(bijlage 20) Econsultancy rapportage Bijlage 15 bij toelichting
Tekst van het document
De ensemblewaarde (of contextwaarde) is de meerwaarde die aan een monument wordt toegekend, op
18039.001 versie 1
30 / 34
grond van de mate waarin sprake is van een archeologische en landschappelijke context. De representativiteit is tenslotte de mate waarin een bepaald type monument karakteristiek is voor een periode dan wel een gebied voorkomt. Eerst wordt er een afweging gemaakt op basis van de drie inhoudelijke kwaliteitscriteria; zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Bij een bovengemiddelde score van zeven of meer punten is de vindplaats behoudenswaardig. Bij een lagere score wordt nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is. Zeldzaamheid: A. Er zijn nederzettingssporen uit de Romeinse tijd bekend in de omgeving. Dit betreft echter voornamelijk losse vondsten en soms één of enkele sporen. Het greppelsysteem krijgt daarom een gemiddelde score wat betreft de zeldzaamheid. B. Er zijn nederzettingssporen uit de Middeleeuwen bekend in de omgeving. Een gaaf greppelsysteem, met een omgreppeling van een mogelijk erf is echter zeldzaam. Daarnaast zijn de veenwinningssporen van middelmatige zeldzaamheid. Alles bij elkaar scoort vindplaats B hoog voor zeldzaamheid. C. Sloten en wegen uit de Nieuwe tijd zijn in grote aantallen bekend in de omgeving. Vindplaats C scoort dan ook laag wat betreft de zeldzaamheid. Informatiewaarde: Vindplaats A scoort gemiddeld wat betreft de zeldzaamheid. De informatiewaarde van een greppelsysteem is echter niet uitermate groot.
Wel kunnen er bijbehorende structuren worden verwacht in de directe omgeving van het systeem. Vindplaats A scoort dan ook gemiddeld wat betreft de informatiewaarde. Aangezien vindplaats B zeldzaam is, is de informatiewaarde hoog. De vindplaats kan informatie toevoegen aan de bewoningsgeschiedenis van Brielle en een aanvulling zijn op de andere onderzoeken in de regio. Vindplaats C scoort echter middelmatig in haar informatiewaarde. Onderzoek naar de opbouw en locatie van een weg uit de Nieuwe tijd die niet is gekarteerd kan waardevolle informatie opleveren over het verleden van Brielle en haar omgeving. De verkavelingssloot zal echter geen nieuwe informatie opleveren. Ensemblewaarde: A. Er zijn enige Romeinse vindplaatsen aangewezen in de omgeving, echter heeft er vaak geen opgraving plaatsgevonden en is er slechts een kansrijk niveau of vondstlaag aangetroffen. Gezien de aanwezigheid van een greppelsysteem in het plangebied scoort vindplaats A dan ook hoog in ensemblewaarde. B. Hetzelfde geldt voor middeleeuwse vindplaatsen in de omgeving. Gezien de aanwezigheid van een intact greppelsysteem, een omgreppeling van een mogelijk erf en veenwinningssporen scoort vindplaats B dan ook hoog voor de ensemblewaarde. C. Er zijn veel sites met restanten uit de Nieuwe tijd in de omgeving. De mate waarin deze vindplaats bij kan dragen aan de kennis over deze periode is relatief laag.
Hierdoor scoort vindplaats C middelhoog voor de ensemblewaarde. De totale score voor de inhoudelijke kwaliteit is dus zeven voor vindplaats A, negen voor vindplaats B en vijf vindplaats C. De waardering van de vindplaatsen A en B is op basis van deze criteria hoog en vindplaats C middelhoog.
18039.001 versie 1
31 / 34
Samenvatting waardering Er wordt gesproken van een behoudenswaardige vindplaats indien de fysieke kwaliteit minimaal vijf punten of de score van de inhoudelijke kwaliteit zeven punten of meer bedraagt. In onderstaande tabel wordt de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaatsen weergegeven (tabel 7-2). Tabel 7-2 Waardering vindplaatsen Vindplaats A B C
Fysieke kwaliteit 6 6 4
Inhoudelijke kwaliteit 7 9 5
Behoudenswaardig ja ja nee
Uit de bovenstaande tabel met waardering blijkt dat vindplaatsen A en B behoudenswaardig zijn en vindplaats C niet behoudenswaardig is.
18039.001 versie 1
32 / 34
7.2 Selectieadvies De hoge waardering van de vindplaatsen A en B leidt tot een selectieadvies: behoudenswaardig. Het selectieadvies is daarom dan ook om deze vindplaatsen in situ te behouden. Door de geplande ontwikkelingen is dit echter niet mogelijk. De invloed van de toekomstige ontwikkelingen is namelijk tweedelig: gravende verstoring en bodemzetting. Vanwege de ophoging van het plangebied met minimaal 0,5 m zullen de meeste ontgravingen de archeologische waarden niet verstoren en is de gravende verstoring relatief klein. Uitzondering hierop vormen delen van de kreek ter hoogte van de ondiepste archeologische niveaus. Het bodemarchief zal echter door de ophoging worden aangetast. De ondergrond waar de archeologische waarden zich in bevinden bestaat namelijk uit veen, wat uitermate gevoelig is voor bodemzetting. De voorspelde mate van bodemzetting is weergegeven in tabel 7-3. Door deze zetting zullen de archeologische vindplaatsen worden vervormd en worden structuren en vondsten mogelijk uit context gedrukt. Beide vindplaatsen (A en B) zijn hier gevoelig voor. Vindplaats A vanwege mogelijk aanwezige structuren en/of vondstconcentraties binnen het greppelsysteem. Vindplaats B vanwege de soms complexe aard van huisplaatsen of nederzettingen. Het koppelen hiervan aan de vindplaats zal worden bemoeilijkt door bodemzetting.
Uit het bovenstaande blijkt dat, ondanks geringe gravende verstoringen, het bodemarchief in het hele plangebied door de ophoging wordt bedreigd. Tabel 7-3 Mate van bodemzetting per strekkende meter beneden maaiveld. 18 Diepte t.o.v. het maaiveld 0-1 m 1-2 m 2-3 m
Bodemzetting ophoging 0,5 m 0,5 - 5% 5 - 15% 5 - 15%
Bodemzetting ophoging 1m 1 - 10% 10 - 30% 10 - 30%
Om de behoudenswaardige vindplaatsen te beschermen zijn er twee opties: behoud in situ en ex situ. Behoud in situ kan binnen het plangebied worden gerealiseerd door de vindplaatsen niet te verstoren met gravende ingrepen én het toepassen van het zogeheten ‘archeologievriendelijk bouwen’. Voor richtlijnen voor het opstellen van een archeologievriendelijk bouwplan wordt verwezen naar de Handreiking Belasten van de bodem in een archeologievriendelijk bouwplan.19 Kort samengevat kan er op een zettingsgevoelige vindplaats een totale belasting van 0,8 ton/m2 rusten. Wanneer dit niet wordt overschreden zullen alleen de gravende ingrepen de vindplaatsen verstoren. Zie de kaart hieronder voor de maximale ontgravingsdieptes binnen het plangebied, waarbij de vindplaatsen veilig worden gesteld bij een archeologievriendelijk bouwplan.
18
Zettingskaarten RCE
19
Handreiking Belasten van de bodem in een archeologievriendelijk bouwplan, 2016
18039.001 versie 1
33 / 34
Figuur 7.1 De maximale ontgravingsdieptes waarbij de aangetroffen vindplaatsen ongestoord blijven bij een archeologievriendelijk bouwplan (belasting van max 0,8 ton/m2).
Als het niet mogelijk is om archeologievriendelijk bouwplan op te stellen en behoud in situ dus niet mogelijk is wordt geadviseerd vindplaatsen A en B verder te onderzoeken. Om Vindplaatsen A en B te onderzoeken is een aantal regio’s aangewezen voor verder onderzoek (figuur 7.2). Deze regio’s beslaan de belangrijkste delen van de vindplaatsen, zoals weergegeven in hoofdstuk 5. De omtrek van deze regio’s is gebaseerd op spoor- en vondstdichtheid, de aan of afwezigheid van cultuurlagen en het voorkomen van locaties die gedurende meerdere perioden bewoond waren:
18039.001 versie 1
34 / 34
I. II.
III.
IV.
De regio waarbinnen mogelijk een huiserf uit de Middeleeuwen aanwezig is. Hier moet een vlak worden aangelegd op het middeleeuwse niveau. Een regio met zowel een grote concentratie sporen- en vondsten uit de Late-IJzertijd/Romeinse tijd als de Middeleeuwen. Hier moet een vlak worden aangelegd op het Late-IJzertijdse/Romeinse en middeleeuwse niveau. Een regio met zowel een grote concentratie sporen- en vondsten uit de Late-IJzertijd/Romeinse tijd als de Middeleeuwen. Hier moet een vlak worden aangelegd op het Late-IJzertijdse/Romeinse en middeleeuwse niveau. Een regio waar een relatief hoge concentratie sporen en vondsten aanwezig is, samen met een sterk ontwikkelde cultuurlaag. Hier moet een vlak worden aangelegd op het Late-IJzertijdse/Romeinse niveau.
Figuur 7.2 Advieskaart met daarop de regio’s binnen het plangebied die in aanmerking komen voor vervolgonderzoek.
Aangezien het om grote oppervlaktes gaat wordt geadviseerd om het vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een zogeheten 50% opgraving. Hierbij zal het vlak in stroken worden aangelegd. Als in de eerste strook geen sporen of vondsten liggen wordt de tweede strook overgeslagen en zal weer verder worden gegraven in de derde strook. Wanneer er sporen of vondsten zijn wordt verder gegraven in de tweede strook. Op deze manier kunnen de vindplaatsen gedegen worden onderzocht zonder dat er wordt gegraven in ‘lege’ gebieden.
18039.001 versie 1
35 / 34
Bovenstaand selectieadvies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Voorne aan Zee), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Voorne aan Zee wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de provincie Zuid-Holland of de gemeente Voorne aan Zee.
8
CONCLUSIE
Tijdens het proefsleuvenonderzoek in het plangebied aan de Oude Goote te Vierpolders zijn 38 proefsleuven aangelegd met een gezamenlijke oppervlakte van circa 4380 m². In de proefsleuven zijn drie vindplaatsen aangetroffen. Vindplaats A bestaat uit een greppelsysteem met cultuurlaag uit de Romeinse tijd. Vindplaats B bestaat uit een greppelsysteem, veenwinningssporen en een mogelijke nederzetting uit de Middeleeuwen. Vindplaats C bestaat uit een weg en een verkavelingssysteem bestaande uit sloten uit de Nieuwe tijd. In het gehele onderzoeksgebied is vondstmateriaal uit voornamelijk de Romeinse tijd en Late-Middeleeuwen aangetroffen met een klein component materiaal uit de Nieuwe tijd. Uit de waardering op de door de KNA voorgeschreven wijze blijkt dat de vindplaatsen A en B behoudenswaardig zijn.
18039.001 versie 1
36 / 34
LITERATUUR Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland De hogere niveaus. Wageningen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport, NITG 05-043-A). Brunsting, H., 1937: Het grafveld onder Hees bij Nijmegen. Een bijdrage tot de kennis van Ulpia Noviomagus, Amsterdam. Dorst, M.C., 2006: Brielle, Plangebied Nieuwland – Oost, de zuidwesthoek van de kruising Hossenbosdijk en Veckdijk. Een bureauonderzoek en een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, BOORrapporten 335. Groote, K., 2008: Middeleeuws aardewerk in Vlaanderen. Techniek, typologie, chronologie en evolutie van het gebruiksgoed in de regio Oudenaarde in de volle en Late-Middeleeuwen (10de-16de eeuw). Relicta Monografieën 1 (proefschrift), Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen, Brussel. Hiddink, H., 2010: Romeins aardewerk van de Zuid-Nederlandse zandgronden. Materialen en Methoden 2, Amsterdam. Kars, H. 1983. Het maalsteenproductiecentrum bij Mayen in de Eifel. Grondboor en Hamer 3/4. p. 110-120 Oldenzaal. Krauwer, A., 2021: Programma van Eisen Proefsleuven Plangebied Oude Goote, Nieuwland Oost, Gemeente Voorne aan Zee, projectnummer TML 1175.86.
Normalisatie-Instituut, Nederlands, 2020: NEN-EN-ISO 14688-1:2019+NEN 8990:2020 nl: Geotechnisch onderzoek en beproeving - Identificatie en classificatie van grond - Deel 1: Identificatie en beschrijving. Delft. Pluis, J., en R. Stupperich, 2011: Mythologische voorstellingen op Nederlandse tegels, Leiden. Rijksdienst van Cultureel Erfgoed, 2016: Handreiking Belasten van de bodem in een archeologievriendelijk bouwplan, Amersfoort Schiltmans, D.E.A., 2004: Plangebied Nieuwland-Oost, gemeente Voorne aan Zee; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase), RAAP rapport 1100.
18039.001 versie 1
37 / 34
BRONNEN Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, januari 2023. https://archis.cultureelerfgoed.nl Zettingskaarten, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), november 2022. https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2019/01/01/zettingskaarten
18039.001 versie 1
38 / 34
KAARTEN
18039.001 versie 1
1 / 34
Kaart 1.
18039.001 versie 1
Overzicht proefsleuven
1 / 34
Kaart 2.
18039.001 versie 1
Allesporenkaart
2 / 34
18039.001 versie 1
3 / 34
Kaart 3.
18039.001 versie 1
Profielen en hoogtes
1 / 34
18039.001 versie 1
2 / 34
Kaart 4.
18039.001 versie 1
Totaaloverzicht
3 / 34
Kaart 5.
18039.001 versie 1
Vindplaatsbegrenzing en locaties voor verder onderzoek
4 / 34
BIJLAGEN
18039.001 versie 1
1 / 34
Bijlage 1.
Sporenlijst
Spoor nummer
Werkput
Vlak
Aard
Kleur
1
1
1
NATUURLIJK
BR
veen
2
1
1
GEUL
GR
Ks2
3
2
1
GR
GR
Ks3
4
2
1
GR
LIBR
Ks3
5
3
1
KL
BR TGR
6
3
1
GR
LIBR
Ks2
7
3
1
GEUL
GR TBR
Ks3
8
3
1
NATUURLIJK
GR T BR GEVL.
Ks3
9
3
1
NATUURLIJK
GR TBR
Ks3
10
5
1
GEUL
GR
Ks3
11
5
1
GEUL
GR
Ks3
12
6
1
GR
GR
Ks2
13
7
1
GEUL
LIGR
Ks3
14
7
1
GEUL
GR TBR
Kz1
15
8
1
GEUL
LGR
Zs3
16
8
1
GEUL
GR
Zs3
17
8
1
PK
BR
opht
18
8
1
GEUL
LGR MET BR VL
Zs3
19
8
1
GEUL
LGR MT R VL
hele schelpen
Zs3
20
9
1
GEUL
GR
zeer veel schelp in een baan aan de rand
Kz2
18039.001 versie 1
Insluitsels
ven bio
Materiaal
Datering
Ks2
1 / 34
21
9
1
GEUL
GR
22
11
2
GEUL
BL TGR
23
12
2
GEUL
BL T GR
KS2
24
12
2
PK
DOGR TBR
VERVALT
25
12
2
GEUL
GR
humeuze bandjes
Ks3
26
13
1
GR
GR TBR
LIGR Zs2 brokken + bandjes
Zs2
27
13
2
GEUL
BR TGR
Ks2
28
14
1
GEUL
BR
Ks2
29
14
2
GR
GR
Ks2
30
15
2
GR
BR TGR
31
15
2
GR
BR
32
16
1
GEUL
GR
klei e veen bndjs en brok
Zs3
33
17
2
GEUL
LIGR
H-vlekjes + sch 1
Kz3
34
17
2
GEUL
BR TGR
35
17
2
GEUL
LIGR
sch2 + H-vlekjes
Ks4
36
17
2
GR
LIBR
veen
Ks2
37
17
2
GEUL
BR TGR
rietresten
Ks2
38
17
2
GR
BR
39
17
2
KL
DOBR
40
18
2
GEUL
DOBR
Vk2
41
18
2
GR
GR TBR
Vk3 H2
18039.001 versie 1
Kz1 humeuze laagjes + hele schelpen
rietresten
Zs2
1200-1300
Ks2 Vk2
Ks2
900 - 1200
Zs3 Ks2 brokken + mos
V
900 - 1250
2 / 34
42
19
1
GEUL
GRLBR
schelpen
Ks3
43
19
1
GEUL
LIGR T BR
hele schelpen
Kz2
44
19
2
GEUL
BLGR
schelp
Ks2
45
20
2
GEUL
DOBR
Kz2 H1
46
20
2
SLOOT
LIBR TGR
Ks2
47
20
2
KL
GR
Zs2
48
20
2
KL
GR
Ks2
49
20
1
GEUL
GR
50
21
1
KL
DOBRZW VGR
51
21
1
GEUL
LIGR
sch2
Zs3
52
21
2
GR
BR TGR
V brokken + riet
Ks2
53
22
1
KREEK
GR
sch1 + K brokken, banen
Zs3
54
23
1
SLOOT
BR TGR
Bkr + HK + Sch
Ks2
55
23
2
GEUL
GR
56
24
1
GEUL
GR
57
24
1
GEUL
BR TGR
Ks3 H1
58
24
1
GEUL
GR
Kz3 H2
59
25
1
GEUL
GR
60
25
1
GEUL
GR
61
25
1
GEUL
GR
sch1
Ks4
62
26
1
GEUL
BLGR
sch gruis 1
Ks2
18039.001 versie 1
hele schelp banden+riet
Zs3
Vk1
900 - 1250
1750 - 2000
Ks2 H2 Fe1+ zandlagen
humeuze vlekken
Ks4
Ks3 Ks2
1500 - 1865
1200 - 1300
3 / 34
63
26
1
GR
BLGR
LIBL brokken
Ks3
64
27
1
GEUL
GRBR
humeuze lagen
Ks2
65
27
1
GEUL
GRBR
66
28
1
GEUL
DOGRBR
veenbrokken
Ks2
67
28
1
GEUL
DOGRBR
veenbrokken + drijfhout
Ks3
68
28
1
GEUL
GR
69
29
1
GEUL
GRBR
zandbanen
Ks4
70
29
1
GEUL
GRBR
zandbanen
Ks4
71
31
1
GEUL
LIGR
sch2
Kz3
72
31
1
73
31
1
GEUL
GR
sch1
Ks2
74
31
1
GEUL
LIGR VBR
sch1
V
75
31
1
GEUL
LIGR
sch fragm. 1
Ks2
76
32
1
GEUL
LIGR
sch1
V
77
33
2
GEUL
GR
sch1
Ks3
78
34
2
GEUL
GR
sch1
Ks3
79
34
2
GR
GR TBR VLIBR
Ks2
80
34
2
DRAIN
GR
Ks2
81
34
2
GEUL
GR
gelaagd + sch1
Zs3
82
35
2
GEUL
GR
sch1
Ks2
83
35
2
GEUL
GR
sch1 + riet 2 + V&K brokken
Ks2 H1
84
35
2
GEUL
GR
sch1 + V brokken
Ks2 H2
18039.001 versie 1
Ks2
Ks2
NIET UITGEDEELD
900 - 1200
4 / 34
85
35
2
GEUL
GR
sch1
Ks4
86
36
1
GEUL
GR LIGR GELAAGD
sch1
Ks2
87
37
1
88
38
1
GEUL
GR
999
3
1
KL
DOGR TBR
18039.001 versie 1
MANDY?
NIET UITGEDEELD sch1 + V brokken
Ks4 Z3S1
recent
5 / 34
Bijlage 2.
Vondstenlijst
Vondst nummer
Werkput
Vlak
Spoor
Materiaal
Aantal
Vorm/herkomst
Afwerking/magering
1.1.1
2
1
6000
KER
1
pingsdorf
oranje verf spat
2.1.1
5
1
6001
KER
1
3.1.1
5
1
6000
KER
4.1.1
12
2
8000
5.1.1
12
2
6.1.1
13
7.1.1
Artefacttype
Datering
PINGSDRF
900-1200
pingsdorf
PINGSDRF
900-1200
1
pingsdorf
PINGSDRF
900-1200
XXX
0
klei verwassen
XXX
25
ODB
1
dierlijk bot
BOT.DIER
1
26
KBW
1
bouwmat frag
BOUWMAT
14
2
6000
KER
3
indet me
XXX
900-1250
8.1.1
15
1
6000
KER
2
paffrath kogelpot paffrarth
bg-kog-
PAFFRATH
900-1250
9.1.1
17
1
6000
KER
1
bijna steengoed geknepen voet
s4
STG
1275-1325
10.1.1
17
1
34
KER
6
pingsdorf
PINGSDRF
900-1200
11.1.2
17
1
6000
KER
2
paffrath gruis
PAFFRATH
900-1250
11.1.1
17
1
6000
KER
1
Pingsdorf hard baksel
bruine verf
PINGSDRF
900-1200
11.1.1
17
1
6000
KER
5
Pingsdorf
oranje verf
PINGSDRF
900-1200
12.1.2
17
2
39
KER
2
paffrath
PAFFRATH
900-1250
13.1.1
21
50
KER
1
blauwgrijs/kgp
BGRS
900-1250
14.1.1
23
1
54
MXX
1
half hoefijzer
PAARDETG.HOEFIJZR
15.1.1
23
1
54
KER
2
roodbakkend
18039.001 versie 1
Type/specifiek
16 cm
aankoeksel binnenzijde
loodglazuur
ROOD
6 / 34
1700-2000
15.1.2
23
1
54
KER
1
industrieel wit
INDUSWIT
1750-2000
16.1.1
24
1
6000
KER
1
pingsdorf
PINGSDRF
900-1200
17.1.1
9
1
OPHT
1
paaltje aangepunt
XXX
18.1.1
25
1
60
KBW
1
plavuis hoekputje
TEGEL
1500-1865
19.1.1
26
1
62
KER
1
proto-steengoed
PSTG
1200-1300
20.1.1
26
1
6000
KER
1
pingsdorf
PINGSDRF
900-1200
21.1.1
29
1
6000
KER
2
paffrath
PAFFRATH
900-1250
22.1.1
29
1
6000
KER
1
pingsdorf
PINGSDRF
900-1200
22.1.2
29
1
6000
KER
1
kempisch aardewerk
KGP.KEMPISCH
900-1250
23.1.1
30
1
6000
SXX
1
steen
XXX
24.1.1
31
1
6001
KER
1
roodbakkend maasland
ROOD
25.1.1
33
1
6001
KBW
3
bouwmat frag
BOUWMAT
25.2.1
33
1
6001
KER
1
terra sigilatta
TS
0-450
25.2.2
33
1
6001
KER
2
pingsdorf
PINGSDRF
900-1200
25.2.3
33
1
6001
KER
2
badorf
BADORF
700-950
25.2.4
33
1
6001
KER
2
handgevormd
AWH
0-450
25.2.5
33
1
6001
KER
1
paffrath rand kgp
PAFFRATH
900-1100
25.2.6
33
1
6001
KER
8
paffrath?
PAFFRATH
900-1100
25.3.1
33
1
6001
ODB
3
dierlijk bot verbrand
BOT.DIER
25.4.1
33
1
6001
SXX
2
steen
XXX
26.1.1
33
1
6001
KBW
1
bouwmast frag
BOUWMAT
26.2.1
33
1
6001
KER
2
paffrath
PAFFRATH
18039.001 versie 1
verf oranje
bruine verf
7 / 34
1050-1200
900-1250
26.2.2
33
1
6001
KER
1
pingsdorf donker
PINGSDRF
26.3.1
33
1
6001
ODB
2
dierlijk bot, een verbrand
BOT.DIER
26.4.1
33
1
6001
STE
4
tefriet maalsteen
MAALSTN
26.5.1
33
1
6001
SXX
1
kiezel
XXX
27.1.1
33
1
6001
KBW
1
bouwmateriaal tegel ed?
BOUWMAT
27.2.1
33
1
6001
KER
1
paffrath rand kgp
PAFFRATH
900-1250
27.2.2
33
1
6001
KER
1
geverfde waar? bodem
GEVERFD
100-300
27.2.3
33
1
6001
KER
1
LLW grijs rand
BGRS
0-450
27.3.1
33
1
6001
SXX
1
steen gebroken
XXX
28.1.1
33
2
6001
KER
1
paffrath
PAFFRATH
700-950
28.1.2
33
2
6001
KER
2
pingsdorf rand scherp
PINGSDRF
900-1250
28.2.1
33
2
6001
SXX
1
steen
XXX
29.1.1
33
2
77
KER
1
pingsdorf
gele verf
PINGSDRF
900-1200
30.1.1
35
1
8001
KER
3
handgevormd
org
AWH
250 v. chr. 100
31.1.1
36
1
6000
KER
1
pingsdorf
gele verf
PINGSDRF
900-1200
31.1.2
36
1
6000
KER
1
paffrath
PAFFRATH
900-1250
32.1.1
37
1
6000
STE
1
teffriet maalsteen
MAALSTN
997.1.1
9
1
KER
1
porselein
PORSELEI
1775-2000
997.1.2
9
1
KER
1
pijpsteel
kartel rondom
PIJP
1700-1900
997.1.3
9
1
KER
1
roodbakkend
dubbel loodglazuur
ROOD
1550-1900
18039.001 versie 1
tech a/b holw 140-142
8 / 34
900-1200
997.1.4
9
1
KER
1
steengoed behandeld
zoutglazuur engobe
STG
1600-1800
997.1.5
9
1
KER
1
roodbakkend Maaslands
glazuurspat
ROOD
1200-1350
997.1.6
9
1
KER
1
steengoed behandeld westerwald
blauwe banden
STG
1632-1900
998.1.1
9
1
KER
1
steengoed behandeld westerwald
blauw
STG
1632-1900
998.1.2
9
1
KER
1
steengoed behandeld
zoutglazuur engobe
STG
1600-1800
999.1.1
9
1
GLS
1
glas lichtblauw inzet, steel
999.2.1
9
1
KER
1
porselein
999.2.2
9
1
KER
1
faience
999.2.3
9
1
KER
2
witbakkend
999.2.4
9
1
KER
1
pijpsteel trechter
999.2.5
9
1
KER
3
paffrath
999.2.6
9
1
KER
2
roodbakkend oor
999.2.7
9
1
KER
4
pijp dubbelconsich
999.2.8
9
1
KER
4
steengoed behandeld westerwald
999.2.9
9
1
KER
1
steengoed behandeld langerwehe
18039.001 versie 1
XXX
afdruk
PORSELEI
1775-2000
FAYENCE
1625-1800
dubbel glazuur
WIT
1550-1800
rozet dubbel
PIJP
1670-1750
PAFFRATH
900-1250
ROOD
1550-1900
PIJP
1610-1700
kobaltblauw
STG
1632-1900
draairillen
STG
1300-1800
dubbel loodglazuur
9 / 34
999.2.10
9
18039.001 versie 1
1
KER
3
steengoed behandeld mineraalwaterfles
STG
10 / 34
1600-1900
Bijlage 3. Laag
Bodemlagen binnen het plangebied ‘Oude Goote’ Kleur
Materiaal
5000
BR
Ks3 H1
Fe spikkels, bst spikkels.
bouwvoor
5001
DOGR
Ks2 H1
Hk spikkels + bst spikkels
antropogeen verstoord (Nieuwe tijd)
5002
LIBR VDOBR
Ks2
5003
DOGR TBR VZW
Ks2
bst + Fe2
weg (Nieuwe tijd)
5010
BR
Ks3
or. bst, verrommeld
antropogeen verstoord (Nieuwe tijd)
5019
GR
Kz1
Fe concreties, drainage en Hk spikkels
antropogeen verstoord (Nieuwe tijd)
5020
BR
Ks3
sch fragmenten., Fe vlekken.
Laagpakket van Walcheren (Duinkerke III)
5021
LIBR
Zs3
Fe concreties
Laagpakket van Walcheren (Duinkerke III)
5022
LIGR TBR
Ks3
Fe concreties.
vegetatiehorizont, Walcheren (Duinkerke III)
5023
LIBR
Ks2
Fe concreties
Laagpakket van Walcheren (Duinkerke III)
5024
GR TBR
ks2
veenbrokken., Fe
Laagpakket van Walcheren (Duinkerke III)
5025
GR
Ks3
Fe vlekken
Laagpakket van Walcheren (Duinkerke III)
5026
LIGR TBR
Zs3
zandlaagjes, Fe concreties + vlekken.
Laagpakket van Walcheren (Duinkerke III)
5027
LIGR TBR
Zs3
verrommeld (bioturb.), Fe vlekken
Laagpakket van Walcheren (Duinkerke III)
5028
BL TGR
Zs2
veen/humeuze laagjes inspoel met hele sch.
Laagpakket van Walcheren (Duinkerke III)
5029
LIBRGR
Zs3
spoelbandjes, sch fragm. 2, Fe vlek, mangaan
Laagpakket van Walcheren (Duinkerke III)
6000
DOBRZW
V
veraard niveau (ME), Hollandveen (post Romeins veen)
6001
DOBR
V
Hollandveen (post Romeins veen)
6002
BL TGR
Ks2 H1
6003
DOBR
V
rietveen + wortels
Hollandveen (post Romeins veen)
6004
DOBR
V
rietveen met veel rietresten
Hollandveen (post Romeins veen)
6005
BR
V
gelaagd rietveen
Hollandveen (post Romeins veen)
6006
DOBR
V
7000
BRGR
Ks3 H2
8000
BRZW
V
veraard niveau (IJZ/ROM), Hollandveen
8001
DOBR
V
Hollandveen
8002
DOBR
V
8003
DOBR
V
8004
DOBR
V
18039.001 versie 1
Insluitsels
Interpretatie
antropogeen verstoord (Nieuwe tijd)
kleiband in Hollandveen
Hollandveen (post Romeins veen) soms een veenlaagje
riet
Laagpakket van Walcheren (Duinkerke II)
Hollandveen Hollandveen
wortels
Hollandveen
1 / 34
Bijlage 4.
Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Formatie van Peelo
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien
Formatie van Sterksel
2.600.000
18039.001 versie 1
2 / 34
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
1950
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
18039.001 versie 1
3 / 34
Bijlage 5.
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit.
De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden.
18039.001 versie 1
4 / 34
Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven.
De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.
Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een
18039.001 versie 1
5 / 34
begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd.
Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
18039.001 versie 1
6 / 34
Bijlage 6.
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzake▼ lijk wordt geacht. Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Inventariserend veldonderzoek* met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten ▼ ▼ worden over te gaan op het begeleiden van de graafVerkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek werkzaamheden door archeologen.*** Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - booron- oppervlaktekartering derzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel ▼ met bouwkundige voorwaarden).
Ook kan besloten Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie worden over te gaan op het begeleiden van de graaf▼****** werkzaamheden door archeologen.*** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen Besluit ► vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waarde(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ring. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventu▼ ▼ eel met bouwkundige voorwaarden). Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische resten archeologie door door archeologen planaanpassing (variant begeleiding) * Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.