CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Achtergrondinformatie - Notitie reikwijdte en detailniveau (NRD WLQ) 25 april 2022.pdf

Gemeenteraad Voorschoten 2 juni 2022, gemeente voorschotenBij agendapunt: Zienswijze (standpunt) op provinciaal inpassingsplan Warmtelinq13.533 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

27 van 40

interferentie met eventuele geluidschermen, moeten er vanwege de beperkte ruimte speciale bouwtechnieken worden toegepast en risicobeperkende maatregelen worden getroffen qua bemalingsmethodiek. Bovendien is de strook tussen de wegverharding van de A4 en de bermsloot niet breed genoeg voor de uitvoerings- en onderhoudswerkzaamheden. Voorts is een deel van het tracé geprojecteerd in een waterkering (Polderkade). Vanuit het Hoogheemraadschap Delfland gelden hiervoor speciale vereisten, die de doorkruising complex maken en risico’s opleveren met betrekking tot vergunbaarheid. Naast de kruising met de waterkering, is er ook sprake van enkele kruisingen met kabels en leidingen. Net als bij variant 1 loopt ook deze variant door de ecologische verbindingszone Leidschenveenzone. Het tracé kruist gebieden die weinig verdacht zijn van NGE, maar er is wel vervolgonderzoek nodig. Overlast voor omwonenden treedt niet of nauwelijks op, aangezien er geen woonwijken in de buurt liggen, maar er zal wel overlast optreden voor de bedrijven op het bedrijventerrein en voor het verkeer op de afrit Leidschendam (8) van de A4. Conclusie varianten Leidschenveen Omdat de geschiktheid van de varianten sterk afhankelijk is van de definitieve locatie van het pompstation worden beiden varianten meegenomen in de MER.

Variant 1 heeft als voordeel dat het een kortere route betreft en die qua ontwerp en het aanvragen van benodigde vergunningen minder complex is omdat dit tracé niet langs de A4 loopt en geen keringen doorkruist. Voor variant 1 wordt echter meer overlast verwacht in vergelijking met variant 2 vanwege de ligging tussen het bedrijventerrein, verschillende woonwijken en de benodigde wegafsluitingen. Variant 2 bevindt zich in het uitbreidingsgebied van de A4 en ook deels in de kernzone van de waterkering. In het MER dient daarom nader onderzocht te worden of aanpassing mogelijk is om de kernzone te vermijden en wat de ligging betekent voor de vergunbaarheid.

3.2.2 Deelgebied 2 (Leidschendam-Voorburg, Zoeterwoude) Deelgebied 2 betreft het tracé langs de A4 tussen Leidschenveen en de plek waar de leiding de A4 kruist om af te buigen richting Leiden, net voorbij de Corbulotunnel. De keuze voor het tracé in dit deelgebied ligt al grotendeels vast, met uitzondering van het eerste deel waar besloten moet worden waar de Stompwijkse Vaart gekruist wordt. Voor het overige deel van het tracé geldt dat de leiding zo veel mogelijk parallel loopt aan de zuidzijde van de A4. In dit deelgebied is kwel aanwezig. Dit is een aandachtspunt voor de beheerfase. Er is voor de zuidzijde van de A4 gekozen, omdat de noordzijde van de A4 een aantal nadelen kent. Zo ligt er ten noorden van de A4 veel bovengrondse infrastructuur die gekruist zou moeten worden, met name bij het doortrekken in de richting van Zoeterwoude en Leiderdorp. Als het tracé aan de noordzijde zou komen, dan zal uiteindelijk de A4 weer moeten worden gekruist vanwege te veel woonbebouwing aan deze zijde. Aan deze zijde ligt bovendien nog een opgave voor het aanleggen van geluidschermen ter hoogte van recreatiegebied Vlietland en er moeten datakabels worden verlegd in verband met de verbreding van de A4.

Daarnaast is de zuidzijde beter bereikbaar tijdens de aanleg en zijn er minder complexe aanlegmethoden nodig omdat er meer werkruimte beschikbaar is en vanwege de slechte grondslag aan de noordzijde.

28 van 40

Figuur 3-5 Tracévarianten deelgebied 2 bij Stompwijk Stompwijk - variant 1 In dit deelgebied volgt variant 1 het tracé de bestaande NGU-leiding. Vanuit Leidschenveen volgt het tracé niet direct de A4, maar buigt eerst af naar het zuid-oosten om na 500 meter verder naar het noorden te buigen voor de kruising van de Stompwijkse Vaart. Op die manier worden de woningen en bedrijven aan de Stompwijkseweg vermeden en treedt er minder overlast op voor bedrijven en omwonenden. Ook hoeven er geen wegen te worden afgezet en is er voldoende werkruimte. Door de beschikbare ruimte is de kruising van de waterkering (Boezemkade) op dit punt makkelijker dan aan het begin van de Stompwijkseweg. Dit alternatief kruist verder geen NGE verdachte gebieden, zones met hoge archeologische verwachtingswaarden of ecologische verbindingszones. Wel heeft dit tracé als nadeel dat het een stuk langer is. Stompwijk - variant 2 Voor variant 2 wordt gezocht naar een tracé dat de Stompwijkse Vaart eerder kruist, waardoor het tracé directer de A4 volgt en een stuk korter is dan variant 1. De exacte locatie voor de kruising in dit alternatief is nog niet bekend. Daarom is hiervoor een zoekgebied aangegeven. De Stompwijkse Vaart ter hoogte van de A4 is een waterkering en kent aanvullende eisen vanuit het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit maakt de kruising complexer.

Binnen het zoekgebied liggen enkele woningen en bedrijven, die gelet op de beschikbare ruimte overlast kunnen ondervinden van de werkzaamheden en van het bouwverkeer op de Stompwijkseweg. De noordzijde van de watergang is een mogelijk aandachtsgebied voor archeologische waarden, waardoor een vervolgonderzoek nodig is. Daarnaast zijn er ook NGE verdachte plekken in dit gebied aanwezig. De variant is echter wel korten volgt zo veel mogelijk de bestaande infrastructuur, waaronder de A4 waardoor er minder impact is op groen.

29 van 40

Conclusie varianten Stompwijk Variant 2 heeft als voordeel dat het tracé korter is, terwijl variant 1 voor minder overlast zorgt en minder complex is. Beide varianten worden in de MER meegenomen, waarbij voor variant 2 de exacte tracéligging en kruising van de waterkering nog bepaald moet worden.

3.2.3 Deelgebied 3 (Voorschoten, Leiden, Wassenaar, Katwijk en Oegstgeest) Deelgebied 3 omvat het tracédeel tussen de kruising van de A4 en het beoogde nieuwe aanlandingspunt met het warmteoverdrachtstation (WOS) en de P&BU van Vattenfall nabij de kruising A44/N206 aan de westzijde van Leiden. Voor dit deelgebied zijn globaal vijf varianten mogelijk. Deze zijn weergegeven in onderstaande figuur. Alle varianten starten met een gemeenschappelijk tracédeel, tussen de kruising met de A4 en de kruising van het Rijn-Schiekanaal / de Vliet. Vanaf de kruising van het Rijn-Schiekanaal / de Vliet takt variant 4 af. Het gezamenlijke deel van het tracé loopt door een weidegebied, waarvan een deel is aangewezen als NNN. De gevolgen daarvan zullen in het MER in beeld worden gebracht. Met uitzonering van variant vier hebben de overige varianten ook een gezamenlijk tracédeel tot aan de kruising met de A44. Dit tracédeel volgt zo veel mogelijk de bestaande (bovengrondse) infrastructuur. Het tracé loopt door verschillende gemeentes (Leiden, Voorschoten, Katwijk en Oegstgeest) en ligt voor een groot deel op private grond. Het tracé loopt voor een groot deel door weidegebieden met relatief veel ruimte en mogelijkheden voor werkstroken. Over het algemeen is het tracé goed bereikbaar, maar zijn op sommige plekken enkel zeer kleine en beperkte toegangswegen aanwezig.

Het tracé kent een aantal technisch lastige locaties, waaronder de kruisingen met de A4, de Vliet, de Dobbe- en de Veenwatering, de Leidseweg (N447) en de spoorlijn Den Haag – Leiden en de nabijheid van de waterkering. Bij de kruising van het Rijn-Schiekanaal / de Vliet wordt een perceel gekruist welke mogelijk nog ontwikkeld wordt. Verder geldt dat in dit gebied waarschijnlijk sprake is van slappe grond, waardoor het risico op verzakkingen bestaat. Het risico op overlast voor omwonenden of bedrijven is gering omdat het tracé grotendeels door groenstroken loopt die geen verkeersfunctie hebben. Wel zijn er mogelijke effecten op natuurwaarden, omdat het gebied ten noorden van de Leidseweg (N447) onderdeel is van het NNN. Het tracé doorkruist geen Natura 2000 gebieden. Ook is de verwachting dat er NGE’s aanwezig zijn nabij het voormalig vliegveld Valkenburg.

30 van 40

Figuur 3-6 Tracévarianten deelgebied 3 Leiden Leiden – variant 1 Variant 1 volgt vanaf de kruising van het Rijn-Schiekanaal / de Vliet de in aanleg zijnde Rijnlandroute (N434) (naar verwachting is deze medio 2023 gereed). Waar de Rijnlandroute op de A44 aansluit, loopt deze variant ten noorden van de A44 langs de oostzijde van het Valkenburgse Meer richting het beoogde eindpunt nabij de kruising A44/N206. Het gebied rondom het Valkenburgse Meer is aangewezen als natuurgebied (geen NNN) en aan zuid- en oostzijde is de ruimte onder en boven de grond beperkt. Het auto- en fietsverkeer en de busroute tussen Wassenaar en Leiden zullen in de aanlegfase overlast ondervinden. Daardoor zal veel overlast optreden voor de bedrijven en recreatieve functies langs de oostzijde van het Valkenburgse Meer. Zo zal onder meer het fietspad naast de Ommedijkseweg tijdelijk omgelegd moeten worden. Ook wordt er verwacht dat er een aantal bomen gekapt zullen gaan worden rondom het Valkenburgse Meer. Verder geldt dat dit tracé nabij de kruising Voorschoterweg – Leidseweg door een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde loopt. Leiden – variant 2 Variant 2 volgt net als variant 1 de Rijnlandroute, maar buigt voor de aansluiting met de A44 naar het oosten af, om via de Plesmanlaan vanuit de stad de A44 te kruisen richting het eindpunt aan de westzijde van de A44.

In het stedelijk gebied is met name de kruising van de A44 nabij het eindpunt bijzonder ingewikkeld. Dat komt omdat aan de noordzijde van de Plesmanlaan een verdiept fietspad ligt waar de leiding niet onder gelegd kan worden. Ook aan de zuidzijde van de Plesmanlaan is onvoldoende ruimte onder en naast de busbaan. Dat betekent dat er alleen ruimte is onder de reguliere rijbanen, terwijl deze grote doorgaande weg bovendien recentelijk al is heringericht.

31 van 40

Het tracé loopt door druk stedelijk gebied met beperkte ruimte voor de werkzaamheden. Voor het tracé gedeelte nabij de Rijn tot aan de A44 wordt veel overlast voorzien voor autoverkeer, busverkeer en omwonenden. Er is ook een fietspad aanwezig, welke tijdelijk zal moeten worden afgesloten. Het tracé loopt ook over bedrijventerrein aan de Kenauweg. Hier bevinden zich meerdere bedrijven welke moeilijk bereikbaar zullen zijn tijdens de uitvoering van het werk. Daarnaast geldt dat op meerdere plekken langs het laatste tracé de kans bestaat dat er kabels en leidingen verlegd zullen moeten worden vanwege de drukte in de ondergrond. Leiden – variant 3 Variant 3 is voor het grootste gedeelte gelijk aan variant 1 en volgt de Rijnlandroute. In tegenstelling tot variant 1 buigt dit tracé niet af ten noorden van de A44, maar doorkruist het tracé met een boring het Valkenburgse Meer. De boring onder het Valkenburgse Meer zorgt voor extra complexiteit, aanvullend op de eerder benoemde kruisingen in het gemeenschappelijke tracédeel. Mede door de diepte van het meer (35 meter) door de zandwinning is deze boring technisch complex en kostbaar en zorgt ook voor relatief meer warmteverlies. Rondom het Valkenburgse Meer spelen diverse ontwikkelingen die impact kunnen hebben op het tracé. Ook zullen naar verwachting een aantal bomen moeten worden gekapt bij het Valkenburgse Meer.

Er is weinig tot geen overlast voorzien voor fietsverkeer, met uitzondering van de locatie waar het fietspad tijdelijk verlegd moet worden Leiden – variant 4 Variant 4 volgt niet de Rijnlandroute, maar buigt voor de kruising van het Rijn-Schiekanaal / de Vliet richting het noordoosten om de Leidseweg (N447) te doorkruisen aan de oostoever van de Korte Vliet. Dit tracé loopt door een aantal woonwijken tot aan het kruispunt van de Doctor Lelylaan en de Haagse Schouwweg. Vanaf daar volgt dit alternatief hetzelfde tracé als variant 2 tot aan het WOS. Dit tracé doorkruist vier watergangen, waaronder het RijnSchiekanaal / de Vliet en het Galgewater. Dit tracé loopt met name over gemeentelijke grond. Een deel van het tracé loopt door druk stedelijk gebied met beperkte ruimte voor de werkzaamheden. Grond en materieel zal afgevoerd moeten worden en elders opgeslagen moeten worden met als gevolg veel extra transport bewegingen. Ook ondergronds is er weinig ruimte door de aanwezigheid van veel kabels en leidingen, waardoor de kans bestaat dat deze verlegd moeten worden.

Er zijn veel complexe knelpunten waaronder de kruising van het Rijn-Schiekanaal, de parallelle ligging van een waterleiding nabij de kade Korte Vliet, de kruising van het Galgewater nabij de Churchillbrug, het hoogteverschil bij het einde van de Doctor Lelylaan (kruising met Haagse Schouwweg), de aanwezigheid van fietstunnels en de kruising met de Plesmanlaan en net als bij variant 2 de ingewikkelde kruising van de A44. Het tracé loopt daarnaast nabij de kruising Haagse Schouwweg en Plesmanlaan aan de rand van een aantal percelen welke mogelijk nog ontwikkeld zullen worden. Wat betreft overlast geldt dat dit tracé meer overlast veroorzaakt dan de andere varianten. Het tracé loopt nabij drukke in- en uitvalswegen van en naar Leiden centrum, en er zullen tijdelijk één of meer weghelften moeten worden afgesloten. Ook wordt veel overlast voorzien voor fietsverkeer. Doordat het tracé de Fortuinwijk doorkruist, wordt er ook veel overlast voor omwonenden en het winkelgebied in die wijk voorzien. Tevens zullen bedrijven aan de Amphoraweg (kruising nabij Churchillbrug) moeilijker bereikbaar zijn tijdens de uitvoering van het werk. Deze variant loopt echter niet door gebieden met hoge archeologische verwachtingswaarden. Daarnaast raakt het, met uitzondering van het gezamenlijke traject vóór de kruising van het kanaal, geen aangewezen NNN-, Natura 2000 of natuurgebieden.

Ook is er weinig beschermde flora en fauna in het stedelijk gebied aanwezig. Wel zullen er aanzienlijk meer bomen van het stedelijk groen gekapt moeten worden. Wat betreft NGE geldt dat het tracé veel geroerde grond doorkruist, waardoor de kans op NGE’s kleiner is. Leiden – variant 5 Variant 5 volgt net als variant 1, 2 en 3 de Rijnlandroute. Deze variant loopt voorbij de kruising van de A44 eerst een deel langs de noordkant van het fietspad, waar variant 1 grotendeels het fietspad volgt. Vlak voor de kruising met de J. Pellenbargweg duikt deze variant ten zuiden van het fietspad. Waar variant 1 ter hoogte van de kruising van de Ommedijkseweg en de A44 richting het Valkenburgse Meer steekt, blijft variant 5 de A44 volgen. Bij de op/afrit van de A44 doorkruist deze variant de Plesmanlaan om vervolgens aan te sluiten op het WOS. Ook voor dit tracé geldt dat het door meerdere gemeentes loopt en met name particuliere gronden doorkruist. Net als bij variant 1 en 3 zal ook de Rijn ten noorden van de A44 doorkruist moeten worden. Hier dient dat te gebeuren door middel van een kromme boring om de bebouwing te vermijden. Daarnaast maakt ook de parallelligging langs de A44 dit een complex tracé. Ook voor dit tracé geldt dat er overlast kan worden ondervonden voor het auto- en fietsverkeer en de busroute tussen Wassenaar en Leiden.

Wel loopt dit tracé niet door druk stedelijk gebied, en wordt het recreatiegebied rondom het Valkenburgse Meer zo veel mogelijk vermeden.

32 van 40

Conclusie varianten Leiden Variant 2 en 4 volgen relatief minder bestaande infrastructuur en zijn door hun ligging in druk stedelijk gebied een stuk complexer dan de varianten 1, 3 en 5. Vanwege de beperkte boven- en ondergrondse werkruimte, het hoge aantal kruisingen van infrastructuur en de verwachte overlast voor verkeer, bedrijven en omwonenden, is ervoor gekozen om de varianten 2 en 4 te laten afvallen. De varianten 1 en 5 hebben als voordeel dat deze tracés korter zijn dan variant 3. Ook zijn ze minder complex omdat het Valkenburgse Meer niet hoeft te worden doorkruist. Variant 5 is nog korter dan variant 1 en vermijdt daarnaast ook overlast voor de bedrijven en recreatieve activiteiten rondom het Valkenburgse Meer, maar is technischer uitdagend door de parallelligging met de A4 en de gekromde boring onder de Oude Rijn.

3.3 Varianten in het MER In paragraaf 3.1.2 is aangegeven dat alternatief 2 is afgevallen en alleen alternatief 1 wordt meegenomen in het MER. In paragraaf 3.2 zijn de tracévarianten voor alternatief 1 per deelgebied onderzocht en afgewogen. Op basis van een aantal factoren, waaronder lengte tracé, complexiteit, risico op overlast en aanzienlijke aantasting van stedelijke hoofdgroenstructuren en andere waarden, zijn enkele tracévarianten afgevallen. De overgebleven tracévarianten worden in het MER meegenomen. Dit zijn de volgende varianten voor alternatief 1 (ook weergegeven in Figuur 3-7): • • • •

Deelgebied 1: tracé Ypenburg – Variant 1 – Variant 2 Deelgebied 1: tracé Leidschenveen – Variant 1 – Variant 2 Deelgebied 2: Stompwijk – Variant 1 – (Zoekgebied) Variant 2 Deelgebied 3: Leiden – Variant 1 – Variant 3 – Variant 5

33 van 40

Figuur 3-7 Varianten in het MER

34 van 40

4 Methodiek MER In voorliggend NRD zijn de milieueffecten van de aanleg en het gebruik van de warmtetransportleiding en de redelijkerwijs in aanmerking komende alternatieven beschreven. De tracéalternatieven worden in het MER vergeleken op basis van hun effecten. Ook staat aangegeven of er mitigerende en /of compenserende maatregelen nodig zijn en zo ja welke (type) maatregelen moeten of kunnen worden getroffen om effecten te voorkomen en /of te verzachten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de methodiek die in de effectbeoordeling wordt gehanteerd, daarbij wordt eerst ingegaan op de methodiek, daarna het beoordelingskader dat voor de effectbeoordeling wordt toegepast en vervolgens op gerelateerde toekomstige ontwikkelingen.

4.1 Methodiek Beoordelingsschaal Om de effecten van de tracéalternatieven per aspect te kunnen vergelijken, worden deze op basis van een kwalitatieve vijfpuntschaal (+ / - schaal) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie 8. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal gehanteerd zoals weergegeven Tabel 4-1. De beoordeling wordt gemotiveerd met tekst onderbouwd. Wanneer dat relevant en mogelijk is, worden effecten gekwantificeerd. Wanneer dat niet kan, of wanneer kwantificering niet bijdraagt aan de besluitvorming, worden de milieueffecten kwalitatief beoordeeld. Tabel 4-1 Beoordelingsschaal Score Omschrijving ++ Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie + Gering positief effect ten opzichte van de referentiesituatie 0 Geen effect ten opzichte van de referentiesituatie Gering negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie -Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Studie- en plangebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de voorgenomen activiteit of een van de alternatieven kan worden gerealiseerd. Voor dit project ligt het plangebied tussen Rijswijk en Leiden, in dit plangebied worden de ondergrondse warmtetransportleidingen en de benodigde (technische) bouwwerken (zoals een pompstation en het warmteoverdrachtstation) gerealiseerd. Het studiegebied is het gebied waarbinnen de milieugevolgen dienen te worden beschouwd. De omvang van het studiegebied kan per milieuaspect verschillen, maar kan afhankelijk van het aspect groter zijn dan het plangebied.

4.2 Beoordelingskader In voorliggend NRD is, op basis van regelgeving en beleid, een beoordelingskader voorgesteld op basis waarvan (de effecten van) de tracéalternatieven worden beoordeeld. De effecten worden per milieuaspect beschreven. In Tabel 4-2 is per milieuaspect aangegeven welke criteria worden gebruikt. Aanleg- en gebruiksfase Bij de beschrijving van de effecten wordt onderscheid gemaakt in de te verwachten effecten per fase. Effecten in de aanlegfase zijn het gevolg van de werkzaamheden om de onderdelen van het voornemen te realiseren. Effecten in de gebruiksfase zijn het gevolg van het in werking hebben van het voornemen. Permanente effecten die optreden in de aanlegfase worden alleen in de aanlegfase beoordeeld, niet in de gebruiksfase. Wanneer bijvoorbeeld archeologische waarden worden aangetast bij de aanleg, wordt dit beoordeeld

8 De referentiesituatie omvat de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen van de onderzochte aspecten in het studiegebied ervan uitgaand

dat WarmtelinQ Rijswijk - Leiden niet gerealiseerd wordt. De tracévarianten worden vergeleken met de referentiesituatie.

35 van 40

onder aanlegfase. In de gebruiksfase zijn deze waarden dan nog steeds aangetast, deze komen tenslotte niet meer terug. Dit wordt echter onder de gebruiksfase niet nogmaals beoordeeld. Onderdelen project Daarnaast is onderscheid gemaakt tussen de verschillende onderdelen van het project, zie ook hoofdstuk 2 m.b.t. de omschrijving van de verschillende onderdelen van de voorgenomen activiteit. Het kan per onderdeel verschillen of het beoordelen van de effecten relevant is. Per thema is steeds aangevinkt in hoeverre elk onderdeel relevant is voor de effectbeoordeling. Alleen de effecten gerelateerd aan relevante fase per thema worden onderzocht in het MER. Voor de leiding zijn bijvoorbeeld vooral de effecten in de aanlegfase relevant als gevolg van de werkzaamheden. Deze effecten vinden vooral plaats in de omgeving (hinder) en in de bodem. In de gebruiksfase zijn er alleen effecten als gevolg van warmte-uitstraling van de leiding en van de beperking van beplanting boven de leiding. Dit werkt door in de aspecten landschap, hinder functies en natuur. Het pompstation daarentegen heeft in de gebruiksfase geluidemissies die een mogelijk effect hebben. De P&BU heeft naast geluidsemissies ook emissies naar lucht, waaronder stikstof (mogelijk effect op natuur).

Getrapte beoordeling De tracévarianten uit paragraaf 3.3 worden eerst beoordeeld op de criteria die in onderstaande tabel onderstreept zijn. Deze beoordeling vindt plaats op globaal niveau, dusdanig dat de beoordeling voldoende informatie geeft om een keuze te kunnen maken tussen de tracévarianten. Vervolgens wordt per deelgebied een keuze gemaakt voor één variant. De gekozen variant van de verschillende deelgebieden vormen samen het voorkeursalternatief. Dit voorkeursalternatief wordt nader ingepast. Hiervoor kunnen nog inpassingsvarianten worden ontwikkeld. Het ingepaste voorkeursalternatief en de eventuele inpassingsvarianten worden vervolgens beoordeeld op alle criteria uit het beoordelingskader. Daarbij wordt de beoordeling in meer detail uitgevoerd, passend bij het niveau van de eventuele inpassingsvarianten. In Tabel 4-2 en Tabel 4-3 zijn de relevante beoordelingscriteria voor de gebruiksfase en de aanlegfase weergegeven. Tabel 4-2 Beoordelingscriteria per thema - Gebruiksfase Thema Aspect Criterium

Onderdelen project Leiding Pomp & WLQ (§2.1) WOS (§2.1) X X

P&BU (§2.2) X

Landschap, Cultuurhistorie

Landschap

Beïnvloeding van groene kwaliteiten, gebiedskenmerken, patronen en elementen

Woon- en leefomgeving

Hinder functies

Beïnvloeding door ondergrondse warmte-uitstraling

X

Ruimtelijke beperking

Beperking van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen

X

Geluid en luchtemissies

Geluidhinder naar de omgeving en emissies van NOx en fijnstof

Bodem

Bodemkwaliteit

X

Water

Grondwater

Beïnvloeding van bodemkwaliteit Beïnvloeding kwantiteit en kwaliteit van het grondwater Beïnvloeding kwantiteit en kwaliteit van het oppervlaktewater Beïnvloeding Natura 2000- & NNN-gebieden

X

Oppervlaktewater

Natuur

Beschermde gebieden

X

X

X

X

X

X

X

X

36 van 40

Tabel 4-3 Beoordelingscriteria per thema - Aanlegfase Thema Aspect Criterium

Bodem

(water)Bodemkwaliteit

Zettingen Water

Grondwater Oppervlaktewater Waterkeringen

Landschap, Cultuurhistorie, Archeologie

Landschap Cultuurhistorie Archeologie

Beïnvloeding (water)bodemkwaliteit (aanwezigheid van bodemverontreiniging) Risico op het optreden van zettingen Beïnvloeding grondwaterkwantiteit en kwaliteit Beïnvloeding grondwaterkwantiteit en kwaliteit Beïnvloeding stabiliteit van waterkeringen Beïnvloeding van aardkundige waarden Aantasting van cultuurhistorische waarden Aantasting van archeologische verwachtingswaarden Aantasting van archeologisch waardevolle (bekende) terreinen Risico op aanwezigheid van NGE’s

Niet Gesprongen Niet Gesprongen Explosieven Explosieven (NGE) (NGE) Natuur Beschermde gebieden Gevolgen voor Natura 2000- & NNN-gebieden Beschermde soorten Gevolgen voor beschermde soorten Woon- en Hinder omgeving en Trilling- en geluidhinder naar leefomgeving functies omgeving Beïnvloeding van andere ondergrondse hoofdkabels en leidingen Risico op aantasting door bemaling i.r.t. gebouwen en functies Verkeer Verkeer Hinder verkeer (gemotoriseerd, fietsers en voetgangers)

Onderdelen project Leiding Pomp & WOS P&BU WLQ (§2.1) (§2.1) (§2.2) X X X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

4.3 Toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen In de nabije omgeving van de varianten voor het leidingtracé zijn diverse toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen gepland, die mogelijk van invloed kunnen zijn op het tracé. Sommige ontwikkelingen zijn al vastgesteld en in gang gezet, andere ontwikkelingen zitten nog in de ontwerpfase, voor de vaststelling. Deze belangrijkste relevante ruimtelijke ontwikkelingen zijn hieronder opgesomd. Gemeente Rijswijk • Recreatieve herinrichting en speelvoorzieningen Wilhelminapark • Woonwijken Pasgeld West en Oost nabij Lange Kleiweg. • Ontwikkeling woonwijk Rijswijk Buiten

37 van 40

• •

Verbreding spoor, inclusief aanleg fietstunnel 150 Kv kabel vanuit ADO stadion in leidingstrook langs A4

Gemeente Den Haag: • Ontwikkeling Remise terrein HTM op de GAVI kavel • Mogelijke ontwikkeling woningbouw en/of bedrijventerrein op de GAVI kavel • Ontwikkeling installatie geothermie op perceel naast WKC Eneco • Ontwikkeling Technology Park Ypenburg • Potentiële ontwikkeling parkeerterrein P3 ADO stadion • Ontwikkeling tijdelijke en permante woningbouw op de kavel Henri Faasdreef (nabij nieuw ROC) Gemeente Leidschendam-Voorburg: • Recreatief knooppunt/maatschappelijke voorziening tussen Kostverlorenweg en Stompwijksweg) • Verbreding A4 en plaatsing geluidwal aan de westzijde van de A4 Gemeente Leiden/Oegstgeest: • Herinrichting infrastructuur en kruising A44/N206, inclusief op- en afritten • Gebiedsontwikkeling Van der Valk op perceel langs Rhijnhofweg ten zuiden van Mc Donalds (inclusieffietspad, parkeervoorziening en brug over de Oude Rijn).

• Ontwikkeling bioscience park door Universiteit Leiden in het gebied ten westen van de A44 • Woningbouwontwikkelingen Nieuw-Rhijngeest en Rhijnhoeve • Ontwikkeling onderstation Alliander op nader te bepalen locatie Gemeente Katwijk: • Uitbreiding Valkenburgse Meer (zuidzijde) • Drinkwaterwinning Dunea Valkenburgse Meer (oostzijde) • Gebiedsvisie Valkenburgse Meer: diverse ontwikkelingen op het gebied van recreatie, natuur, zandwinning, uitbreiding waterwingebied, ontwikkeling windturbines, zoeklocaties voor geothermie en de transformatie van de Woerd Zijlhoek • Ontwikkelingen Brasserie Buitenhuis, locatie Jongeneel en uitbreiding smalspoormuseum en remise Gemeente Voorschoten: • Woningbouwontwikkeling Sint Nicolaaspark Provincie Zuid-Holland: • Aanleg Rijnlandroute en HOV-busbaan van Katwijk naar Leiden. • Herinrichting Meeslouwerplas Overig: • Rijkswaterstaat: Verbreding A4 Haaglanden 14 + Verbreding A4 Burgerveen Sommige van de hiervoor genoemde ruimtelijke ontwikkelingen, zijn als ruimtelijk plan vastgesteld en daarmee te beschouwen als een autonome ontwikkeling voor het MER. Andere ontwikkelingen zijn nog niet dusdanig vergevorderd. Met de potentiële komst van deze plannen wordt echter waar relevant wel rekening gehouden in het project WarmtelinQ Rijswijk - Leiden, om bijvoorbeeld aan te sluiten op de activiteiten in de omgeving.

In het MER wordt beschouwd welke ruimtelijke ontwikkelingen als autonoom zijn te beschouwen en daarmee onderdeel uitmaken van de referentiesituatie.

38 van 40

Bijlagen

39 van 40

Bijlage A: Afkortingen- en begrippenlijst Begrip

Toelichting

Alternatief Autonome ontwikkeling

Één van de mogelijke oplossingen Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die plaatsvinden ook als de voorgenomen activiteit geen doorgang vindt. Deze ontwikkelingen worden bepaald door vastgesteld beleid en projecten waarover al definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden. De minimale warmtevraag, oftewel de warmtevraag in de zomerperiode De vraag naar warmte op de koudste dagen in het jaar

Basislast Pieklast Bevoegd gezag Duurzame warmte Emissie m.e.r. m.e.r.-plicht MER MWth NRD

Passende Beoordeling (PB) PIP Projectbesluit PS P&BU WEQ WLQ WOS

De overheidsinstantie die bevoegd is het m.e.r.-plichtige besluit te nemen en die de m.e.r.-procedure organiseert Benutten van rest- of afvalwarmte Uitworp van stoffen of de geluidproductie van een bron of inrichting (de hoeveelheid die op een bepaald punt ontvangen wordt, is de Immissie) Milieueffectrapportage (de procedure) De verplichting tot het opstellen van een Milieueffectrapport voor een bepaald besluit over een bepaalde activiteit Milieueffectrapport De eenheid megawatt thermische energie, 1 MWth = 1000 kWth Notitie reikwijdte en detailniveau. Dit is het onderzoekskader voor het milieueffectrapport. Deze wordt eerst in conceptvorm opgesteld door de initiatiefnemer. Na zienswijzen en advies stelt het bevoegd gezag de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER vast Toets van effecten op Natura 2000 in het kader van de Wet natuurbescherming Provinciaal inpassingsplan Onder de Omgevingswet vervangt het projectbesluit het provinciaal inpassingsplan Provinciale Staten Piek- en backupvoorziening.

De piek- en backupvoorziening van Vattenfall dient ter ondersteuning voor het lokale warmtenetwerk in Leiden Woningequivalent, maat voor hoeveelheid woningen die kunnen worden bediend met het warmtenet Warmtetransportleiding van Rijswijk naar Leiden Warmteoverdrachtstation, Installatie waarmee de warmte uit de transportleiding wordt overgedragen op het lokale distributienet

40 van 40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=528f1cfc-c08e-465b-ab55-945c9f52fbb6