Nota van beantwoording zienswijzen algemene deel
Tekst van het document
2.7.3
Rapportage Peutz
In meerdere zienswijzen wordt verwezen naar een rapportage van adviesbureau Peutz. Het gaat om het rapport: “akoestische consequenties van plaatsing van twee windturbines te Vierpolders (Windproject Brielse Brug)", met referentie HH/HH//F 23054-1-NO-001 van 5 januari 2024. Peutz heeft gereageerd op het geluidonderzoek van initiatiefnemer Pondera dat ten grondslag ligt aan de omgevingsvergunning en het maatwerkbesluit. Peutz stelt dat geen vergunning kan worden verleend. Onderstaand is puntsgewijs een reactie opgenomen van DCMR bij de zes hoofdpunten die Peutz noemt in de conclusie van de notitie. 1.
Er wordt niet voldaan aan de geluidgrenswaarden van 45 dB Lden en 39 dB Lnight uit het ontwerp besluit windturbines leefomgeving en de uit lokale geluidgrenswaarden die de gemeente hanteert bij windpark Haringvlietdam.
Pagina 17
129084-2024
Reactie: De constatering is correct, maar juridisch niet relevant. De door Peutz genoemde normstelling is namelijk niet van toepassing op de twee windturbines. De geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn van toepassing voor windproject Brielse Brug. Voor dit plan is geen aanleiding gezien om hiervan af te wijken. 2.
Het akoestisch rapport van Pondera van 8 juli 2022 en het aanvullende memo van Pondera van 22 november 2023 geven geen inzicht hoe genoemde geluidgrenswaarden kunnen worden gerealiseerd en gegarandeerd.
Reactie: De stelling van Peutz is niet correct. In het bij de aanvraag gevoegde akoestisch Onderzoeksrapport (bijlage 2 van de ruimtelijke onderbouwing) is uitgegaan van een relatief luide windturbine (Nordex N163/5.X op 167m ashoogte met een maximale bronsterkte van 109,2 dB(A)). In het onderzoek is vervolgens toegelicht dat er kan worden voldaan aan de normstelling door te kiezen voor een andere windturbine met een lagere geluidemissie en of lagere ashoogte te nemen. Ook kan er voor worden gekozen om (voor specifieke perioden) de instellingen van specifieke turbines te wijzigen. Met deze instellingen worden de bronsterkten van de turbines gereduceerd door bijvoorbeeld het toerental te verlagen en/of de bladhoek te verdraaien. Deze geluidmitigerende modi zijn doorgerekend in het akoestisch rapport. Dit zijn in de praktijk al jaren gangbare maatregelen, die altijd mogelijk zijn en aantoonbaar effectief. De geluidgrenswaarden zijn met het treffen van voornoemde maatregelen naleefbaar. Voorafgaand aan de bouw, wanneer het windturbinetype bekend is, zal inzichtelijk worden gemaakt of en welke maatregelen nodig zijn om aan de normstelling en maatwerkvoorschriften te kunnen voldoen. Het bevoegd gezag kan de emissieterm LE opvragen.
Artikel 3.14e lid a van de Activiteitenregeling verplicht de eigenaar van de windturbine tot registratie van de emissieterm LE gedurende het afgelopen kalenderjaar. Hierbij gebruikt men de windsnelheidsgegevens en bedrijfsgegevens over het afgelopen jaar om de geluidemissie te berekenen over het afgelopen jaar. Ieder kalenderjaar moet voldaan worden aan de geluidsnormen. 3.
Er is niet concreet aangegeven welke maatregelen vereist zijn om te voldoen aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit.
Reactie: De constatering is op zich correct, maar is voor de besluitvorming over de aanvaardbaarheid van de windturbines ook niet nodig. Omdat het precieze type windturbine nog niet is gekozen, zijn de mogelijke maatregelen benoemd waarmee de geluidgrenswaarden naleefbaar zijn (zie ook de reactie bij punt 2). De concrete maatregelen die vereist zijn, zullen duidelijk worden wanneer bekend is welke windturbine precies geplaatst wordt. Doordat de geluidsnormen zelf bindend zijn opgelegd en dus handhaafbaar zijn, hoeft de wijze waarop naleving plaatsvindt niet bij voorbaat vast te liggen. 4.
Pondera gaat uit van de in het ontwerp besluit: ‘Besluit windturbines leefomgeving’ ten aanzien van de afstand van minimaal twee keer de tiphoogte, maar niet van de in dit besluit opgenomen geluidgrenswaarden, hetgeen onjuist is.
Reactie: De geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn hier van toepassing (zie voor een nadere toelichting ook de reactie bij punt 1 en paragraaf 2.6). 5.
De reeds bestaande gecumuleerde geluidbelasting is bij de woningen op en direct nabij bedrijventerrein Seggelant sterk onderschat doordat het geluid van het bedrijventerrein waar qua geluid zware bedrijven tot en met categorie 4.2 zijn toegestaan, niet is beschouwd. Er is dus een slechtere geluidsituatie dan door Pondera beschreven;
Pagina 18
129084-2024
Reactie: Het bedrijventerrein Seggelant is, zoals ook is aangegeven in het bij de aanvraag gevoegde akoestisch onderzoek, buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van industrielawaai. Het verkeer van en naar het bedrijventerrein is wel meegenomen in de gecumuleerde geluidbelasting. Ook zijn de geluidbelastingen vanwege de gezoneerde industrieterreinen Maasvlakte-Europoort en BotlekVondelingenplaat meegenomen. De geluidbelasting op de bedrijfswoning aan de Groene Kruisweg 2, op bedrijventerrein Seggelant, zal in een bepaalde mate beïnvloed worden door activiteiten op het bedrijventerrein Seggelant, in hoofdzaak door de activiteiten van Lodi Trading Company B.V., dat direct naast de genoemde bedrijfswoning ligt. De consequentie van het wel meerekenen van die geluidbelasting zou de geluidbelasting in de referentiesituatie verhogen, en de relatieve verslechtering als gevolg van de windturbines verkleinen. Dit leidt niet tot een ander oordeel over de toelaatbaarheid van het windturbinegeluid en een oordeel over een goede ruimtelijke ordening. 6.
De geluidbelasting vanwege de twee windturbines komt daarbij. Er is daarmee geen sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Reactie: Zie de reactie bij punt 5. De door Peutz aangedragen argumenten leiden niet tot een ander oordeel over de goede ruimtelijke ordening. Geconcludeerd wordt dat de argumenten van Peutz niet leiden tot een ander oordeel over de mogelijkheid tot verlenen van de omgevingsvergunning, het maatwerkbesluit en of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat het rapport van Peutz geen berekeningen bevat, op basis waarvan conclusies zouden kunnen worden getrokken met betrekking tot de geluidbelasting van de windturbines. Het rapport van Peutz is niet zodanig dat op basis daarvan moet worden getwijfeld aan het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan onderhavige aanvraag.
2.8
Gezondheid
Er bestaat een relatie tussen milieu en gezondheid. Ook andere factoren dan milieufactoren zijn van invloed op de gezondheid van mensen, denk aan roken, beweging en het binnenklimaat van woningen. Uit ervaring bij projecten voor windenergie blijkt dat er bij omwonenden zorgen kunnen bestaan over de mogelijke gevolgen van windturbines op de kwaliteit van de leefomgeving. Het aspect gezondheid maakt impliciet deel uit van andere thema’s, aangezien de windturbinenormen die zijn opgesteld voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid het doel hebben mensen te beschermen tegen onaanvaardbare hinder. Bij het vaststellen van die normen speelden gezondheidsaspecten een rol. Voor het aspect gezondheid op zich bestaat er geen wettelijk toetsingskader. Wel zijn er in de loop der jaren meerdere wetenschappelijke studies uitgevoerd. Juist omdat het om gezondheid gaat, wordt alleen gebruik gemaakt van de meest recente studies waaraan in belangrijke mate door onafhankelijke medici of gezondheidsinstituten is meegewerkt. Deze onderzoeken dienen als basis voor de conclusies die zijn geformuleerd over gezondheidseffecten van windturbines. De ruimtelijke onderbouwing van Windproject Brielse Brug geeft op basis van deze wetenschappelijke en onafhankelijke studies een overzicht van de belangrijkste inzichten van windturbines in relatie tot gezondheid.
Windturbines worden regelmatig in verband gebracht met gezondheidsproblemen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat hinder kan worden ondervonden, terwijl er geen sprake is van gezondheidseffecten. (Ernstige) hinder zou kunnen leiden tot gevoelens van irritatie, boosheid en onbehagen en als (indirect) gevolg daarvan tot gezondheidseffecten (zoals bijvoorbeeld hoge bloeddruk). Wanneer windturbines in of nabij bewoonde gebieden worden geplaatst, kunnen omwonenden hinder ondervinden van deze aspecten. Voor andere gezondheidseffecten dan hinder ontbreekt echter consistent bewijs (ABRvS 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1446 (Windpark Karolinapolder) rov. 41.1.).
Pagina 19
129084-2024
In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op een aantal specifieke onderwerpen over gezondheidseffecten die vaak zijn genoemd in de binnengekomen zienswijzen. Voor een geheel overzicht van het aspect gezondheid in relatie tot windturbines wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing van de aanvraag omgevingsvergunning.
2.8.1
Gezondheidseffecten van emissies van schadelijke stoffen
Schadelijke stoffen in coatings Veel zienswijzen gaan in op de mogelijke effecten van schadelijke stoffen (met name Bisphenol-A) in de coatings van windturbines en het vrijkomen van microplastics door erosie. Bisphenol-A (ook bekend onder de afgekorte naam BPA) is een weekmaker die veel gebruikt wordt in de productie van polycarbonaat plastic, epoxyhars en veel andere algemene producten zoals speelgoed, drinkflessen en contactlenzen. BPA veel wordt gebruikt in de (voedsel)verpakkingsindustrie. In 2015 is het product door de Europese Voedselveiligheidsorganisatie (EFSA) aangemerkt als ongevaarlijk voor de volksgezondheid en bruikbaar voor direct contact met voedsel. Bij de productie van windturbines wordt BPA niet gebruikt. Het wordt gebruikt bij de bereiding van epoxyhars, die weer gebruikt wordt als beschermende coating om de masten en turbinebladen. Coatings op basis van epoxy worden ook veel toegepast om staal tegen corrosie te beschermen in bijvoorbeeld de luchtvaart, drinkwatersector of weg- en waterbouw. Tijdens het productieproces van epoxycoatings reageert BPA vrijwel volledig weg, maar kan er een kleine hoeveelheid BPA in het uiteindelijke product achterblijven. Deze hoeveelheid verschilt per product, maar zit meestal in een ordegrootte van 0,001 tot 0,01% (RIVM, 2023).
Daarnaast brengen de fabrikanten beschermende voorzieningen aan (bijvoorbeeld tapes) over de 'leading edge' (het laatste 1/3 deel van de wiek) van rotorbladen. Hiermee wordt de erosie en uitloging van gevaarlijke stoffen verminderd. In plaats van coatings op basis van epoxy wordt veelal polyurethaan gebruikt als toplaag van de masten en bladen, omdat deze coatings beter bestand zijn tegen UV straling dan coatings op basis van epoxy. Polyurethaan bevat geen BPA of 4-tbp, en vooralsnog lijken er ook geen andere stoffen uit te logen met schadelijke effecten op organismen (RIVM, Eerste inzicht in emissies van chemische stoffen bij windturbines op land; Resultaten quickscan, April 2023). Erosie vindt met name plaats aan de voorkant (leading edge) van de windturbinebladen. Als gevolg van erosie (die optreedt bij ieder object waarop verf aanwezig is, zoals een huis of auto) zal jaarlijks ongeveer 1.000 gram van deze beschermende coating van de bladen per windturbine eroderen (RIVM, 2023). Door de erosie kunnen er ook (micro)plastics vrijkomen door slijtage van de gebruikte coatings. Ter vergelijking: een recent rapport van TNO6 schat dat de totale jaarlijkse emissie van alle microplastics in Nederland naar het milieu ongeveer 5000 ton bedraagt, waarbij autobanden (~2000 ton), verpakkingen (~1500 ton), en landbouwplastics (~800 ton) de grootste bronnen zijn.
De geschatte bijdrage van windturbines op land aan de totale landelijke emissie van microplastics is zeer klein en minder dan 0,0002% tot 0,8%, waarbij het laatste getal een worst-case inschatting betreft. Uit de rapportage van RIVM is niet af te leiden of in deze inschatting de extra bescherming van de leading edge is meegenomen. Kortom, uit voorgaande cijfers blijkt dat de potentiële emissie van microplastics van twee windturbines zodanig gering is dat dit geen tot nagenoeg geen effecten op de omgeving zal of kan hebben. Het RIVM (2023) concludeert dat het aannemelijk is dat er emissies van chemische stoffen optreden tijdens de gebruiksfase van windturbines op land vanwege de coatings op de mast en bladen van windturbines. . RIVM laat ook zien dat hoeveelheid BPA die nog in de coating overblijft zeer gering is en mogelijke maatregelen zijn toe te passen (gebruik polyurethaan of een leading edge protection).
6
RIVM, Eerste inzicht in emissies van chemische stoffen bij windturbines op land; Resultaten quickscan, April 2023
Pagina 20
129084-2024
Ook laat het RIMV (2023) zien dat de emissies van microplastics door windturbines in Nederland zeer beperkt is en dat hier ook mogelijkheden zijn om dit verder te mitigeren door toepassing van leading edge protection. Windproject Brielse Brug zal dan ook een leading edge protection toepassing op de rotorbladen. Dit is geborgd middels een vergunningsvoorschrift.
2.8.2
Gezondheidseffecten voor kinderen
Voor windproject Brielse Brug is het Activiteitenbesluit van toepassing (zie paragraaf 2.6). In het Activiteitenbesluit wordt voor de normstelling van geluid van 1 of 2 windturbines getoetst aan de waarden Lden= 47 dB en Lnight= 41 dB. Deze normen gelden voor geluidgevoelige objecten, waaronder scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen en zorginstellingen. Dit geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat een strengere normering benodigd is ter bescherming van de gezondheid van kinderen. Dat blijkt ook uit een uitspraak van de Raad van State over Windpark De Rietvelden7. Daarin wordt gesteld: “Ook de omstandigheid dat de beoogde windturbines zijn voorzien binnen een gestelde afstand van 600 meter van een lagere school, zijn voor de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van het verlenen van de omgevingsvergunning had behoren af te zien”. Daarnaast zijn er momenteel geen gepubliceerde artikelen die adequaat onderzoeken naar de relatie tussen windturbines en gezondheidseffecten of slaapverstoring specifiek op kinderen.
2.8.3
Gezondheidseffecten voor personen met autisme, epilepsie, verstandelijke beperkingen, psychiatrische stoornissen Er zijn geen onderzoeken gepubliceerd die ingaan op specifieke relaties tussen windturbines en bijvoorbeeld autisme of psychoses. Wel is onderzoek gedaan naar de relatie tussen windturbines en mentale gezondheid in algemene zin. Deze onderzoeken geven geen eenduidig beeld en komen tot dezelfde conclusie als het RIVM, namelijk: er is onvoldoende bewijs voor directe gezondheidseffecten door windturbines. Wel zijn er indirect gezondheidseffecten aangetoond voor hinder van geluid, slagschaduw en knipperende lichten en gezondheidsklachten zoals chronische pijn, hoofdpijn, tinnitus, duizeligheid en misselijkheid. Er zijn onderzoeken8 beschikbaar die ingaan op de relaties tussen windturbines en epilepsie. Door het onderbreken van het zonlicht door de windturbinebladen kan een flikker van licht optreden. Deze flikkeringen kunnen een epileptische aanval uitlokken. Uit onderzoek is gebleken dat bij lichtflikkeringen met een frequentie van 3 Hz (= 3 lichtflitsen per seconde), bij 1,7 per 100.000 mensen een epileptische aanval kan worden uitgelokt bij mensen die hier gevoelig zijn. Wanneer de flikker frequentie toeneemt, wordt het risico voor een epileptische aanval hoger.
De frequentie van slagschaduw van moderne windturbines ligt ver onder deze grenswaarde (0,6 Hz = 0,6 lichtflitsen per seconde). Daarom mag aangenomen worden dat de slagschaduw van windturbines geen epileptische aanvallen kunnen veroorzaken.
2.8.4
Gezondheidseffecten bij laagfrequent geluid
Laagfrequent geluid wordt gedefinieerd als geluid met minder dan 100 trillingen per seconde (100 Hz). Geluid onder de 20 Hz is niet hoorbaar, alleen voelbaar. Dit wordt infrasoon geluid genoemd. Voor laagfrequent en infrasoon geluid zijn geen algemene normen beschikbaar zoals bij ‘normaal’ geluid (zie paragraaf 2.7). In verschillende onderzoeken is ingegaan op de effecten van laagfrequent geluid op de gezondheid. Het RIVM (2013)9 concludeert in een onderzoek naar de invloed van windturbines op de beleving en gezondheid van omwonenden dat windturbines laagfrequent geluid produceren maar dat er geen bewijs bestaat dat dit een factor van belang is voor de hinderbeleving van omwonenden.
7
ECLI:NL:RVS:2019:2720 Knopper & Ollson 2011, Smedley et al. 2010, Harding et al. 2008 9 Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden, GGD Informatieblad medische milieukunde Update 2013; RIVM rapport 200000001/2013. 8
Pagina 21
129084-2024
Daarom wordt geconcludeerd dat een aanvullende beoordeling bovenop de bestaande normstelling voor geluid niet nodig is. De huidige normstelling biedt voldoende bescherming. Agentschap NL (2013)10 komt in haar onderzoek op dezelfde conclusie uit. Daarnaast heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu een kamerbrief (2014)11 opgesteld over het onderwerp laagfrequent geluid. Ook in deze brief wordt geconcludeerd dat toetsing aan de standaard Nederlandse geluidnormen voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid. Meer recent (2017)12 heeft de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM een literatuurstudie uitgevoerd naar de relatie tussen blootstelling aan windturbinegeluid en gezondheid. In dit onderzoek is ook gekeken naar laagfrequent geluid. Dit onderzoek heeft in 202013 een update gekregen. Uit de onderzoeken blijkt dat een windturbine geen directe effecten heeft op de gezondheid van omwonenden. Wel benoemt de studie dat hinder kan optreden als gevolg van geluid van windturbines. Uit het onderzoek blijkt niet dat laagfrequent geluid van windturbines tot extra hinder leidt ten opzichte van ‘normaal’ geluid. In 2023 is in Environmental Health Perspective een onderzoek14 gepubliceerd specifiek over gezondheidseffecten van infrageluid afkomstig van windturbines.
Hieruit blijkt dat geen van de onderzochte geluidgevoelige personen werd blootgesteld aan effecten die kunnen worden omschreven als het windturbinesyndroom. In het onderzoek werd geen effect gevonden op slaap, hersenfunctie, cardiovasculaire of psychische gezondheid. De onderzoekers achten het daarom onwaarschijnlijk dat infrageluid van windturbines een negatief effect heeft op de gezondheid. Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aandeel laagfrequent geluid niet onevenredig groot is bij windturbines, het aandeel laagfrequent geluid niet significant is toegenomen met het formaat van de windturbine en er geen aanleiding is om te veronderstellen dat specifiek laagfrequent en infrageluid een effect op de volksgezondheid veroorzaken of tot additionele hinder leiden ten opzichte van ‘normaal’ geluid. Het voldoen aan de geluidsnormering leidt daarmee ook voor laagfrequent geluid tot een aanvaardbare situatie. Ook de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dat windinitiatieven zich op basis van bovenstaande studies in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid (zie o.a.
ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228 (Windpark Wieringermeer), 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 (Windpark De Drentse Monden Oostermoer), 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2720 (Windpark De Rietvelden) en recentelijk 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226 (Windplan Groen) en ECLI:NL:RVS:2023:1433 (Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding).
2.8.5
Voorzorgsbeginsel
Het voorzorgsbeginsel niet zover strekt dat enkel op basis van publicaties- waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten- een omgevingsvergunning niet kan worden verleend. Dit is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak (in meerdere uitspraken over windparken waaronder ECLI:NL:RVS:2023:1433 (Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding), ECLI:NL:RVS:2018:2225 (Windpark Oostpolder) ECLI:NL:RVS:2018:616 (Windpark De Drentse Monden – Oostermoer) ECLI:NL:RVS:2017:3504 (Windpark De Veenwieken).Er zijn publicaties die, om ieder risico bij voorbaat uit te sluiten, een hogere mate van bescherming of een grotere afstand tot windturbines aanbevelen, of aangeven dat het wenselijk is dat nader onderzoek wordt verricht.
10
Literatuuronderzoek laagfrequent geluid windturbines, LBP Sight in opdracht van Agentschap NL (tegenwoordig Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; RVO), projectnummer DENB 138006 september. 11 Kamerbrief over "Laagfrequent geluid van windturbines", Ministerie van Infrastructuur en Milieu, kenmerk IENM/BSK2014/44564, 31 maart 2014. 12 Health effects related to wind turbine sound, including low-frequency sound and infrasound, RIVM and GGD Amsterdam, 2018. 13 Health effects related to wind turbine sound: an update, oktober 2020, RIVM rapport 2020-0150. 14 Marshall, et al; 2023: The Health Effects of 72 Hours of Simulated Wind Turbine Infrasound: A Double-Blind Randomized Crossover Study in Noise-Sensitive, Healthy Adults.
Pagina 22
129084-2024
Dit wil niet zeggen dat omgevingsvergunningen die windturbines mogelijk maken niet kunnen worden verleend. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat zulk nader onderzoek jaren vergt en bij voorkeur op landelijke schaal moet worden uitgevoerd. In het kader van vergunningverlening moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van de vergunningaanvraag en onderliggende stukken wordt geconcludeerd dat met de komst van de windturbines nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
2.8.6
Betrouwbaarheid en volledigheid gebruikte onderzoeken
RIVM-rapporten In Binnenlands Bestuur wordt Dr. Van Hoof geïnterviewd over een onderzoek dat hij gedaan heeft naar de rol van belangenverstrengeling, Conflicts of Interest (COI (Cost-of-illness)), bij twee rapporten van het RIVM uit 2017 en 2020. In die rapporten presenteert het RIVM de resultaten van systematische literatuuronderzoeken naar de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines. Beide rapporten zijn ook als artikelen gepubliceerd in twee wetenschappelijke tijdschriften. In het artikel van Van Hoof wordt het beeld geschetst dat het RIVM-onderzoek beïnvloed zou zijn door de windindustrie. De onderzoeken van het RIVM zijn literatuuronderzoeken naar de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines. Dit is gedaan door álle wetenschappelijke literatuur tussen 2017 en 2020 over de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines te analyseren en te evalueren. Er was in Nederland nog niet zoveel onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van windturbinegeluid. Een systematisch literatuuronderzoek, dat alle relevante internationale onderzoeken omvat, is dan ook een goede methode om de vraag te beantwoorden of windturbinegeluid samenhangt met gezondheidseffecten. Het RIVM kan zich ook niet vinden in de conclusie van Van Hoof. De belangrijkste redenen zijn (zie ook: https://www.rivm.nl/windenergie/reactie-artikel-BB):
Het RIVM heeft bij de onderzoeken de standaard wetenschappelijke protocollen gevolgd. Het RIVM is het oneens met de algemeen gewekte suggestie dat onderzoek dat is gefinancierd door de overheid of de markt onbetrouwbaar is. Het RIVM is het oneens met de gewekte suggestie dat dit onderzoek is beïnvloed door een windlobby. Uit de bekritiseerde artikelen blijkt dat er juist mogelijke effecten op de gezondheid zijn.
Er is geen aanleiding om de literatuuronderzoeken van het RIVM, en daarmee alle onderliggende wetenschappelijke studies, ter discussie te stellen omdat er geen sprake is van belangenverstrengeling of onvoldoende wetenschappelijke kwaliteit.
Overige literatuur Reclamanten verwijzen naar diverse onderzoeken en artikelen voor onderbouwing van zienswijzen. Hieronder wordt ingegaan op deze onderzoeken en artikelen en beargumenteerd waarom onderzoeken wel/niet zijn meegenomen. Artikel S. van Manen in Medisch Contact (2018) In 2018 heeft huisarts S. van Manen een artikel gepubliceerd in het opinieblad Medisch Contract15. Daarin wordt geschreven dat, op basis van een van haar bronnen, een substantieel deel van omwonenden van windturbines wereldwijd identieke gezondheidsklachten rapporteert. Een van de bronnen waar van Manen aan refereert concludeert echter dat er geen relatie is tussen blootstelling aan windturbinegeluid tot 46 dB(A) en de gerapporteerde gezondheidsklachten. Daarnaast concludeert van Manen zelf dat er geen bewijs is dat windturbines directe gezondheidsproblemen of ziektes veroorzaken en stelt van Manen dat er meer onderzoek nodig is.
15
https://www.medischcontact.nl/actueel/laatste-nieuws/artikel/windmolens-maken-wel-degelijk-ziek
Pagina 23
129084-2024
WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid (2018) De WHO heeft richtlijnen voor milieugeluid ontwikkeld op basis van wetenschappelijk onderzoek, waaronder windturbinegeluid. De WHO geeft in het rapport een voorwaardelijk advies om de blootstelling van geluidniveaus van windturbines te reduceren tot 45 dB Lden. Dit voorwaardelijke advies volgt uit de constatering dat er op basis van vier studies wordt gesteld dat 10 procent van de populatie sterk gehinderd is door blootstelling aan een geluidniveau van 45 dB Lden. Omdat het beschikbare bewijs voor de relatie tussen windturbinegeluid en hinder en gezondheid volgens de WHO van lage kwaliteit is (bevestigd door RIVM, 2020), wordt het advies voor een normstelling van 45 dB Lden door de WHO als conditioneel beschouwd. Verder komt uit het rapport van de WHO naar voren dat er geen statistisch significante relatie is gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, cognitieve stoornissen, gehoorproblemen, ongunstige zwangerschap uitkomsten en slaapstoornissen. De WHO vat het bewijs voor de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid als volgt samen: "as the foregoing overview has shown, very little evidence is available about the adverse health effects of continuous exposure to wind turbine noise." (p. 84).
(Vrij vertaald: er is heel weinig bewijs beschikbaar voor de nadelige effecten van windturbinegeluid op de gezondheid. Tot slot geeft het rapport aan dat contextuele factoren (zoals de opvatting ten opzichte van windturbines, direct zicht, economisch profijt) een belangrijke rol spelen in de effecten en de ervaring van windturbinegeluid. Artikel J. Laat et al. in Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (2021) In december 2021 heeft audioloog Jan de Laat samen met vier andere auteurs een opiniestuk gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde16. Het betreft een niet door medeonderzoekers beoordeeld artikel, waarin de auteurs een aantal cases beschrijven van mensen die gezondheidsklachten ervaren die zij wijten aan de realisatie van industriële windturbines. Deze klachten worden naast hoorbaar geluid deels veroorzaak door infrasone en laagfrequente trillingen (ILFN). Zo beschrijven de auteurs dat er een onderscheid is tussen bewust waarnemen en somatische effecten van ILFN. Dit zou ertoe leiden dat ook bij zeer lage waarden, niet hoorbaar of waarneembaar, toch effecten kunnen optreden. De auteurs geven ook aan dat meer onderzoek en een publieke discussie nodig is over de afweging van verschillende belangen, waarbij gezondheid voorop zou moeten staan. Tot die tijd adviseren zij om windturbines op 10 keer de tiphoogte van de bebouwde kom te plaatsen.
Omdat het betreffende onderzoek waarop het artikel gebaseerd zou zijn niet gepubliceerd is, is het onmogelijk vast te stellen of dit voldoet aan de standaard van wetenschappelijke kwaliteit. Hierdoor kan aan de conclusies en adviezen geen waarde worden toegekend. De commissie wetenschappelijke integriteit van de Universiteit van Leiden heeft Jan de laat dan ook gewezen op het feit dat hij beweringen doet die zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek dat nog niet gepubliceerd is17. Artikel Godono et al. in International Journal of Hygiene and Environmental Health (2023)18 In 2023 is een artikel gepubliceerd over de relatie tussen windturbinegeluid en “slaapstoornissen”. De auteurs hebben een systematische review en meta-analyse gedaan van alle literatuur over dit onderwerp tot mei 2023. Na een uitgebreide literatuur search zijn er 15 artikelen overgebleven die gaan over windturbinegeluid en slaap. Deze 15 artikelen zijn meegenomen in de meta-analyse. In het onderzoek wordt het woord “sleep disorder” gebruikt waarbij de volgende definitie wordt gehanteerd: “an umbrella term including sleep disturbance, poor sleep quality, insomnia, and restless legs syndrome”.
(een overkoepelende term die slaapstoornissen, slechte slaapkwaliteit, slapeloosheid, en het rusteloze benensyndroom omvat) Hiervoor wordt verwezen naar een ander onderzoek maar de definitie uit dat onderzoek is op een onjuiste manier overgenomen. De onjuiste definitie en methodiek leiden ertoe dat in het onderzoek niets gezegd kan worden over slaapstoornissen. De auteurs zouden eigenlijk over slaapverstoringen moeten spreken in plaats van slaapstoornissen. Daarnaast is de methodiek van het onderzoek niet duidelijk beschreven waardoor het 16
https://www.ntvg.nl/artikelen/geluid-van-industriele-windturbines https://www.mareonline.nl/nieuws/arts-berispt-vanwege-claims-over-windmolens/ 18 Godono et al. (2023). Association between exposure to wind turbines and sleep disorders: A systematic review and meta-analysis. Int J Hyg Environ Health. doi: 10.1016/j.ijheh.2023.114273 17
Pagina 24
129084-2024
onderzoek niet volledig te reproduceren is. Hierdoor is het artikel niet van voldoende wetenschappelijke kwaliteit. De conclusie van het onderzoek luidt dat de bevindingen een dosis-effect relatie suggereren tussen windturbinegeluid en slaapstoornissen, maar dat er geen conclusie over causale verbanden kan worden getrokken omdat de kwaliteit van de onderliggende studies slecht is en er geen longitudinale studies zijn bekeken.(Dat wil zeggen dat er geen onderzoeksmethode is gebruikt waarbij gegevens zijn gebruikt van dezelfde groep mensen over een langere periode). Van de 15 onderzoeken in de meta-analyse waren slecht twee onderzoeken van goede kwaliteit. De overige onderzoeken waren slecht (8) of matig (5). Daarnaast hebben zes onderzoeken een reporting bias, (dat betekent dat de onderzoeken beïnvloed zijn door externe factoren wat geleid heeft tot een vertekend resultaat), maar is niet te achterhalen voor welke onderzoeken dit geldt. Samenvattend achten wij het artikel van Godono et al. niet van voldoende kwaliteit om als basis te dienen voor de conclusie die zij trekken. Het onderzoek geeft daarom geen aanleiding om de conclusies over gezondheidseffecten ter discussie te stellen. Artikel Mroczek et al. in International Journal of Environmental Research and Publick Health (2015)19 Aanleiding van het onderzoek van Mroczek et al.
was het veronderstelde gezondheidseffect van windturbines op de gezondheid en de resultaten uit een eerdere studie waarbij de aanwezigheid van windturbines op de kwaliteit van leven (QoL) van inwoners in de omgeving niet heeft aangetast. Het onderzoek van Mroczek et al. had als doel om te achterhalen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van windparken in verschillende ontwikkelstadia en de ontwikkeling van de kwaliteit van leven (QoL). In het onderzoek van Godono et al. wordt het onderzoek van Mroczek et al. aangewezen als een slecht onderzoek (o.b.v. quality assessment tool van National Institute of Health). De GGD onderschrijft deze bevinding van Godono et al. Daarnaast geven de conclusies van het onderzoek van Mroczek et al. geen aanleiding om de gebruikte literatuur en de daaruit volgende conclusies over gezondheidseffecten ter discussie te stellen. In het artikel worden de volgende conclusies getrokken:
Leeftijd draagt het meest bij aan de kwaliteit van leven van inwoners die wonen nabij een windpark. De laagste scores voor de kwaliteit van leven zijn gevonden onder respondenten die wonen nabij windprojecten in de plan- of constructiefase. Dit is ten opzichte van andere ontwikkelfasen waarin een windpark zich kan bevinden (bijv. gerealiseerde windparken). De aanwezigheid van windparken nabij bewoond gebied heeft geen negatief effect op de kwaliteit van leven van inwoners.
2.9
Ecologie
2.9.1
Introductie natuurtoets
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling van twee windturbines in Brielle is een ecologisch onderzoek verricht, de natuurtoets. Dit onderzoek gaat in op de verwachte effecten op beschermde soorten ten gevolge van de aanleg en exploitatie van de windturbines. Het doel van de natuurtoets is te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot overtredingen van de wetten en regels die zien op bescherming van natuur. Als dat het geval is, wordt bepaald of en zo ja onder welke voorwaarden vergunning, ontheffing en toestemming kan worden verleend voor de voorgenomen ontwikkeling. En als laatste wordt bepaald of mitigerende/compenserende maatregelen benodigd zijn. De natuurtoets is gebruikt ter onderbouwing van de aanvraag omgevingsvergunning en ontheffingsaanvraag van het verbod op het doden en verwonden van beschermde vogel- en vleermuissoorten.
19
Mroczek et al. (2015). Evaluation of quality of life of those living near a wind farm. Int. J. Environ. Res. Public Health. doi:10.3390/ijerph120606066.
Pagina 25
129084-2024
2.9.2
Veldwerk en overige bronnen
Voor het bepalen van het maximale effect op natuur is in de natuurtoets gebruik gemaakt van verschillende bronnen (zie hoofdstuk 5 natuurtoets). De berekeningen in de natuurtoets zijn deels gebaseerd op worst-case aannames omdat voor veel soorten locatiespecifieke informatie in onvoldoende detail aanwezig is. De aannames zijn altijd op een wijze geformuleerd dat het worst case scenario is getoetst. Dit geldt bijvoorbeeld voor het aantal vogels dat bij het windpark rondvliegt, het aandeel vogels dat op rotorhoogte vliegt en het aandeel vogels dat uitwijkt voor het windpark. Ook is bijvoorbeeld voor het doorrekenen van het aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels een windturbine gehanteerd met de laagst mogelijke tiplaagte passend binnen de bandbreedte van de vergunning.
Veldonderzoek Voor het onderzoek zijn diverse veldonderzoeken uitgevoerd. Er zijn tellingen uitgevoerd (in totaal zes) om het gebiedsgebruik, vliegroutes en vlieghoogtes van een aantal kustbroedvogels in beeld te brengen. Daarnaast is met radaronderzoek (drie avonden) gekeken naar specifiek de vliegbewegingen van (water)vogels in en nabij het plangebied. Om de aanwezigheid en activiteit van vleermuizen te onderzoeken is transectonderzoek uitgevoerd en metingen met een Audiomoth vanaf een vaste locatie. Als laatste heeft een locatiebezoek plaatsgevonden door een deskundig ecoloog om de aanwezigheid van beschermde soorten flora en fauna te onderzoeken.
Overige bronnen Voor het onderzoek is naast veldonderzoek gebruik gemaakt van gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna, kennis van het gebied uit eerdere studies, expert judgement en diverse literatuur. In de natuurtoets is gebruik gemaakt van zowel actuele studies rondom effecten van windparken op vogels en vleermuizen als onderzoeken uit het verleden, zoals in de Sabinapolder, dit is uitgebreid gerefereerd in de hoofdtekst en samengevat in bijlage 1 en 2 van de natuurtoets. Dit betreft een breed scala aan onderzoeken zodat de variatie in de tijd, omvang van de windparken en het onderzochte soortenspectrum goed is ondervangen. Sommige van deze onderzoeken zijn toegespitst op een bepaalde soortgroep en hoewel van oudere datum en met turbines van kleinere omvang geeft het inzicht in mogelijke effecten. Specifiek voor een inschatting van het aantal aanvaringsslachtoffers per windturbine per jaar is gebruik gemaakt van de best beschikbare kennis over slachtofferaantallen in windparken in Nederland en andere (West-) Europese landen. In het Flux-Collision model, dat is gebruikt om het aantal slachtoffers onder ganzen te berekenen, wordt expliciet gecorrigeerd voor het verschil in turbineomvang van de referentieparken en de geplande windturbines bij Brielle (zie paragraaf 5.5.1 en 9.4 in de natuurtoets).
2.9.3
Soorten waarvoor een effect kan optreden
Het ecologische onderzoek (de natuurtoets) start met een afbakening van het onderzoek. Dit houdt in dat voorafgaand aan het onderzoek een selectie wordt gemaakt van soorten waarvoor een effect verwacht kan worden. Deze soorten worden nader onderzocht in het onderzoek. Deze selectie heeft in verschillende stappen plaatsgevonden. Als eerste is gekeken naar de ruimtelijke afbakeningen: waar liggen beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland? Indien gebieden externe werking hebben (Natura 2000-gebieden) is aan de hand van maximale foerageerafstanden van vogelsoorten bepaald welke gebieden en soorten binnen de invloedssfeer van het voorgenomen windpark liggen.
Per soortgroep is in het onderzoek een beschouwing gegeven van het voortkomen van soorten in en nabij het plangebied en de functie die het plangebied vervult voor de soorten. Vervolgens is gekeken of soorten een effect kunnen ondervinden van het windproject. Voor vogels en vleermuizen is hiervoor gekeken naar de gevoeligheid van de soort voor aanvaringen. Dit is afhankelijk van bijvoorbeeld de vliegintensiteit op rotorhoogte, vlieggedrag, mate van uitwijking en de omvang van het windproject. Soorten waarop effecten
Pagina 26
129084-2024
op voorhand kunnen worden uitgesloten zijn vervolgens in het onderzoek buiten beschouwing gelaten (zie voor meer informatie deel I van de natuurtoets en bijlage I, II en III van de natuurtoets). Dit geldt ook voor de opgenomen soortenlijst in de Ontwerpbeschikking voor de ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming. Deze lijst bevat alleen de vogel- en vleermuissoorten waarvoor aanvaringsslachtoffers worden verwacht.
Specifiek voor vogelsoorten In deel 1 (en in bijlagen 1 en 3) van de natuurtoets (Prinsen et al. 2022) wordt uitgebreid ingegaan op de afbakening van het onderzoek en het selectieproces om te focussen op vogelsoorten die mogelijk effect ondervinden van de twee geplande windturbines bij Brielle. Niet iedere vogelsoort heeft bijvoorbeeld even veel risico om in aanvaring te komen met een windturbine en niet iedere vogelsoort ervaart verstoring door een windturbine. Dit betekent dat niet alle vogelsoorten die ooit in het plangebied zijn waargenomen in de natuurtoets uitgebreid aan bod komen. Bij de afweging of de sterfte van een soort bij de geplande windturbines voorzienbaar is spelen vier factoren een belangrijke rol:
de aanwezigheid van de soort in (de omgeving van) de planlocaties; de functie die dit gebied voor de soort vervult; de omvang van het geplande windpark, en; de gevoeligheid van de soort voor aanvaringen met windturbines.
Met dit laatste wordt de combinatie van de morfologie (uiterlijke kenmerken) en het (vlieg)gedrag van een soort bedoeld, die van invloed is op de kans dat een vogel bij passage van een windpark of windturbine slachtoffer wordt van een aanvaring.
In diverse zienswijzen wordt nog een aantal specifieke vogelsoorten genoemd dat zou ontbreken in het onderzoek. Het betreft veelal landelijk uiterst zeldzame (onder)soorten (Siberische tjiftjaf, Siberische braamsluiper, roodhalsgans, witkopstaartmees, grote trap, grote kruisbek). Of het gaat om soorten die vanwege hun gedrag of voorkomen in het plangebied, tijdens de selectiestappen beschreven in bijlage 3 in de natuurtoets zijn afgevallen. Naar geldend recht volgt een ontheffing(verleningsprocedure) echter de (ontheffing)aanvraag in de soortenselectie. De methode die gebruikt is om tot een selectie van soorten te komen die kans hebben om aanvaringslachtoffer te worden is uiteengezet in Bijlage III Onderbouwing Wnb-ontheffing vogels van de Natuurtoets. Daarmee is aannemelijk gemaakt (door de aanvrager) waarom voor die soorten ontheffing is aangevraagd. Het is voor risico van de aanvrager wanneer te zijner tijd zou blijken dat een vergunde activiteit alsnog een overtreding (in de zin van de Wnb) oplevert ten aanzien van niet aangevraagde soorten. De zienswijzen maken niet nu al aannemelijk dat van zo een overtreding sprake zal zijn, maar mocht daar te zijner tijd aanleiding voor zijn dan kan er door de toezichthouder (al dan niet naar aanleiding van een handhavingsverzoek) handhavend worden opgetreden.
Ook wat dit betreft leiden deze zienswijzen niet tot aanpassing van de ontwerpbeschikking. Ook wordt een aantal landelijk zeldzame vogelsoorten genoemd dat ooit eens incidenteel is waargenomen in de voormalige gemeente Brielle (het zijn geen van alle broedvogels, maar uiterst zeldzame doortrekkers, niet voor niets ‘dwaalgasten’ genoemd).In de ontheffing vanwege de Wet natuurbescherming wordt een monitoringsplicht opgenomen. Zo kan zowel de nauwkeurigheid van de (met de Natuurtoets) overlegde slachtofferberekeningen bewaakt worden, als de effectiviteit van de mitigerende maatregelen (de stilstandvoorziening) bewaakt worden. Ook maakt monitoring het mogelijk om zo spoedig mogelijk passende maatregelen te treffen indien de monitoringresultaten daartoe aanleiding geven. Het uitvoeren van monitoring komt daarnaast overeen met de bouwstenen voor het akkoord natuurinclusieve energietransitie wind en hoogspanning op land (NIEWHOL).
2.9.4
Conclusie
Uit de natuurtoets blijkt dat (zie ook hoofdstuk 16 van de natuurtoets):
Pagina 27
129084-2024
Negatieve effecten op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen van alle broedvogel- en nietbroedvogelsoorten van Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn uitgesloten. Eenzelfde conclusie kan worden getrokken voor de cumulatieve effecten met andere projecten in de omgeving. Het gebruik van het voorgenomen windpark kan leiden tot voorziene sterfte van lokale vogelsoorten en vogelsoorten op seizoenstrek. Deze voorziene sterfte heeft voor geen van de vogelsoorten een effect op de staat van instandhouding. Eenzelfde conclusie kan worden getrokken voor de cumulatieve effecten met andere projecten in de omgeving. Daarnaast kan het voorgenomen windpark tot sterfte leiden bij vleermuizen. Het is echter uitgesloten dat het voornemen effecten heeft op de staat van instandhouding. Om dit in cumulatie met windparken in de omgeving ook uit te sluiten wordt een stilstandsvoorziening toegepast. De daadwerkelijke sterfte wordt verplicht gemonitord. Het voornemen geen (negatief) effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van betrokken beheertypen in omliggende NNN-gebieden.
2.10
Waardedaling woningen en planschade
Hierop wordt ingegaan in paragraaf 6.2 Planschade van de goede ruimtelijke onderbouwing. Indien iemand meent dat er sprake is van waardevermindering van zijn perceel als gevolg van ruimtelijke wijzigingen in de omgeving, zoals in dit geval het plaatsen van de windturbines dan kan hij een verzoek tot planschadevergoeding indienen bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorne aan Zee. Voor de aanvraag van de vergoeding moet men leges betalen. Planschade ziet op schade in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak ten gevolge van een planologische wijziging. De juridische grondslag voor planschade is artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening. Een verzoek tot planschade kan iemand indienen, binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van het gestelde schadeveroorzakende besluit, in dit geval de omgevingsvergunning. Daarbij is van belang dat de nadelige wijziging in de planologische situatie niet voorzienbaar was op het moment dat men de grond of het gebouw kocht. Verzoeken tot planschade worden door een onafhankelijke deskundige beoordeeld conform de Procedureverordening advisering bij planschadeverzoeken van de gemeente. Hierbij worden uiteenlopende hinderfactoren beschouwd. Wanneer het college met iemand van mening is dat hij planschade heeft geleden, krijgt hij een planschadevergoeding.
De gemeente zal deze schade niet geheel compenseren. 2% van de taxatiewaarde van het perceel komt voor eigen risico. Eventuele planschade die moet worden uitgekeerd, verhaalt de gemeente op de initiatiefnemers. Dit is geregeld in de anterieure overeenkomst.
Pagina 28