Ruimtelijke Onderbouwing Camperpark Hellevoetsluis met bijlagen
Tekst van het document
De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m² of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de toename in verharding; Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Artikel 5.1 (Waterwet) •
27/44
De beheerder draagt zorg voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Van de legger maakt deel uit een overzichtskaart, waarop de ligging van waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones staat aangegeven.
• •
De legger gaat vergezeld van een technisch beheers register met betrekking tot primaire waterkeringen dan wel waterkeringen ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 2.4, waarin de voor het behoud van het waterkerend vermogen kenmerkende gegevens van de constructie en de feitelijke toestand nader zijn omschreven. Bij of krachtens provinciale verordening of, ten aanzien van waterstaatswerken in beheer bij het Rijk, algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven ten aanzien van de inhoud, vorm en periodieke herziening van de legger voor daarbij te onderscheiden categorieën van waterstaatswerken. Voorts kan daarbij vrijstelling worden verleend van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen met betrekking tot bepaalde waterstaatswerken die zich naar hun aard of functie niet lenen voor het omschrijven van die elementen dan wel van geringe afmetingen zijn.
4.3.2 Huidige situatie In de huidige situatie is het projectgebied onbebouwd. Grondwater Het projectgebied bevindt zich niet in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Waterkwantiteit Binnen het projectgebied zijn geen watergangen aanwezig. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied is onderdeel van de kernzone en de primaire waterkering Schenkeldijk/Zuiddijk en van beschermingszone A en B. De in-/uitgang is onderdeel van een waterstaatswerk. De bebouwing en het grootste deel van het camperterrein valt daarbuiten en is onderdeel van beschermingszone A. Afvalwaterketen en riolering Het projectgebied is onbebouwd en niet aangesloten op een rioolstelsel. 4.3.3 Toekomstige situatie Het voornemen is om 63 nieuwe camperplaatsen met bijbehorende voorzieningen te realiseren op het projectgebied. Waterkwantiteit De totale toename aan verhard oppervlakte (daken en verharding, incl. half verharding) bedraagt 2.973 m². Een bruikbare norm is een norm van 664 m³ per hectare voor een bui die eens per 10 jaar voorkomt (incl.
10% extra t.b.v. klimaat-adaptie). Om het afvloeiende regenwater te bergen is een capaciteit nodig van 213 m³. Dit kan in het terrein geborgen worden (zie figuur 4.2) Wel is het nodig de wegen van molgoten te voorzien om het water naar de wadi’s af te voeren; Daarnaast is het nodig de maaiveldhoogte van verharding en camperstandplekken zodanig aan te leggen dat ze bij hoosbuien op de omringende groen-/natuurstroken afwateren (zie rode pijlen in de naaststaande kaart).
28/44
Figuur 4.2 watercompensatie (bron: inrichtingsplan K3H pagina 12)). Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. 4.3.4 Conclusie Uit de waterparagraaf blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Verdere beoordeling en uitwerking, inclusief afstemming met WSHD is noodzakelijk omtrent het voorgenomen ontwerp. Een vergunning is nodig voor werkzaamheden binnen de Beschermingszones kernzone en primaire waterkeringen.
4.4
Ecologie
4.4.1 Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN).
29/44
Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.
GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS-vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis,
30/44
gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 4.4.2 Gebiedsbescherming Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied ligt op 21 meter afstand van het Natura 2000-gebied Haringvliet (niet stikstof gevoelig). Vanwege deze ligging buiten Natura 2000 zijn effecten als areaalverlies, versnippering etc. op voorhand geheel uit te sluiten. Dit geldt mogelijk niet voor effecten als verstoring door geluid en licht en vermesting en verzuring als gevolg van extra stikstofdepositie. Derhalve is een ecologische voortoets uitgevoerd waarin deze potentiële effecten nader onderzocht worden. De voortoets is opgenomen als bijlage bij de vergunningaanvraag. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Voornes Duin. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt 1,7 kilometer (figuur 4.3). Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid-Holland. De conclusies uit de ecologische voortoets zijn als volgt: Vanwege de ligging buiten Natura 2000 zijn effecten als areaalverlies en versnippering op voorhand geheel uit te sluiten.
Aanlegfase • Uit de berekening met AERIUS Calculator (februari 2024) blijkt dat er voor de gecombineerde aanleg- en gebruiksfase geen toename is van stikstofdepositie in stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. • Verstoring door licht, geluid en beweging zijn in de aanlegfase zeer gering en verre van significant; • Verstoring door geluid, licht en beweging zullen in de gebruiksfase niet optreden. Cumulatie • Er zijn geen vergunde projecten bekend die nog niet zijn uitgevoerd en die in cumulatie met het onderhavige plan/project kunnen leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000.
31/44
Figuur 4.3 ligging projectgebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebied
32/44
4.4.3 Soortenbescherming In opdracht van Rho adviseurs is door Bureau Stadsnatuur een quickscan flora en fauna uitgevoerd, de onderzoeksrapportage is opgenomen in de bijlage bij de vergunningaanvraag. Op basis van het verkennende onderzoek is voldoende inzichtelijk gemaakt welke (beschermde) soorten afhankelijk zijn van het projectgebied. De volgende (volgens de Wnb) beschermde soorten en functies zijn te verwachten in en rond het projectgebied. Tabel 4.1 potentie voor (beschermde) soorten in het projectgebied met beschreven vervolgstappen.
De aanwezigheid van andere beschermde soorten en soortgroepen kan uitgesloten worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren. Aanbevelingen Onderzoek Boom bewonende vleermuizen Indien de grote schietwilg gekapt gaat worden is een onderzoek naar boom bewonende vleermuizen noodzakelijk. Broedvogels Ten aanzien van algemene broedvogels dient tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. Alle broedende inheemse vogels zijn beschermd. Indien er groen verwijderd wordt moet dit buiten het broedseizoen van vogels gebeuren en nadat de resultaten van de vervolgonderzoeken bekend zijn. Het broedseizoen loopt globaal van maart tot en met juli, maar is soort specifiek en kan soms afwijken van deze periode. Door in de winter het groen te verwijderen wordt verstoring en vernietiging van een bezet nest voorkomen. Zorgplicht In het projectgebied kunnen kleine zoogdieren en amfibieën voorkomen die onder bescherming van art. 3.10 van de Wet natuurbescherming vallen, maar waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling van ontheffing geldt (Provinciale staten van Zuid-Holland 2016). Voor deze soorten geldt de Zorgplicht en moet het onnodig doden of verwonden van dieren voorkomen worden. Wanneer bij de aanlegwerkzaamheden dieren worden aangetroffen of plotseling verschijnen dan moeten ze de kans krijgen om het werkterrein te verlaten.
Indien dit niet mogelijk is dan moet het dier voorzichtig verplaatst worden naar een geschikte plek in de omgeving buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Ruimte voor Rode lijst soorten In het nieuwe ontwerp is rekening gehouden met een natuurlijkere invulling van het camperpark met diverse inheemse struiken en haagplanten. Door het beheer en onderhoud ook op een natuurlijke manier uit te voeren is er de ruimte voor
33/44
bijzondere plantensoorten om zich te (her)vestigen in het gebied. Op de naastgelegen Quackgors groeien een aantal planten die op de Rode lijst staan (en waarmee het minder goed gaat) die ook in de kruidlaag langs struwelen kunnen groeien. Er kan bij beheer gedacht worden aan later maaien van grasstroken in het seizoen en maaisel een aantal dagen te laten liggen voordat het opgeruimd wordt. Hierdoor kunnen bloemen en grassen hun zaden laten vallen. 4.4.4 Natuurinclusief bouwen De ruimtelijke ontwikkeling biedt niet alleen mogelijkheden voor een herinrichting van het projectgebied, maar ook om meerwaarde te creëren voor de biodiversiteit (Vink, Vollaard & de Zwarte 2017). Door in de ontwerpfase al te kijken naar mogelijkheden voor het creëren van nest- en verblijfplaatsen in de gebouwtjes en hoe deze geplaatst gaan worden. Door extra broedgelegenheid te creëren wordt de lokale populatie van vogels ondersteund. Dergelijke maatregelen zijn geen wettelijke verplichting, maar dragen bij aan een vergroting van de biodiversiteit. De aanwezigheid van planten en dieren in de omgeving vergroten bovendien het woongenot.
4.4.5 Conclusie Soortenbescherming: Zolang de grote schietwilg in het projectgebied niet gekapt zal worden is er geen nader onderzoek naar vleermuizen benodigd Gebiedsbescherming: Vanwege de ligging buiten Natura 2000 zijn effecten als areaalverlies en versnippering op voorhand geheel uit te sluiten. Aanlegfase • Uit de berekening met AERIUS Calculator (februari 2024) blijkt dat er voor de gecombineerde aanleg- en gebruiksfase geen toename is van stikstofdepositie in stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. • Verstoring door licht, geluid en beweging zijn in de aanlegfase zeer gering en verre van significant. • Verstoring door geluid, licht en beweging zullen in de gebruiksfase niet optreden. Er hoeven derhalve geen vergunningen in het kader van de Wet Natuurbescherming te worden aangevraagd.
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.5.2 Onderzoek In opdracht van de gemeente Hellevoetsluis heeft DETA MILIEU B.V. een verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de geplande herontwikkeling van de locatie.
De rapportage is opgenomen bij de vergunningaanvraag. Conclusie verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek
34/44
Gezien het feit dat in het grondmengmonster MM1 voor zink een overschrijding van de interventiewaarde is vastgesteld, dient de locatie formeel als verontreinigd te worden beschouwd. Derhalve wordt de hypothese 'verdachte locatie' uit hoofdstuk 3 van het bodemonderzoek, voor de onderhavige locatie bevestigd. Verdeeld over het gehele kavel zijn in meer of mindere mate verhoogde gehalten aan zink aangetroffen. De verhoogde gehalten aan zink zijn waarschijnlijk te relateren aan bijmeningen met koolas in de grond. Op basis van de analyseresultaten van het nader bodemonderzoek, is uitsluitend een interventiewaarde overschrijding aangetroffen ter hoogte van boring 15 in de bodemlaag van 0,2 tot 0,7 m -mv. Aan de hand van een berekening middels Interpolatie is circa 4m³ boven de interventiewaarde verontreinigd met zink, in een bodemlaag met een dikte van 0,8 meter. Derhalve is circa 3,5 m3 grond boven de interventiewaarde verontreinigd met zink. De onderzoekshypothese dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, wordt bevestigd. Aanbevelingen Met de gevolgde onderzoeksstrategie is de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie volgens de geldende richtlijnen vastgelegd. Op grond van de onderzoeksresultaten bestaat er geen aanleiding voor het uitvoeren van vervolgonderzoek en zijn er geen milieuhygiënisch bezwaren tegen de beoogde herontwikkeling van de locatie.
De locatie krijgt In de toekomst de functie recreatie. Indien noodzakelijk kan deze worden verwijderd middels ontgraving, en worden afgevoerd. Tevens is het mogelijk, daar het een immobiele verontreiniging betreft, om deze af te dekken met een meter leeflaag (klasse AW grond) of een volledige verharding (isolatievariant). Wanneer ter hoogte van boring 15 de grond wordt geroerd, dient rekening te worden gehouden met de volgende zaken: • Indienen van een Plan van Aanpak bodemsanering bij de Gemeente Hellevoetsluis; • Aanbevolen wordt om eventuele graafwerkzaamheden aldaar uit te laten voeren door een conform de BRL SIKB 7000, en prot6ocol 7001 gecertificeerde aannemer, en onder milieukundige begeleiding conform de BRL SIKB 6000 en protocol 6001; Op basis van de aangetroffen verhoogde gehalten aan zink in de grond ter hoogte van boring 15, zou bij graafwerkzaamheden een veiligheidsklasse van toepassing zijn. Op basis van toetsing conform de CROW 132 publicatie 'Werken in verontreinigde grond', geldt voor deze werkzaamheden de klasse 1T. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient de veiligheidsklasse formeel te worden vastgesteld door een (hoger) veiligheidskundige, in een veiligheids- en gezondheidsplan (V&G) voor de uitvoeringsfase; Opgemerkt wordt dat eventueel buiten de verontreinigingscontour vrijkomende grond ook niet zonder meer kan worden hergebruikt.
De grond mag wettelijk gezien tijdelijk worden uitgeplaatst op de locatie, ten behoeve van de geplande werkzaamheden. Indien vrijkomende grond dient te worden afgevoerd of hergebruikt op een andere locatie, gelden aanvullende regels en is een melding voor de toepassing van grond aan het Meldpunt Bodemkwaliteit noodzakelijk. Sanering Op de saneringslocatie is tijdens een verkennend bodemonderzoek DETA MILIEU B.V., Verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek Heliushaven Hellevoetsluis,151002D d.d. 3 november 2015) een bodemverontreiniging met zink aangetroffen. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De bodemsanering is uitgevoerd op 15 mei 2023, door Symitech B.V. Het evaluatieverslag van de werkzaamheden is opgenomen als bijlage bij de vergunningaanvraag. De saneringswerkzaamheden hebben bestaan uit de ontgraving van de verontreinigde grond. De grond is direct geladen en afgevoerd. In totaal is 6420 kg met zink verontreinigde grond afgevoerd. Na afronding van de ontgraving is deze aangevuld met gecertificeerd zand Door de milieukundig begeleider is de eindbemonstering uitgevoerd. Hierbij zijn de putwanden en de putbodem bemonsterd. De eindmonsters van de putwanden en de putbodem zijn geanalyseerd op zink.
35/44
Uit de analyseresultaten blijkt dat in putwand A een geringe overschrijding van de achtergrondwaarde voor zink is aangetoond. In het monster van de putbodem en putwand B zijn geen verhoogde gehalten zink aangetoond. Aan de hand van de eindbemonstering kan worden geconcludeerd, dat de bodemsanering als afgerond kan worden beschouwd. Asbest In opdracht van de Gemeente Hellevoetsluis heeft DETA MILIEU B.V. een bodemonderzoek naar asbest in grond uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen bij de vergunningaanvraag. In de bovengrond is een gemengde laag van zand met bijmengingen van onder meer breeksteen en mijnsteen aangetroffen. Mogelijk is dit een verstevigde laag om daar in het verleden boten en dergelijke op te stallen. Plaatselijk was er geen sprake meer van grond (>50% bodemvreemd materiaal). In deze verhardingslaag werd geen asbestverdacht puin aangetroffen. Bodemopbouw: De bodem bestaat vanaf het maaiveld tot 0,5 m -mv uit zand met een bijmenging van baksteen, ballast, breeksteen, mijnsteen, grind en/of koolas en plaatselijk afval. Daaronder is zand aangetroffen tot circa 1,5 m -mv en ten slotte klei Zintuiglijke waarnemingen: Ter hoogte van boring 08 is vanaf 1,8 m -mv matig slibhoudende klei aangetroffen. Dit betreft een voormalige sloot welke in 1957 is gedempt. Het dempingsmateriaal bestaat uit fijn zand en schelpenzand.
Verontreinigingssituatie: In de grond is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ook het aangetroffen ballast materiaal, niet zijnde grond, is niet asbestverdacht op basis van de samenstelling. In grondmengmonsters MMA1 t/m MMA4 is geen asbest aangetoond. Conclusie en aanbevelingen asbest Met de gevolgde onderzoeksstrategie is de bodemkwaliteit (asbest) van de onderzoekslocatie volgens de geldende richtlijnen vastgelegd. Er is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve hoeven op deze locatie geen sanerende maatregelen te worden genomen. 4.5.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit staat de boogde ontwikkeling niet in de weg.
4.6
Archeologie en cultuurhistorie
4.6.1 Regelgeving en beleid Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Archeologieverordening Hellevoetsluis
36/44
De gemeente Hellevoetsluis heeft een archeologieverordening die is vastgesteld in 2009. Hierin heeft de gemeente een eigen archeologische waardenkaart aangesteld die geldend is wanneer in het bestemmingsplan niets is aangegeven omtrent archeologie. Dit is wel het geval voor het projectgebied, het bestemmingsplan is daarom leidend. 4.6.2 Archeologisch onderzoek Voor de Waarde – Archeologie -c geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor alle bouw- en graafwerkzaamheden (inclusief heien) met een oppervlakte groter dan 200 vierkante meter en die tevens dieper reiken dan 3 meter beneden maaiveld • Voor de kabels en leidingen wordt een bodemverstoring tot 60 cm verwacht; • Er dient een rioolpompput geïnstalleerd te worden in de grond tot maximaal 2 meter diep, de oppervlakte hiervan zal gering zijn; • Verder is er de optie om semi-ondergrondse afvalcontainers te plaatsen. De diepte hiervan is nog niet bekend, ook hiervan zal de oppervlakte zeer gering zijn; • Er wordt niet geheid. 4.6.3 Conclusie De werkzaamheden reiken niet dieper dan 0,8 meter en het te bebouwen oppervlak blijft kleiner dan 200m². Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5 weergegeven. Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.
37/44
4.7.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling genereerd per dag 30 mvt licht verkeer en per jaar 52 mvt middelzwaar verkeer afgerond 32 mvt/etmaal. Worst-case wordt uitgegaan dat 0,2% van het gegenereerde verkeer zwaar is. In de NIBM-tool (versie 23-042022) is – 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,02 µg/m³ en van fijnstof van 0,0 µg/m³ (tabel 4.3). Beide toenames zijn onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Tabel 4.3 NIBM-tool resultaten
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Gorslaan, ten noorden van het projectgebied. Uit het CIMLK blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 14,0 µg/m³ voor NO2, 15,2 µg/m³ voor PM10 en 7,6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. 4.7.3 Conclusie De luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied ligt onder de grenswaarden. Er is daarom sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied.
4.8
Bedrijven en milieuhinder
4.8.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.
38/44
4.8.2 Onderzoek en conclusie In de beoogde situatie wordt een camperpark gerealiseerd. Hiermee wordt een (potentiële) milieuhinderlijke functie opgericht. De omgeving van het projectgebied kan getypeerd worden als een rustige woonwijk. Een kampeerterrein valt in milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter in een rustige woonwijk. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op een afstand van circa 68 meter van en tot de bestemmingsgrens (zie figuur 4.4). Er wordt voldaan aan deze afstand.
Figuur 4.4 afstand tot dichtstbijzijnde milieugevoelige functie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij
39/44
gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. 4.9.2 Onderzoek Uit de informatie op de openbare risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, blijkt dat er in de omgeving van het projectgebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, water, weg of door buisleidingen plaatsvindt. In het projectgebied wordt een gastank met een inhoud van 1,5 m3 mogelijk gemaakt. Uit het Activiteitenbesluit volgt dat de veiligheidsafstand 20 meter is van een tank met een inhoud kleiner dan 5 m3 en die meer dan 5 keer per jaar wordt bevoorraad. Deze afstand heeft betrekking op buiten de inrichting gelegen (beperkt) kwetsbare objecten. Deze zijn op meer dan 20 meter gelegen. 4.9.3 Conclusie Er wordt voldaan aan het beleid en normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de goede ruimtelijke ordening niet in de weg.
4.10 Kabels en leidingen 4.10.1 Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.10.2 Onderzoek en conclusie Naast de rioolleiding die is aangegeven door middel van de aanduiding in het vigerende bestemmingsplan (zie paragraaf 2.2) zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het projectgebied hoeft geen rekening te worden gehouden. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
4.11 Vormvrije m.e.r.- beoordeling 4.11.1 Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp- vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplanmoet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of een MER wel of niet nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij de ruimtelijke motivering opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient Voorafgaand aan het te nemen ontwerp besluit op basis van een m.e.r. aanmeldnotitie een besluit genomen te worden dat geen m.e.r. procedure noodzakelijk is.
40/44
4.11.1 Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een permanente kampeeren caravanterrein m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op '100 plaatsen of meer’ (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D10). De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 63 camperplaatsen. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.beoordeling' noodzakelijk is. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Voorafgaand aan het te nemen ontwerp besluit dient op basis van een m.e.r. aanmeldnotitie een besluit genomen te worden dat geen m.e.r. procedure noodzakelijk is.
41/44
5. UITVOERBAARHEID 5.1 5.1.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie
Informatiebrief 27 februari 2023 Met een brief heeft de initiatiefnemer de omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd over het nog te ontwikkelen ‘Camperpark Hellevoetsluis’ nabij de Heliushaven. De brief stelt de bewoners en belanghebbenden in een vroeg stadium in de gelegenheid te vragen, mening en/of ideeën te delen. In de brief is kort ingegaan op de volgende punten: • Locatie • Proces • Het camperpark • Natuurlijke uitstraling • Projectpagina www.camperparkhellevoetsluis.nl Reacties Een groot aantal mensen heeft van de mogelijkheid gebruik gemaakt te reageren op de voorgenomen plannen. Het overzicht van de binnengekomen reacties en de antwoorden hierop zijn gepubliceerd op de projectwebsite en als bijlage bij de vergunningaanvraag gevoegd. Ook is er een verzendlijst samengesteld van emailadressen van bewoners en geïnteresseerden. Per e-mail worden deze mensen regelmatig op de hoogte gesteld van de status van het project. Inloopavond Op 21 september 2023 organiseerde initiatiefnemer Camping ’t Weergors een inloopavond over het camperpark. De uitnodiging (zie bijlage) is onder ruim 100 huishoudens in de buurt plus een aantal verenigingen en bedrijven verspreid. Het doel van de avond in Restaurant ’t Havenhoofd was om de aanpassingen in het plan te laten zien die naar aanleiding van suggesties van omwonenden en andere belanghebbenden zijn gedaan.
Tijdens de inloopavond was er ruimte voor vragen, opmerkingen en dialoog. Onderwerpen zoals verkeer, natuur, proces en inrichting kwamen aan diverse praat-tafels aan bod. De initiatiefnemer was aanwezig. Daarnaast waren ook de gemeente Voorne aan Zee, het Toeristisch Ondernemers Platform Voorne-Putten en de Nederlandse Camperclub NKC aanwezig om mee in gesprek te gaan. Van tevoren hebben zich 41 personen aangemeld. Onze inschatting is dat er tussen de 40 en 50 mensen aanwezig zijn geweest op de inloopavond. Mensen gaven in de gesprekken vaak ook weer of ze voor of tegen het plan zijn. Er waren zowel voorstanders, tegenstanders en ‘neutrale’ mensen aanwezig.
Aan de tafelgesprekken zijn diverse onderwerpen aan bod gekomen zoals: • de locatiekeuze voor het beoogde camperpark: waarom niet op eigen uitbreidingsterrein aan de Haringvlietweg? • de entree van de camping: komt er aan de Haringvlietweg ook een inrit? • geluid: geluid vanaf de weg, en het fiets- en wandelpad draagt ver de wijk in en daar hebben bewoners last van • verwachte vermindering van de waarde van het huis • verwacht negatief effect op de natuur, het perceel wordt gezien als een belangrijke buffer in het natuurnetwerk • alternatieve inrichting: maak er natuur van met toegang voor alle Hellevoeters, eventueel met een uitkijktoren • verkeerssituatie en snelheidsovertredingen op dit moment aan de Zoomweg/Nieuwe Zeedijk vraagt aandacht • andere initiatiefnemers die bekend zijn, hadden o.a. interesse om het terrein in te richten voor huisvesting van spoedzoekers • de beantwoording van de reacties en de onafhankelijkheid van het bureau dat de Ruimtelijk Onderbouwing uitvoert • de flora en fauna die zich op het perceel bevindt
42/44
• • •
zorgen over de fietsveiligheid bij de entree van het camperpark zorgen over de overlast die honden van camperbezitters met zich meebrengen (honden jagen de dieren weg) toelichting waarom entree niet aan de Heliushaven kant (de hoek om)
Over de laatste twee punten is met de betreffende omwonenden afgesproken achteraf een nadere toelichting te geven: Overlast honden Om overlast van honden op het camperpark en in het natuurgebied te voorkomen, kunnen we een aantal maatregelen treffen zoals: • communiceren over gewenst en niet gewenst uitlaatgedrag via automatische e-mails, gedragsregels en verwijzingen3het aantal honden per camperbezitter beperken • een deel van het camperpark ‘hondenvrij’ aanwijzen Toelichting waarom de entree niet aan de Heliushaven zijde De voornaamste reden om niet voor deze optie te kiezen, was dat de aanrijweg een stuk smaller is dan de optie waar nu voor gekozen is. Dit kan mogelijk hinderlijk zijn voor tegemoetkomend verkeer van en naar de Heliushaven en kan ervoor zorgen dat de bermen beschadigd raken. Daarnaast is de weg Heliushaven voor een groot deel (vanaf het hekwerk) eigendom van de watersportverenigingen. Er was een aantal omwonenden dat een verhaal had voorbereid, met de bedoeling deze in een plenaire setting te presenteren. De avond bood daar geen gelegenheid voor en deze mogelijkheid was ook niet in de uitnodiging vermeld. De betreffende mensen hebben we uitgelegd dat we juist iedereen de gelegenheid wilden geven om één op één in gesprek te gaan over de plannen. Er was lokale pers aanwezig op de avond.
Op Groot Hellevoet is een verslag geplaatst, zie https://www.groothellevoet.nl/nieuws/algemeen/184865/inloopavond-over-de-plannen-van-het-camperpark. Er zijn ook foto’s gemaakt door de lokale pers. Op verzoek van een omwonende zijn er geen foto’s gepubliceerd. 5.1.2 Vooroverleg De concept-omgevingsvergunningaanvraag is toegezonden aan de vooroverlegpartners in het kader van het wettelijke vooroverleg. De binnengekomen vooroverlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota vooroverleg, deze nota is opgenomen bij de vergunningaanvraag. De nota bevat tevens een hoofdstuk waarin is aangegeven op welke punten de stukken zijn aangepast naar aanleiding van de binnengekomen vooroverleg reacties en de ambtshalve reacties. 5.1.3 Zienswijzen De ontwerp omgevingsvergunning inclusief ruimtelijke onderbouwing wordt zes weken voor eenieder ter inzage gelegd. In deze periode kan eenieder, waaronder omwonenden en andere belanghebbenden een zienswijze indienen omtrent het plan.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
De ontwikkeling betreft een aangewezen bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro. Dit betekent dat de kosten van gemeentewege dienen te worden verhaald. Dit kan ofwel via een exploitatieplan ofwel via een anterieure overeenkomst. Voor de ontwikkeling sluit de gemeente met de initiatiefnemer een privaatrechtelijke overeenkomst waarin de (financiële) afspraken over het project zijn vastgelegd. Deze overeenkomst is aangemerkt als anterieure overeenkomst artikel 6.24 Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast is er tevens een planschaderisico-overeenkomst getekend. Uit het bovenstaande blijkt dat de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling gewaarborgd is.
43/44
6. CONCLUSIE Het planologisch mogelijk maken van een camperpark met 63 camperplaatsen en bijbehorende voorzieningen waaronder een sanitair gebouw, beheerders-chalet, nutsvoorzieningen waaronder een gastank en een servicestraat aan de Heliushaven te Hellevoetsluis past binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. De diverse omgevingsaspecten leveren geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plan is economisch uitvoerbaar en het kostenverhaal is afgedekt door de initiatiefnemer. Het gemeentebestuur heeft de ruimtelijke relevante belangen in de omgeving betrokken in haar afweging. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het projectvoornemen voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening.
44/44
ONTWERPTEKENING 18 APRIL 2024
LEGENDA
BOSPLANTSOEN
Camperpark Hellevoetsluis B.V.
GRAS, CAMPERPLAATS GRAS, OVERIG VERHARD, RIJSTROOK VERHARD, OVERIG HALFVERHARD
a
WATERAFVOER
1
STRUWEEL DROGE BERGING
8
2
f
BEBOUWING
a
f
3 4
h
105 m
I
STANDPLAATSEN: 63 STUKS I: reguliere plaatsen 56 stuks, grootte 80-90 m2 II: avontuurlijke plaatsen 4 stuks, ‘vrije’ standplaats met bomen/houtstammen III: xxl-formaat 2 stuks, halfverharding i.v.m. stabiliteit: grootte 90 m2 IV: invalidenplaats 1 stuk, halfverhard of verhard t.b.v. rolstoelgebruik: 85 m2 ONTSLUITING EN VOORZIENINGEN 1. entree , toegang: 2 rijbanen, totale breedte verharding 6,5 m; 1 m brede bermstrook 2. terrein met incheck, nutsvoorzieningen (o.a. gastank) 3. opstelplaatsen: 3 stuks, 3 x 10 m1 per stuk 4. verkeerseiland met in-uitrijvoorziening en verlichtingspaal 5. servicestraat met was-/afvalvoorzieningen: 215 m2, 10 m breedte 6. parkeerplaats en fietsenstalling, halfverharding: 330 m2 7. sanitair, gebouw: 40 m2 en beheerders-chalet, 70 m2; terrein 160 m2 8. voetpad, halfverhard 9. noodingang, brandweer, afgesloten met hekwerk: 5 m breedte,max 1 m hoogte. TERREININRICHTING, GROEN EN LANDSCHAP a. bosplantsoenstrook, hoogte min. 2 m, breedte 7 m1, gebiedseigen beplanting: 6-8 plantrijen b. natuurverbindingsstrook met meidoornstruweel, langgras, zoomvegetatie, breedte: 1,5-6 m1 c. afschermende meidoornhaag, 1,8-2,0 m hoog, afscherming gaashekwerk en haventerrein d. natuurgras met natuurlijke speelplek (keien/boomstammen), waterafvoer naar haventerrein e. droge berging, tevens speelaangelegenheid/zitplek f.
zitplekken/recreatieplek, halfverhard pad: 4 locaties 9. boomaanplant en scheidingshagen, 1,2 m hoog; inheemse/gebiedseigen beplantingssoorten h. struweelstrook, gevarieerd met bomen/zoomvegetatie, inheems met hoogte min, 1.2 m
9
e I
f
I
f
g 5 6 II
f g
g
e
g
7
I IV
56 m
g h
c
7
I
III
7 f
b I
d e
b
b Schaal 1: 500 (op A3-formaat)
166 m
b
CAMPERPARK HELIUSHAVEN Voortoets Natura 2000 april 2024
DATUM PROJECT PROJECTLEIDER
april 2024 ir. R. Sips
OPDRACHTGEVER Camping ‘t Weergors PROJECTNUMMER 20220735 AUTEUR
ir. H.G. van der Aa
INHOUD 1.
2.
3.
Inleiding
4
1.1 1.2
4 4
Aanleiding en doel Leeswijzer
Juridisch kader
5
2.1 2.2 2.3
Vogel- en Habitatrichtlijn Wet natuurbescherming Spoedwet aanpak stikstof
5 5 7
Effectbeschrijving en -beoordeling
8
3.1 3.2
Het plan Instandhoudingsdoelen Haringvliet 3.2.1 Aanwezigheid kwalificerende soorten
8 9 10
3.3 3.4 3.5
Effectenindicator Afbakening mogelijke effecten Effecten in de aanlegfase 3.5.1 Verzuring/vermesting 3.5.2 Verstoring door geluid 3.5.3 Verstoring door licht 3.5.4 Optische verstoring
11 11 12 12 13 14 15
3.6
Effecten in de gebruiksfase 3.6.1 Verzuring/vermesting 3.6.2 Geluid 3.6.3 Verstoring door licht 3.6.4 Optische verstoring
15 15 16 17 17
3.7 3.8
Cumulatie Conclusies
17 17
Bronnen AERIUS-berekening aanleg- + gebruiksfase 2024
18 18
Bijlage 1 Bijlage 2
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding en doel
Het braakliggende terrein aan de Heliushaven zal worden ontwikkeld tot een camperpark met een capaciteit van 63 plaatsen. Het projectgebied ligt op 21 meter afstand van het Natura 2000-gebied Haringvliet, zoals in figuur 1.1 weergegeven. Vanwege deze ligging buiten Natura 2000 zijn effecten als areaalverlies, versnippering etc. op voorhand geheel uit te sluiten. Dit geldt mogelijk niet voor effecten als verstoring door geluid en licht en vermesting en verzuring als gevolg van extra stikstofdepositie. In de voorliggende voortoets worden deze potentiële effecten daarom nader onderzocht.
Figuur 1.1 Ligging projectgebied (rood) t.o.v. Natura 2000 (groen)
1.2
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 gaat in op het juridisch kader. In hoofdstuk 3 is de ecologische effectbeschrijving en -beoordeling opgenomen.
2. JURIDISCH KADER 2.1
Vogel- en Habitatrichtlijn
Op Europees niveau bestaan twee richtlijnen die bepalend zijn voor het natuurbeleid in de verschillende lidstaten: de Vogelrichtlijn1) en de Habitatrichtlijn2). De Vogelrichtlijn is opgesteld in 1979 en heeft als doelstellingen: - beschermen van alle in het wild levende vogels en hun leefgebieden; extra bescherming trekvogels en bedreigde vogelsoorten door aanwijzing Speciale Beschermingszones (SBZ's); - opstellen beheersmaatregelen om de SBZ's in gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen (instandhoudingsdoelen); - passende beoordeling van gevolgen van plannen of projecten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen. De Habitatrichtlijn is in 1992 opgesteld ter bevordering van de biodiversiteit in Europa. De doelstellingen van de Habitatrichtlijn luiden: - bescherming biodiversiteit door Speciale Beschermingszones (SBZ's) aan te wijzen voor bedreigde planten en dieren (behalve vogels) en hun leefgebieden; - opstellen beheersmaatregelen om de SBZ's in gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen (instandhoudingsdoelen); - passende beoordeling van gevolgen van plannen of projecten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen.
2.2
Wet natuurbescherming
In Nederland hebben diverse natuurgebieden een beschermde status onder de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Daarbij zijn twee soorten beschermingen te onderscheiden: Natura 2000-gebieden; Bijzondere nationale natuurgebieden. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Natuurnetwerk. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen. Wettelijk kader De Wnb: - verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; - vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; - legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies.
Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen. - De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.
1) Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand. 2) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
-
-
Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft.
In artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb is de habitattoets voor het vaststellen van een bestemmingsplan neergelegd. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb luidt als volgt: Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. Artikel 2.8 van de Wnb luidt als volgt: 1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. 2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project. 3.
Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. 4. In afwijking van het derde lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, onderscheidenlijk de vergunning worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. 5. Ingeval het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel b, de voorwaarde dat het plan, onderscheidenlijk het project nodig is vanwege: a.
argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of b. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie. 6. Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door de Minister gevraagd. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk gedeputeerde staten doen daartoe een verzoek aan de Minister. 7. Compenserende maatregelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, maken onderdeel uit van het plan, onderscheidenlijk de verplichting om deze maatregelen te treffen maakt onderdeel uit van de vergunning voor het project, bedoeld in het eerste lid. Het bestuursorgaan dat het plan vaststelt meldt, onderscheidenlijk gedeputeerde staten melden de compenserende maatregelen aan Onze Minister, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt. 8. Ingeval een compenserende maatregel voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied, draagt Onze Minister ervoor zorg dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied, of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden.
Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden.3) Voor de inschatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd. Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt.4) In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000-gebieden nader onderzocht. Vervolgens kan een bestemmingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast.
2.3
Spoedwet aanpak stikstof
Op 1 januari 2020 is de Spoedwet aanpak stikstof aangenomen. De Spoedwet bevat instrumenten om vergunningverlening voor (specifieke) projecten makkelijker te maken. Momenteel geldt het volgende kader: - op basis van de Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor projecten die mogelijk een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied. Uitzondering hierop zijn projecten waarbij kan worden uitgesloten dat significante negatieve effecten optreden: hiervoor vervalt als gevolg van de spoedwet de vergunningsplicht. Indien een hoogste bijdrage van niet meer dan 0,0049 mol/ha/jaar berekend wordt kan worden uitgesloten dat er significant negatieve effecten optreden; - indien een vergunning is vereist omdat niet kan worden uitgesloten dat mogelijke significante effecten optreden, dient tevens een passende beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante negatieve effecten aan de orde zijn. In een passende beoordeling mogen tevens mitigerende maatregelen betrokken worden. Indien geen significante effecten aanwezig zijn, dan kan een vergunning verkregen worden; - indien uit de passende beoordeling blijkt dat significante effecten niet zijn uit te sluiten, dan is een vergunning enkel mogelijk met het doorlopen van een ADC-toets.
Hier moet worden aangetoond dat er geen (A)lternatieven zijn, het project in het kader van een (D)wingende reden van groot openbaar belang is en dient (C)ompensatie plaats te vinden.
3) Art. 2.8, tweede lid, van de Wnb. 4) ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421.
3. EFFECTBESCHRIJVING EN -BEOORDELING
3.1 Het plan Figuur 3.1 laat de beoogde inrichting van het plangebied zien. De figuur is tevens in hogere kwaliteit opgenomen bij de vergunningaanvraag.
Figuur 3.1 Beoogde inrichting (17 april2024)
3.2 Instandhoudingsdoelen Haringvliet Voor dit Natura 2000-gebied gelden de volgende instandhoudingsdoelen; Tabel 3.1. Instandhoudingsdoelen Haringvliet (bron: Haringvliet: Doelstelling | natura 2000) doelst. Habitattypen opp.vl. H3270 - Slikkige rivieroevers > H6430B - Ruigten en zomen harig wilgenroosje > H91E0A* - Vochtige alluviale bossen zachthoutooibossen = Habitatrichtlijnsoorten popula- doelst. tie opp.vl. H1095 - Zeeprik > = H1099 - Rivierprik > = H1102 - Elft > = H1103 - Fint > = H1106 - Zalm > = H1163 - Rivierdonderpad = = H1337 - Bever = = H1340* - Noordse woelmuis > > broed- doelst. Broedvogels paren opp.vl. A081 - Bruine kiekendief 20 = A132 - Kluut 2000* = A137 - Bontbekplevier 105 = A138 - Strandplevier 220* = A176 - Zwartkopmeeuw 400* = A191 - Grote stern 6200* = A193 - Visdief 6500* = A195 - Dwergstern 300* = A272 - Blauwborst 410 = A295 - Rietzanger 420 = Niet-broedvogels populatie functie doelst. opp.vl.
A005 - Fuut 160 Foerageergebied = A017 - Aalscholver 240 Slaap- en rustplaats en foerageergebied = A026 - Kleine zilverreiger 3 Slaap- en rustplaats en foerageergebied = A034 - Lepelaar 160 Foerageergebied = A037 - Kleine zwaan behoud Slaap- en rustplaats en foerageergebied = A041 - Kolgans 400 Slaap- en rustplaats en foerageergebied = A042 - Dwerggans 20 Slaap- en rustplaats en foerageergebied = A043 - Grauwe gans 6600 Slaap- en rustplaats en foerageergebied = A045 - Brandgans 14800 Slaap- en rustplaats en foerageergebied = A048 - Bergeend 820 Foerageergebied = A050 - Smient 8900 Slaap- en rustplaats en foerageergebied = A051 - Krakeend 860 Foerageergebied = A052 - Wintertaling 770 Foerageergebied = A053 - Wilde eend 6100 Foerageergebied = A054 - Pijlstaart 30 Foerageergebied =