OMG - Bijlage 5A - ruimtelijke onderbouwing v5
Tekst van het document
Voor het kunnen aanbesteden van de aankoop van de windturbine is het noodzakelijk dat er verschillende leveranciers en/of verschillende type turbines mee kunnen doen aan de aanbesteding. In het geval de keuze nu al wordt gemaakt voor één bepaald type turbine, dan is er voor de initiatiefnemers op voorhand al een slechte positie bij de aanbesteding.
•
Daarnaast is een vergunning niet meer bruikbaar in het geval de bepaalde type windturbine, waarvoor een vergunning is verleend, door een leverancier uit productie wordt genomen.
De effecten op de omgeving door de aanleg en exploitatie van de windturbines, voor bijvoorbeeld geluid en slagschaduw, zijn nu onderzocht op basis van een referentieturbine. Na vergunningverlening wordt een turbinetype geselecteerd. Daarvoor wordt aangetoond dat de effecten op de omgeving van de te realiseren windturbines niet groter zijn dan wat is onderzocht en vergund. Beide windturbines zullen onderling vergelijkbaar zijn. De twee windturbines worden gerealiseerd op de percelen in eigendom van initiatiefnemers. In Tabel 4.2 staan de coördinaten en de percelen waarop de windturbines worden gerealiseerd. Binnen de bandbreedte van afmetingen in Tabel 4.1 is een windturbine te realiseren met een vermogen van circa 5 tot 7 MW. In Bijlage 1 zijn visualisaties opgenomen van Windproject Brielse Brug. Beide windturbines van Windproject Brielse Brug zullen van hetzelfde type zijn en een gelijke kleur en verschijningsvorm hebben. De verhouding tussen ashoogte en rotordiameter zal bij benadering 1:1 zijn. Er is geen hekwerk nodig zijn om de windturbines af te schermen. Tabel 4.1: Afmetingen windturbines Eigenschap
Minimaal (in meters)
Maximaal (in meters)
Ashoogte
149
167
Rotordiameter
149
164
Tiphoogte
230
249
Tabel 4.2: Coördinaten windturbines (Rijksdriehoekstelsel) Kadastrale gegevens Windturbine
X-coördinaat
Y-coördinaat
Kadastrale gemeente
Sectie
Perceelnummer
Windturbine 1
73.026
434.800
Brielle
F
104
Windturbine 2
73.379
434.586
Brielle
F
1137
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 24
Figuur 4.3: Illustratie van de beoogde windturbines (bandbreedte)
Bron: Pondera
Windturbinefundering De windturbines worden bevestigd op een fundament. Elk windturbinetype heeft een eigen principe ontwerp van het fundament dat op basis van locatie specifieke eigenschappen (grondwaterstand en draagkracht) nader uitgewerkt zal worden. Dit fundament wordt onderheid met palen. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe de exacte opbouw van de fundatie eruit zal zien. Hieronder is wel funderingsprincipe tekening opgenomen. Er wordt uitgegaan van een fundatie met een maximale diameter van 30 meter en een maximale hoogte van 2 meter boven maaiveld. De principefundatie is weergegeven in Figuur 4.4. Het fundament voor het uiteindelijke windturbinetype blijft binnen deze afmetingen. In het geval de fundering in het definitieve ontwerp boven maaiveld uit zal komen zal de fundering, afhankelijk van het ontwerp en windturbinetype, in het landschap worden opgenomen door inpassing in groen of de realisatie van een terp. Een nadere detaillering over de landschappelijke inpassing van de fundering zal volgen in het
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 25
definitieve ontwerp dat voorafgaand aan de start van de bouw ter goedkeuring aan het bevoegd gezag zal worden voorgelegd. Figuur 4.4 Principetekening fundament (indicatief)
4.3 Kraanopstelplaats en ontsluiting Het plan omvat naast de te plaatsen windturbines ook de bij de windturbines behorende voorzieningen zoals een kraanopstelplaats voor bouw en onderhoud. De kraan wordt gebruikt tijdens de bouw, maar moet ook voor onderhoud aan de windturbine tijdens de exploitatiefase. De locatie van de windturbine dient voldoende bereikbaar te zijn voor de bouw en voor onderhoud en daarmee dient ook de aanvoerroute van materialen voldoende breed te zijn (doorgaans circa 4-5 meter, uitgezonderd bochten en kruisingen met andere wegen). De exacte positionering en technische uitwerking (waaronder minimale draagkracht) van de kraanopstelplaatsen en toegangswegen wordt in een later stadium bepaald tijdens de detailengineering. De kraanopstelplaats wordt onder de overdraai van de rotorbladen bij de voet van de mast geplaatst en zodanig gepositioneerd dat deze het beste is in te passen in de omgeving. De kraanopstelplaats wordt via een ontsluitingsweg aangesloten op een bestaande weg. Zie Figuur 4.6 voor een foto van een kraanopstelplaats ter indicatie.
4.4 Aansluiting elektriciteitsnetwerk De windturbines worden met een ondergrondse kabels verbonden met het aansluitpunt op het elektriciteitsnetwerk. Er wordt aangesloten op het station Geervliet van Stedin. De exacte ligging van de kabels naar de aansluiting op het station Geervliet dient nog bepaald te worden en maakt geen onderdeel uit van dit plan. De aanleg van parkbekabeling en aansluitpunten heeft echter geen relevante ruimtelijke impact (omdat het geen hoogspanningskabels zijn) waardoor de aanleg van kabels en leidingen verder niet specifiek hoeven te worden opgenomen. Er wordt een inkoopstation gebouwd waar de parkbekabeling van de windturbines samenkomen. Een inkoopstation is klein gebouw dat is bedoeld voor het onderbrengen van schakel- en meetapparatuur om de windturbine te verbinden met het landelijke elektriciteitsnet. De exacte locatie, omvang en verdere invulling wordt in een nadere uitwerking gekozen in overleg met de netbeheerder. Zie Figuur 4.5 voor een foto van inkoopstation ter indicatie.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 26
Figuur 4.5: Inkoopstation (indicatief)
* Bron: https://batenburg.nl/industriele-componenten/batenburg-energietechniek/producten/transformatorstations/
4.5 Verhardingen Voor het ruimtegebruik van de fundering van de windturbine wordt uitgegaan van een doorsnede van maximaal 30 meter. Daarmee is de maximaal benodigde oppervlakte voor de fundatie van de windturbine circa 710 m2. Daarnaast wordt rekening gehouden met een permanente kraanopstelplaats van circa 40 bij 60 meter (circa 2.400 m2) voor de bouw van en het onderhoud aan de windturbine. Zie Figuur 4.6 voor een voorbeeld foto van een kraanopstelplaats ter indicatie. Er is daarnaast circa 1000 meter lang aan (half)verharding nodig voor de ontsluitingswegen naar beide windturbines. De ontsluitingswegen zullen circa 5 meter breed zijn waarbij het totaal oppervlak aan ontsluitingswegen circa 5000 m 2 zal bedragen12. Er zal ook één inkoopstation worden gerealiseerd die een maximale oppervlakte van circa 40 m 2 zal hebben. Tijdens de bouw van de windturbines is aanvullende ruimte voor het kunnen wegleggen van mastdelen, bladen en opstelruimte van hulpkranen voor de opbouw van de giek van de hoofdkraan nodig. Dit zijn tijdelijke voorzieningen en afhankelijk van de uiteindelijk te realiseren windturbines en hoeven derhalve niet in deze procedure meegenomen te worden. Rekening wordt gehouden met een totaal (permanent) grondgebruik van circa 11.260 m 2 voor de twee windturbines samen.
12
Dit is een aanname gebaseerd op de ingeschatte afstand van de ontsluitingswegen tot de windturbines. Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 27
Figuur 4.6 Kraanopstelplaats (indicatief)
* Bron: https://www.stowa.nl/publicaties/handreiking-kraanopstelplaatsen-bij-de-bouw-van-windturbines
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 28
4.6 Obstakelverlichting en naderingsdetectiesysteem Voor een windturbine hoger dan 150 meter (tiphoogte) geldt dat de turbine op basis van opgave van de Inspectie Leefomgeving en Transport in het Informatieblad over obstakelverlichting (2020) voorzien dient te worden van obstakelverlichting (zie ook Kader 4.1). Dit geldt dus ook voor de beoogde windturbines. Voor de windturbine wordt voor de aanvang van de bouw een definitief verlichtingsplan uitgewerkt gericht op het zo veel mogelijk beperken van hinder, overeenkomstig het Informatieblad. Voorgesteld wordt hiervoor een vergunningvoorschrift in de omgevingsvergunning op te nemen. Windproject Brielse Brug zal zich inspannen om een naderingsdetectiesysteem voor obstakelverlichting toe te passen. Middels een naderingsdetectiesysteem worden de obstakelverlichting alleen aangezet wanneer er een vliegtuig in de nabijheid van het windproject vliegt. Een voorstel voor het aanbrengen van markering en obstakellichten op de windturbine dient voorafgaand aan de realisatie ter instemming worden voorgelegd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De op dat moment best beschikbare technieken voor een naderingsdetectiesysteem kunnen dus ook in het verlichtingsplan betrokken worden. Kader 4.1 Toepassing obstakel- en markeringsverlichting
Er worden markeringslichten op de windturbine geplaatst onder meer indien windturbines, met een hoogte van 100 meter of meer (tiphoogte) ten opzichte van het maaiveld, binnen een afstand van 120 meter van een snelweg of waterweg zijn gelegen of wanneer er sprake is van een windturbine met een tiphoogte van 150 meter. In mei 2020 is een aanpassing van de richtlijn voor de toepassing van obstakelverlichting gepubliceerd waarin onder meer alternatieve verlichtingsmethoden zijn vastgelegd ter beperking van hinder. Zo mag het rode licht in de nacht vast brandend zijn maar kan ook dat een (wisselende) lichtintensiteit kan worden toegepast, afhankelijk van de zichtbaarheid. Nieuw is dat gebruik gemaakt kan worden van obstakelverlichting op basis van naderingsdetectie. Wanneer obstakelverlichting dient te worden toegepast dienen de volgende windturbines in een windpark te worden voorzien van obstakellichten: a. windturbines op de hoekpunten van het windpark; b. windturbines op de randen van het windpark, tenzij de maximale horizontale afstand tussen twee windturbines voorzien van obstakellichten minder dan 900 meter bedraagt; c. windturbines welke in hoogte boven de omringende windturbines uitsteken. Voorstellen voor het aanbrengen van markering en obstakellichten op windturbines en windparken worden ter instemming voorgelegd aan de Inspectie, voorafgaand aan de bouw.
Overigens veroorzaken deze markeringslichten gezien de afstanden tot woningen geen lichthinder in de gangbare zin, waarbij woonruimtes in woningen door inschijnen worden opgelicht. In dit verband kan eerder worden gesproken van landschappelijke invloed, door het zichtbaar zijn van de windturbinelocatie in de nachtelijke uren.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 29
4.7
Landschappelijk beeld De maat en schaal van moderne windturbines zijn zodanig groot dat feitelijk niet gesproken kan worden van een landschappelijke inpassing, maar eerder van een landschappelijk beeld. Landschap heeft betrekking op de onderlinge samenhang tussen de elementen in een bepaald gebied en op de samenhang tussen een gebied en het gebruik daarvan. Landschap bestaat bij de gratie van waarneming en beleving door mensen én bij de gratie van verandering in de tijd. Landschap is geen statisch begrip. Het landschappelijk beeld van het plan wordt weergegeven op basis van een landschappelijke analyse (zie Bijlage 4). De analyse wordt geïllustreerd aan de hand van de fotovisualisaties (zie Bijlage 1 en Bijlage 4). In deze visualisaties zijn windturbines met de maximale afmetingen weergegeven, namelijk met een ashoogte van 167 meter, een rotordiameter van 164 meter en een tiphoogte van 249 meter. In Figuur 4.7 en Figuur 4.8 zijn ter indicatie twee visualisaties weergegeven. Op basis van de analyse (zie Bijlage 4) wordt geconcludeerd dat het initiatief een relatief beperkte impact heeft op het landschap. De opstelling is duidelijk als zelfstandige opstelling herkenbaar door een beperkte onderlinge afstand en een ligging van het windproject op vrij ruime afstand van het bestaande windpark langs het Hartelkanaal.
Daarnaast is er sprake van een enigszins waarneembare aansluiting op aanwezige landschappelijke structuren (aansluiting op de robuuste groenranden en de hoofdrichting van de polder). Het windproject heeft beperkte interferentie met andere hoge elementen in het landschap (zoals hoogspanningsverbinding en bestaande windturbines) en beperkte invloed op de openheid van het landschap. Met name op korte afstand van de waarnemer tot de windturbines vullen de windturbines het beeld van die waarnemer. Tot slot kunnen de voorgenomen maat voor de windturbines voor een verkleinend effect voor overige elementen in het landschap zorgen. Figuur 4.7 Zicht vanuit het zuidoosten
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 30
Figuur 4.8 Zicht vanuit het noorden
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 31
4.8 Landschappelijke inpassing Windproject Brielse Brug is voornemens een bijdrage te leveren aan de landschappelijke structuur en landschappelijke doelstellingen van de Ondernemingspolder. De huidige landschappelijke structuur is beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 2 zijn de landschappelijke doelstellingen beschreven uit het Gebiedsprofiel Voorne-Putten, Omgevingsvisie Landelijk gebied Brielle, Gebiedsperspectief Noordrand Voorne-Putten en ‘Werken aan de Polders’. De belangrijkste doelstellingen en aanbevelingen zijn hoofdzakelijk: •
Behoud van het open landschap en kavelpatroon;
•
Versterken van het coulisselandschap en robuust groen van de noordrand van de polder;
•
Recreatief medegebruik stimuleren;
•
Versterken van cultuurhistorische lijnen (dijken en wegen);
•
Ecologische structuur van groene boomrijke dijken;
•
Bijdragen aan de opwekking aan duurzame energie.
De initiatiefnemers onderschrijven het belang van een integrale benadering en dat de windturbines van windproject Brielse Brug onderdeel zijn van het grotere landschappelijk kader van de Ondernemingspolder. In hoofdstuk 6 van bijlage 4 (landschappelijke beoordeling) wordt een eerste aanzet gegeven voor een integraal ontwerp van het windproject Brielse Brug in samenhang met de landschappelijke structuur van de Ondernemingspolder. Onderschreven moet worden dat dit gaat om een eerste aanzet in samenspraak moet worden ontworpen met de gemeente Voorne aan Zee, omwonenden grondeigenaren en overige initiatieven in het gebied, zoals zonnepark Seggelant. Bovendien zal in een vervolgstadium windproject Brielse Brug de civiele- en elektrische werken van het project nader ontwerpen. In dit stadium liggen kansen voor integraliteit en landschappelijke inpassing in het ontwerp en realisatie van de civiele en elektrische werken, zoals de ontsluitingswegen, inkoopstation, kraanopstelplaatsen en kabels. Windproject Brielse Brug zal een bijdrage leveren aan de landschappelijke doelstellingen van de Ondernemingspolder door jaarlijks 10 procent van het gebiedsfonds te investeren in maatregelen voor versterking van de landschappelijke kwaliteit van de Ondernemingspolder (zie paragraaf 7.3 voor een toelichting op het gebiedsfonds).
Het gebiedsfonds zal worden beheerd door een entiteit die bestuurd wordt door één van de initiatiefnemers van windproject Brielse Brug en omwonenden van het project. Deze investeringen worden in afstemming met gemeente Voorne aan Zee ontwikkeld en zal in lijn zijn met de landschappelijke doelstellingen voor de Ondernemingspolder. Verder zal windproject Brielse Brug aan de volgende landschappelijke bouwstenen voldoen om een goede landschappelijke inpassing te borgen: •
Turbinetypes van gelijke type afmetingen;
•
Verhouding ashoogte en rotordiameter zal bij benadering 1:1 zijn (zie Figuur 4.9);
•
Kleur en vormgeving turbinetypes gelijkend aan windpark Hartel II (zie Figuur 4.10);
•
In het geval de windturbinefundering in het definitieve ontwerp boven maaiveld uit zal komen zal de fundering in het landschap worden opgenomen door inpassing in groen of de realisatie van een terp (zie een voorbeeld in Figuur 4.11);
•
De lichtmarkering zullen wij uitvoeren in gelijke kleur en zodanig plaatsen dat de lichtuitstraling naar de grond minimaal is. Bovendien zal Windproject Brielse Brug zich inspannen om een naderingsdetectiesysteem voor obstakelverlichting toe te passen (zie paragraaf 4.6);
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 32
•
Voor de ontsluitingswegen en opstelplaatsen wordt halfverharding gebruikt, mits civieltechnisch mogelijk voor het transport en aanleg van de windturbines.
•
De kraanopstelplaatsen zullen zo beperkt mogelijk van omvang zijn en worden ingepast in het landschap zonder hekwerken of andere opstaande elementen, passend in het open beeld van de polder (zie Figuur 4.12);
•
Het inkoopstation van het windpark zal aan het zicht worden onttrokken door een groene inpassing met gebiedseigen erfbeplanting en gepositioneerd langs de rand van het perceel (zie Figuur 4.13).
Figuur 4.9 verhouding masthoogte en rotordiameter
Bron: Feddes Olthof (2023)
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 33
Figuur 4.10 Windturbines Hartelkanaal
Figuur 4.11 Voorbeeld groene terp windturbinefundering (Windpark Deil)
Bron: Google Streetview
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 34
Figuur 4.12 Opgeruimde mastvoet en kraanopstelplaatsen
Bron: Feddes Olthof (2023) Figuur 4.13 Inkoopstation ingepast in groen
Bron: Feddes Olthof (2023)
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 35
5 Onderzoek 5.1 Uitgangspunten Voorbeeldwindturbine Voor het bepalen van milieueffecten wordt gebruik gemaakt van een voorbeeldturbine, omdat de keuze voor een specifieke windturbine met bijbehorende specificaties pas in een later stadium plaats vindt. Met uitzondering van geluid worden voor alle omgevingsaspecten berekeningen of beschrijvingen uitgevoerd voor een worst-case windturbinetype. Voor het aspect geluid wordt uitgegaan van een reële worst-case windturbine, waarbij het maximale bronvermogen en de maximale tiphoogte bepalend zijn voor de maximale geluidbelasting binnen de bandbreedte van afmetingen. Voor de overige omgevingsaspecten geldt dat een windturbine met maximale afmetingen de worst-case situatie is. De onderzoekconclusies zijn dan ook geldig voor kleinere en lagere windturbinetypes dan de voorbeeldwindturbine, ongeacht hun afmetingen binnen de bandbreedte van afmetingen, aangezien de effecten dan altijd minder zijn ten opzichte van de worst-case windturbinetype. Als voorbeeldturbine is voor het bepalen van milieueffecten uitgegaan van een windturbine met een tiphoogte van maximaal 249 meter een maximale ashoogte 164 meter van en maximale rotordiameter van 167 meter. Voor het akoestische onderzoek is gerekend met Nordex N163/5.X op 167m ashoogte met een maximale bronsterkte van 109,2 dB(A).
Uitspraak Delfzijl Zuid Uitbreiding en overbruggingsregeling De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 30 juni 2021 uitspraak gedaan in Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding en het ‘Nevele-arrest’ (ECLI:NL:RVS:2021:1395). Deze uitspraak heeft gevolgen voor geluid-, slagschaduw- en externe veiligheidsnormen van windparken die nog niet onherroepelijk vergund zijn. De bepalingen in het Activiteitenbesluit en -regeling (de uitspraak spreekt over ‘windturbinebepalingen’; dit zijn de bepalingen uit de paragrafen 3.2.3 Activiteitenbesluit en 3.2.3 Activiteitenregeling voor het in werking hebben van een windturbine of een combinatie van windturbines) zijn niet vernietigd door de ‘uitspraak Delfzijl’, deze bestaan nog steeds. Voor de windturbinebepalingen had echter een milieubeoordeling moeten worden gemaakt, omdat zij kaderstellend zijn voor de toekenning van toekomstige vergunningen. Voor één of twee windturbines, zoals in Windproject Brielse Brug, zijn de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en -regeling nog steeds van toepassing. Dit wordt ook bevestigt door de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat in haar Kamerbrief over de ‘uitspraak Delfzijl’ van 6 juli 2021 en dit blijkt ook uit de toelichting op de overbruggingsregeling.
Als gevolg hiervan mag voor het project nog worden uitgegaan van de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en -regeling.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 36
Kader 5.1 Tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken
Op 13 mei 2022, is het besluit van 3 mei 2022 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer en enkele besluiten op grond van de Omgevingswet in verband met jurisprudentie over windturbineparken (tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken; hierna ‘overbruggingsregeling’) bekend gemaakt. Deze overbruggingsregeling bevat tijdelijke milieuregels voor bestaande windparken naar aanleiding van de uitspraak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding. De overbruggingsregeling bevat algemene milieuregels die inhoudelijk dezelfde milieubescherming bieden als de buiten toepassing verklaarde algemene regels. Voor bestaande windparken vervangt de overbruggingsregeling vanaf 1 juli 2022 (en tot en met 30 juni 2025) de niet meer geldende regels uit het Activiteitenbesluit en -regeling. De toelichting bij de overbruggingsregeling bevestigt dat voor windprojecten van 1 of 2 windparken de normen uit het Activiteitenbesluit- en -regeling nog steeds van toepassing zijn ondanks de uitspraak inzake windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding.
De initiatiefnemers willen echter voor de omgeving de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de windturbinebepalingen verifiëren. Daarom wordt er in deze ruimtelijke onderbouwing ook in een apart kader ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de gehanteerde normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid, specifiek voor Windproject Brielse Brug.
5.2 Geluid 5.2.1 Toetsingskader Net als alle andere mechanische installaties produceren windturbines geluid. Dit geluid wordt deels veroorzaakt door de bewegende onderdelen in de gondel, maar is voornamelijk afkomstig van de bladen die door de wind ‘zoeven’. Het besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit) is het kader voor de toetsing van geluid door windturbines. Specifiek voor windturbines geldt een afzonderlijke normstelling, die onafhankelijk van ander optredend geluid (industrielawaai, verkeer, etc.) wordt beoordeeld. In het Activiteitenbesluit wordt voor de normstelling van geluid van 1 of 2 windturbines getoetst aan de waarden Lden= 47 dB en Lnight= 41 dB. Deze normen gelden voor geluidgevoelige objecten, waaronder woningen van derden en andere geluidgevoelige gebouwen zoals scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen. De Lden (Engels: Level day-evening-night) is een maat om de geluidbelasting door omgevingsgeluid uit te drukken. Hierbij wordt de geluidbelasting die optreedt gedurende de nacht en de avond zwaarder meegewogen dan geluid overdag. In Nederland wordt tevens getoetst aan Lnight om de verstoring van nachtrust te voorkomen. Voor onderhavig plan wordt getoetst aan de voor 1 of 2 windturbines uit het Activiteitenbesluit geldende geluidsnorm van Lden 47 dB en Lnight 41 dB.
Deze norm wordt ook beschouwd als ruimtelijk aanvaardbare norm voor geluid (zie ook Kader 5.2).
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 37
Kader 5.2 Geluidsniveau Lden 47 dB en Lnight 41 dB
Een toetsingskader van 47 dB Lden en 41 dB Lnight (zoals dat in de windturbinebepalingen staat, maar niet meer zonder meer als normstelling toegepast mag worden) is tot stand gekomen op basis van betrouwbaar onderzoek naar de dosis-effectrelatie van de geluidbelasting van windturbines in relatie tot percentage gehinderden. Voor windturbines ligt het verwachte percentage ernstig gehinderden binnenshuis zoals te zien in onderstaande tabel bij een maximale geluidbelasting (47 dB L den) op circa 8 à 9%. Het toetsingskader geeft een vergelijkbaar dan wel lager percentage ernstig gehinderden binnenshuis als bij de andere geluidbronnen (o.a. verkeers- en industriegeluid) acceptabel wordt geacht bij het maximaal toelaatbaar geluidniveau. Snelwegen
Spoorwegen
Industrieterrein
Windturbines
Voorkeurswaarde
4%
4%
2%
-
Maximaal toelaatbare waarde
9%
9%
9%
9%
Het hanteren van een toetsingskader van 47 dB Lden en 41 Lnight kan leiden tot (individuele) hinder, maar dit heeft geen rechtstreekse gezondheidseffecten. Daarnaast biedt de 47 dB L den norm afdoende bescherming tegen hinder door laagfrequent geluid doordat dat reeds in de norm is opgenomen. Op basis van bovenstaande wordt de norm van 47 dB L den en 41 Lnight ruimtelijk aanvaardbaar geacht.
Laagfrequent geluid Daarnaast wordt ingegaan op laagfrequent geluid. Onder hoorbaar laagfrequent geluid worden geluiden met een frequentie tussen circa 20 en 100 Hertz (Hz) verstaan. In het besluit 'wijziging milieuregels windturbines' (2010) is voor windturbines de norm voor de geluidbelasting buiten aan de gevel gesteld op Lden= 47 dB. Bij deze normen is uitgegaan van windturbinegeluid en de mate van hinderlijkheid die wordt ervaren op basis van empirisch onderzoek. Daarbij is ook rekening gehouden met het optreden van laagfrequent geluid, dat altijd een onderdeel van het geluidspectrum van windturbinegeluid is.
Cumulatie met nabij gelegen windturbines Cumulatie van verschillende windturbines kan leiden tot een hogere geluidsbelasting op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen dan wenselijk wordt geacht. Als er sprake is van cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een combinatie van windturbines dan kan volgens artikel 3.14a lid 2 het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift normen met een lagere waarde vaststellen ten aanzien een van de windturbines of een combinatie van windturbines.
Cumulatie met andere geluidbronnen Cumulatie met andere bronnen wordt beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron conform de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines (Activiteitenregeling milieubeheer Bijlage 4). In het geval van dit project zijn dat wegverkeer, scheepvaart, railverkeer, industrie, luchtverkeer en bestaande windturbines. De methode berekent de gecumuleerde geluidbelasting rekening houdend met de verschillen in dosis-effectrelaties van de verschillende geluidbronnen. Er zijn geen normen voor de cumulatie van geluid.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 38
5.2.2 Onderzoek Ter bepaling van de akoestische effecten is in het akoestisch onderzoek (zie bijlage 2) gerekend met een windturbine met een luide geluiduitstraling voor haar klasse (Nordex N163/5.X op 167m ashoogte) binnen de bandbreedte. De tiphoogte bedraagt 249 meter. In het akoestische model zijn 14 referentietoetspunten opgenomen (zie Tabel 5.1), dit zijn allen woningen en gelegen in de gemeente Brielle. Toetspunten 1 tot en met 10 zijn gelegen direct rondom Windproject Brielse Brug en zijn daarmee ook representatief voor verder weg gelegen woningen. Wanneer op deze referentietoetspunten wordt voldaan aan de geluidnorm dan wordt ook ter plaatse van verder gelegen woningen voldaan aan deze norm. Daarnaast zijn er nog 4 toetspunten opgenomen in het onderzoek, gelegen op ruimere afstand van Windproject Brielse Brug, maar in de nabijheid van bestaande windturbines, waarvan al een geluidbelasting wordt ervaren. De toetspunten (woningen) zijn gemodelleerd als gebouwen met 5,5 meter hoogte boven het maaiveld. Op elke gevel(oriëntatie) van de gebouwen zijn toetspunten geplaatst op een beoordelingshoogte +5 meter hoogte boven het maaiveld13. Per toetspunt zijn de jaargemiddelde geluidniveaus L den en Lnight berekend. De Lden is het tijdgewogen gemiddelde van: •
Het jaargemiddelde geluidniveau in de dag Lday;
•
Het jaargemiddelde geluidniveau in de avond Leven vermeerderd met 5 dB;
•
Het jaargemiddelde geluidniveau in de nacht Lnight vermeerderd met 10 dB.
Tabel 5.1 geeft de geluidbelasting weer van Windproject Brielse Brug op de toetspunten en in Figuur 5.1 is de contour Lden 47 dB opgenomen. De vetgedrukte waarden laten een overschrijding zien van de 47 dB Lden en 41 dB Lnight.
13
https://www.rvo.nl/onderwerpen/windenergie-op-land/geluid/geluidsberekening-windturbines Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 39
Tabel 5.1 Rekenresultaten Windproject Brielse Brug [dB(A)] Geluidbelasting Toetspunt
Adres Lnight
Lden
1
Spanjaardweg 1
38
44
2
Onderneming 2
43
49
3
Onderneming 1
42
49
4
Buitengronden 3a
42
48
5
De Nolle 24
38
44
6
Seggeweg 61
39
45
7
Groene Kruisweg 2
44
50
8
Maasdijk 20
43
49
9
Maasdijk 18
43
49
10
Maasdijk 16
39
45
11
Veckhoekse Sluisweg 2
42
48
12
Staaldiepseweg 14
37
43
13
Staaldiepseweg 5
37
44
14
Visserijweg 11
35
41
Extra toetspunten
Figuur 5.1 Lden 47 contour
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 40
De geluidnorm Lden=47 dB en Lnight=41 dB wordt overschreden op 7 toetspunten (zie Tabel 5.1). Om op deze toetspunten aan de geluidnorm uit het Activiteitenbesluit te voldoen, dienen geluidmitigerende maatregelen te worden getroffen. Mogelijke maatregelen voor geluidmitigatie zijn andere (stillere) turbinetypes of de windturbine(s) in bepaalde periodes van de dag (bijvoorbeeld de nachtperiode) in een geluidgereduceerde modus te laten draaien. Hierbij worden bijvoorbeeld de turbinebladen in een andere bladhoek gezet, waardoor het toerental vermindert en er minder geluid wordt geproduceerd. Dit gaat gepaard met enig productieverlies. Voor Windproject Brielse Brug blijkt dat met toepassing van geluidreducerende modi kan worden voldaan aan de geluidnorm uit het Activiteitenbesluit. Bij het bepalen van de benodigde mitigatie om aan de geluidsnorm te voldoen is rekening gehouden met de geluidbelasting die de toetspunten al ontvangen van bestaande windturbines. Er is gekeken om het geluid als gevolg van Windproject Brielse Brug te mitigeren totdat cumulatief wordt voldaan aan 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Er is hierbij geen rekening gehouden met de woningen die maatgevend zijn voor de bestaande windturbines van WP Hartel II. Dit is in de subparagraaf ‘Cumulatie met nabij gelegen windturbines’ en bijlage 2 nader beschreven.
De resultaten met toepassing van een dergelijke geluidmitigatie zijn gegeven in Tabel 5.2 en in Figuur 5.2 is de contour Lden 47 dB opgenomen. Tabel 5.2 Rekenresultaten Windproject Brielse Brug met geluidmitigatie [dB(A)] Geluidbelasting Toetspunt
Adres Lnight
Lden
1
Spanjaardweg 1
33
41
2
Onderneming 2
39
46
3
Onderneming 1
39
46
4
Buitengronden 3a
39
46
5
De Nolle 24
34
41
6
Seggeweg 61
35
42
7
Groene Kruisweg 2
40
47
8
Maasdijk 20
40
47
9
Maasdijk 18
40
47
10
Maasdijk 16
35
42
11
Veckhoekse Sluisweg 2
38
45
12
Staaldiepseweg 14
33
40
13
Staaldiepseweg 5
34
41
14
Visserijweg 11
32
39
Extra toetspunten
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 41
Figuur 5.2 Lden 47 contour met geluidsmitigatie
Aangezien de windturbines altijd moeten voldoen aan de normering uit het Activiteitenbesluit omdat deze normering rechtstreeks werkend is, is het treffen van voornoemde voorzieningen in beginsel ook afdoende geborgd op basis van het Activiteitenbesluit. Er kan in ieder geval altijd worden voldaan aan het Activiteitenbesluit.
Laagfrequent geluid Er is geen algemeen geaccepteerd normstelsel voorhanden waarmee laagfrequente geluidhinder kan worden geobjectiveerd. Laagfrequent geluid (LFG) is geluid in het voor mensen laagst hoorbare frequentiegebied, onder 200 Hz. Windturbines produceren, net als de meeste andere geluidbronnen, ook laagfrequent geluid. Het RIVM heeft op verzoek van de GGD-en de invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden door windturbines onderzocht (2013)14. Hieruit volgt dat windturbines weliswaar laagfrequent geluid produceren maar dat er geen bewijs bestaat dat dit een factor van belang is voor de hinderbeleving. Er is geen aparte beoordeling nodig boven op de bescherming die de zogenoemde A-gewogen normstelling op basis van dosis-effectrelatie reeds biedt. De mate van bescherming en de normering worden eveneens beschouwd in een literatuuronderzoek naar laagfrequent geluid van windturbines van Agentschap NL
14
"Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden", GGD Informatieblad medische milieukunde Update 2013; RIVM rapport 200000001/2013. Geraadpleegd van: http://www.rivm.nl/ Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 42
(2013)15. Ook hier zijn geen aanwijzingen dat het aandeel laagfrequent geluid een bijzondere dan wel belangrijke rol speelt. Door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mede namens de minister van Economische Zaken en de minister van Infrastructuur en Milieu over het onderwerp laagfrequent geluid van windturbines een brief aan de Tweede Kamer gestuurd (2014)16. Op grond van de brief van de staatssecretaris en het rapport van het RIVM kan worden gesteld dat toetsing aan de standaard Nederlandse geluidnormen tevens voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid. In 2017 heeft de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM nog een literatuurstudie uitgevoerd naar de relatie tussen blootstelling aan windturbinegeluid, waaronder laagfrequent geluid, en gezondheid17. Tweeëndertig (peer reviewed18) wetenschappelijke onderzoeken tussen 2009 en 2017 zijn daarbij onderzocht in de literatuurstudie. Deze literatuurstudie bevestigt nogmaals dat een windturbine geen directe effecten heeft op de gezondheid van omwonenden. Dit onderzoek heeft in oktober 2020 een update gekregen19 met een literatuuronderzoek waarbij onderzoeken tussen 2017 en medio 2020 op een rij zijn gezet over het effect van geluid van windturbines op de gezondheid van omwonenden.
Uit de update literatuurstudie blijkt dat hinder optreedt als gevolg van geluid: hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, hoe groter de hinder ervan. Uit de literatuur bleek niet dat het zogeheten 'laagfrequent geluid' (lage tonen) van windturbines voor extra hinder zorgt tot die gerelateerd aan "gewoon" geluid. Voor andere gezondheidseffecten zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek niet eenduidig: deze effecten hangen niet duidelijk samen met het geluidniveau, maar soms wel met de ervaren hinder 20. Vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt ook dat windinitiatieven zich op basis van bovenstaande studies in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid (zie o.a. ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228 (Windpark Wieringermeer), 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 (Windpark De Drentse Monden Oostermoer), 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2720 (Windpark De Rietvelden) en recentelijk 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226 (Windplan Groen). Met naleving van de geluidsnormering is ook ten aanzien van laagfrequent geluid sprake van een aanvaardbare situatie.
15
"Literatuuronderzoek laagfrequent geluid windturbines", LBP Sight in opdracht van Agentschap NL (tegenwoordig Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; RVO), projectnummer DENB 138006 september 2013. Geraadpleegd van: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-311813.pdf 16 Kamerbrief over "Laagfrequent geluid van windturbines", Ministerie van Infrastructuur en Milieu, kenmerk IENM/BSK2014/44564, 31 maart 2014. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2014/04/01/laagfrequent-geluid-van-windturbines 17 “Health effects related to wind turbine sound, including low-frequency sound and infrasound”, RIVM and GGD Amsterdam, 2018. 18 Peer reviewed betekent een evaluatie van wetenschappelijk of professioneel onderzoek door medewerkers binnen het desbetreffende werkveld. 19 “Health effects related to wind turbine sound: an update”, oktober 2020, RIVM rapport 2020-0150. Geraadpleegd van: https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2020-0150.pdf 20 RIVM heeft in augustus 2020 een factsheet uitgebracht over laagfrequent geluid in zijn algemeenheid, niet specifiek voor windturbines. Ook daarbij wordt geconcludeerd dat er nog veel onbekend is over de gezondheidseffecten die kunnen optreden bij blootstelling aan laagfrequent geluid.
Anders dan bij geluid in het algemeen zijn alleen hinder en mogelijk slaapverstoring gevonden als effecten van blootstelling aan laagfrequent geluid. Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 43
Cumulatie met nabij gelegen windturbines In het akoestisch onderzoek is ook gekeken naar cumulatie van Windproject Brielse Brug met de bestaande windturbines van windpark Hartel II, windpark Hartelbrug II, windpark Hartelkanaal en de solitaire windturbine (zie Figuur 5.3). In Tabel 5.3 staan de rekenresultaten. De cumulatieve toetsing van bestaande en toekomstige windturbines zegt niet direct veel in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, omdat er voor de berekening van de geluidbelasting door windturbines geen rekening wordt gehouden met achtergrondgeluid. Een cumulatieve overschrijding van de niet cumulatieve norm hoeft niet een directe aanleiding te zijn om maatwerkvoorschriften op basis van het Activiteitenbesluit voor te stellen. Echter, in die gevallen waar de cumulatieve geluidbelasting op woningen van derden onaanvaardbaar toeneemt, kan er aanleiding zijn maatwerk voor te stellen dan wel regels op te nemen. Figuur 5.3 Overzicht nieuwe en bestaande windturbines
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 44
Tabel 5.3 Cumulatie met andere windturbines [dB(A)]
Toetspunt
Bestaande windturbines
Windproject Brielse Brug*
Cumulatief
Lnight
Lden
Lnight
Lden
Lnight
Lden
Adres
1
Spanjaardweg 1
34
41
33
41
36
43
2
Onderneming 2
35
42
39
46
40
47
3
Onderneming 1
38
45
39
46
40
47
4
Buitengronden 3a
38
44
39
46
40
47
5
De Nolle 24
29
35
34
41
35
42
6
Seggeweg 61
28
34
35
42
36
43
7
Groene Kruisweg 2
28
35
40
47
40
47
8
Maasdijk 20
29
36
40
47
40
47
9
Maasdijk 18
30
37
40
47
41
47
10
Maasdijk 16
31
38
35
42
36
43
Extra referentiewoningen 11
Veckhoekse Sluisweg 2
39
46
38
45
40
47
12
Staaldiepseweg 14
40
48
33
40
41
48
13
Staaldiepseweg 5
40
47
34
41
40
47
14
Visserijweg 11
42
48
32
39
42
48
* Resultaten voor Windproject Brielse Brug na mitigatie naar 47 dB Lden en 41 dB Lnight.
Op twaalf toetspunten van woningen van derden (1 tot en met 11 en 13) is er cumulatief geen sprake van overschrijding van de niet-cumulatieve normen. Cumulatieve geluidbelasting met nabij gelegen windparken is op deze toetspunten hoe dan ook aanvaardbaar. Op één toetspunt (12) is er cumulatief sprake van een belasting hoger dan L den= 47 dB, maar wordt wel voldaan aan Lnight= 41 dB. Daarnaast is er op één toetspunt (14) cumulatief sprake van een belasting hoger dan zowel Lden= 47 dB en Lnight= 41 dB, deze overschrijding is met 1 dB. Beide cumulatieve overschrijdingen bestaan al in de referentiesituatie en nemen door toevoeging van Windproject Brielse Brug niet (waarneembaar) toe. Bovendien is de geluidbelasting op toetspunt 12 en 14 als gevolg van Windproject Brielse Brug afzonderlijk laag ten opzichte van de al aanwezige geluidbelasting in de bestaande situatie. Als gevolg van de relatief lage geluidbelasting van Windproject Brielse Brug, is in de cumulatieve geluidbelasting een zeer gering effect te zien. Deze toetspunten liggen tevens op een aanzienlijk grotere afstand (>1.000 m) van de windturbines van Windproject Brielse Brug ten opzichte van de andere toetspunten (zie Figuur 5.1 of Figuur 5.2).
Deze toetspunten zijn maatgevend voor de bestaande windturbines van Windpark Hartel II en verdere mitigatie van Windproject Brielse Brug kan er niet toe leiden dat er bij deze woningen cumulatief kan worden voldaan aan een norm van 47 dB L den en 41 dB Lnight. Omdat er al windturbines in de omgeving zijn, hebben de initiatiefnemers, ter beperking van enige hinder, besloten om cumulatief geen extra geluidbelasting op referentietoetspunten toe te voegen boven de (nietcumulatieve) norm. Dit geldt niet voor de extra referentietoetspunten die maatgevend zijn voor de Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 45
bestaande windturbines van windpark Hartel II, zoals hierboven beschreven. Separaat is door de initiatiefnemer een aanvraag gedaan voor het opleggen van maatwerkvoorschriften voor geluid op grond van artikel 3.14a, lid 2 van het Activiteitenbesluit. Aan het bevoegd gezag wordt daartoe verzocht om maximale immissiewaarden op de gevel van een aantal referentietoetspunten ten gevolge van de twee windturbines van Windproject Brielse Brug als maatwerkvoorschrift vast te leggen. Het gaat om de maximale immissiewaarden voor referentietoetsenpunten 2 t/m 4 en 11 t/m 14, zoals weergegeven in Tabel 5.2. Voor de overige referentietoetspunten is geen sprake van relevante cumulatie: de geluidbelasting vanwege het de bestaande windturbines in het gebied is ondergeschikt aan de twee windturbines van windproject Brielse Brug. Het is daarom niet nodig om specifieke immissiewaarden vast te leggen de overige referentietoetspunten. Het gaat hier om de maximering van de geluidimmissie (de geluidbelasting) op een gebouw. Deze immissiewaarden op de gevel laten zich handhaven op dezelfde wijze als een (algemene) norm en volstaan voor bescherming tegen overschrijding van de geluidsnorm door cumulatie van meerdere windparken.
Het vastleggen van een generieke cumulatieve norm van 47 dB Lden en 41 dB Lnight is niet zinvol omdat er voor bepaalde woningen nabij windpark Hartel II in de bestaande situatie al een overschrijding van de norm is en deze overschrijding niet ongedaan gemaakt kan worden door beperking van windproject Brielse Brug.
Cumulatie met andere geluidbronnen Cumulatie met andere bronnen wordt beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron conform de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines (Activiteitenregeling milieubeheer Bijlage 4). In het geval van dit project zijn dat wegverkeer, scheepvaart, railverkeer, industrie en bestaande windturbines. Luchtverkeer is hierin niet meegenomen, er wordt geen cumulatie met luchtverkeer verwacht (zie bijlage 2) In het akoestisch onderzoek (zie bijlage 2) zijn per toetspunt de afzonderlijke geluidbelastingen van het windturbinegeluid, het industriegeluid, het wegverkeersgeluid, railverkeer en de berekende gecumuleerde jaargemiddelde geluidniveaus LCUM gegeven. Dit is gedaan voor zowel de situatie met als zonder de windturbines in Windproject Brielse Brug. Aan de hand van de methode Miedema is vervolgens de akoestische kwaliteit van de omgeving ten gevolge van de cumulatieve effecten bepaald en kan de leefomgeving objectief worden beoordeeld. De methode Miedema wordt nader toegelicht in Kader 5.3.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 46
Kader 5.3 Toelichting methode Miedema
Teneinde voor een bepaald gebied, waarin verschillende geluidsbronnen zoals wegen en industrieterreinen aanwezig zijn, de mate van hinder te beoordelen, is een methode ontwikkeld om de verwachte (gecumuleerde) hinder te kwantificeren. Deze methode wordt de ‘methode Miedema’ genoemd. De cumulatieve rekenmethode uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines berekent de gecumuleerde geluidbelasting rekening houdend met de mate van hinderlijkheid van de diverse relevante geluidbronnen: •
Windturbine
L*WT = 1,65 * LWT - 20,05 dB
• •
Wegverkeer Scheepvaart
L*VL = 1,00 * LVL + 0,00 dB = LVL L*SL = 0,975 * LSL - 0,7 dB
•
Railverkeer
L*RL = 0.95 * LRL – 1,40
•
Industrie
L*IL = 1,00 * LIL + 1,00 dB
De cumulatieve geluidbelasting wordt bepaald door de afzonderlijke waarden L* bij elkaar op te tellen (zogenoemde energetische sommatie). De geluidbelasting (grootheid L) wordt uitgedrukt in L den, met uitzondering van industriegeluid en scheepvaartgeluid waarvoor de etmaalwaarde geldt. Aan de hand van de methode Miedema wordt vervolgens de akoestische kwaliteit van de omgeving ten gevolge van de cumulatieve effecten bepaald en kan de leefomgeving objectief worden beoordeeld. De beoordeling van de akoestische kwaliteit vindt dan plaats op basis van het overzicht in onderstaande tabel. Kwaliteit van de akoestische omgeving
Geluidbelasting
Goed
< 50 dB Lden
Redelijk
< 55 dB Lden
Matig
< 60 dB Lden
Tamelijk slecht
< 65 dB Lden
Slecht
< 70 dB Lden
Zeer slecht
≥ 70 dB Lden
Toegepaste kleurcode
In de bestaande situatie, zonder Windproject Brielse Brug, wordt de akoestische omgeving ter plaatse van de geselecteerde toetspunten bepaald door het railverkeer wanneer geen rekening wordt gehouden met de mate van hinderlijkheid van het geluid (zie Tabel 5.4).
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 47
Tabel 5.4 Berekende geluidbelasting (in dB) van alle geluidbronnen (vóór toepassing rekenregels voor cumulatieve geluidbelasting) (vetgedrukt: hoogste waarden zonder rekening te houden met mate van hinderlijkheid) Toetspunt
Adres
VL
SL
RL
IL
WT ref.
1
Spanjaardweg 1
51
40
48
40
41
2
Onderneming 2
56
42
50
42
42
3
Onderneming 1
66
43
52
43
45
4
Buitengronden 3a
56
43
52
43
44
5
De Nolle 24
51
36
44
36
35
6
Seggeweg 61
60
36
44
36
34
7
Groene Kruisweg 2
65
37
45
37
35
8
Maasdijk 20
54
38
48
38
36
9
Maasdijk 18
54
38
48
38
37
10
Maasdijk 16
50
40
50
40
38
De cumulatieve geluidbelasting is op de 10 representatieve referentietoetspunten rond het windproject weergegeven in Tabel 5.5. Rekening houdend met de mate van hinderlijkheid wordt de bestaande akoestische omgeving vooral bepaald door industriegeluid en in mindere mate door wegverkeersgeluid. De bestaande akoestische kwaliteit van de omgeving (Lcum ref) varieert van matig (≤ 60 dB Lden) tot slecht (> 65 dB Lden). Tabel 5.5 Cumulatieve geluidbelasting toekomstige situatie [dB(A)] (vetgedrukt: hoogste waarden door rekening te houden met mate van hinderlijkheid)
Toetspunt
Adres L*VL
L*SL
L*RL
L*IL
L*WT bestaand
Ref. situatie
met realisatie Windproject Brielse Brug
Lcum
LWT,nw
L*WT,nw
Lcum,nw
Verschil (dB (A))
1
Spanjaardweg 1
51
38
45
57
48
59
43
50
59
0
2
Onderneming 2
56
40
46
59
50
61
47
57
62
1
3
Onderneming 1
66
42
48
59
54
67
47
58
67
0
4
Buitengronden 3a
56
41
48
59
53
61
47
57
62
1
5
De Nolle 24
51
35
41
54
38
56
42
49
57
1
6
Seggeweg 61
60
35
40
54
37
61
43
51
61
0
7
Groene Kruisweg 2
65
35
41
54
38
65
47
58
66
1
8
Maasdijk 20
54
36
44
55
39
58
47
58
61
3
9
Maasdijk 18
54
36
44
55
40
58
47
58
61
3
10
Maasdijk 16
50
38
46
56
42
57
43
51
58
1
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 48
In de toekomstige situatie met het windproject, na mitigatie ter voldoening aan de geluidsnorm Lden =47 dB, wordt de akoestische kwaliteit van de omgeving ter plaatse van de geselecteerde toetspunten in iets meerdere mate bepaald door windturbines en voor een groot deel ook nog steeds door industriegeluid en wegverkeer. De toekomstige akoestische kwaliteit van de omgeving varieert ook van matig (≤ 60 dB Lden) tot slecht (> 65 dB Lden). In de toekomstige situatie met Windproject Brielse Brug is er op twee referentietoetspunten (8 en 9) die met één stap verslechteren volgens de methode Miedema. Het verschil in cumulatieve geluidbelasting tussen de referentiesituatie en de nieuwe situatie is 3 dB op deze toetspunten. Op de toetspunten waar geen verslechtering optreedt op de schaal van Miedema treedt ook vrijwel geen extra verslechtering op (maximaal 1dB). Gezien het belang van het realiseren van het windproject als bijdrage aan de gemeentelijke, provinciale en landelijke duurzame energiedoelstelling, wordt de toekomstige cumulatieve akoestische situatie bij woningen van derden acceptabel geacht.
Geluid bij niet-gevoelige objecten Voor de volledigheid is de geluidbelasting inzichtelijk gemaakt op een selectie van niet-gevoelige objecten. Het betreffen allen bedrijfspanden met een kantoorfunctie, allen gelegen in het bedrijventerrein Seggelant. De ligging van de beoordeelde niet-gevoelige objecten is gegeven in bijlage 2. De jaargemiddelde geluidniveaus Lday (geluidbelasting voor de dag overeenkomstig bedrijfstijden van de bedrijven) en Lden zijn gegeven in Tabel 5.6. Tabel 5.6 Geluidbelasting Windproject Brielse Brug bij niet-gevoelige objecten [dB(A)]
Toetspunt
Omschrijving
Geluidbelasting Windproject Brielse Brug* Lday
Lden
B01
Seggeweg 1
40
44
B02
Seggeweg 80
39
44
B03
Seggelant-Noord 8c
42
46
B04
Seggelant-Noord 11
44
48
B05
Seggelant-West 10
44
48
B06
Seggelant-Oost 9
46
50
B07
Seggelant-Oost 8
46
50
* Geluidbelasting van Windproject Brielse Brug met geluidmitigatie.
De geluidbelasting op de niet-gevoelige objecten is inzichtelijk gemaakt als indicatie voor het leef- of werkklimaat. De berekende geluidbelasting Lday als gevolg van de windturbines is lager dan de Lden = 47 dB norm voor gevoelige objecten. De geluidbelasting op de bedrijfspanden met een kantoorfunctie in bedrijventerrein Seggelant wordt daarom aanvaardbaar geacht, mede doordat de geluidbelasting niet zodanig is dat het aan het huidige gebruik van de panden in de weg staat. Bovendien is er geen aanleiding om niet-gevoelige objecten op dezelfde manier te beschermen als gevoelige objecten. Voor het te ontwikkelen vakantiepark van Roompot is op twee locaties op het terrein de jaargemiddelde geluidniveaus Lnight en Lden berekend. De rekenresultaten zijn gegeven in Tabel 5.7.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 49
Tabel 5.7 Geluidbelasting ter plaatse van vakantiepark [dB(A)] Geluidbelasting* Toetspunt
Omschrijving Lnight
Lden
R01
Vakantiepark
36
43
R02
Vakantiepark
32
39
* Geluidbelasting van Windproject Brielse Brug met geluidmitigatie.
De geluidbelasting ter plaatse van het vakantiepark is ten minste 4 dB lager dan de maximale toegestane geluidbelasting die geldt voor geluidgevoelige objecten. Vakantiewoningen zijn geen geluidgevoelige objecten. Er is geen aanleiding deze hetzelfde of strenger te toetsen dan woningen van derden. De situatie wordt ruimtelijk aanvaardbaar geacht.
5.2.3 Conclusie Er kan met geluidmitigatie voor Windproject Brielse Brug op woningen van derden worden voldaan aan de (tevens ruimtelijk aanvaardbare) geluidnormen Lden 47 dB en Lnight 41 dB. Om de geluidbelasting verder te beperken vanwege de cumulatieve geluidsbelasting met bestaande windparken wordt via een maatwerkvoorschrift aan het bevoegd gezag verzocht om maximale immissiewaarden per gevel(oriëntatie) voor de referentiewoningen als gevolg van Windproject Brielse Brug vast te leggen.. Ook voor cumulatief geluid is er dan sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gezien het belang van het realiseren van het windproject in het licht van de doelstellingen. Voor het aspect geluid is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 50
5.3 Slagschaduw 5.3.1 Toetsingskader De draaiende rotoren van windturbines kunnen een bewegende schaduw op hun omgeving werpen. Deze 'slagschaduw' kan als hinderlijk worden ervaren. De maximale flikkerfrequentie, het contrast en de tijdsduur van blootstelling zijn van invloed op de mate van hinder die ondervonden kan worden. Slagschaduw met flikkerfrequenties vanaf 2,5 Hz wordt als extra hinderlijk ervaren en kan schadelijk zijn (dit komt bij gangbare turbines echter vrijwel nooit voor). De frequenties van de lichtflikkeringen 21 liggen met maximaal 0,45 Hz ruimschoots onder de 2,5 Hz dat als erg storend wordt ervaren en schadelijk kan zijn. De afstand van de blootgestelde locatie tot de windturbine, de stand van de zon, de weersomstandigheden en het al dan niet draaien van de windturbine zijn bepalende aspecten voor het optreden en de duur van de periode waarin slagschaduw plaatsvindt (slagschaduwduur). De Activiteitenregeling milieubeheer stelt dat windturbines voorzien moeten worden van een automatische stilstandvoorziening indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten, waaronder woningen van derden en kwetsbare locaties zoals scholen en ziekenhuizen, voor zover: •
de afstand tot woningen of andere gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt;
•
en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden.
In het slagschaduwonderzoek is de norm uit de Activiteitenregeling milieubeheer vertaald naar een (beproefde) benadering van de norm door het beoordelen van een waarde van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar. Dit is een strengere beoordeling dan volgens de Activiteitenregeling milieubeheer omdat volgens de norm op 17 dagen per jaar de hinderduur van zonsopgang tot zonsondergang meer dan 20 minuten mag bedragen en op alle overige dagen in het jaar de hinderduur door slagschaduw minder dan 20 minuten mag bedragen. Opgeteld kan de norm uit de Activiteitenregeling milieubeheer dus een langere slagschaduwduur opleveren dan 6 uur per jaar. Voor onderhavig plan wordt getoetst aan maximaal 6 uur slagschaduw per jaar als vertaling van de norm uit de Activiteitenregeling Deze norm wordt ook beschouwd als ruimtelijk aanvaardbare norm (zie ook Kader 5.4).
21
Bepaald op basis van de maximale rotatiesnelheid van de windturbine. Wegens gebrek aan gegevens van de GE 5.0164 is de frequentie van lichtflikkering bepaald op basis van de rotatiesnelheid van de GE 6.0-164 van 8,9 rpm. Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 51
Kader 5.4 Ruimtelijke aanvaardbaarheid toetsnorm maximaal 6 uur slagschaduw per jaar
De (ruimtelijke) aanvaardbaarheid van de slagschaduwnorm dat maximaal 17 dagen per jaar de hinderduur van slagschaduw meer dan 20 minuten mag bedragen is bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) aan de orde geweest in het kader van het inpassingsplan voor windpark De Drentse Monden-Oostermoer (ECLI:NL:RVS:2018:616, overweging 132): “Voorts volgt, zo staat in het verweerschrift, uit onderzoek dat in 1999 in Duitsland is verricht, dat omwonenden van windturbines die een netto slagschaduwduur van meer dan 15 uur per jaar ervaren een hogere mate van dagelijkse hinder ervaren in hun leefomgeving. Naar aanleiding van dat onderzoek is in 2000 laboratoriumonderzoek verricht. Volgens dat laboratoriumonderzoek kan in de eerste 20 minuten dat harde slagschaduw optreedt een fysieke reactie worden veroorzaakt, die bij langere blootstelling daarna door het lichaam wordt gecompenseerd. De onderzoekers hebben aanbevolen de slagschaduwduur te beperken om effecten op langere termijn te voorkomen vanwege de energie die deze compensatie kost, zo is in het verweerschrift toegelicht.
(…) Volgens de ministers worden, gelet op de conclusies uit deze onderzoeken, met de norm waarbij slagschaduw is beperkt tot maximaal 17 dagen gedurende maximaal 20 minuten per dag binnen een afstand van 12 maal de rotordiameter, gezondheidsklachten voorkomen en wordt de hinder in voldoende mate beperkt”. De conclusies uit de wetenschappelijke onderzoeken over de gevolgen van hinder door slagschaduw die door de ministers zijn genoemd, zijn niet gemotiveerd betwist. Aangenomen mag dat op basis van het aangehaalde onderzoek de norm uit het Activiteitenbesluit op zich ruimtelijk aanvaardbaar is. Maximaal 6 uur slagschaduw door een windpark op woningen van derden, binnen een afstand van 12 maal de rotordiameter, is een (beproefde) benadering van de norm door het beoordelen van een waarde van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar. Dit is een strengere beoordeling dan volgens de Activiteitenregeling. Vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt ook dat het hanteren van een slagschaduwnorm van 6 uur per jaar ten gevolge van een windpark aanvaardbaar is. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) geeft in haar deskundigenadvies in het kader van Windpark De Drentse Monden-Oostermoer (d.d.
17 februari 2017, kenmerk StAB -40218) aan dat “de streefwaarde van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar voorziet in (veel) geringere aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden dan de normering in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ten eerste tellen nu ook de dagen mee waarop de slagschaduw minder is dan 20 minuten. Ten tweede worden alle minuten meer dan 20 minuten ook meegeteld.”
5.3.2 Onderzoek Ten behoeve van de windturbines is een slagschaduwonderzoek uitgevoerd om enerzijds te beoordelen of de twee windturbines voldoen of kunnen voldoen aan de (algemeen geaccepteerde vertaling van de) normen uit het Activiteitenregeling en anderzijds de effecten op de omgeving in beeld te brengen (zie bijlage 2). Er is gerekend met een referentieturbine met een rotordiameter van 164 m en ashoogte van 167 m (tiphoogte 249 m). In Tabel 5.8 staan de rekenresultaten voor 16 toetspunten (alleen woningen) en in Figuur 5.4 is met een groene, rode en grijze isolijn aangegeven waar de totale jaarlijkse verwachte hinderduur respectievelijk 0, 6 of 16 uur bedraagt per gevel. Bij de bepaling van de schaduwduur is geen rekening gehouden met eventuele afschermende beplanting, gebouwen en kunstwerken in de omgeving die slagschaduwduur kunnen verminderen. Hierdoor kan de hinder in de praktijk lager zijn. Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 52
Tabel 5.8 Slagschaduwduur [uu:mm per jaar] Toetspunt
Adres
Verwachte slagschaduw per jaar [u:mm]
1
Spanjaardweg 1
16:36
2
Onderneming 2
41:58
3
Onderneming 1
36:39
4
Buitengronden 3a
32:35
5
De Nolle 24
12:25
6
Seggeweg 61
25:06
7
Groene Kruisweg 2
27:44
8
Maasdijk 20
--
9
Maasdijk 18
--
10
Maasdijk 16
--
11
Landsweg 4
4:05
12
Staaldiepseweg 5
8:28
13
Visserijweg 11
6:00
14
Vlaardingerhilseweg 12
1:35
15
Smalleweg 5
--
16
Sluisweg 18
--
--: geen slagschaduw
Bij de woningen waarvan de verwachte hinderduur vetgedrukt is, treedt jaarlijks meer dan 6 uur slagschaduwhinder op. Normoverschrijding is daar mogelijk. Eventuele overschrijding van de norm zal worden weggenomen door een stilstandregeling tot het niveau waarop wordt voldaan aan de (vertaling van de) norm uit de Activiteitenregeling (tevens ruimtelijk aanvaardbare slagschaduwnorm). Voor woningen die niet in bovenstaande tabel staan is de duur van slagschaduw gelijk of lager dan de resultaten gegeven in de tabel op representatieve toetspunten. Er is op 8 toetspunten sprake van een overschrijding van de (vertaling van de) slagschaduwnorm van 6 uur met maximaal circa 36 uur op toetspunt 2. De windturbines van het windproject zullen worden uitgerust met een stilstandvoorziening om te voldoen aan de wettelijke en ruimtelijk aanvaardbare norm van maximaal 6 uur schaduw per jaar. In de turbinebesturing worden hiervoor dagen en tijden geprogrammeerd waarbinnen de rotor wordt gestopt omdat er dan slagschaduw valt op woningen die bijdragen aan een overschrijding van de norm. Een dergelijke voorziening leidt tot een aanvaardbare stilstand met productieverlies van circa 2%. Het treffen van een voorziening is verplicht op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer waardoor er geen vergunningvoorschrift nodig is.
De initiatiefnemer heeft aanvullend, om de hinder door slagschaduw op de omgeving zo veel mogelijk te voorkomen, er voor gekozen om de slagschaduw op slagschaduwgevoelige objecten tot een minimum te beperken en nog maximaal 1 uur slagschaduw per jaar op woningen toe te voegen met het windproject. Om deze maximale slagschaduwduur op woningen te borgen heeft de initiatiefnemer een aanvraag ingediend bij het bevoegd gezag voor het opleggen van maatwerkvoorschriften voor slagschaduw op Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 53
grond van artikel 3.12, lid 2 van de Activiteitenregeling. Er is gekozen voor maximaal 1 uur als tijd die benodigd is voor het op- en afschakelen van de winturbines als de automatische stilstandvoorziening in werking wordt gezet. Een maximale beperking van slagschaduw tot bijna nul uur leidt tot minimalisatie van hinder en is daarmee ook zonder meer ruimtelijk aanvaardbaar. De benodigde mitigatie is beperkt en brengt de uitvoerbaarheid van het plan niet in gevaar. Figuur 5.4 Slagschaduwcontouren
Cumulatie met andere windturbines Voor slagschaduw is ook gekeken naar cumulatie met bestaande windturbines in de omgeving. In Tabel 5.9 staan de rekenresultaten voor 16 toetspunten (allen woningen) en in Figuur 5.5 is met een groene, rode en grijze isolijn aangegeven waar de totale jaarlijkse verwachte hinderduur respectievelijk 0, 6 of 16 uur bedraagt per gevel. Voor de bestaande windturbines is geen rekening gehouden met de (verplichte) aanwezigheid van een stilstandvoorziening voor slagschaduw op basis van de Activiteitenregeling waardoor de werkelijke slagschaduwduur van de bestaande turbines lager zal liggen. Door de worst case (zonder mitigatie) slagschaduwduur van de bestaande windturbines inzichtelijk te maken, is tegelijkertijd de worst-case slagschaduwduur in cumulatie van de bestaande windturbines met Windproject Brielse Brug inzichtelijk gemaakt.