Verordening maatschappelijke ondersteuning conceptraadsbesluit
Tekst van het document
RAADSBESLUIT
Onderwerp: Zaaknummer:
Vaststellen Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2025 104012-2024
De raad van de gemeente Voorne aan Zee: Gelet op het bijbehorende raadsvoorstel;
Besluit: De Verordening Maatschappelijke ondersteuning Voorne aan Zee 2025 vast te stellen en met ingang van 1 januari 2025 in werking te laten treden onder gelijktijdige intrekking van de verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorne aan Zee 2023.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Voorne aan Zee van donderdag 14 november 2024
de griffier,
de voorzitter,
A. (Anriëtte) Goslings Msc
A.R.C. (Arno) Scheepers RA Msc
Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Voorne aan Zee 2025
2
Geldend van 1-1-2025 t/m heden Intitulé Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Voorne aan Zee De Raad van de Gemeente Voorne aan Zee; gehoord de commissie samenleving; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 november 2024, nummer xxxxxx; gelet op: - de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; - artikel 147 en 149 van de Gemeentewet; overwegende, - Inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; - van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; - inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; besluit vast te stellen de volgende verordening verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Voorne aan Zee 2025
3
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Definities en algemene bepalingen...............................................................6 Artikel 1. Definities................................................................................................................6 Artikel 2. Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen.....................................................7 Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek.....................................................................................8 Artikel 3. Melding - indienen hulpvraag.................................................................................8 Artikel 4. Informatie en identificatie.......................................................................................8 Artikel 5. Onderzoek.............................................................................................................9 Artikel 6. Het verslag...........................................................................................................10 Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening..................................................................10 Artikel 7. Aanvraag.............................................................................................................10 Artikel 8. Besluit en toegang...............................................................................................11 Artikel 9.
Inhoud besluit / beschikking.................................................................................11 Hoofstuk 4 Wmo ondersteuning.........................................................................................12 Artikel 10. Algemene voorziening 75-plus vervoerspas......................................................12 Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden maatwerkvoorziening..............................12 Artikel 11.1 Aanvullende voorwaarden vervoersvoorzieningen..........................................13 Artikel 11.2 Aanvullende voorwaarden woonvoorzieningen...............................................14 Artikel 11.3 Aanvullende voorwaarden begeleiding............................................................15 Artikel 11.4 Gebruikelijke hulp............................................................................................16 Artikel 11.5 Criteria voor een financiële tegemoetkoming..................................................16 Artikel 11.6 Hoogte financiële tegemoetkoming personen met een beperking of chronische problemen...........................................................................................................................17 Hoofdstuk 5. Persoonsgebonden budget..........................................................................18 Artikel 12.
Regels voor een pgb..........................................................................................18 Artikel 13. Onderscheid formele en informele hulp.............................................................19 Artikel 14 Hoogte pgb.........................................................................................................20 Artikel 15. Verrekening.......................................................................................................22 Artikel 16. Opschorting betaling uit het pgb........................................................................22 Hoofdstuk 6: Wat is de eigen bijdrage - bijdrage in de kosten........................................22 Artikel 17. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen..........................................22 Artikel 18. Bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen of pgb.......................................23 Hoofdstuk 7: Voorkomen en bestrijden van misbruik of oneigenlijk gebruik................24 Artikel 19.1 Controle...........................................................................................................24 4
Artikel 19.2 Toezichthouders..............................................................................................24 Artikel 19.3 Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik ............................................................................................................................................25 Artikel 19.4 Fraudepreventie...............................................................................................26 Artikel 19.5 Wangedrag......................................................................................................26 Hoofdstuk 8: Kwaliteit en veiligheid...................................................................................26 Artikel 20. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning..............................................26 Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden........................27 Artikel 22. Meldingsregeling calamiteiten en geweld..........................................................28 Hoofdstuk 9: Waardering mantelzorgers...........................................................................29 Artikel 23.
Jaarlijkse waardering mantelzorgers.................................................................29 Hoofdstuk 10: Klachten en medezeggenschap.................................................................29 Artikel 24. Klachtregeling....................................................................................................29 Artikel 25. Medezeggenschap bij aanbieders.....................................................................29 Artikel 26. Medezeggenschap bij gemeente.......................................................................29 Hoofdstuk 11: Aanvullende bepalingen en overgangsrecht............................................30 Artikel 27. Aanvullende bepalingen....................................................................................30 Artikel 28. Hardheidsclausule.............................................................................................30 Artikel 29. Overgangsrecht.................................................................................................30 Artikel 30. Inwerkingtreding,intrekking en citeertitel...........................................................31
5
Hoofdstuk 1: Definities en algemene bepalingen Artikel 1. Definities 1.
In deze verordening wordt verstaan onder: a.
algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening of dienst waarvan het, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover ook als hij geen beperkingen had, kon beschikken, omdat: • • • •
de voorziening niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is en; een passende bijdrage levert aan het zorgen voor een situatie waarin client zelfredzaam kan zijn of kan participeren en; bekostigd kan worden met een inkomen op minimumniveau. Hiervan is sprake als de inwoner in een periode van 36 maanden en met 5% van de bijstandsnorm de voorziening kan betalen. Er kan uitgegaan worden van tweedehands voorzieningen.
b.
algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers -dan wel met een lichte toetsing-, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning’; een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015
c.
andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet;
d.
beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorne aan Zee;
e.
budgetplan: een plan opgesteld door (of namens) de cliënt waaruit blijkt dat de besteding van het persoonsgebonden budget voldoet aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening, zonodig aangevuld met voorwaarden die naar het oordeel van het college gesteld mogen worden;
f.
bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;
g.
gesprek: gesprek in het kader van onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
h.
hoofdverblijf: woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning waarvoor woonlasten verschuldigd zijn, waar de persoon met beperkingen zich gevestigd heeft met het doel er voor langere tijd te verblijven;
i.
hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet;
j.
ingezetene: persoon die hoofdverblijf heeft in de gemeente Voorne aan Zee;
k.
melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet;
6
2.
l.
persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;
m
normaal gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties (eten, slapen, wassen (lichaam), koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook toegang tot de woning;
n.
pgb: persoonsgebonden budget, als bedoeld in artikel 1.1.1. van de wet.
o.
spoedeisende situatie: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt wegens een risico op onaanvaardbare gezondheids- en/ of veiligheidsrisico’s
p.
uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
q.
wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
u.
Wlz: Wet langdurige zorg;
r.
Zzp: zelfstandige zonder personeel die voldoet aan de criteria van de Belastingdienst voor het vaststellen of er sprake is van zelfstandig ondernemerschap voor de inkomstenbelasting.
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2. Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen 1.
2.
De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a.
mantelzorg ondersteuning;
b.
welzijnswerk;
c.
algemeen maatschappelijk werk;
d.
ondersteuning vrijwilligerswerk;
e.
andere voorzieningen m.b.t. deelname aan het maatschappelijk verkeer’
f.
75-plus vervoerspas.
De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a.
huishoudelijke ondersteuning;
b.
woonvoorzieningen;
c.
vervoersvoorzieningen;
7
d.
rolstoelen;
e.
individuele begeleiding;
f.
dagbesteding;
g.
beschermd wonen, geclusterd wonen en opvang;
h.
logeeropvang/respijtzorg.
Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek Artikel 3. Melding - indienen hulpvraag 1.
Een ondersteuningsvraag kan door of, met toestemming en medeweten van de cliënt, namens een cliënt bij het college worden gemeld.
2.
Het college bevestigt de ontvangst van een melding en wijst de cliënt op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis en onafhankelijke cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na de melding een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van wet te overhandigen.
3.
Het college maakt zo spoedig mogelijk na ontvangst van de melding een afspraak voor een gesprek.
4.
In spoedeisende gevallen kan het college besluiten om direct en zonder aanvraag, een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek bedoeld in artikel 5. Het gaat hierbij om situaties waarbij er wel tijdig onderzoek kan worden gedaan, maar door de spoedeisendheid van de situatie het onderzoek niet afgewacht kan worden. Door het volgen van de spoedprocedure kan het college ambtshalve ondersteuning inzetten. Deze spoedeisende ondersteuning kan alleen in natura worden ingezet. Een persoonsgebonden budget is dan niet mogelijk.
Artikel 4. Informatie en identificatie 1.
De cliënt geeft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
2.
Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 5, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.
3.
Het college is tevens bevoegd de identiteit van de vertegenwoordiger of mantelzorger van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
8
Artikel 5. Onderzoek 1.
Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend is, dan kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een gesprek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger.
2.
Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
3.
De volgende factoren maken in ieder geval deel uit van het onderzoek: a.
de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b.
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c.
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d.
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e.
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f.
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g.
welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn;
h.
de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken (zie artikel 7).
4.
Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.
5.
Het college kan de cliënt of zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek met of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige.
6.
Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen.
9
7.
Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 3 tweede lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het derde lid.
Artikel 6. Het verslag 1.
Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.
2.
Na het onderzoek bevestigt het college aan de cliënt schriftelijk de uitkomsten van het onderzoek.
3.
De cliënt heeft de mogelijkheid om binnen een termijn van 2 weken na de verzending van de uitkomsten van het onderzoek, zoals genoemd in lid 2 opmerkingen of aanvullingen te plaatsen. Deze worden aan het dossier toegevoegd.
Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening Artikel 7. Aanvraag 1.
De cliënt heeft de mogelijkheid om binnen een termijn van 2 weken na de verzending van de uitkomsten van het onderzoek, zoals genoemd in artikel 6 lid 2 een aanvraag voor een maatwerkvoorziening te doen.
2.
De termijn, zoals genoemd in lid 1 kan, in overleg met de cliënt, verlengd worden.
3.
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een cliënt schriftelijk bij het college worden ingediend. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.
4.
Een ondertekend ondersteuningsplan kan worden beschouwd als aanvraag.
5.
Een mondeling, telefonisch of elektronisch verzoek van de cliënt om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening kan het college aanmerken als aanvraag.
6.
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.
7.
Het college kan nadere regels stellen over het gestelde in dit artikel, waaronder over de wijze waarop de procedure voor een aanvraag voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang in behandeling wordt genomen.
8.
Bij de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb dient een aanvraagformulier of ondertekend ondersteuningsplan, een budgetplan, een uittreksel handelsregister kvk en een recente VOG van de directe zorgverlener overlegd te worden aan het college.
10
Artikel 8. Besluit en toegang 1.
De gemeente beslist zo snel mogelijk; binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen.
2.
De beslistermijn zoals bedoeld in lid 1 kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente kan de inwoner om meer informatie vragen als dit voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is.
3.
Als de gemeente een besluit niet binnen de termijn zoals bedoeld in lid 1 kan nemen, kan deze termijn éénmalig verlengd worden. De gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.
4.
Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking zoals bedoeld in artikel 9.
5.
Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen zes maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.
Artikel 9. Inhoud besluit / beschikking 1.
In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat of deze voorziening in natura of als pgb of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.
2.
Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:
3.
a.
welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;
b.
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
c.
de hoogte van de maatwerkvoorziening indien het een financiële maatwerkvoorziening betreft;
d.
welke bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening;
e.
indien van toepassing aanvullende voorwaarden, zoals het anti-speculatie beding.
Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a.
aan welk doel het pgb moet worden besteed;
b.
welke voorwaarden aan het pgb zijn verbonden;
c.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb, alsook de kwaliteitseisen die gesteld worden aan de in te kopen zorg; 11
4.
d.
wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald;
e.
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
f.
de termijn van zes maanden waarbinnen de cliënt het pgb moet besteden; als bedoeld in artikel 12, tweede lid;
g.
hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden en;
h.
welke bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening;
i.
indien van toepassing aanvullende voorwaarden, zoals het anti-speculatie beding.
Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming vermeldt de beschikking in ieder geval: a.
aan welk doel de tegemoetkoming moet worden besteed;
b.
welke voorwaarden aan de besteding zijn verbonden;
d.
wat de hoogte van de tegemoetkoming is;
e.
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
f.
op welke manier de tegemoetkoming wordt gedeclareerd dan wel uitbetaald;
g.
indien van toepassing, welke bijdrage in de kosten verschuldigd is
Hoofstuk 4 Wmo ondersteuning Artikel 10. Algemene voorziening 75-plus vervoerspas 1.
Voor de algemene voorziening 75 -plus vervoerspas voldoet de inwoner aan de volgende voorwaarden a.
De inwoner is 75 jaar of ouder op het moment van aanvraag;
2.
Inwoners die een beroep wensen te doen op de 75- plus vervoerspas kunnen zich rechtstreek wenden tot het Wmo-loket van de gemeente Voorne aan Zee.
3.
Het college kan nadere regels stellen.
Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden maatwerkvoorziening 1.
Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende en tijdig beschikbare voorziening.
12
2.
De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.
3.
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
4.
a.
als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat waarvan de cliënt op grond van het eigen kracht principe en eigen mogelijkheden redelijkerwijs gebruik kan maken;
b.
als het om een voorziening gaat die de inwoner vóór datum van besluit heeft uitgevoerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de acute noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;
c.
als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt of als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning;
d.
als deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht;
e.
als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan;
f.
als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wlz of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is. Hierbij wordt artikel 2.3.5, zevende lid van de wet in acht genomen.
g.
deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding;
h.
de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Voorne aan Zee.
Het college kan nadere regels stellen over het gestelde in dit artikel.
Artikel 11.1 Aanvullende voorwaarden vervoersvoorzieningen 1.
Het zich lokaal kunnen verplaatsen, gericht op zelfredzaamheid en/of participatie, bestaat uit: a. het kunnen bereiken van winkels en andere noodzakelijke voorzieningen; b. het kunnen onderhouden van sociale contacten; 13
2.
Bij de te verstrekken collectieve vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.800 kilometer op jaarbasis.
3.
Indien de cliënt langer dan 3 maanden geen gebruik maakt van de vervoersvoorziening kan het college de toegekende voorziening intrekken of beëindigen zoals bedoeld in artikel 2.3.10 lid 1 sub e Wmo 2015.
4.
Het college kan nadere regels stellen over het gestelde in dit artikel.
Artikel 11.2 Aanvullende voorwaarden woonvoorzieningen 1.
Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a.
als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
b.
als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;
c.
ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning;
d.
als de inwoner een voorziening vraagt voor in gemeenschappelijke ruimte(s). In deze situatie is de eigenaar, verhuurder of Vereniging Voor Eigenaren verantwoordelijk voor de voorzieningen;
e.
als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;
f.
als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden;
g.
de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening gericht is om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld.
h.
in afwijking van artikel 11 lid 2 onderdeel b van dit artikel en artikel 2.3.5., zesde lid van de wet kan voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoekbaar gemaakt worden.
i.
In afwijking van artikel 11 lid 2 onder g kunnen voor de inwoner die verhuist naar een Wlz-instelling de woonvoorzieningen in de woning achterblijven die vóór het moment van verhuizen aan de inwoner zijn toegekend, voor zover: deze voorzieningen nodig zijn om logeren mogelijk te maken
14
deze voorzieningen niet vanuit de Wlz-instelling geleend kunnen worden; de inwoner 18 of meer dagen per jaar thuis gaat logeren.
Onderhoud, reparatie en vervanging bij technische afschrijving blijven ook na de verhuizing tot de verantwoordelijkheid van het college behoren. 2.
Bij de afweging tot het al dan niet verstrekken van een woonvoorziening waarvan de kosten de maximale verhuiskostenvergoeding zoals benoemd in artikel 11.6 lid 4 overstijgen wordt beoordeeld of de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning.
3.
Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheid beschikbaar en bruikbaar is wordt het verhuisprimaat toegepast en wordt geen maatwerkvoorziening voor woningaanpassing verstrekt voor de huidige woning. Een verhuiskostenvergoeding kan dan verstrekt worden.
4.
Indien het verhuisprimaat wordt toegepast en de cliënt niet wenst te verhuizen, wordt de cliënt de mogelijkheid geboden van een éénmalige tegemoetkoming tot maximaal de hoogte van de verhuiskostenvergoeding onder de volgende voorwaarden a)
dat het bouwkundig mogelijk is om een situatie te realiseren waarin de cliënt in staat wordt gesteld om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven;
b)
dat de bouwkundige aanpassing of woonvoorziening wordt uitgevoerd conform het programma van eisen.
5.
Indien het college een woningaanpassing heeft verstrekt aan een koopwoning en de cliënt verhuist binnen 10 jaar nadat de woningaanpassing is verstrekt, dan dient de meerwaarde van de woning door de woningaanpassing – onder verrekening van de voldane eigen bijdrage als bedoeld in artikel 18 lid 2 - te worden terugbetaald aan het college tot maximaal de kostprijs van de woningaanpassing.
6.
Het college kan nadere regels stellen over het gestelde in dit artikel.
Artikel 11.3 Aanvullende voorwaarden begeleiding 1.
De volgende maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar voor cliënten: a. Begeleiding individueel; b. Dagbesteding waaronder het noodzakelijke vervoer naar de locatie waar deze wordt geboden; c. Respijtzorg om de mantelzorger te ontlasten.
2.
Welke maatwerkvoorziening passend is, is afhankelijk van de te bereiken resultaten, zoals opgenomen in het ondersteuningsplan.
3.
Het vervoer als bedoeld in het eerste lid onder b wordt noodzakelijk geacht indien:
15
a. de cliënt niet in staat is zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen, de locatie waar de dagbesteding wordt geboden kan bereiken; b. de cliënt (nog) niet zelfstandig of met beschikbare hulp van personen uit diens sociale netwerk of vrijwilligers kan reizen of op een andere manier door hen kan worden begeleid. 4.
Het college kan nadere regels stellen over het gestelde in dit artikel.
Artikel 11.4 Gebruikelijke hulp 1.
De cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen.
2.
Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan:
3.
a.
het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken;
b.
het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie;
c.
het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren.
Bij het oordeel van het college of gebruikelijke hulp kan worden gevergd, wordt in ieder geval rekening gehouden met: a
de aard, de omvang en de duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt
b
de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt
c
de leeftijd en ontwikkelingsfase van inwonende kinderen
d
de leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd
e
het risico op (dreigende) overbelasting van de personen van gebruikelijke hulp kan worden gevergd
Artikel 11.5 Criteria voor een financiële tegemoetkoming 1.
Een cliënt komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor zover: a.
hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, er geen andere oplossing is, en
16
b.
2.
het een van de volgende voorzieningen betreft: 1°.
verhuiskostenvergoeding;
2°.
vervoersvoorziening voor taxikosten of leef kilometervergoeding;
3°.
vervoersvoorziening voor rolstoeltaxikosten;
4°.
een voorziening waarvoor niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is;
5°.
sportrolstoel;
6°.
overige sportvoorziening voor de meerkosten ten opzichte van ‘normale’ sportdeelname.
7.
het bezoekbaar maken van de woning voor de cliënt die in een instelling op grond van de Wlz woont.
Het college kan nadere regels stellen over het gestelde in dit artikel.
Artikel 11.6 Hoogte financiële tegemoetkoming personen met een beperking of chronische problemen 1.
Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.
2.
De tegemoetkoming voor individueel personenvervoer, zoals bedoeld bij sociale contacten in en rond de gemeente, bedraagt per kalenderjaar voor: a.
taxikosten maximaal € 1.800,-;
b.
rolstoeltaxikosten bedraagt maximaal € 2.100,-.
3.
De gemeente kan ieder jaar een indexatie toepassen daarbij de Landelijke Tarievenindex (LTI) voor taxivervoer . De bedragen worden naar boven afgerond op 10-tallen.
4.
Indien het college heeft beoordeeld dat cliënt geen recht heeft op een maatwerkvoorziening voor woningaanpassing vanwege toepassing van het primaat verhuizing, kan het college een tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten verstrekken ter hoogte van de werkelijke kosten tot maximaal de hoogte van de verhuiskostenvergoeding op grond van de regeling Minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie binnen het Burgerlijk Wetboek. Uitbetaling vindt pas plaats als de klant een getekende huurovereenkomst of koopcontract overlegt van de voor hem meest geschikte beschikbare woning gelet op zijn beperkingen in het normale gebruik van de woning.
17
5.
De tegemoetkoming voor de aanschaf en het onderhoud van een sportvoorziening, zoals bedoeld bij het resultaatgebied deelname aan recreatieve activiteiten, bedraagt per drie jaar, inclusief onderhoud voor: a.
6.
een sportrolstoel maximaal € 3.600,00. Indien cliënt gemotiveerd aan kan tonen dat een duurdere rolstoel of andere sportvoorziening met een langere levensduur beter geschikt is dan kan het bedrag worden omgerekend naar een jaarbedrag en vermenigvuldigd worden met de technische levensduur van de voorziening met een maximum van 6 jaar. De termijn voor het opnieuw verstrekken van een sportvoorziening is dan evenredig aan de verwachte levensduur met een maximum van 6 jaar;
In afwijking van Artikel 11.2 lid 1b kan het college een tegemoetkoming verstrekken ter hoogte van de werkelijke kosten tot maximaal 3.000,- voor het bezoekbaar maken van één woning a) door een inwoner die in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg woont b) door een minderjarige inwoner waarvan de ouders gescheiden zijn en die zijn hoofdverblijf heeft bij één van beide ouders, zodat deze de andere ouder kan bezoeken.
7.
Het college kan nadere regels stellen over het gestelde in dit artikel.
Hoofdstuk 5. Persoonsgebonden budget Artikel 12. Regels voor een pgb 1.
Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.
2.
Het persoonsgebonden budget wordt binnen zes maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden. Voor woningaanpassingen kan het college een langere termijn hanteren.
3.
Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6., tweede lid van de wet opgenomen voorwaarden. De cliënt dient daarvoor een budgetplan in. In het budgetplan is in elk geval opgenomen: a.
hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;
b.
wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;
c.
welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder;
18
4.
d.
op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;
e.
de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.
Het pgb mag niet worden besteed aan: a.
kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
b.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
c.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
d.
de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening;
e.
kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.
5.
Het pgb bevat in beginsel geen vrij besteedbaar bedrag. Het college heeft de discretionaire bevoegdheid om op verzoek van cliënt een vrij te besteden bedrag op te nemen in het pgb als naar het oordeel van het college blijkt dat een vrij te besteden bedrag redelijkerwijs noodzakelijk is voor de ondersteuning van de cliënt.
6.
Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb: a.
er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is;
b.
de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat;
c.
de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning minimaal voldoet aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren.
d.
er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie te betrekken.
7.
Een aanvraag in de vorm van een pgb kan worden geweigerd indien de cliënt een gemachtigde of beheerder van het pgb heeft aangewezen die tevens uitvoerder is van de met het pgb ingekochte ondersteuning.
8.
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.
Artikel 13. Onderscheid formele en informele hulp 1.
Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
2.
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt:
19
3.
a.
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
b.
personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
Informele hulp is: a.
Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid;
b.
Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt.
Artikel 14 Hoogte pgb 1.
De omvang van het pgb voor een zaak bedraagt nooit meer dan de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in natura, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. Indien nodig kan het pgb voor een hulpmiddel aangevuld worden met een vergoeding voor instandhoudingskosten. Indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten kan een pgb worden verstrekt ter hoogte van een door het college geaccepteerde offerte.
2.
Indien het pgb is gebaseerd op een uur- dagdeel of etmaaltarief, wordt onderscheid gemaakt tussen ondersteuning geleverd door een erkende instelling, een gekwalificeerde zzp-er en personen uit het sociaal netwerk: a.
Het tarief voor een erkende instelling is gelijk aan het tarief van de gelijkwaardige gecontracteerde ondersteuning in natura bij een leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht;
b.
Het tarief voor een gekwalificeerde zzp-er is gebaseerd op het tarief van de door de gemeente ingekochte gelijkwaardige ondersteuningsvorm minus 20% overheadkosten, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht;
c.
Het tarief voor een persoon uit het sociaal netwerk is gebaseerd op: Bij huishoudelijke hulp: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 20
Bij begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 3.
Indien het op basis van het eerste en tweede lid van dit artikel vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.
4.
De hoogte van het pgb voor vervoer van en naar de dagbesteding wordt vastgesteld op basis van het toepasselijke tarief van de gelijkwaardige voorziening in natura bij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen geschikte dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het Openbaar Vervoer de cliënt belemmeren.
5.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid onder c bedraagt het pgb bij maatschappelijke ondersteuning die wordt verleend op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 2ab lid 1 Uitvoeringsregeling Wmo 2015:
6.
a. de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab lid 1 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming of (zie toelichting); b. de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 2ab lid 1 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de ten tijde van de aanvraag meest recente richtbedragen van het Nibud of bij het ontbreken daarvan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening. De hoogte van het pgb voor Kortdurend verblijf wordt als volgt vastgesteld. a. Het tarief voor een erkende instelling is gelijk aan het tarief van de gelijkwaardige gecontracteerde ondersteuning in natura bij een leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
7.
De hoogte van het pgb voor Respijtzorg aan huis wordt als volgt vastgesteld. a. Het tarief voor een erkende instelling is gelijk aan het tarief van de gelijkwaardige gecontracteerde ondersteuning in natura bij een leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. b. Het tarief voor een gekwalificeerde zzp-er is gebaseerd op het tarief van de door de gemeente ingekochte gelijkwaardige ondersteuningsvorm minus 20%
21
overheadkosten, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. c. Aan de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk verstrekt het college een pgb ter hoogte van de maximale tegemoetkoming bij maatschappelijke ondersteuning die wordt verleend op basis van een verklaring zoals bedoeld in het vijfde lid onder a, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming of (zie toelichting);
Artikel 15. Verrekening Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden.
Artikel 16. Opschorting betaling uit het pgb 1.
Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.
2.
Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 18, derde lid, onder d.
3.
Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste en of tweede lid.
Hoofdstuk 6: Wat is de eigen bijdrage - bijdrage in de kosten Artikel 17. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen 1. In het algemeen wordt geen bijdrage in de kosten gerekend voor gebruikmaking van een algemene voorziening. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat het gebruik van algemene voorzieningen zoveel mogelijk wordt gestimuleerd. Het is echter mogelijk dat de instelling een kleine vergoeding vraagt voor de kosten van materialen die worden gebruikt voor de activiteiten. Ook de kosten voor eten en drinken komen voor rekening van de deelnemer, tenzij door de instelling anders is bepaald.
22
Artikel 18. Bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen of pgb 1.
Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt cq er de beschikking over heeft of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt of toegekend.
2.
De bijdrage in de kosten wordt vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit.
3.
In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd per bijdrageperiode door: a.
de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die een bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan 120 % van de bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 21 Participatiewet, uitgaande van de norm van juli van het voorgaande jaar afgerond naar boven op tientallen;
b.
de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan 120 % van de bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 22 van de Participatiewet, uitgaande de norm van juli van het voorgaande jaar afgerond naar boven op tientallen;
c.
de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan 120 % van de bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 22 van de Participatiewet, uitgaande van de norm van juli van het voorgaande jaar afgerond naar boven op tientallen.
4.
De hoogte van de bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.
5.
De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt.
6.
De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.
7.
Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor rolstoelen, verhuiskosten, begeleiding waakvlam en het collectief vervoer.
8.
Aan de cliënt die gebruik maakt van de voorziening collectief vervoer wordt enkel door de vervoerder een instaptarief en een bijdrage per kilometer in rekening gebracht ter hoogte van de kosten van het Openbaar Vervoer.
9.
De bijdragen in de kosten voor opvang worden door het CAK vastgesteld en geïnd. Alle eigen bijdragen worden geïnd door het CAK.
10.
De ingangsdatum van de bijdrage als genoemd in het eerste lid start bij de ingangsdatum van de zorg of levering van de voorziening voor zolang de cliënt gebruik maakt van de zorg en/of de beschikking heeft over de voorziening.
11.
Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is geen bijdrage in de kosten verschuldigd.
23
12.
Uitgezonderd van een eigen bijdrage kunnen worden zogenaamde zorgmijders voor zover de toekenning van de Wmo-voorziening betrekking heeft op de problematiek die ten grondslag ligt aan het zorgmijden.
13.
Het college kan nadere regels stellen betreffende het opleggen van een bijdrage in de kosten.
14.
De bijdragen voor maatschappelijke opvang worden vastgesteld en geïnd door de instelling waar de cliënt verblijft.
15.
De zorgverlener kan aan de cliënt een bijdrage vragen ter gehele of gedeeltelijke compensatie van de algemeen gebruikelijke kosten die onderdeel uitmaken van de algemene of maatwerkvoorziening, voor zover dat tussen college en aanbieder is afgesproken.
16.
De bijdrage, bedoeld in het vorige lid, wordt vastgesteld op basis van objectieve criteria, zoals richtlijnen van het NIBUD, tarief van het openbaar stadsvervoer of landelijke modellen voor de berekening van de huurprijs van woonruimte en bedragen niet meer dan de kostprijs voor de aanbieder van de voorziening.
Hoofdstuk 7: Voorkomen en bestrijden van misbruik of oneigenlijk gebruik Artikel 19.1 Controle 1.
Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.
2.
Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verwijzingen door derden zoals bedoeld in paragraaf 2.2 rechtmatig zijn.
3.
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot deze controle.
Artikel 19.2 Toezichthouders 1.
Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht toezicht op de naleving van wat in of volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is bepaald.
2.
De aangewezen toezichthouder is belast met: a. de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; b. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; c. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de Pgb-beheerder; d. vorderen van identificatie; 24
e. inzage van documenten en toegang tot gegevens; f. het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen); g. controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst met het college naleeft; h. ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de Pgbbeheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie. 3.
Een ieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.
Artikel 19.3 Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen en Pgb’s te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: a. het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; b. het college verricht zo nodig onderzoek bij (Pgb-) aanbieders van individuele voorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente onderhouden of die ondersteuning verlenen op grond van een Pgb aan inwoners en die verplicht zijn om kosteloos hun medewerking te verlenen; c. het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties; d. het college controleert, al dan niet steeksproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen; e. het college beperkt de looptijd van de indicaties of voert periodiek controles uit bij langlopende indicaties; f.
het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een Pgb op: I. de regiemogelijkheden van de cliënt of degene die de cliënt als vertegenwoordiger wenst in te schakelen conform artikel 1.1.1, lid 2 van de wet II. de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt en (Pgb-)aanbieder te overleggen pgb plan mede met het oog op de te bereiken resultaten conform artikel 3.1, lid 2, van de wet;
25
g. het college monitort het gebruik van het Pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen.
Artikel 19.4 Fraudepreventie Het college zet in op fraudepreventie, dat in ieder geval omvat: a.
het voorlichting geven aan inwoners van de gemeente en in het bijzonder aan inwoners aan wie een individuele voorziening is toegekend;
b.
het informeren van inwoners over de rechten en plichten die zijn verbonden aan het ontvangen van een individuele voorziening en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik;
c.
het vroegtijdige opsporen van misbruik of oneigenlijk gebruik.
Artikel 19.5 Wangedrag 1.
Bij herhaald en ernstig wangedrag bij het ontvangen van diensten, kan het college -al dan niet tijdelijke- maatregelen treffen jegens inwoner ter bescherming van de medewerker van een aanbieder of lokale toegang.
2.
Het college kan bij nadere regeling vaststellen wat zij verstaan onder wangedrag en de maatregelen, die getroffen kunnen worden op grond van het voorgaande lid.
Hoofdstuk 8: Kwaliteit en veiligheid Artikel 20. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.
Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: a.
doeltreffendheid: de ondersteuning biedt zicht op resultaat;
b.
voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt;
c.
voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg;
d.
inzet van de juiste deskundigheid;
e.
ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector;
f.
er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard;
g.
aanbieders stellen een (integraal) ondersteuningsplan op;
h.
aanbieders rapporteren over de resultaten; 26
i.
aanbieders evalueren regelmatig de inzet in relatie tot het resultaat en stelt dit in het gesprek met de inwoner en zijn mantelzorger of vertegenwoordiger aan de orde. Deze uitkomst wordt betrokken bij de innovatie van de wijze waarop de ondersteuning wordt aangeboden.
2.
Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.
3.
Het college kan, met uitzondering van aanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
4.
Instellingen dragen zorg voor veiligheid van inwoner en personeel tijdens de door hem geleverde dienstverlening. Het gaat hierbij om veilige gebouwen, veilig aanbod en veilig voelen. Als een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, is de hoofdaanbieder er verantwoordelijk voor dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt.
5.
Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt of steekproefsgewijs ter plaatse controleren van de kwaliteit van de geleverde voorzieningen.
6.
Het college wijst op grond van artikel 6.1 van de Wmo en zoals bedoeld in artikel 5.11 Awb een toezichthouder aan welke toeziet op de naleving van de kwaliteitseisen alsook voor het uitoefenen van toezicht op de rechtmatigheid van besluiten in het kader van deze wet, deze verordening en de daaraan verbonden beleidsregels.
7.
De geleverde ondersteuning of voorziening welke wordt verstrekt in de vorm van een pgb dient aan dezelfde kwaliteitseisen te voldoen als verstrekkingen van ondersteuning of voorzieningen in het kader van deze wet of verordening in de vorm van natura.
8.
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de kwaliteitseisen van voorzieningen.
Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.
Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a.
een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of
b.
een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i.een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 27
ii.de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.
3.
4.
Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a.
conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel c van de wet, en
b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a.
kosten van de beroepskracht;
b.
redelijke overheadkosten;
c.
kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
d.
reis- en opleidingskosten;
e.
indexatie van loon binnen een overeenkomst;
f.
overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a.
de marktprijs van de voorziening, en
b.
de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: i.aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; ii.instructie over het gebruik van de voorziening; iii.onderhoud van de voorziening, en; iv.verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.
Artikel 22. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar. 28
3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Hoofdstuk 9: Waardering mantelzorgers Artikel 23. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.
Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht.
2.
De jaarlijkse blijk van waardering bestaat uit: een uitnodiging voor de dag van de mantelzorger, gezamenlijke koffie/borrel/uitstapje, deelname aan het mantelzorgcafé en een financiële tegemoetkoming of een financiële tegemoetkoming op een mantelzorgpas.
Hoofdstuk 10: Klachten en medezeggenschap Artikel 24. Klachtregeling 1.
Het college behandelt klachten van inwoners over hoe meldingen en aanvragen worden afgehandeld volgens de regels van de gemeente (gemeentelijke klachten verordening).
2.
Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door hen geleverde diensten en goederen.
3.
Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 25. Medezeggenschap bij aanbieders 1.
Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de aan hen geleverde Wmo voorziening.
2.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.