CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

ontheffing ODH natuurtoets

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Windproject Brielse Brug9.329 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bezoekadres Zuid-Hollandplein 1 2596 AW Den Haag

Zaaknummer Ons Kenmerk Datum

: : :

Postadres Postbus 14060 2501 GB Den Haag (070) 21 899 02 vergunningen@odh.nl www.odh.nl

01042280 ODH837734 18-07-2024

Beschikking Wet natuurbescherming - Soortenbescherming Onderwerp Op 7 juli 2022 hebben wij een aanvraag om ontheffing geregistreerd als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, en artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. De aanvraag betreft de exploitatie van twee windturbines, bekend als ‘Windproject Brielse Brug’ en het niet kunnen uitsluiten van aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen en vogels in de exploitatiefase van deze windturbines. De ontheffing is aangevraagd namens Windproject Brielse Brug B.V. De twee windturbines worden gerealiseerd in de Nieuwe Ondernemingspolder aan weerszijden van de N57, ten oosten van Brielle. Ontheffing wordt gevraagd voor het overtreden van de verbodsbepalingen zoals genoemd in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het opzettelijk doden van 124 trekkende en/of lokaal voorkomende vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Het betreft de volgende vogelsoorten: Aalscholver Beflijster Bergeend Blauwborst Blauwe reiger Boerenzwaluw Bontbekplevier Bonte strandloper Bonte vliegenvanger Boomleeuwerik Boompieper Bosrietzanger Braamsluiper Brandgans Bruine kiekendief Drieteenstrandloper Drieteenmeeuw Dwergmeeuw Eidereend Fitis Fuut Gekraagde roodstaart Gele kwikstaart Gierzwaluw Goudhaan Goudplevier Grasmus Graspieper Grauwe gans Grauwe vliegenvanger

Phalacrocorax carbo Turdus torquatus Tadorna tadorna Luscinia svecica Ardea cinerea Hirundo rustica Charadrius hiaticula Calidris alpina Ficedula hypoleuca Lullula arborea Anthus trivialis Acrocephalus palustris Sylvia curruca Branta leucopsis Circus aeruginosus Calidris alba Rissa tridactyla Hydrocoloeus minutus Somateria mollissima Phylloscopus trochilus Podiceps cristatus Phoenicurus phoenicurus Motacilla flava Apus apus Regulus regulus Pluvialis apricaria Sylvia communis Anthus pratensis Anser anser Muscicapa striata

Merel Middelste zaagbek Nachtegaal Noordse kwikstaart Noordse stern Oeverloper Oeverpieper Oeverzwaluw Paapje Pijlstaart Pimpelmees Putter Regenwulp Rietgors Rietzanger Ringmus Roodborst Roodborsttapuit Roodkeelduiker Rosse grutto Rotgans Scholekster Sijs Slobeend Smient Sneeuwgors Sperwer Spotvogel Spreeuw Sprinkhaanzanger

Turdus merula Mergus serrator Luscinia megarhynchos Motacilla flava Sterna paradisaea Actitis hypoleucos Anthus petrosus Riparia riparia Saxicola rubetra Anas acuta Cyanistes caeruleus Carduelis carduelis Numenius phaeopus Emberiza schoeniclus Acrocephalus schoenobaenus Passer montanus Erithacus rubecula Saxicola rubicola Gavia stellata Limosa lapponica Branta bernicla Haematopus ostralegus Carduelis spinus Anas clypeata Anas penelope Plectrophenax nivalis Accipiter nisus Hippolais icterina Sturnus vulgaris Locustella naevia

Groenling Groenpootruiter Grote barmsijs Grote gele kwikstaart Grote lijster Grote mantelmeeuw Grote zee-eend Grutto Heggemus Houtduif Houtsnip Huiszwaluw Jan-van-gent Kanoet Kauw Keep Kemphaan Kievit Kleine karekiet Kleine mantelmeeuw Kleine rietgans Kluut Kneu Koekoek Kokmeeuw Kolgans Koolmees Koperwiek Krakeend Kramsvogel Kruisbek Lepelaar Meerkoet

Carduelis chloris Tringa nebularia Acanthis flammea Motacilla cinerea Turdus viscivorus Larus marinus Melanitta fusca Limosa limosa Prunella modularis Columba palumbus Scolopax rusticola Delichon urbica Morus bassanus Calidris canutus Coloeus monedula Fringilla montifringilla Calidris pugnax Vanellus vanellus Acrocephalus scirpaceus Larus fuscus Anser brachyrhynchus Recurvirostra avosetta Carduelis cannabina Cuculus canorus Larus ridibundus Anser albifrons Parus major Turdus iliacus Mareca strepera Turdus pilaris Loxia curvirostra Platalea leucorodia Fulica atra

Steenloper Stormmeeuw Tapuit Tjiftjaf Toendrarietgans Topper Torenvalk Tuinfluiter Tureluur Veldleeuwerik Vink Vuurgoudhaan Waterhoen Waterpieper Waterral Watersnip Wilde eend Winterkoning Wintertaling Witgat Witte kwikstaart Wulp Zanglijster Zilvermeeuw Zilverplevier Zwarte kraai Zwarte ruiter Zwarte stern Zwarte zee-eend Zwartkop Zwartkopmeeuw

Arenaria interpres Larus canus Oenanthe oenanthe Phylloscopus collybita Anser serrirostris Aythya marila Falco tinnunculus Sylvia borin Tringa totanus Alauda arvensis Fringilla coelebs Regulus ignicapilla Gallinula chloropus Anthus spinoletta Rallus aquaticus Gallinago gallinago Anas platyrhynchos Troglodytes troglodytes Anas crecca Tringa ochropus Motacilla alba Numenius arquata Turdus philomelos Larus argentatus Pluvialis squatarola Corvus corone Tringa erythropus Chlidonias niger Melanitta nigra Sylvia atricapilla Larus michahellis

Tevens is ontheffing aangevraagd voor het overtreden van de verbodsbepalingen zoals genoemd in artikel 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het opzettelijk doden van de volgende vier vleermuissoorten: Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii); Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); Rosse vleermuis (Nyctalus noctula); Laatvlieger (Eptesicus serotinus). De ontheffing wordt aangevraagd voor de periode 1 januari 2025 tot en met datum 31 december 2050. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht in de Aanvullingswet natuur Omgevingswet is de Wet natuurbescherming nog van toepassing op deze procedure.

ODH837734

2 / 21

Besluit Wij besluiten: I.

de aangevraagde ontheffing te verlenen aan Windproject Brielse Brug B.V.;

II.

de in het vervolg van dit besluit opgenomen voorschriften te verbinden aan deze ontheffing;

III.

de aanvraag en de aangeleverde gegevens van 30 april 2024 en De Nota van Antwoord onderdeel te laten zijn van deze ontheffing;

IV.

dat deze ontheffing geldig is vanaf 1 januari 2025 tot en met datum 31 december 2055 (een periode van dertig jaar).

Ondertekening Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, voor dezen,

ing. L. Hopman Hoofd Toetsing & Vergunningverlening Milieu van de Omgevingsdienst Haaglanden

Rechtsmiddelen Op de voorbereiding en bekendmaking van dit besluit is op grond van het overgangsrecht in afdeling 4.1 van de Invoeringswet Omgevingswet de coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing. Vanwege deze coördinatieregeling geschiedt de kennisgeving van deze ontwerpbeschikking door de gemeente Voorne aan Zee. Voor de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden tegen deze beschikking verwijzen wij naar deze kennisgeving.

ODH837734

3 / 21

VOORSCHRIFTEN Algemene voorschriften 1

De ontheffinghouder dient: a. de start van de eerste aanlegwerkzaamheden uiterlijk één week van tevoren te melden; b. het ecologisch werkprotocol op te sturen bij de startmelding van de werkzaamheden; c. het beëindigen van de aanlegwerkzaamheden van de laatst te realiseren windturbine uiterlijk één week na het afronden daarvan te melden; d. de inbedrijfstelling (ingebruikname) van de windturbines uiterlijk één maand van tevoren te melden; e. de startdatum van het afbreken van de windturbines na exploitatiefase uiterlijk één week van tevoren te melden. Voorgaande meldingen dienen gericht te worden aan de Unit Groen Bodem en Opsporing van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, Postbus 550, 3300 AN te Dordrecht, telefoonnummer 078-7708585, e-mailadres meldingwnb@ozhz.nl onder vermelding van ‘flora en fauna’ en het bijbehorende zaaknummer: 01042280.

2

De windturbines dienen te voldoen aan de volgende specificaties welke bij de effectbeoordeling, ten aanzien van beschermde soorten, zijn gebruikt: Ashoogte: minimaal 130 meter, maximaal 160 meter; Rotordiameter: minimaal 140 meter, maximaal 164 meter; Tiphoogte: minimaal 215 meter, maximaal 230 meter; Tiplaagte: minimaal 51, maximaal 90 meter.

3

De windturbines dienen binnen de projectlocatie op de locaties te worden geplaatst zoals die in de aanvraag is getoetst. Dit betreft de Rijksdriehoekscoördinaten (x- en y-coördinaten) opgenomen in de tabel hieronder. Binnen de projectlocatie mag hiervan eventueel worden afgeweken, mits vooraf duidelijk wordt aangetoond dat dit niet leidt tot andere effecten dan reeds op basis van onderhavige aanvraag is vastgesteld en na goedkeuring hiervan door Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (zie voorschrift 1).

4

Windturbine

X-coördinaat

Y-coördinaat

Windturbine 1 (WT01)

73.026

434.800

Windturbine 2 (WT02)

73.379

434.586

De ontheffinghouder is ervoor verantwoordelijk dat zijn personeel of derden welke betrokken zijn bij de uitvoering van het project, op de hoogte zijn van de voorschriften in deze ontheffing en de maatregelen die zijn opgenomen in de ‘Toelichting en activiteitenplan ontheffing beschermde soorten Wnb Windproject Brielse Brug’ van 7 juli 2022. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld en tijd en op de locatie aanwezig te zijn. In het ecologisch werkprotocol dient in ieder geval het volgende te worden opgenomen: - de voorwaarden zoals opgenomen in deze ontheffing; - aanduiding van de locatie van het projectgebied met exacte locaties van de windturbines; - de uit te voeren werkzaamheden; - de periode waarin de aanlegwerkzaamheden uitgevoerd worden; - de voorgestelde maatregelen; - het bijhouden van een logboek van de ecologische begeleiding.

ODH837734

4 / 21

Specifieke voorschriften 5

Tijdens het uitvoeren van werkzaamheden tijdens de schemering of in het donker, of wanneer opslagplaatsen ’s avonds verlicht worden, dient lichtuitstraling naar de omgeving voorkomen te worden in de actieve periode van vleermuizen die loopt van 1 april tot en met 15 oktober.

6

De werkzaamheden dienen bij voorkeur plaats te vinden buiten het broedseizoen. Deze loopt grofweg van 15 maart tot en met 15 juli, dit ter beoordeling aan een ecologisch deskundige 1. a. Wanneer dit niet (geheel) mogelijk blijkt dient voorafgaand een broedvogelcontrole gedaan door de ecologisch deskundige. Van deze controle dient verslag gedaan te worden in het ecologisch werkprotocol (voorschrift 2). b. Indien er een broedgeval wordt aangetroffen, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het broedgeval is afgerond, of dienen er maatregelen getroffen te worden om verstoring van het broedgeval te voorkomen.

7

De werkzaamheden opgenomen in de voorschriften 4, 5 en 6 zien op de werkzaamheden die uitgevoerd worden in de aanleg- en afbreekfase van het windpark. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op de exploitatiefase (operationele periode) van het windpark.

8

Ter reductie van het aantal vleermuisslachtoffers dient een stilstandsvoorziening te worden toegepast voor de gehele operationele periode van het windpark, waarbij de draaisnelheid van de rotoren van de windturbines dient te worden beperkt tot een draaisnelheid ≤ 1 ronde per minuut. Die stilstandvoorziening dient te worden toegepast in de periode 15 juli tot en met 15 oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst, indien er sprake is van de combinatie van elk van de volgende omstandigheden: - bij temperatuur van 10 graden Celsius of hoger; - bij droog weer (minder dan 1mm neerslag per uur); - bij een windsnelheid lager dan 6 m/s (op ashoogte).

9

In afwijking op het gestelde in voorschrift 8, is het toegestaan om in plaats van de omschreven stilstandsvoorziening een andere maatregel toe te passen, indien daarmee aantoonbaar betere of vergelijkbare resultaten kunnen worden behaald ten aanzien van het reduceren van mogelijke vleermuisslachtoffers. Hiervoor dient tijdig, vóór het in gebruik mogen nemen van deze maatregel, aan Omgevingsdienst ZuidHolland Zuid (zie voorschrift 1), een beschrijving en motivatie ter goedkeuring te worden overlegd.

11

Onder een deskundige wordt verstaan: Een ecologisch deskundige is iemand die ecologisch advies geeft of werkzaamheden begeleidt op het gebied van leefgebieden en/of (beschermde) soorten. Hij of zij heeft schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis, voortkomend uit of vergelijkbaar met, een afgeronde mbo-, hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt Nederlandse ecologie. De ecologisch deskundige heeft voldoende kennis en jarenlange ervaring om ecologisch onderzoek uit te kunnen voeren en advies te kunnen geven. Hij of zij: - (her)kent de functionaliteit van leefgebieden van (beschermde) soorten; - heeft kennis van de algemeen erkende onderzoeks- en monitoringsmethoden; - kan resultaten onderbouwd rapporteren en ecologische werkprotocollen uitwerken; - kan aanvragen opstellen of daarbij ondersteunen; - kan anticiperen op en heeft voortschrijdend inzicht in het uitvoeren van ecologisch werk in de praktijk (inclusief vrijstellingen en gedragscodes); - kan specifieke ecologische maatregelen toepassen en begeleiden; - zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam bij Nederlandse natuurorganisaties, (semi)overheidsinstanties en/of een ecologisch adviesbureau dat bij voorkeur is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus. ODH837734

5 / 21

10 Monitoring dient uitgevoerd te worden naar ‘grote vogels’ zoals beschreven in het Monitoringprotocol nieuwe windparken in Nederland2, dat onderdeel uitmaakt van het NIEWHOL3. De monitoring vindt in ieder geval gedurende de eerste drie jaar van de exploitatie van het windpark plaats. Na deze drie jaar vindt een evaluatie plaats, waarin wordt bepaald of er aanleiding is om aanvullende mitigerende maatregelen te nemen en/of om langer te monitoren. De resultaten van de monitoring dienen elk jaar uiterlijk drie maanden na afronding van de laatste zoekronde van het monitoringsjaar gedeeld te worden. De rapportage dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten: a een overzicht van de gevonden aantallen slachtoffers van de betrokken vogelsoorten, ook andere aanvaringsslachtoffers dan voorzien dienen in de rapportage te worden benoemd.

Indien er vleermuizen tijdens de monitoring gevonden worden, dienen deze ook in de rapportage benoemd te worden; b een extrapolatie van het aantal slachtoffers van deze soorten in verband met de vindkans; c een vergelijking van deze aantallen met de voorziene aantallen slachtoffers; d in elke vervolgrapportage dienen de bevindingen van de voorgaande jaren eveneens opgenomen te worden; e na drie jaar monitoring dient een uitgebreide rapportage opgesteld te worden, waarin onder andere de gemiddelde sterfte over deze drie jaren wordt beschouwd in relatie tot de voorziene sterfte van de betrokken soorten; f indien de gevonden aantallen slachtoffers niet overeenkomen met de voorziene aantal aanvaringsslachtoffers en/of er andere slachtoffersoorten zijn aangetroffen dan verwacht, dan dient dit in de rapportage beoordeeld te worden in het kader van de voorwaarden in deze ontheffing. Indien de monitoringsresultaten hiertoe aanleiding geven kunnen door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid aanvullende maatregelen worden opgelegd; g wanneer uit de monitoring geconcludeerd wordt dat er geen negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten optreden en er geen andere grote, onverwachte schommelingen in sterfte van bepaalde soorten aan de orde is, dan is verdere monitoring of het nemen van aanvullende maatregelen na deze drie jaar niet noodzakelijk.

AANWIJZINGEN VOOR GEBRUIK • Deze ontheffing is slechts van toepassing op de aangevraagde 124 vogelsoorten, de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de rosse vleermuis en de laatvlieger in de exploitatiefase van het windpark. Als blijkt dat er onverhoopt sprake is van overtreding van andere verbodsbepalingen of effecten op andere beschermde soorten dan opgenomen in dit besluit, dan dient een aanvullende omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. • Op alle van nature in het wild levende planten en dieren en hun leefgebied geldt de specifieke zorgplicht zoals opgenomen in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Gelet op deze specifieke zorgplicht dient inzicht verkregen te worden met betrekking tot de aanwezigheid van soorten op de locatie van de activiteit. Hierbij geldt dat objectief vastgesteld moet worden of soorten negatieve gevolgen ondervinden van de voorgenomen activiteit. Indien noodzakelijk moeten maatregelen getroffen worden om negatieve gevolgen zoveel als redelijkerwijs verwacht kan worden te voorkomen. Indien negatieve gevolgen redelijkerwijs niet te voorkomen zijn, dient de activiteit gestaakt te worden. • In het kader van de specifieke zorgplicht dient rekening gehouden te worden met broedgevallen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient te worden voorkomen.

Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.

2

Monitoringsprotocol nieuwe windparken in Nederland Monitoringsprotocol Wind op Land 2021 ODH837734 3

6 / 21

•

Deze ontheffing kan uitsluitend gebruikt worden door (medewerkers van) de ontheffinghouder of haar rechtsopvolgers of in opdracht van de ontheffinghouder handelende (rechts-)personen. De ontheffinghouder of haar rechtsopvolgers blijven daarbij verantwoordelijk en aansprakelijk voor de juiste naleving van deze ontheffing.

ODH837734

7 / 21

OVERWEGINGEN Aanleiding Op 7 juli 2022 hebben wij een aanvraag om ontheffing geregistreerd als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, en artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). De aanvraag betreft de exploitatie van twee windturbines, bekend onder ‘Windproject Brielse Brug’ en het niet kunnen uitsluiten van aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen en vogels in de exploitatiefase van deze windturbines. De ontheffing is aangevraagd namens Windproject Brielse Brug B.V. De twee windturbines worden gerealiseerd in de Nieuwe Ondernemingspolder aan weerszijden van de N57, ten oosten van Brielle. Ontheffing wordt gevraagd voor het overtreden van de verbodsbepalingen zoals genoemd in artikel 3.1, eerste lid, van de Wnb voor wat betreft het opzettelijk doden van 124 trekkende en/of lokaal voorkomende vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Het betreft de volgende vogelsoorten: Aalscholver Beflijster Bergeend Blauwborst Blauwe reiger Boerenzwaluw Bontbekplevier Bonte strandloper Bonte vliegenvanger Boomleeuwerik Boompieper Bosrietzanger Braamsluiper Brandgans Bruine kiekendief Drieteenstrandloper Drieteenmeeuw Dwergmeeuw Eidereend Fitis Fuut Gekraagde roodstaart Gele kwikstaart Gierzwaluw Goudhaan Goudplevier Grasmus Graspieper Grauwe gans Grauwe vliegenvanger Groenling Groenpootruiter Grote barmsijs Grote gele kwikstaart Grote lijster ODH837734

Phalacrocorax carbo Turdus torquatus Tadorna tadorna Luscinia svecica Ardea cinerea Hirundo rustica Charadrius hiaticula Calidris alpina Ficedula hypoleuca Lullula arborea Anthus trivialis Acrocephalus palustris Sylvia curruca Branta leucopsis Circus aeruginosus Calidris alba Rissa tridactyla Hydrocoloeus minutus Somateria mollissima Phylloscopus trochilus Podiceps cristatus Phoenicurus phoenicurus Motacilla flava Apus apus Regulus regulus Pluvialis apricaria Sylvia communis Anthus pratensis Anser anser Muscicapa striata Carduelis chloris Tringa nebularia Acanthis flammea Motacilla cinerea Turdus viscivorus

Merel Middelste zaagbek Nachtegaal Noordse kwikstaart Noordse stern Oeverloper Oeverpieper Oeverzwaluw Paapje Pijlstaart Pimpelmees Putter Regenwulp Rietgors Rietzanger Ringmus Roodborst Roodborsttapuit Roodkeelduiker Rosse grutto Rotgans Scholekster Sijs Slobeend Smient Sneeuwgors Sperwer Spotvogel Spreeuw Sprinkhaanzanger Steenloper Stormmeeuw Tapuit Tjiftjaf Toendrarietgans 8 / 21

Turdus merula Mergus serrator Luscinia megarhynchos Motacilla flava Sterna paradisaea Actitis hypoleucos Anthus petrosus Riparia riparia Saxicola rubetra Anas acuta Cyanistes caeruleus Carduelis carduelis Numenius phaeopus Emberiza schoeniclus Acrocephalus schoenobaenus Passer montanus Erithacus rubecula Saxicola rubicola Gavia stellata Limosa lapponica Branta bernicla Haematopus ostralegus Carduelis spinus Anas clypeata Anas penelope Plectrophenax nivalis Accipiter nisus Hippolais icterina Sturnus vulgaris Locustella naevia Arenaria interpres Larus canus Oenanthe oenanthe Phylloscopus collybita Anser serrirostris

Grote mantelmeeuw Grote zee-eend Grutto Heggemus Houtduif Houtsnip Huiszwaluw Jan-van-gent Kanoet Kauw Keep Kemphaan Kievit Kleine karekiet Kleine mantelmeeuw Kleine rietgans Kluut Kneu Koekoek Kokmeeuw Kolgans Koolmees Koperwiek Krakeend Kramsvogel Kruisbek Lepelaar Meerkoet

Larus marinus Melanitta fusca Limosa limosa Prunella modularis Columba palumbus Scolopax rusticola Delichon urbica Morus bassanus Calidris canutus Coloeus monedula Fringilla montifringilla Calidris pugnax Vanellus vanellus Acrocephalus scirpaceus Larus fuscus Anser brachyrhynchus Recurvirostra avosetta Carduelis cannabina Cuculus canorus Larus ridibundus Anser albifrons Parus major Turdus iliacus Mareca strepera Turdus pilaris Loxia curvirostra Platalea leucorodia Fulica atra

Topper Torenvalk Tuinfluiter Tureluur Veldleeuwerik Vink Vuurgoudhaan Waterhoen Waterpieper Waterral Watersnip Wilde eend Winterkoning Wintertaling Witgat Witte kwikstaart Wulp Zanglijster Zilvermeeuw Zilverplevier Zwarte kraai Zwarte ruiter Zwarte stern Zwarte zee-eend Zwartkop Zwartkopmeeuw

Aythya marila Falco tinnunculus Sylvia borin Tringa totanus Alauda arvensis Fringilla coelebs Regulus ignicapilla Gallinula chloropus Anthus spinoletta Rallus aquaticus Gallinago gallinago Anas platyrhynchos Troglodytes troglodytes Anas crecca Tringa ochropus Motacilla alba Numenius arquata Turdus philomelos Larus argentatus Pluvialis squatarola Corvus corone Tringa erythropus Chlidonias niger Melanitta nigra Sylvia atricapilla Larus michahellis

Tevens is ontheffing aangevraagd voor het overtreden van de verbodsbepalingen zoals genoemd in artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb voor wat betreft het opzettelijk doden van de volgende vier vleermuissoorten: Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii); Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); Rosse vleermuis (Nyctalus noctula); Laatvlieger (Eptesicus serotinus). De ontheffing wordt aangevraagd voor de periode 1 januari 2025 tot en met datum 31 december 2050. Bij de aanvraag behoren de volgende stukken: - Toelichting en activiteitenplan ontheffing beschermde soorten Wnb Windproject Brielse Brug, Pondera, Projectnummer: 720135 V1.0, 7 juli 2022 (hierna: Toelichting); - Natuurtoets windturbines Brielle, Bureau Waardenburg, rapportnummer 22-105, 30 juni 2022 (hierna: Natuurtoets). Op 30 april 2024 hebben wij de volgende memo ontvangen: Milieugevolgen wijzigingen tiphoogte windturbines Brielse Brug, Pondera, projectnummer: 720135, 22 november 2023 ( ODH1101501).

ODH837734

9 / 21

Procedure Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht in de Aanvullingswet natuur Omgevingswet is de Wnb nog van toepassing op deze procedure. Op de voorbereiding en bekendmaking van dit besluit is op grond van het overgangsrecht in afdeling 4.1 van de Invoeringswet Omgevingswet de coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing. Op grond van artikel 3.31, eerste en derde lid, van de Wro, is op de voorbereiding van dit besluit de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Gelet op artikel 3.30, tweede lid, van de Wro betreft dit de uitgebreide procedure zoals beschreven in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De publicatie wordt verzorgd door de gemeente Voorne aan Zee. Bevoegd gezag De activiteiten worden verricht binnen de provincie Zuid-Holland. Gelet op de bepalingen in artikel 1.3 van de Wnb zijn wij daarom het bevoegd gezag voor de beoordeling van de aanvraag. Zienswijzen De ontwerpbeschikking heeft ter inzage gelegen van vrijdag 19 januari 2024 tot en met donderdag 29 februari 2024 Er zijn 85 zienswijzen ontvangen, deels pro forma, waarvan er 77 ontvankelijk verklaard zijn. Van deze zienswijzen hadden er zeventien betrekking op de ontwerpbeschikking Wnb.

De reactie op de zienswijzen is gezamenlijk behandeld in de Nota van Antwoord. Daarin zijn ook de specifieke onderdelen geadresseerd welke betrekking (kunnen) hebben op de ontwerpontheffing Wnb. De Nota van Antwoord wordt door de gemeente Voorne aan Zee ter inzage gelegd tezamen de definitieve besluiten en maakt onderdeel uit van dit besluit. Reactie op ingebrachte zienswijzen en aanpassingen ten opzichte van de ontwerpbeschikking De ingediende zienswijzen leiden niet tot aanpassing van de ontwerpbeschikking. Enkele zienswijzen wijzen erop dat er in de omgeving soorten voorkomen, waarvoor geen ontheffing is aangevraagd. Naar geldend recht volgt een ontheffing(verleningsprocedure) echter de (ontheffing)aanvraag in de soortenselectie. De methode die gebruikt is om tot een selectie van soorten te komen die kans hebben om aanvaringslachtoffer te worden van het windpark is uiteengezet in Bijlage III Onderbouwing Wnb-ontheffing vogels van de Natuurtoets. Daarmee is aannemelijk gemaakt (door de aanvrager) waarom voor die soorten ontheffing is aangevraagd. Het is voor risico van de aanvrager wanneer te zijner tijd zou blijken dat een activiteit alsnog een overtreding (in de zin van de Wnb) oplevert ten aanzien van niet aangevraagde soorten.

De zienswijzen maken niet nu al aannemelijk dat van zo een overtreding sprake zal zijn, maar mocht daar te zijner tijd aanleiding voor zijn dan kan er door de toezichthouder (al dan niet naar aanleiding van een handhavingsverzoek) handhavend worden opgetreden. Ook wat dit betreft leiden deze zienswijzen niet tot aanpassing van de ontwerpbeschikking. We achten het in heroverweging noodzakelijk en redelijk om een monitoringsverplichting op te leggen. Zo kan zowel de nauwkeurigheid van de (met de Natuurtoets) overgelegde slachtofferberekeningen bewaakt worden, als de effectiviteit van de mitigerende maatregelen (de stilstandvoorziening) bewaakt worden. Ook maakt monitoring het mogelijk om zo spoedig mogelijk passende maatregelen te treffen indien de monitoringresultaten daartoe aanleiding geven. Het uitvoeren van monitoring komt daarnaast overeen met de bouwstenen voor het akkoord natuurinclusieve energietransitie wind en hoogspanning op land (NIEWHOL). In de voorschriften is monitoring opgenomen en onder voorgestelde maatregelen in het vervolg van dit besluit wordt hier verder op ingegaan. De aanvrager heeft na de publicatie van de ontwerpbeschikking aangegeven dat de eerder opgegeven bandbreedte van de afmetingen voor de windturbines zijn veranderd.

ODH837734

10 / 21

Definitieve beschikking

Ontwerpbeschikking

Eigenschap

Minimaal (m)

Maximaal (m)

Minimaal (m)

Maximaal (m)

Ashoogte

130

160

149

167

140 (70)

164 (82)

149 (74,5)

164 (82)

Tiphoogte

215

230

230

249

Tiplaagte

51

90

74,5

85

Rotordiameter (1/2 rotordiameter)

De aanvrager heeft laten toetsen of deze wijziging in bandbreedte leidt tot andere conclusies ten aanzien van de eerder ingeschatte aantallen aanvaringsslachtoffers en zoals door ons inhoudelijk beoordeeld in de ontwerpbeschikking. Dit is niet het geval, zie ook de Memo van 2 november 2023. Voorschrift 2 en de tabel met de afmetingen onder ‘Aanvraag’ zijn naar aanleiding hiervan aangepast. In dit besluit zijn tevens enkele tekstuele aanpassingen gedaan.

Toetsingskader en grondslag beschikking De aanvraag is getoetst aan de artikelen 3.1, 3.3, 3.5 en 3.8 van de Wnb en de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland. De 124 vogelsoorten waarvoor ontheffing is aangevraagd betreffen van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten welke zijn beschermd op grond van artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Wnb is het verboden om genoemde soorten opzettelijk te doden. Op grond van artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb wordt ontheffing slechts verleend indien: - er geen andere bevredigende oplossing bestaat; - de ontheffing nodig is omdat één van de belangen genoemd in artikel 3.3, vierde lid, aanhef onder b, van de Wnb aan de orde is; en - de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de soort. De vier vleermuissoorten waarop voorliggende ontheffing ziet, betreffen van nature in Nederland in het wild levende soorten genoemd in Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn. De ruige dwergvleermuis, de laatvlieger en de rosse vleermuis zijn tevens opgenomen in Bijlage II van het Verdrag van Bern. Op grond van artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb is het verboden om deze vleermuissoorten opzettelijk te doden.

Op grond van artikel 3.8, vijfde lid van de Wnb wordt een ontheffing slechts verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing bestaat; de ontheffing nodig is omdat een van de belangen genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wnb aan de orde is en; er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

ODH837734

11 / 21

Beoordeling Aanvraag Het project betreft de realisatie en exploitatie van twee windturbines in de gemeente Brielle en staat bekend als ‘Windpark Brielse Brug’. Het nieuwe windpark is gesitueerd in de Nieuwe Ondernemingspolder ten oosten van de Brielle. Er worden twee turbines gebouwd aan weerszijden van de N57 ten oosten van Brielle. Zie onderstaande tabel voor de Rijksdriehoekscoördinaten (X-Y coördinaten), de kadastrale gegevens en de Toelichting voor de ligging van het projectgebied op kaart.

X-coördinaat

Y-coördinaat

Kadastrale gemeente

Sectie

Nummer

Windturbine 1

73.026

434.800

Brielle

F

104

Windturbine 2

73.379

434.586

Brielle

F

1137

De activiteit heeft betrekking op de volgende werkzaamheden: I. de bouw/aanleg van de windturbine inclusief bijbehorende voorzieningen; II. de exploitatie van de windturbine; III. het verwijderen van de windturbine aan het einde van zijn levensduur. De exacte afmetingen van de te realiseren turbines zijn nog niet bekend. Voor de afmetingen is daarom een bandbreedte aangevraagd, opgenomen in de volgende tabel: Minimaal (m)

Maximaal (m)

Rotordiameter Ashoogte t.o.v. maaiveld

140 130

164 160

Tiphoogte

215

230

Tiplaagte

51

90

De ontheffing wordt aangevraagd ten behoeve van het opwekken van elektriciteit uit wind door middel van windturbines, concreet de exploitatie van de windturbine. De realisatie van de windturbines zal een periode van circa drie tot zes maanden beslaan. De voorbereidingen voor de bouw van de windturbines zullen naar verwachting starten eind 2023. De daadwerkelijke bouw van de windturbines vindt naar verwachting plaats in 2024 en de installatie wordt naar verwachting in bedrijf genomen in 2025. Er wordt van uitgegaan dat de windturbines een technische levensduur van 25 jaar hebben. Deze levensduur is te verlengen door het strategisch vervangen van relevante delen van de turbine, of en wanneer dit opportuun is, is op dit moment niet aan te geven. Gezien het voorgaande wordt de ontheffing voor een periode vanaf het moment van verlenen van de ontheffing tot minimaal 25 jaar na inbedrijfstelling van de windturbines gevraagd. Vanwege het feit dat de turbines mogelijk langer dan genoemde 25 jaar in gebruik kunnen blijven wordt een ontheffingsperiode van dertig jaar aangehouden vanaf het moment van verlening.

Overtreding verbodsbepalingen Bouwfase In de aanvraag is aangegeven dat overtredingen van Wnb-verbodsbepalingen alleen verwacht worden tijdens de exploitatiefase van de windturbines; door het treffen van maatregelen zouden overtreding van de Wnb tijdens de aanlegfase worden voorkomen. Wij achten echter aanscherping nodig van deze voorgestelde maatregelen voor de ODH837734

12 / 21

aanlegfase ter borging dat overtredingen inderdaad niet kunnen plaatsvinden. Onze overwegingen voor deze aanscherping zijn opgenomen onder het kopje ‘Voorgestelde maatregelen’ hierna. Met de aangescherpte werkwijze wordt overtreding tijdens de aanlegfase voorkomen, dit is geborgd in de voorschriften. Exploitatiefase In de exploitatiefase van de windturbines geldt dat er slachtoffers onder vogels en vleermuizen kunnen vallen als gevolg van een aanvaring met een draaiend rotorblad dan wel als gevolg van de aanwezigheid in de directe nabijheid van een draaiend rotorblad (voor vleermuizen: barotrauma). Hoewel een windturbine het opwekken van duurzame energie als doelstelling heeft en niet het doden van dieren, valt het voorzienbaar doden van beschermde vogel- en vleermuissoorten niet uit te sluiten. Dat kwalificeert als een vorm van ‘voorwaardelijk opzet’, in de zin van artikel 3.1, eerste lid, respectievelijk artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb. Om inzichtelijk te maken welke vogel- en vleermuissoorten mogelijk slachtoffer kunnen worden is inzicht nodig in het (lokaal) voorkomen, de talrijkheid, de vliegbewegingen en het vlieggedrag (aanvaringsrisico) van de diverse vogel- en vleermuissoorten. Daarnaast zijn de locatie en de afmetingen van de windturbines gebruikt in de effectbeoordeling.

Voor de effectbepaling is uitgegaan van het volgende scenario; namelijk een minimale ashoogte van 149 meter en een maximale rotordiameter van 164 meter. In de Natuurtoets zijn het aantal aanvaringslachtoffers onder vleermuizen en vogels en de specifieke soorten waaronder slachtoffers verwacht worden uitgebreid onderzocht en voldoende inzichtelijk gemaakt. In haar reactie op de ontwerpbeschikking heeft aanvrager nieuwe bandbreedtes voor de turbines doorgegeven. Hiervoor heeft aanvrager laten onderzoeken of deze wijzigingen invloed hebben op de eerder getrokken conclusies opgenomen in de Natuurtoets en een aanvullende memo ingediend. Uit een deskundigenoordeel en check met het Flux-Collision Model door het ecologisch adviesbureau volgt dat de gewijzigde tiplaagte niet leidt tot een toename van het aantal aanvaringsslachtoffers en wijziging van de soortensamenstelling van de aanvaringsslachtoffers. Het onderzoek is hiermee voldoende representatief ook met inachtneming van deze nieuwe bandbreedtes. Uit de Natuurtoets volgt, dat voor genoemde 124 vogelsoorten niet kan worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een mogelijk aanvaringsrisico ten gevolge van de exploitatie van de windturbines. Hetzelfde geldt voor de genoemde vier vleermuizensoorten. Afbreekfase In de aanvraag is opgenomen, dat de windturbines na de exploitatiefase zullen worden verwijderd van de locatie.

Er zijn echter geen maatregelen voorgesteld voor de afbreekfase. Gelet op overeenkomende aard van de werkzaamheden achten wij het redelijk de voorschriften die van toepassing zijn tijdens de aanlegfase tevens van toepassing te laten zijn op de afbreekfase van het windpark. Voorgestelde maatregelen Met betrekking tot de soorten waarvoor ontheffing is gevraagd, zijn in de Toelichting een aantal maatregelen voorgesteld. Wij achten deze in grote lijnen voldoende, op een aantal punten achten wij aanscherping nodig, waaronder de maatregelen ter voorkoming van overtredingen tijdens de aanleg- en afbreekfase en specificering van de stilstandvoorziening. Aanlegfase Tijdens de aanlegfase dienen de voorgestelde maatregelen, opgenomen in de Toelichting en zoals hieronder weergeven, uitgevoerd te worden. Deze maatregelen zijn op enkele punten aangescherpt, de aanscherpingen zijn hieronder vermeld en in de voorschriften opgenomen. wanneer er tijdens schemer of donker gewerkt wordt of wanneer opslagplaatsen ’s-avonds verlicht worden, wordt lichtuitstraling naar de omgeving voorkomen om verstoring op vleermuizen en vogels te voorkomen; om verstoring van broedende vogels in en om het projectgebied te voorkomen wordt buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart tot en met 15 juli) gewerkt. Indien dit niet mogelijk blijkt wordt voorafgaand een broedvogelcontrole gedaan.

In de voorschriften is opgenomen dat indien er een ODH837734

13 / 21

broedgeval wordt aangetroffen, de werkzaamheden uitgesteld dienen te worden totdat het broedgeval is afgerond, of dienen er maatregelen getroffen te worden om verstoring van het broedgeval te voorkomen. Exploitatiefase Om het aantal aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen te reduceren, wordt een stilstandvoorziening toegepast. De stilstandvoorziening dient te worden toegepast in de periode van 15 juli tot en met 15 oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst indien er sprake is van een combinatie van elk van de volgende omstandigheden: - bij temperatuur van 10 graden Celsius of hoger; - bij droog weer (minder dan 1mm neerslag per uur); - bij windsnelheid lager dan 6 m/s (op ashoogte). De inzet van deze maatregel achten wij afdoende en hebben wij geborgd in de voorschriften. Omdat de technologische ontwikkelingen op het gebied van onder meer vleermuisdetectiesystemen verdergaan, zijn er wellicht in de nabije toekomst betere maatregelen beschikbaar waarmee betere resultaten kunnen worden bereikt om vleermuisslachtoffers te voorkomen of te beperken. Om die reden hebben wij in voorschrift 8 opgenomen, dat een alternatieve maatregel toegepast mag worden na goedkeuring daarvan door Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en is een wijzigingsbesluit niet nodig om dergelijke betere maatregelen in te kunnen zetten. We achten het noodzakelijk en redelijk om monitoring op te leggen.

Zo kunnen zowel de nauwkeurigheid van de (met de Natuurtoets) overlegde slachtofferberekeningen bewaakt worden als de effectiviteit van de mitigerende maatregelen (de stilstandvoorziening). Ook maakt monitoring het mogelijk om zo spoedig mogelijk passende maatregelen te treffen indien de monitoringresultaten daartoe aanleiding geven. Ondanks het feit dat er onder trekvogels meer slachtoffers zijn verwacht, dient de monitoring plaats te vinden naar broedvogels, omdat hiermee zowel voor lokale vogelsoorten gemonitord kan worden. Daarnaast zijn de lokale populaties kwetsbaarder dan de trekvogelpopulaties omdat dat erg grote populaties betreffen. De monitoring dient uitgevoerd te worden naar ‘grote vogels’ zoals beschreven in het Monitoringprotocol nieuwe windparken in Nederland4, dat onderdeel uitmaakt van het NIEWHOL5. De monitoring vindt in ieder geval gedurende de eerste drie jaar van de exploitatie van het windpark plaats. Na deze drie jaar vindt een evaluatie plaats en wordt beoordeeld of er aanleiding is om aanvullende mitigerende maatregelen te nemen en/of om langer te monitoren. De resultaten van de monitoring dienen elk jaar uiterlijk drie maanden na afronding van de laatste zoekronde van de jaarlijkse monitoring gedeeld te worden. De rapportage dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten: -

-

een overzicht van de gevonden aantallen slachtoffers van de betrokken vogelsoorten, ook andere aanvaringsslachtoffers dan voorzien dienen in de rapportage te worden benoemd. Indien er vleermuizen tijdens de monitoring gevonden worden, dienen deze ook in de rapportage benoemd te worden; een extrapolatie van het aantal slachtoffers van deze soorten; en een vergelijking van deze aantallen met de voorziene aantallen slachtoffers; in elke vervolgrapportage dienen de bevindingen van de voorgaande jaren eveneens opgenomen te worden; indien de gevonden aantallen slachtoffers niet overeenkomen met de voorziene aantal aanvaringsslachtoffers en/of er andere slachtoffersoorten zijn aangetroffen dan verwacht, dan dient dit in de rapportage beoordeeld te worden in het kader van de voorwaarden in deze ontheffing. Indien de monitoringsresultaten hiertoe aanleiding geven kan door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid aanvullende maatregelen worden opgelegd;

4

Monitoringsprotocol nieuwe windparken in Nederland Monitoringsprotocol Wind op Land 2021 ODH837734 5

14 / 21

wanneer er geen negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten zijn en zijn er geen andere grote, onverwachte schommelingen in sterfte van bepaalde soorten, dan is het niet verdere te monitoring of het nemen van maatregelen niet noodzakelijk; na drie jaar monitoring dient een uitgebreide rapportage opgesteld te worden, waarin onder andere de gemiddelde sterfte over deze drie jaren wordt beschouwd in relatie tot de voorziene sterfte van de betrokken soorten. Dit hebben we opgenomen in de voorschriften. -

Afbreekfase Zoals hierboven al genoemd achten wij het ter voorkoming van overtredingen nodig en redelijk de voorschriften die van toepassing zijn op de aanlegfase tevens van toepassing te laten zijn op de afbreekfase van het windpark. Beoordeling staat van instandhouding Aanlegfase en afbreekfase Door het treffen van maatregelen wordt overtreding van de Wnb tijdens de aanleg- en de afbreekfase voorkomen. Aanscherping van deze voorgestelde maatregelen voor de aanlegfase achten wij noodzakelijk ter borging dat overtredingen inderdaad niet kunnen plaatsvinden. Onze overwegingen voor deze aanscherping zijn opgenomen onder het kopje ‘Maatregelen’. Met de aangescherpte werkwijze wordt overtreding tijdens de aanleg- en de afbreekfase voorkomen, dit is geborgd in de voorschriften. Exploitatiefase vogels Om het jaarlijks te verwachtte aantal aanvaringsslachtoffers in te kunnen schatten onder vogels, is het voorkomen van vogelsoorten en de functie die het projectgebied voor de betreffende soorten heeft, bepaald. Hiertoe heeft in de winter van 2021 en 2022 radaronderzoek plaatsgevonden, met als doel het in kaart brengen van vliegbewegingen van vogels in en nabij het projectgebied. Hierbij lag de nadruk op vliegbewegingen van vogels rond de avondschemering, het tijdstip dat zij zich verplaatsen tussen foerageergebieden en slaapplaatsen (de slaaptrek).

Daarnaast hebben er zes onderzoekrondes in de periode van 20 april t/m 6 juli 2021 plaatsgevonden naar vliegbewegingen van kolonie broedende kustvogelsoorten. Hierbij lag de focus op vliegbewegingen van de aalscholver, lepelaar, kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw. Naast deze vier doelsoorten zijn ook vliegbewegingen van andere kolonievogels over het projectgebied in kaart gebracht. De data van de onderzoeken is aangevuld met gegevens uit relevante onderzoeken en data afkomstig van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Voor de bepaling van het totaal aantal aanvaringsslachtoffers is gebruik gemaakt van bestaande kennis over slachtofferaantallen bij windparken in Nederland, België, Duitsland en andere (West-)Europese landen. Met deze kennis, gecombineerd met kennis van de vliegactiviteit van vogelsoorten in het projectgebied, is op basis van deskundigenoordeel het toekomstige aantal vogelslachtoffers voor de twee windturbines overtuigend gemotiveerd. Het rotoroppervlak (van elk) van beide windturbines is anderhalf tot tweemaal groter dan de meeste windturbines in Nederland en België. Over dit formaat rotoroppervlak zijn minder resultaten beschikbaar in het kader van slachtofferonderzoek. Een duidelijk verband tussen het aanvaringsrisico en turbinekarakteristieken ontbreekt tot op heden.

Het aantal slachtoffers wordt vooral bepaald door factoren in de omgeving van de windturbine. Bij de nu geplande windturbines is sprake van een relatief hoge ashoogte onder de rotorbladen, namelijk minimaal 67 meter. Daardoor zal een aanzienlijk deel van lokale vliegbewegingen onder het rotorvlak plaatsvinden en dus buiten de ‘risicozone’. Daarnaast is de ruimte tussen deze turbines groot, minimaal 420 meter, waardoor vogels de ruimte hebben om tussen de turbines door te vliegen. Het jaarlijkse aantal te verwachten vogelslachtoffers is berekend op maximaal 20 aanvaringslachtoffers per jaar voor de twee turbines (verdeeld over de genoemde 124 vogelsoorten). Om het aantal soortspecifieke slachtoffers onder vogels te bepalen zijn de hiervoor benoemde gegevens gecombineerd met de soortspecifieke gevoeligheid voor aanvaringen met windturbines en de kennis over de ODH837734

15 / 21

afmetingen van het windpark. Voor sommige soort(groep)en is uit onderzoek bij bestaande windparken een aanvaringskans beschikbaar. Voor deze soorten kan het aantal aanvaringsslachtoffers berekend worden met behulp van het Flux-Collision Model (Kleyheeg-Hartman et al. 2018). Voorbeelden van soortgroepen waarvoor dit geldt zijn aalscholver, reigerachtigen en roofvogels. Voor soorten uit deze soortgroepen is een inschatting gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers op basis van informatie over het aantal vliegbewegingen over het plangebied, het vlieggedrag en aantallen slachtoffers gevonden in slachtofferonderzoeken in Europa. Ter beoordeling van het effect van het aantal aanvaringsslachtoffers op de staat van instandhouding (hierna: SvI) van de populatie van iedere soort, is 1% van de gemiddelde jaarlijkse natuurlijke sterfte van de populatie als toetsingscriterium toegepast: de zogenaamde “1%-mortaliteitsnorm” of het “ORNIS-criterium”.

Dit criterium is zowel door het Hof van Justitie als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geaccepteerd als indicatie voor de eventuele gevolgen voor de staat van instandhouding, waarbij geldt dat de SvI in beginsel niet in het geding komt indien de mortaliteit als gevolg van het project kleiner is dan 1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte van de soort en dat een nadere beoordeling vereist is zodra de 1% grens gepasseerd wordt (vgl. ABRvS 7 oktober 2020 (Windpark Den Tol), ECLI:NL:RVS:2020:2384, r.o. 9.1, zoals herhaald in ABRvS 14 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2323, r.o. 14). Het effect van de verwachtte sterfte van lokaal verblijvende soorten, is getoetst aan de relevante populaties van de soort, zie onderstaande tabel 1. Hierbij is tevens onderscheid gemaakt in broedvogels en niet-broedvogels. Tabel 1. Voorziene sterfte onder lokale vogels (maximaal aantal exemplaren per jaar) in de gebruiksfase van de twee windturbines bij Brielle.

Broedvogel (Br)/ Niet broedvogel (NBr)

Sterfte bij twee windturbine Populaties per jaar grootte

Adult e sterft e

Jaarlijkse natuurlijk e sterfte

1% mortaliteitsnorm

Aalscholver

Br

<1

33.000

0,12

3.960

40

Grauwe Gans

Br

<1

265.000

0,09

23.850

239

Grauwe Gans

NBr

<1

545.000

0,17

92.650

927

Kolgans

NBr

<1

925.000

0,276

255.300

2.553

Brandgans

NBr

<1

800.000

0,09

72.000

720

Krakeend

Br

<1

58.000

0,28

16.240

162

Wilde eend

Br

<1

460.000

0,373

171.580

1.716

Kievit

NBr

<1

290.000

0,295

85.550

856

Scholekster

Br

<1

67.000

0,12

8.040

80

Zilvermeeuw

Br

2 of 1

27.209*

0,12

3.265

33

Zilvermeeuw Kleine Mantelmeeuw Grote Mantelmeeuw

NBr

<1

115.000

0,12

13.800

138

Br

1of <1

78.043*

0,087

6.790

68

NBr

<1

5.950

0,07

417

4

Stormmeeuw

Br

<1

5.600

0,14

784

8

Stormmeeuw

NBr

<1

390.000

0,14

54.600

546

Kokmeeuw

Br

<1

208.000

0,1

20.800

208

Kokmeeuw

NBr

<1

400.000

0,1

40.000

400

Het effect van de verwachtte sterfte door het initiatief op de SvI van vogelsoorten die voornamelijk tijdens de seizoenstrek slachtoffer zullen worden, is getoetst aan de flyway-populatie van deze soorten. Voor een overzicht van het aantal slachtoffers van de trekvogels, zie Bijlage III van de Natuurtoets. ODH837734

16 / 21

Als uitgangspunt voor de berekeningen aan vogelsterfte en de SvI is verder uitgegaan van worstcasescenario's. voor het bepalen van de jaarlijkse sterftecijfers is uitgegaan van volwassen vogels, aangezien dit cijfer lager ligt dan de sterfte van onvolwassen vogels. Dit maakt dat de berekende sterfte als gevolg van aanvaringen met de geplande windturbines procentueel gezien zwaarder meetelt. Voor soorten waarvan de natuurlijke sterfte niet bekend is, is gewerkt met de natuurlijke sterfte van een nauw verwante soort. De flyway-populaties van trekkende vogelsoorten en de daaraan gekoppelde 1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte zijn omvangrijk (vele tienduizenden tot meer dan een miljoen individuen per jaar). Hetzelfde geldt voor een groot aantal lokaal verblijvende soorten, behalve voor de kleine mantelmeeuw en de zilvermeeuw, die hieronder nader worden besproken. Dat maakt dat de mogelijke worstcase slachtofferaantallen ten gevolge van de exploitatie van de twee nieuwe windturbines van Windpark Brielse Brug voor 122 van de 124 aangevraagde vogelsoorten vele malen lager zijn dan de 1%-mortaliteitsnorm.

Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd, dat de voorziene sterfte door aanvaringen met de turbines van Brielse Brug niet leidt tot wezenlijke additionele sterfte ten opzichte van de natuurlijke sterfte van de betreffende vogelpopulaties, zodat met zekerheid geen verslechtering van de staat van instandhouding optreedt van 122 van de vogelsoorten waar de aanvraag betrekking op heeft. Kleine mantelmeeuw en Zilvermeeuw Voor de twee geplande windturbines bij Brielle wordt jaarlijks meer dan incidentele sterfte onder lokale vogels voorzien onder kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw. Voor de kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw overschrijdt de cumulatieve sterfte reeds de 1%-mortaliteitsnorm van de Deltapopulatie. Vanwege dit gegeven is voor deze soorten een cumulatietoets gedaan, zie hiervoor paragraaf 12.2.2 van de Natuurtoets. Het cumulatief aantal slachtoffers is geschat door het aantal verwachtte slachtoffers van initiatieven binnen het Deltagebied op te tellen. In 2020 is vanwege voorgaande conclusies nader onderzoek uitgevoerd met behulp van een populatiemodel naar de cumulatieve effecten op de Deltapopulatie van beide meeuwensoorten (Engels et al. 2020). Voor beide meeuwensoorten wordt in dit onderzoek geconcludeerd dat de voorspelde cumulatieve sterfte in windparken in de Delta niet leidt tot een wezenlijk effect op de populatietrend in de komende 30 jaar.

De kans op een afname van 10% van de populatie binnen 30 jaar is namelijk zonder de bijdrage van de beschouwde windparken in cumulatie al relatief hoog. De relatieve invloed van de windparken op deze negatieve populatieontwikkeling is beperkt. Uit het onderzoek blijkt dat sprake blijft van een levensvatbare populatie van deze soorten in de Delta. De geringe bijdrage van jaarlijks minder dan één slachtoffer onder kleine mantelmeeuw respectievelijk twee slachtoffers onder zilvermeeuwen heeft geen invloed op deze conclusie. Uit het voorgaande concluderen wij dat de geplande windturbines op zichzelf niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw. Exploitatiefase vleermuizen Voor het bepalen van het aantal aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen is gebruik gemaakt van bestaande kennis over aanvaringslachtoffers onder vleermuizen bij windparken en gegevens over het lokaal voorkomen van vleermuizen. Hiertoe heeft in 2021 vleermuisonderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek bestond uit twee delen: transectonderzoek en metingen vanaf een vaste locatie. Voor het transectonderzoek hebben er vier bezoeken in de periode van 10 juni tot en met 21 september 2021 plaatsgevonden, conform het Vleermuisprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus.

Hierbij werd een vaste route afgelegd met een batlogger type M, waarbij vleermuisactiviteit vastgelegd werd. Het aantal opnames geeft een mate van activiteit van vleermuizen weer. Hiermee wordt volgens een gestandaardiseerde manier activiteit bepaald wat vergeleken kan worden met andere locaties. Voor metingen vanaf vaste locatie is gebruik gemaakt van een Audiomoth, die op een vaste locatie in het westelijk deel van het plangebied aan een kleine paal opgehangen was. De Audiomoth is ingezet in de periode van 20 augustus en 17 september 2021 tussen zonsondergang en zonsopkomst. Het doel van dit onderdeel van het onderzoek was om aanvullende informatie te verzamelen over eventuele migratie van vleermuizen over het ODH837734

17 / 21

plangebied. Door technische gebreken heeft dit echter slechts tussen 20 en 30 augustus 2021 en van 13 en 21 september 2021 plaatsgevonden. Gezien het feit dat er toch zeventien dagen data verzameld is, waarbij er aan het begin en aan het einde van de onderzoeksperiode verzameld is, achten wij dit onderzoek voor deze situatie afdoende. Met de onderzoeksinspanning zijn zowel het lokaal voorkomen als mogelijke migratieroutes van vleermuissoorten in kaart gebracht. Op basis van resultaten van slachtofferonderzoeken in bestaande windparken is voor de twee geplande windturbines bij Brielle een inschatting gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen. Omdat de mate van activiteit van vleermuizen rondom de twee turbines verschilt, door de aan- of afwezigheid van landschapselementen zoals bomenrijen, verschilt ook het verwachte aantal aanvaringsslachtoffers per turbine. Voor de windturbine in het westelijke deel van plangebied (WT1) wordt één aanvaringslachtoffer per jaar onder vleermuizen verwacht. Deze turbine ligt in open agrarisch gebied. Voor windturbines in dit soort landschappen in Noordwest-Europa wordt het aantal slachtoffers per windturbine per jaar op 0-1 exemplaren geschat (Rydell et al. 2010). Voor de windturbine in het oostelijke deel van plangebied (WT2) worden twee tot vijf aanvaringslachtoffers per jaar onder vleermuizen verwacht.

Deze turbine komt op minder dan 100 meter van bosschages en jonge bomen te staan die onderdeel vormen van het recreatieterrein ten noorden. Ook staat deze windturbine straks dicht bij de bermsloot van de N57 welke de westelijke begrenzing van het perceel vormt. Tijdens het veldonderzoek zijn langs deze perceelranden enkele foeragerende gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuizen waargenomen. De directe omgeving van deze geplande windturbine is te beschouwen als halfopen landschap. Het aantal aanvaringsslachtoffers per windturbine bedraagt in half open agrarisch gebied doorgaans twee tot vijf exemplaren per jaar. De soortensamenstelling van de slachtoffers is niet gelijk aan de vanaf de grond geregistreerde opnames. Vleermuissoorten verschillen namelijk in de geluidssterkte en de frequentie die ze gebruiken. Dit heeft gevolgen voor de maximale afstand waarop de soorten nog te detecteren zijn. Om hiervoor te corrigeren is gebruik gemaakt van de maximale detectieafstanden van Barataud (2015). Op basis van de gecorrigeerde soortensamenstelling is voor de windturbines het aantal slachtoffers per soort berekend. Het gemiddelde aantal slachtoffers onder alle vleermuissoorten is bepaald op zes aanvaringsslachtoffers per jaar voor de twee turbines. (Voor WT2 wordt ervan uitgegaan dat er twee tot vijf slachtoffers per jaar vallen.

Hiervan worden maximaal één gewone dwergvleermuis en vier ruige dwergvleermuis aanvaringslachtoffer. Voor WT1 wordt er gemiddeld één aanvaringslachtoffer per jaar wordt verwacht als gemiddelde som van een verwachte 0,3 exemplaar gewone dwergvleermuis en een verwacht 0,7 exemplaar ruige dwergvleermuis. Oftewel, in drie jaar tijd wordt verwacht dat er twee ruige dwergvleermuizen en één gewone dwergvleermuis slachtoffer worden.) Aanvaringsslachtoffers onder de rosse vleermuis en de laatvlieger zijn uiterst incidenteel en bepaald op ruim minder dan één per jaar per soort voor beide turbines. Effecten op de staat van instandhouding van de rosse vleermuis en de laatvlieger zijn op voorhand uit te sluiten aangezien deze soorten uiterst incidenteel aanvaringsslachtoffer worden. Voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis, is voor het bepalen van het effect van het aantal aanvaringsslachtoffers op de SvI gebruik gemaakt van de 1%-mortaliteitsnorm zoals deze ook voor vogels is toegepast (zie voorgaand). Deze norm is door de Afdeling ook voor vleermuizen geaccepteerd (vgl. ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160).

Lokale populaties zijn bepaald door uit te gaan van het European Topic Centre on Biological Diversity (Zoogdiervereniging, VZZ 2007) die vervolgens zijn vertaald in een (mogelijk) aantal dieren dat zich in een cirkel met een zekere afstand van het projectgebied bevindt, de zogenaamde 'catchment area', wat bestaat uit landoppervlakte. Voor de catchement area is uitgegaan van 2/3 landoppervlakte. Voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis is uitgegaan van een gebied met een straal van 30 kilometer voor de lokale populatie. In onderstaande tabellen is het overzicht weergegeven van het te verwachten aantal jaarlijkse aanvaringslachtoffers, de omvang van de lokale populatie en de 1%-mortaliteitsnorm. Dit betreffen de aantallen zonder de toepassing van de stilstandvoorziening voor vleermuizen. ODH837734

18 / 21

Tabel 2. Aantal aanvaringslachtoffers gewone dwergvleermuis, de ‘catchment area (landoppervlakte)’, de lokale populatie (gemiddelde dichtheid van 9 vleermuizen/km2) en de 1%-mortaliteitsnorm Beschrijving

Aantal

Catchment area (km )

1.895

Aantal gewone dwergvleermuizen

17.053

Jaarlijkse natuurlijke sterfte (33%)

3.400

1%-mortaliteitsnorm

34

Aantal aanvaringslachtoffers

1-2

2

Tabel 3. Aantal aanvaringslachtoffers ruige dwergvleermuis , de catchment area, de lokale populatie (gemiddelde dichtheid van 3 vleermuizen/km2) en 1%-mortaliteitsnorm Beschrijving

Aantal

Catchment area (km2)

1.895

Aantal ruige dwergvleermuizen

5.685

Jaarlijkse natuurlijke sterfte (44%)

190

1%-mortaliteitsnorm

19

Aantal aanvaringslachtoffers

5

Ondanks het feit dat het aantal aanvaringslachoffers van beide soorten ruim onder de 1%-mortaliteitsnorm ligt, wordt een stilstandvoorziening voor vleermuizen toegepast. Dit is mede gedaan, omdat er binnen deze straal van 30 kilometer een groot aantal windturbines aanwezig zijn, daarnaast zal nog een groot aantal turbines gerealiseerd worden in de nabije toekomst. Met een stilstandvoorziening kunnen aanvaringslachtoffers tot wel 80% gereduceerd worden (Lagrange et al. 2013). De stilstandsvoorziening staat uitgewerkt onder het kopje ‘Maatregelen’, waarmee cumulatieve effecten op beide soorten worden voorkomen. Effecten op de gunstige staat van instandhouding van zowel de gewone dwergvleermuis als de ruige dwergvleermuis zijn daarmee voldoende uitgesloten. Belangenonderbouwing De volgende wettelijke belangen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, aanhef en onder b en artikel 3.8, vijfde lid, aanhef onder b, van de Wnb zijn ten grondslag gelegd aan de aanvraag: Vogels in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna.

Vleermuizen ter bescherming van flora of fauna; in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.

In de aanvraag wordt onderbouwd dat het project bijdraagt aan de hiervoor genoemde wettelijke belangen. Het beperken van klimaatverandering, het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en daarmee het vergroten van de elektriciteitsvoorzieningszekerheid en het reduceren van de uitstoot van luchtverontreinigende emissies zijn de belangrijkste doelen van dit project. Met deze doelen worden de eerder benoemde belangen gediend. De motivering kan als volgt worden samengevat: ODH837734

19 / 21

Beperken klimaatverandering De uitstoot van broeikasgassen die onder meer vrijkomen bij de productie van energie uit fossiele brandstoffen, draagt bij aan klimaatverandering welke een belangrijke, en overwegend negatieve, invloed heeft op de openbare veiligheid, flora en fauna, volksgezondheid en economie. Op internationaal, Europees, nationaal en lokaal niveau wordt ingezet op het beperken van de uitstoot van broeikasgassen. Op grond van de Europese richtlijn voor Hernieuwbare Energie geldt voor Nederland een taakstelling van 32% duurzame energie in 2030 6. In de Klimaatwet is voor Nederland het streven vastgelegd om in 2030 en 2050 de emissies van broeikasgassen te reduceren tot 49% ten opzichte van 1990 en een volledige CO2-neutrale elektriciteitsproductie in 20507. Dit vereist het vervangen van de huidige opwekking van energie uit fossiele energiebronnen. Het project levert hier een bijdrage aan. Zie ook de overwegingen onder ‘Geen andere bevredigende oplossing’. Klimaatverandering is van overwegend negatieve invloed op de volksgezondheid, in de vorm van het frequenter optreden van weersextremen, de toename van het risico op overstromingen respectievelijk langere droogteperiodes hetgeen weer bijdraagt aan de grotere aanwezigheid van infectieziekten en het plaatsvinden van extreme hitte (hittegolven) en koude periodes.

Klimaatverandering beïnvloedt ook het watersysteem met diverse bedreigingen voor de openbare veiligheid. Aangezien een groot gedeelte van Nederland gevoelig is voor overstromingen vanuit zee of rivieren, leiden de met klimaatverandering gepaard gaande zeespiegelstijging en de verandering in piekafvoeren tot verhoogde risico’s op overstromingen en daarmee tot een grotere risico’s voor de openbare veiligheid, maar risico’s voor gewassen, flora en fauna. Wanneer overstroming of grootschalige droogte plaats vinden zorgt dit tevens voor grote economische schade, mede in verband met de toenemende druk op het beschikbare zoetwater. Het beperken van klimaatverandering dient aldus de hiervoor genoemde belangen. Verminderen van afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en vergroten van elektriciteitsvoorzieningszekerheid Het realiseren van duurzame energie en het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen is ook in het belang van de energievoorzieningszekerheid en met name van belang voor de openbare veiligheid en economie. Een stabiele elektriciteitsvoorziening is van belang vanwege de rol die het speelt in het functioneren van allerlei maatschappelijke voorzieningen en instellingen. De huidige energieopwekking bestaat voor een groot deel uit energie opgewerkt uit fossiele brandstoffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14466710/1