Nota van beantwoording zienswijzen algemene deel
Tekst van het document
Nota beantwoording zienswijzen ontwerpbesluiten windproject Brielse Brug – Algemeen deel 1 Inleiding De ontwerpbesluiten die betrekking hebben op het Windproject Brielse Brug en de stukken die daar deel van uitmaken, hebben van 19 januari 2024 tot en met 29 februari 2024 ter inzage gelegen. In deze periode heeft iedereen de gelegenheid gekregen om een zienswijze over de ontwerpbesluiten naar voren te brengen.
Besluiten:
Ontwerp omgevingsvergunning o Aanvraagdocumenten (incl. ruimtelijke onderbouwing) Ontwerp verklaring van geen bedenkingen Maatwerkbesluit Ontheffing Wet natuurbescherming o Aanvraagdocumenten (incl. natuurtoets)
Bevoegd gezag Het college van burgemeesters en wethouders van Voorne aan Zee is bevoegd om te beslissen op de aanvraag om de omgevingsvergunning. Dit volgt uit de bestuursovereenkomst die is gesloten tussen de Provincie Zuid-Holland en de voormalige gemeente Brielle. Op grond van deze bestuursovereenkomst heeft de gemeente Voorne aan Zee -rechtsopvolger van de gemeente Brielle- een inspanningsverplichting om met toepassing coördinatieregeling voor 31 december 2025 twee windturbines te realiseren in de Nieuwe Ondernemingspolder te Brielle. De bevoegdheid om maatwerkvoorschriften vast te stellen op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer berust ook bij het college van burgemeesters en wethouders van Voorne aan Zee (namens hen in dit geval DCMR Milieudienst Rijnmond). De bevoegdheid om een verklaring van geen bedenken af te geven ligt bij de gemeenteraad. Gedeputeerde Staten van ZuidHolland (namens hen in dit geval de Omgevingsdienst Haaglanden) zijn bevoegd om te beslissen op een aanvraag om een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming.
Procedures en coördinatieregeling Op 8 juli 2022 is bij de voormalige gemeente Brielle een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van twee windturbines in de Nieuwe Ondernemingspolder te Brielle (aan weerszijden van de N57). Tevens is verzocht om de voorbereiding en bekendmaking van de hierboven genoemde besluiten te coördineren. Met toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de (Wabo) kan medewerking worden verleend aan de gevraagde omgevingsvergunning. Voorwaarde voor verlening van deze vergunning is dat de raad verklaart hiertegen geen bedenkingen te hebben. De verklaring kan slechts worden verleend of geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Op 8 januari 2024 heeft de gemeenteraad besloten om de coördinatieregeling ex artikel 3.30 Wet ruimtelijke ordening van toepassing te verklaren voor de ontwikkeling van het Windproject Brielse Brug. Coördinatie houdt concreet in dat de bovengenoemde (ontwerp)besluiten gelijktijdig ter inzage zijn gelegd. Na verlening van de vergunningen worden deze besluiten bovendien gelijktijdig bekendgemaakt. Een groot voordeel is dat na gecoördineerde bekendmaking van de verschillende besluiten er slechts één rechtsgang is, direct bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).
Pagina 1
129084-2024
Dat betekent dat niet voor ieder besluit afzonderlijk een bezwaar-, beroeps- en eventueel hoger beroepsprocedure hoeft te worden doorlopen. Voor de Afdeling geldt bovendien bij de coördinatieregeling een krappere termijn om tot een uitspraak te komen dan in andere gevallen, namelijk uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift. Binnen een relatief beperkte tijd na bekendmaking van de gecoördineerd voorbereide en bekendgemaakte besluiten wordt aldus duidelijkheid verkregen over de onherroepelijkheid.
1.1
Binnengekomen zienswijzen
De gemeente heeft 85 zienswijzen ontvangen, waarvan er 78 ontvankelijk verklaard zijn. Alle zienswijzen zijn geregistreerd en aan de indieners is een ontvangstbevestiging gezonden. Van de 85 zienswijzen is 1 zienswijze buiten de gestelde termijn ontvangen. Niet gebleken is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de inhoud van deze zienswijze vergelijkbaar is met andere ingediende zienswijzen. Deze zienswijze zou dan ook niet leiden tot een andere beoordeling. Daarnaast zijn er 6 zienswijzen pro forma ingediend. De indieners die een pro formazienswijzen hebben ingediend zijn twee weken in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen van gronden te voorzien. Van deze termijn is geen gebruik gemaakt. Daarom zijn 7 zienswijzen nietontvankelijk verklaard. De ontvangen zienswijzen zijn in deze zienswijzennota genummerd van 1 tot en met 85.
-
-
1.2
De zienswijzen hebben aanleiding gegeven om een aantal wijzigingen door te voeren. Het betreft de volgende wijzigingen: Het aanbrengen van enkele tekstuele verbeteringen in de besluiten. Bij de omgevingsvergunning wordt een risicoanalyse verkeersveiligheid gevoegd waaruit blijkt dat het verkeer geen significante negatieve gevolgen zal ondervinden van het windproject. In het maatwerkbesluit wordt de aangevraagde norm voor schaduw van maximaal een uur per jaar ten behoeve van de handhaving beter vastgelegd, zowel in de voorschriften als in de considerans. Verder is mede naar aanleiding op basis van vragen uit de raad in het voorjaar van 2024, een extra voorschrift opgenomen in de omgevingsvergunning. Dit voorschrift houdt in dat een ‘leading edge protection’ wordt toegepast op de rotorbladen van de windturbines om de emissies van chemische stoffen door erosie of uitloging te verminderen.
Opzet van de zienswijzennota
Omdat in verschillende zienswijzen dezelfde thema's terugkomen, is in hoofdstuk 2 van deze nota gekozen voor een algemene behandeling van de thema's. Vervolgens is in hoofdstuk 3 een samenvatting gemaakt van alle zienswijzen en is hierop – zo nodig aanvullend op de thematische beantwoording – een antwoord gegeven.
Pagina 2
129084-2024
2 Algemene reactie op binnengekomen zienswijzen 2.1
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur In enkele zienswijzen is aangegeven dat de besluitvorming onvoldoende zorgvuldig zou hebben plaatsgevonden en dat het bevoegd gezag daarmee in strijd handelt met het zorgvuldigheidsbeginsel of overige beginselen ten aanzien van behoorlijk bestuur.
Vooropgesteld wordt dat er is voldaan aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van besluitvorming, bekendmaking en terinzagelegging. Door enkele indieners wordt de bestuursovereenkomst in hun reactie gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Als eerst wordt opgemerkt dat hier geen sprake van is. Het bevoegd gezag is weliswaar ook bij het aangaan van een bestuursovereenkomst gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waardoor het algemeen belang en het belang van derden in acht moet worden genomen. Maar dit strekt niet zover dat hieruit een recht op inspraak van derden kan worden afgeleid. Daarbij is geen sprake van een appellabel besluit waartegen rechtsmiddelen openstaan. Gedurende de hele procedure nemen de bevoegd gezagen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (ABBB) in acht. Zorgvuldige voorbereiding Op grond van artikel 3:2 van de Awb dient de gemeente bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Het ter inzage leggen van een ontwerpbesluit en het reageren op naar voren gebrachte zienswijzen maakt daar onderdeel van uit. Voorafgaand aan de terinzagelegging is de vergunningaanvraag inclusief ruimtelijke onderbouwing uitvoerig getoetst aan alle relevante wet- en regelgeving.
Ook is advies ingewonnen van de DCMR, GGD, provincie Zuid-Holland, Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten en Veiligheidsregio RotterdamRijnmond. Resultaat van de toets is dat wordt voldaan aan alle wettelijke normen. Er is met het windproject Brielse Brug sprake van een goede ruimtelijke ordening en daarmee een aanvaardbaar woonen leefklimaat. In het kader van dit project zijn zoals gebruikelijk de formele ruimtelijke procedures aan de orde en gevolgd. De omwonenden zijn hiervan altijd tijdig op de hoogte gesteld via verschillende (wettelijk verplichte en niet-verplichte) kanalen en hadden zich dus van de benodigde informatie kunnen vergewissen. Waar indieners de zorgvuldigheid van de voorbereiding van het besluit betwijfelen, omdat de feiten en af te wegen belangen ten aanzien van de specifieke onderwerpen zoals geluid, externe veiligheid of anderszins niet goed zouden zijn vergaard, wordt verwezen naar de toelichting in deze nota van zienswijzen onder de betreffende specifieke onderwerpen. Belangenafweging Op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb dient de gemeente de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af te wegen. Op grond van het tweede lid van dit artikel mogen voor een of meer belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
In het kader van de belangenafweging wordt het belang van het windproject Brielse Brug en daarmee het behalen van de energiedoelstellingen gemotiveerd afgewogen tegen de (individuele) belangen en bezwaren van de indieners. Motiveringsbeginsel Op grond van artikel 3:46 van de Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering. De motivering wordt volgens artikel 3:47 van de Awb vermeld bij de bekendmaking van een besluit. De ontwerpbesluiten zijn voorzien van een motivering. Voor zover de ingediende zienswijzen daartoe aanleiding geven, wordt de motivering aangevuld bij de te nemen besluiten.
Pagina 3
129084-2024
‘Fair-play’-beginsel Het beginsel van fair play houdt in dat bestuursorganen een inwoner op een rechtvaardige wijze behandelen. Dit houdt in dat de gemeente de inwoner zorgvuldig bejegent, dus bijvoorbeeld niet beslissingen uitstelt of niet neemt, of het de inwoner bemoeilijkt of frustreert om zijn rechten en belangen te verdedigen. In dit geval is fair play getoond door onder andere een open informatievoorziening, zoals een website waarop alle relevante stukken te vinden zijn en door het bieden van voldoende gepaste inspraakmogelijkheden. Verbod van vooringenomenheid Op grond van artikel 2:4 van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid. Het verbod op vooringenomenheid betekent niet dat de gemeente geen beleidskeuzes mag maken. Wel moet de gemeente de nodige objectiviteit betrachten en zich niet laten leiden door vooringenomenheid. De gemeente heeft zich in dit geval onpartijdig en objectief opgesteld.
2.2
Proces en participatie
Proces: In veel zienwijzen worden vragen gesteld of op opmerkingen gemaakt over de totstandkoming van windproject Brielse Brug en het doorgelopen proces. Hieronder wordt een overzicht gegeven: - Nederland heeft doelstellingen geformuleerd en in Europees verband afspraken gemaakt voor het realiseren van de opwekking van duurzame – hernieuwbare – energie. De provincies sluiten op 31 januari 2013 een akkoord met het kabinet in het kader van het Nationaal Energieakkoord om ruimte te bieden aan 6.000 MW windenergie op land voor 2020. De verdeling van deze doelstelling over de provincies betekent voor Zuid-Holland een opgave van 735,5 MW aan opgesteld vermogen windenergie in 2020. In de provincie Zuid-Holland wordt deze opgave voor een groot deel gerealiseerd op GoereeOverflakkee (doelstelling 225 MW), in de Rotterdamse haven (doelstelling 300 MW) en in de voormalige stadsregio Rotterdam (doelstelling 150 MW). Hiervoor zijn convenanten en overeenkomsten afgesloten. - In 2012 ondertekent de gemeente Brielle het “Convenant Realisatie Windenergie Stadsregio Rotterdam”. In de voormalige Stadsregio Rotterdam spraken de gemeenten, provincie ZuidHolland en andere partijen af om minimaal 150 MW aan windenergie te realiseren in 2020. - In december 2016 dienen de gezamenlijke gemeenten op Voorne-Putten een handreiking in bij de provincie met hun eigen voorstel voor windlocaties.
De provincie heeft deze handreiking aangenomen en op basis van een planMER en provinciale ruimtelijke criteria uiteindelijk 16 definitieve locaties voor windenergie opgenomen in de ontwerp herziening van de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) van de provincie. Hieronder valt de locatie N57 Entree Noord (Nieuwe Ondernemingspolder te Brielle) - Op 20 december 2017 wordt de partiële herziening van de Visie Ruimte en Mobiliteit Windenergie geconsolideerd. - Op 9 februari 2018 sluiten de gemeente Brielle en de Provincie Zuid-Holland een bestuursovereenkomst waarin de gemeente zich committeert om windturbines van minimaal 6 en ten hoogste 9 MW te realiseren in de Nieuwe Ondernemingspolder voor 2020. - Op 20 februari 2018 spreekt de gemeenteraad van Brielle zich samen met de andere gemeenten op Voorne-Putten uit om uiterlijk in 2040 energieneutraal te zijn. Dit is beschreven in de Routekaart Duurzaam Voorne Putten 2040. - In december 2018 stelt het college van Burgemeester en wethouders van Brielle de Leidraad Windenergie Voorne-Putten vast en legt deze ter inzage. In deze leidraad staan de uitgangspunten en randvoorwaarden die de gezamenlijke gemeenten op Voorne-Putten hanteren bij het beoordelen van plannen met betrekking tot windenergie. - Op 29 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Brielle de Haalbaarheidsvisie windenergie Brielle vastgesteld.
Dit document biedt tezamen met de Leidraad Windenergie en de bestuursovereenkomst een beoordelingskader voor de verdere (ruimtelijke) procedures voor de ontwikkeling van windturbines in de Nieuwe Ondernemingspolder. - Op 10 december 2021 hebben het college van B&W van de gemeente Brielle en de provincie Zuid-Holland de afspraken uit bestuursovereenkomst verlengd en gewijzigd in maximaal twee
Pagina 4
129084-2024
windturbines met het meest optimale vermogen, met dien verstande dat het totaal opgesteld vermogen van de beide turbines kleiner is dan 15 MW. De turbines moeten voor 31 december 2025 gerealiseerd zijn. - Medio mei 2022 neemt het college van B&W van Brielle onder voorwaarden een positieve grondhouding aan over het principeverzoek om twee windturbines in de Nieuwe Ondernemingspolder te realiseren waarna de initiatiefnemer op 8 juli 2022 een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de realisatie van het Windproject indient. - Op 22 en respectievelijk 29 november 2022 heeft het college van Brielle besloten om een anterieure overeenkomst aan te gaan met de Brielse Brug B.V. welke op 21 december 2022 is ondertekend. In deze anterieure overeenkomst is overeengekomen dat de gemeente zich in zal spannen voor vergunningverlening. - Begin 2023 spreken de gekozen partijen van Voorne aan Zee, in het coalitieakkoord, af dat zij de afspraken met de Provincie voor wat betreft de windopgave nakomen. Partijen vinden het belangrijk om zelf de regie te behouden. Zij willen voorkomen dat er over de gemeente beslist wordt. - In het collegeprogramma 2023-2026 spreekt het college van Voorne aan Zee haar ambitie uit om de gemeente duurzaam te maken. Het college ambieert geen extra windopgave maar wil zelf de regie houden op de lopende ontwikkelingen op dat gebied.
- Op 8 januari 2024 besluit de raad van Voorne aan Zee om een ontwerp verklaring van geen bedenkingen af te geven voor het Windproject Brielse Brug.
Participatie: Bij de totstandkoming van dit project speelt participatie een belangrijke rol. Voor deze ontwikkeling is onderscheid gemaakt tussen procesparticipatie en financiële participatie. Bij procesparticipatie gaat het om het proces van inspraak en communicatie rond om de realisatie van het windproject. Bij financiële participatie gaat het specifiek om de mogelijkheden voor de omgeving (bewoners en bedrijven) om ‘financieel mee te doen’ in het windproject. Procesparticipatie In 2015 is de procesparticipatie voor deze ontwikkeling gestart in het kader van de locatiekeuze door de provincie Zuid-Holland. Over de locatiekeuze zijn diverse informatieavonden georganiseerd en eenieder kon zienswijzen indienen en inspreken bij de provincie. Vervolgens heeft de gemeente Brielle een haalbaarheidsvisie opgesteld. Ten aanzien van de haalbaarheidsvisie heeft participatie plaatsgevonden. Het doel van deze participatie was om te achterhalen hoe windenergie zo acceptabel mogelijk gerealiseerd kon worden in deze polder. De inbreng die tijdens omgevingsbijeenkomsten naar voren is gebracht heeft geresulteerd in een beoordelingskader waarin harde en zachte randvoorwaarden zijn opgenomen waaraan het Windproject moet voldoen. Specifiek ten aanzien van het Windproject is conform de Leidraad Windenergie een Communicatie- en participatieplan voor het windpark opgesteld.
De initiatiefnemer heeft in juni en november 2022 en februari 2024 drie bijeenkomsten georganiseerd waarin het Windproject is toegelicht, omwonenden geïnformeerd zijn over het project en omwonenden vragen konden stellen. Van alle drie de bijeenkomsten zijn verslagen gemaakt. Deze zijn terug te lezen op www.windprojectbrielsebrug.nl Naast deze bijeenkomsten is met een specifieke groep omwonenden, op verzoek van deze omwonenden een extra bijeenkomst gehouden. Daarmee is voldaan aan de randvoorwaarden die op grond van de Haalbaarheidsvisie voor procesparticipatie gelden. Naast deze bijeenkomsten is met een specifieke groep omwonenden, op verzoek van deze omwonenden, een extra bijeenkomst gehouden. Bovendien voert de initiatiefnemer met individuele direct belanghebbende gesprekken waar op individueel niveau bekeken wordt hoe eventuele hinder zoveel mogelijk beperkt kan worden. Financiële participatie De gemeente heeft in de Leidraad Windenergie Voorne Putten ook beleid vastgesteld over financiële participatie. Dit beleid is tevens vastgelegd in de anterieure overeenkomst. De initiatiefnemers geven de lokale gemeenschap de mogelijkheid om voor 25% eigenaar te worden van de windturbines.
Pagina 5
129084-2024
Dit kan door het lid worden van de plaatselijke coöperatie. Er worden afspraken gemaakt hoe men deel kan nemen en tegen welke voorwaarden. Daarnaast richt de initiatiefnemer een gebiedsfonds op, dat zal worden beheerd en bestuurd door o.a. inwoners van de gemeente. Het gebiedsfonds wordt gedurende de hele looptijd van het project gevuld met een bedrag van € 1,00 /MWh. Met het gebiedsfonds kunnen maatschappelijk verantwoorde projecten ondersteund worden die maximaal ten goede komen aan de inwoners en bedrijven van de gemeente. Het proces van de financiële participatie is in gang gezet en wordt komende tijd verder vormgegeven.
2.3
Locatiekeuze
De totstandkoming van de beoogde locatie voor de windturbines kent een lang en zorgvuldig voortraject. Nederland heeft doelstellingen geformuleerd en in Europees verband afspraken gemaakt voor het realiseren van de opwekking van duurzame – hernieuwbare – energie. Windenergie speelt daarin een prominente rol. De provincies hebben op 31 januari 2013 een akkoord gesloten met het kabinet in het kader van het Nationaal Energieakkoord om ruimte te bieden aan 6.000 MW windenergie op land voor 2020. De verdeling van deze doelstelling over de provincies betekent voor Zuid-Holland een opgave van 735,5 MW aan opgesteld vermogen windenergie in 2020. In de provincie Zuid-Holland wordt deze opgave voor een groot deel gerealiseerd op Goeree-Overflakkee (doelstelling 225 MW), in de Rotterdamse haven (doelstelling 300 MW) en in de voormalige stadsregio Rotterdam (doelstelling 150 MW). Hiervoor zijn convenanten en overeenkomsten afgesloten. Om invulling te geven aan deze doelstelling spraken de gemeenten, provincie Zuid-Holland en andere partijen in de voormalige Stadsregio Rotterdam af om minimaal 150 MW aan windenergie te realiseren in 2020. Dat is vastgelegd in het “Convenant Realisatie Windenergie Stadsregio Rotterdam 2012”. In 2013 bleek dat de opgave van 150 MW in de regio Rotterdam niet haalbaar was met de oorspronkelijk aangewezen locaties in het Convenant.
Daarom zijn de deelnemers aan het Convenant gezamenlijk gaan zoeken naar mogelijkheden om de daarin geformuleerde doelstelling alsnog te halen. Omdat de gezamenlijke gemeenten op Voorne-Putten de landschappelijke waarden en agrarische openheid van Voorne-Putten wilde beschermen hebben ze de regie in eigen hand genomen door een ‘handreiking’ aan de provincie aan te bieden waarin zij een eigen voorstel voor windlocaties aan de provincie hebben voorgelegd. Op basis van het planMER en de provinciale ruimtelijke criteria zijn er 23 locaties voor windenergie opgenomen in de Visie Ruimte en Mobiliteit. In verband met deze Visie heeft de Provincie tussen 2015 en 2017 een inspraakprocedure in het leven geroepen waarover meer informatie is te vinden onder 2.2. De locatie in de Ondernemingspolder te Brielle is in deze visie opgenomen als 1 van de 23 locaties. In de Elektriciteitswet is opgenomen dat de provincie bevoegd gezag is voor het verstrekken van omgevingsvergunningen als de aanvraag toeziet op het opgesteld vermogen tussen 5 en 100 MW. Echter, er kan worden afgezien van deze provinciale bevoegdheid, door het delegeren van deze bevoegdheid naar de gemeente. Dit is gedaan middels een bestuursovereenkomst die is ondertekend door de provincie en de gemeente.
Op grond van de bestuursovereenkomst is de gemeente het bevoegde gezag voor windproject Brielse Brug en zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van de vergunningenprocedure. Het voordeel van deze delegatie is dat het lokaal bevoegd gezag de locatiespecifieke kenmerken het beste kent en in het belang van de eigen inwoners de sentimenten in de samenleving het beste kan inschatten. Een lokale overheid zal te allen tijde vanuit een goede ruimtelijke ordening besluiten moeten nemen over vergunningsaanvragen. Dit geldt zonder meer ook voor de vergunningsaanvraag voor het oprichten van twee windturbines in de Ondernemingspolder in Brielle. In dit geval is er sprake van een privaat initiatief. De gemeente moet beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend. De aanvraag wordt getoetst aan het Provinciale en gemeentelijke beleid en de wettelijke regelgeving. De locatie die de aanvrager voorstelt is leidend bij deze toetsing. Uit het voortraject is gebleken dat er geen evident betere andere locatie beschikbaar is. Bovendien is niet aannemelijk dat er een alternatieve locatie is die voor een gelijkwaardig resultaat zorgt en aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. (Zie hiervoor ook ABRvS 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1539).
Pagina 6
129084-2024
2.4
Afmetingen windturbines en keuze windturbinetype
In de ruimtelijke onderbouwing en bijbehorende onderzoeken is een bandbreedte in afmetingen opgenomen, waarbij is uitgegaan van een maximale tiphoogte van 249 meter. De initiatiefnemers van windproject Brielse Brug hebben in november 2023 besloten om de maximale tiphoogte te verlagen naar 230 meter. Dit komt omdat er vanuit de politiek-bestuurlijke discussie een grote roep was om de maximale tiphoogte enigszins te verlagen en door dit besluit is tegemoetgekomen aan die wens. In de omgevingsvergunningaanvraag is de bandbreedte in afmetingen opgenomen zoals opgenomen in Tabel 1 onder ‘Aanvraag 8 juli 2022’ (cursief). De gewijzigde getallen zijn onder ‘Wijziging november 2023‘ opgenomen. De nieuwe maximale tiphoogte bedraagt 230 meter. De minimale tiplaagte (laagste punt dat de rotor van de windturbine draait) bedraagt nu 51 meter. Windturbines van deze afmetingen zijn gangbare afmetingen van windturbines die nu op de markt beschikbaar zijn. Windturbines van dergelijke afmetingen zijn al gebouwd in Nederland, zoals in Flevoland, Zuid-Holland, Limburg, Groningen en Drenthe en zijn in ontwikkeling in het gehele land.
Eigenschap
Wijziging november 2023 Minimaal (m) Maximaal (m)
Aanvraag 8 juli 2022 Minimaal (m) Maximaal (m)
130
160
149
167
140 (70)
164 (82)
149 (74,5)
164 (82)
Tiphoogte
215
230
230
249
Tiplaagte
51
90
74,5
85
Ashoogte Rotordiameter (1/2 rotordiameter)
Tabel 2.1 Minimale en maximale afmetingen (bandbreedte) windturbines * De tiphoogte is bepalend voor de maximale afmeting van de windturbines en zal niet overschreden worden. Binnen de tiphoogte kan gevarieerd worden met de rotordiameter en ashoogte van de windturbines binnen de bandbreedte. Het is dus niet per definitie dat de optelling van minimale ashoogte en minimale rotordiameter ook gelijk is aan de minimale tiphoogte. Idem voor maximale afmetingen.
Bijlage 6 van de aanvraag omgevingsvergunning betreft een memo dat ingaat op de gevolgen die deze wijziging heeft voor de eerder opgestelde ruimtelijke onderbouwing en uitgevoerde milieuonderzoeken. Geconcludeerd is dat het verlagen van de maximale tiphoogte van de windturbine naar 230 meter geen relevante milieugevolgen heeft. Er is ook met de nieuwe afmetingen sprake van een goede ruimtelijke ordening. De keuze voor het windturbinetype is nog niet gemaakt. Bandbreedte in afmetingen is nodig omdat voor het kunnen aanbesteden van de aankoop van de windturbine het noodzakelijk is dat er verschillende leveranciers en/of verschillende type turbines mee kunnen doen aan de aanbesteding. In het geval de keuze nu al wordt gemaakt voor één bepaald type turbine, dan is er voor de initiatiefnemers op voorhand al een slechte positie bij de aanbesteding. De leverancier van het bepaalde turbinetype heeft dan een disproportionele sterke positie in de onderhandelingen, doordat deze leverancier weet dat er geen andere turbinetypes mogelijk zijn op basis van de vergunning. Daarnaast is een vergunning niet meer bruikbaar in het geval de bepaalde type windturbine, waarvoor een vergunning is verleend, door een leverancier uit productie wordt genomen. Het werken met dergelijke bandbreedtes is gebruikelijk bij vergunningsaanvragen voor de oprichting van windturbines in Nederland.
Zoals uit de hierna gegeven toelichting volgt, is er in de onderzoeken afdoende rekening gehouden met deze bandbreedtes. De effecten op de omgeving door de aanleg en exploitatie van de windturbines, voor bijvoorbeeld geluid en slagschaduw, zijn in de ruimtelijke onderbouwing onderzocht op basis van een referentieturbine. Voor het aspect geluid wordt uitgegaan van een reële worst-case windturbine,
Pagina 7
129084-2024
waarbij het maximale bronvermogen en de maximale tiphoogte bepalend zijn voor de maximale geluidbelasting binnen de bandbreedte van afmetingen. Voor de overige omgevingsaspecten geldt dat een windturbine met maximale afmetingen de worst-case situatie is. Door deze uitgangspunten in de onderzoeken te hanteren, zijn de reële worst case effecten op de omgeving inzichtelijk gemaakt, zodat derden kunnen inzien wat deze mogelijk effecten kunnen zijn. Overigens wil dit niet zeggen dat altijd de worst-case situatie ook aan de orde is na selectie van een windturbinetype: het is mogelijk dat een geselecteerd turbinetype minder milieueffecten gaat hebben op de omgeving. Na vergunningverlening wordt een turbinetype geselecteerd. Daarvoor moet worden aangetoond dat de effecten op de omgeving van de te realiseren windturbines niet groter zijn dan wat is onderzocht en vergund en voldoet aan wet- en regelgeving. Dit is, zoals aangegeven in de toelichting op de aanvraag omgevingsvergunning, geborgd doordat de vergunninghouder op basis van het gekozen windturbinetype voorafgaand aan de bouw een rapportage dient te overhandigen ten aanzien van akoestiek, slagschaduw en externe veiligheid.
2.5
Landschappelijke inpassing en zichtbaarheid
2.5.1
Landschappelijk beeld
In Nederland bestaat geen recht op blijvend vrij uitzicht1. Zeker in een dichtbevolkt en bebouwd land als Nederland is het ook onmogelijk dit te handhaven. Per situatie zal een overheid (in dit geval gemeente Voorne aan Zee) moeten bepalen of er sprake is van een redelijke en aanvaardbare situatie. Onze woonen leefomgeving is nu eenmaal altijd aan verandering onderhevig. De energietransitie zal in heel Nederland daar komende decennia in grote mate aan bijdragen. Windturbines voegen door hun grote maat en schaal in vergelijking met andere objecten een nieuwe laag toe aan het landschap. Door hun grote afmetingen ontstijgen moderne windturbines de schaal van andere landschapselementen, dat is iets wat niet te ontkennen valt. De opstelling is duidelijk als zelfstandige opstelling herkenbaar door een beperkte onderlinge afstand en een ligging van het windproject op vrij ruime afstand van het bestaande windpark langs het Hartelkanaal. Daarnaast is er sprake van een enigszins waarneembare aansluiting op aanwezige landschappelijke structuren (aansluiting op de robuuste groenranden en de hoofdrichting van de polder). Het windproject heeft beperkte interferentie met andere hoge elementen in het landschap (zoals hoogspanningsverbinding en bestaande windturbines) en beperkte invloed op de openheid van het landschap.
Met name op korte afstand van de waarnemer tot de windturbines vullen de windturbines het beeld van die waarnemer. Overigens heeft ook de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een oordeel gegeven over de hoogte van de windturbines in relatie tot de omgeving en is met een aantal adviezen over inpassing akkoord gegaan met een tiphoogte van 249 meter. Vooral bezien vanuit de argumentatie die hierboven is opgenomen en het feit dat deze windturbines zich goed verhouden met het nabijgelegen havenindustriële landschap waar zich al grote bouwwerken (waaronder windturbines) bevinden. In een later stadium hebben de initiatiefnemers van windproject Brielse Brug nog besloten om de maximale tiphoogte te verlagen naar 230 meter.
2.5.2
Landschappelijke inpassing
Windproject Brielse Brug zal een bijdrage leveren aan de landschappelijke doelstellingen van de Ondernemingspolder door jaarlijks 10 procent van het gebiedsfonds te investeren in maatregelen voor versterking van de landschappelijke kwaliteit van de Ondernemingspolder. Het gebiedsfonds zal worden beheerd door een entiteit die bestuurd wordt door één van de initiatiefnemers van windproject Brielse Brug en omwonenden van het project. Deze investeringen worden in afstemming met gemeente Voorne aan Zee ontwikkeld en zullen in lijn zijn met de landschappelijke doelstellingen voor de Ondernemingspolder (zie ruimtelijke onderbouwing voor een nadere toelichting). 1
Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ABRvS 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:201.
Pagina 8
129084-2024
Verder zal windproject Brielse Brug aan de volgende landschappelijke bouwstenen voldoen om een goede landschappelijke inpassing te borgen:
2.5.3
Turbinetypes van gelijke type afmetingen; Verhouding ashoogte en rotordiameter zal bij benadering 1:1 zijn; Kleur en vormgeving turbinetypes gelijkend aan windpark Hartel II; In het geval de windturbinefundering in het definitieve ontwerp boven maaiveld uit zal komen zal de fundering in het landschap worden opgenomen door inpassing in groen of de realisatie van een terp; De lichtmarkering zal worden uitgevoerd in gelijke kleur en zodanig worden geplaatst dat de lichtuitstraling naar de grond minimaal is. Bovendien zal Windproject Brielse Brug zich inspannen om een naderingsdetectiesysteem voor obstakelverlichting toe te passen; Voor de ontsluitingswegen en opstelplaatsen wordt halfverharding gebruikt, mits civieltechnisch mogelijk voor het transport en aanleg van de windturbines. De kraanopstelplaatsen zullen zo beperkt mogelijk van omvang zijn en worden ingepast in het landschap zonder hekwerken of andere opstaande elementen, passend in het open beeld van de polder; Het inkoopstation van het windpark zal aan het zicht worden onttrokken door een groene inpassing met gebiedseigen erfbeplanting en gepositioneerd langs de rand van het perceel.
Visualisaties
De visualisaties zijn gemaakt op basis van 360 graden bolfoto's. De windturbines worden vervolgens door windPRO gemodelleerd in de bolfoto. De dimensies van de windturbine in de bolfoto wordt door windPRO gemodelleerd aan de hand van de afstand tussen de locatie waarvan de foto is gemaakt en de locatie van de windturbine. Hierbij wordt rekening gehouden met het effect van perspectief. De hoogte van de windturbines ten opzichte van de horizon wordt bepaald door de toegevoegde hoogte-informatie. Dit zorgt voor een zeer realistische weergave van het formaat van de windturbine.
2.5.4
Cultuurhistorie en beschermd stadsgezicht Brielle
Veel reclamanten maken zich zorgen om het zicht op de windturbines vanuit de vesting van Brielle. En dat de windturbines op relatief korte afstand zijn gepositioneerd ten opzichte van de vesting. De zorgen van reclamanten zijn begrijpelijk vanuit het perspectief dat Brielle historische charme heeft. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. In het plangebied zijn echter geen rijksmonumenten of beschermde stads- of dorpsgezichten aanwezig. Het meest nabijgelegen rijksmonument, boerderij Catharinahoeve, ligt op meer dan 900 meter afstand van het plangebied. Het meest nabijgelegen beschermde stads- en dorpsgezicht is het omwalde deel van de stad Brielle (de vesting) en de directe gebieden rondom. Dit beschermde stadsgezicht, inclusief een gedeelte aangrenzend grondgebied van Brielle en Vierpolders, ligt op meer dan 1,2 kilometer afstand van het plangebied (zie Figuur 5.13 van goede ruimtelijke onderbouwing). Het omwalde deel van de historische dorpskern van Brielle ligt op circa 2 kilometer afstand van het windproject. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) adviseert in zijn algemeenheid (dus niet specifiek voor de hier aanwezige beschermde stads- en dorpsgezichten) een afstand van 1.800 à 2.000 meter aan te houden tussen turbines en de grenzen van een beschermd gezicht.
De gezichtsbescherming richt zich op de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waardering van het gebied en wil het toekomstig functioneren daarvan veiligstellen. Het gaat hierbij met name om de vesting Brielle dat is aangemerkt als “een samenhangende groep onroerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen, straten, pleinen, bruggen, vaarten, grachten, sloten en andere wateren, welke met één of meer tot de groep behorende monumenten een beeld vormen dat van algemeen belang is wegens de schoonheid of het karakter van het geheel”. De windturbines van Windproject Brielse Brug liggen op ruime afstand van deze beschermingsgebieden en er wordt geen afbreuk gedaan aan de genoemde cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht. Bovendien zijn de twee windturbines door de dichte bebouwing ook beperkt zichtbaar voor personen vanuit de openbare ruimte binnen de vesting van Brielle.
Pagina 9
129084-2024
Verder zijn historische landgoederen in Zuid-Holland van grote betekenis voor de omgeving. Ze vormen met hun groene en statige karakter rustruimten in het stedelijk gebied. Om er voor te zorgen dat dit unieke culturele erfgoed niet verloren gaat, heeft de provincie een zogeheten ‘landgoedbiotoop‘ ingesteld. Deze landgoedbiotoop bestaat uit de kern van het landgoed (huis met tuin en/ of park) met hier omheen en bufferzone, het zogenaamde blikveld. Ook waardevolle elementen (zoals zichtlijnen, panorama's, weg of waterloop waaraan het landgoed ligt) kunnen deel uitmaken van de landgoedbiotoop. De twee windturbines van Windproject Brielse Brug staan niet in een landgoedbiotoop.
2.5.5
Windturbine verlichting
Hierop is ingegaan in paragraaf 4.6 obstakelverlichting en naderingsdetectiesysteem van de goede ruimtelijke onderbouwing. Voor een windturbine hoger dan 150 meter (tiphoogte) geldt dat de turbine op basis van opgave van de Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) in het Informatieblad over obstakelverlichting (2020) voorzien dient te worden van obstakelverlichting. Dit geldt dus ook voor de beoogde windturbines. Voor de windturbine wordt voor de aanvang van de bouw een definitief verlichtingsplan uitgewerkt gericht op het zo veel mogelijk beperken van hinder, overeenkomstig het Informatieblad. De obstakelverlichting van windproject Brielse Brug wordt toegepast met vastbrandende rode lichten in de nacht (dus niet knipperend), met een (wisselende) lichtintensiteit, afhankelijk van de zichtbaarheid. Op deze manier worden de obstakelverlichting gedimd gedurende heldere nachten. Overigens veroorzaken deze markeringslichten gezien de afstanden tot woningen geen lichthinder in de gangbare zin, waarbij woonruimtes in woningen door inschijnen worden opgelicht. In dit verband kan eerder worden gesproken van landschappelijke invloed, door het zichtbaar zijn van de windturbinelocatie in de nachtelijke uren. Bovendien zal de lichtuitstraling naar de grond minimaal zijn. Immers, de obstakelverlichting is bedoeld ten behoeve van de luchtvaart.
Naderingsdetectiesysteem Er zijn technische mogelijkheden en bewezen systemen om windturbine verlichting in- en uit te schakelen op basis van een naderingsdetectiesysteem. Met een naderingsdetectiesysteem wordt de obstakelverlichting alleen aangezet wanneer er een vliegtuig in de nabijheid van het windproject vliegt. Het gebruik hiervan moet echter goedgekeurd worden door de IL&T. Windproject Brielse Brug zal zich inspannen om een naderingsdetectiesysteem voor obstakelverlichting toe te passen. De Nederlandse wetgeving2 is hier ook al op aangepast en er zijn projecten in Nederland waar dit nu al succesvol wordt toegepast. De initiatiefnemer zal een aanvraag doen bij IL&T voor het toepassen van een naderingsdetectiesysteem voor de windturbine verlichting. Als onderdeel van de aanvraag, wordt er een verlichtingsplan opgesteld. Hierna moet de aanvraag door een goedkeuringsprocedure heen en wordt de aanvraag getoetst door de bevoegde instantie. De initiatiefnemer zal dus de aanvraag doen, maar het is aan de IL&T om de toestemming al dan niet te verlenen. In meerdere zienswijzen wordt de betrouwbaarheid van een naderingsdetectiesysteem ter discussie gesteld. Echter, in het kader van de goedkeuringsprocedure bij IL&T geldt dat de goede werking van het naderingsdetectiesysteem moet zijn aangetoond alvorens goedkeuring wordt verleend.
In andere woorden, IL&T zal pas goedkeuring verlenen indien zekerheid is verkregen dat de luchtvaartveiligheid wordt geborgd met het gebruik van een naderingsdetectiesysteem.
2.6
Activiteitenbesluit en - regeling
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 30 juni 2021 uitspraak gedaan in Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (ECLI:NL:RVS:2021:1395). De Afdeling oordeelde, naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het ‘Nevele-arrest’), dat de algemene Rijksregels voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer buiten toepassing moesten worden gelaten omdat geen milieubeoordeling was gemaakt. Voor de windturbinebepalingen had echter een milieubeoordeling moeten worden gemaakt, omdat zij kaderstellend zijn voor de toekenning van toekomstige vergunningen. Deze uitspraak heeft gevolgen voor 2
Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. November 2023.
Pagina 10
129084-2024
geluid-, slagschaduw- en externe veiligheidsnormen van windparken, bestaande uit drie of meer windturbines, die nog niet onherroepelijk vergund zijn. De bepalingen in het Activiteitenbesluit en -regeling zijn niet vernietigd door de ‘uitspraak Delfzijl’, deze bestaan nog steeds. Voor de windturbinebepalingen had echter een milieubeoordeling moeten worden gemaakt, omdat zij kaderstellend zijn voor de toekenning van toekomstige vergunningen. Voor één of twee windturbines, zoals in Windproject Brielse Brug, zijn de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en -regeling nog steeds van toepassing. Dit wordt ook bevestigd door de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat in haar Kamerbrief over de ‘uitspraak Delfzijl’ van 6 juli 20213. Dit komt doordat enkel pas bij drie windturbines of meer sprake is van een windpark waarop de m.e.r.-regelgeving van toepassing is. Voor bestaande windparken vervangt de overbruggingsregeling vanaf 1 juli 2022 (en tot en met 30 juni 2025) de regels uit het Activiteitenbesluit en -regeling. De toelichting bij de overbruggingsregeling bevestigt dat voor windprojecten van één of twee windturbines de normen uit het Activiteitenbesluit- en -regeling nog steeds van toepassing zijn ondanks de uitspraak inzake windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding4.
Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving is niet van toepassing voor windproject Brielse Brug Als gevolg van bovengenoemde uitspraak van de Raad van State moet het Rijk nieuwe algemene milieuregels voor windparken opstellen. Ter voorbereiding hiervan heeft het Rijk een milieueffectrapport (MER) gemaakt. Op 12 oktober 2023 zijn de concept milieuregels en het concept MER gepubliceerd. De bedoeling is dat deze milieuregels voor windparken op 1 juli 2025 in werking treden. Voor windprojecten vergund vóór 1 juli 2025 is er sprake van overgangsrecht. Zoals hiervoor toegelicht zijn op windproject Brielse Brug de normen uit het Activiteiten- besluit en regeling van toepassing. Voor geluid en externe veiligheid blijven deze normen, als ook aanvullende (maatwerk)voorschriften, van toepassing, ook na inwerkingtreding van de nieuwe windturbinebepalingen. Voor slagschaduw geldt dat er geen overgangsrecht is, maar windproject Brielse Brug heeft een strengere norm voor slagschaduwduur vastgelegd dan in het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving is voorgenomen. Concreet betekent dit dat nieuwe windturbinebepalingen niet van toepassing zijn op windproject Brielse Brug.
2.6.1
Handhaving geluid en slagschaduw
Geluid Voor het windproject Brielse Brug zijn maximale immissiewaarden vastgelegd middels een maatwerkvoorschrift. Deze gelden naast de rechtstreeks werkende geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit en de -regeling Handhaving van de jaargemiddelde geluidnormen vindt plaats op basis van verplichte registraties van de windturbinedata conform het Activiteitenbesluit- en regeling. Het bevoegd gezag kan deze registraties opvragen. Op basis van de registraties is het mogelijk om de ontwikkeling van de jaargemiddelde geluidsbelasting te monitoren. Het bevoegd gezag heeft ook de mogelijkheid om een controlemeting te verrichten om de opgave van de jaargemiddelde bronsterkte door de fabrikant te verifiëren. Hiervoor is een methode opgenomen in het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Met de verkregen meetgegevens over de bronsterkte van een windturbine kunnen verspreidingsberekeningen worden uitgevoerd. De resultaten kunnen vervolgens worden getoetst aan de norm. Met deze meting kunnen ook eventuele afwijkingen in het karakter van het windturbinegeluid ten opzichte van de opgave van de fabrikant (verkregen voor metingen bij certificering van de windturbine) worden geconstateerd. Op grond van de normering mag bijvoorbeeld geen tonaal geluid optreden. Indien tonaliteit (bromtonen) zou worden vastgesteld dient vergunninghouder of fabrikant dit op te lossen.
Slagschaduw De norm in het Activiteitenbesluit voor slagschaduw op gevoelige objecten (zoals woningen, scholen, zorginstellingen) houdt in dat maximaal 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag 3 4
Kamerstukken II 2020/21, 33612, nr. 76. Stb. 2022, 181.
Pagina 11
129084-2024
slagschaduw kan optreden. Deze norm wordt doorgaans vertaald naar maximaal 6 uur slagschaduw per jaar. Dit is een strengere beoordeling dan volgens de Activiteitenregeling milieubeheer. Initiatiefnemers hebben besloten om de maximale slagschaduwduur van windproject Brielse Brug op slagschaduwgevoelige objecten te reduceren naar maximaal 1 uur per jaar. Dit is geborgd als voorschrift in het maatwerkbesluit. Op deze manier wordt hinder van slagschaduw zoveel als mogelijk voorkomen. Om te kunnen voldoen aan deze norm moeten de windturbines worden voorzien van een automatische stilstandvoorziening. Deze voorziening wordt dus zo geprogrammeerd dat de rotor automatisch wordt stilgezet op de momenten dat de stilstandregeling van toepassing is. Op grond van de vergunning moet de vergunninghouder voor ingebruikname van de windturbines een slagschaduwonderzoek indienen waarmee wordt bevestigd dat wordt voldaan aan de normgrens. Daarbij dient een stilstandkalender te worden opgesteld waarin is vermeld voor welke windturbines binnen welke tijdvakken slagschaduw kan optreden en automatische stilstand wordt toegepast. Daarmee wordt gegarandeerd dat de stilstandregeling naleefbaar en handhaafbaar is.
Het bevoegd gezag kan in het kader van toezicht en handhaving te allen tijde logboekgegevens opvragen bij de vergunninghouder waarmee kan worden nagegaan welke stilstand in een bepaalde periode is toegepast zodat kan worden geverifieerd of aan de lokale norm wordt voldaan.
2.7
Geluid
Veel reclamanten maken zich zorgen om de geluidbelasting ten gevolge van windproject Brielse Brug en het cumulatieve geluid in de omgeving. Ook wordt er meermaals gewezen op de aanwezigheid van Zorgboerderij Land-Goed, Zorgboerderij Catherinahoeve en de te realiseren basisschool ‘De Verwondering’. Deze gebouwen zijn niet direct meegenomen in het huidige akoestische onderzoek van windproject Brielse Brug (bijlage 2 van de ruimtelijke onderbouwing). In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van 14 referentietoetspunten waarop de geluidbelasting is berekend en getoetst. Deze drie locaties zijn nu alsnog onderzocht en blijken geen onaanvaardbare effecten op te leveren. Dit zijn woningen gelegen direct rondom Windproject Brielse Brug en zijn daarmee ook representatief voor verder weg gelegen woningen. Naar aanleiding van de binnengekomen zienswijzen is ook voor de Zorgboerderij Land-Goed, Zorgboerderij Catherinahoeve en basisschool De Verwondering de geluidbelasting berekend. Ook worden er in de zienswijzen zorgen geuit over de effecten van laagfrequent geluid en wordt er verwezen naar een rapport van adviesbureau Peutz. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op deze onderwerpen.
2.7.1
Geluid algemeen
Geluidnormen Voor windproject Brielse Brug is het Activiteitenbesluit van toepassing (zie paragraaf 2.6). In het Activiteitenbesluit wordt voor de normstelling van geluid van 1 of 2 windturbines getoetst aan de waarden Lden= 47 dB en Lnight= 41 dB. Deze normen gelden voor geluidgevoelige objecten, waaronder woningen van derden en andere geluidgevoelige gebouwen zoals scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen en zorginstellingen. Lden staat voor Level day, evening, night, en is het tijdgewogen jaargemiddelde geluidniveau in de dag, de avond en de nacht. Daarbij geldt er een toeslag van 5 dB resp. 10 dB voor de avond en de nacht. In Nederland wordt tevens getoetst aan Lnight om de verstoring van nachtrust te voorkomen. De geluidnormen voor windproject Brielse Brug betreffen jaargemiddelde geluidniveaus. Op de momenten dat het hard waait treden hogere niveaus op.
Pagina 12
129084-2024
Het verschil tussen het jaargemiddelde niveau en het geluidniveau bij hogere windsnelheden is afhankelijk van het type turbine en het lokale windklimaat. De Lden systemathiek is een dosismaat, waarbij wordt gerekend met straffactoren voor de avond- en nachtperioden. Uit onderzoek van Arcadis (Onderzoek afstandsnormen windturbines, april 2022) blijkt dat een windturbine op een rekenpunt waar aan de waarde van 47 dB Lden wordt voldaan, een maximaal momentaan (dus op specifieke momenten) geluidniveau van 44 of 45 dB(A) kan veroorzaken. Dat betreft het maximale geluidniveau dat een windturbine op die afstand kan bijdragen. Een verklaring hiervoor is ook dat een moderne windturbine met een grote rotor en hoge ashoogte al vrij snel draait op het maximale geluidniveau en dus een groter deel van de tijd maximaal geluidniveau produceert. Kader 2.1 Geluidsniveau Lden 47 dB en Lnight 41 dB
Een toetsingskader van 47 dB Lden en 41 dB Lnight is tot stand gekomen op basis van betrouwbaar onderzoek (TNO: hinder door geluid van windturbines, 2008) naar de dosis-effectrelatie van de geluidbelasting van windturbines in relatie tot percentage gehinderden. Voor windturbines ligt het verwachte percentage ernstig gehinderden binnenshuis zoals te zien in onderstaande tabel bij een maximale geluidbelasting (47 dB Lden) op circa 8 à 9%. Het toetsingskader geeft een vergelijkbaar dan wel lager percentage ernstig gehinderden binnenshuis als bij de andere geluidbronnen (o.a. verkeersen industriegeluid) acceptabel wordt geacht bij het maximaal toelaatbaar geluidniveau.
Voorkeurswaarde Maximaal toelaatbare waarde
Snelwegen
Spoorwegen
Industrieterrein
Windturbines
4%
4%
2%
-
14%
16%
9%
9%
Het hanteren van een toetsingskader van 47 dB Lden en 41 Lnight kan leiden tot het ervaren van (individuele) hinder, maar dit heeft geen rechtstreekse gezondheidseffecten (zie paragraaf 2.8). Dat mogelijk geluidsoverlast wordt ervaren betekent niet per definitie dat ook sprake is van geluidshinder. De enkele aanwezigheid van laagfrequent geluid leidt niet tot een overschrijding van de geluidsnormen. De geluidsnormen gelden voor alle spectra van geluid, waaronder laagfrequent geluid. De mogelijke aanwezigheid van laagfrequent geluid wordt in voldoende mate verdisconteerd in de geluidsnormen. De 47 dB Lden norm biedt dus afdoende bescherming tegen hinder door laagfrequent geluid doordat dat reeds in de norm is opgenomen. Op basis van bovenstaande wordt de norm van 47 dB Lden en 41 Lnight ruimtelijk aanvaardbaar geacht. Er zijn latere onderzoeken gedaan naar de dosis-hinderrelatie van windturbines. De uitkomsten van die onderzoeken bevestigen de uitkomst van het onderzoek van TNO uit 2008 en vormen hiermee een actualisatie en validatie van het onderzoek uit 2008. Dit wordt bevestigd in het RIVM literatuuronderzoek uit 2020 (RIVM, Health effects related to wind turbine sound: an update). Er is geen aanleiding dat met het toenemen van het vermogen en omvang van windturbines een andere mate van hinder zou optreden bij dezelfde geluidniveaus.
De relatie uit TNO onderzoek (2008) kan dan ook nog steeds als basis worden gehanteerd. Dit is tevens bevestigd in de uitspraak van de Raad van Statehttps://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31209-135.html. ten aanzien van windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding in 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1433). * bron:
Geluidbelasting Voor het akoestische onderzoek is gerekend met Nordex N163/5.X op 167 meter ashoogte met een maximale bronsterkte van 109,2 dB(A). De tiphoogte bedraagt daarmee 249 meter. Dit is een relatief luide windturbine. In het memo over de aanpassing van de tiphoogte naar maximaal 230 meter (bijlage 6 van de aanvraag omgevingsvergunning) blijkt dat de geluidbelasting op de geluidgevoelige objecten in de omgeving niet wijzigt als gevolg van het verlagen van de maximale tiphoogte (zie ook paragraaf 2.4).
Pagina 13
129084-2024
De geluidbelasting van windturbines wordt op de gevel van een geluidgevoelig object berekend. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de reductie van geluid door bijvoorbeeld de buitenmuur en gevelisolatie, daardoor ligt het geluidsniveau binnen het object nog een stuk lager. Berekeningen voor geluid van windturbines worden uitgevoerd volgens het Reken- en meetvoorschrift windturbines uit de Activiteitenregeling. Om op de referentietoetspunten aan de geluidnorm uit het Activiteitenbesluit te voldoen, dienen geluidmitigerende maatregelen te worden getroffen. Mogelijke maatregelen voor geluidmitigatie zijn andere (stillere) turbinetypes of de windturbine(s) in bepaalde periodes van de dag (bijvoorbeeld de nachtperiode) in een geluidgereduceerde modus te laten draaien. Hierbij worden bijvoorbeeld de turbinebladen in een andere bladhoek gezet, waardoor het toerental vermindert en er minder geluid wordt geproduceerd. Voor Windproject Brielse Brug blijkt dat met toepassing van geluidreducerende modi kan worden voldaan aan de geluidnorm uit het Activiteitenbesluit. Bij het bepalen van de benodigde mitigatie om aan de geluidsnorm te voldoen is rekening gehouden met de geluidbelasting die de toetspunten al ontvangen van bestaande windturbines.
Er is onderzocht om het geluid als gevolg van Windproject Brielse Brug te mitigeren totdat cumulatief ook wordt voldaan aan 47 dB Lden en 41 dB Lnight.5 De resultaten met toepassing van een dergelijke geluidmitigatie zijn gegeven in Error: Reference source not found. In onderstaande tabel zijn ook de toetspunten van de zorgboerderijen en de basisschool meegenomen. In Figuur 2 .1 zijn de geluidcontouren tussen 37 en 51 dB Lden weergegeven. Op deze manier kunnen reclamanten en overige belanghebbenden inzien wat voor jaargemiddelde geluidbelasting er kan optreden in de omgeving van het windproject.
Toetspunt
Adres
1
Geluidbelasting Lnight
Lden
Spanjaardweg 1
33
41
2
Onderneming 2
39
46
3
Onderneming 1
39
46
4
Buitengronden 3a
39
46
5
De Nolle 24
34
41
6
Seggeweg 61
35
42
7
Groene Kruisweg 2
40
47
8
Maasdijk 20
40
47
9
Maasdijk 18
40
47
10
Maasdijk 16
35
42
11
Veckhoekse Sluisweg 2
38
45
12
Staaldiepseweg 14
33
40
13
Staaldiepseweg 5
34
41
14
Visserijweg 11
32
39
5
Behalve voor de woningen aan de Staaldiepseweg 14 en Visserijweg 11 omdat hier in de huidige situatie (zonder Windproject Brielse Brug) al sprake is van een overschrijding van Lden 47 dB wanneer het geluid van bestaande windturbines wordt gecumuleerd, zie Tabel 2 .3.
Pagina 14
129084-2024
Zorgboerderij Land-Goed
Smalleweg 5
35
41
Zorgboerderij Catherinahoeve
De Nolle 12
31
39
Basisschool de Verwondering
Geuzenpark 4
35
42
Tabel 2.2 Rekenresultaten Windproject Brielse Brug met geluidmitigatie [dB(A)]
Figuur 2.1 Geluidcontouren windproject Brielse Brug met geluidmitigatie
Cumulatie met nabijgelegen windturbines In het akoestisch onderzoek is ook gekeken naar cumulatie van Windproject Brielse Brug met de bestaande windturbines van windpark Hartel II, windpark Hartelbrug II, windpark Hartelkanaal en de solitaire windturbine. In Tabel 2 .3 staan de rekenresultaten. Voor toetspunt 12 en 14 is er sprake van een cumulatieve overschrijding van de niet-cumulatieve norm. De overschrijding bestaat echter al in de referentiesituatie en neemt door toevoeging van Windproject Brielse Brug niet (waarneembaar) toe. Tabel 2.3 Cumulatie met andere windturbines [dB(A)] Toetspunt
Adres
1
Spanjaardweg 1
Lnight 34
Lden 41
Windproject Brielse Brug* Lnight Lden 33 41
2
Onderneming 2
35
42
39
3
Onderneming 1
38
45
39
Bestaande windturbines
Cumulatief Lnight 36
Lden 43
46
40
47
46
40
47
Pagina 15
129084-2024
4
Buitengronden 3a
38
44
39
46
40
47
5
De Nolle 24
29
35
34
41
35
42
6
Seggeweg 61
28
34
35
42
36
43
7
Groene Kruisweg 2
28
35
40
47
40
47
8
Maasdijk 20
29
36
40
47
40
47
9
Maasdijk 18
30
37
40
47
41
47
10
Maasdijk 16
31
38
35
42
36
43
11
39
46
38
45
40
47
12
Veckhoekse Sluisweg 2 Staaldiepseweg 14
40
48
33
40
41
48
13
Staaldiepseweg 5
40
47
34
41
40
47
14
Visserijweg 11
42
48
32
39
42
48
Smalleweg 5
30
36
35
41
36
42
De Nolle 12
26
33
31
39
32
40
Geuzenpark 4
27
33
35
42
36
43
Zorgboerderij Land-Goed Zorgboerderij Catherinahoe ve Basisschool de Verwonderin g
* Resultaten voor Windproject Brielse Brug na mitigatie naar 47 dB Lden en 41 dB Lnight.
Maatwerkbesluit Omdat er al windturbines in de omgeving aanwezig zijn, hebben de initiatiefnemers, ter beperking van optredende hinder, besloten om cumulatief geen extra geluidbelasting op referentietoetspunten toe te voegen boven de (niet-cumulatieve) norm. Dit geldt niet voor de referentietoetspunten 12 en 14 die maatgevend zijn voor de bestaande windturbines van windpark Hartel II, zoals hierboven beschreven. Separaat is door de DCMR een maatwerkbesluit opgesteld waar maximale immissiewaarden op de gevel van een aantal referentietoetspunten ten gevolge van de twee windturbines van Windproject Brielse Brug als maatwerkvoorschrift zijn vastgelegd. Het gaat om de maximale immissiewaarden voor referentietoetsenpunten 2 t/m 4 en 11 t/m 14, zoals weergegeven in Error: Reference source not found. Voor de overige referentietoetspunten is geen sprake van relevante cumulatie: de geluidbelasting vanwege het de bestaande windturbines in het gebied is ondergeschikt aan de twee windturbines van windproject Brielse Brug. Cumulatie met andere geluidbronnen In het akoestisch rapport (bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing) is de cumulatieve geluidbelasting met andere bronnen beschouwd conform de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines (Activiteitenregeling milieubeheer Bijlage 4).
In het geval van dit project zijn dat wegverkeer, scheepvaart, railverkeer, industrie en bestaande windturbines. Uit deze berekeningen blijkt dat het verschil in cumulatieve geluidbelasting tussen de referentiesituatie en de nieuwe situatie met het windproject Brielse Brug op de meeste toetspunten 0 of 1 dB is. Voor een tweetal toetspunten is er sprake van een toename van maximaal 3 dB. Eén van deze woningen is in eigendom van en wordt bewoond door één van de initiatiefnemers van het project. Deze toename van maximaal 3 dB heeft te maken met een relatief hoge geluidbelasting van Lden 47 dB van windproject Brielse Brug en een relatief lage cumulatieve geluidbelasting in de referentiesituatie t.o.v. de overige toetspunten. De toename aan cumulatieve geluidbelasting voor Zorgboerderij Land-Goed, Zorgboerderij Caterinahoeve en Basisschool de Verwondering vergeleken met de referentiesituatie is maximaal 1 dB. Deze toename zal beperkt waarneembaar zijn. Gezien het belang van het realiseren van het windproject als bijdrage aan de gemeentelijke, provinciale en landelijke duurzame energiedoelstelling, wordt de toekomstige cumulatieve akoestische situatie bij woningen en andere geluidsgevoelige objecten acceptabel geacht.
Pagina 16
129084-2024
2.7.2
Laagfrequent geluid
Er is geen algemeen geaccepteerd normstelsel voorhanden waarmee laagfrequente geluidhinder kan worden geobjectiveerd. Laagfrequent geluid (LFG) is geluid in het voor mensen laagst hoorbare frequentiegebied, onder 100 Hz. Windturbines produceren, net als de meeste andere geluidbronnen, ook laagfrequent geluid. De enkele aanwezigheid van laagfrequent geluid leidt niet tot een overschrijding van de geluidsnormen. Zoals hiervoor toegelicht, gelden de geluidsnormen voor alle spectra van geluid, waaronder laagfrequent geluid. De mogelijke aanwezigheid van laagfrequent geluid wordt in voldoende mate verdisconteerd in de geluidsnormen. Er is geen specifiek groot aandeel in de frequenties onder de 100 Hz en het is niet significant toegenomen bij hogere windturbines. In de ruimtelijke onderbouwing is geconcludeerd dat op basis van onderzoeken van het RIVM en GGD en uitspraken van de Raad van State met naleving van de geluidsnormering ook ten aanzien van laagfrequent geluid sprake is van een aanvaardbare situatie. Ten behoeve van het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving (oktober 2023) is er in het plan-MER opnieuw beoordeeld of er een aparte normstelling dient te komen voor het laagfrequente deel van het windturbinegeluid. Het plan-MER concludeert dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat LFG andere effecten voor omwonenden heeft dan ‘normaal’ geluid.
Het plan-MER geeft aan dat het specifieke karakter van windturbinegeluid, met zowel hoge als lage tonen, zich vertaalt in de bijbehorende mate van hinder. Omdat bij de bepaling van de hoogte van de normering al rekening wordt gehouden met deze specifieke hinder, voegt een aparte norm voor LFG niets toe. Ook laat het Plan-MER zien dat het aandeel LFG van nieuwe, grote windturbines niet wezenlijk verschilt van dat van kleinere windturbines. In het kader van het plan-MER is aanvullend onderzoek gedaan dat dieper ingaat op de verwachte niveaus van LFG binnenshuis rekening houdend met de specifieke gevelwering voor LFG. Dit onderzoek (Peutz, 2023) laat zien dat bij een grenswaarde van 47 dB Lden of lager verwacht mag worden dat in het algemeen geen relevante hinder optreedt ten gevolge van LFG binnenshuis, zodat ook een specifieke norm voor de binnenwaarde van LFG geen meerwaarde biedt. Ook heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een recente uitspraak voor Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding in 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1433) geoordeeld dat laagfrequent geluid niet zoveel meer hinder veroorzaakt dat in verband daarmee de normstelling (47 dB Lden en 41 dB Lnight) had moeten worden aangepast of daarvoor een afzonderlijke norm had moeten worden vastgesteld.
Hierbij betrekt de Afdeling dat in het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening staat dat de verwachte toename van laagfrequent geluid bij hogere windturbines gering is en dat laagfrequent geluid niet de voornaamste oorzaak van hinder is. Een separate norm voor LFG biedt dus geen extra bescherming ten opzichte van de zorgvuldig afgewogen jaargemiddelde norm (Lden en Lnight).