OMG - Bijlage 5A - ruimtelijke onderbouwing v5
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 54
Tabel 5.9 Slagschaduwduur cumulatief [uu:mm per jaar] Toetspunt
Adres
Ref. situatie (zonder mitigatie)
Windproject Brielse Brug (zonder mitigatie)
Cumulatie
1
Spanjaardweg 1
0:52
16:36
17:28
2
Onderneming 2
9:59
41:58
52:11
3
Onderneming 1
11:18
36:39
48:02
4
Buitengronden 3a
8:24
32:35
40:59
5
De Nolle 24
--
12:25
12:25
6
Seggeweg 61
--
25:06
25:06
7
Groene Kruisweg 2
--
27:44
27:44
8
Maasdijk 20
--
--
--
9
Maasdijk 18
--
--
--
10
Maasdijk 16
--
--
--
11
Landsweg 4
--
4:05
4:05
12
Staaldiepseweg 5
21:42
8:28
30:34
13
Visserijweg 11
--
6:00
6:00
14
Vlaardingerhilseweg 12
--
1:35
1:35
15
Smalleweg 5
--
--
--
16
Sluisweg 18
--
--
--
--: geen slagschaduw
Uit de resultaten blijkt dat de slagschaduwduur bij op een aantal toetspunten cumulatief boven de 6 uur per jaar komt. Echter, door het hanteren van een projectspecifieke norm van maximaal 1 uur slagschaduw per jaar voegt Windproject Brielse Brug nagenoeg geen extra slagschaduwduur toe aan de toetspunten, waardoor er geen aanleiding is om aanvullend een cumulatieve norm te stellen voor slagschaduw. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 55
Figuur 5.5 Slagschaduwcontouren cumulatief
Niet-gevoelige objecten Bedrijven In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook gekeken naar slagschaduwduur op niet-gevoelige objecten. In dit geval zijn enkele omliggende bedrijven met kantoorfunctie ingevoerd in het rekenmodel om te kijken in hoeverre deze bedrijven slagschaduw ervaren bij realisatie van Windproject Brielse Brug. Voor deze berekening is uitgegaan van werktijden tussen 7:30 uur en 17:30 uur, voor de zomertijd-periode van het jaar 2021 en 5/7e kans dat de slagschaduw op een weekdag optreedt (in het weekend wordt immers doorgaans niet gewerkt). De berekende hoeveelheid slagschaduw die tijdens werktijd en werkdagen optreedt is weergegeven in Tabel 5.10. In verband met het wijzigen van de aanvangsdatum en einddatum van de zomertijd ieder jaar kunnen de tijden zeer beperkt afwijken voor andere jaren dan 2021. De toetspunten op bedrijven met kantoorfunctie ontvangen geen slagschaduw van bestaande windturbines.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 56
Tabel 5.10 Slagschaduwduur tijdens werktijd [u:mm per jaar] Toetspunt
Adres
Windproject Brielse Brug
B01
Seggeweg 1
17:40
B02
Seggeweg 80
20:23
B03
Seggelant-Noord 8c
39:58
B04
Seggelant-Noord 11
47:03
B05
Seggelant-West 10
13:39
B06
Seggelant-Oost 9
26:34
B07
Seggelant-Oost 8
9:47
--: geen slagschaduw
Uit de resultaten blijkt dat de slagschaduwduur op alle toetspunten op bedrijven boven de 6 uur per jaar komt. Echter, door het hanteren van een projectspecifieke norm van maximaal 1 uur slagschaduw per jaar voor slagschaduwgevoelige objecten (woningen e.d.) is de slagschaduwduur voor de nietslagschaduwgevoelige objecten ook beperkt22 en daardoor zonder meer aanvaardbaar vanuit een goede ruimtelijke ordening. Er is geen aanleiding voor niet-slagschaduwgevoelige objecten een zelfde norm te hanteren als bij slagschaduwgevoelige objecten (woningen e.d.). Vakantiepark Roompot De slagschaduw die ondervonden zal worden bij het te ontwikkelen vakantiepark van Roompot nabij Windproject Brielse Brug is inzichtelijk gemaakt. De totale gemiddelde slagschaduwduur ter plaatse van twee locaties op het nabijgelegen vakantiepark in ontwikkeling van Roompot is gegeven in Tabel 5.11. Tabel 5.11 Slagschaduwduur bij recreatieterrein [u:mm per jaar] Toetspunt
Omschrijving
Windproject Brielse Brug
R01
Vakantiepark
42:18
R02
Vakantiepark
20:42
--: geen slagschaduw
Op de beoordeelde locaties van het vakantiepark wordt tussen de 21 en 43 uur slagschaduw per jaar verwacht. Slagschaduw ter plaatse van het vakantiepark vindt plaats in de periode eind april tot halverwege augustus tussen 19:00 en 21:00 uur in de avond. Slagschaduw op het vakantiepark vindt hiermee in het hoogseizoen plaats, waarbij eventuele hinder alleen in de avond ervaren zal worden. Er is in de berekening geen rekening gehouden met eventuele beplanting, waardoor slagschaduwhinder in de praktijk mogelijk wordt beperkt. Er is geen aanleiding voor niet-slagschaduwgevoelige objecten een zelfde norm te hanteren als bij slagschaduwgevoelige objecten (woningen e.d.).
22
Het bedrijventerrein Seggelant ligt in de nabijheid van maatgevende toetspunten voor slagschaduwgevoelige objecten (woningen e.d.) waar al tot maximaal 1 uur slagschaduwduur wordt gemitigeerd. Daarom zal ook de slagschaduwduur op de toetspunten van het bedrijventerrein Seggelant worden verminderd. Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 57
5.3.3 Conclusie De initiatiefnemer heeft er voor gekozen om de slagschaduw op slagschaduwgevoelige objecten tot een minimum te beperken door een maximale slagschaduwduur van 1 uur per jaar te hanteren. Hieraan kan worden voldaan door een stilstandregeling toe te passen. Het opnemen van een lagere slagschaduwduur ter beperking van hinder op gevoelige objecten (woningen) levert een aanvaardbare mitigatie en productieverlies op terwijl een verbetering voor de omgeving gecreëerd kan worden. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Ter waarborging van deze maximale slagschaduwduur van 1 uur per jaar is een aanvraag ingediend bij het bevoegd gezag voor het opleggen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.12, lid 2 van de Activiteitenregeling.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 58
5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Toetsingskader Voor de ruimtelijke inpassing van een windturbine speelt veiligheid een belangrijke rol. Hoewel het risico laag is, kunnen windturbines omvallen of kunnen er onderdelen afbreken. Het effect van de windturbines op de omgeving is beoordeeld aan de hand van een aantal criteria, die zijn afgeleid uit wet- en regelgeving en adviezen voor toetsing van beheerders van infrastructurele werken. Deze toetsingscriteria hebben zowel betrekking op externe veiligheid als op leveringszekerheid zoals in het geval van hoogspanning of buisleidingen. Daarnaast bestaat ook nog de interne veiligheid van windturbines. De interne veiligheid van windturbines is geregeld via de certificering van het ontwerp en de productie van windturbines. In Nederland mogen alleen windturbines worden geplaatst die gecertificeerd zijn volgens de veiligheidsnormen ten behoeve van het voorkomen van risico's voor de omgeving. Interne veiligheid is verder niet ruimtelijk relevant en derhalve niet meegenomen in deze ruimtelijke onderbouwing. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is onder andere geregeld hoe vaak een windturbine moet worden gecontroleerd en wanneer een windturbine wel of niet in werking mag zijn.
Zo mag bijvoorbeeld een windturbine niet in werking worden gesteld indien een zodanige ijslaag is afgezet op de rotorbladen dat dit een risico vormt voor de veiligheid van de directe omgeving. Bij moderne windturbines kan door middel van ijsdetectiesystemen de windturbine automatisch stilgezet worden. Daarnaast is gezien de aard en functie van het terrein (agrarische percelen en lokale wegen met zeer geringe verkeersintensiteiten) waar de turbines geplaatst worden de kans dat een persoon aanwezig is precies onder de locatie van het rotorblad tijdens de specifieke weersomstandigheden waarbij gevaarlijke hoeveelheden ijsafglijding op kan treden, zodanig klein dat het risico voor personen (passanten) verwaarloosbaar is. Voor externe veiligheid is per 1 januari 2011 het Besluit wijziging milieuregels windturbines 23 van het Activiteitenbesluit in werking getreden. Daarin wordt onder meer geregeld dat met betrekking tot veiligheidsafstanden in grote lijnen wordt aangesloten op het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) 24 en dat zich geen kwetsbare objecten mogen bevinden binnen de PR 10-6-contour en geen beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-5-contour. PR staat voor het Plaatsgebonden Risico.
Dit is de kans per jaar dat iemand overlijdt als gevolg van een ongeval van een falende windturbine, als deze persoon permanent en onbeschermd op een bepaalde afstand tot de turbine aanwezig zou zijn. Een PR-norm van 10-5 betekent een maximale kans van maximaal 1 op 100.000 en PR 10 -6 een kans van 1 op 1.000.000. Voor de bepaling van deze contouren wordt verwezen naar het Handboek voor Risicozonering van Windturbines (HRW) bestaande uit een handleiding25 en de handreiking26 (versie 1.1 – 20 mei 2020), dat een handreiking geeft voor de uitvoering van risicoanalyses bij windturbines in Nederland. Ook wordt voor de bepaling van de effecten op infrastructuren en objecten aansluiting gezocht bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)27. Daarnaast hebben beheerders van infrastructurele werken
23
Besluit van 14 oktober 2010 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en het Besluit omgevingsrecht (wijziging milieuregels windturbines). 24 Besluit externe veiligheid Inrichtingen, Geldend op 21-05-2018. 25 Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid Module IV – Windturbines, versie oktober 2020, 26 Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020), 20 mei 2020, versie 1.1, Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving door DNV GL 27 Besluit van 24 juli 2010, houdende milieukwaliteitseisen externe veiligheid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (Besluit externe veiligheid buisleidingen) en aanvulling tot d.d. 01-05-2016. Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 59
randvoorwaarden voor situaties van uitval van belangrijke infrastructurele werken zoals grote gasleidingen en elektriciteitsvoorzieningen. Om hier rekening mee te houden is gekeken naar de invloed van plaatsing van windturbines op de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de nabij gelegen infrastructurele werken. In het Handboek wordt ook verwezen naar de beleidsregel van Rijkswaterstaat (2002)28 voor de beoordeling van effecten op (vaar)wegen. Deze beleidsregel geldt enkel voor rijks(vaar)wegen, voor provinciale en lokale wegen gelden geen (beleids)regels. In juli 2020 is ‘Richtlijnen Vaarwegen 2020’ uitgekomen voor de beoordeling voor vaarwegen. De richtlijn is van toepassing verklaard op provinciale en lokale vaarwegen, eerder was er enkel een toetsafstand voor Rijksvaarwegen. Nu is dezelfde toetsafstand van toepassing voor alle vaarwegen (dus ook recreatievaart etcetera)28. In de beleidsregel “Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen: beoordeling van veiligheidsrisico’s”29 staan de richtlijnen gegeven ten aanzien van de beoordeling van het individueel passentenrisico (IPR) en het maatschappelijk risico (MR) om het effect op overige wegen te beoordelen.
5.4.2 Onderzoek Het Handboek risicozonering (HRW) adviseert een identificatieafstand (ook wel maximale onderzoeksafstand genoemd) waarbinnen het veiligheidsrisico voor objecten en infrastructuren onderzocht dient te worden. Deze afstand is gebaseerd op de maximale generieke werpafstand die plaatsvindt als windturbines tweemaal het nominale toerental draaien (ook wel 'overtoeren' genoemd). Objecten buiten deze afstand ondervinden geen risico en worden verder buiten beschouwing gelaten. Om de maximale effecten goed weer te geven wordt een werpafstand gehanteerd van een windturbine met een maximale werpafstand van 188 meter bij nominaal toerental en 472 meter bij overtoeren. Er wordt voor het te werpen blad uitgegaan van de maximale bladlengte (dus 69,5 meter). Hiermee wordt een worst-case situatie inzichtelijk gemaakt voor momenteel beschikbare windturbinetypes. Voor de achterliggende berekeningen bij de hier genoemde afstanden wordt verwezen naar de externe veiligheidsanalyse in Bijlage 3.
28
De toetsafstand zelf blijft: een halve rotordiameter afstand vanaf de rand van de vaarweg met een minimum van 50 meter. Naar verwachting wordt half 2021 deze toetsafstand aangepast naar: een halve rotordiameter + 30 meter vanaf de rand van de vaarweg. 29 P.H. de Joode, S. Onnink, B.A. van den Horn, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Bouwdienst (RWS, BD), NS Railinfrabeheer, 1999 Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 60
Figuur 5.6 Weergave identificatieafstand
Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten De plaatsgebonden risicocontouren liggen volgens de vuistregels uit het HRW nooit verder dan de volgende afstanden: •
De PR10-5 contour ligt maximaal op een afstand van een halve rotordiameter (hier: 82 meter) en;
•
de PR10-6 contour ligt maximaal op de grootste afstand van ofwel de tiphoogte ofwel de werpafstand bij nominaal toerental (hier 249 meter).
Voor de bepaling wat (beperkt) kwetsbare objecten zijn is aangesloten bij de definities uit artikel 1 lid 1 uit het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi). Zo worden woningen met een plaatsingsdichtheid van meer dan 2 woningen per hectare gezien als kwetsbare objecten. Ook ziekenhuizen, scholen en andere gebouwen voor minder zelfredzame personen of gebouwen bestemd voor grote groepen langdurig aanwezige personen met een hoge persoonsdichtheid zijn te definiëren als kwetsbare objecten 30. Andere objecten waar personen in aanwezig kunnen zijn, zijn beperkt kwetsbare objecten. Beperkt kwetsbare objecten Bij de onderzochte opstelling zijn geen beperkt kwetsbare objecten aanwezig binnen de PR10 -5 contour (zie Figuur 5.7). Er kan met zekerheid worden voldaan aan artikel 3.15a lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Kwetsbare objecten
30
Kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 1.500 m2 zijn kwetsbare objecten. Dit is daarmee een beperkt kwetsbaar object. Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 61
Er bevindt zich 1 gebouw (met letter A aangegeven in Figuur 5.7) binnen de maximale PR contour van 106
. Dit gebouw is in aanbouw en is niet geclassificeerd als kwetsbaar object omdat het kantoorvloeroppervlak minder is dan 1.500 m2. Figuur 5.7 Weergave maximale ligging PR-contouren voor Windproject Brielse Brug
Ruimtelijke ontwikkelingen Naast invloed op bestaande objecten kunnen windturbines een invloed hebben op de mogelijkheden van bestemmingen in de nabije omgeving. Volgens het vigerende bestemmingsplan ”Seggelant 2014” zijn de volgende enkelbestemmingen gelegen binnen de maximale PR 10-6 contour: •
Bedrijventerrein; Binnen de maximale PR10-6 contour mogen geen (bedrijfs)woningen worden gerealiseerd. Binnen de maximale PR10-6 contour mag kantoorruimte alleen worden gerealiseerd als ondergeschikt onderdeel van een bedrijf. Dergelijke bedrijfsgebouwen met kantoorruimten zijn dus alleen realiseerbaar als het totale kantoorgedeelte van het bedrijf onder de 1.500 m 2 uitkomt. Om dit te voorkomen moet de PR10-6 contour van gekozen windturbine onder de 183 meter blijven om niet te overlappen met het bedrijventerrein. In de aanvraag omgevingsvergunning is daarom verzocht om een voorschrift op te nemen dat de PR10-6 contour (o.b.v. uiteindelijk gekozen windturbinetype) maximaal 183 meter mag zijn.
•
Water; Realisatie van kwetsbare objecten is niet toegestaan.
•
Groen; Realisatie van kwetsbare objecten is niet toegestaan.
Groepsrisico Het Groepsrisico (GR) gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Er geldt voor het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht. In de motivering dienen de mogelijkheden en de
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 62
voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst meegenomen te worden. Het groepsrisico is geen beoordelingskader voor windturbines, maar er kan wel op dit aspect ingegaan worden in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing. De gevolgen van een ongeval voor een groep zijn wezenlijk anders voor een ongeval met gevaarlijke stoffen dan met een ongeval met een windturbine. Bij een ongeval met gevaarlijke stoffen kunnen slachtoffers vallen verspreid over een groot gebied afhankelijk van de wijze waarop de gevaarlijke stof zich verspreidt in de omgeving. Tevens zijn ook de elementen zelfredzaamheid en hulpverlening wezenlijk anders. Bij een ongeval met een windturbine zullen alleen slachtoffers vallen op de plekken waar eventueel afgebroken onderdelen van een windturbine terecht komen, hetgeen een beperkt gebied is. Om bij een ongeval met een windturbine een groep slachtoffers te krijgen moet er dus een grote personendichtheid zijn ter plaatse waar een onderdeel terecht kan komen. Indien er geen aanleiding is om een continue grote personendichtheid te verwachten binnen de contouren van een windturbine (PR 1E-05 / PR 1E-06), dan valt een beoordeling van het groepsrisico van windturbines altijd positief uit. Er lijken in de nabije omgeving geen aanleidingen te zijn om een hoge personendichtheid te verwachten buiten de wegen en gebouwen.
Er is daarom geen aanleiding aanwezig om toetsing aan het groepsrisico voor dit project uit te laten voeren. Indien het bevoegd gezag eist dat het groepsrisico toch berekend moet worden, zal afgestemd moeten worden op welke wijze het groepsrisico berekend dient te worden.
Wegen Rijkswegen Het HRW stelt dat Rijkswaterstaat een vergunning afgeeft indien windturbines worden geplaatst op, in of over rijkswaterstaatwerken. Voor het verlenen van de vergunning hanteert Rijkswaterstaat een afstandseis van ten minste 30 meter of een halve rotordiameter. Beide windturbines bevinden zich op een afstand groter dan de halve rotordiameter (82m) tot rijkswegen (N57), zie Figuur 5.8. De afstand tussen windturbine 2 en de rand van de verharding van de N57 is kleiner dan de maximale bladworpafstand bij nominaal toerental waardoor een individueel passanten risico (IPR) en maatschappelijk risico (MR) berekening benodigd is. De trefkans voor een passerend voertuig bedraagt 2,7E-11 per passage. Dit leidt tot een IPR van 1,3E-08. Dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal IPR van 1E-06 per jaar. Het Maatschappelijk Risico (MR) is bepaald op 2,02E-04 per jaar. Ook dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal MR van 2E03. De jaarlijkse verkeersintensiteit op deze weg zou moeten toenemen van 4,8 miljoen voertuigen tot 47,1 miljoen voertuigen voordat het MR overschreden zou worden. Van deze groei is met zekerheid geen sprake op dit tracé. Lokale wegen Voor overige lokale wegen zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. Ter informatie worden de relevante lokale wegen hier kort benoemd.
Windturbine 1 bevindt zich binnen de halve rotordiameter tot een lokale weg, echter is deze weg eigendom van een van de initiatiefnemers. De lokale weg ten noordoosten van windturbine 2 is van Recreatieschap Voorne Putten Rozenburg. Dit is een lokale weg waar geen significante hoeveelheden verkeer wordt verwacht. Er zijn geen logische Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 63
stopmomenten aanwezig langs deze wegen waarmee er geen langdurige verblijfstijd op deze wegen wordt verwacht. Gezien de zeer beperkte hoeveelheid verkeersbewegingen en de korte verblijfstijd nabij de windturbines zullen de risico’s voor passanten minimaal zijn en is nadere analyse van deze lokale wegen niet benodigd. Voor het fietspad ten noordwesten van windturbine 2 worden ook geen significante hoeveelheden verkeer verwacht. Ter informatie is het IPR en het MR uitgerekend voor een fietsende passant op de minimale afstand van 101 meter. Het IPR bedraagt 2,0E-09 bij 500 passages van een individu per jaar en zelfs bij 1.000 fietsers per dag is het MR nog 2,4E-06. Hiermee wordt ruim worden voldaan aan de eisen die Rijkswaterstaat stelt voor passanten. Figuur 5.8 De relevante wegen ten opzichte van de effectafstanden.
Waterwegen Ook voor waterwegen geldt dat er enkel algemene beleidsregels beschikbaar zijn voor rijkswaterwegen. Voor overige waterwegen zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. Het hart van de dichtstbijzijnde waterweg in de omgeving (Blankenburgse Rak in het Brielse Meer) is gelegen op circa 730 meter afstand en de rand van het water is gelegen op 570 meter afstand. Dit is buiten de maximale onderzoeksafstand (472 meter). Er wordt verwacht dat er geen sprake is van enig risico op waterwegen.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 64
Spoorwegen Binnen de maximale onderzoeksafstand (472 meter) is geen spoorweg aanwezig. De eerste spoorweg in de omgeving ligt op een afstand van ruim 1.000 meter afstand tot de windturbines. Dit is ruim buiten de maximale onderzoeksafstand (472 meter). Er wordt verwacht dat er geen sprake is van enig risico op spoorwegen.
Risicovolle inrichtingen en installaties Binnen de maximale onderzoeksafstand (472 meter) is, conform de informatie op risicokaart 31 geen risicovolle installaties of risicovolle inrichtingen aanwezig. De eerste risicovolle inrichting ligt op een afstand van ruim 700 meter afstand tot de windturbines. Er wordt verwacht dat er geen sprake is van enig risico op risicovolle inrichtingen en installaties.
Buisleidingen Binnen de identificatieafstand bevinden zich meerdere buisleidingen, namelijk: •
Rotterdam-Antwerpen pijpleiding (olie)
•
Rotterdam-Rijn pijpleiding (olie)
•
Gasunie aardgasleiding W-538-01
•
Waterleiding
Gevaarlijke stoffen Voor de drie buisleidingen die olie en gas vervoeren is een trefkansanalyse uitgevoerd voor een worstcase situatie op basis van de bandbreedten voor de windturbines van Windproject Brielse Brug (zie Bijlage 3 voor een nadere toelichting). Uit deze analyse is gebleken dat de buisleidingen een effect van bladworp bij overtoeren ondervinden. Figuur 5.9 geeft een visueel overzicht van de effect cirkels per faalscenario. De trefkans per object is weergegeven in Tabel 5.12.
31
https://www.risicokaart.nl/ Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 65
Figuur 5.9 De effectcirkels van de windturbines per faalscenario en nabijgelegen buisleidingen
Tabel 5.12 Trefkansen per faalscenario en windturbine op de buisleidingen. WT staat voor windturbine. Object
WTG
Gondelfalen
Mastfalen
Bladworp nominaal
Bladworp overtoeren
Totaal32
Rotterdam-Antwerpen Pijpleiding (olie)
2
0
0
0
5,46E-08
5,46E-08
W-538-01 (gas)
2
0
0
0
3,91E-08
3,91E-08
Rotterdam-Rijn Pijpleiding rrp-I9 (olie)
2
0
0
0
4,23E-08
4,23E-08
Volgens het HRW is er geen generieke methode om het aanvaardbare risico van de betreffende buisleiding te bepalen. De additionele risico’s van de trefkans van de turbineonderdelen zullen leiden tot een verandering van de PR contouren van de buisleidingen. De PR contouren van de onderzochte buisleidingen kunnen door de betreffende beheerders (Rotterdam-Antwerpen Pijpleidingmaatschappij, Gasunie en Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij) worden bepaald. Op basis van de PR contouren van de buisleidingen en de resultaten van de trefkansanalyse kan worden beoordeeld of het additionele risico van de windturbine aanvaardbaar is. Het beleid van Gasunie33 stelt dat de grootste waarde van ofwel de bladworpafstand van een nominaal toerental afgebroken rotorblad ofwel de afstand gelijk aan de ashoogte + 1/6 rotordiameter als voldoende veilige afstand. De windturbines van Windproject Brielse Brug voldoen aan deze toetsafstanden. Overleg heeft plaatsgevonden met de Rotterdam-Antwerpen Deze trefkans is een optelling van worst-case scenario’s. Bij een werkelijke turbine zullen de trefkansen naar verwachting lager zijn. 33 Het beleid van Gasunie transport services inzake het veilig plaatsen van windturbines bij haar gasinfrastructuur, 3107-2015, Gasunie transport services 32
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 66
Pijpleidingmaatschappij en Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij. Beide partijen (respectievelijk 29 september 2022 en 21 oktober 2022) hebben aangegeven akkoord te zijn met de positionering van windproject Brielse Brug en de berekende trefkansen. Minder risicovolle tot ongevaarlijke stoffen Volgens het HRW bestaan er geen risicocriteria voor de waterleiding. Deze hoeven in een risicoanalyse dan ook niet te worden beschouwd, omdat het niet gaat het om een effect op de externe veiligheid. Wel kan er sprake zijn van een effect op de betrouwbaarheid van de levering van water. De waterleiding ondervindt alleen een effect van bladworp bij overtoeren met een trefkans van 3,82E-08. Dit komt overeen met een kans van treffen eens in de 26 miljoen jaar tijd, wat als aanvaardbaar wordt gezien voor de waterleiding.
Hoogspanningsinfrastructuren Binnen de maximale onderzoeksafstand (472 meter) is geen infrastructuur voor hoogspanning aanwezig. De dichtstbijzijnde bovengrondse hoogspanningslijn ligt op een afstand van ruim 1.450 meter. Er is geen sprake is van enig risico van de windturbines op hoogspanningsinfrastructuur.
Waterkeringen Tussen de twee windturbines bevindt zich een regionale waterkering van het Waterschap Hollandse Delta. Deze waterkering is een compartimenteringskering, een waterkering dat de functie vervult bij een doorbraak van een primaire waterkering doordat ze een dijkring (tijdelijk) compartimenteren. Voor de compartimenteringskering geldt dat deze binnen de maximale onderzoeksafstand (472 meter) van de windturbines ligt (zie Figuur 5.10). Voor de compartimenteringskering en zijn beschermingszones is een risicoanalyse uitgevoerd (zie Bijlage 3). Hierin zijn de totale trefkans per faalscenario per object berekend. De resulterende trefkansen zijn voorgelegd aan Waterschap Hollandse Delta. Daaruit volgde dat het gedeelte van de waterkering dat een effect kan ondervinden van WTG 2 dermate breed is, dat de trefkans geen probleem is voor de waterveiligheid. Voor de westelijke turbine, WTG 1, levert volgens het waterschap een trefkans in de orde van 1E-05 (dus kleiner dan 1E-04) geen problemen op voor de waterveiligheid (zie ook bijlage 10). Op het gebied van waterveiligheid is de huidige opstelling van de windturbines goedgekeurd.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 67
Figuur 5.10: Waterkeringen in de omgeving van de windturbines Windproject Brielse Brug
Kwalitatieve analyse ijsafworp scenario Op 1 tot 2 dagen per jaar kunnen de weeromstandigheden in Nederland zodanig zijn dat er sprake is van significante ijs aangroei aan de windturbinebladen. Bij het loskomen van deze ijsblokken kunnen gevaarlijke situaties ontstaan voor onbeschermde personen of door schrikreacties tijdens transport. Moderne windturbines zijn veelal voorzien van systemen die kunnen detecteren of er sprake is van aangroeiend ijs en/of weersomstandigheden waarbij ijsaangroei kan worden verwacht. Bij het merendeel van de aanwezige windturbines in Nederland hoeven geen specifieke maatregelen te worden genomen om ijsaangroei te voorkomen of het vallen van ijs te voorkomen doordat de meeste windturbines worden geplaatst in open agrarische gebieden waar weinig aanwezigheid van personen wordt verwacht. Indien ijsworp toch dient te voorkomen dient de windturbine te worden stilgezet indien significante ijsaangroei aanwezig is. Het voorkomen van gevaarlijke situaties en het verplicht moeten stilzetten van windturbines is reeds geregeld in de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Om te analyseren of de omgeving gevoelig kan zijn voor ijsworp of ijsval wordt gekeken naar de directe omgeving van de windturbines tot aan een afstand gelijk aan de tiphoogte voor de beoordeling van ijsworp en waarbij ijsval relevant is binnen een afstand van een halve rotordiameter plus circa 11 meter. Binnen de zone van een tiphoogteafstand bevindt zich de Provinciale weg N57 en enkele bedrijven op bedrijventerrein Seggelant. Er wordt daarom geadviseerd om een goed ijsdetectiesysteem wat ijsaangroei aan de bladen detecteert en de windturbine stilzet bij significante aangroei aan de windturbines. Met behulp van een dergelijk protocol is er geen sprake meer van significante veiligheidsrisico’s.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 68
Indien de rotor niet draait wordt ijsval verwacht tot een zone van circa een halve rotordiameter plus 11 meter als afglij- en dwarrelzone. Vanwege de nabijgelegen hoofdwegen (N57) wordt geadviseerd om een ijsprotocol op te stellen. Hierin kan dan onder andere worden geregeld hoe de windturbine gepositioneerd moeten worden bij ijsaangroei zodat het afdwarrelende ijs geen gevaar voor de omgeving vormt. Het gebruik van de lokale wegen door passanten wordt zodanig laag geacht dat hiervoor geen maatregelen genomen hoeven te worden. Daar komt nog bij dat onbeschermde personen (niet in een auto) tijdens dergelijke winterse omstandigheden veel minder vaak aanwezig zullen zijn op de betrokken lokale wegen.
5.4.3 Conclusie De veiligheidsrisico's zijn onderzocht. Vanuit externe veiligheid is het plan ruimtelijk inpasbaar en haalbaar. Er wordt voldaan aan de gehanteerde norm van PR 1E-06 voor kwetsbare objecten en PR1E-05 voor beperkt kwetsbare objecten. Ter voorkoming van toekomstige kwetsbare objecten binnen de PR10-6, mag de PR10-6 contour van de windturbine 1 maximaal 183 meter bedragen, oftewel vanaf windturbine bezien tot aan de rand van het bestemde bedrijventerrein. Deze maximale PR10-6 contour wordt door middel van een bouwvoorschrift in de omgevingsvergunning vastgelegd. De concreet te bouwen windturbine moet een maximale PR10-6 van 183 meter hebben. De buisleidingen in de omgeving van Brielle hebben alleen een trefkans van bladworp overtoeren en voldoen hiermee dus aan het beleid van de Gasunie. Bovendien voldoen de windturbineposities aan de toetsafstand van de grootste waarde van ofwel de bladworpafstand van een nominaal toerental afgebroken rotorblad ofwel de afstand gelijk aan de ashoogte + 1/6 rotordiameter. Tot slot heeft er overleg plaatsgevonden met de Rotterdam-Antwerpen Pijpleidingmaatschappij en Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij. Beide partijen (respectievelijk 29 september 2022 en 21 oktober 2022) hebben aangegeven akkoord te zijn met de positionering van windproject Brielse Brug.
Er is met de waterschap Hollandse Delta, de dijkbeheerder, gesproken over de trefkansen op de waterkering. Daaruit volgde dat het gedeelte van de waterkering dat een effect kan ondervinden van WTG 2 dermate breed is, dat de trefkans geen probleem is voor de waterveiligheid, Voor de westelijke turbine, WTG 1, levert volgens het waterschap een trefkans in de orde van 1E-05 (dus kleiner dan 1E-04) geen problemen op voor de waterveiligheid. Op het gebied van waterveiligheid is deze opstelling goedgekeurd. Met behulp van een ijsdetectiesysteem en ijsprotocol worden significante veiligheidsrisico’s door ijsworp voorkomen. Rekening houdend met de voorschriften is er is sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect externe veiligheid.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 69
5.5 Gezondheid 5.5.1 Toetsingskader Er bestaat een relatie tussen milieu en gezondheid. Ook andere factoren dan milieufactoren zijn van invloed op de gezondheid van mensen, denk aan roken, beweging en het binnenklimaat van woningen. Uit ervaring bij projecten voor windenergie blijkt dat er bij omwonenden zorgen kunnen bestaan over de mogelijke gevolgen van windenergie op de kwaliteit van de leefomgeving. In deze paragraaf wordt daarom het onderwerp windenergie in relatie tot gezondheid nader belicht. Windturbines worden regelmatig in verband gebracht met een verscheidenheid aan gezondheidsproblemen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er een onderscheid is tussen hinder en effecten op gezondheid, hoewel er wel een verband tussen beide bestaat. Hinder kan worden ondervonden, terwijl er geen sprake hoeft te zijn van gezondheidseffecten. (Ernstige) hinder zou kunnen leiden tot gevoelens van irritatie, boosheid en onbehagen en als gevolg daarvan tot gezondheidseffecten (zoals bijvoorbeeld slaapverstoring of hoge bloeddruk). Het aspect gezondheid maakt impliciet deel uit van eerdere paragrafen in dit hoofdstuk, aangezien de normen die zijn opgesteld voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid het doel hebben mensen te beschermen tegen onaanvaardbare hinder. Bij het vaststellen van die normen speelden gezondheidsaspecten een rol.
Voor het aspect gezondheid op zich bestaat er geen wettelijk toetsingskader. Wel zijn er in de loop der jaren meerdere wetenschappelijke studies uitgevoerd.
5.5.2 Onderzoek In paragraaf 5.2, 5.3, en 5.4 is al ingegaan op (hinder)aspecten die mede van belang kunnen zijn voor het effect op de gezondheid en bijbehorende wettelijke normen. Dit betreft de aspecten geluid, slagschaduw en veiligheid. In paragraaf 5.2 wordt ook al specifiek in gegaan op laagfrequent geluid, wat regelmatig wordt aangehaald als gezondheids- en hinder aspect in relatie tot windturbines. Voor deze aspecten is aangetoond dat het windproject voldoet aan de geldende normen en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening op de individuele aspecten. Naast de geldende normen zijn er talrijke studies naar gezondheidseffecten van windturbines uitgevoerd. Juist omdat het om gezondheid gaat, wordt alleen gebruik gemaakt van die studies waaraan in belangrijke mate door onafhankelijke medici of gezondheidsinstituten is meegewerkt. Hieronder worden de meest relevante aspecten rondom gezondheid in relatie tot de ruimtelijke inpassing van de windturbines kort aangehaald.
Geluid Wetenschappelijke studies laten zien dat er geen significante relatie is gevonden tussen gezondheidseffecten en windturbinegeluid34, 35 & 36. Wel kunnen windturbines hinder (geluid, zicht, gevoel van onrechtvaardigheid) veroorzaken. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er een verband bestaat tussen de totale hinder en gezondheidsklachten, maar er kunnen nog geen conclusies worden getrokken
34
"Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden", GGD Informatieblad medische milieukunde Update 2013; RIVM rapport 200000001/2013. Geraadpleegd van: http://www.rivm.nl/ 35 “Health effects related to wind turbine sound: an update”, oktober 2020, RIVM rapport 2020-0150. Geraadpleegd van: https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2020-0150.pdf 36 https://www.rivm.nl/sites/default/files/2021-08/Factsheet-windturbines.pdf Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 70
over de richting van dit verband: hebben mensen die ernstig worden gehinderd door windturbinegeluid meer gezondheidsklachten of worden mensen met gezondheidsklachten meer gehinderd door windturbinegeluid? In diverse onderzoeken is gevonden dat slaapverstoring en andere gezondheidseffecten van omwonenden van windparken gerelateerd kunnen zijn aan hinder, in plaats van directe blootstelling aan geluid van een windturbine. De gezondheidsklachten houden voornamelijk verband met een scala aan niet-akoestische factoren en minder met het feitelijke blootstellingsniveau. Voor andere gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen, mentale gezondheid en cognitieve effecten is niet voldoende bewijs gevonden.
Economische aspecten Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines. Omwonenden met een economisch voordeel van de windturbines ervaren over het algemeen minder hinder34.
Lichtschitteringen Wanneer de zon op de turbine schijnt, kan het zonlicht reflecteren op de rotorbladen in de richting van de beschouwer. Tegenwoordig worden windturbines uitgevoerd met een anti-reflecterende coating, zodat lichtschittering niet optreedt. RIVM (2013) bevestigt dit ook in haar informatieblad 34.
Elektromagnetische velden Elektrische, magnetische en elektromagnetische velden komen overal voor. Bekende natuurlijke vormen zijn Uv-straling (zon), infrarode straling (warme voorwerpen) en zichtbaar licht. Elektromagnetische velden zijn ook aanwezig bij bijvoorbeeld huishoudelijke elektrische apparaten, zoals de magnetron en de stofzuiger, en bij het transport van elektriciteit over lange afstanden (via hoogspannings-verbindingen). De sterkte van elektromagnetische velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Ook rondom de gondel en de kabels die de windturbine koppelen aan het hoogspanningsnet kunnen magnetische velden voorkomen. Het Landelijke Centrum Medische Milieukunde (LCM) adviseert situaties te voorkomen waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla. Dit advies richt zich op alle bronnen van magnetische velden die samenhangen met de elektriciteitsvoorziening37. Een windturbinegondel (boven op de mast) kan een hoge veldsterkte hebben, maar deze bevindt zich op een grote verticale afstand van plekken waar mensen langdurig verblijven (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen). Recht boven kabels is de veldsterkte in de regel niet hoger dan 1 microtesla, maar deze kabels liggen nooit onder gebouwen waar mensen langdurig verblijven.
Het is dan ook niet aan de orde dat de windturbine en de daarbij behorende kabels veldsterkten veroorzaken boven 0,4 microtesla op plaatsen waar mensen langdurig verblijven. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat elektromagnetische velden die in de buurt van windturbines en de daarbij behorende ondergrondse
37
LCM Landelijk Centrum Medische Milieukunde, (2006) Standpunt ELF-EM velden elektriciteitsvoorziening en gezondheid Hoogspanningslijnen – Onderstations – Transformatorhuisjes. Definitieve versie, 21 juni 2006. Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 71
kabelverbindingen voorkomen, een gezondheidsrisico vormen. Het Kennisplatform EMV bevestigt deze conclusie ook in hun memo38. Op grond van de normen die gehanteerd worden voor windturbinegeluid, slagschaduw en externe veiligheid wordt al een zodanige afstand tussen windturbines en bebouwing aangehouden dat er geen sprake is van elektromagnetische hinder van de windturbines.
Trillingen Op grond van ervaringen op land blijkt dat fundaties van windturbines geen hinderlijke trillingen doorgeven aan de ondergrond en de omgeving. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft in een brief het volgende laten weten (2013)39: "de bewering in enkele literatuurbronnen dat ook overdracht door de grond plaats vindt is ongegrond, hetgeen blijkt uit nauwkeurige metingen van trillingsniveaus in de bodem rondom windturbines". Het Geo-Consultancy bureau Fugro heeft in het verleden bij een aantal windturbines verspreid over Nederland trillingsmetingen uitgevoerd met als doel het inzichtelijk maken van de optredende trillingsintensiteiten tijdens de regulier in bedrijf zijn van de windturbine40. Over de bevindingen van destijds heeft Furgo in briefrapportage gerapporteerd. Fugro heeft metingen verricht bij de volgende locaties: •
Afrikahaven te Amsterdam. In oktober/november 2008 zijn metingen bij een drietal opgestelde 3 MW windturbines uitgevoerd;
•
Noordland (eiland Neeltje Jans/ Roompot). In januari/februari 2009 zijn metingen bij een tweetal 3 MW turbines uitgevoerd;
•
Eemshaven. In de periode januari – mei 2013 uitgebreide metingen (25 meetlocaties) bij een opgestelde 6 MW windturbine uitgevoerd.
Op basis van de resultaten van de hierboven beschreven metingen concludeert Fugro dat de invloed van trillingen bij het in gebruik zijn van de windturbines binnen een afstand van circa 15 tot 20 meter uit de windturbine nog enige invloed kan hebben, daarbuiten is deze invloed verwaarloosbaar.
Fijnstof Windturbines stoten uiteraard zelf geen fijnstof uit. Fijnstof is vooral afkomstig van wegverkeer en industrie. Windturbines hebben (mogelijk) een effect op de verspreiding van fijnstof doordat de wind in de zog achter de windmolen een hogere mate van turbulentie bevat, waardoor het verspreidingsgebied vergroot kan worden. De verspreiding van fijnstofuitstoot door verkeer heeft vanwege de grote horizontale afstand tussen ontvangers en windturbines geen significant negatief effect. De mate van verspreiding van industriële uitlaatgassen neemt toe als de afstand tussen een emissiebron en de windturbines kleiner is. De verspreiding neemt ook toe als de schoorsteen hoger is dan de as van de windturbine. Uit een onderzoek bij Tata Steel bleek dat bij een afstand van meer dan 1,5 kilometer vanaf de windturbines geen significante effecten waarneembaar zijn. Binnen 1,5 kilometer van Windproject Brielse Brug zijn geen emissiebronnen met hoge schoorstenen aanwezig.
Neodymium In zienswijzen wordt regelmatig aandacht gevraagd voor het gebruik van neodymium in windturbines, ook in relatie tot gezondheid. Neodymium is een zeldzaam aardmetaal en wordt ook gebruikt voor de “Memo Elektromagnetische velden van windturbines” (2014) Bron: https://www.kennisplatform.nl/elektromagnetische-velden-vanwindturbines/ 39 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU (2013) Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33612-22.html 40 Fugro Geoservices BV, Aspect trillingen windpark Drentse Monden – Oostermoer, kenmerk 1016-0910000.B01v3/ASN, 12 december 2016 38
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 72
permanent magneten in windturbines met een 'direct drive' mechanisme (zonder tandwielkast). In bepaalde gebieden waar neodymium wordt gewonnen wordt gerapporteerd over gezondheidseffecten ter plaatse als gevolg van de verwerking van de radioactieve materialen die bij de winning van neodymium vrijkomen. Er is echter geen bewijs voor een relatie tussen de aanwezigheid van neodymium in windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Neodymium zelf is geen radioactief materiaal.
SF6 gas De Telegraaf concludeert in het artikel van 29 oktober 2019 (Windmolen lekt schadelijk gas) dat het toenemend gebruik van het gas zwavelhexafluoride – SF6 - een onbedoeld, maar direct gevolg is van de transitie naar duurzame energie. Het artikel baseert zich op een bericht van de BBC waarin een studie door de Cardiff University naar het Britse elektriciteitsnet wordt aangehaald. Hierin wordt gesteld dat de toename in het gebruik van SF6 een direct gevolg is van de groei van duurzame energiesector. Het klopt dat SF6 wordt toegepast in uiteenlopende onderdelen van het energiesysteem om kortsluiting te voorkomen. Andere fluoride-gassen worden gebruikt in verhittings- en koelapparatuur, zoals koelkasten, warmtepompen en airconditioners. Het BBC artikel stelt dat SF6 voornamelijk door lekkages terechtkomt in de atmosfeer. Bij windturbines kunnen deze lekkages ontstaan door mechanisch falen, slijtage van machines of tijdens onderhoud of ontmanteling van een windturbine. Ter voorkoming van vrijkomen van SF 6 in de atmosfeer wordt het bij reparatie en ontmanteling afgevangen. Vervolgens wordt het hergebruikt in nieuwe apparaten. Onderzoek van WindEurope41 wijst uit dat alle 100.000 windturbines in Europa jaarlijks naar schatting 150 kilo aan SF6 lekten in de afgelopen zes jaar. Dit staat gelijk aan een jaarlijkse uitstoot van 3.525 ton CO2.
Om dit in perspectief te plaatsen: deze 100.000 windturbines bespaarden in dat jaar 255 miljoen ton aan CO2 door 336 TWh aan groene stroom op te wekken. De lekkage van SF 6 vormt dan ook slechts fractie, namelijk 0,001%, van de vermeden uitstoot van CO2. Er is geen bewijs voor een relatie tussen de eventuele (zeer minimale) lekkage van SF 6 uit windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Windturbines zorgen juist voor een groot aandeel in vermeden emissies van CO2 omdat de elektriciteit duurzaam wordt opgewekt. Desondanks is het de verantwoordelijkheid van de windsector om het gebruik van SF 6 waar mogelijk te verminderen en waar dit om praktische redenen niet mogelijk is te zorgen dat het risico op lekkages zo klein mogelijk is. Diverse alternatieven voor SF6 worden momenteel onderzocht, zoals nieuwe combinaties van schone gassen.
41
https://windeurope.org/newsroom/news/wind-energy-and-sf6-in-perspective/ Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 73
5.5.3 Conclusie Windturbines kunnen bij individuen wel tot het ervaren van hinder leiden en daardoor indirect tot gezondheidseffecten. Er is echter geen rechtstreeks verband tussen windturbines en gezondheidseffecten aangetoond. Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines. Gelet op de uitkomsten van de onderzoeken naar de effecten op de omgeving (zoals geluid en slagschaduw) kan geconcludeerd worden dat het windproject gerealiseerd kan worden binnen de geldende wet- en regelgeving en is er voor de desbetreffende aspecten sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Er is voor het aspect gezondheid dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 74
5.6 Ecologie 5.6.1 Toetsingskader De (wettelijke) bescherming van ecologische waarden verloopt via twee sporen: gebiedsbescherming en soortenbescherming. De soorten- en gebiedsbescherming staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking.
Gebiedsbescherming Bij gebiedsbescherming is onderscheid te maken in planologische- en wettelijke bescherming. De wettelijke bescherming is verankerd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Dit betreft de zogenaamde Natura 2000-gebieden. De planologische bescherming is verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Dit betreft het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de ecologische verbindingszones en de gebieden met zeldzame natuurbeheertypen (weidevogelgebieden of ganzenrustgebieden). Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (IDH’s) vastgelegd voor de plant- en diersoorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten, zoals de realisatie van windturbines, in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde IDH’s zijn uitgesloten (zie Kader 5.5). De Nederlandse Natura 2000-gebieden maken ook onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Kader 5.5 Gunstige staat van instandhouding en 1%-mortaliteitsnorm
In het kader van de Wnb moet beoordeeld worden of de realisatie van windproject Brielse Brug, op zichzelf of in samenhang met andere plannen en projecten in de omgeving, (significant) negatieve effecten kan hebben op het behalen van de IHD’s van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (in het kader van Wnb gebiedenbescherming) en/of sprake kan zijn van een effect op de gunstige staat van instandhouding (GSI) (in het kader van de Wnb soortenbescherming). Voor het beoordeling van de gevolgen door het optreden van aanvaringsslachtoffers is de basis hiervoor het 1%-criterium (verder 1%-mortaliteitsnorm) van het Ornis Comité. Volgens dit criterium kan iedere tol van minder dan 1% van de totale jaarlijkse sterfte van de betrokken populatie (gemiddelde waarde) als kleine hoeveelheid worden beschouwd. Het aantal aanvaringsslachtoffers is in dat geval verwaarloosbaar klein. Wanneer de voorspelde sterfte onder deze 1%-mortaliteitsnorm blijft kan een effect op het behalen van de IHD’s in Natura 2000-gebieden of de GSI van de betrokken populatie met zekerheid uitgesloten worden. Bij de beoordeling is rekening gehouden met de huidige staat van instandhouding van deze populaties.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 75
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen. De begrenzing en het beschermingsregime van het NNN is vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening.
Soortenbescherming Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Wnb. De bescherming van flora en faunasoorten is in de Wnb opgedeeld in twee beschermingscategorieën: •
Strikt beschermde soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (art. 3.1) en soorten van de Habitatrichtlijn (art. 3.5).
•
Overige beschermde soorten: nationaal beschermde soorten (art. 3.10).
Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, verstoren, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is. Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Voor de verdere uitgangspunten en achtergronden van het natuuronderzoek (natuurtoets), zo ook voor de uitgebreide weergave van de resultaten van onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 5.
5.6.2 Onderzoek Natura 2000-gebieden In de wijde omgeving van Windproject Brielse Brug liggen meerdere Natura 2000-gebieden. Wanneer soorten (vogels) uit Natura 2000-gebieden gebruik maken van het plangebied of hier overheen vliegen, kunnen zij mogelijk negatieve effecten ondervinden van de beoogde windturbines. Aan de hand van de maximale foerageerafstanden van de betrokken vogelsoorten, namelijk 70 kilometer, is bepaald welke Natura 2000-gebieden en bijbehorende IHD’s in deze zin binnen de invloedsfeer van Windproject Brielse Brug kunnen liggen. Binnen 70 km van Windproject Brielse Brug liggen, op volgorde van afstand tot het plangebied, de volgende Natura 2000-gebieden: •
Solleveld & Kapittelduinen circa 8 km ten noordwesten van het plangebied;
•
Haringvliet circa 9 km ten zuiden van het plangebied;
•
Voornes Duin circa 9 km ten westen van het plangebied;
•
Oude Maas circa 9 km ten oosten van het plangebied;
•
Voordelta circa 10 km ten zuidwesten van het plangebied;
•
Duinen Goeree & Kwade Hoek circa 13 km ten zuidwesten van het plangebied;
•
Grevelingen circa 16 km ten zuidwesten van het plangebied;
•
Krammer-Volkerak circa 23 km ten zuidoosten van het plangebied;
•
Oudeland van Strijen circa 23 km ten zuidoosten van het plangebied;
•
Hollands Diep circa 24 km ten zuidoosten van het plangebied;
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 76
•
Oosterschelde circa 24 km ten zuidwesten van het plangebied;
•
Boezems Kinderdijk circa 29 km ten oosten van het plangebied;
•
De Wilck circa 34 km ten noordoosten van het plangebied;
•
Biesbosch circa 35 km ten zuidoosten van het plangebied;
•
Donkse Laagten circa 37 km ten oosten van het plangebied;
•
Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein circa 40 km ten noordoosten van het plangebied;
•
Zoommeer circa 42 km ten zuiden van het plangebied;
•
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck circa 44 km ten noordoosten van het plangebied;
•
Brabantse Wal circa 45 km ten zuidoosten van het plangebied;
•
Markiezaat circa 45 km ten zuidoosten van het plangebied;
•
Veerse Meer circa 45 km ten zuidwesten van het plangebied;
•
Yerseke en Kapelse Moer circa 45 km ten zuidwesten van het plangebied;
•
Westerschelde & Saeftinghe circa 50 km ten zuidwesten van het plangebied;
•
Zouweboezem circa 54 km ten noordoosten van het plangebied;
•
Oostelijke Vechtplassen circa 64 km ten noordoosten van het plangebied.
Andere Natura 2000-gebieden liggen op een afstand van meer dan 70 km van Windproject Brielse Brug en kunnen effecten op deze Natura 2000-gebieden, gezien de afstand, op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. In Figuur 5.11 zijn de nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven (<25 km). Figuur 5.11: Natura 2000-gebieden in de wijde omgeving van Windproject Brielse Brug
* Bron: Natuurtoets (Bijlage 3)
Als de bouw of het gebruik van de windturbines negatieve effecten heeft op het behalen van IHD’s van Natura 2000-gebieden, is een vergunning op grond van de Wnb vereist. Ook kunnen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen, te verminderen of te compenseren nodig zijn.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 77
Door Bureau Waardenburg is een ecologisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 5). Voor Natura 2000gebieden is onderzocht of er een reële kans bestaat op significant negatieve effecten op het behalen van de IDH’s of dat het optreden van significant negatieve effecten met zekerheid kan worden uitgesloten. Uit de natuurtoets blijkt dat twee windturbines met zekerheid geen (significant) negatieve effecten op het behalen van de IDH’s van alle habitattypen en soorten van Bijlage II Habitatrichtlijn, broedvogels en nietbroedvogels van Natura 2000-gebieden in de omgeving hebben. Stikstof Daarnaast wordt bij de bouw van windturbines stikstof uitgestoten dat voornamelijk plaatsvindt in de aanlegwerkzaamheden door vracht- en kraanwagens. Wanneer deze stikstof neerslaat in een Natura 2000-gebied dat is aangewezen voor stikstofgevoelige habitattypen en/of voor soorten die afhankelijk zijn van een stikstofgevoelig habitat, kan dit leiden tot negatieve effecten op het behalen van de IHD’s voor deze habitattypen en/of soorten. In bijlage 11 zijn de resultaten van een AERIUS-berekening naar stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden ten gevolge van windproject Brielse Brug opgenomen. Hierin zijn aanleg van de windturbines, toegangswegen, inkoopstation, kabels en transport van onderdelen en personeel meegenomen.
De berekende depositietoename als gevolg van de windproject Brielse Brug bedraagt 0,00 mol/ha/jr. Op basis hiervan kunnen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000 gebieden uitgesloten worden. Tijdens de gebruiksfase zullen er op jaarlijkse basis minder mobiele werktuigen en transportbewegingen worden ingezet vergeleken met de aanleg van het windproject. Bovendien wordt er in de gebruiksfase gebruik gemaakt van minder zwaar en vervuilend transport. Daarom zijn negatieve effecten opstikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden in Natura 2000-gebieden ook uitgesloten in de gebruiksfase.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) De twee windturbines zijn niet gelegen binnen de grenzen van het NNN. Ruimtebeslag (areaalverlies) door de bouw van de twee geplande windturbines is daarmee uitgesloten. Wel zijn gebiedsdelen van het NNN gelegen in de nabije omgeving van de geplande windturbines (zie Figuur 5.12). Dit betreft een ecologische verbinding op ongeveer 700 m afstand ten westen van de westelijke geplande windturbine en op ongeveer 2 km ten zuidoosten van de oostelijke geplande windturbine, bij de plaats Zwartewaal. Verstoring in de vorm van aantasting door overdraai van de windturbines of aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden is vanwege de voornoemde relatief grote afstand tussen voornoemde gebieden en beide windturbines op voorhand uit te sluiten. De provincie Zuid-Holland kent geen externe werking voor het NNN.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 78
Figuur 5.12: NNN in de directe omgeving van Windproject Brielse Brug
* Bron: Natuurtoets (Bijlage 3)
Overige gebiedsbescherming Direct rondom de turbineposities zijn geen door de provincie beleidsmatig beschermde natuurgebieden aanwezig. Op een ruimere afstand (>2,5 km) tot het plangebied zijn wel weidevogelgebieden gelegen. Effecten van de bouw en gebruik van de twee windturbines van Windproject Brielse Brug op dergelijke gebieden zijn vanwege voornoemde relatief grote afstand op voorhand met zekerheid uit te sluiten.
Beschermde soorten In principe zijn bijna alle vogelsoorten en vleermuizen soorten beschermd op grond van de Wnb. Als gevolg van windturbines kan verstoring optreden en kunnen aanvaringsslachtoffers optreden. Sterfte van vogels als gevolg van aanvaringen met windturbines wordt gezien als het opzettelijk doden van vogels en dus als een overtreding van de verbodsbepaling genoemd in Artikel 3.1 lid 1 van de Wnb. Ook is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (Artikel 3.1 lid 2). Daarnaast geldt dat aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen een overtreding is van de verbodsbepaling genoemd in Artikel 3.5 lid 1 van de Wnb. Ook hier geldt een verbodsbepaling van Artikel 3.5 lid 2 en lid 4 om vleermuizen opzettelijk te verstoren en verblijfsplaatsen te beschadigen of vernielen. Omdat in ieder windpark (hoe klein ook) sprake is van aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen dient voor ieder windpark ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van deze verbodsbepaling. Daarnaast worden overige soorten beschermd via Artikel 3.10 lid 1 van de Wnb maar kan de provincie vrijstelling verlenen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 79
Vogelsoorten Als werkzaamheden ten behoeve van de bouw van beide windturbines plaatsvinden in het broedseizoen, kan niet op voorhand worden uitgesloten dat verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1 lid 2 van de Wnb worden overtreden. Deze overtreding van verbodsbepalingen kan voorkomen worden door enerzijds werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (maart tot met haf augustus) en anderzijds, wanneer er toch gewerkt moet worden, een deskundig ecoloog in te schakelen, voor aanvang van het broedseizoen het plangebied ongeschikt te maken voor broedvogels of voor aanvang van het broedseizoen het plangebied structureel te verstoren, om vestiging van broedende vogels te voorkomen. Omdat in ieder windproject (hoe klein ook) sprake is van kans op het optreden van aanvaringsslachtoffers onder vogels dient voor Windproject Brielse Brug een ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van de verbodsbepaling in Artikel 3.1 lid 1. De benodigde ontheffing Wnb is voor de twee windturbines al aangevraagd. In de Natuurtoets (Bijlage 5) is bepaald dat het aantal vogelslachtoffers in Windproject Brielse Brug maximaal 10 slachtoffers per windturbine per jaar zal bedragen. Uitgaande van het onderhavige plan betekent dit dat de jaarlijks voorspelde sterfte (maximaal) 20 vogelslachtoffers zal bedragen.
Ter onderbouwing van een ontheffingsaanvraag is een lijst met vogelsoorten opgesteld waarvoor sterfte in Windproject Brielse Brug wordt voorzien. Het gaat hierbij om de voorzienbare sterfte van 13 lokale vogelsoorten die binding hebben met het plangebied en 123 vogelsoorten op seizoenstrek. Tevens ie er een inschatting gemaakt van het effect van de sterfte per soort op de GSI (zie ook Kader 5.5) van de betrokken populaties(s) door de additionele sterfte in Windproject Brielse Brug. Uit de natuurtoets wordt onderbouwd dat de voorzienbare sterfte voor geen van de betrokken soorten een effect kan hebben op de GSI. Er is dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat de ontheffing niet verleend kan worden. Vleermuissoorten Binnen het plangebied van Windproject Brielse Brug bevinden zich geen potentiële paar- en verblijfplaatsen binnen de effectafstand van de windturbinelocaties Geen van de twee windturbines gaat ten koste van essentieel foerageergebied van vleermuizen. Effecten op paar- en verblijfplaatsen zijn uitgesloten. Windproject Brielse Brug gaat niet ten koste van essentieel foerageergebied van vleermuizen. Daarnaast staan de windturbines ook niet in een belangrijke vliegroute. Negatieve effecten tijdens de bouw of het gebruik van Windproject Brielse Brug op verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn uitgesloten.
Een overtreding van de verbodsbepaling in Artikel 3.5 lid 2 en lid 4 zijn daarmee niet aan de orde. Omdat in ieder windproject (hoe klein ook) sprake is van aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen dient voor Windproject Brielse Brug een ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van de verbodsbepaling in Artikel 3.5 lid 2. In de Natuurtoets (Bijlage 5) is bepaald dat de windturbines leiden in de gebruiksfase tot sterfte van zes vleermuizen per jaar bij beide turbines samen. Het gaat op jaarbasis om ongeveer één gewone dwergvleermuis en ongeveer vijf ruige dwergvleermuizen en (uiterst) incidenteel om de rosse vleermuis (hooguit enkele exemplaren gedurende de looptijd van het windproject). Het is uitgesloten dat Windproject Brielse Brug op zichzelf effecten heeft op de GSI van de lokale populaties van de betrokken soorten. Echter is het niet uit te sluiten dat in cumulatie met andere windprojecten er geen effect is op de GSI. Windproject Brielse Brug zal een stilstandsvoorziening voor vleermuizen toepassen. Een stilstandsvoorziening voor vleermuizen kan het aantal vleermuisslachtoffers drastisch verminderen (≤1 per vleermuissoort) waarbij Windproject Brielse Brug niet tot nauwelijks bijdraagt aan cumulatie en zijn negatieve effecten op de GSI door het initiatief met zekerheid uit te sluiten.