Achtergrondinformatie - Notitie reikwijdte en detailniveau (NRD WLQ) 25 april 2022.pdf
Tekst van het document
NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU Warmtetransportleiding Rijswijk - Leiden 25 april 2022
EINDCONCEPT
Arcadis Nederland B.V., Beaulieustraat 22, 6814 DV Arnhem
T +31 (0)88 4261 261
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504
www.arcadis.com
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING
4
1.1 Aanleiding
4
1.2 Te nemen besluiten
5
1.3 Bovenregionaal warmtenetwerk
6
1.4 Milieueffectrapportage
7
1.4.1 M.e.r.-plicht
8
1.4.2 M.e.r.-procedure
10
1.5 Participatieproces
11
1.6 Zienswijze indienen
12
1.7 Leeswijzer
13
2 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
14
2.1 WarmtelinQ Rijswijk - Leiden
14
2.2 Piek- en backupvoorziening
15
3 ALTERNATIEVEN
19
3.1 Ontwikkeling tracéalternatieven
19
3.1.1 Principes voor tracékeuzes op hoofdlijnen
19
3.1.2 Tracéalternatieven op hoofdlijnen
20
3.2 Tracévarianten per deelgebied (alternatief 1)
23
3.2.1 Deelgebied 1 (Rijswijk, Den Haag, Leidschendam-Voorburg)
24
3.2.2 Deelgebied 2 (Leidschendam-Voorburg, Zoeterwoude)
28
3.2.3 Deelgebied 3 (Voorschoten, Leiden, Wassenaar, Katwijk en Oegstgeest)
30
3.3 Varianten in het MER
33
4 METHODIEK MER
35
4.1 Methodiek
35
4.2 Beoordelingskader
35
4.3 Toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen
37
BIJLAGEN Bijlage A: Afkortingen- en begrippenlijst
39 40
2 van 40
3 van 40
1 Inleiding Voor u ligt de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor de warmtetransportleiding van Rijswijk naar Leiden (WarmtelinQ Rijswijk - Leiden) als start van de plan m.e.r.-procedure die voor het project wordt doorlopen. Deze NRD is bedoeld om betrokkenen vooraf te informeren en te raadplegen over de gewenste inhoud en diepgang van het op te stellen Milieueffectrapport (MER) voor dit project. Dit hoofdstuk geeft een algemene toelichting op het project en de procedures voor de aanleg van een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden. Allereerst wordt ingegaan op de aanleiding van het project (paragraaf 1.1). Vervolgens wordt ingegaan op de formele besluiten die nodig zijn voor het project (paragraaf 1.2), waarna er dieper wordt ingegaan op de samenhang van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden met het bovenregionale warmtenetwerk. Hierna volgt een toelichting op de m.e.r.-plicht en procedure (paragraaf 1.4), die voor het project wordt doorlopen en het participatieproces (paragraaf 1.5). In paragraaf 1.6 wordt aangegeven hoe op deze NRD kan worden gereageerd. Tot slot volgt een leeswijzer voor de overige hoofdstukken van deze notitie (paragraaf 1.7). Een korte uitleg van begrippen en afkortingen die gebruikt worden, is te vinden in Bijlage A.
1.1 Aanleiding LdM C.V., werkend onder de handelsnaam WarmtelinQ en een onderdeel van Gasunie, is voornemens om de toekomstige warmtetransportleiding WarmtelinQ Vlaardingen – Den Haag ter hoogte van Rijswijk door te trekken naar Leiden. Dit project wordt WarmtelinQ Rijswijk - Leiden genoemd. Beide projecten maken deel uit van het toekomstige bovenregionaal warmtetransportnet in Zuid-Holland (zie paragraaf 1.3). Het doel van de warmtetransportleiding Rijswijk - Leiden is de verduurzaming van zowel de bestaande als toekomstige warmtelevering in Leiden en het aanbieden van restwarmte aan toekomstige warmtedistributienetten in de gemeenten langs het toekomstige tracé (Den Haag, Rijswijk, Leidschendam-Voorburg, Voorschoten, Wassenaar, Katwijk, Zoeterwoude, Leiderdorp, Leiden en Oegstgeest). De leiding takt in Rijswijk af van de warmtetransportleiding Vlaardingen-Den Haag waarvoor Provinciale Staten in oktober 2021 reeds een provinciaal inpassingsplan hebben vastgesteld. Het tracé zal meerdere gemeenten doorkruisen om in Leiden te kunnen aansluiten op het bestaande warmtedistributienet aldaar. De warmtetransportleiding bestaat feitelijk uit twee leidingen (een aanvoer- en een retourleiding), een pompstation1 en een warmteoverdrachtstation2 (WOS) bij de aansluiting op het bestaande warmtenet in Leiden.
Daarnaast wordt de piek- en backupvoorziening3 (P&BU) van Vattenfall in Leiden in het onderzoek betrokken. Het start- en eindpunt van de leiding met een grove verbindingslijn is in Figuur 1-1 weergegeven.
1 Een pompstation is nodig om de leiding op druk te kunnen houden wanneer een lange afstand moet worden afgelegd. 2 Een warmteoverdrachtstation (WOS) is een installatie waarmee de warmte uit de transportleiding wordt overgedragen op het
lokale distributienet. 3 De piek- en backupvoorziening (P&BU) van Vattenfall dient ter ondersteuning voor het lokale warmtenetwerk in Leiden.
4 van 40
Figuur 1-1 start- en eindpunt voor WarmtelinQ Rijswijk - Leiden De verwezenlijking van deze warmtetransportleiding dient een provinciaal belang, daarom hebben Provinciale Staten (PS) op 22 september 2021 besloten om voor WarmtelinQ Rijswijk - Leiden een provinciaal inpassingsplan (PIP) vast te stellen dan wel bij van kracht worden van de Omgevingswet een Projectbesluit te nemen. WarmtelinQ Rijswijk Leiden wordt planologisch verankerd en beschermd door dit PIP/Projectbesluit. De te nemen besluiten en de daarmee samenhangende m.e.r.-plicht zijn nader toegelicht in respectievelijk de paragrafen 1.2 en 1.4.
1.2 Te nemen besluiten Deze paragraaf gaat allereerst in op de te nemen besluiten in relatie tot de m.e.r.-procedure. Daarna wordt kort ingegaan op de overige relevante besluiten die noodzaak zijn voor de realisatie van het project.
Provinciaal Inpassingsplan c.q. projectbesluit Provinciaal inpassingsplan Door middel van het provinciaal inpassingsplan (PIP) worden de gemeentelijke bestemmingsplannen ter plaatse herzien zodat enerzijds een planologisch-juridische basis ontstaat voor de aanleg c.q. het gebruik van leidingen, pompstation en warmteoverdrachtstation en de vergunningverlening door het bevoegd gezag voor de benodigde (technische) bouwwerken en anderzijds de leiding wordt beschermd tegen onwenselijke invloeden van buitenaf. In dat opzicht is het PIP vergelijkbaar met een gemeentelijk bestemmingsplan, maar het heeft als voordeel dat de voorbereiding en de ruimtelijke besluitvorming bij één bevoegd gezag (Provinciale Staten) ligt in plaats van bij afzonderlijke gemeenteraden van de gemeenten die de leiding doorkruist. Dat is efficiënter en voorkomt onnodige procedurerisico’s. Het voorgaande neemt uiteraard niet weg dat de belangrijke keuzes die aan het PIP voorafgaan (onder andere over het definitieve tracé en de uiteindelijke scope) in nauwe samenwerking met de betrokken gemeenten tot stand komen. Hiervoor wordt ook een participatieproces met de omgeving doorlopen.
5 van 40
Projectbesluit Naar verwachting zal op 1 januari 2023 de Omgevingswet in werking treden. Dat heeft aanzienlijke consequenties voor het ruimtelijke ordeningsstelsel in Nederland. Een van de wijzigingen is dat vanaf die datum het inpassingsplan uit de Wro wordt vervangen door het projectbesluit (artikel 5.44 Omgevingswet). Het projectbesluit wordt het nieuwe instrument voor waterschappen, provincies en het Rijk voor het mogelijk maken van projecten met een publiek belang. Voor sommige projecten vloeit de toepassing van het projectbesluit verplicht voort uit de Omgevingswet, in andere gevallen kan het bevoegd gezag hiertoe vrijwillig besluiten. Voor het projectbesluit is in afdeling 5.2 van de Omgevingswet een afzonderlijke procedure voorgeschreven: de projectprocedure. Deze procedure omvat maximaal vijf stappen: kennisgevingen over voornemen en participatie, een verkenning, voorkeursbeslissing, ontwerp-projectbesluit en projectbesluit. Voor onderhavig type project is een voorkeursbeslissing niet verplicht (zie art. 5.4 Omgevingsbesluit). De provincie zal een voorkeursalternatief duiden dat vervolgens nader ingepast wordt en vastgelegd in het Projectbesluit. Het PIP dan wel het projectbesluit zal in ieder geval de onderdelen van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden (leidingen, pompstation en WOS) omvatten.
Of daarin ook de P&BU van Vattenfall wordt vastgelegd, wordt door de provincie later besloten, uiteraard in samenspraak met de gemeenten Leiden en Oegstgeest. Wel worden in het MER de milieueffecten van het P&BU in beeld gebracht. De P&BU is daarom ook nader beschreven in hoofdstuk 2. Overige besluiten Naast het PIP c.q. projectbesluit voor de planologische verankering van het project zijn voor de realisatie nog andere vergunningen en besluiten nodig van verschillende bevoegde gezagen. Deze kunnen eventueel worden opgenomen in het projectbesluit. Daarnaast kan het bevoegd gezag bepalen (op grond van artikel 5.45 Ow) dat de besluiten die nodig zijn voor de uitvoering van het projectbesluit (zgn. uitvoeringsbesluiten), gecoördineerd worden aangevraagd en voorbereid met toepassing van de nieuwe coördinatieprocedure uit afdeling 3.5 Awb. Dit is de opvolger van de provinciale coördinatieregeling uit de Wro. Of van deze mogelijkheden gebruik zal worden gemaakt, zal later in overleg met de initiatiefnemers worden bepaald.
1.3 Bovenregionaal warmtenetwerk De provincie streeft naar een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie in 2030 in Zuid-Holland, conform de Europese en nationale doelstellingen om een CO2-reductie te realiseren van 49% in 2030 ten opzichte van 1990 en een energie-efficiëntiebesparing van 32% in 2030 ten opzichte van 2007. De provincie werkt vanuit het Coalitieakkoord 2019-2023 aan ‘Schone energie voor iedereen’. Daarin is het bieden van alternatieve warmtebronnen een belangrijk onderwerp om CO2-reductie te realiseren. De CO2-emissie die vrijkomt bij de verbranding van aardgas voor de verwarming van woningen en andere gebouwen kan zo sterk verminderd worden. In Zuid-Holland is veel restwarmte uit de industrie beschikbaar die als duurzame warmte benut kan worden. De provincie stimuleert en faciliteert projecten waarbij restwarmte, geothermie en lokale bronnen optimaal benut worden voor de verschillende vormen van warmtevoorziening. De provincie werkt aan de optimalisatie van duurzame warmtebronnen in Zuid-Holland (restwarmte, geothermie, aquathermie en andere bronnen) en zet zich in voor de totstandkoming van een robuust, publiek beheerd warmtetransportsysteem voor Zuid-Holland.
Een bovenregionale warmte-infrastructuur is hierbij een essentieel onderdeel om een goed functioneren warmtemarkt te faciliteren waarin de vraag naar warmte kan worden vervuld door een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorziening (Omgevingsprogramma Provincie Zuid-Holland, 2021). Dit bovenregionaal warmtenetwerk wordt in samenwerking met het Rijk (ministerie EZK), Gasunie en andere partijen gerealiseerd, waarmee onder andere restwarmte vanuit de Rotterdamse haven – en op termijn ook andere bronnen naar de lokale warmtedistributienetten kan worden getransporteerd. Aansluiting van bestaande gasgestookte warmtenetten op dit warmtetransportsysteem is een relatief snelle eerste stap om CO 2-emissie te voorkomen. Binnen het project WarmtelinQ wordt invulling gegeven aan de realisatie van bovenregionaal warmtenetwerk zodat restwarmte vanuit de Rotterdamse Haven gebruikt kan worden om huizen en bedrijven in Zuid-Holland te verwarmen. Dit project bestaat uit verschillende onderdelen zoals te zien in Figuur 1-2. Zo is bijvoorbeeld WarmtelinQ Vlaardingen
6 van 40
– Den Haag al vastgesteld en is WarmtelinQ druk bezig met de voorbereiding van de uitvoering. Het project WarmtelinQ Rijswijk - Leiden vormt de volgende schakel van het grotere ‘WarmtelinQ’ project. Door de realisatie van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden wordt een verdere impuls gegeven aan bovenregionaal warmtenetwerk ten behoeve van duurzame warmtelevering.
Figuur 1-2 WarmtelinQ onderdelen Zuid-Holland
1.4 Milieueffectrapportage Het opstellen van deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau (hierna: NRD) is onderdeel van de m.e.r.-procedure die voor het project WarmtelinQ Rijswijk - Leiden wordt doorlopen. Het doel van de m.e.r.-procedure is om milieu- en natuurbelangen naast andere belangen een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming. M.e.r. is voorgeschreven op grond van Europese en nationale wetgeving indien er sprake is van activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten. Deze activiteiten zijn opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. Onderstaand is de m.e.r.-plicht voor WarmtelinQ Rijswijk - Leiden nader toegelicht.
7 van 40
1.4.1 M.e.r.-plicht M.e.r.-beoordelingsplicht en m.e.r.-plicht Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer moet bij initiatieven voor (de aanleg of het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet bepaald worden welke procedure doorlopen moet worden om mogelijke milieueffecten te beoordelen. Uit de lijst blijkt of een activiteit m.e.r.-beoordelingsplichtig (al dan niet vormvrij) is of m.e.r.-plichtig. Er kunnen twee uitkomsten van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling zijn: • Indien belangrijke nadelige milieugevolgen niet optreden, wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.procedure wordt doorlopen. • Indien belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten, moet een m.e.r.-procedure doorlopen worden. Een initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit kan ook besluiten om direct (vrijwillig) de m.e.r.procedure te doorlopen in plaats (eerst) een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
Warmtetransportleiding Zowel op basis van de huidige wetgeving (Besluit m.e.r.) als op basis van het Omgevingsbesluit (Bijlage V) geldt er voor de voorgenomen aanleg van de warmtetransportleidingen en de benodigde grondwateronttrekking in de aanlegfase geen directe m.e.r.-plicht, maar een m.e.r.-beoordelingsplicht: Besluit m.e.r. (huidige wetgeving) Categorie Omschrijving - drempelwaarde D 8.4 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor transport van warm water of stoom. m.e.r.-beoordelingsplicht als: De activiteit betrekking heeft op: 1°.Een buisleiding met een diameter van 1 meter of meer, en 2°.Een lengte van 10 kilometer of meer.
Omgevingsbesluit (toekomstige wetgeving) ActiviteitOmschrijving - drempelwaarde J9 Buisleidingen voor: a. het transport van gas, olie of chemicaliën, b. het transport van kooldioxide (CO2) stromen voor geologische opslag, inclusief de pompstations, of c. stoom of warm water
Diameter voorgenomen buisleiding is minder dan 1 meter
C 15.1
Conclusie: vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht De infiltratie van water in de bodem of onttrekking van grondwater aan de bodem alsmede de wijziging of uitbreiding van bestaande infiltraties en onttrekkingen. m.e.r.-plicht als: De activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid K1 water van 10 miljoen m3 of meer per jaar. Verwachte onttrekking is minder dan 10 miljoen m3
voor c. stoom of warm water geen drempelwaarde waarboven m.e.r.-plicht, dus altijd m.e.r.-beoordelingsplicht Voornemen valt onder sub c. Conclusie: m.e.r.-beoordelingsplicht Werkzaamheden voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater. m.e.r-plicht bij: Een hoeveelheid water van 10 miljoen m3 of meer per jaar Verwachte onttrekking is minder dan 10 miljoen m3 Conclusie: m.e.r.-beoordelingsplicht
Conclusie: geen m.e.r.-plicht
8 van 40
D 15.2
De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater. m.e.r.-beoordelingsplicht als: De activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar. Verwachte onttrekking is mogelijk meer dan 1,5 miljoen m3 Conclusie: in ieder geval vormvrije m.e.r.beoordeling, bij overschrijding 1,5 miljoen m3 m.e.r-beoordelingsplicht
Piek- & backupvoorziening Daarnaast wordt ook de P&BU van Vattenfall meegenomen in het MER. Deze krijgt een vermogen van maximaal 120 MWth. Op basis van de huidige wetgeving geldt hierbij een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Op basis van het Omgevingsbesluit (Bijlage V) geldt voor de oprichting en gebruik van de P&BU ook een m.e.r.-beoordelingsplicht, zie onderstaande tabel. Het verschil tussen vormvrije m.e.r.-beoordeling en m.e.r.-beoordeling is niet inhoudelijk en verdwijnt in de toekomstige wetgeving. Besluit m.e.r. (huidige wetgeving) Categorie Omschrijving - drempelwaarde C 22.1 De oprichting, wijziging of uitbreiding van thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties.
D 22.1
Omgevingsbesluit (toekomstige wetgeving) Activiteit Omschrijving - drempelwaarde C1 Thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties voor de productie van elektriciteit, stoom of warm water
m.e.r.-plicht als: De activiteit betrekking heeft op een inrichting met een vermogen van 300 megawatt (thermisch) of meer.
m.e.r.-plicht bij; Oprichting, wijziging of uitbreiding met een warmtevermogen van 300 MW of meer (thermisch)
Maximaal vermogen is 120 MWth
Maximaal vermogen is 120 MWth
Conclusie: geen m.e.r.-plicht De oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water.
Conclusie: m.e.r.-beoordelingsplicht
m.e.r.-beoordelingsplicht als: De activiteit betrekking heeft op een elektriciteitscentrale met een vermogen van 200 megawatt (thermisch) of meer en, indien het een wijziging of uitbreiding betreft, 1°. het vermogen met 20% of meer toeneemt, of 2°. de inzet van een andere brandstof tot doel heeft. Maximaal vermogen is 120 MWth Conclusie: vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht
9 van 40
De overige onderdelen van het voornemen (pompstation en WOS) zijn niet als activiteit opgenomen in de bijlagen bij het Besluiten mer/Omgevingsbesluit en daarmee nooit zelfstandig m.e.r.-(beoordelings)-plichtig. Deze onderdelen worden wel meegenomen in het MER bij het bepalen van de milieueffecten.
Stikstof, Passende Beoordeling en plan-mer-plicht Via de Wet stikstofreductie en natuurverbetering en het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Kamerstukken I, 2020/21, 35600 nrs. C en G) wordt middels een partiële vrijstelling geregeld dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. Deze zogenoemde bouwvrijstelling is van toepassing als voor de uitvoering van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden een vergunning wordt aangevraagd. Dat betekent dat het project is vrijgesteld van de vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming voor het aspect tijdelijke stikstofdepositie. De bouwvrijstelling geldt niet voor plannen, zoals een PIP. Daarnaast geldt dat voor de P&BU dat ook in de gebruiksfase sprake is van stikstofuitstoot en -depositie. De bouwvrijstelling is namelijk alleen van toepassing op de aanlegfase van projecten en niet op de gebruiksfase. In verband hiermee zal een AERIUS-berekening worden uitgevoerd om mede te bepalen of er mogelijk sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Het effect van de stikstofdepositie zal inzichtelijk worden gemaakt in het op te stellen MER. Vervolgens kan een Voortoets uitgevoerd worden om te bepalen of significant negatieve effecten op Natura 2000gebieden uitgesloten kunnen worden.
Als uit de Voortoets blijkt dat deze effecten niet uitgesloten kunnen worden, dient een Passende Beoordeling opgesteld te worden. Voor m.e.r.-beoordelingsplichtige plannen waarvoor een Passende Beoordeling opgesteld dient te worden, wijzigt de m.e.r.-beoordelingsplicht in een zogeheten plan-m.e.r.plicht4. Voor het PIP betekent dit dat de plan-m.e.r.-procedure doorlopen dient te worden. Het Projectbesluit in de toekomstige Omgevingswet is geen plan, zoals het PIP dat is. Voor het Projectbesluit is daarom nooit sprake van een plan-mer-plicht. In deze fase van het project staat nog niet vast of een Passende Beoordeling bij het PIP noodzakelijk is. Om zekerheid te hebben dat de provincie de juiste procedure volgt, is besloten om uit te gaan van de plan-m.e.r.-procedure.
1.4.2 M.e.r.-procedure Provinciale Staten zijn bevoegd gezag voor de m.e.r.-procedure zolang die is gekoppeld aan het PIP. De procedure voor de te nemen besluiten en de m.e.r. verandert echter deels door de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is namelijk Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag voor de m.e.r.-procedure en het Projectbesluit. De provincie richt de procedure daarom zo in dat zowel aan de huidige als de toekomstige wetgeving wordt voldaan. De stappen uit de procedures zijn weergegeven in onderstaande figuur.
4 De m.e.r.-plicht voor projecten wordt project-m.e.r. genoemd en voor plannen plan-m.e.r.
10 van 40
Figuur 1-3 Procedurestappen
1.5 Participatieproces WarmtelinQ en provincie Zuid-Holland investeren nadrukkelijk in het betrekken van mensen bij de warmtetransportleiding, hiervoor is een participatieplan opgesteld. Het participatieplan is door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 11 januari 2022 en te vinden op de projectwebsite van de provincie: www.zuid-holland.nl/wlq-rijswijkleiden. Dit participatieplan5 beschrijft hoe publiek, professionals en besturen tijdens het besluitvormingsproces van het PIP/Projectbesluit en MER worden betrokken. Het opgestelde participatieplan richt zich op het tracé Rijswijk - Leiden, de technische voorzieningen en toekomstige aansluitingen op warmtedistributienetten. Met het participatieplan werken WarmtelinQ en provincie Zuid-Holland al in de geest van de Omgevingswet. Participatie is een van de speerpunten van de Omgevingswet. Initiatiefnemers moeten belanghebbenden betrekken bij het proces van besluitvorming over een project of activiteit. Belanghebbenden zijn inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden. De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie om zo tijdig 5 Dit participatieplan richt zich primair op de besluitvormingsfase voor het project. Voor de uitvoeringsfase wordt separaat een
participatieplan opgesteld.
11 van 40
belangen, meningen en alternatieven op tafel te krijgen. De initiatiefnemer kan zo tot zorgvuldige en gedragen besluiten komen. Participatie gaat in brede zin over het betrekken van belanghebbenden en belangstellenden bij het project. Door participatie al in de verkenningsfase van de procedure te organiseren, kan iedereen zelf informatie, oplossingen of koppelkansen aandragen. Participatie brengt zo de effecten van het project in beeld en zorgt dat argumenten voor alternatieven goed worden afgewogen, waardoor het project beter aansluit bij maatschappelijke behoeften. Ook ontstaat samenhang in de diverse belangen. Het participatieproces in het kader van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden heeft twee primaire doelen: Doel 1: Belangen van de omgeving in kaart brengen Het participatieproces is erop gericht om belangen van de omgeving in kaart te brengen. Hiervoor organiseert de provincie samen met de initiatiefnemers verschillende participatie-activiteiten, waarbij betrokkenen o.a. hun inbreng kunnen geven, zodat deze door het bevoegd gezag kunnen worden betrokken bij de besluitvorming. Op deze manier kunnen we het project waar mogelijk laten aansluiten bij de wensen vanuit de omgeving. Concreet houdt WarmtelinQ in NRD-fase hiervoor een enquête en een onlineconsultatie onder de inwoners van de betreffende gemeenten.
Doel 2: Vergroten van het begrip voor de afwegingen in de besluitvorming Het participatietraject is erop gericht het begrip voor het besluitvormingsproces te vergroten. We vergroten maatschappelijke acceptatie door afwegingen in tracékeuze kenbaar te maken en met mensen te bespreken en mensen te wijzen op de formele invloed die ze hebben door het indienen van formele zienswijzen op het projectbesluit en MER. Acceptatie voor het project kan worden vergroot door het organiseren en investeren in een langdurige constructieve relatie met verschillende belanghebbenden. Zo vergroten we begrip voor nut en noodzaak van WarmtelinQ bij de omgeving. Concreet organiseert WarmtelinQ hiervoor in de NRD-fase een webinar en meerdere kennissessies, aantal en inhoud van de kennissessies wordt onder andere bepaald op basis van de uitkomsten van de enquête. Uiteraard maken ook de formele inspraakmomenten van de m.e.r.-procedure onderdeel uit van het participatieplan. WarmtelinQ en provincie Zuid-Holland vragen belanghebbenden te reageren op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het MER (zie ook paragraaf 1.6), het ontwerp Projectbesluit en het definitieve Projectbesluit. De provincie neemt deze input mee bij de besluitvorming over de MER en het Projectbesluit.
1.6 Zienswijze indienen Voorliggend document, de concept NRD, is bedoeld om inzicht te bieden in de verschillende alternatieven behorende bij de afweging van tracéalternatieven voor de beoogde warmtetransportleiding en beoogde aanpak van het m.e.r.proces. Het NRD ligt zes weken voor eenieder ter inzage en in die periode kunnen er zienswijzen worden ingediend over de reikwijdte en het detailniveau van het uit te voeren milieuonderzoek. Digitaal en schriftelijk reageren U kunt uw reactie op de NRD digitaal indienen tijdens de terinzagelegging. Daarnaast kunt u uw reactie ook schriftelijk geven door deze te sturen naar provincie Zuid-Holland. De details voor het indienen van een zienswijze kunt u vinden in de kennisgeving. Ook op de projectwebsite van de provincie vindt u meer informatie en relevante documenten: www.zuidholland.nl/wlq-rijswijk-leiden
12 van 40
1.7 Leeswijzer Deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau dient als start van de m.e.r.-procedure. Het bevat een beschrijving van de gewenste inhoud en diepgang en voor het onderzoekskader van het op te stellen MER. In Hoofdstuk 2 zijn de volgende onderdelen beschreven: • De voorgenomen activiteiten van de initiatiefnemers Gasunie en Vattenfall. In Hoofdstuk 3 is de alternatiefontwikkeling voor de m.e.r.-procedure nader uitgewerkt waarbij is ingegaan op: • De ontwikkeling van tracéalternatieven tussen Den Haag en Leiden • De tracévarianten per deelgebied (deelgebied 1, 2 en 3) • De op milieueffecten te onderzoeken alternatieven en varianten in het MER. Vervolgens beschrijft Hoofdstuk 4 de wijze van effectbeoordeling in het MER. Hierbij is tevens aangegeven met welke autonome ontwikkelingen, in ieder geval, rekening mee wordt gehouden in het MER.
13 van 40
2 Voorgenomen activiteiten In voorliggend hoofdstuk zijn de voorgenomen activiteiten beschreven. Paragraaf 2.1 heeft betrekking op de aanleg van de warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden. In paragraaf 2.2 is de relatie met de piek- en backupvoorziening van Vattenfall beschreven.
2.1 WarmtelinQ Rijswijk - Leiden De voorgenomen activiteit bestaat uit de aanleg van ondergrondse warmtetransportleidingen met bijbehorende voorzieningen en bouwwerken van Rijswijk naar Leiden. De warmtetransportleidingen bestaan uit een aanvoerleiding en een retourleiding. Op verschillende locaties worden aansluitingsmogelijkheden (T-stukken) gerealiseerd voor lokale, toekomstige warmtedistributienetten. Het gedemineraliseerde water wordt via een gesloten buissysteem getransporteerd. De leidingen zijn voorzien van een isolerende buitenmantel (PUR/PE) van totaal 200 mm en lekdetectie. WarmtelinQ Rijswijk - Leiden bestaat uit: • Een aansluiting op WarmtelinQ in Rijswijk (Pr. Beatrixlaan), dit is het startpunt van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden; • Een aanvoer- en retourleiding inclusief expansielussen, met heet water onder druk, met een buitendiameter van maximaal 700 mm inclusief isolerende buitenmantel; • Een pompstation van circa 950 m2 in of nabij Leidschenveen om de leidingen voldoende op druk te kunnen houden; • Een Warmteoverdrachtstation (WOS) inclusief aansluiting op de piek- en backupvoorziening (P&BU) van Vattenfall (zie paragraaf 2.2) om warmte op het huidige warmte(distributie)net in Leiden over te dragen; • Diverse T-stukken om toekomstige warmtedistributienetten op aan te sluiten. WarmtelinQ Rijswijk - Leiden heeft een transportcapaciteit van 100 MWth6.
Uitgaande van 2 kWth7 per woningequivalent (WEQ) basislast, kunnen met deze warmtetransportleiding circa 50.000 WEQs van warmte worden voorzien. Van deze 100 MWth, zal in elk geval 40 MWth worden afgezet aan de westzijde van Leiden ten behoeve van het bestaande stadswarmtenetwerk. De overige 60 MWth kan worden afgezet in nieuwe lokale warmtenetten in de andere gemeenten langs het tracé. Op dit moment is nog niet bekend of en waar dat gaat gebeuren. De leidingen komen ondergronds te liggen en worden daar waar mogelijk aangelegd door open ontgraving. Dat houdt in dat er een sleuf wordt gegraven waar de leidingen in gelegd worden, daarna de sleuf weer wordt opgevuld met de vrijgekomen grond. Daarnaast zijn ook andere methoden zoals HDD-boringen en persingen mogelijk voor de aanleg van de warmtetransportleiding. Deze methoden kunnen worden toegepast voor tracédelen waarbij aanleg door middel van een open ontgraving niet mogelijk is, bijvoorbeeld onder watergangen en belangrijke infrastructuur (spoor en snelwegen) door. De te gebruiken aanlegmethode is ook afhankelijk van bestuurlijke keuzes. In het MER worden de verschillende aanlegmethoden toegelicht en aangegeven op welke locaties de verschillende methoden worden toegepast. In Nederland heeft het aanleggen van ondergrondse leidingen de voorkeur.
Dat heeft namelijk diverse voordelen, namelijk dat de kans op beschadiging van de leidingen afneemt (veiligheid), minder (kostbare) technische ondersteuningsconstructies nodig zijn (techniek/financieel), de leidingen niet zichtbaar zijn (beeldkwaliteit) en het bovengrondse maaiveld voor veel andere functies kan worden gebruikt (dubbel ruimtegebruik). Om deze werkzaamheden uit te voeren zijn ook werkstroken nodig en tijdelijke wegen om het materieel en materiaal aan te voeren. De huidige inschatting is dat de aanlegfase een periode van ongeveer 2 jaar in beslag neemt. Tijdens de aanleg zullen er langs het gehele tracé gedurende de volledige periode werkzaamheden plaatsvinden.
6 MWth is de eenheid megawatt thermische energie, 1 MWth = 1000 kWth 7 Bij WarmtelinQ Vlaardingen – Den Haag is destijds uitgegaan van 1,6 kWth per woningequivalent (WEQ). Voor WarmtelinQ
Rijswijk - Leiden is op basis van voortschrijdend inzicht gekozen voor een conservatievere benadering met een hogere kWth per WEQ. Op termijn zal met betere isolatie van gebouwen 1,6 kWth per WEQ wel behaald kunnen worden.
14 van 40
Na de aanlegfase bevinden de leidingen zich ondergronds en zijn daardoor niet zichtbaar. Om de leidingen te beschermen tegen fysieke beschadiging, kan boven de leiding in principe geen diepwortelende beplanting worden teruggeplaatst, niet-diepgewortelde beplanting is wel mogelijk. Daarom wordt in het PIP/Projectbesluit boven en aan weerszijden van de transportleiding een beschermingszone opgenomen om schade door diepwortelende beplantingen en andere activiteiten zoals graafwerkzaamheden, te voorkomen. Deze beschermingszone bestaat uit een beschermstrook van circa 4 meter aan weerszijden vanuit het hart van de leidingen. Dit komt neer op een totale beschermingszone van circa 10 meter voor beide leidingen samen. Pompstation Onderdeel van de voorgenomen activiteit WarmtelinQ Rijswijk - Leiden is de realisatie van een pompstation. In dit pompstation wordt het warme water met voldoende druk doorgezet naar de afzetgebieden langs of aan het eindpunt van het tracé. De locatie van het pompstation is nog niet exact bekend. Dit is namelijk onder andere afhankelijk van de locatie van de afzetgebieden en de hoeveelheid van de warmteafzet. Vanuit deze technische randvoorwaarden is het wenselijk om het pompstation te situeren in of nabij Leidschenveen.
Binnen dit zoekgebied kan een pompstation worden gerealiseerd zodat - ongeacht de toekomstige afzet - het warmtetransportsysteem goed kan functioneren en er een robuust transportnet ontstaat. Met dit uitgangspunt in het ontwerp wordt flexibiliteit geboden voor de toekomstige warmteafzet tussen Rijswijk en Leiden. Het zoekgebied voor een pompstation is nader geduid in Figuur 3-4.
2.2 Piek- en backupvoorziening In Leiden, Oegstgeest en Leiderdorp bevindt zich het stadswarmtenet van Vattenfall. Op dit moment wordt de warmte voor dit stadswarmtenet geleverd door de STEG centrale in het centrum van Leiden. In deze STEG centrale wordt elektriciteit opgewekt door middel van aardgas, waarbij restwarmte vrijkomt die wordt geleverd aan het stadsverwarmingsnet in Leiden. In het kader van de warmtetransitie naar duurzamere bronnen wil Vattenfall overgaan op het gebruik van restwarmte, die geleverd kan worden via WarmtelinQ Rijswijk - Leiden. In het WOS (zie paragraaf 2.1) wordt de warmte uit WarmtelinQ Rijswijk - Leiden overgedragen aan het systeem van Vattenfall. Naast de aansluiting op het WOS is het noodzakelijk dat Vattenfall ter plaatse ook een piek- en backupvoorziening (P&BU) realiseert. Dit P&BU zal in de wintermaanden aanvullende warmte leveren bij hoge warmtevraag (piek) en bij storingen/onderhoud (back-up). Ook is de P&BU noodzakelijk om de temperatuur uit van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden op koude dagen op te hogen naar circa 120 °C. Het is daarom van belang dat het WOS en de P&BU in elkaars onmiddellijke nabijheid gerealiseerd worden. De locatie van de P&BU is ten westen van Leiden op de grens van Leiden en Oegstgeest voorzien. De WOS en het P&BU zullen gezamenlijk circa 5.000 m2 beslaan.
Het beoogde eindpunt van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden is het WOS dat naast de P&BU gerealiseerd wordt.
15 van 40
Figuur 2-1 Indicatieve locatie P&BU Vattenfall en het WOS De piek- en backupinstallatie zal bestaan uit de volgende onderdelen: • 2 tot 4 gasgestookte warmwaterketels met een vermogen van 25-40 MWth per stuk. Afhankelijk van de configuratie wordt 60-120 MWth hulpwarmtevermogen geïnstalleerd. • Warmwater Buffervat van 2500-4000 m3 van circa 25-35 meter hoog om warmte uit de warmtetransportleiding op te slaan en beter te benutten (beperkt draaiuren ketels). • Waterbehandelingssystemen, pompen en andere secundaire systemen om aan het stadswarmtenetwerk Leiden te kunnen leveren. De P&BU wordt aangesloten op het bestaande stadswarmtenet in Leiden. Deze aansluitleiding loopt voornamelijk door Leiden en een klein deel door Oegstgeest. Deze aansluitleiding valt buiten de scope van het MER.
16 van 40
Figuur 2-2 Warmtenet regio Leiden. De groen gearceerde delen geven de leveringsgebieden van Vattenfall weer. Nut en Noodzaak van aansluiting op piek- en backupvoorziening Vattenfall Met het warme water uit WarmtelinQ Rijswijk - Leiden wordt 40 MWth basis- en middenlast geleverd aan Vattenfall. Met deze hoeveelheid warmte wordt meer dan 80% van benodigde jaarlijkse warmte geleverd. Het warmtedistributienet in Leiden heeft een piekvraag van 120 MWth. Om aan deze piekvraag te kunnen voldoen, is voor het Leidse warmtenet een ketelvermogen nodig voor de overige 80 MWth piekvermogen. Dat betekent dat aanvullend een backupvermogen van 40 MWth noodzakelijk is. Hiermee kan ook bij storing/onderhoud van de WarmtelinQ Rijswijk - Leiden in alle gevallen voldoende warmte worden geleverd. De totale hoeveelheid opgesteld vermogen wordt daarmee 120 MWth voor de P&BU. Hiermee voldoet Vattenfall aan de leveringszekerheid die onder andere ook vanuit de Warmtewet wordt vereist. De 80 MWth piekvermogen levert minder dan 20% van het totale jaarlijkse warmtegebruik. De overdracht van warmte van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden aan het stadswarmtenet in Leiden moet, om voldoende vermogen te kunnen leveren, plaatsvinden op leidingen van Vattenfall met een minimale breedte (DN400 of DN500 leidingen).
Deze leidingen zijn binnen het stadswarmtenet enkel aanwezig vanuit het westen richting het centrum van Leiden (Maresingel/Plesmanlaan). Voor de plaatsing van het P&BU is daarom gezocht naar een locatie ten westen van het centrum van Leiden. Zoals te zien is in Figuur 2-2 omvat het stadswarmtenet van Vattenfall ook de oostzijde van Leiden en een deel van Leiderdorp. Om dat deel van het stadswarmtenet voldoende warm te krijgen, moet in de toekomst ook aan de oostzijde een P&BU gerealiseerd worden. De totale hoeveelheid opgesteld vermogen wordt, zoals hierboven toegelicht, 120 MWth. Hoe dit opgesteld vermogen precies over beide locaties wordt verdeeld, is nog onbekend, wel dat minimaal de helft ervan aan de westzijde van Leiden wordt gerealiseerd. Omdat de ontwikkeling van de P&BU aan de oostzijde in een minder ver gevorderd stadium is, de locatie nog onbekend is en er ook geen ruimtelijk verband is tussen de twee P&BU’s, is de P&BU aan de oostzijde van Leiden geen onderdeel van de voorgenomen activiteit.
17 van 40
WarmtelinQ levert een deel van de warmte aan het stadswarmtenet van Vattenfall. Mogelijk wordt de overige nog beschikbare warmte langs het tracé afgenomen door toekomstige warmtedistributienetten. Om deze mogelijkheid te bieden, worden al zogenaamde T-stukken aangebracht in het tracé waar een aansluiting met een WOS gecreëerd kan worden. Ook op het eindpunt van het tracé kunnen nog toekomstige warmtedistributienetten aangesloten worden. Hiervoor is dan te zijner tijd een extra WOS nodig. Zo kan een ‘Warmtehub’ gecreëerd worden waarbij meerdere afnemers de warmte van WarmtelinQ gebruiken. Een locatie met de benodigde oppervlakte voor een Warmtehub is in de stad Leiden ten westen van het centrum en ten oosten van de A44 niet aanwezig. Een locatie net buiten Leiden ten westen van de A44 - nabij de kruising A44/N206 - ligt dan ook voor de hand. Deze locatie is enerzijds voldoende dicht bij de hoofdinfrastructuur in Leiden en heeft anderzijds voldoende oppervlakte voor een P&BU, de voorziene WOS, en een mogelijke aanvullende toekomstige WOS. Deze voorzieningen zullen ruimtelijk worden ingepast, passend bij het karakter van de omgeving.
18 van 40
3 Alternatieven In dit hoofdstuk zijn de te beschouwen tracéalternatieven toegelicht. In Paragraaf 3.1 wordt stilgestaan bij de ontwikkeling van de tracéalternatieven. In paragraaf 3.2 zijn de tracévarianten per deelgebied weergegeven. In Paragraaf 3.3 wordt ingegaan op de te onderzoeken varianten in het MER.
3.1 Ontwikkeling tracéalternatieven Om te komen tot een aantal realistische alternatieven die in het MER zullen worden onderzocht, zijn verschillende stappen doorlopen. In de onderstaande paragraaf is ingegaan op de principes voor de tracékeuzes die op hoofdlijnen zijn beschouwd. De tracering van de warmtetransportleidingen wordt mede bepaald door het begin- en eindpunt van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden. Oorspronkelijk lag het eindpunt in het centrum van Leiden, bij de piek- en backupvoorziening (P&BU) van Uniper. Zoals toegelicht in paragraaf 2.2 zal dit systeem worden vervangen door een nieuw piek- en backupvoorziening van Vattenfall ten westen van Leiden, op de grens met gemeente Oegstgeest. Hierdoor is het niet meer logisch om via de oostzijde van Leiden dwars door het centrum de nieuwe locatie van P&BU aan de westzijde van Leiden te bereiken.
3.1.1 Principes voor tracékeuzes op hoofdlijnen Zoals aangegeven in paragraaf 1.3 is de wens vanuit de Provincie Zuid-Holland en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat om het bovenregionaal warmtenetwerk verder uit te breiden naar de Leidse regio. Om dit te faciliteren is een aftakking nodig vanuit de warmtetransportleiding WarmtelinQ Vlaardingen – Den Haag, waarvoor eind 2021 een provinciaal inpassingsplan is vastgesteld en de vergunningen grotendeels verleend zijn. Om te komen tot een tracékeuze op hoofdlijnen voor het tracé Rijswijk - Leiden is gewerkt met een aantal principes om een tracé te verkennen. Voordat deze principes worden toegelicht, zal kort worden ingegaan op het start- en eindpunt van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden. Startpunt van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden Het startpunt van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden ligt aan de Pr. Beatrixlaan in Rijswijk, nabij de Laan van Sion. Op deze locatie is de diameter namelijk nog 700 mm, waardoor er voldoende transportcapaciteit is voor de verwachte afname in de Leidse regio. Voor warmtetransportleidingen geldt dat naarmate de leiding dichter bij het eindpunt komt, des te kleiner de diameter van de respectievelijke leidingen dient te zijn, zodat de warmteafzetgebieden (onder andere woonkernen) met dezelfde druk warmte geleverd kunnen krijgen.
Als gevolg hiervan neemt de hoeveelheid warmte die getransporteerd wordt over de leiding af naarmate de afstand tot de bron groter wordt. De leiding van WarmtelinQ moet dus bij het startpunt voldoende groot zijn. De diameter van de leiding bij het eindpunt van het tracé Vlaardingen – Den Haag nabij het centrum van Den Haag, is dusdanig klein dat een aansluiting daar onvoldoende capaciteit biedt om te kunnen functioneren als startpunt van de warmtetransportleiding richting Leiden. Een startpunt ten zuiden van Rijswijk in bijvoorbeeld Delft zou voor een significant langere route zorgen richting Leiden, waarbij ook de woonkernen moeilijker ontsloten kunnen worden. Daarom is Rijswijk gekozen als startpunt. Eindpunt van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden Het eindpunt van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden is het bestaande warmtenet van Leiden. Zoals aangegeven in paragraaf 2.2 wordt hierbij uitgegaan van aansluiting op de P&BU van Vattenfall. Vanaf deze locatie kan de warmtelevering in de toekomst ook worden uitgebreid naar woonkernen zoals Katwijk en Oegstgeest. Vanwege de locatie van het P&BU aan de westzijde van Leiden, loopt het beoogde tracé niet (meer) via de oostzijde van Leiden. Traceringsprincipes Hieronder worden de traceringsprincipes toegelicht, die zijn gebruikt om in eerste instantie de alternatieven op hoofdlijnen te bepalen.
Deze traceringsprincipes zijn ook gehanteerd om de tracévarianten in de deelgebieden te bepalen (zie paragraaf 3.2). Vervolgens zijn ook omgevingsaspecten zoals mogelijke milieueffecten en kans op overlast meegenomen om de afweging te maken welke varianten realistisch genoeg zijn om uiteindelijk te worden meegenomen in het MER (zie paragraaf 3.2).
19 van 40
Bundelen langs bovengrondse en ondergrondse infrastructuren In het kader van efficiënt ruimtegebruik is bij het ontwerp van het tracé gekeken naar mogelijk bundeling met bestaande boven- en ondergrondse infrastructuur. Hierbij valt dus te denken aan bijvoorbeeld hoogspanningsleidingen en andere kabels en leidingen, maar ook spoor- en autowegen. Dit zorgt voor efficiënt ruimtegebruik en leidt over het algemeen tot minder milieueffecten omdat de ondergrond ter plaatse al (enigszins) is verstoord. Een zo kort mogelijke route Uitgangspunt is een zo kort mogelijke route tussen punt A en punt B. Voor een kortere route is minder materiaal nodig en hoeft over het algemeen ook minder materieel worden ingezet, waardoor de uitstoot van bijvoorbeeld CO 2 en stikstof in de aanlegfase wordt beperkt. Een kortere route betekent meestal ook minder andere milieueffecten afgezet tegen een langere route. Dit hoeft niet zo te zijn, zoals hierboven aangegeven wordt vaak bundeling met bestaande infrastructuren gekozen ook om milieueffecten te beperken. Een korte, ongebundelde route kan daarom meer milieueffecten hebben dan een lange, gebundelde route. Bij langere tracés zal de doorlooptijd van de aanlegfase vaak langer duren en treedt er ook meer overlast op. Dit alles tezamen resulteert vaak ook in lagere kosten voor een korter tracé.
Aansluitmogelijkheden voor (toekomstige) warmtedistributienetten Het is de bedoeling dat WarmtelinQ Rijswijk - Leiden deel gaat uitmaken van het regionale warmtetransportsysteem. Voor toekomstige (lokale) warmtedistributienetten is het van belang dat deze aangesloten kunnen worden op de warmtetransportleiding. Daarom dienen de tracés bereikbaar te zijn voor toekomstige afnemers van warmte, zoals woonkernen. Hiermee wordt het voor toekomstige warmtedistributienetten aantrekkelijker om aan te sluiten op WarmtelinQ Rijswijk - Leiden dan wanneer zij op ruime afstand zijn gelegen van de warmtetransportleidingen.
3.1.2 Tracéalternatieven op hoofdlijnen Op basis van bovenstaande traceringsprincipes kan een aantal alternatieven op hoofdlijnen worden onderscheiden. Deze alternatieven zijn in de onderstaande figuur weergegeven.
20 van 40
Figuur 3-1 Alternatieven op hoofdlijnen Wanneer gekeken wordt naar het bundelen van bestaande bovengrondse en ondergrondse infrastructuren dan zijn vanaf WarmtelinQ Vlaardingen-Den Haag globaal twee alternatieven denkbaar. Alternatief 1 volgt de A4 aan de zuidzijde richting Leiden en maakt ter hoogte van de Rijnlandroute een haakse hoek westwaarts richting het eindpunt in Leiden. Dit is de blauwe lijn in Figuur 3-1. Bij dit alternatief wordt zoveel mogelijk bundeling met de A4 gezocht en kunnen Ypenburg en Leidschenveen in de toekomst gemakkelijk worden ontsloten. Ook kan in de toekomst mogelijk een aftakking richting Zoeterwoude en Leiderdorp gerealiseerd worden (groen gestippelde pijl in Figuur 3-1. Ook bij Alternatief 2 loopt het tracé vanaf Rijswijk aan de zuidzijde van de A4 richting Leiden, maar maakt deze al ter hoogte van Leidschendam - Voorburg een schuine doorsteek richting de A44 bij Leiden (zie rode lijn in Figuur 3-1). Deze schuine doorsteek zorgt voor een korter tracé, dat echter wel minder gebruik maakt van bestaande infrastructuren terwijl het gebied veel cultuurhistorische en archeologische waarden kent. Het tracé ligt dichterbij Wassenaar, maar heeft als belangrijk nadeel dat de toekomstige aansluitingen richting Zoeterwoude en Leiderdorp niet voor de hand liggen.
Daarom is in onderstaand tekstkader de potentiële warmteafzet tussen beide alternatieven vergeleken. Potentiële afzet alternatieven op hoofdlijnen Over de gehele lengte van het WarmtelinQ-tracé variëren alternatief 1 en 2 enkel tussen Leidschendam en Leiden. Om de potentiële afzet tussen deze twee alternatieven te vergelijken is niet de potentiële afzet van het gehele tracés vergeleken, maar alleen de tracédelen die van elkaar verschillen.
21 van 40
In de onderstaande figuur zijn de woningequivalenten in de aangrenzende gemeenten weergegeven. Hieruit blijkt dat beide alternatieven Voorschoten in de toekomst goed kunnen ontsluiten met relatief beperkte lengte voor nieuwe aansluitleiding. Het verschil tussen deze alternatieven is de zijde waarvan ze Voorschoten kunnen ontsluiten. Ook de potentiële afzet richting Katwijk en Oegstgeest is voor beide alternatieven gelijk omdat beide alternatieven hetzelfde eindpunt hebben. Alternatief 2 ligt over de gehele lengte dichterbij Wassenaar, maar in deze gemeente liggen de meest kansrijke gebieden voor een warmtenet in de dicht(er)bevolkte woonkern in het noorden. Dit punt kan zowel door alternatief 1 als 2 worden ontsloten. Om deze reden is de potentiële afzet in Wassenaar tussen beide alternatieven als niet onderscheidend beoordeeld.
Het grootste voordeel van alternatief 1 is dat via dit tracé Zoeterwoude en Leiderdorp in de toekomst relatief goed kunnen worden ontsloten. Beide gemeenten hebben in hun Transitievisies Warmte aangegeven voor hun warmtevraag gebruik te willen maken van restwarmte. Het gaat om een potentiële warmteafzet van respectievelijk circa 5.000 en 12.500 WEQ. Bij alternatief 2 is de kans dat deze gemeenten op WarmtelinQ kunnen worden aangesloten uitermate klein vanwege de technische en financiële drempels als gevolg van de afstanden die moeten worden overbrugd. Dat betekent dat de potentiële warmteafzet van alternatief 1 circa 17.500 WEQ hoger is dan van alternatief 2. Hiermee kan alternatief 1 in potentie bijdragen aan een afzet van 35% van de capaciteit van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden. Een bijkomend voordeel van alternatief 1 dat daarmee ook enkele stadsdelen aan de zuidoostzijde van Leiden – die nu nog niet op het Leidse warmtenet zijn aangesloten – in de toekomst ook goed bereikbaar zijn voor warmtelevering vanuit WLQ Rijswijk - Leiden.
22 van 40
Conclusie Tracé 1 voldoet beter aan de traceringsprincipes dan alternatief 2, doordat het in verhouding meer bundelt met bestaande infrastructuren en meer aansluitmogelijkheden biedt voor toekomstige warmtedistributienetten. Alternatief 2 is weliswaar een kortere route, met de mogelijke milieuvoordelen zoals hierboven benoemd. Of deze milieuvoordelen daadwerkelijk van toepassing zijn of dat deze tenietgedaan worden doordat minder gebundeld wordt met bestaande infrastructuur, is in dit stadium van het project niet bekend. Vanwege de langere bundeling met infrastructuur en het grotere afzet potentieel wordt enkel alternatief 1 meegenomen in het MER. Voor alternatief 1 zijn in de volgende paragraaf een aantal tracévarianten beschreven. Deze zijn vervolgens onderzocht en beoordeeld om te komen tot een aantal realistische varianten.
3.2 Tracévarianten per deelgebied (alternatief 1) Voor alternatief 1 zijn verschillende tracévarianten mogelijk. Om te komen tot een aantal realistische en onderscheidende tracés is het tracé opgedeeld in drie deelgebieden. Deze deelgebieden zijn op onderstaande kaart weergegeven en de tracévarianten hierbinnen worden hieronder besproken. In de beoordeling van tracévarianten zijn de benodigde en/of realistische aanlegmethoden meegenomen in de afweging. Voor complexe locaties, gebieden met veel bomen en kruisingen van (grote) wegen is bijvoorbeeld ook rekening gehouden met boringen en/of persingen. WarmtelinQ heeft onderzoek laten verrichten naar verschillende varianten. In dat kader heeft Bilfinger Tebodin een aantal varianten onderzocht op mogelijke ligging en aspecten die een rol spelen in de afweging van de varianten. Zij hebben de varianten op een aantal algemene en (milieu)technische aspecten beschouwd, onder andere mogelijke aanlegtechniek en -risico’s, eigendomssituatie, ruimte in de ondergrond, aanwezigheid van bomen, groen en natuurwaarden, archeologische waarden, risico’s op verkeersoverlast en risico’s op aanwezigheid niet gesprongen explosieven (NGE).
Figuur 3-2 Deelgebieden van het hoofdtracé
23 van 40
3.2.1 Deelgebied 1 (Rijswijk, Den Haag, Leidschendam-Voorburg) Het startpunt van de warmtetransportleiding ligt in Rijswijk, in de noordoostelijke hoek van de wijk Sion. Deelgebied 1 loopt vanaf het startpunt min of meer parallel aan de zuidzijde van de A4 over het grondgebied van Rijswijk en Den Haag tot in Leidschendam-Voorburg. In dit deelgebied zijn twee tracédelen waarvoor meerdere varianten mogelijk zijn, namelijk het tracé door Rijswijk en Ypenburg en het tracé door Leidschenveen.
Tracé Ypenburg Voor het tracé door Rijswijk en Ypenburg zijn vier varianten globaal onderzocht. Deze zijn weergegeven op figuur 3-3. Voor alle tracés geldt dat zij door het Wilhelminapark in Rijswijk lopen. De uitleg- en werkstroken in het Wilhelminapark en de bouwkuipen nabij de Lange Kleiweg zullen de nodige aandacht vragen. Ten zuiden van het knooppunt Prins Clausplein ligt de warmtekrachtcentrale (WKC) van Eneco. Deze gasgestookte elektriciteitscentrale levert warmte aan het stadswarmtenetwerk van Ypenburg. Mogelijk kan gebruik gemaakt worden van de warmte van WarmtelinQ Rijswijk - Leiden door deze aan te sluiten op de WKC om zo het stadswarmtenetwerk van Ypenburg minder afhankelijk van gas te laten zijn. Op dit moment is nog niet bekend of een aansluiting mogelijk is. In onderstaande beschrijving is al wel aangegeven wat een eventuele aansluiting zou betekenen voor het tracé, vanuit het oogpunt van toekomstbestendigheid.
Figuur 3-3 Tracévarianten deelgebied 1 Ypenburg
24 van 40
Ypenburg - variant 1 Variant 1 loopt vanaf het startpunt in Rijswijk in noordoostelijke richting naar knooppunt Ypenburg. Na de kruising met de A13 loopt het tracé parallel aan de Singel en de Ypenburgse Boslaan. Bij het Valutapad steekt het tracé omhoog om via het WKC de A12 te kruisen richting Leidschenveen. Voor deze variant geldt dat het tracé voornamelijk in openbaar gebied loopt en goed bereikbaar is. In de ondergrond zijn verschillende kabels en leidingen aanwezig, maar het risico op het moeten verleggen hiervan is klein als het tracé door middel van HDD-boringen wordt uitgevoerd. Het tracé loopt voor een deel in de nabijheid van de woonwijk Bosweide en loopt het parallel aan of onder een fietspad. Hierdoor zal er tijdens de aanlegfase aanzienlijke overlast voor omwonenden optreden. Ook voor het overige verkeer zal overlast optreden als gevolg van tijdelijke afsluitingen van de Boslaan. Vanwege de nabijheid van de woonwijk kan de bovengrondse werkruimte plaatselijk beperkt zijn. Er moeten hierbij ook kruisingen met keringen en wegen plaats vinden. Een deel van het tracé loopt door gebieden met hoge archeologische waarden en door de ecologische verbindingszone Ypenburg, hetgeen kan leiden tot (tijdelijke) verstoring van mogelijk aanwezige beschermde soorten en archeologische waarden. Een ander aandachtspunt is de doorkruising van enkele NGE-verdachte gebieden.
Ypenburg - variant 2 Variant 2 volgt bij knooppunt Ypenburg de zuidzijde van de A4 om bij het knooppunt Prins Clausplein weer af te buigen naar de WKC. Vanaf daar zijn er twee vervolgopties voor het tracé. Óf het tracé loopt hier zuidwaarts om vervolgens het tracé van variant 1 te volgen voor de kruising van de A12. Óf het tracé volgt vanaf het WKC verder de A4, kruist de A12 ter hoogte van het Prins Clausplein om daarna aan te sluiten op het tracé langs de A4 in Leidschenveen. Of deze optie mogelijk is, is afhankelijk van de variantkeuzes in Leidschenveen. Variant 2 loopt met name in openbaar gebied. In de ondergrond zijn verschillende kabels en leidingen aanwezig, maar het risico op verlegging hiervan is beperkt als gebruik wordt gemaakt van een sleufloze aanlegtechiek. Tevens ligt het tracé in de nabijheid van de woonwijk Bosweide en loopt het parallel aan een fietspad. Ook hier kan tijdens de aanlegfase enige overlast optreden. Voor het aspect verkeer geldt verder dat de verwachting op overlast laag is. Een belangrijk punt is wel dat deze variant mogelijk interfereert met de uitbreiding van de A4. Dit zorgt voor extra complexiteit in het ontwerp, mede vanwege de toekomstige veiligheidszone van de rijksweg. Het tracé kruist de waterkering Polderkade, hetgeen de complexiteit en kosten verhoogt, en mogelijk risico’s oplevert met betrekking tot vergunbaarheid.
Tot slot is deze variant ook complexer in de uitvoering dan variant 1, omdat het variërend hoogteverloop de werkstrookruimte en de bereikbaarheid daarvan enigszins beperkt. Dit zorgt echter niet voor significante belemmeringen in de uitvoerbaarheid van dit tracé. Wel loopt dit tracé door gebieden met hoge archeologische waarden, door de ecologische verbindingszone Ypenburg en door NGE-verdachte gebieden. Ypenburg - variant 3 Dit tracé ligt ten zuiden van de twee benoemde alternatieven en start ter hoogte van het Rijn-Schiekanaal. Vervolgens kruist het tracé de A13 ter hoogte van de Rijswijkse Landingslaan. Het tracé volgt de bestaande gasleiding en loopt parallel aan de trambaan langs de Rijswijkse- en Nootdorpse Landingslaan en de gemeentelijke hoofdboomstructuur. Ook loopt het tracé deels parallel aan een rioolpersleiding. Het tracé ligt ingesloten tussen een kanaal aan de zuid/oost zijde en enkele woonwijken aan de noord/west zijde, waaronder Singels en Morgenweide, waar de trambaan langs loopt. Dit zorgt ervoor dat er boven- en ondergronds zeer beperkt ruimte is voor het tracé en de benodigde werkstroken. Bovendien zullen voor de aanleg van het tracé de bomen gekapt moeten worden, terwijl deze deel uitmaken van de hoofdboomstructuur. Het tracé kruist enkele fietspaden en straten die over het kanaal lopen, dit zorgt voor verkeersoverlast.
Ook wordt bij dit tracé meer overlast verwacht naar de directe omgeving ten opzichte van varianten 1 en 2 omdat ten noorden en zuiden van dit tracé relatief veel woningen zijn gelegen. Deze variant heeft ook als nadeel dat het tracé langer is dan de eerder twee benoemde varianten en daarmee meer kosten met zich meebrengt. In het geval dat WarmtelinQ op de WKC wordt aangesloten is bovendien een omleiding benodigd. Net als de twee eerder beschreven varianten loopt dit tracé door de ecologische verbindingszone Ypenburg, NGE-verdachte gebieden, en gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Ypenburg - variant 4 Deze tracévariant loopt in Rijswijk niet langs de rand van het Wilhelminapark, maar steekt er dwars door heen. Het tracé loopt langs het Rijn-Schiekanaal omhoog en kruist dan zowel het kanaal als de A4, om vervolgens aan de noordzijde van de A4 richting het Prins Clausplein te lopen. Vóór het Prins Clausplein kruist het tracé de A4 opnieuw voor de eventuele aansluiting op de WKC. Vanwege de vele doorkruisingen van zowel de waterkeringen bij het Rijn-
25 van 40
Schiekanaal als de A4 is dit een zeer complex en duur tracé. Bovendien is aan de noordzijde van de A4 beperkte ruimte, door de aanwezige woonwijken en het golfpark Leeuwenburg. Vanwege de doorkruising van het park zullen er veel bomen gekapt moeten worden en kunnen er negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden optreden, zowel in het park als aan de noordzijde van de A4. Dit kan door het toepassen van boringen/persingen verminderd worden, maar dat maakt het tracé nog complexer en duurder. Net als de andere varianten loopt ook dit tracé door de ecologische verbindingszone Ypenburgzone, NGE-verdachte gebieden, en gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Conclusie varianten Ypenburg Van de vier besproken varianten vallen de varianten 3 en 4 af, omdat ze door alle beperkende factoren niet realistisch zijn ten opzichte van de varianten 1 en 2. Variant 3 valt af vanwege de beperkte ruimte en de relatief hoge overlast voor de omwonenden. Ook de lengte van het tracé, en daarmee de hoge kosten, dragen eraan bij dat deze variant afvalt. Variant 4 valt af vanwege de vele doorkruisingen van de waterkeringen en de A4. Bovendien heeft deze variant meer impact heeft op het aanwezige groen. Variant 1 en 2 worden beiden meegenomen in het MER.
Variant 2 heeft als voordeel dat het zo veel mogelijk bestaande infrastructuur volgt, maar vanwege de nabijheid van de A4 is de aanleg en het beheer van het tracé wel complexer dan in variant 1. Bovendien bevindt het tracé zich deels in de kernzone van de waterkering. In het MER dient daarom nader onderzocht te worden of het mogelijk is om de kernzone te vermijden en wat de ligging betekent voor de vergunbaarheid.
Tracé Leidschenveen Het tracé door Leidschenveen ligt tussen de kruising van de A12/A4 en de gemeentegrens van LeidschendamVoorburg. Voor dit tracédeel bestaan twee varianten. Welke variant wordt gekozen, is mede afhankelijk van de locatie van het beoogde pompstation. Op basis van het verwachte debiet dat de leiding tussen Rijswijk en Leiden dient te bereiken en de gebiedskenmerken is een zoekgebied voor het pompstation aangewezen (zie paragraaf 2.1 voor een nadere toelichting). Op onderstaand figuur is het globale zoekgebied voor het pompstation weergegeven. Uitgangspunten voor de locatiekeuze van het pompstation zijn dat deze dient te liggen langs het tracé en dat deze niet wordt geplaatst in open gebied.
26 van 40
Figuur 3-4 Tracévarianten deelgebied 1 Leidschenveen Leidschenveen – variant 1 Variant 1 loopt door Leidschenveen via de Tiber en de Oude Middenweg, tussen het bedrijventerrein Forepark en de woonwijken De Rivieren, De Lanen en De Velden in Leidschenveen. Voor een deel loopt deze variant parallel aan een rioolpersleiding. Het tracé volgt een rechte lijn en is daarmee ook de kortste van de twee varianten. Het tracé ligt voor het grootste deel in openbaar gebied en is over het algemeen goed bereikbaar. Er is echter veel (auto)verkeer aanwezig, waardoor tijdens de aanlegfase verkeersoverlast zal optreden door (gedeeltelijke) wegafsluitingen en de doorkruising van fietspaden bij de Oude Middenweg en Donau. Ook voor de omwonenden van deze wegen zullen de werkzaamheden overlast veroorzaken. Tevens zijn er aan de Tiber veel bedrijven aanwezig, die mogelijk hinder kunnen ondervinden en waar goede afspraken gemaakt moeten worden over de bereikbaarheid. Verder is er door de bebouwde omgeving weinig werkruimte en langs de Tiber is ook de ruimte in de ondergrond vrij beperkt door de parallelligging met de waterleiding en de rioolpersleiding. Ook worden meerdere kabels en leidingen gekruist. Langs de Henri Faasdreef is ook een aantal gebiedsontwikkelingen gepland, zoals tijdelijke woningen en een onderwijslocatie, die mogelijk conflicteren met het tracé. Dit moet worden onderzocht.
Het tracé kruist verder enkele NGE verdachte gebieden, waardoor vervolgonderzoek noodzakelijk is en het loopt voor een groot deel door de ecologische verbindingszone Leidschenveenzone. Leidschenveen – variant 2 Variant 2 volgt grotendeels de rijksweg A4. Daarom spelen bij deze variant net als bij het tracé in Ypenburg de uitbreidingsplannen voor de A4 een grote rol. Hierover vindt afstemming met RWS plaats. Het beoogde leidingtracé komt weliswaar in het uitbreidingsgebied van de A4 te liggen, maar nergens onder de wegverhardingen. Mogelijk is er