CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning conceptraadsbesluit

Commissie Samenleving 15 oktober 2024, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Vaststellen Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 202522.864 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Artikel 26. Medezeggenschap bij gemeente 1.

Het college voorziet in een adviesraad sociaal domein. Zij stelt hiermee inwoners in staat advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp. Zij voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de

29

gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.

Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.

Hoofdstuk 11: Aanvullende bepalingen en overgangsrecht Artikel 27. Aanvullende bepalingen 1.

In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening en de hierop gebaseerde regelgeving niet voorziet, beslist het college.

2.

Indien de herbeoordeling leidt tot een wijziging ten nadele van de bewoner wordt een gewenningstermijn gehanteerd van minimaal 3 maanden en maximaal 6 maanden, ingaande vanaf de datum van het nieuwe besluit.

3.

Het college is bevoegd ter zake van de uitvoering van deze verordening en de daarop berustende besluiten nadere regels te stellen, overeenkomsten met derden aan te gaan en

4.

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Over de uitvoering wordt jaarlijks gerapporteerd.

Artikel 28. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onrecht wordt aangedaan.

Artikel 29. Overgangsrecht 1.

Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorne aan zee 2023, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

2.

Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorne aan Zee 2023 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform deze verordening.

3.

Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorne aan Zee 2023, gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorne aan Zee 2023 die daarvoor zijn geldigheid behoudt.

4.

Van het tweede en derde lid kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

30

Artikel 30. Inwerkingtreding,intrekking en citeertitel 1.

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorne aan Zee 2023.

2.

Deze verordening wordt aangehaald als: verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Voorne aan Zee 2025.

Ondertekening Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 november 2024. De raad voornoemd, De griffier

De voorzitter

31

TOELICHTING OP DE VERORDENING Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 geeft de gemeente de opdracht om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Het begrip maatschappelijke ondersteuning is uiteengezet in 3 hoofdelementen waarop van de gemeente inzet wordt verwacht: 1. het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en het vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; 2. het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; 3. het bieden van beschermd wonen en opvang. De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Het plan is erop gericht dat: a. cliënten zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; b. cliënten die beschermd wonen of opvang ontvangen, een veilige woonomgeving hebben en, indien mogelijk, weer in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

De Wmo 2015 schrijft voor dat de gemeente per verordening de regels moet vaststellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het beleidsplan (artikel 2.1.3 lid 1 Wmo 2015). De verordening bevat een uitwerking van alle bepalingen die volgens de wet verplicht zijn (zie de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de wet). Er moet steeds een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om: •de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften, situatie en de gewenste resultaten helder te krijgen; •de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te inventariseren; •te achterhalen welk oplossingen de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, een beroep op andere wetten en algemeen gebruikelijke voorzieningen. •te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan of dat een maatwerkvoorziening nodig is en welke voorziening dan (goedkoopst) compenserend is voor de beperkingen van de cliënt.

32

De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Als de procedure goed wordt uitgevoerd, moet deze steeds tot een juiste beslissing leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Mandaat college De Wmo 2015 en deze verordening bepalen dat veel zaken door het college gedaan worden. In de praktijk worden deze zaken niet door het college zelf gedaan, maar (in mandaat) door deskundige ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Zij doen dit namens het college. Het college kan taken die in de wet en verordening aan haar worden opgedragen, mandateren aan ondergeschikten of niet-ondergeschikten op grond van de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt (ten aanzien van een voorziening) mandateren aan een aanbieder. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren. Artikelsgewijs Hoofdstuk 1: Definities en Algemene bepalingen In hoofdstuk 1 wordt uitgelegd wat er verstaan wordt onder de begrippen die gebruikt worden in deze verordening. Tevens wordt bepaald welke algemene en maatwerkvoorzieningen in ieder geval beschikbaar worden gesteld. Artikel 1. Definities Het aantal definities van artikel 1 is beperkt omdat de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven. Lid 1 onder a. algemeen gebruikelijke voorziening: Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening zou kunnen beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Eerst dient de vraag te worden gesteld of de zaak op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. De criteria om dit te beoordelen zijn door de CRvB benoemd in jurisprudentie ECLI:NL:CRVB:2019:3535. Bij die beoordeling spelen een aantal criteria een rol: a.

de voorziening is niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking; b. de voorziening is daadwerkelijk beschikbaar;

33

c.de voorziening levert een passende bijdrage aan het zorgen voor een situatie waarin de cliënt zelfredzaam kan zijn of kan participeren; d. de voorziening kan worden gedragen met een inkomen op minimum niveau. Over wanneer een voorziening financieel draagbaar is met een inkomen op minimumniveau kunnen gemeenten beleid maken. Uit een uitspraak van de Rechtbank Den Haag ECLI:NL:RBDHA:2021:2084 blijkt dat de gemeente daarbij kan aansluiten bij (onderdelen van) het beleid dat de gemeente binnen de bijzondere bijstand gebruikt. Het beleid dat een hulpmiddel financieel kan worden gedragen met een minimuminkomen als de kosten daarvan binnen 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de geldende bijstandsnorm, vond de rechtbank redelijk. Daarnaast spelen de individuele omstandigheden van de cliënt, zoals leeftijd en inkomen, een rol. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet het college daarom altijd onderzoeken of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de persoon van de aanvrager. Lid 1 onder c. andere voorziening: Een andere voorziening is een voorziening die de cliënt kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Lid 1 onder i.

hulpvraag: De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Wanneer de inwoner zich meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk. De CRvB heeft in jurisprudentie ECLI:NL:CRVB:2018:819 uiteengezet welke stappen het college moet zetten tijdens dat onderzoek. Volgens dat stappenplan begint het onderzoek met het vaststellen van de hulpvraag of hulpvragen van de inwoner. Lid 1 onder j. ingezetene: Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet) en het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend. Lid 1 onder k. melding: Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag.

Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar

34

maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Lid 1 onder l. persoonlijk plan: In het plan kan de cliënt – al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk – de hulpvraag nader beschrijven en ook aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Die informatie moet het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten versterken. Lid 1 onder r. zzp: Criteria ZZP-er Om te kunnen bepalen of iemand een zzp-er is, wordt aangesloten bij de criteria van zelfstandig ondernemerschap van de Belastingdienst:       

winst: de ondernemer maakt winst. zelfstandigheid: de ondernemer bepaalt zelf hoe hij het werk uitvoert; investeren: de ondernemer beschikt over kapitaal en investeert in zijn bedrijf: bedrijfsmiddelen, marketing, enzovoorts; tijd: de ondernemer besteedt voldoende tijd aan zijn werkzaamheden om deze rendabel te maken; opdrachtgevers: een ondernemer heeft meerdere opdrachtgevers of klanten; publiciteit: de ondernemer zorgt dat de onderneming voldoende bekend is, bijvoorbeeld via reclame, een internetsite, social media, een uithangbord of eigen briefpapier risico: de ondernemer loopt zelf het risico als dingen misgaan, is bijvoorbeeld aansprakelijk bij schade; schulden: de ondernemer is aansprakelijk voor schulden van de onderneming.

Lid 2 De begrippen die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht. Voorbeelden hiervan zijn de begrippen algemene voorziening en maatwerkvoorziening. Artikel 2. Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen De door de gemeente te treffen voorziening kan zowel een algemene (vrij toegankelijke) voorziening zijn als een individuele maatwerkvoorziening. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de maatwerkvoorzieningen zal door de gemeente eerst beoordeeld moeten worden of deze ondersteuning daadwerkelijk nodig is. Een maatwerkoplossing kan heel divers van aard zijn. Er bestaat dus niet één oplossing; er kunnen meerdere wegen naar Rome leiden. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, om te besluiten hoe zij de aanvrager ondersteunt en met welk pakket van op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van die persoon afgestemde diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen. (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Dit betekent ook dat de verordening geen limitatief stelsel van maatwerkvoorzieningen kan omvatten.

35

Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek Dit hoofdstuk bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de cliënt de gemeente om hulp vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de Wmo 2015. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de cliënt geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de cliënt zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure en komt daarmee niet tot een aanvraag. Het is echter ook mogelijk dat de cliënt na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. De regels die van belang zijn voor de aanvraag- fase zijn opgenomen in het volgende hoofdstuk. Artikel 3. Melding De melding dat iemand behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning, is vormvrij; die kan bijvoorbeeld telefonisch of via het internet plaatsvinden (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 29). In het geval een cliënt de wens heeft om een melding schriftelijk te doen is daarvoor een meldingsformulier beschikbaar. De melding kan met toestemming en medeweten van de cliënt ook gedaan worden door een zorgaanbieder, mantelzorger of iemand uit het netwerk.

In lid 2 is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, al blijkt dit ook uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Vanwege de registratie en zorgvuldigheid kiest de gemeente hier waar mogelijk wel voor. Artikel 4. Informatie en Identificatie Deze bepaling is opgenomen voor het borgen van een zorgvuldige procedure. Dit betreft zowel een inspanningsverplichting voor het college als ook voor bewoner. In het kader van de rechtmatigheid is het college (Wmo artikel 2.3.4) in ieder geval verplicht om de identiteit van de bewoner vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Uit wet noch toelichting blijkt dat gegevens die bij de identificatie opgehaald worden, zoals bijvoorbeeld documentnummer of –vervaldatum vastgelegd moeten worden. Bij de gegevensverzameling zullen de grenzen van de Algemene verordening gegevensbescherming ook in acht genomen moeten worden. Dit betekent bijvoorbeeld dat alleen gegevens verwerkt en/of opgeslagen worden die het college nodig heeft om zijn wettelijke taak uit te voeren. Artikel 5. Onderzoek Het onderzoek vormt de kern van de procedure.

De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 wat er tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. In het zesde en zevende lid van dit artikel is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen 36

als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt. Artikel 5.1 Lid 1 In het eerste lid wordt beschreven dat de maatwerkvoorziening een noodzakelijke bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld om zelfredzaam te zijn, te participeren en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven. De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning dient in een redelijke verhouding te staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het gaat er dus niet om de hulpvraag van de inwoner volledig op te lossen maar om de inwoner in redelijke mate te compenseren bij de beperkingen die ervaren worden. Lid 2 Hier worden de vragen beschreven die het college tijdens het onderzoek moet beantwoorden om op een zorgvuldige wijze tot een antwoord te komen op de vraag of een maatwerkvoorziening verstrekt moet worden. Deze stappen van een zorgvuldig onderzoek zijn door de CRvB uitgezet in jurisprudentie ECLI:NL:CRVB:2018:819.

Vraagt de inwoner ondersteuning, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: a. de ondersteuning is noodzakelijk om (één van) de doelen van de Wmo te bereiken, namelijk het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; en b. de ondersteuning past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner. Om te bepalen of de gemeente ondersteuning inzet, volgt de gemeente in principe de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de ondersteuningsvraag van de inwoner is. Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen en belemmeringen er precies zijn. Stap 3: De gemeente bepaalt welke ondersteuning nodig is en hoe veel, hoe lang en in welke vorm. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), eventueel met behulp van algemene voorzieningen, met algemeen gebruikelijke voorzieningen, met collectieve voorzieningen, met hulp van huisgenoten en anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, gebruikelijke hulp of met andere voorzieningen. 37

Stap 5: De gemeente bepaalt welke (aanvullende) ondersteuning nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. Artikel 6. Het verslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en procedure en is een uitwerking van artikel 2.3.2 lid 8 waarin is vastgelegd dat het college een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek moet verstrekken. In de Memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat over de uitkomsten van het onderzoek het volgende: Om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening, verstrekt de gemeente hem een weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Dat moet in beginsel schriftelijk. … Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn…

De Memorie van toelichting biedt daarmee ruimte om de uitkomsten van een onderzoek in voorkomende gevallen beperkt te verwoorden indien de inwoner van mening is goed geholpen te zijn. De artikelen 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplichten het college om een besluit te nemen op basis van een deugdelijke motivering en deze te vermelden bij de bekendmaking van het besluit. Volgens de Awb mag deze motivering dus ook in de beschikking. Het college maakt de uitkomsten van het onderzoek bekend middels 1. een korte motivering in de beschikking, of 2. door een gespreksverslag tegelijk met het besluit naar de inwoner te versturen, wanneer de conclusie van het onderzoek is dat een maatwerkvoorziening toegekend kan worden én deze conclusie reeds mondeling met de inwoner gedeeld is, waarbij de inwoner aangeeft met deze oplossing voor zijn hulpvraag goed geholpen te zijn (zie hiervoor ook Artikel 7 Aanvraag). Beide werkwijzen kunnen niet toegepast worden voor het toekennen van een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming. Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening Dit hoofdstuk bevat de regels op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Artikel 7. Aanvraag In lid 1 is vastgelegd binnen welke termijn de inwoner geacht wordt te reageren op de uitkomsten van het onderzoek.

Op basis van lid 2 kan deze termijn verlengd worden wanneer de inwoner aangeeft dat daarvoor meer tijd nodig is. In lid 3 tot en met 5 wordt beschreven op welke wijze een inwoner een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in kan dienen. Dit kan in ieder geval schriftelijk door het ondertekenen van een aanvraagformulier of een ondersteuningsplan, of elektronisch door in een emailbericht aan te geven dat de inwoner akkoord gaat met het ondersteuningsplan.

38

De artikelen 4:1 tot en 4:5 van de Awb schrijven voor aan welke regels het college gebonden is bij het in behandeling nemen van een aanvraag. Artikel 4:1 schrijft voor: Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen. Artikel 4:5 schrijft voor: Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Het weigeren van een aanvraag die niet schriftelijk is ingediend betreft dus een bevoegdheid van het college, geen verplichting. Deze bevoegdheid vraagt een afweging van het college over de voorwaarden waaronder een aanvraag die niet schriftelijk ingediend is in behandeling genomen wordt. Deze afweging is als volgt: Wanneer de conclusie van het onderzoek is dat een maatwerkvoorziening toegekend kan worden én de inwoner aangeeft met deze oplossing voor zijn hulpvraag goed geholpen te zijn wordt aan de inwoner de mogelijkheid geboden om mondeling/telefonisch een aanvraag in te dienen. Artikel 8. Besluit en toegang Lid 1 tot en met 3 De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen zijn vastgelegd in de artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht.

Een beschikking moet afgegeven worden binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag mee aan de inwoner. Wanneer dit niet mogelijk is kan deze termijn éénmalig verlengd worden. Het college streeft er echter in alle gevallen naar om zo snel mogelijk een besluit te nemen en dit aan de inwoner mee te delen. Lid 5 Deze bepaling regelt dat van een cliënt wordt verwacht dat binnen zes maanden de indicatie wordt ‘verzilverd’ door zich te melden bij de aanbieder of het pgb te besteden. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig gewijzigd is, dat eigenlijk een nieuwe beoordeling nodig is. Voldoet de cliënt niet aan deze voorwaarde, dan kan dit aanleiding zijn om de maatwerkvoorziening in te trekken. De cliënt voldoet dan niet aan de voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening of het pgb (artikel 2.3.10 van de wet). Artikel 9. Inhoud besluit / beschikking Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek dat na de melding heeft plaatsgevonden, de door de cliënt ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde criteria voor de maatwerkvoorziening. De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen.

Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen.

39

Hoofdstuk 4 Wmo ondersteuning Artikel 10. Algemene criteria algemene voorziening 75- plus vervoerspas De gemeente Voorne aan Zee beidt een aantal algemene voorzieningen waaronder de 75plus vervoerspas. In dit artikel staan de criteria beschreven voor de verstrekking van deze 75-plus vervoerspas. Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden maatwerkvoorziening In dit artikel zijn de algemene criteria beschreven die gelden om een maatwerkvoorziening/algemene voorziening te kunnen krijgen. Allereerst moet duidelijk zijn dat sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie of, bij een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, van problemen bij het zich handhaven in de samenleving. Daarnaast moet duidelijk zijn dat oplossingen die de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, niet toereikend zijn om de beperkingen te compenseren. Op basis van het vierde lid kan het college nadere regels stellen. Het college kan bijvoorbeeld uitwerken welke regels gelden voor de beoordeling van de vraag of wanneer sprake is van eigen kracht of gebruikelijke hulp Lid 1 Voorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel compenserend als de goedkoopste voorziening zijn.

Met het begrip compenserend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer compenserend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de gebruiker. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau, wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat. Als de cliënt een compenserende voorziening wenst die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening kan het college daarvoor een pgb verstrekken ter hoogte van de goedkoopst compenserende voorziening. De cliënt kan er dan voor kiezen om de extra kosten van de duurdere voorziening zelf te betalen zolang daarbij voldaan wordt aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 11 tot en met 11.4. Lid 3 onder a Uit de wet blijkt niet dat andere wetten voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo.

Uitzondering hierop is de Wet langdurige zorg waarvan in 2.3.5 lid 6 wel uitdrukkelijk is vastgelegd dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.

40

Met betrekking tot andere wetten waar een inwoner mogelijk aanspraak op kan maken is wel is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de wet). Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien. De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo 2015 wél een bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de Wmo open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet mogelijk is. Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de cliënt daar echt aanspraak op heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr.

11/517 WMO) of als vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO). Lid 3 onder b Hier wordt gedoeld op de situatie waarin de inwoner een voorziening aanvraagt, nadat hij deze al heeft gerealiseerd of aangekocht. Het college heeft op basis van de Wmo 2015 alleen een compensatieplicht wanneer de inwoner niet in staat is om zijn probleem op het vlak van participatie of zelfredzaamheid op eigen kracht, eventueel met hulp van zijn netwerk, op te lossen. Wanneer de cliënt al voor de aanvraag zelf in een oplossing voor zijn hulpvraag heeft voorzien dan heeft hij deze op eigen kracht op kunnen lossen en is er geen noodzaak meer tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Hier kan alleen van afgeweken worden wanneer sprake was van een acute situatie waarin het voor de cliënt dringend noodzakelijk was om zelf een oplossing voor zijn beperking te vinden. (CRvB, 08-02-2017, nr. 15/344 WMO) Daarbij wordt ook meegewogen of de hulpvraag door het college adequaat gecompenseerd had kunnen worden door het toepassen van de spoedprocedure zoals benoemd in artikel 3 lid 4 onder b. Toekennen van een maatwerkvoorziening in de situatie waarin de inwoner de oplossing zelf al heeft gerealiseerd of aangekocht is wel mogelijk wanneer het college hiervoor expliciet toestemming heeft gegeven.

In de praktijk zal dit alleen voorkomen wanneer afstemming hierover plaatsvindt tijdens de onderzoeksfase tussen melding en aanvraag. Lid 3 onder c Het college kan de maatwerkvoorziening afwijzen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onoplettendheid. Dus niet als de cliënt geen schuld treft. Hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol. Als bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft 41

dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Als vervolgens brand uitbreekt en blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Lid 3 onder d De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Voor het treffen van voorzieningen die gericht zijn op meerdere ingezetenen, zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Lid 3 onder e Van een cliënt mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn huidige of naar redelijke verwachting toekomstige beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een cliënt gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Deze bepaling biedt dan een grond om geen woonvoorziening toe te kennen. De Wmo 2015 geeft ten aanzien van de voorzienbaarheid niet meer ruimte dan onder de Wmo 2007.

Er mag echter niet van een cliënt gevraagd worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden, leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22-08-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603). Deze bepaling is ook van toepassing op woningaanpassingen die noodzakelijk zijn als gevolg van een verhuizing. Als een inwoner verhuist en er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn.

Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Lid 3 onder f Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Langdurig betekent dat de cliënt de voorziening voor langere tijd nodig moet hebben. Een cliënt die alleen tijdelijke beperkingen heeft, komt in beginsel niet voor een 42

voorziening in aanmerking. Denk bijvoorbeeld aan iemand die door een ongeluk tijdelijk beperkt is. Voor tijdelijke hulpmiddelen kan de cliënt dan een beroep doen op de Zorgverzekeringswet. Kenmerkend bij langdurig noodzakelijk is dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Wat langdurig noodzakelijk is, blijft altijd afhankelijk van de concrete situatie. Het kan immers ook gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Is er een wisselend beeld, waarbij verbetering in de situatie gevolgd wordt door situaties van terugval dan kan worden uitgegaan van een langdurige noodzaak. Het wisselende beeld moet telkens terugkerend zijn. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is bij beperkingen die niet van langdurige aard zijn, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. Lid 3 onder g Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Westvoorne en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie.

Artikel 11.1 De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de cliënt in staat stelt tot lokale verplaatsingen (CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972). Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee een cliënt 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar kan reizen (CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463, CRvB 06-06-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord-Nederland 25-7-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3496). Als de cliënt een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de cliënt om dit aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen. In Voorne aan Zee is gekozen voor een afstand van maximum 1.800 kilometer op jaarbasis. Artikel 11.2 Lid 1 onder a Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen.

Een uitzondering is ook mogelijk als er gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek. Lid 1 onder b

43

Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de cliënt over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een cliënt twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader. Lid 1 onder c Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding. Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBARN:2008:BH0126 en ECLI:NL:RBROE:2010:BM6304). Lid 1 onder d Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Dit is een verbijzondering van de bepaling in lid 3 onderdeel d dat de voorziening niet overwegend op het individu gericht is.

Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de cliënt te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Lid 1 onder e Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van cliënt meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen.

Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO e.a. Lid 1 onder f Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Lid 1 onder g

44

Aan deze afwijzingsgrond(en) ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Hieronder worden de eisen verstaan die aan een woning mogen worden gesteld op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Indien het een eigen woning betreft spreekt dat voor zich. Ingeval van een huurwoning ligt het op de weg van de cliënt de verhuurder hiervoor aansprakelijk te stellen. Het college mag daarbij een hoge mate van inspanningsverplichting verwachten van de cliënt. Lid 1 onder h De cliënt die verblijft in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg kan behoefte hebben om op bezoek te komen in de woning waar hij voorheen woonachtig was. Denk aan een partner of een kind.

45

Lid 2 Volgens dit artikel geldt als hoofdregel het principe van het primaat van verhuizen. Het primaat van verhuizen betekent dat het college voorrang geeft aan het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding en, indien nodig, het verstrekken van een woningaanpassing in de nieuwe woning, boven het aanpassen van de huidige woning. Deze beoordeling wordt gedaan indien de kosten van de woningaanpassing en/of nagelvaste hulpmiddelen meer bedragen dan de maximale verhuiskostenvergoeding. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan. Voordat het college het verhuisprimaat toepast, moet een belangenafweging worden gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning (en eventuele woningaanpassing van de nieuwe woning). Bij de belangenafweging kunnen diverse factoren een rol spelen. Van een lichtvaardig besluit tot toepassing primaat verhuizen kan geen sprake zijn. Het gaat niet alleen om een financiële afweging, ook de persoonlijke situatie van de betrokkene wordt nadrukkelijk in ogenschouw genomen.

Wanneer het verschil in kosten tussen aanpassen van de huidige woning of verhuizen naar een andere woning marginaal zijn is toepassing van het verhuisprimaat ook niet aan de orde Daarnaast moet verhuizen een geschikte oplossing zijn (CRVB:2022:477). Kan de cliënt binnen een medisch aanvaardbare termijn niet verhuizen, dan bestaat er aanspraak op een maatwerkvoorziening. Lid 3 Indien de inwoner niet in aanmerking komt voor een woonvoorziening vanwege toepassing van het primaat van verhuizen kan aan de inwoner een tegemoetkoming verstrekt worden voor verhuis- en inrichtingskosten ter hoogte van de daadwerkelijk noodzakelijke kosten, tot maximaal de Minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie binnen het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van deze vergoeding wijzigt jaarlijks op 28 februari en wordt gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid Lid 4 Het college kan aan inwoners toch een financiële tegemoetkoming verstrekken voor het aanpassen van de huidige woning wanneer er aanleiding is om het verhuisprimaat toe te passen. Daarbij is de inwoner gehouden om de woningaanpassing uit te voeren conform de eisen zoals gesteld door het college. De vergoeding kan de maximale verhuiskostenvergoeding niet overstijgen.

Op het moment dat voorzienbaar is dat het bouwkundig niet mogelijk is om een situatie te realiseren waarin de cliënt in staat wordt gesteld om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven kan dit een reden zijn om de verhuiskostenvergoeding alleen te verstrekken in het geval de inwoner daadwerkelijk verhuist. Bij toepassing van dit lid dient dus nadrukkelijk gekeken te worden naar de toekomstbestendigheid van de woning.

Lid 6.

46

Op basis van het zesde lid kan het college nadere regels stellen ten aanzien van het gestelde in dit artikel. Deze regels kunnen betrekking hebben op de wijze waarop de voorzieningen opvang en beschermd wonen worden verstrekt. Artikel 11.3 Aanvullende voorwaarden begeleiding Lid 1 onder a Persoonlijke verzorging kan onderdeel zijn van begeleiding wanneer

het gaat om stimuleren van ADL-handelingen, zoals bijvoorbeeld in en uit bed komen, aan- en uitkleden, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, én deze noodzakelijk is voor het behoud van zelfredzaamheid, én deze in het verlengde ligt van begeleidingsdoelen en geen doel op zich is, én er geen noodzaak is voor geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, én er geen mogelijkheid is om deze zorg te verkrijgen vanuit de Zorgverzekeringswet. Lid 1 onder b Lichte assistentie bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen kan onderdeel zijn van dagbesteding. Voorbeelden daarvan zijn bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, toiletbezoek, eten/drinken, erop toezien dat medicijnen worden ingenomen, ontspanning en sociaal contact.

Artikel 11.4 Gebruikelijke hulp Lid 1 Het college verstrekt alleen een maatwerkvoorziening wanneer de inwoner zijn beperkingen niet met gebruikelijke hulp kan verminderen of wegnemen. De Wmo beoogt de betrokkenheid van mensen bij elkaar te vergroten en de mogelijkheden van mensen of hun sociale omgeving om zelf te voorzien in hulp en ondersteuning te stimuleren (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 3). Dit betekent dat er in beginsel geen plaats is voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening indien tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Om die reden onderzoekt het college naar aanleiding van een melding in alle gevallen - of gebruikelijke hulp verwacht kan worden, en zo ja; - hoeveel gebruikelijke hulp kan worden verwacht

Lid 2

47

In artikel 1.1.1 lid 1 van de wet is vastgelegd wat onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Het college moet in de verordening, met inachtneming van de in de wet opgenomen definitie, nader invullen wat in het kader van de Wmo 2015 verstaan wordt onder «gebruikelijke hulp» van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 28) Gebruikelijke hulp gaat over het overnemen van of begeleiden bij de uitvoering van taken of activiteiten/bezigheden. Wat verwacht mag worden is per individuele situatie verschillend omdat het ook betrekking heeft op de vraag wat in redelijkheid verwacht kán worden van de huisgenoot die de gebruikelijke hulp moet bieden. Artikel 1.1.1 lid 1 van de wet geeft aan dat het gaat om “hulp die in alle redelijkheid verwacht mag worden”. Dit is iets anders dan “wat huisgenoten normaal gesproken voor elkaar doen”. Hulp die “normale hulp” overstijgt kan ook gebruikelijk zijn als de huisgenoot er toe in staat is, er de tijd voor heeft en niet overbelast is. (ECLI:NL:RBMNE:2023:2737). In het kader van de eigen kracht en verantwoordelijkheid die van de inwoner en zijn huisgenoten verwacht mag worden kunnen de volgende voorbeelden worden genoemd.

Van echtgenoten (of daarmee gelijkgestelden) ten opzichte van elkaar mag worden verwacht dat zij elkaar bijstaan in bijvoorbeeld begeleiding bij een huisartsenbezoek, het afleggen van familiebezoekjes, het aansporen tot zelfzorg, het aansporen tot het aanhouden van structuur in de week of dagen, of innemen van medicatie. (ECLI:NL:CRVB:2021:823) (ECLI:NL:RBOBR:2020:683). Het gaat daarbij om niet-specialistische hulp waar geen kennis of vaardigheden voor nodig die vragen om specifieke werkervaring of opleiding. Ook geldt in het algemeen dat inwonende kinderen een beroep doen op ondersteuning van hun ouder(s), ook wanneer zij geen beperkingen hebben. Er zijn vanzelfsprekend meer voorbeelden denkbaar. Lid 3 onder a Bij het bepalen of gebruikelijke hulp een bijdrage kan leveren aan het in redelijke mate compenseren van de hulpvraag en beperkingen van de inwoner onderzoekt het college vanzelfsprekend de aard, de omvang en de duur van de ondersteuningsbehoefte. Het college doet dit middels de stappen van een onderzoek zoals genoemd artikel 5 lid 2. Lid 3 onder b De aard van de relatie tussen de inwoner en de huisgenoot is relevant voor hoeveel en wat voor gebruikelijke hulp verwacht mag worden. Van echtgenoten mag bijvoorbeeld meer verwacht worden dan van andere huisgenoten. (ECLI:NL:RBLIM:2022:7897) (ECLI:NL:RBMNE:2023:2737).

Lid 3 onder c Bij de beoordeling of een kind gebruikelijke hulp moet geven, moet het college goed rekening houden met wat gezien de leeftijd als bijdrage van een kind mag verwachten. 48

Daarbij moet gekeken worden naar de ontwikkelingsfase van het kind en het feitelijke vermogen van het kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag hun welbevinden en ontwikkeling niet schaden. Schoolprestaties, het kunnen onderhouden van sociale contacten en het kunnen uitvoeren van een hobby zijn bijvoorbeeld onderdeel van het welbevinden en de ontwikkeling van kinderen. Jurisprudentie biedt houvast om in individuele situaties te bepalen of gebruikelijke hulp verwacht kan worden. - Van kinderen mag je verwachten dat ze huishoudelijke taken als gebruikelijke hulp uitvoeren. Dat de meerderjarige kinderen waarvan beoordeeld is dat zij de huishoudelijke taken uit kunnen voeren niet meewerkten aan de ondersteuning die geboden werd om huishoudelijke taken aan te leren komt voor rekening van de cliënt. (ECLI:NL:CRVB:2019:2616) - Inwonende kinderen van 18 jaar en ouder, die studeren en een druk sociaal leven en een bijbaan hebben, kunnen huishoudelijke hulp als gebruikelijke zorg verlenen. (ECLI:NL:CRVB:2016:3384) - Van kinderen vanaf 18 jaar kan worden verwacht dat zij voor studie op kamers gaan wonen en een huishouden voor 1 persoon kunnen draaien. Vanaf 23 jaar kun je verwachten dat kinderen een compleet huishouden kunnen voeren.

(Rechtbank Rotterdam AWB 08/3111) Lid 3 onder d Gebrek aan ervaring is onvoldoende reden om een maatwerkvoorziening toe te kennen (ECLI:NL:CRvB:2013:1640) (Rechtbank Oost-Brabant 21-02-2013, nr. AWB 12/3467). Het college moet in haar beoordeling echter wel meewegen of de huisgenoot die geacht wordt gebruikelijke hulp te leveren in staat is om de benodigde kennis of vaardigheden aan te leren. Het college kan indien nodig en passend een maatwerkvoorziening inzetten om de huisgenoot te ondersteunen bij het aanleren van die kennis of vaardigheden. Lid 3 onder e Het college moet onderzoeken of de individuele huisgenoten/partners ook daadwerkelijk de gebruikelijke hulp kunnen bieden. Daarbij kan meespelen of wel of niet sprake is van (dreigende) overbelasting. Het kan nodig zijn om onafhankelijk medisch advies in te winnen om dit goed te kunnen beoordelen. Om te kunnen beoordelen of gebruikelijke hulp verwacht kan worden mag het college medewerking verwachten. In artikel 2.3.8 lid 3 Wmo 2015 is een algemene medewerkingsplicht vastgelegd. Deze medewerkingsplicht geldt ook voor huisgenoten wanneer het gaat om de vraag of gebruikelijke verwacht kan worden (ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090).

Wanneer huisgenoten niet meewerken dan kan dit betekenen dat het college de noodzaak tot of de omvang van de maatwerkvoorziening niet kan vaststellen en om die reden de aanvraag voor een maatwerkvoorziening af zal wijzen. Soms zijn huisgenoten beperkt aanwezig. Ze blijven voor hun werk bijvoorbeeld vaak ergens anders of wonen voor studie op kamers. Er is alleen sprake van gebruikelijke hulp als de huisgenoot die de hulp moet bieden beschikbaar is en voldoende draagkracht heeft. Een druk bestaan is op zichzelf echter onvoldoende reden om geen gebruikelijke hulp te

49

verwachten. Niet-specialistische hulp mag verwacht worden van gezonde huisgenoot, ook met een druk bestaan. (ECLI:NL:CRVB:2021:1114) Artikel 11.6 Hoogte financiële tegemoetkoming personen me een beperking of chronische problemen Lid 1 Deze bepaling is opgenomen naar aanleiding van de constatering van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dat het (ook) onder de Wmo 2015 mogelijk is om een financiële maatwerkvoorziening te verstrekken. Het betreft hier nadrukkelijk niet de (financiële) tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen. Het betreft ook geen pgb, waarvoor een specifiek regime geldt en waarop de cliënt aanspraak maakt als zijn voorkeur hiernaar uitgaat en de aanvraag aan de vereisten van artikel 2.3.6 van de wet voldoet. De Wmo 2015 verplicht weliswaar niet om specifiek iets te regelen ten aanzien van financiële maatwerkvoorzieningen. Toch is ervoor gekozen, om de inzet van financiële maatwerkvoorzieningen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Met ‘financiële maatwerkvoorziening’ wordt op zichzelf overigens geen inhoudelijke kwalificatie gegeven, het betreft een verstrekkingswijze (in zekere zin de 3e variant, naast in natura en als pgb).

Wel geldt – net als bij alle maatwerkvoorzieningen – dat de (financiële) maatwerkvoorziening ‘een passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven’. Het gaat in dit geval om een forfaitaire, niet noodzakelijk kostendekkende tegemoetkoming. Deze mag echter niet zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel dat deze geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de beperkingen. Dan kan deze namelijk niet gelden als maatwerkvoorziening. Bij de bepaling van de omvang van de financiële maatwerkvoorzieningen is in dit artikel hiermee rekening gehouden. Lid 2 en 3 Het gaat om tegemoetkomingen in de kosten van het gebruik van eigen auto of individueel (rol-toel)taxivervoer. Omdat het om maatwerk gaat, houdt het college bij het gebruik van de eigen auto rekening met de volledige of gedeeltelijke samenvallende vervoersbehoefte van de cliënt en zijn eventuele partner. Ook kan de cliënt afhankelijk zijn van iemand die hem met een auto vervoerd. Lid 4 Dit onderdeel heeft betrekking op de financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten en/of inrichtingskosten die het gevolg zijn van de toepassing van het primaat van verhuizen.

De voorwaarden en factoren waar het college rekening mee moet houden bij het toepassen van dit primaat van verhuizen zijn uiteengezet in artikel 112.2 lid 2,3 en 4 en de toelichting daarop. Lid 5 Sportbeoefening is een maatschappelijke activiteit en valt daarmee onder het begrip 'participatie' in de zin van de Wmo 2015. De te verstrekken sportvoorziening dient om die reden bij te dragen aan de mogelijkheden van de inwoner om: 50

- te participeren; - medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale contacten aan te gaan; - te ontspannen. Omdat een sportvoorziening gericht is op het bevorderen van participatie kan bij verstrekking ervan deelname aan of een lidmaatschap van een sportvereniging verlangd worden. Een sportvoorziening kan allerlei soorten voorzieningen zijn en betreft dus niet enkel een sportrolstoel. Daarom wordt in dit lid tevens beschreven hoe het college de tegemoetkoming bepaalt voor andere voorzieningen dan een rolstoel. Lid 6 De cliënt die verblijft in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg kan behoefte heb-ben om op bezoek te komen in de woning waar hij voorheen woonachtig was. Denk aan een partner of een kind. Onder bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet Artikel 12. Regels voor een pgb Lid 1 Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het college hier zelfs toe verplicht. Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan opstellen. In lid 1 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6.

namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.

Lid 2 en lid 3 In lid 3 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel (derde lid). Lid 4. In lid 4 wordt aangegeven dat een pgb geen vrij besteedbaar deel bevat, dit wil zeggen. Dat iedere uitgaven die gefinancierd het pgb verantwoord dient te worden. Lid 5.

51

In lid 5 worden de voorwaarden waaronder een pgb verstrekt wordt aangeven. Ook wordt in dit artikel kwaliteitscriteria vermeld. De minimale kwaliteit waaraan de ingekochte ondersteuning moet voldoen betreft de kwaliteit de het college stelt aan de gecontracteerde aanbieders. Lid 6 In dit lid wordt bepaald dat een aanvraag voor een pgb kan worden geweigerd indien de cliënt een gemachtigde of beheerder van het pgb heeft aangewezen die tevens uitvoerder is van de met het pgb ingekochte ondersteuning. Hiermee wordt getracht te voorkomen dat de belangen verstrengeld raken. Lid 7 Op basis van lid 7 is het mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het pgb tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de cliënt tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen of voor langere tijd in het buitenland verblijft. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kan tijdelijk worden stopgezet. Artikel 13. Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd.

Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. ouders, broers, zussen en kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. In de praktijk gaat het dan meestal om personen uit het sociale netwerk. Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: •geboorte; •afstamming van dezelfde voorvader; •erkenning; •gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; •adoptie. 52

Bloedverwanten zijn in de: Eerste graad: •(adoptie)ouders; •(adoptie)kinderen. Tweede graad: •grootouders; •kleinkinderen; •broers en zussen. Artikel 14. Hoogte pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2b van de wet). In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39). Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Lid 1 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor een zaak, bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in naturatarieven. Als de cliënt aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14614312/2