(bijlage 25) Bijlage 23 - Nota beantwoording zienswijzen OBP windturbines Haringvlietdam + bijlagen
Tekst van het document
Nota van beantwoording Zienswijzen Windturbines Haringvlietdam Ontwerp bestemmingsplan Ontwerp omgevingsvergunning
identificatie
versie
Zaak:
datum:
status:
5813-2023
17-05-2023
defintief
Contactpersoon:
H. Faber
Inhoudsopgave 1 2
Inleiding Deel 1: algemene thema’s 2.1 2.2 2.3 2.4
3 4 5
2 4
Overzicht algemene thema’s_________________________________________________ 4 Procedure _______________________________________________________________ 4 Geluid __________________________________________________________________ 9 Overige milieuaspecten ___________________________________________________ 15
Deel 2: beantwoording per zienswijze Deel 3: Voorgestelde aanpassingen in het bestemmingsplan Bijlagen
18 19 22
1 Inleiding 1.1 Project windturbines Haringvlietdam Windpark Haringvliet BV is voornemens het bestaande windpark Haringvliet te herontwikkelen. EConnection Project BV voert namens het windpark de herontwikkeling uit. Dit betekent dat de bestaande zes windturbines aan de noordwestzijde van de N57 worden gesloopt en twee nieuwe windturbines aan de zuidzijde van de N57 worden gerealiseerd. Het plangebied hiervoor ligt parallel aan de N57 ter hoogte van het Quackstrand.
1.2 Bevoegd gezag Op basis van de Elektriciteitswet 1998 zijn Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland in beginsel bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning ten behoeve van een windpark van een dergelijke omvang. Gedeputeerde Staten kunnen er echter voor kiezen geen uitvoering te geven aan deze bevoegdheid, maar dit over te laten aan de gemeente waar het windpark voorzien wordt. Dit is standaard beleid in de provincie Zuid-Holland en is ook hier het geval. De gemeente Voorne aan Zee treedt daarom op als bevoegd gezag voor het ruimtelijk plan en de Omgevingsvergunning. Voor de windturbines Haringvlietdam is een bestemmingsplan voorbereid waarmee de bouw en het gebruik van de twee windturbines juridisch planologisch mogelijk wordt gemaakt.
1.3 Coördinatieregeling Bij de voorbereiding van het ontwerp bestemmingsplan ‘Windturbines Haringvlietdam’ en de ontwerpomgevingsvergunning, is door de toenmalige gemeente Hellevoetsluis gekozen voor toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling (paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening). De toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling leidt ertoe dat de voorbereiding van de noodzakelijke besluiten zo veel mogelijk gelijktijdig en gecoördineerd plaatsvindt. Hierdoor wordt één procedure doorlopen voor zowel het bestemmingsplan als de vergunningen.
1.4 Ter inzage procedure ontwerpbesluiten Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 19 januari tot en met 1 maart 2023 ter inzage gelegen, tesamen met de ontwerpen van de omgevings-, water en Wbr-vergunning. In totaal zijn 50 zienswijzen binnengekomen, waarvan een enkele tijdens de inspraakbijeenkomst op 15 februari 2023. Er zijn alleen zienswijzen rechtstreeks op het ontwerpbestemmingsplan ingediend, niet afzonderlijk op één of meerdere van de verleende ontwerpvergunningen. Hierbij wordt opgemerkt dat aanpassingen aan het bestemmingsplan naar aanleiding van zienswijzen ook gevolg kunnen hebben voor de genoemde vergunningen. Onderwerpen in zienswijzen: veel voorkomend en specifiek In de zienswijzen komt een veelheid aan onderwerpen ter sprake. In deze Nota van beantwoording wordt daar per zienswijze op ingegaan in deel 2. Een aantal zienwijzen is gelijkluidend, of vrijwel gelijkluidend, en/of zijn dezelfde bijlagen meegestuurd. In de beantwoording zal daarom in veel gevallen verwezen worden naar de elders al opgenomen beantwoording.
Pagina 2
Een aantal thema’s keert in veel zienswijzen terug. In het eerste gedeelte van deze Nota zullen deze per thema besproken worden. In de beantwoording per zienswijze wordt in sommige gevallen naar deze algemene beschrijving verwezen en vervolgens, waar dat nodig is, aanvullend ingegaan op specifieke punten uit de zienswijze. De zienswijzen leiden tot een aantal aanpassingen of verduidelijkingen. Deze staan vermeld bij de betreffende zienswijzen en staan opgesomd in deel 3 van deze Nota van beantwoording. Overige besluiten Voor het project zijn ook een vergunning en ontheffing aangevraagd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Hiervoor is de Provincie Zuid-Holland bevoegd gezag. Deze vergunning en ontheffing worden pas later in concept gepubliceerd. In de zienswijzen zijn verwijzingen opgenomen die zien op de natuurvergunning en -ontheffing. In de beantwoording wordt verwezen naar deze procedure, voor zover het onderdelen betreft die toezien op deze vergunning en niet op het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning.
Pagina 3
2 Deel 1: Veel voorkomende thema’s 2.1 Overzicht veel voorkomende thema’s Hieronder wordt op een aantal veel voorkomende thema’s in de zienswijzen uitgebreid ingegaan. Het gaat om de volgende onderdelen: •
•
•
Procedure: o
SMB richtlijn en (plan)-m.e.r.-plicht
o
Lokale normen of landelijke normen
o
Overbruggingsregeling
o
Uitspraken raad van State Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding: ▪
Tussenuitspraak 30 juni 2021
▪
Einduitspraak 12 april 2023
o
Vindbaarheid lokale normen in bestemmingsplan
o
Betrokkenheid Klankbordgroep
o
Participatie
Geluid o
Jaargemiddelde (Lden) als norm
o
Normhoogte (lagere normwaarde)
o
Nachtelijke geluidnorm (Lnight)
o
Laagfrequent, infrageluid en tonaliteit
o
Aantal gehinderden
o
Gezondheidseffecten
o
Handhaafbaarheid
Overige milieu- en omgevingsaspecten o
Bisphenol A en bladerosie
o
SF-6 gas
o
Recreatie
o
Luchtvaartverlichting
o
Vogeldetectiesysteem
Hieronder wordt per onderdeel een uitgebreide toelichting en beantwoording gegeven.
2.2 Procedure 2.2.1 SMB richtlijn en (plan) m.e.r.-plicht In meerdere zienswijzen wordt betoogd dat het bestemmingsplan niet voldoet aan de SMB-(strategische milieubeoordeling)richtlijn en er een milieueffectrapport zou moeten worden opgesteld. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van State in de zaak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding van 30 juni 2021.
Pagina 4
Er is echter een aantal grote verschillen tussen windturbines Haringvlietdam en windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding. Ook heeft de SMB-richtlijn een specifiek toepassingsbereik, dat in dit geval niet aan de orde is. Hieronder gaan we hier nader op in. De Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (SMB) is van toepassing wanneer een plan of programma kaderstellend is voor milieubelastende activiteiten. De werking van de Richtlijn is beperkt tot die plannen en programma’s, die wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven zijn en die enerzijds het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de projecten die onder de Richtlijn m.e.r. vallen (in Nederland opgenomen in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer en in het besluit m.e.r.), of waarvoor anderzijds tevens een passende beoordeling uit hoofde van de Vogel- en Habitat richtlijnen nodig is. Beide is in het project Windturbines Haringvlietdam niet van toepassing. Er is hier sprake van een concreet bestemmingsplan/vergunning voor een windenergieproject bestaande uit twee windturbines. Dit is geen kaderstellend programma of plan, aangezien het gaat om een specifiek project op een specifieke locatie. Dit zou anders kunnen zijn wanneer de gemeente bijvoorbeeld een normenkader windenergie voor meerdere locaties binnen de gemeente zou opstellen.
Daarbij heeft de provincie Zuid-Holland in 2016 al een plan-m.e.r. doorlopen voor het opnemen van de locatie Haringvlietdam als locatie voor de realisatie van windenergie in de Verordening Ruimte en Mobiliteit. Er is dus al op het niveau van de provincie een milieubeoordeling gemaakt van de geschiktheid van de locatie voor windenergie. Tot slot heeft de Raad van State in haar uitspraak van 30 juni 2021 aangegeven dat de algemene milieuregels voor windturbines nog steeds mogen worden gebruikt voor één of twee windturbines, zo bevestigt ook de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat in haar Kamerbrief van 16 mei 2022 1. Dit wordt nogmaals bevestigt in de Nota van toelichting behorende bij de tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken2 en blijkt ook uit het Activiteitenbesluit en -regeling zelf.3 De uitspraak van de Raad van State gaat er namelijk van uit dat het Activiteitenbesluit niet meer toepasbaar is vanwege een onjuiste implementatie van de Europese SMB-richtlijn. De SMB-richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in het Besluit m.e.r. Het Besluit m.e.r. is alleen van toepassing op: “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark”. Een windturbinepark is volgens de begripsbepaling van het Besluit m.e.r. een “park bestaande uit ten minste drie windturbines”. Het Besluit m.e.r.
is dus niet van toepassing op één of twee windturbines en dus reikt de uitspraak niet tot projecten van één en twee windturbines. De gemeente Voorne aan Zee heeft er echter zelfstandig voor gekozen om toch locatiespecifieke normen te stellen, als extra, bovenwettelijke voorzorg voor de omgeving. Hiermee gaat de gemeente dus verder dan hetgeen wettelijk vereist is.
1 Tweede Kamer, 33 612, nr. 81, Structuurvisie Windenergie op land 2 Staatsblad 2022, 181: Op 13 mei 2022, is het besluit van 3 mei 2022 tot wijziging van het Activiteitenbesluit
milieubeheer en enkele besluiten op grond van de Omgevingswet in verband met jurisprudentie over windturbineparken (tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken) bekend gemaakt. Deze overbruggingsregeling bevat tijdelijke milieuregels voor bestaande windparken (vergund voor 30 juni 2021) naar aanleiding van de uitspraak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding. 3 Met toevoeging van de tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken (nieuwe paragraaf 3.2.3a) aan Activiteitenbesluit en -regeling is in de bestaande paragraaf 3.2.3, artikel 3.13 (artikel 3.11 in regeling) gewijzigd naar: “Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een windturbine die geen deel uitmaakt van een windturbinepark”. Windturbinepark wordt in het Activiteitenbesluit gedefinieerd als “inrichting, bestaande uit ten minste drie windturbines”. De Raad van State heeft advies gegeven over de overbruggingsregeling en daarbij het verschil tussen projecten met 1 of 2 windturbines en projecten met 3 of meer windturbines goed bevonden.
Pagina 5
Ook de uitspraak inzake windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding van 12 april 2023 bevestigd dat voor het stellen van lokale normen voor windturbines geen afzonderlijk plan-m.e.r. benodigd is.
2.2.2 Lokale normen of (nieuwe) landelijke normen In veel zienswijzen wordt gevraagd waarom niet gewacht wordt op de nieuwe landelijke normen. De gemeente Voorne aan Zee (en haar voorganger gemeente Hellevoetsluis) is inmiddels meer dan vier jaar bezig met de voorbereidingen voor het project windturbines Haringvlietdam. In het kader van rechtszekerheid is besloten nu een ontwerpbesluit ter inzage te leggen, te meer omdat de verwachting is dat de nieuwe landelijke normen verdere vertraging zullen oplopen (zie kamerbrief 27 maart 2023; IENW/BSK-2023/64318). Daarnaast heeft de gemeente er bewust voor gekozen om gebruik te maken van de mogelijkheid tot het stellen van lokale normen, omdat daarmee een lokale afweging kan worden gemaakt voor deze specifieke locatie. Nu de Raad van State (zie onder 2.2.4 Uitspraak Raad van State) ook heeft geoordeeld dat lokale normen mogen worden gesteld en de motivering die daaraan ten grondslag ligt vergelijkbaar is met de casus in windpark Haringvlietdam, is er geen reden om geen lokale normen toe te passen.
2.2.3 Overbruggingsregeling windturbines Een aantal indieners vraagt in hoeverre in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de overbruggingsregeling windturbines en lopende RIVM onderzoeken, zoals vermeld in de brief van Minister Jetten van 6 juli 2022. Door een uitspraak van de Raad van State van 30 juni 2021 over windturbinepark Delfzijl Zuid Uitbreiding kunnen de voorschriften voor windturbines in paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit niet meer worden toegepast. Vanaf 1 juli 2022 is daarom een tijdelijke overbruggingsregeling opgenomen in de wet. Deze geldt echter voor bestaande windparken die reeds gebouwd zijn. Voor nieuwe windparken geldt dat (conform de uitspraak van de Raad van State) bevoegde gezagen eigen lokale normen mogen stellen. Daarop is de overbruggingsregeling dus niet van toepassing. De gemeente Voorne aan Zee heeft daarom locatiespecifieke normen opgesteld voor windturbines Haringvlietdam. Op het moment dat er nieuwe landelijke regels in werking treden is het afhankelijk van het daarin opgenomen overgangsrecht of de lokale normen blijven gelden, of dat de windturbines Haringvlietdam (eventueel binnen een bepaalde termijn) moeten gaan voldoen aan de landelijke normen. Er is op dit moment echter nog niet bekend hoe de nieuwe landelijke regels eruit zullen zien en of en zo ja welk overgangsrecht van toepassing zal zijn.
2.2.4 Uitspraak Raad van State windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding Tussenuitspraak 30 juni 2021 Op 30 juni 2021 heeft Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State in de zaak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding een tussenuitspraak gedaan. Als gevolg van die uitspraak zijn de algemene regels voor windturbines in paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit buiten werking gesteld. De zijn wel gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek naar de milieugevolgen, maar volgens een Europese richtlijn (de SMBrichtlijn) had een milieueffectrapport (MER) moeten worden gemaakt. Dit betekent dat de minister alsnog een planMER moet (laten) opstellen. De Raad van State heeft echter wel de mogelijkheid geboden aan
Pagina 6
bevoegde gezagen (gemeenten of provincies) om zelf lokale normen te stellen voor projecten. In dat geval moeten die eigen normen voorzien zijn van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. In de zaak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding is hiervan gebruik gemaakt door het bevoegd gezag en zijn herstelbesluiten genomen waarin lokale normen zijn opgenomen. De raad van State heeft die herstelbesluiten, inclusief de motivering van de lokale normen, recent getoetst om tot een einduitspraak te komen in deze zaak. Einduitspraak 12 april 2023 Op 12 april 2023 heeft de Raad van State einduitspraak gedaan inzake het windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (ECLI:NL:RVS:2023:1433). Uit de einduitspraak blijkt dat het stellen van lokale normen juridisch mogelijk is en voor de motivering van die normen door de gemeente mag worden uitgegaan van de actuele stand van wetenschappelijke kennis. Daarbij rust op een gemeenteraad niet een zelfde onderzoeksplicht als die voor een minister geldt bij het stellen van landelijke normen. De Raad van State geeft aan dat de gemeente bij het vaststellen van die normen een afweging mag maken tussen het belang van het realiseren van windenergie en het belang van de bescherming van omwonenden.
In deze uitspraak wordt ook ingegaan op de verschillende deelaspecten die in de normering aan de orde komen: geluid, slagschaduw en lichtschittering en externe veiligheid. Kortweg blijkt uit de uitspraak dat: •
Lokale geluidnormen mogen worden gesteld op basis van de op dit moment beschikbare wetenschappelijke inzichten, waarbij expliciet ook oudere onderzoeken (waaronder het onderzoek van TNO uit 2008) nog bruikbaar worden geacht. Daarbij is het niet noodzakelijk eigen wetenschappelijke (veld)onderzoeken te verrichten;
•
De gemeente daarbij een afweging mag maken tussen de belangen van de omgeving en de belangen van het project. Er hoeft geen sprake te zijn van nul hinder;
•
De gemeente de vrijheid heeft om, mits gemotiveerd, een normsystematiek te kiezen. L den / Lnight is daarbij een geschikte systematiek voor het normeren van windturbinegeluid die uitvoerbaar en handhaafbaar is. Er is geen reden om een andere geluidsmaat te hanteren omdat die betere bescherming zou bieden;
•
Voor externe veiligheid mag de gemeente aansluiten bij een risicobenadering, waarbij de handreiking risicozonering windturbines de meest recente inzichten bevat en toepasbaar is;
In deze nota van antwoord wordt op specifieke punten verwezen naar de uitspraak bij de betreffende onderwerpen.
2.2.5 Vindbaarheid lokale normen De normen voor de windturbines Haringvlietdam zijn opgenomen in de planregels in het ontwerpbestemmingsplan in paragraaf 3.3 van de planregels. Alle juridisch bindende regels die van toepassing zijn op het project worden in de planregels opgenomen. Dit is wettelijk zo bepaald. Veel mensen zijn echter niet dagelijks bezig met bestemmingsplannen en milieu- of ruimtelijke ordeningswetgeving, waardoor het voor hen niet altijd duidelijk is waar dit soort zaken te vinden zijn. De mogelijke uitgangspunten voor de lokaal te hanteren normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid komen bovendien in meerdere bijlagen aan de orde, terwijl de lezer vooral zal willen weten welke norm uiteindelijk gehanteerd gaat worden. De gemeente heeft daarom, naar aanleiding van het (partiële) advies van de Klankbordgroep een samenvatting van de milieunormen opgenomen in het begin van het ontwerpbestemmingsplan in paragraaf 1.5.
Pagina 7
2.2.6 Betrokkenheid Klankbordgroep In verschillende zienswijzen wordt betoogd dat de Klankbordgroep onvoldoende tijd heeft gekregen om een gedegen advies uit te brengen over het ontwerpbestemmingsplan en dat het bestaansrecht van de Klankbordgroep onzeker is. De gemeente zou uit moeten spreken hoe zij de adviserende rol van de Klankbordgroep ziet; de gemeenteraad zou de Klankbordgroep tot adviesorgaan hebben aangewezen. De gemeente moet de Klankbordgroep voldoende tijd geven om een advies te kunnen opstellen en ook inhoudelijk aangeven waarom bepaalde adviezen wel of niet worden meegenomen. In de gemaakte afspraken over de werkwijze van de Klankbordgroep is een termijn van 2 weken voor het opstellen van een reactie opgenomen. Het College heeft besluitvorming over het ontwerpbestemmingsplan uitgesteld om aan deze termijn te kunnen voldoen. Gedurende deze termijn heeft de Klankbordgroep een partieel advies gegeven. Naar aanleiding van het partiële advies van de Klankbordgroep is onder meer een heldere samenvatting van de locatiespecifieke normen opgenomen en zal worden uitgegaan van een aparte nachtelijke geluidsnorm (Lnight). De Klankbordgroep heeft meer tijd gevraagd om een volledig advies te kunnen afgeven. Het College heeft de Klankbordgroep daartoe inmiddels de tijd tot 30 april 2023 gegeven.
Overigens zijn eerder met de Klankbordgroep het voorontwerp-bestemmingsplan en het onderzoek naar en het daaropvolgende advies over de lokale normen besproken. Suggesties en opmerkingen vanuit de Klankbordgroep hebben ook geleid tot aanpassingen of toezeggingen, zoals het opnemen van een eis ten aanzien van laagfrequent geluid (windturbines dienen te voldoen aan de uitgangspunten van de Vercammen-curve en na plaatsing dient een meting verricht te worden) en een lagere geluidsnorm dan 47 dB in Lden ter plaatse van woningen in de omgeving. De Klankbordgroep is door gemeente en initiatiefnemer gezamenlijk in het leven geroepen. Op verzoek van de Klankbordgroep heeft het College van B&W de rol als 'adviserend' omschreven; de gemeenteraad heeft hier geen aparte uitspraak over gedaan. In deze Nota van antwoord zal ook worden aangegeven wat met het advies van de klankbordgroep wordt gedaan; en het zal ook volgens de afspraken aan de orde komen in het hoofdstuk procesparticipatie in het bestemmingsplan. De rol van de Klankbordgroep is in tijd niet beperkt tot de vaststelling van het bestemmingsplan, in de afspraken zijn op verzoek van de initiatiefnemer onder andere ook afspraken gemaakt over betrokkenheid van omwonenden via de Klankbordgroep tijdens de bouw en de exploitatie van de windturbines.
2.2.7 Participatie In verschillende zienswijzen wordt ingegaan op (financiële) participatie. Van de bijdrage vanuit de exploitatie van de windturbines aan een Gebiedsfonds wordt gesteld dat deze te beperkt is en lager ligt dan in de Leidraad Windenergie Voorne Putten is genoemd. Er komen obligaties, terwijl deze Leidraad ervan uitgaat dat omwonenden voor minimaal 25% mede-eigenaar moeten kunnen worden. De indieners wijzen er daarbij op dat, zoals bekend, participatie leidt tot vergroting van het draagvlak en minder ervaren hinder. Met de initiatiefnemer zijn verschillende afspraken gemaakt, waaronder een bijdrage aan het Gebiedsfonds die hoger ligt dan de uitgangspunten van de Gedragscode van de windenergiebranche. In de Leidraad staat aangegeven dat van financiële bijdrages en mede-eigenaarschap alleen uitgegaan kan worden als het project daarmee haalbaar is. Zowel initiatiefnemer als gemeente hebben overleg gehad met de Energiecoöperatie Voorne-Putten, waarbij is gekozen voor de uitgifte van obligaties. Wij zijn het met indieners eens dat participatie in principe leidt tot een groter draagvlak, maar verwachten niet dat dit zou betekenen dat de inhoudelijke aandachtspunten uit de zienswijzen op voorhand worden weggenomen.
Pagina 8
2.3 Geluid Veel zienswijzen gaan in op de verwachte hinder als gevolg van geluid. Daarbij wordt veel gewezen op de systematiek van de jaargemiddelde Lden norm waarvoor indieners liever een andere methodiek en andere grenswaarde (maximaal 35 dB) zouden zien, daarbij onder andere verwijzend naar de uitspraken van dhr. Jan de Laat hierover. Daarnaast wordt door indieners verzocht om ook een nachtelijke geluidnorm op te nemen. Tot slot gaan veel zienswijzen in op verwachte hinder en gezondheidseffecten door laagfrequent geluid en wordt verzocht om het opnemen van een richtlijn hiervoor die hiertegen beschermt. Tot slot zijn indieners van mening dat de lokale normen voor de windturbines Haringvlietdam niet overzichtelijk vindbaar zijn in de stukken. Hieronder wordt per thema ingegaan op deze aspecten.
2.3.1 Jaargemiddelde (Lden) als norm De afkorting Lden staat hierbij voor Level day-evening-night, het gemiddelde over een dag. In de geluidsnorm voor windmolens wordt geen rekening gehouden met achtergrondgeluid op een specifieke locatie. De windmolens moeten ‘op zichzelf’ altijd aan de norm van Lden 47 dB voldoen. Het geluid van windmolens op het niveau van de geluidnorm van 47 dB Lden is te vergelijken met het geluidniveau van een normaal gesprek. De Lden is een theoretisch getal; dat komt omdat dit getal door zogenaamde “straf” factoren hoger ligt dan de werkelijke gemiddelde geluidbelasting. De werkelijke geluidbelasting op de gevel door de windturbines ligt 2-4 dB(A) lager dan de norm in Lden. Omgevingsgeluid wordt ’s avonds en ’s nachts als meer hinderlijk ervaren dan overdag vanwege een stillere omgeving en kan daardoor ook leiden tot slaapverstoring. Het geluid dat een windmolen in de avond en nacht maakt, telt in de Lden norm dan ook zwaarder mee. Bij het geluid in de avondperiode wordt altijd 5 decibel opgeteld en bij het geluid in de nacht 10 decibel. De term jaargemiddeld wekt voor sommigen de suggestie dat het op het ene moment heel erg luid kan zijn en op het andere moment heel erg rustig.
Daarbij zien indieners als belangrijke aandachtspunten dat de gehanteerde Lden een jaargemiddelde maat of geluidsindicator is waarbij geluid wordt uitgemiddeld over een jaar en er geen relatie is van de Lden met op enig moment ondervonden hinder. De kernvraag is daardoor voor de keuze van de geluidsmaat: is het wenselijker om maximale gemiddelde geluidsniveaus vanuit kortere óf langere periodes te normeren? Dus normeren per dagdeel, per dag (etmaal) of per jaar (of een periode daartussen in). Een norm die een dagdeel, een etmaal of langer normeert, maximeert het geluid voor de betreffende periode. Vervolgens is de feitelijke geluidsbelasting afhankelijk van de windcondities binnen die periode. Een kleinere periode normeren leidt alleen tot een verschil in de geluidsbelasting als een lagere waarde wordt genormeerd dan het maximum op basis van de combinatie van bronvermogen en (maximale) windcondities. Met andere woorden: een norm voor een langere periode normeert ook de kortere periodes en vice versa. Dit betekent dat zowel de kortere periodes (dag, avond, nacht, etmaal) als langere (bijvoorbeeld een jaar) gebruikt kunnen worden als geluidsmaat voor windturbines. Een windturbine kan immers niet ‘harder’ worden gezet, en daardoor niet meer geluid produceren dan het maximale bronvermogen bij maximale
Pagina 9
windsnelheid. Dit maximum wordt veelal bereikt vanaf circa windkracht 5-6 op ashoogte. Het normeren van de maximale gemiddelde geluidsbelasting voor kortere periodes om (piek)hinder te normeren regelt indirect ook een maximum voor de gemiddelde geluidsbelasting voor de langere periode(s). In plaats van de keuze voor de periode van de norm is voor de normstelling ter regulering van de geluidsbelasting eerder van belang wat de hoogte daarvan is. De hoogte van de norm, dus de absolute waarde die wordt toegestaan, is bepalend voor de mate van hinder; de geluidmaat zelf is eigenlijk van ondergeschikte aard daarbij. Voor de geluidbelasting bij de dichtstbijgelegen woning (Duinweg 9, Hellevoetsluis, Lden 43 dB) betekent dit dat het daadwerkelijk optredende geluidniveau (bij de maximale geluidemissie van de windturbine) circa 39-41 dB(A) is. Hoger is technisch gezien niet mogelijk, ook niet wanneer de windturbine een half jaar stil zou staan. Bij woningen op toenemende afstand wordt dit uiteraard lager. Er is bewust gekozen voor het opnemen van een Lden norm. Hiervoor zijn een aantal belangrijke redenen: 1.
Deze systematiek (Lden) sluit aan bij normsystematieken voor andere geluidbronnen en komt voort uit de Europese richtlijn voor Omgevingslawaai. Alhoewel deze richtlijn strikt genomen geen implementatie van deze maat voor alle geluidsbronnen vereist, is er wel een streven naar harmonisatie naar deze norm en is dit in het belang van het kunnen vergelijken en cumuleren van het geluid van verschillende bronnen ook relevant. Het sluit daarbij ook goed aan bij andere geluidbronnen die een min of meer continue geluidsbelasting geven en waarbij eveneens de dosis-effectrelatie voor (voornamelijk4) de maximaal aanvaardbaar geachte hinder de onderliggende onderbouwing is.
2.
Er is voldoende inzicht uit de wetenschappelijke onderzoeken over een periodenorm. De onderzoeken zijn namelijk gebaseerd op de hinderbeleving bij mensen woonachtig in de omgeving van windturbines. Hinder is gerapporteerd op basis van langdurige en herhaalde geluidsbelasting (blootstelling) over langdurige periodes, waarvan verschillende omstandigheden onderdeel zijn (veel wind, weinig wind, korte periodes, lange periodes van wind, overdag, avond, nacht). Het normeren van een langere periode heeft als nadeel dat in de beeldvorming individuele periodes niet genormeerd lijken en dat ‘compensatie’ plaatsvindt (het effect wordt ‘uitgemiddeld’). Zoals hiervoor aangegeven, is dat echter niet het geval: met een jaargemiddelde norm zijn impliciet ook kortere periodes genormeerd.
3.
Er is voor de Lden norm een goede dosis-hinderrelatie beschikbaar vanuit wetenschappelijk onderzoek (en sluit aan bij het advies van de wereldgezondheidsorganisatie, WHO). Er is daarom goed bekend wat de gevolgen zijn van een bepaalde geluidbelasting, ongeacht het aanwezige achtergrondgeluid. Er is geen wetenschappelijk onderzoek dat aantoont dat een andere dosismaat sterke voordelen heeft of de voorkeur verdient.
Een van de kritiekpunten is dat met een jaargemiddelde geluidsmaat er eigenlijk geen relatie meer is met de op enig moment door omwonenden ondervonden hinder. Die kanttekening geldt echter voor alle geluidsmaten die uitgaan van een langere periode (LAr,LT, Letmaal en Lden), of dit nu dag, avond, nacht, etmaal of jaar is. Met uitzondering van het LAmax geldt dat het allemaal gemiddelde geluidsniveaus zijn[1].
4 Let op: voor een aantal geluidsbronnen zijn naast hinder ook andere gezondheidseffecten vastgesteld afhankelijk van
de dosis. Deze zijn daar ook betrokken bij de bepaling van de norm, zie ook de onderbouwing van de WHO guidelines uit 2018. [1] LAeq is ook een gemiddeld geluidniveau, maar bij LAeq gaat het om een (in vergelijking met LArLT en Lden) korte periode (bijvoorbeeld 10 seconden of enkele minuten).
Pagina 10
De door omwonenden ervaren hinder wordt bepaald door individuele aspecten van de betrokken persoon waarmee het specifieke hindermoment voor elke persoon anders kan zijn. Er kan dus geen geluidsmaat beschikbaar zijn die volledig tegemoet komt aan de bescherming van de hinder ervaring voor elke omwonende op elk moment van hinderbeleving. Een geluidsmaat en normering kan wel het totale geluid verlagen waarvan verschillende individuen profijt kunnen hebben. De kanttekening geldt dus voor alle denkbare geluidsmaten. Tot slot zij nog opgemerkt dat de Raad van State in de uitspaak over Delfzijl-Zuid (zie 2.2.4) heeft ingestemd met de Lden als bruikbaar te hanteren normsystematiek.
2.3.2 Lagere normwaarde In het kader van het bestemmingsplan is een onderzoek naar de milieugevolgen van de windturbines op de Haringvlietdam uitgevoerd door Pondera Consult en is de geluidbelasting op de omgeving nauwkeurig in beeld gebracht. De gemeente heeft vervolgens aan adviesbureau Bosch en Van Rijn gevraagd een advies uit te brengen over een passende normstelling voor deze specifieke locatie. Uit de onderzoeken blijkt dat de maximale geluidbelasting ter plaatse van woningen van derden L den 43 dB / Lnight 37 dB of lager bedraagt. Uit het rapport van Pondera blijkt verder dat 92% van de woningen een geluidbelasting van Lden 40 dB / Lnight 34 dB of lager ervaart. Dit ligt in alle gevallen ruim onder de advieswaarde van de WHO (Lden 45 dB). Er is dan ook geen wetenschappelijke aanleiding om een lagere normwaarde te stellen dan de advieswaarde van de WHO, zeker nu duidelijk is dat de daadwerkelijk optredende geluidbelasting hier in alle gevallen al (ruim) onder zal blijven. Doordat de uitspraken van dhr. De Laat in de media niet gebaseerd zijn op gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek is het voor de gemeente niet mogelijk deze uitspraken of het eventueel uitgevoerde onderzoek op waarde te kunnen schatten en beoordelen, of dit mee te nemen in de afweging.
2.3.3 Nachtelijke geluidnorm (Lnight) Het opnemen van een Lden norm betekent dat ook automatisch de nachtelijke periode wordt genormeerd. Deze zit immers opgenomen in de Lden systematiek (level day, evening, night). Veel zienswijzen vragen echter om het opnemen van een expliciete norm voor de nachtperiode (L night), zodat dit ook afzonderlijk geborgd is. De gemeente is daarom voornemens om een L night bepaling toe te voegen aan het bestemmingsplan. Deze bedraagt dan maximaal Lnight 39 dB (aansluitend bij de al opgenomen norm van Lden 45 dB). Er is geen reden vanuit wetenschappelijk onderzoek een lagere nachtelijke geluidnorm te hanteren. Daarbij blijkt uit het milieuonderzoek van Pondera voor windturbines Haringvlietdam dat voor meer dan 97% van de woningen in de omgeving de optredende Lnight waarde 35 dB of lager is, zonder dat er verder maatregelen worden genomen. Ook vanuit dat perspectief is er dus geen reden om een strengere norm te hanteren.
2.3.4 Laagfrequent/infra geluid en tonaliteit Laagfrequent geluid (LFG) is geluid met een zeer lage frequentie, tussen de 20Hz en circa 100/125Hz. Beneden 20 Hz spreken we van infrageluid. Bijna alle geluidbronnen produceren een combinatie van ‘gewoon’ geluid en LFG. De voornaamste bronnen van LFG zijn wegverkeer, railverkeer en vliegverkeer. Ook airconditioning, mechanische ventilatie en windturbines zijn bronnen van LFG. LFG is altijd onderdeel van het totale (hoorbare en onhoorbare) geluid, waarin ook de hogere frequenties zijn meegenomen. Het
Pagina 11
is dus geen op zichzelf staand fenomeen. Uit metingen aan windturbines is bekend dat het aandeel LFG in windturbinegeluid zeer beperkt is en de optredende geluidniveaus ter plaatse van woningen zijn relatief laag (in vergelijking met andere geluidbronnen). Er is geen wetenschappelijk bewijs dat specifiek laagfrequent geluid leidt tot andere hinder of (gezondheids)klachten dan hoorbaar geluid56. Er is dus ook geen reden om te wachten op de uitkomsten van landelijke normen, aangezien het niet aannemelijk is dat hier nieuwe inzichten uit voort zullen komen ten aanzien van laagfrequent geluid. Mede vanwege reacties tijdens (digitale) informatiebijeenkomsten over de windturbines en vanuit de Klankbordgroep over LFG is in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen dat de initiatiefnemer moet aantonen dat de windturbines aan de zogenaamde Vercammen-curve voldoen, om daarmee een garantie te geven dat mogelijke hinder van LFG zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het hanteren van de Vercammen-curve voor windturbines was eerder ook al als uitgangspunt opgenomen in het geluidsbeleid van de gemeente. De ‘bromtonen’ waar in sommige zienswijzen naar verwezen wordt zijn het gevolg van ‘tonaal’ (laagfrequent) geluid. Dit is iets anders dan gewoon laagfrequent geluid en vrijwel altijd het gevolg van een probleem met de bron (motor, ventilator of bijvoorbeeld een windturbine).
Het gaat daarbij ook om hoorbaar geluid. Om te voorkomen dat dit optreedt zal een bronmeting aan de windturbines worden gedaan. Dit is vastgelegd in het bestemmingsplan. Met deze bronmeting kan objectief vastgesteld worden of sprake is van tonaliteit in het geluid. Dit mag namelijk niet voorkomen. Deze meting wordt gedaan binnen zes maanden nadat de windturbines in bedrijf zijn genomen. Indien de windturbines niet voldoen aan de opgegeven waarden van de fabrikant, of wanneer sprake is van tonaliteit, of wanneer de bronvermogen metingen leiden tot het optreden van een geluidniveau ter plaatse van woningen boven de in het bestemmingsplan opgenomen norm, zal dit tot aanpassingen moeten leiden.
2.3.5 Amplitudemodulatie Amplitudemodulatie (AM) is het verschijnsel dat de sterkte van het geluidniveau varieert met een ritme. Dit ritme is bij windturbinegeluid gelijk aan het passeren van de turbinebladen. Omdat een waarnemer op de grond vooral het neergaande blad hoort, is dit een inherent verschijnsel van windturbinegeluid. De waarnemer hoort ieder blad afzonderlijk. AM ziet, met andere woorden, op het pulserende karakter van het geluid van windturbines. Onder specifieke voorwaarden is de amplitudemodulatie soms duidelijker hoorbaar. Dit kan bijvoorbeeld optreden als er een groter verschil dan normaal is in windsnelheid tussen verschillende luchtlagen op verschillende hoogtes. In dat geval zal het blad tijdens de omwenteling te maken krijgen met verschillende windsnelheden. Hierdoor kan het karakter van het geluid veranderen. De vorm (/sterkte) van AM heeft verschillende benamingen (other AM (OAM) of extreme AM (EAM), ook wel enhanced AM genoemd). Amplitudemodulatie kan worden uitgedrukt in de modulatiediepte. Dit kan worden aangeduid als het verschil tussen het hoogste geluidniveau en het laagste geluidniveau tijdens het rondgaan van het blad7.
5 Frits van den Berg, 2022; Laagfrequent en infrageluid, Feit en fictie over de gezondheidseffecten (in Geluid, jaargang
45, nr. 4 december 2022. NP/GELUIDD-MI22004 6 Marshall, et al, 2023; The Health Effects of 72 Hours of Simulated Wind Turbine Infrasound: A Double-Blind Randomized Crossover Study in Noise-Sensitive, Healthy Adults; https://ehp.niehs.nih.gov/doi/10.1289/EHP10757 7 Er is geen algemeen geaccepteerde definitie.
Pagina 12
Het gemiddelde geluidniveau van een geluid met of zonder AM kan gelijk zijn. AM wil alleen maar zeggen dat het geluid varieert in sterkte. De modulatiediepte is dus geen toename van het (gemiddelde) totale geluidniveau. Windturbinegeluid met een modulatiediepte van 4,5 dB kan hetzelfde equivalente geluidniveau (LAeq) hebben als windturbinegeluid met een modulatiediepte van 2 dB. De mate van voorkomen van dergelijke (extreme) modulatiedieptes is daarnaast gering (minder dan 0,13% van de tijd blijkt uit een onderzoek ‘Massachusetts Study on wind turbine acoustics, RSG februari 2016’). Amplitudemodulatie is dan ook niet een separaat aspect van windturbinegeluid, maar een integraal onderdeel van windturbinegeluid. Als zodanig is het dus niet separaat genormeerd, maar biedt de algemene geluidsnorm ook bescherming tegen AM. Amplitudemodulatie is dus een kenmerkende karakteristiek van windturbinegeluid. De hinderlijkheid van windturbinegeluid is door middel van onderzoek bij mensen woonachtig in de omgeving van windturbines onderzocht (waaruit de dosis-hinderrelaties volgen); waarbij ‘windturbinegeluid’ als bron is beoordeeld door de betreffende personen. Met andere woorden: het ervaren windturbinegeluid is onderzocht, met alle kenmerken zoals optredend AM, en is daarmee de basis voor de opgegeven hinderbeleving. Specifieke losse kenmerken van windturbinegeluid (zoals bijv.
amplitudemodulatie of het aandeel laagfrequent geluid) zijn daarbij niet los onderzocht en uit de beschikbare resultaten van het onderzoek blijkt ook niet dat AM een separaat relevant element is.
2.3.6 Aantal gehinderden Een aantal zienswijzen stelt dat het aantal (ernstig) gehinderden dat in de onderzoeken wordt bepaald te laag is ingeschat, omdat deze gebaseerd is op een landelijk gemiddelde. Volgens indieners wonen in het gebied mensen vanwege de rust en stilte en zijn zij extra gevoelig voor geluid. In de onderzoeken is inzichtelijk gemaakt welke geluidbelasting op de omgeving te verwachten is en is indicatief aangegeven wat op basis van de algemene dosis-hinderrelatie te verwachten is. Er bestaan geen gebiedsspecifieke dosis-hinderrelaties, noch worden dergelijke gebiedsspecifieke dosishinderrelaties voor andere geluidbronnen gehanteerd. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt8 (hetgeen overigens niet uniek is voor windturbinegeluid) dat de hinderbeleving ook door verschillende niet-akoestische factoren wordt beïnvloed, waaronder de tevredenheid met en begrip van de procedure, economisch profijt, welbevinden, zicht op de turbines, etc.. Hinderbeleving is ook gerelateerd aan persoonlijke kenmerken, zoals geluidgevoeligheid, opinies en dergelijke. Deze aspecten kunnen sterk verschillen per specifieke locatie. De dosis-effectrelatie die uit wetenschappelijk onderzoek volgt is echter wel de objectieve indicator voor het percentage van de bevolking dat kans heeft (ernstige) hinder te ervaren.
Het is in de motivering voor de normstelling dan ook gebruikt als geobjectiveerde maatstaf om de te verwachten milieugevolgen aan de ene kant te kunnen vergelijken met de gevolgen van een andere norm aan de andere kant.
2.3.7 Gezondheidseffecten Veel zienswijzen gaan in op zorgen die leven op het gebied van gezondheidseffecten van windturbines. Het gaat dan met name om zorgen over de gevolgen van geluid, trillingen en/of laagfrequent geluid, harten vaatziekten en/of concentratiestoornissen. Daarbij wordt in enkele zienswijzen gevraagd om toepassing
8
O.a.. Jansen, S. A., Vos, H., & Eisses, A. R. (2008). Hinder door geluid van windturbines: dosis-effectrelaties op basis van Nederlandse en Zweedse gegevens.
Pagina 13
van het voorzorgsbeginsel, waarbij – totdat met zekerheid kan worden uitgesloten dat er effecten kunnen optreden – geen besluit zou moeten worden genomen. Het RIVM en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hebben onderzoek gedaan naar de gevolgen van windturbines op de volksgezondheid. Uit deze rapporten blijkt dat blootstelling aan geluid (alle soorten geluid) kan leiden tot hinder of aan stress gerelateerde klachten, met name in de nachtperiode in geval van slaapverstoring. Dat geldt ook voor geluid van windturbines. Voor andere gezondheidseffecten dan hinder ontbreekt volgens deze onderzoeken consistent bewijs. Ook is niet gebleken dat laagfrequent geluid bij windturbines zorgt voor extra hinder (zie ook paragraaf 2.3.4.). Uit het rapport van de WHO blijkt verder dat negatieve gezondheidsgevolgen zich kunnen voordoen in verband met (ernstige) hinder en van die hinder kan zowel boven als beneden de advieswaarde sprake zijn. Uit voorzorg hanteert de WHO een advieswaarde van Lden 45 dB om onaanvaardbare hinder en daarmee samenhangende gezondheidseffecten te voorkomen. Boven deze advieswaarde is het aantal gehinderden hoger dan onder de advieswaarde, maar ook onder de advieswaarde zal sprake zijn van een bepaalde mate van hinder.
Uit wetenschappelijke onderzoeken volgt niet dat er een verschil is in de aard van gezondheidseffecten bij een geluidbelasting van boven of onder de advieswaarde. Met andere woorden: geluid kan leiden tot hinder en hoe harder het geluid, hoe groter de kans op hinder. Verder is er geen wetenschappelijk bewijs voor een verband tussen (laagfrequent) geluid en infrageluid van windturbines en het "Wind Turbine Syndrome" (WTS) of "Vibro Acoustic Disease" (VAD), zo wordt ook gesteld door de deskundigen van de Raad van State in de zaak windpark Delfzijl Zuid uitbreiding (zie ook 2.2.4). In tegenstelling tot wat in de zienswijzen wordt beweerd betekent het voorzorgsbeginsel dat een afweging moet worden gemaakt of een bepaald risico, in dit geval de kans op (ernstige) hinder, maatschappelijk aanvaardbaar is. Daarbij betekent dit niet dat er nul hinder als uitgangspunt moet gelden, maar wel dat een norm de kans op hinder voldoende beperkt.
2.3.8 Handhaafbaarheid normen Enkele zienswijzen stellen dat een jaargemiddelde norm niet handhaafbaar is, onder andere omdat niet gemeten kan worden. Het handhaven van een jaargemiddelde norm in Lden is op zichzelf goed mogelijk, alleen vindt dit niet plaats via een momentane geluidmeting. Reden is dat de geluidmaat uitgaat van gemiddelden voor een dag, avond, nacht, etmaal of langere perioden. Door het variëren van windsnelheid, windrichting en de duur is een geluidsmeting bij een windturbine per definitie een momentopname. Handhaving van de geluidsmaat is mogelijk op basis van het bronvermogen en op basis van de vereiste registratie van de windcondities over een periode. In de planregels (artikel 3.3.1 onder c.) van het Ontwerpbestemmingsplan is opgenomen dat het 'Rekenen meetvoorschrift windturbines' (Bijlage 4 bij de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) van toepassing is. Onder 2.6 van deze bijlage is beschreven hoe de handhaving moet plaatsvinden.
Pagina 14
Specifiek in dit project is voorgeschreven dat er een controle van het bronvermogen van de windturbine zal plaatsvinden direct na realisatie. Hiermee wordt tevens gemeten of de geluidemissie van de windturbines voldoet aan de opgave van de vergunningaanvraag. Eventueel kan – indien er op een later moment aanleiding voor bestaat – een extra controlemeting door de handhavende milieudienst worden uitgevoerd.
2.4 Overige milieuaspecten 2.4.1 Bisphenol-A en bladerosie In zienswijzen wordt aandacht gevraagd voor het gebruik van de stof Bisphenol-A in de bladen van windturbines, ook in relatie tot gezondheid. Bisphenol-A (ook bekend onder de afgekorte naam BPA) is een weekmaker die veel gebruikt wordt in de productie van polycarbonaat plastic, epoxyhars en veel andere algemene producten zoals speelgoed, drinkflessen en contactlenzen. Bij de productie van windturbines wordt dit materiaal niet gebruikt. Het wordt gebruikt bij de bereiding van epoxyhars die weer gebruikt wordt om windturbinebladen te maken. De windturbinebladen bestaan uit glasvezel, epoxyhars en soms koolstofvezels. Echter de productie van de bladen zelf gebruikt geen BPA, dit gebeurd alleen in het proces van het produceren van de hars. De bladen worden vervolgens geschilderd met een speciale beschermende coating. Als gevolg van erosie (die optreedt bij ieder object waarop verf aanwezig is, zoals een huis of auto) zal jaarlijks ongeveer 1.000 gram van deze beschermende coating van de bladen per windturbine eroderen9. Dit betreft chemisch inactieve polymeerdeeltjes. Met andere woorden: er is geen sprake van het vrijkomen van BPA als gevolg van bladerosie, noch is er sprake van een fijnstofprobleem als gevolg van windturbines.
Een recent rapport van TNO schat dat de totale jaarlijkse emissie van alle microplastics in Nederland naar het milieu ongeveer 5000 ton bedraagt, waarbij autobanden (~2000 ton), verpakkingen (~1500 ton), en landbouwplastics (~800 ton) de grootste bronnen zijn. De geschatte bijdrage van windturbines op land aan de landelijke emissie van microplastics is minder dan 0,0002% tot 0,8%, waarbij het laatste getal een absolute worst case inschatting betreft. Tot slot wordt opgemerkt dat BPA veel wordt gebruikt in de (voedsel)verpakkingsindustrie. In 2015 is het product door de Europese Voedselveiligheidsorganisatie (EFSA) aangemerkt als ongevaarlijk voor de volksgezondheid en bruikbaar voor direct contact met voedsel 10.
2.4.2 SF6 gas SF6 is een veelgebruikt isolatiegas tegen stroomvonken dat gebruikt wordt in hoogspanningsschakelaars, bijvoorbeeld in transformatoren. Het wordt in het merendeel van de hoogspanningsschakelaars gebruikt. Ongeacht of deze bij een windturbine, zonnepark, warmtekrachtkoppeling of gascentrale worden gebruikt. Ook in het distributienet komen deze transformatoren voor, dus bijvoorbeeld her en der in de 9 RIVM, Eerste inzicht in emissies van chemische stoffen bij windturbines op land; Resultaten quickscan, April 2023 10 Scientific Opinion on the risks to public health related to the presence of bisphenol A (BPA) in foodstuffs: Executive
summary (2015)
Pagina 15
transformatorhuisjes in de wijken die de elektriciteit naar de verbruikers brengen. Voor het SF6-gas geldt dat het gebruik in windturbines klein is. Per turbine wordt er ongeveer 10 kg SF6 gebruikt, inclusief het SF6 dat gebruikt wordt voor de schakelaars en transformator. De kans dat het gas vrijkomt is klein. Een lekkage van SF6 kan ontstaan bij machinaal falen, slijtage, onderhoud of het afbreken van de windturbines en wordt geschat op minder dan 0,1% per kaar uit een windturbine9. Er zijn dus nauwelijks gevolgen van het gebruik van SF-gas. Daarbij komt dat er momenteel in de hoogspannings-branche gewerkt wordt aan alternatieven en een eerste windturbinefabrikant binnenkort de eerste SF6-vrije hoogspanningsswitches levert. Om de uitstoot van het broeikasgas SF6 in perspectief te plaatsen, de aan SF6 gerelateerde uitstoot per windturbine over 15 jaar komt overeen met circa 530 Kg CO2-uitstoot. De CO2 besparing die de voorziene windturbines per stuk realiseren is circa 107.100.000 kg. De aan SF6 gerelateerde uitstoot is dus 0,0005% van de vermeden CO2-uitstoot en wordt door de windturbine ruimschoots gecompenseerd. Anders bekeken: 530 Kg CO2-uitstoot over 15 jaar is minder dan één personenauto met verbrandingsmotor in één jaar uitstoot11.
De positieve bijdrage van de windturbines aan het voorkomen van klimaatveranderingen wegen dus ruimschoots op tegen de verwaarloosbare gevolgen van SF6 gas in de windturbines, zo stelt ook het RIVM9.
2.4.3 Recreatie In de zienswijzen wordt ingegaan op het feit dat de locatie van het project ook een recreatiegebied is en er recent investeringen in de recreatieve voorzieningen in het gebied zijn gedaan. Volgens de indieners gaat de realisatie van de twee windturbines niet samen met de recreatieve doelen van het gebied. In het kader van het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de verwachte gevolgen van de realisatie van de twee windturbines op recreatie. De resultaten van dit onderzoek zijn in paragraaf 5.9.2. van de toelichting op het bestemmingsplan beschreven. Het onderzoek zelf vormt bijlage 15 bij het bestemmingsplan. Gezien de recente ontwikkelingen is het Quackstrand een stuk aantrekkelijker geworden. Hierdoor is niet te verwachten dat gasten die in de nabijheid verblijven voor een ander strand zullen kiezen. Er zou wel een negatief effect kunnen zijn voor daggasten die bij Boelies of The Shamrock Inn gast zijn. Daarom is een planregel opgenomen om effecten voor deze horeca te voorkomen. Deze aanvullende planregel voor slagschaduw is opgenomen in het bestemmingsplan (om hinder voor horecabezoekers in het hoogseizoen te voorkomen). Concreet mag er maximaal 30 minuten slagschaduw per jaar optreden gedurende de periode van 1 mei tot en met 15 september tijdens openingstijden van de horecagelegenheden.
Er is maximaal 30 minuten toegestaan omdat er altijd enige tijd (circa 1 minuut) nodig is om de windturbine uit te schakelen nadat de zonneschijnsensor detecteert dat er sprake kan zijn van slagschaduw. Doel van de planregel is de optredende slagschaduw op de twee horecagelegenheid geheel te voorkomen in het hoogseizoen. Voor strandbezoekers worden geen nadere maatregelen nodig geacht omdat enerzijds het geluid van de windturbines overstemt wordt door het achtergrondgeluid van andere recreatieve activiteiten op het strand en de windturbines bovendien op zonnige zomerdagen minder geluid produceren omdat dit veelal dagen 11 de uitstoot van 1 liter benzine die verbruikt wordt in een verbrandingsmotor is circa 2.269 gram CO
2
Pagina 16
zijn waarop het beperkt waait. In het onderzoek naar slagschaduw (bijlage 6 bij het bestemmingsplan) is inzichtelijk gemaakt welke slagschaduw op het strand kan optreden. Gezien de stand van de windturbines ten opzichte van het strand kan dit alleen in de avonduren (na 17:30 uur) optreden, wanneer de meeste strandgasten inmiddels weer vertrokken zullen zijn. Het gaat daarnaast om een beperkte duur per jaar, afhankelijk van de locatie op het strand tussen de 20-75 uur per jaar. Daarmee is de verwachting dat dit geen significant effect heeft op de recreatiemogelijkheden op het strand.
2.4.4 Luchtvaartverlichting In meerdere zienswijzen komt naar voren dat gevreesd wordt voor hinder door knipperende verlichting bovenop de windturbines. Gevraagd wordt of het mogelijk is om luchtvaartverlichting alleen in te schakelen indien dit noodzakelijk is. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaarde opgenomen dat de windturbines moeten worden voorzien van obstakelverlichting op basis van een goedgekeurd verlichtingsplan door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). In dit verlichtingsplan wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om effecten te beperken (bijvoorbeeld door vastbrandende verlichting en/of gebruik van een transpondersysteem waarmee de verlichting alleen brand bij nadere vliegtuigen of helikopters). Voor toepassing van een transpondersysteem moet toestemming gevraagd worden bij ILT. De gemeente streeft ernaar om effecten zoveel mogelijk te beperken en heeft een voorkeur voor het toepassen van een dergelijk systeem.
2.4.5 Vogeldetectiesysteem In enkele zienswijzen wordt verzocht om de toepassing van een vogelradar of vogeldetectiesysteem dat de windturbines uit kan schakelen indien er risico’s voor vogels ontstaan. Dit is nu niet voorgeschreven in het bestemmingsplan. Er zijn de afgelopen jaren steeds meer systemen ontwikkeld die vogels kunnen signaleren en de windturbines automatisch afschakelen bij risico’s op aanvaringen (botsingen) tussen de vogel en de windturbine. Sommige systemen werken met radartechnologie, andere op basis van slimme camerasystemen. Momenteel zijn deze systemen nog volop in ontwikkeling en kunnen ze nu vooral grotere vogelsoorten, zoals de zeearend, goed detecteren. De initiatiefnemer heeft aangegeven de windturbines te zullen voorzien van een detectiesysteem, waarbij de keuze voor het type systeem uiteindelijk wordt bepaald door ervaringen op andere plaatsen en beschikbare technologie. Dit is in eerste instantie geborgd via de ontheffing Wet natuurbescherming, maar wordt volledigheidshalve ook toegevoegd in een planregel in het bestemmingsplan (zie ook deel 3: voorgestelde aanpassingen). Het betreft dan specifiek een systeem dat zich richt op het voorkomen van slachtoffers onder de zeearend.
Pagina 17
3 Deel 2: beantwoording per zienswijze In bijlage 1 is per ingediende zienswijze een puntsgewijze samenvatting gemaakt en is deze voorzien van een antwoord. In veel gevallen is sprake van inhoudelijk dezelfde of sterk vergelijkbare punten en onderwerpen. Waar dit het geval is, wordt verwezen naar eerdere antwoorden of naar de algemene beantwoording onder deel 1 van deze nota van antwoord.
Pagina 18
4 Deel 3: Voorgestelde aanpassingen in het bestemmingsplan en/of besluiten naar aanleiding van zienswijzen Uit de zienswijzen is een drietal punten voortgekomen die zullen worden aangepast in het definitieve bestemmingsplan / omgevingsvergunning. Het betreft de volgende onderdelen:
1.
Opnemen Lnight norm als aanvullend
In veel zienswijzen wordt gevraagd om naast een etmaal norm ook een norm voor de nachtperiode op te nemen. Hoewel een Lden norm ook de nachtperiode omvat en er geen directe noodzaak is tot het opnemen van een norm voor de nachtperiode afzonderlijk is de gemeente toch voornemens om dit te doen. Met het opnemen van een Lnight norm is namelijk specifiek de nachtelijke geluidbelasting ook geborgd en is die situatie ook handhaafbaar. Dit zal in de planregels van het bestemmingsplan worden opgenomen. In de planregels van het bestemmingsplan wordt artikel 3.1.1 lid a als volgt worden aangepast: a) het geluidniveau op de gevel van geluidgevoelige objecten, veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming 'Bedrijf - Windturbinepark' tezamen, mag niet meer bedragen dan 45 dB Lden en 39 dB Lnight;;
2.
Voorschrift controlemeting geluid in vergunning
In de omgevingsvergunning ontbreekt ten onrechte een voorschrift dat verplicht tot het doen van een controlemeting van het brongeluidvermogen van de windturbines. Dit voorschrift is toegevoegd en luidt als volgt: “Binnen 6 maanden na oprichting van de windturbines dient door de vergunninghouder een bronsterktemeting te worden uitgevoerd waaruit blijkt dat het bronvermogen van de geplaatste windturbines overeenkomt met de door de fabrikant verstrekte gegevens. Voor uitvoering van de bronsterktemeting wordt de standaard meetmethode als bedoeld in Hoofdstuk 2 van het Reken- en meetvoorschrift windturbines toegepast. Rapportage hierover aan het bevoegd gezag moet uiterlijk 2 maanden na uitvoering van de meting plaatsvinden, maar uiterlijk binnen 6 maanden na oprichting van de windturbines.”
3.
Woningen in de omgeving van het plangebied.
In een aantal zienswijzen wordt aangegeven dat in paragraaf 3.1 van de toelichting op het bestemmingsplan staat aangegeven dat ten onrechte niets gezegd wordt over het aantal woningen in de omgeving van het plangebied. Hoewel in de onderzoeken hier ruimschoots aandacht aan besteed wordt, zal een verduidelijkende passage opgenomen worden in paragraaf 3.1 van de toelichting, die luidt als volgt “In de omgeving van het plangebied zijn meerdere woningen aanwezig. De dichtstbijzijnde woning is gelegen aan de Duinweg 9 op een afstand van circa 800 meter. Er zijn meerdere verspreid liggende woningen gelegen aan de Duinweg op een afstand van circa 890 meter tot 1.100 meter. Overige verspreid liggende woningen zijn op grotere afstand gelegen. De kern Rockanje ligt op ruim 2,5 kilometer en de kern Hellevoetsluis ligt op een afstand van ruim 3,5 kilometer.”
Pagina 19
4.
Tekstuele wijzigingen en kaartaanpassingen
In de zienswijzen wordt een aantal kleinere tekstuele aanpassingen voorgesteld en wordt gevraagd om het kaartmateriaal zoveel als mogelijk de huidige strandlijn, de aangebrachte parkeerplaatsen bij het Quackstrand en de bootsteiger in beeld te brengen. Dit leidt tot enkele aanpassingen in de toelichting op het bestemmingsplan: •
In paragraaf 3.1 wordt de tekst ‘het Noordzeestrand van Hellevoetsluis ten zuiden van het strand van Rockanje’ en wordt aangegeven dat de bootsteiger inmiddels gerealiseerd is.
•
Op de Plankaart en kaartmateriaal in figuur 4.3, 5.1, 5.6 en 5.11 worden de huidige strandlijn en de aangebrachte parkeerplaatsen in de kaartondergrond aangepast;
•
In de toelichting staat per abuis een verkeerde nummering van de figuren. Er is twee keer figuur 5.7. De nummering wordt volgordelijk aangepast.
5.
Opnemen planregel over een signalerings- en detectiesysteem voor vogels.
In enkele zienswijzen wordt verzocht om de toepassing van een vogeldetectiesysteem dat de windturbines uit kan schakelen indien er risico’s voor vogels ontstaan. De initiatiefnemer is voornemens een dergelijk systeem te installeren, dat zich specifiek richt op het voorkomen van risico’s voor de zeearend. In eerste instantie is dit geborgd via de ontheffing in het kader van de wet natuurbescherming, waarvoor de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag is. In de planregels is een gebruiksregel opgenomen om te borgen dat er in het windpark maatregelen worden getroffen zodat de kans op aanvaringsslachtoffers van de zeearend zo veel mogelijk worden voorkomen. Er zijn diverse technieken beschikbaar zijn die geschikt zijn. Sommige systemen werken met radartechnologie, andere op basis van slimme camerasystemen. Momenteel zijn deze systemen nog volop in ontwikkeling en kunnen ze nu vooral grotere vogelsoorten, zoals in ieder geval de zeearend, goed detecteren. Een beelddetectiesysteem in combinatie met een specifieke stilstandregeling biedt op dit moment optimaal resultaat. De gebruiksregel is zodanig geformuleerd dat er keuzevrijheid is voor het te realiseren (detectie)systeem en de te gebruiken techniek.
Ditzelfde systeem is uit te breiden voor andere grote (roof)vogelsoorten, maar dan dient eerst nader bepaald en gedefinieerd te worden om welke specifieke vogelsoorten dit gaat waarvan de aanvaringsslachtoffers nader beperkt moeten worden, of dit noodzakelijk en doelmatig is, en of deze ook werkelijk door het systeem te onderscheiden zijn. Vervolgens kan het te realiseren systeem hier nader op ingeregeld worden. De planregel beperkt zich daarom nu specifiek tot de zeearend maar het systeem biedt ruimte voor meer soorten. Het detectiesysteem voor (andere) grote vogelsoorten is niet noodzakelijk vanuit de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Artikel 3.3.4 lid e wordt daarvoor toegevoegd en luidt: e) alvorens de in artikel 3.1 bedoelde windturbines in werking te stellen, dienen zodanige maatregelen te zijn getroffen dat de kans op aanvaringslachtoffers met in ieder geval de zeearend (Haliaeetus albicilla) nihil is.
Ambtshalve wijzigingen Verder zijn er nog enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd in het bestemmingsplan die geen juridische gevolgen hebben. Zie voor een overzicht van deze wijzigingen paragraaf 8.2 van de toelichting van het bestemmingsplan.
Pagina 20
Pagina 21
5 Bijlagen Deze nota van antwoord bevat enkele bijlagen waarom ter verduidelijking is gevraagd door indieners. Het betreft een drietal kaarten die ingaan op de geluidbelasting (in dB L den en Lnight) en verwachte slagschaduwduur per jaar. •
Bijlage 1 Tabel puntsgewijze beantwoording zienswijzen
•
Bijlage 2 Kaart Geluidscontouren in Lden
•
Bijlage 3 Kaart Geluidscontouren in Lnight
•
Bijlage 4 Kaart Slagschaduwcontouren
Pagina 22
Bijlage 1 Tabel puntsgewijze beantwoording zienswijzen
Nr.
Naam
1
Particulier
Zaaknummer Samenvatting zienswijze zienswijze 37073-2023 1. Het plaatsen van twee nieuwe windturbines past niet binnen het geldende bestemmingsplan. 2. Volgens activiteitenbesluit en -regeling had de gemeente vooraf een PlanMER moete n uitvoeren, ongeacht het aantal te plaatsen windturbines.
Beantwoording
1. Om de twee nieuwe windturbines mogelijk te maken, wordt het bestemmingsplan aangepast. 2. Het Nederlandse Besluit m.e.r. schrijft voor dat een PlanMER noodzakelijk is ingeval een windproject van 3 of meer windturbines. Zie ook de algemene onderwerpen onder 2.2.1 SMB-richtlijn – (plan) MER-plicht. 3. Er is onvoldoende rekening gehouden met alle relevante aspecten en 3. Voor het opstellen van het ontwerp-bestemmingsplan zijn ook onderzoeken individuele belangen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen. uitgevoerd naar de effecten van geluid en slagschaduw. In deze onderzoeken is Er zal waardevermindering, kapitaalvernietiging en geluidshinder ontstaan en uitgegaan van een worst-case benadering; de effecten kunnen uiteindelijk lager daarmee op de lange duur gezondheidsklachten voor direct betrokkenen. Door uitvallen, maar niet erger. Uit de onderzoeken blijkt dat ook na plaatsing van de slagschaduw zullen inkomsten uit toerisme dalen. windturbines er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat blijft. Gezien de afstand tot woningen zijn geen grote effecten op waardevermindering te verwachten. Onderzoek naar toerisme en recreatie toont aan dat eventuele effecten beperkt zijn. 4. Er is onvoldoende rekening gehouden met later gepubliceerde onderzoeken 4. Voor de twee windturbines is onderzoek naar effect van geluid uitgevoerd. naar effecten dan de RIVM-richtlijn.