CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

(bijlage 20) Econsultancy rapportage Bijlage 15 bij toelichting

Raadsvergadering 22 juni 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Bestemmingsplan Oude Goote16.142 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE Proefsleuvenonderzoek Oude Goote Vierpolders, gemeente Voorne aan Zee

Rapportage Proefsleuvenonderzoek Oude Goote te Vierpolders, gemeente Voorne aan Zee Opdrachtgever

Gemeente Voorne aan Zee Slagveld 36 3231 AP Brielle

Rapportnummer

18039.001

Versienummer1

2

Datum

31 januari 2023

Opsteller

Dhr. M. Baggerman, KNA archeoloog

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer drs. S.M. Brussé, senior KNA archeoloog

Paraaf

1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Daarom Econsultancy KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

INHOUDSOPGAVE

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

DOELSTELLING ONDERZOEK ...................................................................................................................... 2

3

ARCHEOLOGISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED .............................................................................. 3 3.1 3.2 3.3

4

METHODIEK VELDONDERZOEK.................................................................................................................. 7 4.1 4.2 4.3

5

Ligging en huidige situatie plangebied ........................................................................................... 3 Methodiek vooronderzoek............................................................................................................. 3 Archeologische verwachting op basis van het vooronderzoek ...................................................... 4

Inleiding .......................................................................................................................................... 7 Methodiek proefsleuvenonderzoek ............................................................................................... 7 Onderzoeksvragen ......................................................................................................................... 8

RESULTATEN VELDONDERZOEK............................................................................................................... 10 5.1 5.2 5.3 5.4

Landschapsgenese en bodemopbouw ......................................................................................... 11 Analyse sporen en structuren ...................................................................................................... 14 Vondstmateriaal ........................................................................................................................... 20 Toetsing kansrijke zones .............................................................................................................. 24

6

BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN ................................................................................ 25

7

WAARDERING EN SELECTIEADVIES ......................................................................................................... 29 7.1 7.2

8

Waardering .................................................................................................................................. 29 Selectieadvies ............................................................................................................................... 33

CONCLUSIE .............................................................................................................................................. 36

LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN

TABELLEN Tabel 3-1 Gespecificeerde archeologische verwachting Tabel 5-1 Vindplaatsoverzicht voor het plangebied 'Oude Goote' te Vierpolders. Tabel 5-2. Aangetroffen sporen binnen het plangebied. Tabel 5-3 Overzicht vondstmateriaal Tabel 5-4 Overzicht aardewerksoorten Tabel 7-1 Scoretabel waardestelling van het plangebied Tabel 7-2 Waardering vindplaatsen Tabel 7-3 Mate van bodemzetting per strekkende meter beneden maaiveld. FIGUREN Figuur 1.1 Ligging van het plangebied. Figuur 3.1 Het plangebied van het vooronderzoek van RAAP (links) en BOOR (rechts) (bron: Krauwer, 2021). Figuur 3.2 Kansrijke zones, zoals begrensd door de uitgevoerde booronderzoeken. Figuur 5.1 Overzicht van de aangetroffen vindplaatsen binnen het onderzoeksgebied. Deze kaart is gebaseerd op de verspreiding van sporen, vondsten en cultuurlagen binnen het plangebied. Figuur 5.2 Algemene bodemopbouw binnen het plangebied Oude Goote, zoals gedocumenteerd in profiel 75, werkput 36. Figuur 5.3 De hoogtes van het Romeinse en Middeleeuwse veraarde veenniveau. Figuur 5.4 Vindplaats A met de oriëntatie van het greppelysteem. Figuur 5.5 Coupe spoor 30, een van de noordnoordwest-zuidzuidoost georiënteerde greppels. Figuur 5.6 Coupe spoor 29. Figuur 5.7 Het mogelijke verloop van de erfscheiding aan de hand van de oriëntatie van de gevonden greppels. Figuur 5.8 Coupe spoor 4.

Figuur 5.9 Sporen van veenwinning in het vlak van werkput 20. Figuur 5.10 Spoor 50, zoals waargenomen in profiel 42. Figuur 5.11 De 'Caarte vande Vier Polders' gegeorefereerd met daarop de locatie van de weg (blauwe cirkel) en de sloot (spoor 54) van vindplaats C (bron: oldmapsonline.org). Figuur 5.12. Pingsdorfaardewerk met bruine- en oranje verfversiering. Figuur 6.1 Sporen en vondsten uit het proefsleuvenonderzoek, geprojecteerd op de kaart met 'waardevolle gebieden' uit het vooronderzoek. Figuur 7.1 De maximale ontgravingsdieptes waarbij de aangetroffen vindplaatsen ongestoord blijven bij een archeologievriendelijk bouwplan (belasting van max 0,8 ton/m2). Figuur 7.2 Advieskaart met daarop de regio’s binnen het plangebied die in aanmerking komen voor vervolgonderzoek.

KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5.

Overzicht proefsleuven Allesporenkaart Profielen en hoogtes Totaaloverzicht Vindplaatsbegrenzing en locaties voor verder onderzoek

BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3.

Sporenlijst Vondstenlijst Bodemlagen binnen het plangebied ‘Oude Goote’

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode

18039.001

Opdrachtgever

Gemeente Voorne aan Zee

Toponiem

Oude Goote

Plaats

Vierpolders

Gemeente

Brielle

Provincie

Zuid-Holland

Omvang plangebied

Circa 30,7 ha

Centrumcoördinaten (X/Y)

X: 71.487 / Y: 434.158

Bevoegde overheid

Gemeente Voorne aan Zee Oostzanddijk 26 3221 AL Hellevoetsluis

A. van Oers j.vanoers@voorneaanzee.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

The Missing Link 2e Daalse Dijk 6 3551 EJ Utrecht

A. Krauwer T. 0638298487 E. a.krauwer@the-missinglink.nl

Uitvoeringsperiode

april tot en met september 2022 (doorlooptijd 16 dagen)

Uitvoerder(s)

M. Baggerman (KNA Archeoloog Ma), R. Elsma (sr KNA archeoloog), R. Menting, S. Brussé (sr KNA archeoloog) (Econsultancy), M. Hazenberg en N. Strijker (stagiaires)

Onderzoeksmelding ARCHIS3

5156203100

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy en op termijn het provinciaal depot Zuid-Holland

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van gemeente Voorne aan Zee een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Oude Goote’ te Vierpolders in de gemeente Voorne aan Zee. In het plangebied zal een woonwijk worden ontwikkeld. Hierbij wordt het hele plangebied minimaal 0,5 m opgehoogd en zal een kreek worden gegraven. Het archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om te bepalen of archeologische waarden wel of niet aanwezig zijn in de ondergrond, die door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast/verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het kader van de Erfgoedwet (1 juli 2016) verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. Doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals vermeld in het bureau- en booronderzoek. Het gaat om gebied- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en /of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. In de proefsleuven zijn drie vindplaatsen aangetroffen. Vindplaats A bestaat uit een greppelsysteem met cultuurlaag uit de Romeinse tijd.

Vindplaats B bestaat uit een greppelsysteem, veenwinningssporen en een mogelijke nederzetting uit de Middeleeuwen. Vindplaats C bestaat uit een weg en een verkavelingssysteem bestaande uit sloten uit de Nieuwe tijd. In het gehele onderzoeksgebied is vondstmateriaal uit voornamelijk de Romeinse tijd en Late-Middeleeuwen aangetroffen met een klein component materiaal uit de Nieuwe tijd. Een deel van de aangetroffen resten is behoudenswaardig. Er wordt geadviseerd om de vindplaats A en B in situ te behouden. Indien behoud in situ niet mogelijk is, wordt aanbevolen om de vindplaats op te graven (behoud ex situ). Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Voorne aan Zee), die vervolgens het advies overneemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Voorne aan Zee wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan.

Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de provincie Zuid-Holland of de gemeente Voorne aan Zee.

18039.001 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Voorne aan Zee een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Oude Goote’ te Vierpolders, gemeente Voorne aan Zee (zie figuur 1.1). In het plangebied zal een woonwijk worden ontwikkeld. De woonwijk zal bestaan uit huizen en zal niet onderkelderd worden. Ten behoeve van de woonwijk wordt het hele plangebied minimaal een halve meter opgehoogd. Uitzondering hierop vormt een kreek die in het zuidoosten van het plangebied zal worden gegraven. Precieze verstoringsdieptes zijn tot op heden onbekend. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden wel of niet aanwezig zijn in de ondergrond, die door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast/verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het kader van het beleid van de gemeente Voorne aan Zee/de Erfgoedwet (1 juli 2016) verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 6)

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied.

18039.001 versie 1

1 / 34

2

DOELSTELLING ONDERZOEK

Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebied- of vindplaatsgericht onderzoek. Het IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Belangrijk is dat op basis van het inventariserend veldonderzoek een beslissing kan worden genomen of verder archeologisch (voor)onderzoek in het gebied noodzakelijk en verantwoord is. De waardering van een eventuele vindplaats dient volgens de richtlijnen van de KNA 4.1 protocol 4003 te gebeuren, zodat een gefundeerde onderbouwing van verder beleid met betrekking tot de archeologische waarden binnen het terrein mogelijk is. In het selectieadvies kan bovendien worden aangegeven: welke aangetroffen archeologische sporen behoudenswaardig zijn; daarbij mag een nuancering worden toegepast, zoals op de archeologische monumentenkaart gebruikelijk is (van waarde, hoge waarde, zeer hoge waarde).

welke aanbevelingen te geven zijn met betrekking tot de bij vervolgonderzoek toe te passen strategieën, methoden en technieken (zowel opgravingen als uitvoeringsbegeleiding); hierbij mogen uitspraken worden gedaan over de trefkansen op nog niet onderzochte delen van het terrein volgens de systematiek van de IKAW (lage, middelhoge, hoge trefkans). welke aanbevelingen te geven zijn met betrekking tot te nemen behoudsmaatregelen.

18039.001 versie 1

2 / 34

3

ARCHEOLOGISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED

3.1 Ligging en huidige situatie plangebied Het plangebied (± 30 ha) wordt omsloten door de Voorweg, de Veckdijk, de Hossenbosdijk en een naamloze weg in het noordwesten. Plaatselijk is het plangebied bekend als ‘Oude Goote’. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Voorne aan Zee sectie F, nummers 268, 269, 270, 272, 276, 277, 278, 279, 627, 1306, 1307 en 1308. Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) ligt het maaiveld in het plangebied op zo’n 0,59 m NAP.

3.2 Methodiek vooronderzoek Tijdens het vooronderzoek is met behulp van bestaande bronnen een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. Dit is in eerste instantie gedaan door het raadplegen van voor de archeologie relevante (schriftelijke) bronnen. In 2004 en 2006 is door RAAP en Boor (resp.) een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek 2 uitgevoerd voor het plangebied Oude Goote te Vierpolders (figuur 3.1). Hieronder wordt een samenvatting gegeven van dat onderzoek, gebaseerd op het Programma van Eisen3. Dit betreft voornamelijk gegevens over bekende archeologische vindplaatsen in en rond het plangebied. Dit is aangevuld met historisch en fysisch-geografisch onderzoek, waarbij informatie over vroeger grondgebruik is verkregen door de analyse van historische kaarten en tevens gegevens over de geologie, geomorfologie en bodem zijn bestudeerd. Daarna is dit gespecificeerde verwachtingsmodel getoetst door middel van een booronderzoek.4

Figuur 3.1 Het plangebied van het vooronderzoek van RAAP (links) en BOOR (rechts) (bron: Krauwer, 2021).

2

Dorst, 2006; Schiltmans, 2004.

3

Krauwer, 2021.

4

Dorst, 2006; Schiltmans, 2004.

18039.001 versie 1

3 / 34

3.3 Archeologische verwachting op basis van het vooronderzoek Geologie, Geomorfologie en Bodem Volgens de geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 ligt het plangebied in een vlakte van getijafzettingen (2M35). Op de Bodemkaart van Nederland 1:50.000 is te zien dat het plangebied ligt in het Zeeuws-ZuidHollands kleigebied, bestaande uit bestaande uit Mn35A (lichte klei) en hoofdzakelijk Mn25A (zware zavel) wat valt onder de kalkrijke poldervaaggronden. De kleigronden bestaan uit een grijze, roestig gevlekte ondergrond, die niet slap is, en een grijze humusarmere bovengrond. Het plangebied ligt in de kustvlakte, waar in een zout en brak milieu hoofdzakelijk zand en klei zijn afgezet. Binnen het plangebied is achtereenvolgens sprake van afzettingen van het Laagpakket van Wormer behorend tot de Formatie van Naaldwijk (voorheen Afzettingen van Calais) met daarop Hollandveen (Formatie van Nieuwkoop), een venige kleiafzetting behorende tot de getijdeafzettingen van het Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk (voorheen Duinkerke I) met daarop een laag post-Romeins veen (Hollandveen) gevolgd door een overstromingsdek dat behoort tot de getijdeafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), voorheen Duinkerke III. De beide fasen van getijdeafzettingen zijn elk in een andere periode gevormd.

De kansrijke locaties zijn de intacte en veraarde toppen van de beide veenpakketten. Bij het vooronderzoek zijn op verschillende plaatsen stroomgordel- en komafzettingen aangetroffen (voormalige Afzettingen van Calais) die erop wijzen dat er een kreek door het (zuid)westen van het gebied liep. De stroomgordelafzettingen zijn hoger gelegen dan de omliggende komafzettingen omdat de stroomgordel minder inklonk dan het omliggende landschap. De stroomgordelafzettingen kwamen op enkele plaatsen lager voor dan daaromheen, wat mogelijk wijst op de ligging van de restgeul van de voormalige kreek. De kansrijke, intacte en veraarde toppen van de beide veenpakketten komen ook hoger voor in de boringen dan het omliggende gebied. Archeologische gegevens Binnen het plangebied zijn geen vindplaatsen bekend, hoewel in het vooronderzoek zones als vindplaats zijn benoemd op basis van indicatoren en intactheid van de veraarde toppen van de veenpakketten. Omdat geen daadwerkelijke vindplaatsen zijn aangetroffen en het hier met name gaat om kansrijke zones wordt hier verder gesproken van mogelijke vindplaatsen. Het plangebied ligt in een omgeving die rijk is aan menselijke activiteit vanaf de Late-IJzertijd. Dit is terug te zien in meerdere AMK-terreinen waar sporen uit de Late-IJzertijd, Romeinse tijd en Late-Middeleeuwen zijn aangetroffen.

Ook in een groot aantal archeologische onderzoeken in de directe omgeving zijn sporen uit deze perioden waargenomen.5

5

Opgenomen in het Programma van Eisen; Krauwer, 2021.

18039.001 versie 1

4 / 34

Figuur 3.2 Kansrijke zones, zoals begrensd door de uitgevoerde booronderzoeken.

Historische gegevens Volgens het vooronderzoek bestaat het plangebied uit agrarische gronden, gebaseerd op de historische kaarten vanaf de 19e eeuw. Eerdere kaarten zijn niet geraadpleegd. Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op basis van bovenstaand vooronderzoek is voor het plangebied een gespecificeerd archeologische verwachting opgesteld. De essentie van de archeologische verwachting is weergegeven in tabel 3-1. Tabel 3-1 Gespecificeerde archeologische verwachting Archeologische periode (Late )IJzertijd

18039.001 versie 1

Gespecificeerde verwachting Middelhoog

Te verwachten Complextype/resten

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld In de top van het oudste pakket Hollandveen

5 / 34

Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

In de top van het oudste pakket Hollandveen

Late-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

In het pakket post Romeins veen

Conclusie en selectieadvies vooronderzoek Voor de geïdentificeerde kansrijke zones binnen het plangebied is door de bevoegde overheid (gemeente Voorne aan Zee) geadviseerd een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren. Het doel van het onderzoek is om archeologische waarden op te sporen, waar mogelijk te begrenzen en te waarderen. Het onderzoek moet inzicht geven in de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Met deze resultaten kan vervolgens worden besloten of hierop nog vervolgstappen moeten worden genomen in het kader van in situ behoud, gebruik of nader onderzoek.

18039.001 versie 1

6 / 34

4

METHODIEK VELDONDERZOEK

4.1 Inleiding Voor het proefsleuvenonderzoek is door The Missing Link een Programma van Eisen opgesteld.6 In dit document zijn de eisen vastgelegd waaraan het archeologische onderzoek dient te voldoen. Na de eerste fase van het veldwerk werd een addendum op het PvE geschreven. De methodiek en onderzoeksvragen zoals die in het PvE en addendum zijn opgenomen, worden in dit hoofdstuk verwoord. Naast de eisen zoals omschreven in het PvE is het archeologisch onderzoek uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018, protocol 4003), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda.

4.2 Methodiek proefsleuvenonderzoek Er zijn in het plangebied in drie fasen 38 proefsleuven aangelegd van 25 x 4 m (zie kaart 1). De proefsleuven hebben een oppervlakte van circa 4380 m2. Hiervan is 3427 m2 aangelegd in en vlak onder de top van het post Romeinse veen (Middeleeuws niveau) en 950 m2 in de top van het oudste pakket Holland veen (Romeins niveau). De gemeente heeft een selectie gemaakt ten aanzien van het verder te onderzoeken oppervlak (de 'kansrijke zones' uit het vooronderzoek RAAP en BOOR). De oppervlakte van de volgens het PvE te onderzoeken kansrijke zones betreft 42.431 m2. Op basis van dit oppervlakte is de dekkingsgraad voor het middeleeuwse niveau 10% en het Romeinse niveau 2,5%. Na de eerste fase van het veldwerk bleek dat de geplande werkputten (1 tot en met 24) niet genoeg oppervlakte besloegen om de in het vooronderzoek aangetroffen vindplaatsen te begrenzen. Na overleg met The Missing Link (adviseur van de bevoegde overheid) is er besloten om extra werkputten aan te leggen (25 tot en met 38). De hierboven genoemde dekkingsgraad is inclusief deze uitbreiding. Verder is er afgezien van het opsporen van de prehistorische geul door middel van een diepe proefsleuf. Vanwege de hoge grondwaterstand en vele drains in de bodem die voor flinke wateroverlast zorgden, werd dit onmogelijk geacht.

Van de proefsleuven zijn 30 onderzocht in één vlak, terwijl in de overige acht sleuven twee vlakken zijn aangelegd, beide in de top van de (al dan niet) veraarde veenpakketten. Het tweede vlak is twee m breed aangelegd in verband met wateroverlast en instortingsgevaar. Het eerste vlak, aangelegd in de top van het post Romeinse veenpakket, ligt op 1,1 tot 1,7 m -mv (-1,56 tot -2,41 m NAP). Het tweede vlak, aangelegd in de top van het oudste veenpakket, ligt op 1,43 tot 2,51 m -mv (-1,78 tot -3,11 m NAP). De vlakaanleg heeft laagsgewijs plaatsgevonden tot op het vlakniveau waarop de grondsporen zichtbaar werden en het vlak te interpreteren was. Per haal van de graafmachine is met behulp van de metaaldetector door een metaaldetectorspecialist het blootgelegde vlak afgezocht. Behalve het vlak is ook de stort van de sleuven met behulp van de metaaldetector onderzocht. Metaalvondsten zijn hierbij niet gedaan. Na iedere haal van de graafmachine is het vlak op vondsten en

6

Krauwer, 2021.

18039.001 versie 1

7 / 34

grondsporen gecontroleerd. Het vlak is waar nodig handmatig opgeschaafd, met een Rover GPS ingemeten en in delen gefotografeerd. In iedere proefsleuf is per vlak de hoogte gemeten in raaien met een tussenafstand van 5 m. In iedere werkput, behalve werkput 12, zijn twee profielen gedocumenteerd. In werkput 12 was de bodem dusdanig complex dat de hele putwand als profiel is gedocumenteerd. Alle archeologisch relevante sporen zijn gedocumenteerd. Alle archeologisch relevante sporen zijn getekend en gefotografeerd in het vlak, gecoupeerd, gefotografeerd in coupe, en indien vastgesteld werd dat het een archeologisch spoor betrof (en niet een natuurlijk of recent spoor), werd een representatieve selectie digitaal getekend in coupe en afgewerkt. De coupes en de profielen zijn gefotografeerd met een fotocamera. Alle foto’s van het vlak, sporen, coupes en profielen zijn voorzien van een noordpijl, een schaalstok en een fotobordje met het projectnummer en objectgegevens. Alle relevante profielen zijn gedocumenteerd en beschreven door een senior KNA archeoloog. Het vlak en de profielen zijn lithologisch beschreven conform de NEN 5104 7 en bodemkundig8 geïnterpreteerd. In de sleuven zijn de sporen en het bodemprofiel gedocumenteerd. Alle archeologisch relevante grondsporen zijn gedocumenteerd.

In de werkputten is een selectie van de potentiële archeologisch relevante sporen gecoupeerd tot op het niveau dat noodzakelijk is voor het beantwoorden van de vraagstellingen. De coupes van de relevante sporen en de profielen zijn gefotografeerd met een digitale camera en vervolgens getekend op een schaal van 1:20. Alle foto’s van de coupes zijn voorzien van een noordpijl, een schaalstok en een fotobordje. De vondsten zijn per vak, per laag en per spoor en segment verzameld.

4.3 Onderzoeksvragen In het Programma van Eisen is een aantal onderzoeksvragen opgenomen. 9 Onderzoeksvraag 4 is komen te vervallen, na afstemming met het bevoegd gezag. Bodem 1. Hoe is de geologische en bodemkundige opbouw (lithologische en lithostratigrafische laagopeenvolging en bodemhorizonten) en in hoeverre komt dit overeen met de informatie uit het vooronderzoek? Periode en sites 2. Welke archeologische resten (d.w.z. complextypen, sporen, structuren en vondsten) kunnen worden onderscheiden in het plangebied? 3. Wat is de stratigrafische en ruimtelijke positie en spreiding van de aangetroffen archeologische resten (d.w.z. diepteligging, begrenzing en omvang)? Aan welke landschappelijke eenheden kunnen deze worden gerelateerd? 4. Vervalt (Hoe liep de voormalige geul in het plangebied?). 7

NEN 5104 1989.

8

Bakker en Schelling 1989.

9

Krauwer, 2021.

18039.001 versie 1

8 / 34

5.

Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? In hoeverre is er sprake van continuïteit in gebruik/bewoning? 6. Welke categorieën van vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? 7. Wat zegt de aangetroffen materiële cultuur over de bewoningsgeschiedenis van het plangebied (status van bewoners, activiteiten, handelsrelaties, etc.)? 8. In hoeverre kan de bodemstratigrafie (al dan niet in samenhang met botanisch materiaal) nieuwe inzichten verschaffen over het landschap in de verschillende perioden en de invloed van de mens hierin? 9. Welke depositionele processen hebben tot de aangetroffen archeologische resten geleid? 10. Welke (post-)depositionele processen zijn in het plangebied te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de archeologische resten? 11. In hoeverre komen de onderzoeksresultaten met betrekking tot periodisering en ruimtelijke clustering overeen met bevindingen uit het voorgaande onderzoek? 12. Indien aangetroffen: wat is de locatie, aard en omvang van aanwezige verstoringen in het gebied? 13. Wat is de fysieke kwaliteit van de aangetroffen archeologische waarden (gaafheid en conserveringsgraad)? 14.

Wat is de fysieke kwaliteit in relatie tot de grondwaterstand? Hoe groot is de kans op toekomstige degradatie? 15. Is er vervolgonderzoek noodzakelijk in het plangebied? Zo ja, welke vorm is daarvoor het meest geijkt? 16. Wat is de toegevoegde waarde van de vindplaats voor de geschiedenis van Brielle?

18039.001 versie 1

9 / 34

5

RESULTATEN VELDONDERZOEK

Ondanks de lage dichtheid van het proefsleuvenonderzoek zijn er door het hele plangebied sporen van menselijke activiteit aangetroffen. Deze sporen zijn ook buiten de in het vooronderzoek vastgestelde ‘kansrijke zones’10 aangetroffen. Binnen het plangebied zijn drie vindplaatsen te onderscheiden (tabel 5-1 en figuur 5.1). Deze vindplaatsen beslaan elk een aantal van de in het vooronderzoek opgestelde gebieden van archeologische waarden. In onderstaand hoofdstuk wordt eerst de landschapsopbouw van het plangebied beschreven, waarna de vindplaatsen worden geanalyseerd. Tot slot volgt aan het eind van het hoofdstuk een korte toetsing van alle gebieden van archeologische waarden zoals deze in het vooronderzoek zijn benoemd. Tabel 5-1 Vindplaatsoverzicht voor het plangebied 'Oude Goote' te Vierpolders. Vindplaats A B C

Complextype

Datering

Bevat ‘kansrijke zone’

greppelsysteem

Late-IJzertijd -Romeinse tijd Middeleeuwen Nieuwe tijd

BOOR1, 2, 4 en RAAP-ZW

nederzetting en veenwinning infrastructuur

BOOR2, 4, 5 en RAAP1, 2, 3 RAAP-ZO en RAAP-ZO2

Aan het eind van dit rapport is een kaart toegevoegd voor een totaaloverzicht met daarop alle werkputten, sporen, vondsten, vindplaatsen en de in het vooronderzoek vastgestelde kansrijke zones (kaart 4).

10

Krauwer, 2021

18039.001 versie 1

10 / 34

Figuur 5.1 Overzicht van de aangetroffen vindplaatsen binnen het onderzoeksgebied. Deze kaart is gebaseerd op de verspreiding van sporen, vondsten en cultuurlagen binnen het plangebied.

5.1 Landschapsgenese en bodemopbouw Het plangebied is gelegen in het kustgebied, in een vlakte van getijdeafzettingen met een natuurlijke bodem van kalkrijke poldervaaggronden. Dit holocene landschap is gedurende millennia ontstaan door een afwisseling van getijdeafzettingen en veengroei. De natuurlijke bodemopbouw is vergelijkbaar met de verwachting op basis van het vooronderzoek (figuur 5.2). Van boven naar onder bestaat de bodem uit een recente bouwvoor, een overstromingspakket (Laagpakket van Walcheren), Hollandveen (ook wel het post Romeinse veen), een dun overstromingspakket (Laagpakket van Walcheren) en nog een ouder pakket Hollandveen. Binnen het plangebied is, net zoals beschreven in het vooronderzoek een verhoging in het oude landschap te zien. In de onderstaande figuur zijn de hoogtes van de veraarde veentoppen afgebeeld (figuur 5.3). Uit de resultaten van het proefsleuvenonderzoek valt af te leiden dat het hoogste deel van het Romeinse landschap centraal is gelegen binnen het plangebied. De hoogst gelegen delen hiervan liggen rond werkput 17, 21 en 29 (waar het veraarde niveau in een kijkgat werd waargenomen). Het hooggelegen landschap lijkt zich verder naar het zuiden (richting werkput 19) uit te strekken, waar tijdens dit onderzoek geen vlakken zijn aangelegd op het Romeinse niveau, vanwege de begrenzing van de vindplaatsen in het vooronderzoek.

Het is echter waarschijnlijk dat het kansrijke niveau uit de Romeinse tijd zich uitstrekt van werkput 19 tot en met werkput 13. Daarnaast zijn op

18039.001 versie 1

11 / 34

verschillende locaties cultuurlagen aangetroffen in de klei, wat op activiteiten duidt buiten de hoge veentoppen van het landschap. Voor het middeleeuwse niveau geldt een vergelijkbaar beeld. Het veraarde en hogere niveau ligt ook hier in een noordnoordoost - zuidzuidwestelijke oriëntatie. In het noordelijk deel van het plangebied (werkput 11, 12, 34 en 35) werd volgens verwachting geen veraarde middeleeuwse veentop aangetroffen. Het landschap daalt richting het zuidoosten (werkput 1 en 23 tot en met 26) en het westen (werkput 18 tot en met 20). Reliëf op kleinere schaal toont zich in de vele geulen die zijn aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek (kaart 2). Deze geulen waren niet per sé watervoerend tijdens het menselijk gebruik van het plangebied.

Figuur 5.2 Algemene bodemopbouw binnen het plangebied Oude Goote, zoals gedocumenteerd in profiel 75, werkput 36.

18039.001 versie 1

12 / 34

Figuur 5.3 De hoogtes van het Romeinse en Middeleeuwse veraarde veenniveau.

Vindplaatsen De vindplaatsen bevinden zich op verschillende stratigrafische niveaus binnen het plangebied: A. Vindplaats A bevindt zich in de top van het oudste pakket Hollandveen en ligt tussen 1,43 tot 2,51 m beneden maaiveld (1,78 tot 3,11 m -NAP). B. Vindplaats B bevindt zich in de top van het jongste pakket Hollandveen (het post Romeinse veen) en ligt tussen circa 1,1 en 1,7 m beneden maaiveld (1,56 tot 2,41 m -NAP). C. Vindplaats C bevindt zich vlak onder de bouwvoor in de top van de overstromingsafzettingen (Laagpakket van Walcheren) en ligt gemiddeld op 0,5 m beneden maaiveld (0,9 m -NAP). Verstoringen Binnen het onderzoeksgebied zijn geen grootschalige antropogene verstoringen aangetroffen. Wel is er sprake van een hoge mate van erosie door overstromingen. Hierdoor is de top van het post Romeinse veen op een aantal plaatsen verdwenen. Op sommige locaties is de bodem tot in het diepere pakket Hollandveen geërodeerd.

18039.001 versie 1

13 / 34

5.2 Analyse sporen en structuren Binnen het plangebied zijn 112 sporen aangetroffen. Hiervan zijn 24 van archeologisch belang, 87 natuurlijk en één recent. De greppels behoren tot verschillende greppelsystemen. In de onderstaande paragrafen worden eerst de sporen per vindplaats behandeld. Tabel 5-2. Aangetroffen sporen binnen het plangebied. Spooraard greppel paal/staak kuil sloot kreek geul recente verstoring bodemlaag

Aantal 14 1 7 2 1 57 1 29

Vindplaats A Vindplaats A bestaat uit een greppelsysteem (figuur 5.4). Dit greppelsysteem is ingegraven in de top van het oude pakket Hollandveen en stamt uit de Late-IJzertijd of Romeinse tijd (zie ook hoofdstuk 5.3). Dit greppelsysteem bestaat uit acht greppels (spoor 29, 30, 31, 36, 38, 41, 52 en 79), verspreid over een groot deel van het plangebied (Kaart 2). De greppels zijn alle opgevuld met het jongere overstromingspakket (Laagpakket van Walcheren).

Figuur 5.4 Vindplaats A met de oriëntatie van het greppelysteem.

18039.001 versie 1

14 / 34

Vijf greppels hebben een noordnoordwest-zuidzuidoost oriëntatie. Drie hiervan (spoor 30, 36 en 41) zijn vrij smal (circa 20 cm breed). Bij het couperen van spoor 30 bleek dat de vorm in de coupe schepvormig was (figuur 5.5). De twee overige greppels (spoor 29 en 79) zijn breder (circa 57 cm). Spoor 29 blijkt spitsvormig in de coupe (figuur 5.6), terwijl spoor 79 juist meer komvormig is. Twee greppels staan min of meer haaks op de hierboven beschreven greppels en hebben een noordoost-zuidwest oriëntatie (figuur 5.4). Deze greppels (spoor 38 en 52) zijn komvormig en ook circa 28 cm diep. Spoor 52 is circa 28 cm breed, terwijl spoor 38 80 tot 140 cm breed is. De variatie in breedte is veroorzaakt door latere erosie door een geul. Tot slot is in werkput 15 nog een noord-zuid georiënteerde greppel waargenomen (circa 22 cm breed). Deze kon echter niet worden gecoupeerd vanwege wateroverlast.

Figuur 5.5 Coupe spoor 30, een van de noordnoordwest-zuidzuidoost georiënteerde greppels.

18039.001 versie 1

15 / 34

Figuur 5.6 Coupe spoor 29.

Vindplaats B De tweede vindplaats beslaat een groot deel van het plangebied (figuur 5.1). Deze vindplaats bestaat uit sporen van verschillende activiteiten ingegraven in het post-Romeinse veen en dateert in de Middeleeuwen (zie ook hoofdstuk 5.3). Er zijn binnen deze vindplaats drie regio’s te onderscheiden: 1. Een mogelijke erfscheiding 2. Veenwinning 3. Een niet nader te interpreteren greppel De mogelijke erfscheiding bevindt zich in het zuidoostelijk deel van het plangebied (werkput 2, 3, 6 en 26) en bestaat uit spoor 3, 4, 6, 12 en 63 (figuur 5.7). Deze greppels zijn, met uitzondering van spoor 63, circa 2 m breed en komvormig. Samen vormen deze brede greppels een u-vorm waarvan het open einde in het noordnoordoosten waarschijnlijk wordt gesloten door een nog niet ontdekte greppel. De functie van spoor 63, een greppel van maar 40 cm breed is niet nader te duiden. Hetzelfde geldt voor spoor 5, een kuil, die wordt oversneden door de erfscheiding (spoor 6).

18039.001 versie 1

16 / 34

Figuur 5.7 Het mogelijke verloop van de erfscheiding aan de hand van de oriëntatie van de gevonden greppels.

18039.001 versie 1

17 / 34

Figuur 5.8 Coupe spoor 4.

In het westen van het plangebied ligt een regio waar sporen van grondstofwinning zijn aangetroffen (werkput 17, 20 en 21). Hierbij horen de sporen 39, 50, 46, 47 en 48. Spoor 47 en 48 zijn veenwinningskuilen, te herkennen aan de kaarsrechte, verticale insteek (figuur 5.9). Deze veenwinningskuilen liggen vlakbij een oude sloot (spoor 46), mogelijk gebruikt voor het transport van het gestoken veen.

Figuur 5.9 Sporen van veenwinning in het vlak van werkput 20.

18039.001 versie 1

18 / 34

Iets ten oosten van dit cluster zijn nog twee kuilen (spoor 39 en 50) aangetroffen die minder diep in het veen zijn ingegraven (figuur 5.10). Waarschijnlijk hebben deze kuilen een andere functie gehad dan veenwinning. Spoor 50 is 1,5 m breed, circa 20 cm diep en minimaal 4,5 m lang (het spoor liep de put uit). Spoor 39 is 1 m breed, 2,74 m lang en circa 20 cm diep. Spoor 39 is pas in het tweede vlak waargenomen doordat de hoger gelegen niveaus verstoord zijn door een van de vele geulen die door het plangebied lopen. Beide kuilen hebben een platte bodem. Wat de functie van de kuilen is, is onduidelijk. Beide sporen kunnen aan de hand van het daarin aangetroffen aardewerk worden gedateerd tussen 900 en 1250 n. Chr. Ten noorden van deze kuilen (werkput 8) is nog een staakje aangetroffen (spoor 17). Er zijn geen andere sporen in relatie tot het staakje waargenomen.

Figuur 5.10 Spoor 50, zoals waargenomen in profiel 42.

Tot slot is er in het noorden van het plangebied een greppel (spoor 26 en 28) waargenomen in werkput 13 en 14. Deze greppel is breder dan die van de mogelijke erfscheiding met een breedte van 2,6 tot 2,9 m. Er zijn geen andere sporen die in directe relatie tot de greppel staan, maar de oriëntatie komt overeen met de mogelijke erfscheiding wat op gelijktijdigheid duidt. Aan de hand van het aangetroffen aardewerk kan deze greppel worden gedateerd tussen 1200 en 1300 n. Chr.

18039.001 versie 1

19 / 34

Vindplaats C De laatste vindplaats binnen het plangebied bestaat uit een sloot (spoor 54) en een oude weg. De sloot ligt in werkput 23 en is slechts 1,5 m breed. In de sloot zijn verschillende vondsten gedaan (zie hoofdstuk 5.3). Gezien de stratigrafische ligging vlak onder de bouwvoor en het voorkomen op de ‘Caarte vande Vier Polders’, vervaardigd door A. Steyaart in 1701 is deze sloot al aanwezig (figuur 5.11). De weg is waargenomen in profiel 38 in werkput 19 en heeft per abuis een laagnummer toegewezen gekregen (5003). Stratigrafisch gezien hangt de weg, net zoals de sloot, vlak onder de bouwvoor. De weg bestaat uit een dunne, donkere laag klei die veel baksteenfragmenten bevat en is niet dikker dan 10 cm. De weg is circa 7 m breed. Op de ‘Caarte vande Vier Polders’ is te zien dat ten zuiden van het plangebied een weg loopt met dezelfde oriëntatie als de hierboven genoemde weg (figuur 5.11). In het plangebied is geen weg weergegeven, maar loopt de verkaveling in dezelfde oriëntatie (afwijkend van de omgeving) door. Mogelijk was de weg in het plangebied van slechtere kwaliteit waardoor deze niet expliciet is aangegeven. Het is dus goed mogelijk dat de weg die is aangetroffen in het proefsleuvenonderzoek ouder is dan 1701.

Figuur 5.11 De 'Caarte vande Vier Polders' gegeorefereerd met daarop de locatie van de weg (blauwe cirkel) en de sloot (spoor 54) van vindplaats C (bron: oldmapsonline.org).

5.3 Vondstmateriaal Gedurende het onderzoek zijn 125 fragmenten vondstmateriaal met een totaalgewicht van 2296 g verzameld (tabel 5-3). Het materiaal is verzameld uit grondsporen en lagen. De vertegenwoordigde periodes zijn de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd.

18039.001 versie 1

20 / 34

Tabel 5-3 Overzicht vondstmateriaal materiaalsoort

N

gewicht (g)

aardewerk

92

649

kleipijp

6

17

glas

1

18

grofkeramisch bouwmateriaal

7

607

metaal

1

204

dierlijk bot

6

44

natuursteen

11

757

hout

1

-

totaal

125

2295

Methode en technieken Het voornaamste doel van het aardewerkonderzoek is het dateren en de analyse van de sporen en structuren. Van het aardewerk is de soort en indien mogelijk het type bepaald, op basis hiervan kan een datering gegeven worden. Daarnaast zijn kenmerken zoals afwerking en versiering beschreven in de determinatietabel (zie bijlage 2). De verdeling per soort is weergeven in tabel 2. Het vondstmateriaal word per categorie beknopt beschreven waarbij op de herkomst van het materiaal tijdens het onderzoek, de vorm, gebruiksdoel en datering word ingegaan. Aardewerk (H.N. de Koning) Het aardewerk bestaat uit 92 fragmenten met een totaalgewicht van 649 gram (tabel 5-4). Hieronder bevinden zich acht fragmenten uit Romeinse tijd, 57 fragmenten uit de Late-Middeleeuwen en 24 fragmenten uit de nieuwe tijd. Hieronder wordt het aardewerk per periode besproken. Tabel 5-4 Overzicht aardewerksoorten aardewerksoort

N

gewicht (g)

datering

handgevormd

5

62

tot 100 n. Chr.

terra sigillata

1

6

100 – 450 n. Chr.

lowlands ware

1

60

70 – 300 n. Chr.

geverfde waar

1

27

100 – 300 n. Chr.

kogelpot

2

30

700 – 1300 n. Chr.

Paffrath

25

141

900 – 1250 n. Chr.

Pingsdorf

26

124

900 – 1200 n. Chr.

Badorf

2

9

700 - 950 n. Chr.

Maaslands

2

8

18039.001 versie 1

21 / 34

aardewerksoort

N

gewicht (g)

datering

roodbakkend

7

24

1050-1950 n. Chr.

witbakkend

2

4

1550 – 1800 n. Chr.

steengoed

13

123

1300-1900 n. Chr.

faience

1

4

1650-1900 n. Chr.

Industrieel wit

1

16

1750 – 1950 n. Chr.

porselein

2

4

1775 – 950 n. Chr.

indet

3

7

totaal

92

649

Het Romeinse aardewerk bestaat uit acht fragmenten. Het gedraaide aardewerk bestaat uit een fragment terra sigillata uit oost-Gallië, een randfragment blauwgrijze Lowlands ware pot (type Holwerda 140-142) en een bodemfragment geverfde waar. Dit fragment is afkomstig van een pot gemaakt van fijne witbakkende klei met donkere deklaag (techniek b)11 en dateert in de 2e tot 3e eeuw.12 De fragmenten handgevormd aardewerk dateren mogelijk ook uit de Romeinse tijd, maar een datering in de Late-IJzertijd is ook mogelijk. Het Romeinse (en mogelijk Late-IJzertijdse) aardewerk is aangetroffen bij de aanleg van het vlak (laag 8001) en is niet aan sporen te koppelen. Het materiaal uit de Late-Middeleeuwen bestaat voornamelijk uit Pingsdorf en Paffrath aardewerk, daarnaast zijn enkele fragmenten kogelpot- en Badorf aardewerk aangetroffen. Het kogelpotaardewerk is waarschijnlijk geproduceerd in de Brabantse Kempen. Het Pingsdorf aardewerk heeft een hard baksel met zandmagering. Op een aantal wandfragmenten is een restant van versiering zichtbaar van oranje en bruine ijzerverf (zie Figuur 5.12). Het Paffrath aardewerk heeft een gelaagde breuk (bladerdeeg structuur) en metaalachtige glans op het oppervlak. Enkele randfragmenten zijn van kogelpotten, de meest voorkomende vorm onder het Paffrath aardewerk.

Het laatmiddeleeuwse aardewerk is afkomstig uit laag 6000 en 6001, en spoor 34, 39, 50, en 77. Enkele fragmenten Maaslands aardewerk zijn afkomstig van het oppervlak. Dit aardewerk is te herkennen aan een fijn, hard baksel en is dunwandig.13 Op het oppervlak zijn loodglazuurspatten zichtbaar, dit type aardewerk werd vaak alleen op de schouder afgewerkt met glazuur.

11

Brunsting 1937, 70-71.

12

Hiddink 2014, 95.

13

De Groote 2008, 300-304.

18039.001 versie 1

22 / 34

Figuur 5.12. Pingsdorfaardewerk met bruine- en oranje verfversiering.

Het aardewerk uit de Nieuwe tijd bestaat voornamelijk uit roodbakkend aardewerk en behandeld steengoed. Het roodbakkende aardewerk is voorzien van loodglazuur aan de binnen- en buitenzijde. Het behandelde steengoed is onder ander afkomstig uit het Duitse Westerwald en Langerwehe. Het betreft hier voornamelijk oppervlakte vondsten van de velden. Kleipijpen De kleipijpen bestaan uit fragmenten van pijpstelen en een fragment van een pijpkop in trechtervorm (16701750 n. Chr.) en een pijpkop in dubbel conisch model (1610-1700 n. Chr.). Ook dit zijn oppervlaktevondsten van de velden. Grofkeramisch bouwmateriaal Het bouwmateriaal bestaat uit enkele kleine fragmenten van baksteen en een dakpan (golfpan), en een hoekstuk van een handgevormde plavuis. De plavuis heeft een dikte van circa 30 mm en is ongeglazuurd. Op de hoek is een hoekputje zichtbaar, hier werd de leerharde klei tijdens het productieproces met een spijker aan het droograam bevestigd.14 De plavuis is in de 17e tot 19e eeuw te dateren en is afkomstig uit laag 6000. Natuursteen Het natuursteen bestaat uit elf fragmenten, waaronder vijf fragmenten van een maalsteen van vesiculaire lava (tefriet). De overige fragmenten zijn onbewerkt. Lava is een vulkanisch gesteente dat uit de Duitse Eifel werd geïmporteerd.

Uit het materiaal dat is aangetroffen in onder andere Dorestad blijkt dat de import van maalstenen in vroege-middeleeuwen enorm moet zijn geweest. 15

14

Pluis en Stupperich 2011, 15.

15

Kars 1983, 116.

18039.001 versie 1

23 / 34

De fragmenten lavasteen hebben een grofporeuze tot massieve structuur. Op één van de fragmenten is een inkeping te zien waar de metalen spil bevestigend is geweest.16 Het gaat dan ook om de loper van een roterende maalsteen (dikte 340 mm). Roterende maalstenen worden gebruikt in de Romeinse tijd en de middeleeuwen, waarschijnlijk gaat het hier op basis van de vorm en structuur van het gesteente om een laatmiddeleeuws exemplaar. De fragmenten maalsteen zijn afkomstig uit laag 6000.17 Overig vondstmateriaal Enkele fragmenten verbrand dierlijk bot betreffen de bovenkaak van een rund en een opperarmbeen van een varken. Het fragment glas heeft een lichtblauwe kleur en betreft de inzet van een steel met een recente datering. Daarnaast is de helft van een ijzeren hoefijzer aangetroffen in spoor 54. Tot slot is een aangepunt houten paaltje aangetroffen. Samenvatting en conclusie Het oudste aardewerk dateert uit de Late-IJzertijd - Romeinse tijd. Hiermee is laag 8001 te dateren. Het laatmiddeleeuwse aardewerk is afkomstig uit spoor 34, 39, 50, en 77, laag 6000 en 6001. Naast laatmiddeleeuws aardewerk zijn ook fragmenten van een maalsteen aangetroffen in laag 6000 die waarschijnlijk uit dezelfde periode dateert. De oppervlaktevondsten dateren voornamelijk in de Nieuwe tijd, daarnaast zijn er enkele fragmenten laatmiddeleeuws aardewerk als oppervlaktevondst aangetroffen.

5.4 Toetsing kansrijke zones In de onderstaande tabel wordt weergegeven of er vindplaatsen zijn aangetroffen op de locatie van de kansrijke zones van het vooronderzoek, wat de datering van deze vindplaatsen is en onder welke vindplaats de waarden vallen. De waardering van de aangetroffen vindplaatsen zal worden gedaan in hoofdstuk 7 aan de hand van de nieuwe benaming. Kansrijke zone RAAP1 RAAP2 RAAP3 RAAP-ZO RAAP-ZO2 RAAP-ZW BOOR1 BOOR2

Datering vooronderzoek IJZ/ROM LME LME niet gedateerd niet gedateerd niet gedateerd IJZ/ROM LME

Vindplaats ja ja ja nee ja ja ja ja

BOOR3 BOOR4

ME IJZ/ROM

nee ja

BOOR5

IJZ

ja

Datering Middeleeuwen Middeleeuwen Middeleeuwen n.v.t. Nieuwe tijd Late-IJzertijd - Romeinse tijd Romeinse tijd Late-IJzertijd - Romeinse tijd én Middeleeuwen n.v.t. Late-IJzertijd - Romeinse tijd én Middeleeuwen Middeleeuwen

16

Kars 1983, 118-119.

17

M.C.M. Komen geraadpleegd voor onderzoek grofkeramisch bouwmateriaal en natuursteen.

18039.001 versie 1

Vindplaatsbenaming Vindplaats B Vindplaats B Vindplaats B n.v.t. Vindplaats C Vindplaats A Vindplaats A Vindplaats A én B n.v.t. Vindplaats A én B Vindplaats B

24 / 34

6

BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN

Bodem 1. Hoe is de geologische en bodemkundige opbouw (lithologische en lithostratigrafische laagopeenvolging en bodemhorizonten) en in hoeverre komt dit overeen met de informatie uit het vooronderzoek? De bodem van het plangebied is in het algemeen van onder naar boven opgebouwd uit: Hollandveen, Laagpakket van Walcheren (Duinkerke II), Hollandveen (post Romeins veen), Laagpakket van Walcheren (Duinkerke III) en antropogeen verstoorde lagen. Dit komt overeen met het vooronderzoek. Verder is het bodemprofiel vrijwel niet verstoord door recente ingrepen, maar wel door de oudere overstromingen. Deze hebben op sommige locaties het bodemprofiel verstoord tot in het oudste veenpakket. Periode en sites 2. Welke archeologische resten (d.w.z. complextypen, sporen, structuren en vondsten) kunnen worden onderscheiden in het plangebied? Binnen het plangebied zijn drie vindplaatsen aangetroffen: vindplaats A, B en C. A. Vindplaats A bestaat uit een greppelsysteem dat uitsluitend uit greppels bestaat. Het systeem bestaat uit twee richtingen die vrijwel haaks op elkaar staan (NNW-ZZO & NO-ZW). Het vlak waar deze greppels in zijn gevonden (het oudste pakket veen) bevatte een aantal scherven aardewerk. B. Vindplaats B bestaat uit een mogelijke omgreppeling van een erf, enkele sporen van veenwinning en een losstaande greppel.

De greppels van deze vindplaats volgen wederom twee windrichtingen die haaks op elkaar staan (NO-ZW & NW-ZO). Verder zijn er twee veenwinningskuilen, een sloot en twee niet nader te duiden kuilen aangetroffen. C. Vindplaats C bestaat uit infrastructuur: een weg en een sloot. 3.

Wat is de stratigrafische en ruimtelijke positie en spreiding van de aangetroffen archeologische resten (d.w.z. diepteligging, begrenzing en omvang)? Aan welke landschappelijke eenheden kunnen deze worden gerelateerd? A. Vindplaats A bevindt zich in de top van het oudste pakket Hollandveen en ligt tussen 1,43 tot 2,51 m beneden maaiveld (1,78 tot 3,11 m -NAP). B. Vindplaats B bevindt zich in de top van het jongste pakket Hollandveen (het post Romeinse veen) en ligt tussen circa 1,1 en 1,7 m beneden maaiveld (1,56 tot 2,41 m -NAP). C. Vindplaats C bevindt vlak onder de bouwvoor in de top van de overstromingsafzettingen (Laagpakket van Walcheren) en ligt gemiddeld op 0,5 m beneden maaiveld (0,9 m -NAP).

4.

Hoe liep de voormalige geul in het plangebied? Deze vraag is komen te vervallen.

5.

Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? In hoeverre is er sprake van continuïteit in gebruik/bewoning?

18039.001 versie 1

25 / 34

De datering van de vindplaatsen is als volgt: A. Vindplaats A: Late-IJzertijd - Romeinse tijd (vondstmateriaal dateert uit 250 v. Chr. - 400 n. Chr.) B. Vindplaats B: Middeleeuwen (vondstmateriaal dateert uit 900 - 1350 n. Chr.) C. Vindplaats C: Nieuwe tijd (vondstmateriaal dateert uit 1750 - 2000) Er is vanaf de Romeinse tijd sprake van een menselijke activiteit binnen het plangebied. Er zijn echter hiaten aanwezig in de waargenomen menselijke activiteit binnen het plangebied. Dit is te zien aan de verschillende locaties waar de vindplaatsen zich bevinden, de verschillende oriëntaties van de greppels en sloten en de overstromingslagen die tussen de archeologische niveaus van de vindplaatsen aanwezig zijn. 6.

Welke categorieën van vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? Er is aardewerk, pijpaarde, grofkeramisch bouwmateriaal, glas, metaal, dierlijk bot, natuursteen en hout aangetroffen in het plangebied. Het vondstmateriaal heeft, naast het dateren van sporen, geen inzicht kunnen geven over de functie van bepaalde regio’s of sporen binnen het plangebied.

7.

Wat zegt de aangetroffen materiële cultuur over de bewoningsgeschiedenis van het plangebied (status van bewoners, activiteiten, handelsrelaties, etc.)? De aangetroffen materiële cultuur is te gefragmenteerd en te klein in aantal om veel uitspraken te kunnen doen over de status of activiteiten van de inwoners van het plangebied. Wel wijst de maalsteen op bewoning in de directe omgeving.

8.

In hoeverre kan de bodemstratigrafie (al dan niet in samenhang met botanisch materiaal) nieuwe inzichten verschaffen over het landschap in de verschillende perioden en de invloed van de mens hierin? De bodemstratigrafie heeft inzicht verschaft over de loopniveaus uit zowel de Romeinse tijd als de Middeleeuwen (zie de kaarten in paragraaf 5.1). Daarnaast is gebleken dat de menselijke activiteit zich niet alleen tot de gebieden beperkte waar het veen is veraard, maar zich ook uitstrekte in de regio’s die in het vooronderzoek niet als kansrijke zone zijn aangemerkt.

9.

Welke depositionele processen hebben tot de aangetroffen archeologische resten geleid? De meeste vondsten komen uit de oude loopniveaus en zijn hoogstwaarschijnlijk verloren en achtergelaten. Het kan ook zijn dat er sprake is van het opbrengen van huisvuil op akkers. Verder kunnen er geen uitspraken worden gedaan over de depositionele processen.

10. Welke (post-)depositionele processen zijn in het plangebied te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de archeologische resten? De invloed van water is groot binnen de grenzen van het plangebied. Er sprake van een grote hoeveelheid overstromingen en geulvorming. Deze fluviatiele invloeden kunnen artefacten over grote afstanden verplaatsen. Daarnaast hebben de geulen delen van het plangebied verstoord en dus ook mogelijk de

18039.001 versie 1

26 / 34

vondsten die in de vlakken zijn gevonden meegevoerd. De vondsten uit sporen zijn echter in-situ aangetroffen, op locaties die niet zijn beïnvloed door het water. 11. In hoeverre komen de onderzoeksresultaten met betrekking tot periodisering en ruimtelijke clustering overeen met bevindingen uit het voorgaande onderzoek? Wat betreft de periodisering komen de resultaten van het proefsleuvenonderzoek aardig overeen met de opgestelde verwachting. Er zijn archeologische waarden uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen aangetroffen. Daarnaast is echter ook een kleine hoeveelheid restanten uit de Nieuwe tijd aangetroffen. De ruimtelijke clustering van de sporen beperkt zich niet alleen tot de in het vooronderzoek aangegeven ‘archeologisch waardevolle gebieden’. In onderstaande afbeelding worden sporen die zijn aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek geprojecteerd op de ‘archeologisch waardevolle gebieden’ uit het vooronderzoek (Figuur 6.1).

Figuur 6.1 Sporen en vondsten uit het proefsleuvenonderzoek, geprojecteerd op de kaart met 'waardevolle gebieden' uit het vooronderzoek.

18039.001 versie 1

27 / 34

12. Indien aangetroffen: wat is de locatie, aard en omvang van aanwezige verstoringen in het gebied? Er is geen sprake van diepgaande antropogene verstoringen binnen het onderzoeksgebied. Wel is de top van de Walcheren afzettingen omgeploegd door agrarische activiteiten en ligt er een groot aantal drains. Deze drains liggen echter hoger dan het middeleeuwse niveau. 13. Wat is de fysieke kwaliteit van de aangetroffen archeologische waarden (gaafheid en conserveringsgraad)? De fysieke kwaliteit van de aangetroffen archeologische waarden is goed, tenzij verstoord door een van de geulen binnen het plangebied. Ook het vondstmateriaal is goed geconserveerd. 14. Wat is de fysieke kwaliteit in relatie tot de grondwaterstand? Hoe groot is de kans op toekomstige degradatie? De sporen van vindplaats A en B lagen vrijwel alle onder de gemiddelde grondwaterstand. Hierdoor is organisch materiaal goed bewaard gebleven. Door de geplande verharding van het plangebied kan de grondwaterstand zakken. Dit zou voor de sporen van vindplaats B een risico kunnen vormen. Vindplaats A ligt op een diepte die hierdoor waarschijnlijk niet zal worden beïnvloed. 15.

Is er vervolgonderzoek noodzakelijk in het plangebied? Zo ja, welke vorm is daarvoor het meest geijkt? Ja, als behoud in situ niet mogelijk is zullen vindplaats A en B verder moeten worden onderzocht en ex situ behouden blijven door middel van een opgraving van de gedeelten van de vindplaatsen met de grootste spoor, en vondstdichtheid. 16. Wat is de toegevoegde waarde van de vindplaats voor de geschiedenis van Brielle? Zowel vindplaats A als B kan interessante inzichten opleveren voor de geschiedenis van Brielle. Vindplaats A kan informatie opleveren over het landgebruik en mogelijk nederzettingsstructuur in de Romeinse tijd en Vindplaats B over nederzettingsstructuren, veenwinning en landgebruik in de Middeleeuwen.

18039.001 versie 1

28 / 34

7

WAARDERING EN SELECTIEADVIES

7.1 Waardering De resultaten van het veldwerk vormen de basis voor de waardering van de vindplaats. De waardering moet vervolgens leiden tot een aanbeveling ten aanzien van het vervolgtraject. De waardering wordt vastgesteld volgens de door de KNA voorgeschreven wijze aan de hand van de volgende aspecten: beleving, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. Ten eerste wordt nagegaan of vindplaatsen vanwege hun belevingswaarde, op basis van hun schoonheid of herinneringswaarde, als behoudenswaardig getypeerd kunnen worden. De vindplaatsen worden vervolgens op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Een vindplaats wordt op basis van fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig aangemerkt, indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren. Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder), wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Bij de inhoudelijke kwaliteit vindt een afweging plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria: zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Bij een bovengemiddelde score van zeven punten of meer wordt het monument als behoudenswaardig aangemerkt. Na deze weging wordt bij vindplaatsen met een lagere inhoudelijke waardering (minder dan zeven punten) nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is.

De beoordeling is: drie punten voor hoge, twee punten voor middelhoge en één punt voor lage kwaliteit. Voor het plangebied is de scoretabel (tabel 7-1) als volgt ingevuld: Tabel 7-1 Scoretabel waardestelling van het plangebied Waarden

Criteria

Vindplaats A Hoog

Beleving

Midden

Vindplaats B Laag

Hoog

Midden

Vindplaats C Laag

Hoog

Midden

Laag

Schoonheid Herinneringswaarde

Fysieke kwaliteit

Inhoudelijke kwaliteit

Gaafheid

3

3

2

Conservering

3

3

2

Zeldzaamheid

2

3

Informatiewaarde

2

3

2

3

2

Ensemblewaarde

3

1

Representativiteit

18039.001 versie 1

29 / 34

Beleving De beleving van de vindplaats valt uiteen in twee criteria, te weten “schoonheid” en “herinneringswaarde”. Bij beide gaat het vooral om zichtbare monumenten. Schoonheid is de esthetische-landschappelijke waarde van een archeologisch monument, die in de zichtbaarheid van het monument tot uiting komt. Deze waarde is gebaseerd op de zichtbaarheid vanaf het maaiveld als landschapselement, vorm en structuur en relatie met de omgeving. Herinneringswaarde is de herinnering die het archeologisch monument oproept over het verleden. Deze waarde is gebaseerd op verbondenheid met feitelijke historische gebeurtenissen en associatie met toegeschreven kwaliteit of betekenis. Omdat de aangetroffen sporen niet zichtbaar zijn in het landschap en geen herinnering oproepen aan een historische gebeurtenis, is het criterium Beleving niet van toepassing. Fysieke kwaliteit De fysieke kwaliteit van de vindplaats is gebaseerd op de criteria gaafheid en conservering. De gaafheid is de mate van niet-verstoord zijn en stabiliteit van de fysieke omgeving. De conservering geeft de mate waarin archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven aan. Bij vijf of meer punten is een vindplaats behoudenswaardig. Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder) wordt er naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of de vindplaats toch behoudenswaardig is.

Gaafheid: Voor vindplaats A en B geldt een goede fysieke kwaliteit. Er zijn vrijwel geen diepgaande verstoringen waargenomen binnen het plangebied. Vindplaats C scoort middelmatig in dit opzicht aangezien verploeging van de bodem mogelijk de top van deze vindplaats heeft verstoord. Conservering: Het aangetroffen vondstmateriaal van vindplaats A en B is gefragmenteerd, maar niet aangetast. Daarnaast is organisch materiaal goed bewaard gebleven. Hierdoor krijgt de vindplaats een hoge waardering voor conservering. Het vondstmateriaal van vindplaats C is enigszins aangetast, waardoor deze vindplaats een middelmatige waardering krijgt voor conservering. De totale score en waardering van de fysieke kwaliteit van de vindplaatsen is hieronder weergegeven: A. Vindplaats A: zes en dus hoog B. Vindplaats B: zes en dus hoog C. Vindplaats C: vier en dus middelmatig Vindplaats A en B zijn met een hoge score voor fysieke kwaliteit behoudenswaardig. Voor vindplaats C wordt hieronder naar de inhoudelijke kwaliteit gekeken. Inhoudelijke kwaliteit De inhoudelijke kwaliteit wordt uitgedrukt in waarden voor zeldzaamheid, informatie, ensemble en representativiteit. Zeldzaamheid is de mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied. Informatiewaarde is de betekenis van een monument als bron van kennis over het verleden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12840144/2