CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 bij BBV: Bijlagen bij aanvragen omgevingsvergunningen [verzameldocument]

Raadsvergadering 4 juni 2026, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Definitieve verklaring van geen bedenkingen Windproject Noordzeeboulevard18.076 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Projectbeschrijving

Buisleidingen Gasunie rondom de beoogde windturbines

37

3

Windproject Noordzeeboulevard Ruimtelijke onderbouwing

Impact waterstofleiding Hynetwork Omdat niet wordt voldaan aan de adviesafstand van Gasunie en het Havenbedrijf is onderzocht of de onderzochte windturbines in strijd zouden zijn met de huidige bestemming. Het deel van de toekomstige leiding dat binnen de adviesafstand ligt heeft (nog) geen omgevingsvergunning en is daarmee niet planologisch beschermd. Daarmee vormt de leiding geen planologische belemmering voor de ontwikkeling van de windturbines. Desondanks is de eventuele invloed van WT2 op de veiligheid van de toekomstige leiding onderzocht. Allereerst is de additionele faalkans van de leiding als gevolg van het plaatsen van de windturbines berekend. Hiervoor is gebruik gemaakt van het rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid Module IV – Windturbines (versie oktober 2020). Ook is de risicoanalyse die Arcadis heeft uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van de waterstofleiding geraadpleegd. Hieruit zijn de gegevens verzameld die benodigd waren voor de berekening van het aanvullende risico. De risicoanalyse is bijgevoegd in Bijlage J. De faalkans als gevolg van bladbreuk is van toepassing op een tracé van 152 m (het deel binnen de oranje contour in Figuur 20) en bedraagt 4,82*10-7 per km per jaar. De intrinsieke faalkans van de leiding bedraagt 1,18*10-6 per km per jaar. De toename van de faalkans door bladbreuk op dit tracé is dus 40,8%.

De faalkans als gevolg van mastbreuk is van toepassing op een tracé van 263 m (het deel binnen de blauwe contour in Figuur 20) en bedraagt 3,7145*10-6 per km per jaar. De intrinsieke faalkans van de leiding bedraagt 1,18*10-6 per km per jaar. De toename van de faalkans door mastbreuk op dit tracé is dus 314,8%. Figuur 20

Projectbeschrijving

Potentiële trefzones toekomstige waterstofleiding

38

3

Windproject Noordzeeboulevard Ruimtelijke onderbouwing

Op basis van de berekende faalkanstoename is door Arcadis een aanvullende uitgevoerd, waarin de invloed van de toename in faalkans op de plaatsgebonden risicocontouren van de leiding is verwerkt. De resultaten zijn opgenomen in een memo (zie Bijlage K). Arcadis concludeert dat het toegenomen faalrisico als gevolg van de windturbines niet leidt tot het ontstaan van een PR10-6-contour. Daaruit wordt geconcludeerd dat aan alle relevante wet- en regelgeving wordt voldaan. Op te merken valt dat in het memo van Arcadis wordt verwezen naar wet- en regelgeving onder de Omgevingswet. De vergunningaanvraag voor Windpark Noordzeeboulevard is ingediend voor invoering van de Omgevingswet. Voor deze aanvraag is regelgeving uit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Met de afwezigheid van een PR10-6-contour wordt ook aan alle regels uit het Bevb voldaan. Al met al geniet de toekomstige waterstofleiding dus geen planologische bescherming en is middels aanvullende risicoanalyses aangetoond dat de twee ontwikkelingen naast elkaar kunnen bestaan. De externe veiligheidsrisico’s van de windturbines voor buisleidingen kunnen daarom zonder aanvullende risicobeoordeling als aanvaardbaar worden beschouwd. Hoogspanningsverbindingen In Figuur 21 zijn de hoogspanningsleidingen rondom de beoogde windturbines weergegeven.

Het gaat om de 380 kV verbinding Maasvlakte – Nieuwe Waterweg en 380 kV Hoogspanningsverbinding Maasvlakte Crayestein ten noordoosten van de windturbines en een ondergrondse hoogspanningsverbinding (BritNed) tussen Nederland en Groot-Brittannië. Deze kabel wordt beheerd door BritNed Development Ltd., een joint venture van het Britse energieconcern National Gris en NLink International, een dochtermaatschappij van TenneT. Naast de bestaande BritNed kabel zijn tevens de nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbindingen IJVer Beta en Gamma voorzien. Ondergrondse hoogspanningsverbindingen Uit figuur 19 blijkt dat niet aan de adviesafstand tot de Britned kabel wordt voldaan. In een eerdere fase heeft Bosch & van Rijn een memo opgesteld op grond waarvan overleg is gevoerd met TenneT. In dat memo is de kans berekend dat een incident bij de windturbines tot falen van de hoogspanningskabels BritNed en IJVer zou leiden. De berekende trefkans bedraagt: ➢ 2,00 * 10-5 per jaar voor windturbine 1 (oftewel: eens in de 50.023 jaar) ➢ 1,65* 10-5 per jaar voor windturbine 2 (oftewel: eens in de 60.479 jaar) ➢ Cumulatieve trefkans van 3,65* 10-5 (oftewel: eens in de 27.378 jaar) TenneT heeft aangegeven dat deze trefkansen voor de ondergrondse kabelverbindingen aanvaardbaar zijn. Voor de berekening van de trefkans is uitgegaan van het turbinetype Vestas V172 7.2 MW.

Dat type is maatgevend voor de werpafstand bij nominaal toerental voor de aangevraagde bandbreedte in afmetingen zodat effecten op de ondergrondse hoogspanningsverbindingen worst-case zijn getoetst. 380 kV hoogspanningsverbindingen Projectbeschrijving

39

3

Windproject Noordzeeboulevard Ruimtelijke onderbouwing

Ten noordoosten van de windturbines zijn twee 380 kV Hoogspanningsverbindingen aanwezig. Uit figuur 19 blijkt dat de tiphoogte-afstand van WT 2 tot juist over de 380 kV hoogspanningsverbinding Maasvlakte – Crayestein reikt waardoor niet aan de adviesafstand wordt voldaan. Verschuiving van de windturbinepositie in westelijke richting is niet mogelijk in verband met de minimale onderlinge afstand van beide windturbines in verband met windafvang en zogwerking. Omdat de adviesafstand slechts met enkele meters wordt overschreden en de overschrijding alleen optreedt bij windturbinetypen aan de bovenzijde van de bandbreedte voor afmetingen (tiphoogte nabij 280 m) en het te bouwen windturbinetype nog niet bekend is, is er op dit moment geen aanleiding voor nader onderzoek naar de trefkans en verhoging van de faalkans. Dit inzicht wordt gegeven nadat een windturbinetype is gekozen. In de vergunning kan een voorschrift worden opgenomen dat de netbeheerder over de berekening van deze trefkans en de faalkansverhoging moet worden geïnformeerd en dat de bouw en het gebruik van de windturbine alleen is toegestaan na goedkeuring door de netbeheerder. Figuur 21

Hoogspanningsleidingen rondom de beoogde windturbines

Waterkering In Figuur 22 is te zien dat er een primaire waterkering is gelegen binnen het invloedsgebied van windturbine 2. Deze kering is in het beheer van waterschap Hollandse Delta. De studie in Bijlage B toont aan dat de waterveiligheid van de duinwaterkering gewaarborgd blijft bij het falen van één van de windturbine onderdelen. Op basis van de positie van de oostelijk gelegen windturbine in de buitenbeschermingszone falen zal bij neerkomen van een windturbineonderdelen een verlaging van het duin of de vooroever kunnen optreden. De duinafslaganalyse toont echter aan dat er voldoende reststerkte van het duin overblijft om aan de waterveiligheidsnorm te voldoen. De additionele faalkans door aanwezigheid van de windturbine is Projectbeschrijving

40

4

Windproject Noordzeeboulevard Ruimtelijke onderbouwing

minder dan 1% van de autonome veiligheid. In deze analyse zijn aannames gedaan over de kratervorming door een vallend windturbineonderdeel op de duinwaterkering. Hierbij is telkens gekozen voor een conservatieve aanpak, waardoor de werkelijke additionele faalkans nog kleiner zal zijn dan berekend. Figuur 22

Projectbeschrijving

Waterkeringen rondom de beoogde windturbines.

41

4

Windproject Noordzeeboulevard Ruimtelijke onderbouwing Figuur 23

Principetekening windturbine binnen de beschermingszone van de waterkering.

Afvallend ijs Omdat beide windturbines boven de Noordzeeboulevard zullen overdraaien zullen de windturbines worden voorzien van een ijsdetectiesysteem, waarmee ijsafworp wordt voorkomen doordat de windturbines bij ijsaangroei worden stilgezet. Bij ijsdetectie zal het ijsdetectiesysteem de windturbines in zo’n positie draaien, dat afvallend ijs zo min mogelijk veiligheidsrisico’s zal veroorzaken. Deze positie is dusdanig dat de wieken evenwijdig aan de weg gepositioneerd zijn. De afstand van de wieken tot de Noordzeeboulevard bedraagt in dat geval 57 m. Aangezien een valafstand van 43,8 m is berekend is er geen risico dat afvallend ijs de weg zal raken. Naast de stilstandvoorziening zijn er daarom geen verdere mitigerende maatregelen benodigd.

4.7.3

Veiligheidsrisico’s stortplaats Binnen de risicoafstanden van windturbine 1 en 2 is een stortplaats aanwezig die in beheer is bij Mineralz, een dochteronderneming van Renewi. Bij een faalscenario kan sprake zijn van een impact op de stort waarbij de afdichting, die is opgebouwd uit verschillende lagen zoals geogrid en folie met daarbovenop een vegetatielaag, kan worden beschadigd. Bij een dergelijke calamiteit moeten maatregelen worden genomen om effecten op de omgeving te beperken of te voorkomen. In het nazorgplan van de stortplaats is beschreven welke maatregelen dat zijn.

Projectbeschrijving

42

4

Windproject Noordzeeboulevard Ruimtelijke onderbouwing

4.8

Waterwerken Rijkswaterstaat Bij het ontwikkelen van de windturbines moet rekening worden gehouden met de impact op de belangen van Rijkswaterstaat (RWS). De zeewering van MV2 bevindt zich (veel) verder naar het westen en wordt niet beïnvloed door dit project. RWS stelt dus geen stabiliteitseisen aan werken op deze locatie. Een tweede belang vanuit RWS betreft de dam van het Slufterdepot, die dient om te voorkomen dat verontreinigingen vanuit de Slufter in het water van de Noordzee belanden. Als worstcasescenario kunnen we de maximale werpafstand van moderne windturbines bij overtoeren aanhouden. Zie daartoe onderstaande tabel. Hieruit blijkt dat de grootste werpafstand bij overtoeren (538 meter) veel kleiner is dan de kleinste afstand tussen het beoogde windpark en de dam van het Slufterdepot. De afstand is 707 meter tot de westelijke positie en 1247 meter tot de oostelijke positie.

Tabel 6

Werpafstanden bij overtoeren.

In Figuur 24 wordt de positie van de Stufterdam ten opzichte van de windturbines weergegeven. Rijkswaterstaat heeft de onderbouwing beoordeeld en bevestigt dat zowel de zeewering MV2 als de dam van het Slufterdepot niet worden beïnvloed door de voorgestelde plaatsing van de windturbines. Hierdoor worden er volgens het plan geen belangen van RWS geschaad. Inhoudelijk voorzien zij geen problemen bij deze procedure.

Projectbeschrijving

43

4

Windproject Noordzeeboulevard Ruimtelijke onderbouwing Figuur 24

Afstand windturbines tot de Slufterdam.

4.8.1

Conclusie Op alle onderwerpen, voldoet de ontwikkeling van de windturbines aan de geldende wetten en normen. TenneT heeft aangegeven dat de trefkansen ten aanzien van de ondergrondse hoogspanningsverbindingen aanvaardbaar zijn. Ten aanzien van de hoogspanningsverbindingen langs de Europaweg voldoet windturbine 2 (bij keuze voor de bovengrens aan afmetingen) net niet aan de adviesafstand. Omdat de adviesafstand slechts met enkele meters wordt overschreden en de overschrijding alleen optreedt bij windturbinetypen aan de bovenzijde van de bandbreedte voor afmetingen (tiphoogte nabij 280 m) en het te bouwen windturbinetype nog niet bekend is, is er op dit moment geen aanleiding voor nader onderzoek naar de trefkans en verhoging van de faalkans. Dat onderzoek wordt uitgevoerd nadat een windturbinetype is gekozen en voor goedkeuring voorgelegd aan de netbeheerder. Om dit zeker te stellen kan hiervoor een voorschrift worden opgenomen in de vergunning. Het waterschap heeft gelet op de afstand tot de waterkering en de werpafstand bij nominaal toerental en overtoeren aangegeven dat zij geen issues voorzagen bij het plaatsen van de windturbines binnen de waterkering ten aanzien van de dijkveiligheid. Een berekening van de additionele faalkans kan daarom achterwege blijven.

Projectbeschrijving

44

4

4.9

Ecologie De bouw en exploitatie van windturbines kunnen effecten hebben op beschermde natuurgebieden, Natuurnetwerk Nederland en beschermde soorten. Ten behoeve van het aspect ecologie is derhalve een natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage F)

4.9.1

Toetsingskader In de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) heeft het Rijk alle verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn verwerkt. Hoofdstuk 2 van de Wnb gaat in op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Hoofdstuk 3 bevat de regels voor bescherming van soorten en hoofdstuk 4 bevat regels voor het verwijderen van bomen in houtopstanden. Daarnaast geldt een algemene zorgplicht op basis van artikel 1.11 voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationaal natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten. Gebiedsbescherming: Natura 2000-gebieden Het onderdeel gebiedsbescherming is gericht op het beschermen en in stand houden van bijzondere gebieden in Nederland. Een belangrijk onderdeel zijn de Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, waarin bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving worden beschermd om de biodiversiteit (soortenrijkdom) te behouden. Voor Natura 2000-gebieden geldt externe werking, aangezien ook activiteiten die buiten deze gebieden plaatsvinden negatieve effecten kunnen hebben. Effecten door externe werking op leefgebieden en soorten dienen derhalve ook te worden getoetst.

Voor cumulatieve effecten dienen alle activiteiten en plannen te worden betrokken, die op dezelfde instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden negatieve effecten kunnen hebben als het eigen project/plan. Op basis van artikel 2.7 lid 2 Wnb is het verboden zonder vergunning (van Gedeputeerde Staten) een project te realiseren dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante effecten heeft op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (kortweg: IHD’s) van één of meer Natura 2000-gebieden. Wanneer niet kan worden uitgesloten of een project significante negatieve effecten heeft, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld, waarin de effecten nader moeten worden onderzocht. Wanneer op basis van de Passende Beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken en waarden van het Natura 2000-gebied niet kan worden uitgesloten, is een ADC-toets noodzakelijk. Soortenbescherming Het onderdeel soortenbescherming is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Wnb bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het opzettelijk doden of vangen, het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen.

Projectbeschrijving

45

4

De Wnb onderscheidt bij de bescherming van soorten drie beschermingsregimes, waarvoor verschillende verboden gelden: 1. Wnb § 3.1 beschermingsregime soorten ‘Vogelrichtlijn’ 2. Wnb §3.2 beschermingsregime soorten ‘Habitatrichtlijn’ 3. Wnb §3.3 beschermingsregime ‘andere soorten’. Gedeputeerde Staten kunnen vrijstelling en ontheffing verlenen van verboden indien er voor het project geen alternatief is, het project nodig is ter bescherming van een specifiek (per regime bepaald) algemeen belang en de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de Staat van Instandhouding (SvI) van de desbetreffende soort. Voor soorten vallend onder §3.3 kan de provincie vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen verlenen op basis van artikel 3.10 lid 2a Wnb. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (kortweg: NNN) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur en bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; • gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • grotere wateren: meren, rivieren, kustzone Noordzee en Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden’ van het NNN. Op plannen, projecten of handelingen binnen het NNN is het ’nee, tenzij’- regime van toepassing.

Vanaf 1 oktober 2012 is het ‘nee, tenzij’-regime vastgelegd in het Besluit algemene regelingen ruimtelijke ordening (Barro). Een project dat effecten heeft op NNN kan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als er sprake is van een groot openbaar belang. Daarbij dient de schade zoveel mogelijk te worden beperkt door het nemen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade door initiatiefnemer worden gecompenseerd. De provincie Zuid-Holland kent geen externe werking voor NNN. Provinciaal natuurbeleid In de directe omgeving van het plangebied liggen geen beschermde provinciale gebieden, zoals weidevogelgebieden of ganzenrustgebieden. Deze gebieden liggen op meer dan 10 km afstand van het projectgebied, waardoor effecten door de realisatie van de windturbines op voorhand kunnen worden uitgesloten.

4.9.2

Onderzoek Voor het effect op beschermde gebieden is onderzocht of er een reële kans op significant negatieve effecten op het behalen van de IHD’s van Natura 2000-gebieden is of dat het optreden van significant negatieve effecten met zekerheid kan worden uitgesloten. Voor het effect op beschermde soorten is gekeken naar het voorkomen van beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de windturbines, wat de effecten op deze soorten zijn, of er verbodsbepalingen optreden of er sprake is van een effect op de gunstige staat van instandhouding (SvI) en of er mitigerende

Projectbeschrijving

46

4

maatregelen noodzakelijk zijn. Nader toelichting over de methode is gegeven in Bijlage G. Gebiedsbescherming: Natura 2000-gebieden Habitattypen/Habitatrichtlijnsoorten Het projectgebied is gelegen binnen Natura 2000-gebied Voordelta. Wel liggen de windturbines en daarbij behorende voorzieningen buiten beschermde habitattypen. Er is met zekerheid geen sprake van areaalverlies door ruimtebeslag van de beschermde habitattypen. De Natura 2000-gebieden Voordelta en Voornes Duin liggen binnen de invloedssfeer van windproject Noordzeeboulevard. Deze zijn aangewezen voor een aantal Habitatrichtlijnsoorten, die effecten kunnen ondervinden van de bouw en exploitatie van de windturbines. Het gaat daarbij om enkele vissen (zeeprik, rivierprik, elft en fint) die voldoende ruimte binnen Natura 2000-gebied Voordelta hebben om (tijdelijk) uit te wijken bij eventuele verstoring door onderwatergeluid. Aangewezen zeezoogdieren (gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis) kunnen indien nodig tijdelijk uitwijken naar andere delen van de Voordelta. Er zijn geen ligplaatsen voor zeehonden in de omgeving aanwezig, waardoor verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. De verstoring is slechts tijdelijk van aard en vindt slechts plaats in een zeer beperkt deel van het Natura 2000-gebied Voordelta. Gezien de afstand zal de verstoring hooguit marginaal zijn.

De projectlocatie vormt daarnaast geen essentieel leefgebied voor de voor Natura 2000-gebied Voornes Duin aanwezen doelsoorten nauwe korfslak en Noordse Woelmuis. Stikstof Bij de realisatie van windturbines kan sprake zijn van een tijdelijke stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase van de windturbines en de daarbij behorende voorzieningen. In de exploitatiefase betreft dit enkel incidentele verkeersbewegingen in het geval van onderhoud. Stikstofdepositie kan resulteren in een vergunningsverplichting Wet natuurbescherming. Over het algemeen geldt dat stikstofeffecten eerder optreden wanneer een project in of dichtbij Natura 2000-gebied gerealiseerd wordt. De mogelijke stikstofdepositie is daarnaast afhankelijk van de hoeveelheid te bouwen windturbines, de te gebruiken mobiele werktuigen, de ligging van ontsluitingswegen, de ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden, de KDW, de gevoeligheid en de (over)belasting van de betreffende habitattypen binnen het Natura 2000-gebied. De mogelijke stikstofdepositie is op projectniveau in kaart gebracht d.m.v. een AERIUS-berekening. Uit de stikstofberekening volt dat voor de aanlegfase van de windturbines stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 2000-gebieden Voornes Duin, Voordelta en Solleveld & Kapittelduinen.

De projectijbdrage is 0,76 mol N/ha/jaar voor Natura 2000-gebied Voornes Duin, 0,03 mol N/ha/jaar voor Voordelta en 0,01 mol N/ha/jaar voor Solleveld & Kapittelduinen. Broedvogels Op basis van de analyse van gebiedsgebruik en vliegbewegingen van vogels in het projectgebied heeft het projectgebied voor de kleine zilverreiger, bruine kiekendief, zwartkopmeeuw, grote stern, visdief, Noordse stern en dwergstern geen of hooguit een geringe betekenis en passeren deze soorten vanuit de betrokken Natura 2000gebieden het projectgebied hooguit incidenteel. Effecten van de bouw en het Projectbeschrijving

47

4

gebruik van de twee geplande windturbines op voornoemde broedvogelsoorten zijn met zekerheid uit te sluiten. De aalscholver passeert met enige regelmaat het projectgebied. Het gaat daarbij om relatief zeer lage aantallen en de belangrijkste vliegroutes van en naar de broedkolonies liggen niet over het projectgebied. Ook de lepelaar passeert met enige regelmaat het projectgebied. Het gaat daarbij om redelijke aantallen en het merendeel vliegt op relatief lage hoogte (<30 meter). Beide soorten zijn niet of hooguit incidenteel als aanvaringsslachtoffer gevonden. Voor aalscholver en lepelaar is daarom hooguit sprake van uiterst incidentele sterfte (<1 op jaarbasis) bij de windturbines Noordzeeboulevard. Het projectgebied vormt geen of slechts zeer beperkt geschikt foerageergebied voor aangewezen broedvogelsoorten en heeft niet of nauwelijks een betekenis voor de soorten. Er is met zekerheid geen sprake van maatgevende verstoring (incl. vermijding) tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op broedvogels van Natura 2000gebieden. Ook vindt er geen barrièrewerking in de gebruiksfase plaats.

Niet-broedvogels Op basis van de analyse van gebiedsgebruik en vliegbewegingen van vogels in het projectgebied heeft het projectgebied voor de roodkeelduiker, fuut, kuifduiker, kleine zilverreiger, lepelaar, kleine zwaan, kolgans, dwerggans, grauwe gans, brandgans, wilde eend, kuifeend, topper, eider, zwarte zee-eend, brilduiker, middelste zaagbek, zeearend, visarend, slechtvalk, goudplevier, kievit, grutto, dwergmeeuw, grote stern en visdief geen of hooguit een geringe betekenis en passeren deze soorten vanuit de betrokken Natura 2000-gebieden het projectgebied hooguit incidenteel. Effecten als gevolg van aanvaringen met de twee beoogde windturbines op voornoemde niet-broedvogelsoorten zijn met zekerheid uit te sluiten. De aalscholver passeert met enige regelmaat het projectgebied. Het gaat daarbij om relatief zeer lage aantallen en de belangrijkste vliegroutes van en naar de slaapplaatsen liggen niet over het projectgebied. Voor aalscholver is hooguit sprake van uiterst incidentele sterfte (<1 op jaarbasis) bij de windturbines Noordzeeboulevard. Ook de pijlstaart passeert met enige regelmaat het projectgebied. Het gaat hierbij ook om relatief zeer lage aantallen. Aangezien een toename in sterfte door windturbines Noordzeeboulevard in theorie een negatief effect kan hebben op de grootte van de populatie is een slachtofferberekening uitgevoerd met het Flux Collision Model.

Hieruit volgt dat voor de pijlstaart hooguit incidenteel slachtoffers worden voorzien binnen de exploitatietijd van de windturbines (ruim <1 slachtoffer per jaar bij beide windturbines samen). Er is met zekerheid geen sprake van maatgevende verstoring tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op niet-broedvogels van Natura 2000-gebieden. Ook vindt er geen barrièrewerking plaats. Mogelijke vermijding is aan de orde op de Westplaat, ten zuiden van het projectgebied. Het gebied wordt de laatste jaren niet meer gebruikt als hoogwatervluchtplaats of foerageergebied door ecologische veranderingen in foerageermogelijkheden. Binnen de Voordelta nemen andere deelgebieden (Hinderplaat) de functie over, waardoor het aantal vorgels dat de windturbines zal gaan vermijden zeer beperkt is. Ook zijn er binnen de Voordelta voldoende geschikte alternatieven beschikbaar om buiten de verstoringszone te rusten/foerageren. Er is

Projectbeschrijving

48

4

met zekerheid geen sprake van maatgevende verstoring waarbij vogels het Natura 2000-gebied verlaten. Soortenbescherming Vogels Het projectgebied beschikt over geschikt broedhabitat voor verschillende soorten broedvogels, zoals zangvogels en enkele watervogels. Als werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen effecten niet worden uitgesloten. Overtreding van verbodsbepalingen kan worden voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Wanneer toch binnen het broedseizoen (globale periode maart tot half augustus) wordt gewerkt, dient voorafgaand een deskundig ecoloog vast te stellen dat er geen in gebruik zijnde nesten van vogels worden vernietigd of beschadigd. Ook kan worden voorkomen dat vogels nabij de projectlocaties gaan broeden door potentieel geschikt habitat rondom de geplande werkzaamheden ongeschikt te maken. Voor vogels is voldoende alternatief foerageer- of rustgebied aanwezig, waardoor geen sprake is van wezenlijke verstoring. Lokale niet-broedvogels groenpootruiter en diverse meeuwensoorten passeren met regelmaat het projectgebied buiten het broedseizoen: groenpootruiter, kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw en stormmeeuw. Voor deze soorten is een soortspecifieke berekening gemaakt met het Flux Collission Model. Op basis van deze berekeningen worden (al dan niet incidentele) aanvaringsslachtoffers verwacht.

Lokale broedvogels eenden en meeuwen passeren met enige regelmaat het projectgebied tijdens het broedseizoen: bergeend, wilde eend, kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw, kokmeeuw en stormmeeuw. Voor deze soorten is een soortspecifieke berekening gemaakt met het Flux Collission Model. Op basis van deze berekeningen worden (al dan niet incidentele) aanvaringsslachtoffers verwacht. Jaarlijkse sterfte wordt verwacht onder lokale broedvogels kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw en kokmeeuw. De sterfte overschrijdt de 1%-mortaliteitsnorm niet. Dit betekent dat voor meeuwen geldt dat de sterfte niet zal leiden tot een negatief effect op de SvI van de populaties. Er is met zekerheid geen sprake van maatgevende verstoring of barrièrewerking tijdens de gebruiksfase op broedvogels en niet-broedvogels. Vleermuizen In het projectgebied en directe omgeving zijn de volgende soorten met zekerheid in meer of minder mate onder bepaalde omstandigheden aangetroffen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Daarnaast zijn er incidentele waarnemingen van de laatvlieger. Er wordt voorzienbare sterfte verwacht van vleermuissoorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger gedurende de exploitatietijd van de windturbines. Het gaat daarbij om enkele slachtoffers per jaar. Incidentele sterfte (<1) wordt verwacht voor de laatvlieger.

Voor overige vleermuissoorten worden geen jaarlijkse slachtoffers verwacht. Additionele maximale sterfte voor gewone dwervleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger liggen onder de 1%-mortaliteitsnorm. Effecten op de SvI van de lokale populaties zijn met zekerheid uitgesloten. Voor rosse vleermuis ligt de additionele sterfte rond de 1%-mortaliteitsnorm. Een effect op de SvI is niet met zekerheid uitgesloten. Daarom wordt een mitigerende maatregel in de vorm van een stilstandvoorziening toegepast. Hierdoor kunnen effecten op de SvI voor

Projectbeschrijving

49

4

rosse vleermuis alsnog worden uitgesloten. Voor al voornoemde soorten wordt een ontheffing in het kader van de Wnb aangevraagd. Effecten op verblijfplaatsen zijn uit te sluiten aangezien er geen bomen worden gekapt of gebouwen worden gesloopt. De locatie van het projectgebied dient vermoedelijk als foerageergebied voor vleermuizen. Gezien het kleine aantal vleermuizen is de locatie niet van groot belang. Er worden geen vliegroutes doorsneden door de windturbines, waardoor effecten op de functionaliteit van het gebied als foerageergebied en vliegroute kunnen worden uitgesloten. Verstoring van verblijfplaatsen in de gebruiksfase is eveneens uitgesloten, aangezien er geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen. Eventueel aanwezige verblijfplaatsen bevinden zich op zeer ruime afstand van de beoogde windturbines. Overige soorten Het projectgebied en directe omgeving heeft mogelijk een betekenis voor een paar strik beschermde soorten, namelijk rugstreeppad, nauwe korfslak, Noordse woelmuis, zeeprik, rivierprik, elft, gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis. De aanwezigheid van de rugstreeppad wordt niet verwacht. Echter kunnen effecten op de strikt beschermde rugstreeppad niet geheel worden uitgesloten aangezien het projectgebied beperkt geschikt is. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een ecologische quickscan te worden uitgevoerd (evt.

gecombineerd met ecologisch werkprotocol). De aanwezigheid van nauwe korfslak en Noordse woelmuis kan eveneens niet worden uitgesloten. Het projectgebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten, maar aangezien aanwezigheid niet op voorhand kan worden uitgesloten, dient een ecologisch werkprotocol te worden uitgewerkt. In de (ruime) omgeving van het projectgebied is de aanwezigheid van zeeprik, rivierprik, elft, fint, gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis vastgesteld. Verstorende effecten op voornoemde soorten tijdens de gebruiksfase van de beoogde windturbines zijn op voorhand uitgesloten. Bij de bouw van de windturbines kunnen wel verstorende effecten optreden op voornoemde soorten als gevolg van de heiwerkzaamheden. Maatgevende verstorende effecten kunnen worden uitgesloten wanneer wordt gewerkt met een slow start van de heiwerkzaamheden. Voor algemene soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. Het projectgebied biedt ook weinig tot geen geschikt leefgebied voor deze soorten. Effecten op deze soorten tijdens de bouwfase en exploitatiefase zijn op voorhand uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland De windturbines zijn gelegen binnen NNN. Naar verwachting wordt circa 7.400 m2 oppervlakte NNN aangetast als gevolg van de realisatie van de windturbines en toebehoren.

Naast fysieke aantasting draaien de wieken over het NNN dat mogelijk gevolgen heeft door o.a. slagschaduw, geluid en/of visuele verstoring. Het grootste gedeelte binnen de overdraaicirkel omvat beheertype N15.01 Duinbos en het overige gedeelte van het NNN omvat beheertypen N05.03 Veenmoeras en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. De bovengrens draait ook over N08.02 Open Duin. Effecten door verstoring en/of sterfte zijn niet uit te sluiten voor de beheertypen Projectbeschrijving

50

5

N15.01 Duinbos, N05.03 Veenmoeras en N08.02 Open Duin. Provincie Zuid-Holland kent geen externe werking op NNN, waardoor ernstige aantasting of negatieve invloed op het functioneren van andere beheertypen vanwege de afstand (>100 meter), beperkt oppervlak en/of gevoeligheid van kwalificerende soorten kan worden uitgesloten.

4.9.3

Zwarte wiek Er loopt een onderzoek waarin het effect van een zwarte wiek op de vogelsterfte wordt onderzocht. Uit voorlopige resultaten blijkt dat het kleuren van één wiek niet bij lijkt te dragen aan een vermindering van de vogelsterfte. Tevens is het kleuren van één wiek landschappelijk gezien onrustig voor het beeld. Echter als uiteindelijk toch blijkt dat de maatregel een groot positief effect heeft op aanwezige soorten kan het worden overwogen deze maatregel toe te passen.

4.9.4

Conclusie Gebiedsbescherming De bouw en exploitatie van windproject Noordzeeboulevard hebben geen significant negatieve effecten (uitgezonderd stikstofdepositie) op het behalen van de IHD’s van habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebieden. Nadere toetsing van de stikstofeffecten is wel noodzakelijk. Hiervoor wordt een separate ecologische beoordeling stikstof opgesteld. De bouw en exploitatie van de twee windturbines heeft met zekerheid geen significant negatief effect op het behalen van de IHD’s van kwalificerende broedvogelsoorten en niet-broedvogelsoorten in Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied. Aangezien voor alle soorten uit nabijgelegen Natura 2000-gebieden is vastgesteld dat een effect op het behalen van de IHD’s als gevolg van Windproject Noordzeeboulevard op zichzelf met zekerheid is uitgesloten, kan een cumulatiestudie achterwege blijven. Soortenbescherming Vogels Tijdens de werkzaamheden (en voorbereiding) wordt verstoring en vernietiging van de in gebruik zijnde nesten voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen. In de omgeving van het projectgebied zijn voldoende alternatieve foerageeren rustplekken, waar de soorten tijdens de aanlegfase gebruik van kunnen maken.

Door (zeer) beperkte verstoringseffecten in de gebruiksfase van de windturbines wordt de gunstige staat van instandhouding van de landelijk algemene(re) broedvogelsoorten niet beïnvloed. Voor de betrokken vogelsoorten waarvoor aanvaringsslachtoffers worden verwacht gedurende de exploitatiefase van de windturbines wordt een ontheffing in het kader van de Wnb aangevraagd. Vleermuizen Additionele maximale sterfte voor gewone dwervleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger liggen onder de 1%-mortaliteitsnorm. Effecten op de SvI van de lokale

Projectbeschrijving

51

5

populaties zijn met zekerheid uitgesloten. Voor rosse vleermuis ligt de additionele sterfte rond e 1%-mortaliteitsnorm. Een effect op de SvI is met zekerheid uit te sluiten door het nemen van mitigerende maatregelen. Voor al voornoemde soorten wordt een ontheffing in het kader van de Wnb aangevraagd. Effecten op eventuele verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen zijn op voorhand uitgesloten. Overige soorten Door het in acht nemen van mitigerende maatregelen en het werken conform een ecologisch werkprotocol kunnen effecten op verbodsbepalingen van strik beschermde overige soorten worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland De windturbines zijn gelegen binnen NNN, waardoor oppervlakte verlies optreedt van beheertype N15.01 Duinbos. Daarnaast draaien de wieken over beheertypen N15.01 Duinbos, N05.03 Veenmoeras, N08.02 en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Effecten door verstoring en/of sterfte zijn niet uit te sluiten voor de beheertypen N15.01 Duinbos, N05.03 Veenmoeras en N08.02 Open Duin. Het verlies van oppervlak van NNN door ruimtebeslag en verstoring dient te worden gecompenseerd. Hiervoor wordt een separate nee-tenzij toets opgesteld, die mede het mitigatie en compensatieplan omvat. Algehele conclusie Voor het uitvoeren van het project is ontheffing benodigd voor vogel- en vleermuissoorten.

Door het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen en te allen tijde rekening te houden met de zorgplicht, staat het aspect ecologie de uitvoering van het project niet in de weg.

4.10

Landschap Windturbines zijn met hun hoogte en draaiende wieken zichtbare objecten in een landschap. Landschappelijke inpassing is derhalve van groot belang voor de omgeving. Er is geen relevante wet- of regelgeving over landschap. In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) heeft de minister van Infrastructuur en Milieu (I&M) aangegeven dat de verantwoordelijkheid van het beleid over landschappen niet langer een Rijksverantwoordelijkheid is, maar van de provincies. Eén van de doelstellingen van SVIR is ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Provinciale staten kunnen bij of krachtens verordening regels stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor afwijken, conform artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro). De provinciale visie op de combinatie landschap en windenergie heeft geresulteerd in de zoeklocaties uit de Visie Ruimte en Mobiliteit: “Geschikte gebieden voor plaatsing van windturbines combineren windenergie met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water.” Mede door de grote omvang en de ruimtelijke invloed van moderne windturbines is het van belang om deze geconcentreerd te plaatsen in daarvoor geschikte

Projectbeschrijving

52

5

gebieden en versnippering over de hele provincie te voorkomen. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan windturbines in een opstelling van één lijn of in clusters. Bestaande windturbines kunnen ter plaatse vervangen en opgeschaald worden. Windturbines kunnen nu alleen worden gebouwd op locaties die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Mochten er nieuwe locaties hierin opgenomen moeten worden, dan zal de Provinciale Staten de keuze hiervoor maken na een zorgvuldige afweging waarbij specifieke waarden van het landschap worden meegenomen. De gemeente Voorne aan Zee heeft in 2018 ‘De Leidraad Windenergie Voorne-Putten’ gepubliceerd. In deze leidraad Windenergie staan de uitgangspunten en randvoorwaarden die de gezamenlijke gemeenten op Voorne-Putten hanteren bij het beoordelen van plannen met betrekking tot windenergie. In de leidraad staat beschreven dat er moet worden gestreefd naar een optimale leefkwaliteit voor de omgeving met een zo goed mogelijk bij het landschap aansluitende opstelling en aankleding. Teven beschrijft de leidraad dat de opstelling van een windproject zoveel mogelijk dient aan te sluiten bij het landschap. De belangrijkste zaken in de leidraad t.a.v. landschap (Bijlage 5: Technische eisen voor toetsing windparken) zijn als volgt: •

• •

• •

• •

Bij de beoordeling van de landschappelijke aspecten dienen in ieder geval visualisaties van het project te worden aangeleverd. Daarbij dient het windproject vanuit verschillende posities zichtbaar te worden gemaakt. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van 3D simulaties; Tast een project de bestaande openheid van een gebied (denk aan bufferzones of open gebieden) aan en past een windproject in het karakter van een gebied (industrieel, agrarisch); Indien zich cultuurhistorische waardevolle objecten dan wel waardevolle stads-of dorpsgezichten in de nabijheid van het windproject bevinden, zal aangetoond moeten worden dat er geen onaanvaardbare negatieve effecten optreden; Sluit het windproject aan bij bestaande herkenbare lijnen in het landschap; Is de opstelling van de windturbines herkenbaar. Een opstelling die herkenbaar (denk aan een lijnopstelling) en regelmatig is (turbines staan in een regelmatig patroon) wordt positiever beoordeeld dan een andere opstelling; Binnen het project dient sprake te zijn van eenzelfde type windturbine; Indien windturbines in de nabijheid van reeds bestaande turbines worden voorzien, dient afstemming plaats te vinden om te komen tot een eenduidig beeld in de omgeving.

De realisatie van de twee windturbines langs de Noordzeeboulevard aan de rand van een industrieel gebied waarin de opwekking van duurzame windenergie al sterk aanwezig is in het landschap. Windturbines worden reeds geëxploiteerd op verschillende locaties binnen het Rotterdamse havengebied, waarbij ze een landmark vormen bij het binnenvaren van de Rotterdamse haven (en omgeving). Visualisaties Als onderdeel van de landschapsbeschrijving zijn visualisaties gemaakt van de toekomstige situatie (Bijlage B), vanaf diverse zichtpunten. Hieronder zijn ter indicatie

Projectbeschrijving

53

5

drie visualisaties weergegeven vanuit verschillende locaties om de windturbines heen. Figuur 25

Maasvlakteboulevard, ter hoogte van de Slufter.

De windturbines komen in een gebied dat al een industrieel karakter kent door de industrie en de bestaande windturbines. In Figuur 25 is te zien dat de twee nieuwe windturbines deel uit gaan maken van een windpark in de buurt Omdat het landschap en de omgeving al worden beïnvloed door de bestaande windturbines zullen de nieuwe windturbines slechts in kleine mate extra negatieve effecten met zich meebrengen. Figuur 26

Zeeweg 60 (Hotel 't Wapen van Marion)

Vanuit het natuurgebied de Duinen van Voorne zijn de windturbines zichtbaar. Ze zijn niet dominant aanwezig in het landschap maar zullen wel een negatief effect hebben op de beleving en waarde van dit landschap en natuurgebied.

Projectbeschrijving

54

5

Figuur 27

D'arcyweg, ten zuiden van de 6e Petroleumhaven

De Rotterdamse haven kent veel industrie en windturbines met grote waterwegen. Windturbines passen over algemeen goed bij een landschap met een industrieel karakter. De windturbines zullen hier landschappelijk gezien slechts in kleine mate negatieve effecten met zich meebrengen. De locatie van de windturbines sluiten aan bij het beleid van de provincie en de gemeente. De twee windturbines van Windproject Noordzeeboulevard komen in het verlengde van de (lijn)opstelling van het bestaande windpark Slufterdam. De windturbines van het bestaande windpark Slufterdam staan in een cirkel, met één afwijkende windturbine. De nieuwe windturbines van Windproject Noordzeeboulevard komen in het verlengde van deze afwijkende windturbine. Hierdoor vormen ze met deze afwijkende windturbine een nieuwe lijnopstelling. De posities van de twee nieuwe windturbines zijn net iets afwijkend t.o.v. de bestaande windturbine in deze lijnopstelling. Doordat het slechts een minimale afwijking betreft is de negatieve impact beperkt. De twee beoogde windturbines zijn van eenzelfde type, maar ze zijn wel een stuk groter dan de bestaande windturbines van Slufterdam. Vanuit bepaalde perspectieven kan dit voor een grote visuele afwijking zorgen op de horizon. Hierdoor kan het ogen dat de windturbines niet bij bestaande windturbine in de nieuwe lijnopstelling aansluiten.

Dit is ook zichtbaar op enkele visualisaties. Naast windpark Slufterdam, staan in de omgeving van het beoogde nieuwe windpark meerdere windparken. Ten noorden van de beoogde posities van Windproject Noordzeeboulevard liggen de kleinere parken Maasmond, Zuidwal en SIF. Aanvullend liggen de windparken Dintelhaven, Landtong Rozenburg II en Suufhoffbrug ten oosten van de beoogde windturbines van Windproject Noordzeeboulevard. Omdat er in de omgeving al veel windparken zijn gesitueerd, is vanuit diverse locaties in het gebied de storende werking van dit verschil in hoogte klein. Maar vanuit bepaalde locaties is het wel degelijk waarneembaar dat er een verschil is. Dit is ook zichtbaar op enkele visualisaties.

Projectbeschrijving

55

5

Aanvullend zijn in onderstaande figuren enkele visualisaties van de voet van de windturbine weergegeven. De twee kijkpunten waarvan de visualisaties zijn gemaakt staan in Figuur 28. Figuur 29 en Figuur 30 tonen van het zuidelijkste kijkpunt de weergave van respectievelijk de situatie vóór de inpassing van de windturbine en daarna. Op Figuur 31 en Figuur 32 is dit weergegeven van voor het noordelijkste kijkpunt. In Bijlage C zijn de visualisaties op groot formaat weergegeven. Figuur 28

Kijkpunten visualisaties windturbinevoet

Figuur 29

Zuidelijkste kijkpunt vóór inpassing van de windturbine

Projectbeschrijving

56

5

Figuur 30

Zuidelijkste kijkpunt na inpassing van de windturbine

Figuur 31

Noordelijkste kijkpunt vóór inpassing van de windturbine

Figuur 32

Noordelijkste kijkpunt na inpassing van de windturbine

Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect landschap.

Projectbeschrijving

57

5

4.11

Bodem en Archeologie

4.11.1

Bodem

Toetsingskader Op grond van de Wet bodembescherming dient, in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project, rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak (ernstige verontreinigingen). In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen van voor 1987, dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Wanneer grond wordt ontgraven of wordt aangevoerd van of naar de projectlocatie is sprake van roering van de bodem en moet worden voldaan aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit. Op grond van het Besluit bodemkwaliteit worden eisen gesteld aan de afvoer en het hergebruik van grond. Windturbines Vanuit de functie van windturbines worden geen eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Er is immers geen sprake van de langdurige aanwezigheid van personen.

Voor moderne windturbines geldt dat er geen sprake is van potentieel bodembedreigende activiteiten. Bij aan- of afvoer van grond zal uiteraard aan het Besluit bodemkwaliteit worden voldaan. Project Voor de inschatting van de bodemkwaliteit op de locaties van de twee windturbines is bekeken of er op dit moment bedrijfsactiviteiten op de locaties plaatsvinden, waarbij potentieel bodemverontreiniging kan ontstaan en of in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden, waarbij verontreiniging is ontstaan. Om dit inzichtelijk te maken is aansluiting gezocht bij de bodemkwaliteitskaarten opgesteld in 2014 door DCMR-milieudienst Rijnmond en gemeente Rotterdam. De kaarten van havengebied Rotterdam zijn weergegeven in de onderstaande Figuur 33. De rode cirkel geeft de projectlocatie aan. De bodemopbouw en bodemkwaliteit is beschreven voor de bodemlaag 0 – 1 m – mv. Vanuit de bodemkaarten is af te leiden dat de gronden waarop de bouw en exploitatie van de windturbines gaat plaatsvinden als ‘Schoon’ of ‘licht verontreinigd’ zijn bevonden. Dit vormt geen belemmering voor de bouw van de windturbines. Vanuit het gebruik van de windturbines worden geen eisen gesteld aan de bodemkwaliteit. Figuur 33

Projectbeschrijving

Bodemkwaliteitskaart bovengrond tot 1 m (onder maaiveld)

58

5

Uitgestelde indieningsvereisten omtrent het bouwen (Artikel 2.7 Mor) In de vergunning voor een bouwactiviteit kan worden bepaald, indien de aanvrager daarvoor een verzoek indient, dat enkele tekeningen en documenten uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling ter goedkeuring worden overgelegd. Uiteraard kan deze uitgestelde beoordeling ook eerder plaatsvinden. Voor het bodemonderzoek is in de omgevingsvergunningaanvraag een verzoek gedaan tot uitgestelde beoordeling. In het kader van de opstalovereenkomst met de grondeigenaar vindt namelijk nog een NEN 5740 nul situatie bodemonderzoek plaats dat tevens dient als bodemonderzoek voor de omgevingsvergunningaanvraag.

4.11.2

Archeologie Ter plaatse van de beoogde windturbines geldt de ‘Dubbelbestemming WaardeArcheologie -1’ in het geldende bestemmingsplan ‘Zeegebied Westvoorne 2013’. Dit betekent dat nader archeologisch onderzoek door de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) moet worden uitgevoerd voorafgaand aan bepaalde bodemroerende werkzaamheden indien bouw- en graafwerkzaamheden dieper reiken dan 3 meter onder NAP en tevens een oppervlak van meer dan 200 m2 beslaan. Voor de bouw van de twee windturbines worden de volgende bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. ➢ Indrijven van de heipalen: 2 maal maximaal 80 heipalen tot een diepte van circa 20 m – mv (diameter: 0,5 m vierkant = 0,25 m2). ➢ Aanbrengen van de funderingsplaat: 2 maal fundering met oppervlak van ca. 300 m2 en een ontgravingsdiepte van circa 3 m – mv (circa 1500 m3 per turbine).

Projectbeschrijving

59

5

Per windturbinepositie worden de heipalen onder de buitenrand van de funderingsplaat ingedreven. Wanneer het volledige oppervlakte wordt genomen waarbinnen de heipalen worden geplaatst, worden de drempelwaarden (oppervlakte > 200m2 én dieper dan NAP) overschreden en is archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. Een advies van in het kader van de voorgenomen grondwerkzaamheden is toegevoegd in Bijlage F. Hieruit volgt dat de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) naar aanleiding van de voorgelegde plannen geen reden ziet tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie en adviseert de gemeente dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. De locatie kan voor de voorgenomen ontwikkeling worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Wel wordt benadrukt dat er altijd rekening dient te worden gehouden met zogenaamde toevalsvondsten, zoals scheepsresten en/of -wrakken. Hiervan dient men op basis van de Erfgoedwet 2016, art. 5.10 melding te maken bij Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. In de praktijk is het eenvoudiger om dit bij de bevoegde overheid, de gemeente Voorne aan Zee, te doen. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect Archeologie.

4.12

Water

4.12.1

Toetsingskader Op grond van de Wro moet bij een ruimtelijke ontwikkeling inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding. Voor zowel de minimale als maximale afmetingen van de windturbines geldt dat er een toename is aan verhard oppervlakte. Het projectgebied ligt in het beheergebied van waterschap Hollandse Delta, maar omdat het buitendijks is gesitueerd treedt Rijkwaterstaat op als beheerder.

4.12.2

Onderzoek De projectlocatie valt binnen de beheergrenzen van de Waterwet (gepubliceerd op 1 juli 2021) in het beheergebied van waterschap Hollandse Delta. Aangezien de projectlocatie buitendijks ligt, treedt Rijkswaterstaat op als beheerder. Dit volgt uit Bijlage II en Bijlage III de Waterregeling behorend bij de Waterwet. Hierin zijn kaarten met grenzen opgenomen van oppervlaktewaterlichamen en zijwateren waar het Rijk het waterkwaliteit- en waterkwantiteitsbeheer voert.

Projectbeschrijving

60

6

4.12.3

Conclusie Er vindt een aparte vergunningaanvraag plaats bij Rijkswaterstaat.

4.13

Radar

4.13.1

Defensieradar Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende regeling (Rarro) bevatten het toetsingskader voor radarverstoring van defensieradar. Op grond van artikel 2.6.9 Barro, waarin is voorgeschreven dat onder meer een omgevingsvergunning voor bouwwerken (zoals windturbines) met een grotere bouwhoogte dan is opgenomen in de Rarro, moet worden getoetst aan de rekenregels voor radarverstoring. Deze toets wordt uitgevoerd met behulp van het rekenmodel Perseus dat wordt beheerd door TNO. Voor nieuwe windturbines geldt dat toetsing verplicht is binnen een gebied van 75 km rondom een radarpost die in de Rarro is aangewezen. Op grond van de wettelijke regeling in het Barro wordt de mogelijke verstoring van het defensieradar als gevolg van radarreflectie en schaduwwerking berekend en uitgedrukt in een percentage verlies aan detectiekans van objecten. Het verlies aan detectiekans mag niet meer bedragen dan de minimale detectiekans die door het Ministerie van Defensie op de betreffende locatie wordt gehanteerd. Uit onderzoek van TNO (zie Bijlage D) blijkt dat na plaatsing van de beoogde windturbines geen onaanvaardbaar verlies aan detectiekans optreedt. Op basis van de onderzoeksresultaten heeft het Ministerie van Defensie geen bezwaar tegen de realisatie van de windturbines en is verklaring van geen bezwaar (VGB) verkregen.

Deze verklaring is toegevoegd in Bijlage D. In de coördinaten van de windturbines op basis van het onderzoek van 9 november 2022 hebben minimale wijzigingen plaatsgevonden, die met zekerheid geen relevante invloed hebben op radarverstoring volgens het oordeel van Defensie. De eerder afgegeven VGB uit Bijlage D blijft daarmee van kracht. Omdat het onderzoek is uitgevoerd met een worst-case windturbine op basis van de bandbreedte in de aanvraag, is een herbeoordeling in de toekomst niet noodzakelijk. Alle mogelijk te realiseren turbinetypen vallen binnen de reikwijdte van de onderzochte milieueffecten, conform het TNO-referentiemodel. Er is sprake is van een goede ruimtelijke ordening voor het onderdeel defensieradar.

Projectbeschrijving

61

6

4.13.2

LVNL Burgerluchtvaart Toetsing door LVNL heeft uitgewezen dat het plan voor twee windturbines met een tiphoogte van maximaal 280 meter op de locatie Noordzeeboulevard in de gemeente Voorne aan Zee geen negatieve invloed heeft op de correcte werking van de cns apparatuur van LVNL. Het advies van LVNL is dan ook positief. Het Advies van LVNL is in Bijlage E LVNL Burgerluchtvaart te vinden.

4.13.3

Energieproductie Windproject Noordzeeboulevard zal een aanzienlijke hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit produceren. Het is deze bijdrage aan de energietransitie die op moet wegen tegen eventuele hinder die door de windturbine veroorzaakt wordt. Om de verwachte elektriciteitsproductie nauwkeurig te schatten, is een P50-opbrengstberekening uitgevoerd. De P50-waarde geeft aan welke elektriciteitsproceductie verwacht kan worden voor een specifieke combinatie van locatie en windturbine. Hierbij is de kans 50% is dat de productie hoger uitvalt en 50% dat de productie lager uitvalt. De berekeningen tonen aan dat de P50-opbrengst van twee windturbines van het type Vestas V172-6.8/7.2MW op een ashoogte van 166 meter 53,1 GWh/jaar bedraagt, wat representatief is voor de bovenkant van de bandbreedte. Voor de onderkant van de bandbreedte is de Vestas V150-6.0MW op een hoogte van 155 meter representatief, waarbij een opbrengst van 41,9 GWh/jaar wordt verwacht.

Projectbeschrijving

62

6

Figuur 34

P50 opbrengstberekening.

4.14

Niet gesprongen explosieven Rotterdam en omgeving is tijdens de Tweede Wereldoorlog gebombardeerd. De (tweede) Maasvlakte is na de tweede wereldoorlog aangelegd waardoor het onwaarschijnlijk is dat deze locatie een risicovol gebied is voor niet gesprongen explosieven. Uit de bommenkaart7 blijkt dat er rondom de beoogde windturbines geen harde blindgangmeldingen zijn gedaan. Tevens blijkt dat de projectlocatie geen verdacht gebied is ten behoeve van niet gesprongen explosieven. Het ontbreken van harde blindgangmeldingen en verdachte locaties duidt erop dat de kans zeer klein is dat er niet gesprongen explosieven in de grond liggen en dat dit geen risico vormt voor de ontwikkeling van de windturbines.

7

Projectbeschrijving

https://kaartlaag.rotterdam.nl/bommenkaart#51.9004/3.9226/52.0045/4.2133/brt/3546,3563,3566//

63

6

Figuur 35

Projectbeschrijving

Verdachte locaties ten behoeve van niet gesprongen explosieven.

64

6

Bijlagen

Bijlagen

65

6

Bijlage A Akoestisch onderzoek

Bijlagen

66

6

Bijlage B Externe veiligheidsonderzoek

Bijlagen

67

6

Bijlage C Visualisaties Figuur 36

Overzichtskaart kijkpunten visualisaties.

68

Bijlagen

68

Figuur 37

Kijkpunt 1. Maasvlakteboulevard, ter hoogte van de Slufter (met pijlen)

69

Bijlagen

69

Figuur 38

Kijkpunt 2. Missouriweg 17 (Truckparking Maasvlakte Plaza Zuid)

70

Bijlagen

70

Figuur 39

Kijkpunt 3. Maasvlakteweg, ter hoogte van de Brielse Gatdam

71

Bijlagen

71

Figuur 40

Kijkpunt 4. D'arcyweg, ten zuiden van de 6e Petroleumhaven

72

Bijlagen

72

Figuur 41

Kijkpunt 5. Noordoever Oostvoornse Meer 3 (Beachclub Brunotti)

73

Bijlagen

73

Figuur 42

Kijkpunt 6. Strandweg 1 (Restaurant Aan Zee)

74

Bijlagen

74

Figuur 43

Kijkpunt 7. Zeeweg 60 (Hotel 't Wapen van Marion)

75

Bijlagen

75

Figuur 44

Kijkpunt 8. Hoonaardweg, ter hoogte van nr. 7

76

Bijlagen

76

Figuur 45

Kijkpunt 9. Krabbelweg, westkant van Oosterlandse Rak (met pijlen)

77

Bijlagen

77

Figuur 46

Kijkpunten visualisaties van de windturbinevoet

78

Bijlagen

78

Figuur 47

Zuidelijkste kijkpunt vóór inpassing van de windturbine

79

Bijlagen

79

Figuur 48

Zuidelijkste kijkpunt na inpassing van de windturbine

80

Bijlagen

80

Figuur 49

Noordelijkste kijkpunt vóór inpassing van de windturbine

81

Bijlagen

81

Figuur 50

Noordelijkste kijkpunt na inpassing van de windturbine

82

Bijlagen

82

Bijlage D TNO-onderzoek defensieradar & VGB ministerie van Defensie

Bijlagen

83

8

Bijlage E Toetsing LVNL

Bijlagen

84

8

Bijlage F Advies bodemonderzoek

Bijlagen

85

8

Bijlage G Nee, tenzij-toets

Bijlagen

86

8

Bijlage H Natuurtoets

Bijlagen

87

8

Bijlage I

Bijlagen

Project- en participatieplan

88

8

Bijlage J

Bijlagen

QRA HyTransPort

89

8

Bijlage K Memo risicocontouren van HyTransPort

Bijlagen

90

9

van M+P | Onderdeel Müller-BBM groep

Mensen met oplossingen

Rapport

Geluidsonderzoek windproject Noordzeeboulevard

M+P.PURE.23.01.2 | 14 November 2023

1

Page 92 of 486

Colofon Opdrachtnemer

M+P raadgevende ingenieurs BV

Opdrachtgever

Pure Energie Wind B.V. Hengelosestraat 585 Postbus 3141 7500 DC ENSCHEDE

Opdrachtnummer

-

Titel

Geluidsonderzoek windproject Noordzeeboulevard

Rapportnummer

M+P.PURE.23.01.2

Revisie

3

Datum

14 November 2023

Aantal pagina‘s

50

Auteurs

ir. E. Nieuwenhuizen ir. T. van Bon ing. M.H.M. Paanakker

Contactpersoon

ing. M.H.M. Paanakker | 0297-320651 | info@mp.nl

M+P

Visserstraat 50 | 1431 GJ Aalsmeer Wolfskamerweg 47 | 5262 ES Vught www.mp.nl | onderdeel van de Müller-BBM groep | Lid NLingenieurs | ISO 9001 gecertificeerd

Copyright

2

© M+P raadgevende ingenieurs BV | Niets van deze rapportage mag worden gebruikt voor andere doeleinden dan is overeengekomen tussen de opdrachtgever en M+P (DNR 2011 Artikel 46).

M+P.PURE.23.01.2

Page 93 of 486

Inhoud 1

Inleiding

4

2

Normstelling

5

3 3.1 3.2 3.3 3.4

Uitvoering van het onderzoek Toetsing aan de wettelijke normen Maximale geluidsbelasting Geluidsbelasting gecombineerd met windpark Slufterdam Cumulatie met andere bronsoorten

7 7 8 8 8

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Uitgangspunten Situatie Uitvoeringsvarianten Geluidsemissie Windverdeling Emissieterm Akoestisch rekenmodel

10 10 10 12 13 14 14

5 5.1 5.2 5.3 5.4

Toelichting geluid vanwege windturbines Hinderlijkheid van windturbinegeluid Waarneembaarheid van windturbinegeluid Laagfrequent geluid Windturbines en gezondheid

15 15 16 17 19

6 6.1 6.2 6.3 6.4

Effect van het windpark op de omgeving Geluidsbelasting Lden en Lnight vanwege windproject Noordzeeboulevard Geluidsbelasting Lden en Lnight gecombineerd met windpark Slufterdam Maximale geluidsbelasting Geluidsbelasting Lcum

20 20 21 22 23

7

Literatuur

24

bijlage A

Figuren

25

bijlage B

Emissiegegevens windturbines

37

bijlage C

Windgegevens

40

bijlage D

Invoergegevens rekenmodel

42

bijlage E

Cumulatieve geluidsbelasting

46

M+P.PURE.23.01.2 | 14 November 2023

3

Page 94 of 486

1

Inleiding M+P heeft in opdracht van Pure Energie Wind B.V. (hierna Pure Energie) onderzoek verricht naar geluid op de omgeving ten gevolge van het windproject Noordzeeboulevard. Het plan voorziet in de realisatie van twee windturbines in de gemeente Voorne aan Zee. Het plangebied ligt in het verlengde van de 14 bestaande windturbines van Windpark Slufterdam. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de ruimtelijke onderbouwing. Het rapport geeft inzicht in de geluidsbelasting en eventuele hinder in de omgeving. Hierbij zijn drie verschillende uitvoeringsvarianten van het windproject beschouwd.

4

M+P.PURE.23.01.2

Page 95 of 486

2

Normstelling Voor het bouwen van een windturbine is een Wabo omgevingsvergunning nodig (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Windturbines vallen onder het Activiteitenbesluit (Infomil, 2023). Dit Activiteitenbesluit bevat regels voor onder meer geluid. Na de uitspraak van de Raad van State van 30 juni 2021 moeten de regels voor windturbineparken (3 windturbines of meer) buiten toepassing worden gelaten. Voor bestaande windturbineparken geldt een overbruggingsregeling die voorziet in hetzelfde beschermingsniveau als de vervallen Rijksregels. Voor situaties met 1 of 2 windturbines (geen windturbinepark) blijven de Rijksregels voorlopig gelden, maar voor 3 windturbines of meer (wel windturbinepark) moet het bevoegd gezag voorschriften opnemen in de omgevingsvergunning. Voor het windproject Noordzeeboulevard is er dus niets veranderd. Dit in afwachting van nieuwe Rijksregels die van kracht zullen worden zodra een m.e.r. procedure voor windturbines is doorlopen. Volgens paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit, formeel niet van toepassing, moet voldaan worden aan de norm 47 Lden en 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige objecten zoals woningen, en op de grens van gevoelige terreinen1. De geluidsbelasting door windturbines dient te worden berekend conform de voorschriften in bijlage 4 van de Activiteitenregeling (Ministerie van VROM, 2007b).

Geluidsnormen Lden en Lnight Lden is een rekengrootheid die niet direct kan worden gemeten. Het betreft een ééngetalswaarde, waarbij de gemiddelde geluidsbelasting in de dag- (Lday), avond- (Levening) en nachtperiode (Lnight) met een weegfactor (toeslag) wordt meegenomen. Voor de avond geldt een toeslag van 5 dB en voor de nacht van 10 dB. Wanneer de geluidsemissie in de drie beoordelingsperioden niet of weinig verschilt (zoals bij windturbines), is Lden 6,3 dB hoger dan Lnight. Omdat de normstelling voor Lnight 6 dB lager (47 – 41) is dan die voor Lden, is de norm voor de nacht bij windparken nooit maatgevend2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16850625/2