(bijlage 4) Bijlage 2 - Technisch onderzoek lokale normen low res
Tekst van het document
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 1.2 1.3
2
1
Achtergrond: uitspraak Afdeling Bestuursrecht Raad van State 30 juni 2021 ____________ 1 Aanpak om te komen tot een normstelling ______________________________________ 2 Leeswijzer rapportage ______________________________________________________ 3
Opzet en locatie 2.1 2.2
3
4
Beschrijving locatie ________________________________________________________ 4 Beschrijving omgeving _____________________________________________________ 4
Geluid van windturbines 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
4
8
Inleiding_________________________________________________________________ 8 Achtergrond Europese systematiek geluidsdosismaat L den en Lnight ___________________ 8 Effecten van geluidbelasting ________________________________________________ 10 Alternatieven voor toetsingskader windturbinegeluid _____________________________ 13 Beoordeling van windturbinegeluid ___________________________________________ 14 Lokale situatie in project WP Haringvlietdam ___________________________________ 15
Slagschaduw en lichtschittering van windturbines 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
5
Inleiding________________________________________________________________ 25 Achtergrond: inzichtelijk maken van slagschaduw _______________________________ 25 Beoordelingskader voor slagschaduw ________________________________________ 30 Lokale situatie in project WP Haringvlietdam ___________________________________ 31 Normstelling voor slagschaduw en gevolgen voor windpark ________________________ 37 Lichtschittering __________________________________________________________ 39
Externe veiligheid 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
6
40
Inleiding: plaatsgebonden risico als beoordelingsmaat ____________________________ 40 Achtergrond: veiligheid en kansen ___________________________________________ 40 Rekenmethodiek _________________________________________________________ 42 Resultaten ______________________________________________________________ 44 Interne veiligheid windturbines (bouw- en ontwerpnormen) ________________________ 50
Conclusies en advies 6.1 6.2 6.3 6.4
25
51
Afweging _______________________________________________________________ 51 Geluid _________________________________________________________________ 51 Slagschaduw____________________________________________________________ 52 Externe veiligheid ________________________________________________________ 53
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2 0 | 17-11-2022 Pagina 1 van 2
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Eigenschappen windturbines i.r.t. externe veiligheid en toetspunten Geluidgegevens windturbines Instellingen geluidmitigatie Aantal (ernstig) gehinderden Geluidcontouren Slagschaduwkalenders restaurants Slagschaduwkalenders vakantiepark Slagschaduw voorbeeldgrafieken
55 58 60 61 62 65 68 73
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2 0 | 17-11-2022 Pagina 2 van 2
1 Inleiding 1.1 Achtergrond: uitspraak Afdeling Bestuursrecht Raad van State 30 juni 2021 Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS) een uitspraak gedaan in de zaak Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (DZU) over -samengevat - de vraag of voor het vastleggen van milieunormen voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer een plan-MER-plicht bestaat op grond van de Europese SMB-richtlijn1. De Afdeling is in die uitspraak tot het oordeel gekomen dat op grond van het Europese recht inderdaad een dergelijke beoordeling moet worden gemaakt van de gevolgen voor het milieu. Die beoordeling zal in eerste instantie door het Rijk worden opgesteld. Totdat die beoordeling is gemaakt zijn de windturbinebepalingen (zie Kader 1.2) uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling buiten toepassing. De ABRvS geeft echter ook aan dat in de tussentijd het bevoegd gezag voor een concreet project eigen normen kan stellen ter vervanging van de normstelling uit het Activiteitenbesluit en de -regeling2. Voor Windpark Haringvlietdam (WP Haringvlietdam) loopt momenteel de procedure tot het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan om de windturbines mogelijk te maken.
Ondanks dat de windturbines volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer niet als windturbinepark worden gezien (en er in dat geval in het bestemmingsplan niet meer rechtstreeks mag worden uitgegaan van de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit), is de initiatiefnemer voornemens een lokale, projectspecifieke normstelling voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid aan te vragen. Het bevoegd gezag heeft aangegeven graag een dergelijke norm in het ruimtelijk plan te willen opnemen. De initiatiefnemer van het project – Windpark Haringvliet BV – heeft Pondera Consult gevraagd hiertoe inzichtelijk te maken welke gevolgen het windpark heeft voor de omgeving en welke normstelling op basis van die effecten recht doet aan de belangen van de bescherming van het milieu enerzijds en de realisatie van het project anderzijds. De initiatiefnemer is voornemens op basis van dit onderzoek het bevoegd gezag te verzoeken deze normen vast te leggen in het bestemmingsplan en als voorschrift te verbinden aan de omgevingsvergunning. Voor de besluitvorming geldt dat de te hanteren normen die nu projectspecifiek moeten worden vastgelegd, moeten worden voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. Dit document geeft een onderbouwing voor de vaststelling van dergelijke projectspecifieke normen voor WP Haringvlietdam.
1 2
ECLI:NL:RVS:2021:1395 Overweging 65 uit de uitspraak ECLI:NL:RVS:2021:1395
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 1
Kader 1.1 Bescherming tegen hinder versus ruimtelijke ontwikkelingen: ALARA
Het primaire doel van de Wet milieubeheer (Wm), de bijbehorende uitvoeringsbesluiten en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het beschermen van de leefomgeving tegen onaanvaardbare milieueffecten. Daarbij is het begrip milieu ruim gedefinieerd, maar wordt primair de focus gelegd op gevolgen voor mensen en hun directe leefomgeving. In een dichtbevolkt land waarin veel gebruiksfuncties op een beperkte oppervlakte samenkomen zijn enige gevolgen voor het milieu vaak niet volledig te vermijden. Daarom is het ALARA- (as-low-as-reasonably-achievable) beginsel opgenomen in de zorgplicht in artikel 1.1a Wm:”…een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken” en volgens artikel 2.14 lid 1 c 1° Wabo neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht: “dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast”.
Het doel van het ALARA-beginsel is dan ook een adequaat beschermingsniveau te bieden, waarbij duurzame energie projecten nog kunnen worden gerealiseerd. Die projecten hebben – als onderdeel van de energietransitie - per saldo namelijk positieve effecten, zo stelt het RIVM in het recente rapport: “Klimaatakkoord; effecten op veiligheid, gezondheid en natuur” (2019). Ook als die ontwikkelingen een beperkte, doch aanvaardbare mate van hinder, opleveren voor de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt ook dat - gelet op het ALARA-beginsel - geen nul-hinder als uitgangspunt genomen hoeft te worden (zie o.a. ECLI:NL:RVS:2018:616; ECLI:NL:RVS:2015:1702); ECLI:NL:RVS:2010:BL6187).
1.2 Aanpak om te komen tot een normstelling Als gevolg van de uitspraak van de ABRvS inzake het Activiteitenbesluit en -regeling als kader kan voor een beoordeling van de aanvaardbaarheid van een milieueffect van windturbines niet meer worden verwezen naar de in dit besluit daarover opgenomen normen (de windturbinebepalingen). In onderhavige rapportage is voor de milieuthema’s die eerder genormeerd zijn in het Activiteitenbesluit en -regeling (geluid, slagschaduw, externe veiligheid en lichtschittering): •
inzichtelijk gemaakt welke effecten optreden als gevolg van de exploitatie van de windturbines van WP Haringvlietdam;
•
aangegeven aan de hand van welke criteria en (reken)methodieken deze effecten inzichtelijk zijn gemaakt en beoordeeld;
•
inzichtelijk gemaakt hoe deze effecten zich lokaal manifesteren in het beoogde project en;
•
welke normstelling, rekening houdend met alle relevante aspecten, voldoende bescherming biedt om onaanvaardbare milieugevolgen te voorkomen.
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 2
Kader 1.2 Windturbinebepalingen uit Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling in het kort Milieunormen •
Een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een geluidgezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein, waarbij: o o o
door middel van maatwerkvoorschriften normen met een lagere waarde vastgesteld kunnen worden ten aanzien een van de windturbines of een combinatie van windturbines; bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere lokale omstandigheden normen met een andere waarde vastgesteld kunnen worden; geen rekening gehouden hoeft te worden met een windturbine of een combinatie van windturbines van voor 1 januari 2011.
•
Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voor zover: o de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt, o o
en; gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden, en; voor zover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen zich ramen bevinden.
•
Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar;
•
Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-5 per jaar.
Overige normen •
Een windturbine wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige op het gebied van windturbines.
•
Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering wordt lichtschittering bij het in werking hebben van een windturbine zoveel mogelijk voorkomen of beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen.
•
Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan voldoet een windturbine aan de veiligheidseisen opgenomen in NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2 en NEN-EN-IEC 61400-3.
Voor de behandeling van bovenstaande punten wordt gebruik gemaakt van de actuele stand van wetenschappelijke kennis op de verschillende milieuthema’s.
1.3 Leeswijzer rapportage Dit rapport bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt de locatie van de windturbines en de eigenschappen van de omgeving beschreven. In hoofdstuk 3, 4, en 5wordt per milieuthema (geluid, slagschaduw en lichtschittering en (externe) veiligheid) ingegaan op de beoordeling en normstellingsystematiek en wordt een voorgestelde norm voor het project onderbouwd. In hoofdstuk 6 volgt een conclusie en voorstel voor een norm per milieuthema.
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 3
3 Geluid van windturbines 3.1 Inleiding Net als alle andere mechanische installaties produceren windturbines geluid. Dit geluid wordt deels veroorzaakt door de bewegende onderdelen in de gondel, maar is voornamelijk afkomstig van de bladen die door de lucht ‘zoeven’. Het geluid van windturbines kan als hinderlijk worden ervaren. Net als voor andere geluidbronnen waaronder wegverkeersgeluid, industriegeluid, railverkeer- en luchtvaartgeluid is het wenselijk om normen vast te leggen voor de hoeveelheid geluid die mag optreden op de omgeving teneinde de hinder hiervan te beperken tot een aanvaardbaar niveau. Met het beperken van het geluid tot een aanvaardbaar niveau is tevens sprake van een beperking van gevolgen in het kader van de bescherming van het milieu. Om te komen tot een normstelling speelt het daadwerkelijk optredende geluidniveau, de betreffende omgeving en de hinderlijkheid van het specifieke geluid een rol.
3.2 Achtergrond Europese systematiek geluidsdosismaat Lden en Lnight Volgens richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement dient omgevingsgeluid in alle lidstaten op dezelfde wijze behandeld te worden. De geluidbelasting op geluidbelastingskaarten dient daarbij in decibel (dB) Lden of dB Lnight te worden uitgedrukt. De geluidbelasting in dB Lden wordt ook wel de dag-avond-nachtgeluidbelastingsindicator genoemd. Lden is een berekend gewogen jaargemiddelde van de geluidbelasting tijdens de dag-, de avond- en de nachtperiode. De avond- en nachtperiode krijgen een opslag van respectievelijk +5 en +10 omdat in deze periode geluid hinderlijker wordt ervaren en deze periodes worden derhalve zwaarder meegewogen. De geluidbelasting in dB Lnight is de nacht-geluidbelastingsindicator. Voor het bepalen van de hinder wordt primair gebruik gemaakt van Lden. Lnight wordt gebruikt om effecten die kunnen leiden tot slaapverstoring inzichtelijk te maken. Voor bijzondere geluidbelasting situaties zijn aanvullende indicatoren tevens mogelijk. Redenen hiervoor kunnen bijvoorbeeld zijn: •
Combinatie van geluid uit verschillende bronnen;
•
Relatief stille zones in het buitengebied;
•
De lage frequentiecomponent (LFG) van het geluid is sterk;
Windturbinegeluid is, ten opzichte van andere geluidbronnen, relatief constant van karakter. De maximale optredende geluidniveaus die door een windturbine worden veroorzaakt zijn circa 2-4 dB(A) hoger dan de waarde van het optredende jaargemiddelde geluidniveau van een windturbine 4. Dit betekent dat er in vergelijking met andere geluidbronnen relatief weinig verschil is tussen het gemiddelde geluidniveau en het momentaan optredende geluidniveau. Bij een geluidbelasting van 47 dB L den op een punt is het daadwerkelijk optredende gemiddelde geluidniveau5 op de gevel (bij maximale geluidproductie van de windturbine, wanneer het hard waait) circa 43-45 dB(A). De hoeveelheid geluid die een windturbine produceert is afhankelijk van het geluidsbronvermogen van de windturbine. Het geluid van een windturbine kan desgewenst worden beperkt door toepassing van een voorziening op de bladen of door het vermogen te reduceren. Dit laatste leidt tot verlies van energieproductie. De hoeveelheid geluid heeft tevens een rechtstreeks verband met de optredende windsnelheid. Tot een bepaalde windsnelheid neemt de geluidsproductie toe, vanaf deze specifieke windsnelheid blijft de geluidsproductie gelijk. De windsnelheid is door het KNMI voor geheel Nederland op Nederlandse geluidsnormen in internationaal perspectief, E.
Koppen, Arcadis, Windnieuws nr 4 2015 De daadwerkelijk ervaren geluidniveaus zijn lager dan het gewogen Lden gemiddelde omdat de gewogen Lden waarde strafcorrecties heeft voor geluid in de avond en de nacht. 4 5
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 8
ashoogtes tussen 10 en 260 meter boven het maaiveld de windverdelingen beschikbaar gesteld. Met deze verdelingen kan een goede voorspelling per beoordelingsperiode worden gegeven van de te verwachten geluidbelasting op de omgeving. Gezien het constante karakter van windturbinegeluid (de verschillen tussen dag-, avond- en nachtperiode zijn beperkt) is er op zichzelf geen aanleiding een Lnight normering te stellen aanvullend op een Ldennormering. Bij constante geluidniveaus bedraagt het verschil tussen de geluidbelasting in dB L den en dB Lnight circa 6 dB en biedt een aparte norm voor Lnight geen extra bescherming, tenzij deze 7 dB of meer lager is dan de Lden-normering. Daarnaast kan er op basis van onderzoeken nog geen conclusie worden getrokken over de samenhang tussen geluid van windturbines en slaapverstoring 6. De WHO geeft in haar rapport van 2018 dan ook geen advies over een Lnight-norm voor windturbines. Kader 3.1 Laagfrequent geluid en infrageluid Een terugkerend thema in de discussie rond de normen voor windturbinegeluid is laagfrequent geluid (LFG) en infrageluid. Dit betreft geluidemissie in het spectrum beneden de circa 100 Hz (laagfrequent) en beneden de 20 Hz (infrasoon).
In het kennisbericht geluid van Windturbines (2015) is het volgende opgenomen: “Omwonenden zijn bezorgd dat door een toename van de hoogte van windturbines meer laagfrequent geluid zal ontstaan. Op basis van metingen wordt dit verschil echter gering geacht. Daarnaast wordt de nadruk op het laagfrequente aandeel onterecht genoemd omdat het normaal geaccepteerde geluid van wegverkeer meer laagfrequent geluid bevat dan wat wettelijk is toegestaan bij windturbines.” Windturbines produceren geluid over het hele spectrum van lage en hoge tonen, net als andere geluidbronnen. Wanneer gekeken wordt naar de spectrale verdeling van de geluidemissie van windturbines is er geen sprake van een specifiek groot aandeel in de frequenties beneden de 100 Hz. Dit aandeel is bij moderne grote windturbines (circa 250 meter tiphoogte) niet significant anders dan ten tijde van het opstellen van het kennisbericht en in het verleden bij windturbines van voor deze datum. Ook het RIVM stelt in haar recente literatuurstudie uit 2020 dat laagfrequent geluid en infrageluid van windturbines niet voor andere effecten zorgt dan ‘normaal’ geluid. Er ontbreekt bewijs dat laagfrequent geluid en infrageluid ver onder de gehoordrempel tot enig effect kan leiden.
Bij blootstelling aan windturbinegeluid vormt voornamelijk het geluidniveau en de amplitudemodulatie van het algehele windturbinegeluid de oorzaak van de hinder. Met
amplitudemodulatie wordt het ritmisch variëren van de sterkte van het geluid van windturbines door het draaien van de wieken bedoeld. De frequentie van de amplitudemodulatie is bij grotere turbines kleiner en is daarmee minder hinderlijk. Kortom: het aandeel laagfrequent geluid is niet onevenredig groot bij windturbines (in tegenstelling tot bijvoorbeeld compressoren of transformatoren), het aandeel LFG is niet significant toegenomen met het formaat van de windturbine en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat specifiek LFG en infrageluid een effect op de volksgezondheid veroorzaken of tot additionele hinder leiden ten opzichte van dat wat reeds wordt beoordeeld. Het specifiek toevoegen van een norm voor LFG van windturbines leidt daarmee niet tot een betere beoordeling van de optredende effecten van geluid. Daarom volstaat het hanteren van een Lden en eventueel een Lnight norm. In dit onderzoek is ervoor gekozen om desondanks specifiek de laagfrequente geluidbelasting inzichtelijk te maken aan de hand van de Vercammen-curve methode. In paragraaf 3.6.6 is dit verder uitgewerkt.
6
Factsheet gezondheidseffecten van windturbinegeluid, RIVM, augustus 2021 Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 9
3.3 Effecten van geluidbelasting 3.3.1 Inleiding Blootstelling aan geluid kan leiden tot hinder of stress gerelateerde klachten. Met name in de nachtperiode, wanneer dit kan leiden tot slaapverstoring. Een recent literatuuronderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)7 concludeert hierover specifiek voor windturbines dat “wonen in de buurt van een windturbine of het horen van geluid van windturbines kan leiden tot chronische hinder onder omwonenden”. Voor andere gezondheidseffecten (slapeloosheid en geestelijke gezondheidseffecten) ontbreekt consistent bewijs. Onderzoek van Hongisto et al8 toonde aan dat voor geluidbelastingen tot 40 dB LA,eq de mate van ernstige hinder van een vergelijkbaar geluidniveau van windturbines tussen de 3 en 5 megawatt (hierna: MW) opgesteld vermogen overeenkomt met die van kleinere windturbines (0,15 – 3 MW)9. Daarmee is er geen aanleiding dat met het toenemen van het vermogen en omvang van windturbines een andere mate van hinder zou optreden bij dezelfde geluidniveaus. In 2018 heeft de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) een rapport uitgebracht ten aanzien van geluidrichtlijnen voor verschillende geluidbronnen binnen de Europese Unie 10. In aansluiting op de bevindingen van het RIVM volgt uit dit rapport ook dat er geen andere gezondheidseffecten dan hinder optreden als gevolg van de aanwezigheid van windturbinegeluid.
Op basis van diverse onderzoeken wordt gesteld dat op basis van een geluidniveau van 45 dB Lden ongeveer 10% van de omwonenden ernstige hinder buitenshuis ervaart. Het bewijs hiervoor wordt echter aangemerkt als van lage kwaliteit. Er wordt geen percentage binnenshuis genoemd, noch wordt aangegeven welke percentages verwacht worden bij andere geluidbelastingen. Omdat de kwaliteit van dit bewijs als laag wordt beschouwd, is het advies wat hieruit voortkomt, door de WHO, aangeduid als voorwaardelijk (conditional)11. Zie ook kader 2.2. In het rapport wordt verder opgemerkt dat effecten veroorzaakt door de houding tegenover windturbines moeilijk zijn los te koppelen van de beleving van geluid, dat het percentage van de bevolking dat wordt gehinderd door windturbinegeluid beperkt is ten opzichte van gehinderden door andere geluidbronnen en dat wordt verwacht dat zorg voor communicatie, betrokkenheid en raadpleging van omwonenden tijdens het planningsproces een positieve invloed kan hebben op de beleving van de milieueffecten van windturbines.
RIVM-rapport 2020-0214, Gezondheidseffecten van windturbinegeluid, I. van Kamp & G.P. van den Berg Hongisto, V., Oliva, D., & Keränen, J. (2017). Indoor noise annoyance due to 3–5 megawatt wind turbines—An exposure–response relationship. The Journal of the Acoustical Society of America, 142(4), 2185-2196 9 Vanwege het gebrek aan hoeveelheid data van hogere geluidniveaus kan dit voor geluidniveaus boven 40 dB LA,eq niet worden bevestigd of ontkend. 10 Environmental Noise Guidelines for the European Region, WHO, 2018, 11 In tegenstelling tot andere geluidbronnen, zoals wegverkeer, railverkeer en luchtvaart; voor deze bronnen is een veel sterker bewijs gevonden voor hinder en wordt de aanbevolen maximale geluidbelasting ‘sterk aanbevolen’ (strong recommendation) 7 8
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 10
Kader 3.2 WHO advies en RIVM review De WHO heeft in 2018 een advies richtlijnen gepubliceerd voor milieugeluid, waaronder windturbinegeluid. Op basis van wetenschappelijk onderzoek naar blootstellingseffectrelaties adviseert de WHO een voorlopige drempelwaarde van 45 dB Lden. De blootstellingseffectrelaties zijn door de WHO bepaald op basis van wetenschappelijk onderzoek tot en met eind 2014. Gezondheidseffecten worden bij deze waarde, maar ook bij hogere waarden, niet verwacht. Voor gezondheidseffecten vanwege windturbinegeluid werd op basis van het onderzoek geconcludeerd dat (i) er nog onvoldoende bewijs bestaat, (ii) het bewijsmateriaal van lage kwaliteit is en (iii) hierdoor geen betrouwbare algemene blootstelling-effectrelatie kan worden vastgesteld. Desondanks heeft de WHO een conditioneel advies met drempelwaarde uitgebracht. Het RIVM constateert in haar recente update van onderzoek naar gezondheidseffecten van windturbinegeluid “Health effects related to wind turbine sound: an update” (november 2020) het volgende: “Bij de voor de WHO uitgevoerde review van Guski et al (2017) werd gekeken naar studies die tot aan eind 2014 waren gepubliceerd. In hun literatuuronderzoek hebben Van Kamp et al (2020a, 2020b) een update gegeven van de WHO-review op basis van publicaties die waren verschenen tot aan eind 2019.
Hierin kwamen 9 nieuwe publicaties over windturbinegeluid en hinder naar voren (die betrekking hadden op 5 onderzoeken) die aan de inclusiecriteria voldeden. Enkele van deze onderzoeken waren al besproken in onze review uit 2017.” Samengevat: de door de WHO gestelde voorlopige drempelwaarde is gebaseerd op het bewijsmateriaal van lage kwaliteit (beperkt en tot eind 2014) en niet alle actuele onderzoeken zijn meegenomen. Het RIVM heeft geconcludeerd dat er geen nieuwe informatie naar voren is gekomen uit latere onderzoeken die tot inzichten hebben geleid die tot andere conclusies zouden leiden.
3.3.2 Hinderlijkheid van windturbinegeluid Dosis-hinder relatie voor windturbinegeluid In de literatuur zijn twee dosishinderrelaties gevonden die de geluidbelasting in dB L den relateren aan een percentage personen dat ernstige hinder ondervindt. Deze twee relaties zijn ook beschreven in het WHOrapport uit 2018 (zie ook kader 2.1), Janssen12 et al uit 2011 en Kuwano13 et al uit 2014. De dosishinderrelatie van Janssen et al uit 2011 is dezelfde als het TNO-rapport uit 200814 en is vastgesteld voor zowel hinder als ernstige hinder binnenshuis als buitenshuis. Tot op heden is deze dosishinderrelatie de enige die de ernstige hinder15 binnenshuis beschrijft. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de dosishinderrelatie bij modernere windturbines is veranderd. De dosishinderrelatie uit Kuwano et al, 2014 is gegeven voor de situatie “here at home”, wat door de WHO wordt geassocieerd met (ernstige) hinder buitenshuis1617. In onderstaande grafiek zijn de dosishinderrelaties (ernstige hinder, binnenshuis en
Janssen SA, Vos H, Eisses AR, Pedersen E (2011). A comparison between exposure–response relationships for wind turbine annoyance and annoyance due to other noise sources. J Acoust Soc Am. 130(6):3746–53 13 Kuwano S, Yano T, Kageyama T, Sueoka S, Tachibanae H (2014). Social survey on wind turbine noise in Japan. Noise Control Eng J. 62(6):503–20 14 S.A. Janssen, H. Vos en A.R. Eisses, TMP-rapport, Hinder door geluid van windturbines: Dosis—effectrelaties op basis van Nederlandse en Zweedse gegevens, 2008-D-R1051/B 15 Volgens het TNO-rapport: “De verdeling van de hinderscores bij een gegeven geluidsniveau kan op verschillende manieren worden weergegeven. Vaak wordt het percentage antwoorden dat een zekere grens overschrijdt gerapporteerd. Als de grens 72 is op een 0-100 schaal, wordt het resultaat het percentage “ernstig gehinderde” personen (%HA: % Highly Annoyed) genoemd, de grens van 50 geeft het percentage “gehinderde” personen (%A: % Annoyed).” 16 Guski et al, 2017, Int. J. Environ. Res. Public Health 2017,: WHO Environmental Noise Guidelines for the European Region: A Systematic Review on Environmental Noise and Annoyance, 1539; doi:10.3390/ijerph14121539 17 Guski, R., Schreckenberg, D., & Schuemer, R. (2017). Supplementary Materials: WHO Environmental Noise Guidelines for the European Region: A Systematic Review on Environmental Noise and Annoyance. Int. J. Environ. Res.
Public Health, 14. https://www.mdpi.com/1660-4601/14/12/1539/s1 12
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 11
3.5 Beoordeling van windturbinegeluid Toepassing rekenmethodiek Om de geluidbelasting te berekenen is een rekenmethodiek vereist die rekening houdt met de specifieke eigenschappen van windturbinegeluid. De bijlage meten en rekenen uit de Activiteitenregeling Milieubeheer is specifieke opgesteld voor het berekenen van windturbinegeluid. De overdrachtsberekeningen van deze rekenmethode zijn integraal overgenomen van de ”Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai“ (HMRI), uitgave 1999 van het Ministerie van VROM, methode II.8. Het HMRI is op zijn beurt op vele fronten vergelijkbaar22 met ISO 9613-2, de volgens de EU-richtlijn aanbevolen methode voor overdrachtsberekeningen voor industriegeluid (windturbinegeluid wordt niet genoemd in de EU-richtlijn). Het Reken- en meetvoorschrift windturbines is gebaseerd op het HMRI, maar is aangevuld met onderdelen die specifiek voor windturbines van belang zijn. Zo komt de beschreven methode om geluidbronmetingen uit te voeren grotendeels overeen met de methode die in IEC 61400-11 wordt beschreven. Daarnaast worden, om de jaargemiddelde geluidemissie van een windturbine te bepalen, windsnelheidsverdelingen beschikbaar gesteld23 op ashoogtes tussen 10 en 260 meter. De betreffende bijlage is daarmee de best beschikbare methode voor het bepalen van windturbinegeluid.
Het windturbinegeluid is berekend met het rekenprogramma Geomilieu® versie 5.21, module IL-WT. Dit rekenprogramma volgt het Reken- en meetvoorschrift windturbines24. Bij de beoordeling van geluid wordt primair gekeken naar de effecten op geluidgevoelige objecten zoals die zijn gedefinieerd in artikel 1 van de Wet geluidhinder, echter in dit onderzoek is ook breder in beeld gebracht welke gevolgen windturbinegeluid voor de omgeving heeft. Op basis van voorgenoemde redenen wordt het Reken- en meetvoorschrift windturbines toepasbaar geacht om geluidberekeningen uit te voeren voor windturbinegeluid. De methodiek in het Reken- en meetvoorschrift is de best beschikbare methode waarmee de gevolgen voor het milieu inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Kader 3.3 Invloed luchtvochtigheid op geluidbelasting
Een hogere luchtvochtigheid leidt tot een lagere absorptie en daarmee hogere geluidniveaus. In het Reken- en meetvoorschrift windturbines wordt gebruikt gemaakt van dezelfde meteorologische omstandigheden als die van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai (HMRI), hetgeen betekent een relatieve luchtvochtigheid van 80% en een temperatuur van 10 graden Celsius. De langjaargemiddelde luchtvochtigheid bij het dichtstbij gelegen KNMI meteostation Hoek van Holland bedraagt 80,8%, wat dus nagenoeg gelijk is aan de standaard luchtvochtigheid waar in de berekeningen van uit wordt gegaan. Enkele controleberekeningen met het rekenprogramma Geomilieu hebben aangetoond dat het verhogen of verlagen van deze relatieve luchtvochtigheid met 10% leidt tot circa 0,05 dB respectievelijk hogere of lagere geluidniveaus. Gezien de het geringe verschil tussen de langjaargemiddelde luchtvochtigheid bij KNMI meteostation Hoek van Holland en de uitgangspunten in de HMRI / het Reken- en meetvoorschrift windturbines en de geringe invloed op de geluidniveaus worden de standaard uitgangspunten als juist verondersteld.
CNOSSOS and industrial noise, R. Witte, DGMR, Euronoise 2018 23 https://rekentool.mp.nl/informatie.php 24 Bijlage 4 bij Activiteitenregeling milieubeheer, https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022830&bijlage=4&z=202007-08&g=2020-07-08 22
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 14
Rekenmodel Er is gebruik gemaakt van een akoestisch rekenmodel in Geomilieu® versie 5.21. Dit betreft het rekenmodel dat voor de vergunningaanvraag is gebruikt. Dit rekenmodel bevat informatie over de bodemgebieden voor het berekenen van de geluidoverdracht en toetspunten ter plaatse van gevoelige objecten zoals gedefinieerd in de wet geluidhinder. De modellering en de overdrachtsberekening zijn uitgevoerd conform het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Voor meer informatie over de invoergegevens van het rekenmodel wordt verwezen naar het Akoestisch onderzoek WP Haringvlietdam25.
3.6 Lokale situatie in project WP Haringvlietdam 3.6.1 Reeds uitgevoerde onderzoeken In het kader van de vergunningaanvraag voor WP Haringvlietdam is reeds een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is de omgeving in kaart gebracht in een akoestisch model en is inzichtelijk gemaakt welke geluidbelasting te verwachten is op de omgeving. In dit rapport is vervolgens getoetst aan de destijds nog geldende normstelling van Lden 47 dB en Lnight 41 dB.
3.6.2 Referentiesituatie In de referentiesituatie zijn er de zes bestaande windturbines op de Haringvlietdam. Deze zullen voor de realisatie van WP Haringvlietdam (de twee nieuwe windturbines) moeten worden gesaneerd. Voor het in beeld brengen van de effecten van de nieuwe windturbines wordt in dit onderzoek dus uitgegaan van de situatie waarbij de bestaande windturbines zijn gesaneerd en er twee nieuwe windturbines worden gerealiseerd.
3.6.3 Gevolgen WP Haringvlietdam Uitgangspunten berekening Bij het bepalen van de gevolgen is gekeken naar geluidgevoelige objecten die een geluidbelasting ervaren van 37 dB Lden of meer op basis van het eerder doorgerekende (luide) windturbinetype van WP Haringvlietdam (Nordex N163-5.X zonder serrated edges). Volgens het TNO-rapport is het percentage ernstig gehinderden bij een geluidbelasting lager dan 37 dB L den nog slechts 0,5%. Dit wordt derhalve als zeker aanvaardbaar beschouwd (zie Kader 1.1). Bovendien zijn de daadwerkelijk optredende geluidniveaus in dB(A) binnenshuis bij een geluidbelasting op de buitengevel van L den 37 dB zodanig laag (uitgaande van een gevelwering van 15-20 dB(A)) dat deze niet meer redelijkerwijs waarneembaar zijn en daarmee geen relevante bijdrage aan de akoestische kwaliteit van de omgeving meer opleveren. Het doorgerekende windturbinetype voor de vergunningaanvraag betreft een zeer luid windturbinetype om de maximale effecten inzichtelijk te maken. In het plangebied en de omgeving zijn de gevoelige objecten bepaald als gedefinieerd in de Wet geluidhinder waarbij de geluidbelasting als gevolg van WP Haringvlietdam 37 dB Lden of meer bedraagt (het onderzoeksgebied). In dit onderzoeksgebied bevinden zich 105 woningen. Tevens bevindt zich een camping (Molecaten Park Rondeweibos) binnen het onderzoeksgebied.
Hoewel campings niet worden beschermd tegen andersoortige geluidbronnen volgens de Wet geluidhinder, is ervoor gekozen om de geluidbelasting ter plaatse van de camping wel inzichtelijk te maken.
25. 20210625 720128 AS WP Haringvliet v4.0, Pondera Consult Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 15
4 Slagschaduw en lichtschittering van windturbines 4.1 Inleiding De draaiende rotorbladen van windturbines kunnen een bewegende schaduw op hun omgeving werpen op het moment dat de zon schijnt. Deze zogenaamde ‘slagschaduw’ kan onder bepaalde omstandigheden als hinderlijk worden ervaren door personen in de omgeving. Daarnaast kan (zon)licht reflecteren van onderdelen van de windturbine, dit wordt ‘lichtschittering’ genoemd. Beide fenomenen kunnen zich alleen voordoen indien er sprake is van zonneschijn. In bewolkte weersomstandigheden treden deze effecten niet op. De impact van slagschaduw op de omgeving verschilt sterk, afhankelijk van de locatie van de windturbine, de locatie van de plek waar een waarnemer verblijft, de afmetingen van de windturbine en de windrichting en zonneschijnduur.
4.2 Achtergrond: inzichtelijk maken van slagschaduw 4.2.1 Wanneer is sprake van slagschaduw? Om te kunnen spreken van slagschaduw(hinder) op de omgeving moet aan een paar voorwaarden worden voldaan: 1.
er is sprake van een minimale afdekking van de lichtbron (in dit geval de zon) van 20% van het oppervlak van bron (zie figuur 3.1). Indien dit minder is, zal zoveel licht rond het object – in dit geval het windturbineblad - buigen dat van een effectieve schaduw geen sprake is. Hoe kleiner de afdekking, hoe ‘diffuser’ de schaduw38;
Figuur 4.1 Minimale afdekking als voorwaarde voor optreden ‘schaduw’
De afstand waarbij 20% afscherming van de zon optreedt kan berekend worden met: Max. distance = (5*w*150.000.000) / 1.097.780 waarbij w staat voor de gemiddelde dikte van een rotorblad gebaseerd op de maximale dikte en de dikte op 90% rotorbladlengte. Alternatief kan ook = w / bgtan( (0,2*π*(0,531/2)^2)/0,531) gebruikt worden. 38
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 25
2.
Er moet sprake zijn van een minimale stralingsintensiteit van 120 Watt/m2 om het voor een
3.
hinderervaring benodigde contrast (schaduw) te kunnen laten optreden39; De windturbine moet in bedrijf zijn (draaien) om te kunnen spreken van hinderlijke slagschaduw;
4.
Er dient sprake te zijn van een ruimte met een beperkt aantal lichtbronnen die significant kunnen worden afgeschermd door een bewegende slagschaduw. De ervaring van een bewegende schaduw
5.
in de buitenruimte wordt niet als hinderlijk ervaren. De schaduw moet daadwerkelijk de gevel van het gevoelige object kunnen bereiken en dus niet afgeschermd worden door obstakels zoals gebouwen of bomen (‘line of sight’).
4.2.2 Wanneer is een object of terrein ‘slagschaduwgevoelig’? Niet op alle plekken waar slagschaduw theoretisch kan optreden is er sprake van een milieu- of hindereffect. In een weiland of op open water, waar geen of zeer weinig mensen aanwezig (kunnen) zijn leidt de slagschaduw immers niet tot een waarneembare hinder. In zoverre is dit vergelijkbaar met geluid, waar de beoordeling plaatsvindt op geluidgevoelige objecten (zie 3.5). Voor slagschaduw is er echter aanleiding dit te verfijnen, omdat er ook verschillen bestaan tussen de effecten van geluid en slagschaduw. Bijvoorbeeld in een gebouw zonder ramen in de gevel in de richting van de windturbine kan geluid nog steeds een effect veroorzaken, echter een effect van slagschaduw is per definitie uitgesloten omdat er geen licht door een dichte gevel kan dringen. Ook kan afscherming door bijvoorbeeld beplanting of bebouwing ervoor zorgen dat er geen schaduw op kan treden. Het Activiteitenbesluit gaat ervan uit dat een slagschaduwgevoelig object hetzelfde is als een geluidgevoelig object, conform art.1 van de Wet geluidhinder. In de praktijk blijkt echter dat dit niet helemaal toereikend is. Voor de definitie van een slagschaduwgevoelig object of terrein maken we in dit onderzoek daarom onderscheid tussen objecten of terreinen bedoelt voor permanent verblijf van personen (o.a.
woningen) en objecten of terreinen waar gedurende een langere tijdsduur (bijvoorbeeld een werkdag) mensen aanwezig zijn, maar niet permanent wonen. Daarvoor hanteren we de volgende definities: Een slagschaduwgevoelig object of terrein: Ieder object bedoeld voor bewoning of anderszins voor permanent verblijf van personen (woningen, woonboten of woonwagens en zorginstellingen) en voor zover de gevel of het dakvlak voorzien is van één of meerdere lichtdoorlatende vlakken in de richting van de windturbine(s). Overige slagschaduwgevoelige objecten of terreinen: Overige objecten of terreinen voor zover personen in een ruimte binnen dit object of op dit terrein gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven tijdens de daglichtperiode, en voor zover dit een gebouw of bouwwerk betreft, de gevel of het dakvlak voorzien is van één of meerdere lichtdoorlatende vlakken in de richting van de windturbine(s). Voorbeelden van overige slagschaduwgevoelige objecten (anders dan woningen en zorginstellingen) zijn dan onder andere: scholen, kantoorgebouwen, horecagelegenheden en kampeerterreinen. Een stal, opslagloods, landbouwgrond, sportveld of parkeerterrein zijn voorbeelden van niet-slagschaduwgevoelige objecten of terreinen.
Voor zover slechts een deel van een object als slagschaduwgevoelig kan worden aangemerkt (bijvoorbeeld een bedrijfspand met bijbehorend kantoorgedeelte), hoeft alleen dat deel als slagschaduwgevoelig te worden beschouwd. World Meteorological Organization, 2021; Chapter 8 Measurement of sunshine duration: https://library.wmo.int/doc_num.php?explnum_id=3154 39
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 26
Kader 4.1 Slagschaduwgevoeligheid terrassen en balkons (buitenruimte) Bescherming is primair gericht op locaties waar personen gedurende langere tijd verblijven. Daarom zijn onder andere woningen en zorginstellingen als slagschaduwgevoelig aangemerkt. Buitenruimte behorende bij deze gebouwen (zoals terrassen of balkons) is niet afzonderlijk als slagschaduwgevoelig aangemerkt. Reden hiervoor is tweeledig: enerzijds is het voor een persoon die zich in een binnenruimte bevindt waarop slagschaduw optreedt niet eenvoudig mogelijk om naar een andere plek te vertrekken om daarmee de schaduwhinder te voorkomen. Dat is in de buitenruimte wel eenvoudig(er) mogelijk. Bovendien is buiten het aanwezige licht per definitie afkomstig van een grote hoeveelheid bronnen (reflecties, omgevingslicht) waardoor de hinderlijkheid van de slagschaduw in een buitenruimte zeer beperkt is. Anderzijds wordt door het gebouw zelf te beschermen tegen eventuele hinder de aangrenzende buitenruimte in de nabijheid van een gebouw al automatisch meegenomen in een groot deel van de stilstandvoorziening. De schaduw zal in de praktijk namelijk verplaatsen en dus niet alleen op het gebouw of alleen op de aangrenzende buitenruimte plaatsvinden, maar vrijwel altijd in combinatie. Er is daarom geen reden om de buitenruimte rondom een slagschaduwgevoelig object als afzonderlijk schaduwgevoelig aan te merken.
4.2.3 Hinderlijkheid van slagschaduw Gevolgen van slagschaduw Het menselijk oog is gevoelig voor optredende verschillen tussen licht en donker en voor snelle bewegingen. Dit trekt aandacht en leidt af, waardoor dit als hinderlijk kan worden ervaren door de waarnemer. De mate van hinder van een passerende schaduw wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Uit onderzoek dat in 1999 in Duitsland is verricht blijkt dat omwonenden van windturbines die een netto slagschaduwduur van meer dan 15 uur per jaar ervaren een hogere mate van dagelijkse hinder ervaren in hun leefomgeving40. Herhaaldelijke of langdurige blootstelling hieraan kan bovendien leiden tot stress en concentratieverlies. Onderzoekers van de Universiteit van Kiel vonden in dezelfde laboratoriumstudie een duidelijke relatie tussen blootstellingsduur aan slagschaduw en de ervaren hinder voor de testpersonen. Uit het laboratoriumonderzoek komt specifiek naar voren dat in de eerste 20 minuten dat contrastrijke slagschaduw optreedt een fysieke reactie worden veroorzaakt, die bij langere blootstelling daarna door het lichaam wordt gecompenseerd. De onderzoekers hebben aanbevolen de slagschaduwduur te beperken om effecten op langere termijn te voorkomen vanwege de energie die deze compensatie kost.
Bij frequenties hoger dan 2,5 Hz (aantal passeringen per seconde) kan als gevolg daarvan sprake zijn een fysiologisch effect in de vorm van een kans op een epileptische aanval bij personen die gevoelig zijn voor licht41. Bij grote moderne windturbines treedt dit niet op aangezien de frequentie veel lager dan 2,5 Hz (veelal beneden de 1 Hz) is, omdat de rotorbladen relatief weinig omwentelingen per minuut maken. Er is geen bewijs gevonden dat directe blootstelling aan slagschaduw bij frequenties beneden de 2,5 Hz an sich gezondheidseffecten veroorzaakt. In de periode sinds dit onderzoek zijn in Europa vele duizenden windturbines gerealiseerd waaruit geen wetenschappelijk vastgestelde gevallen van gezondheidseffecten als gevolg van slagschaduw bekend zijn en er zijn ook geen andere onderzoeken gepubliceerd die een andere conclusie geven op dit punt. Directe gevolgen voor de gezondheid als gevolg van blootstelling aan slagschaduw – mits frequenties beneden 2,5 Hz blijven - zijn daarmee niet aannemelijk. Slagschaduw wordt echter wel als hinderlijk beschouwd en dit is aanleiding de slagschaduw te normeren.
40 41
Pohl, J, Faul, F, & Mausfeld, R; Belästigung durch periodischen schattenwurf von Windenergieanlagen, 1999. Parsons Brinckerhoff, 2006; Update of UK Shadow flicker Evidence Base Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 27
het algemeen snel optreden. Door de afstand waarop slagschaduw wordt beoordeeld te begrenzen is echter al deels rekening gehouden met dit effect. Voor windpark Haringvlietdam speelt dit bijvoorbeeld een rol bij de woningen aan de Duinweg, waar direct aan de overzijde van de weg een bosgebied ligt en er sprake is van een hoogteverschil (de woningen liggen iets lager, achter het duingebied). Figuur 4.3 Afscherming effect
4.4 Lokale situatie in project WP Haringvlietdam 4.4.1 Onderzoeksopzet De slagschaduwberekeningen zijn uitgevoerd met het softwareprogramma windPRO versie 3.5.55249. Voor de windturbines van WP Haringvlietdam is uitgegaan van fictieve windturbines met een rotordiameter van 165 m op een ashoogte van 117,5 m (worst case). De tiphoogte bedraagt 200 m. Met een maximale rotatiesnelheid van 9,350 is de frequentie van slagschaduw (lichtflikkering) maximaal 0,5 Hz. Voor de slagschaduwberekeningen is de slagschaduw meegenomen die optreedt bij een zonnestand van minimaal 5 graden boven de horizon. Dit betekent dat resultaten met een zonnestand onder de 5 graden niet worden opgenomen in de beoordeling. De achterliggende argumentatie is dat de schaduweffecten onder deze zonnestand te veel gereduceerd zijn om hinderlijke effecten te veroorzaken. Er zijn vier redenen waarom slagschaduweffect bij zonnestanden onder de 5 graden een beperkte vorm van slagschaduw veroorzaken: •
Schaduwafstand bij laagstaande zon (zie paragraaf 4.2.3);
•
Slagschaduwcontrast door percentuele afdekking van de zon (zie paragraaf 4.3);
•
Intensiteit van de zon bij lage zonnestanden; o Bij lage zonnestanden is de instralingsintensiteit veelal zodanig laag dat er geen sprake is van een contrastrijke slagschaduw.
Dit programma wordt wereldwijd gehanteerd voor slagschaduwberekeningen en bevat een nauwkeurig model voor het voorspellen van de optredende slagschaduw, gebaseerd op de baan van de aarde om de zon, de locatie van de windturbines (op coördinaat niveau) ten opzichte van de slagschaduwgevoelige objecten en langjarige weerdata. 50 Op basis van de Vestas V162-6.0MW: RPM Curves EnVentus™ V162-6.0 MW 50/60 Hz, Document no.: 0098-0873 V00, 2020-10-08. 49
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 31
•
Invloed van obstakels bij lagere zonnestanden (zie paragraaf 4.3).
Bij de beoordeling van slagschaduwhinder ter plaatse van toetspunten wordt uitgegaan van de worst-case aanname dat de gehele gevel van een woning boven een hoogte van 50 cm uit lichtdoorlatend materiaal (glas) bestaat. Daarbij is aangenomen dat de gevelhoogte bij woningen 5 meter bedraagt en voor de geprojecteerde breedte van het gevelvlak is 8 meter aangehouden. Woningen worden gezien als ‘slagschaduwgevoelige objecten’. De overige slagschaduwgevoelige objecten zijn gebaseerd op de data beschikbaar in de BAG-database. Voor deze toetspunten zijn dezelfde uitgangspunten in de modellering gehanteerd als voor de woningen. Naast het verschil in fysieke dimensies tussen woningen en overige slagschaduwgevoelige objecten, verschillen deze objecten ook wat betreft de mate van bescherming die benodigd is. Aangezien de werkzaamheden en bezetting bij restaurant en logies tijds- en/of seizoensgebonden zijn, kunnen de momenten van de dag en periode in het jaar worden beschouwd om te bepalen wanneer veroorzaakte slagschaduw op dergelijke locaties als hinderlijk ervaren kan worden. Gezien de tijds- en seizoensgebonden functie kan de totale aanvaardbare slagschaduw per jaar op dergelijke objecten anders zijn dan op een woning. De berekende slagschaduwduren zijn gegeven in netto gemiddelde slagschaduwduur per jaar.
Voor de meteocorrecties (zonneschijn en windrichting) wordt gebruik gemaakt van gegevens van het nabijgelegen KNMI-meteostation Hoek van Holland.
4.4.2 Referentiesituatie De bestaande zes windturbines van Haringvlietdam worden vervangen door de twee nieuw op te richten windturbines. Er is in de bestaande situatie weliswaar sprake van enige slagschaduw, echter gezien de afmetingen van de bestaande windturbines reikt deze schaduw niet tot nabijgelegen gevoelige objecten.
4.4.3 Resultaten berekeningen WP Haringvlietdam Het gebied waarin slagschaduw veroorzaakt door WP Haringvlietdam als hinderlijk waarneembaar kan zijn, ligt binnen een afstand van 2.050 meter (uitgaande van een V162-5.6MW windturbine51). In totaal liggen in dit gebied 292 objecten die als slagschaduwgevoelig worden aangemerkt (woningen). Binnen een afstand van 2.050 meter liggen 379 overig slagschaduwgevoelige objecten of terreinen. Hiervan zijn zes objecten een horeca bedrijf. Twee hiervan, namelijk Restaurant De Houten Paardjes en Zoet of Zout, bevinden zich buiten het slagschaduwgebied en zullen dus geen slagschaduw ontvangen van de windturbines. De andere vier horeca bedrijven, namelijk Boelies, Shamrock Inn, Restaurant Duinhoek en Friends ’n Bites, bevinden zich wel in het slagschaduwgebied van de windturbines. Hierbij zijn restaurant Duinhoek en Friends ’n Bites gelegen op het terrein van de recreatieverblijven Europarcs Resort Poort en Citta Romana. Voor deze vier horeca bedrijven worden de slagschaduwduren apart inzichtelijk gemaakt, gezien de tijds- en seizoensgebonden functie van deze objecten. Tevens is het vakantiepark Rondeweibos gelegen in het onderzoeksgebied van de windturbines (in het totale aantal overig slagschaduwgevoelige objecten is deze meegeteld als één object). Ook voor dit 51
De Vestas V162-5.6MW heeft een maximale bladbreedte van 4,5 m en bladbreedte op 90% radius van 1,5 m. Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 32
de afspraken die zijn gemaakt. Dit reduceert de optredende slagschaduwhinder in het seizoen dat de meeste gasten te verwachten zijn. Ter plaatse van Shamrock Inn kan slagschaduw optreden van maart t/m midden oktober. In maart treedt slagschaduw op tussen 17:30 en 18:30 uur. In april t/m begin september kan in de avonden tussen 19:00 en 20:30 uur slagschaduw ondervonden worden. Tot slot treedt slagschaduw op tussen halverwege september en halverwege oktober tussen 18:00 en 19:00 uur. In totaal wordt circa 35 uur slagschaduw per jaar verwacht. De meeste slagschaduw komt tevens van de oostelijke windturbine. In het pand van Shamrock Inn ligt een woning, waarvoor middels een slagschaduwnorm voor woningen al een mate van bescherming zal worden toegepast53. Het horeca gedeelte van het gebouw van Shamrock Inn zal hiermee ‘automatisch’ op dezelfde wijze worden beschermd. Restaurant Duinhoek en Friends ’n Bites zijn gelegen op het terrein van de recreatieverblijven Europarcs Resort Poort en Citta Romana. In totaal wordt bij Restaurant Duinhoek circa 1 uur en bij Friends ’n Bites circa 2 uur slagschaduw per jaar verwacht. Bij dergelijke lage waarden zijn geen nadere maatregelen nodig, aangezien de optredende slagschaduwduur in vergelijking met de daglichtperiode per jaar verwaarloosbaar is (<0,05%).
Overige slagschaduwgevoelige objecten: vakantiepark Molecaten Park Rondeweibos Om inzicht te geven in de verwachte slagschaduwduur op het terrein van vakantiepark Molecaten Park Rondeweibos zijn op drie locaties op het terrein representatieve toetspunten bepaald. Voor die punten is berekend welke slagschaduwduur verwacht wordt. In Bijlage 7 zijn de ligging en de slagschaduwkalenders van deze locaties gegeven. Op basis van deze toetspunten zal jaarlijks maximaal circa 4 uur aan slagschaduw ervaren kunnen worden op het terrein. Op de locaties die dichterbij de windturbines zijn gelegen zal meer slagschaduw worden ondervonden dan op de locaties die verder van de windturbines gelegen zijn. Slagschaduw treedt slechts op een deel van het terrein op. In Figuur 4.5 is te zien dat slagschaduw alleen optreedt op delen van het terrein die binnen de 0-uurscontour liggen (groene lijn). Buiten deze contour treedt geen effectieve slagschaduw op. Afhankelijk van de locatie op het vakantiepark kan slagschaduw optreden tussen halverwege november t/m halverwege januari. In deze perioden kan slagschaduw optreden tussen 15:00 en 16:30 uur. Gezien de maanden wanneer slagschaduw kan optreden zal dit buiten het hoogseizoen van het vakantiepark zijn.
Dit, in combinatie met de beperkte duur (maximaal 4 uur per jaar), maakt de optredende hinder als gevolg van slagschaduw zeer beperkt voor het vakantiepark Rondeweibos.
53
Mits deze als gevoelig object wordt beschouwd. Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 36
5 Externe veiligheid 5.1 Inleiding: plaatsgebonden risico als beoordelingsmaat Hoewel het risico zeer klein is, kunnen windturbines omvallen of kunnen er onderdelen afbreken. Het risico van de windturbines op de omgeving wordt beoordeeld aan de hand van een aantal criteria, die zijn afgeleid uit wet- en regelgeving en adviezen voor toetsing van beheerders van infrastructurele werken 56. Een risicocontour (ofwel plaatsgebonden risico) geeft aan hoe groot de overlijdenskans is in de omgeving door een ongeval met een risicobron: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner. Voor windturbines is buiten de maximale effectafstand (werpafstand bij overtoeren) risico in het geheel uit te sluiten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die locatie permanent en onbeschermd verblijft (24 uur voor 365 dagen). Het plaatsgebonden risico rekent daarmee de maximale trefkans uit voor een individueel persoon die permanent aanwezig is en is daarmee niet geschikt voor beoordeling van voorbijgangers / passanten. Het risico wordt uitgedrukt in een kans op overlijden waarbij de conservatieve aanname wordt gedaan dat treffen door een windturbineonderdeel gelijk staat aan 100% kans op overlijden.
De kans wordt tevens conservatief berekend zonder rekening te houden met vluchtgedrag of actieve actie van de te raken persoon om risico’s te vermijden of uit de weg te gaan. Het plaatsgebonden risico is daarmee een conservatieve maat voor het maximale risico wat in de omgeving kan worden ervaren op een bepaalde locatie.
5.2 Achtergrond: veiligheid en kansen Omgaan met risico’s in een drukbevolkt land De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid op rijksniveau luidt: “Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s”57. Het beleid is erop gericht een zogenaamd basisbeschermingsniveau voor externe veiligheid te bieden aan personen die wonen, werken of recreëren in de omgeving van risicovolle activiteiten. Uitgangspunt van het landelijke risicobeleid in zijn algemeenheid is dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer op een bepaalde plaats een daar aanwezig individu geen hogere kans op overlijden heeft dan maatschappelijk is geaccepteerd. Deze basisbescherming, die veelal een limiet kent van 10-6 tot 10-4 per jaar58, wordt uitgedrukt in het plaatsgebonden risico 59,60. Dit geldt voor onder andere industrie, transport en opslag van gevaarlijke stoffen zoals toxische of brandbare stoffen maar is ook toepasbaar voor windturbines.
Het externe veiligheidsbeleid van alle risicobronnen is al met introductie van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in 2004 gelijkgetrokken (vóór het in werking treden van de regels voor windturbines in Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020) Beleid externe veiligheid: https://www.infomil.nl/onderwerpen/ruimte/omgevingsthema/externe-veiligheid/beleid/ 58 Deze risico’s komen overeen met een kans op overlijden van 1 op 1.000.000 en 1 op 10.000 per jaar. 59 Nota Modernisering omgevingsveiligheid (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 29517, nr. 92) 60 Roels, J.M, et al, 2018; Bewust Omgaan met Veiligheid: doelen en effectmaten in het risico- en veiligheidsbeleid, RIVM Rapport 2018-0029 56 57
Onderzoek milieunormen windenergie 720128 | Windturbines Haringvlietdam | v2.0 | 17-11-2022 Pagina 40
het Activiteitenbesluit). Het hanteren van 10-5 en 10-6 voor een aanvaardbaar risico dateert al van eerder, zo wordt het onder andere genoemd in het Nationaal milieubeleidsplan 4 (juni 2001) maar ook daarvoor werd deze norm als aanvaardbaar gehanteerd. In het kader van de vuurwerkramp in Enschede (2000) en het daaropvolgende rapport van de commissie Oosting heeft er toe geleidt dat het gehele externe veiligheidsbeleid in Nederland tegen het licht is gehouden en er uiteindelijk maatschappelijk aanvaardbare normen in het Bevi zijn vastgelegd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de ruimtelijke aanvaardbaarheid op basis van het hanteren van het plaatsgevonden risico’s niveau van respectievelijke 10 -5 en 10-6 die optreden voor andere risicobronnen. Ook zijn de gevolgen voor het milieu hiermee beperkt. Weliswaar is er een kans op een effect, maar het hanteren van een andere kans als beoordelingsniveau leidt niet tot een afname van het gevolg maar alleen van de kans dat dit effect kan optreden. Het feit dat een zekere mate van risico, alhoewel zeer beperkt, wordt geaccepteerd is inherent aan het feit dat Nederland een drukbevolkt land is en multifunctioneel ruimtegebruik toegepast wordt. Aanvaardbaar beschermingsniveau In 2014 heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een rapport laten opstellen over het in perspectief zetten van risico’s61.
Uit dit rapport kunnen geen cijfermatige conclusies worden getrokken maar het geeft wel aan waarom een mate van bescherming voor windturbines leidt tot maatschappelijk aanvaardbare risico’s in vergelijking met risico’s bij andere activiteiten. Op stadsniveau (generieke stad van 50.000 personen) is de kans op een vergelijkbaar aantal verloren levensjaren voor reizen met het vliegtuig vergeleken met een windturbineongeluk circa 1.000x hoger, het wonen in laaggelegen gebieden (overstromingsrisico) geeft circa een 10x hogere kans en voor autorijden ligt de kans op een vergelijkbaar aantal verloren levensjaren bijna 10.000x hoger dan bij een windturbineongeluk. Hieruit kan worden geconstateerd dat het toepassen van risicocriteria in de orde van grote van PR10 -05 en PR10-06 bij windturbines een maatschappelijk geaccepteerd risico kan opleveren. Overigens blijkt uit literatuur en ook navraag bij een externe veiligheidsdeskundige dat wereldwijd het geaccepteerde plaatsgebonden risico over het algemeen ligt op een niveau tussen 10 -4 en 10-6. Zo geeft in het Verenigd Koninkrijk de Health and Safety Executive (HSE)62 aan dat de jaarlijkse acceptabele letaliteitskans voor een lid van de maatschappij circa 1 : 100.000 (= 10-5) is als gevolg van een nucleaire installatie en bij een niveau van 1 : 1.000.000 (= 10-6) is er ook geen verdere verbetering van de situatie meer benodigd.
Bescherming van objecten In het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi) worden mogelijk te beschermen objecten onderverdeeld in beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten, waarbij bij de indeling rekening is gehouden met de mogelijke verblijfsduur van personen, de hoeveelheid aanwezige personen en de zelfredzaamheid van personen die normaliter in het type vermelde objecten kunnen voorkomen. Er is geen aanleiding van deze indeling af te wijken bij de beoordeling van risico’s door windturbines, omdat de aanwezigheid en zelfredzaamheid relevant is voor ieder optredend risico, ongeacht de risicobron. Groepsrisico en maatschappelijk risico De bescherming van personen is naast het hanteren van een maximale eis per persoon ook afhankelijk van de hoeveelheid personen die een bepaald risico ondervinden. Hoe meer personen een risico kunnen 61 62