen toegestaan het onderzoek te laten plaatsvinden als onderdeel van civieltechnische graafwerkzaamheden in het kader van sloop en aanleg. Het gaat hierbij om een kleine ingreep in een groot gebied, of gebieden in stads- of dorpscentra, waar de archeologische waarden pas door sloop van opstallen toegankelijk worden. Na een IVO-P – variant archeologische begeleiding kan alsnog een opgraving geadviseerd worden bij verdere bodemverstoringen.
b. Archeologisch terrein Met deze begripsomschrijving valt een archeologische terrein onder de definitie van cultureel erfgoed, zoals verwoord onder art. 1 lid h.
Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 21
c. Archeologisch verwachtingsgebied Zones, gebieden of terreinen waarvoor op grond van archeologisch en landschappelijk onderzoek is vastgesteld dat er archeologische verwachtingen zijn. Op basis van de trefkans op archeologie is in het archeologiebeleid onderscheid gemaakt tussen lage, middelhoge en hoge archeologische verwachtingen.
e. Archeologische waardestelling Het betreft hier niet alleen archeologische resten die al bekend zijn door bijvoorbeeld ontgraving in het verleden, maar ook waarden die verwacht mogen worden in een archeologisch verwachtingsgebied. Het gaat bij archeologische waarden om een verzameling van archeologische lagen, grondsporen en ‘artefacten’, die deel uitmaken van één geheel en cultuurhistorische, wetenschappelijke en/of maatschappelijke betekenis hebben. Als synoniem wordt ook wel 'vindplaats’ of ‘site' gebruikt. Inzicht welke archeologische waarden (ouderdom en aard) en in welke mate deze waarden in een gebied aanwezig (kunnen) zijn, kunnen gebruikt worden om het archeologisch onderzoek op een nog niet onderzocht terrein te sturen.
h. Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten Door de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Erfgoedwet 2016 te laten adviseren aan het college van burgemeester en wethouders, is voldaan aan het vereiste, genoemd in 17.9 Omgevingswet. Daarin is de verplichting tot het instellen van een commissie in die in ieder geval tot taak heeft te adviseren over de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Vanaf de instelling van de Commissie Omgevingskwaliteit Voorschoten zal worden gewerkt met een kerncommissie van 2 leden en maximaal 6 leden bij ingrijpende plannen. Voor het cultureel erfgoed zijn leden met zoveel als mogelijk integrale deskundigheid op zoveel mogelijk terreinen benoemd op het gebied van landgoederen en buitenplaatsen, cultuurhistorie en restauratiearchitectuur. Waar mogelijk worden zaken onder mandaat afgedaan, maar indien noodzakelijk voor het nemen van een deskundig besluit op basis van een onafhankelijk advies, kan een specifiek specialisme worden ingehuurd. Te denken valt aan specialismen als archeologie, historische geografie, cultuurlandschap, historisch interieur en kleur enz. Cultureel erfgoed
i. Cultureel erfgoed De definitie volgt de omschrijving zoals die is gegeven in de Erfgoedwet 2016, artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een 1.1 en sluit aan bij de gemeentelijke erfgoedvisie. Het gaat om materiële en immateriële zaken; gebouwd, dan wel aangelegd erfgoed (landschappelijke structuren, aangelegde parken, lanen) en erfgoed dat zich boven, dan wel onder de grond bevindt. Cultureel erfgoed wordt breed maatschappelijk gewaardeerd. Naast de kunst- en architectuurhistorische benadering heeft de sociaal-maatschappelijke waarde, de herinneringsBijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, september 2021 22
en belevingswaarde en de economische waarde van erfgoed in de samenleving aan betekenis gewonnen. Cultureel erfgoed draagt bij aan de identiteit van een plek. Niet voor niets neemt het ‘verhaal van Voorschoten’ met vijf cultuurhistorische hoofdthema’s een belangrijke plaats in de Kadernota Erfgoed 2013–2017 (2013). Ook de ‘Nota Archeologie herijking 2013’ (2014) benoemt de toegenomen belangstelling. Het belang van de verspreiding van kennis over het erfgoed en de bewoningsgeschiedenis van de gemeente en de mogelijkheid om boven- en ondergronds erfgoed als inspiratiebron voor nieuwe bouw- en inrichtingsprojecten te gebruiken wordt in beide nota’s onderschreven.
j. Cultuurhistorische waardenkaart De Cultuurhistorische waardekaart is het erfgoedregister van de gemeente. Het bijhouden van dit register is een wettelijke verplichting. Op deze interactieve digitale staat informatie over het gemeentelijke grondgebied die betrekking heeft op het cultureel erfgoed boven en onder de grond. Hierbij wordt aangesloten bij de definitie van cultureel erfgoed. Het gaat daarbij om gebouwen, maar ook om grenspalen. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige elementen en structuren gaat het bijvoorbeeld om een wegenplan, en de in een park aangelegde paden en waterpartijen, dan wel specifiek aangeplante bomen, zoals een solitair. Voor de ondergrondse waarden wordt verwezen naar de definitie van de archeologische waardenkaart, die integraal deel uitmaakt van de cultuurhistorische waardenkaart. In de Nota Archeologie herijking 2013 (2014), is een archeologische beleidskaart opgenomen, die als onderlegger dient voor nieuw op te stellen bestemmingsplannen en als onderbouwing voor het gemeentelijk archeologisch beleid. Op de archeologische beleidskaart zijn verwachtingszones (hoog, middelhoog en laag) aangegeven die verband houden met de trefkans op archeologische vindplaatsen.