Bijlage 2 - RO Sanering glas Blindeweg_Doornweg_Middelweg_vastgesteld_1
Tekst van het document
SANERING GLAS BLINDEWEG/DOORNWEG/MIDDELWEG Voorne aan Zee Ruimtelijke Onderbouwing
1/2
DATUM
12-08-2025
PROJECT PROJECTLEIDER
Sanering glas Blindeweg/Doornweg/Middelweg
OPDRACHTGEVER Gemeente Voorne aan Zee PROJECTNUMMER 20220976 AUTEUR STATUS
2/2
Vastgesteld
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging projectgebied
7
1.3
Vigerend bestemmingsplan
8
1.4
Leeswijzer
10
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
11
2.1
Bestaande situatie
11
2.2
Beoogde situatie
12
Ruimtelijk beleidskader
15
3.1
Rijksbeleid
15
3.2
Provinciaal beleid
16
3.3
Gemeentelijk beleid
22
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
27
4.1
Inleiding
27
4.2
Archeologie & Cultuurhistorie
27
4.3
Ecologie
28
4.4
Bodem
31
4.5
Externe veiligheid
31
4.6
Bedrijven en milieuhinder
33
4.7
Luchtkwaliteit
34
4.8
Water
35
4.9
Verkeer en parkeren
39
4.10
Wegverkeerslawaai
40
4.11
Kabels en leidingen
42
4.12
Milieueffectrapportage
43
Uitvoerbaarheid
45
5.1
Economische uitvoerbaarheid
45
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
45
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 5
3/45
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Stikstofmemo
Bijlage 2
Stikstofberekening realisatie- en gebruiksfase
Bijlage 3
Quickscan Blindeweg/Doornweg
Bijlage 4
Quickscan Middelweg
Bijlage 5
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai middelweg tussen nr. 5 en 7
Bijlage 7
Landschappelijk inpassingsplan Blindeweg/Doornweg/Middelweg
4/45
TOELICHTING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op 29 december 2009 heeft de gemeenteraad van Westvoorne de Structuurvisie Glasherstructurering vastgesteld. Hierin is het gemeentelijke beleid met betrekking tot de sanering van het verspreid liggende glas in het buitengebied vastgelegd. In lijn met deze structuurvisie is de projectorganisatie gesprekken gestart met tuinders die op vrijwillige basis het bedrijf willen beëindigen of verplaatsen. De Blindeweg 13/15 en Doornweg 6 zijn twee locaties uit het Glastuinbouwsaneringsbeleid. Met voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt de sanering van glas op deze locaties gerealiseerd.
1.2
Ligging projectgebied
Het projectgebied is gelegen aan de Blindeweg 13/15 en Doornweg 6 en tussen Middelweg 5 en 7 en omvat de kadastrale percelen in de gemeente Westvoorne, sectie B, nummers 123, 1254, 1255, 1475, 1476, 1664 en 1879. In de figuren 1.2.1 en 1.2.2 is het gebied weergegeven.
Figuur 1.1 - ligging projectgebied Blindeweg / Doornweg (bron: ruimtelijke plannen)
7/45
Figuur 1.2 - ligging projectgebied Middelweg (bron: ruimtelijke plannen)
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Op de locatie geldt het 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 3'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 16-11-2023. Op de locaties bevinden zich de functieaanduidingen 'Algemeen grondgebruik', 'Agrarisch bedrijf', 'Glastuinbouwbedrijf', 'Nevenfuncties Zanderijen' en 'Wonen in een bedrijfswoning' en 'Wonen'. Het agrarisch bedrijf en de bijbehorende bedrijfswoning zijn toegestaan in het in figuur 1.3 gemarkeerde gebied. Het wonen, zonder bouwmogelijkheid voor een woning, is toegestaan in het in figuur 1.4 gemarkeerde gebied.
8/45
Figuur 1.3 - uitsnede van de huidige planologische situatie aan de Blindeweg/Doornweg (bron: gemeentelijke viewer Westvoorne)
9/45
Figuur 1.4 - uitsnede van de huidige planologische situatie aan de Middelweg (bron: gemeentelijke viewer Westvoorne)
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de huidige en toekomstige planologische situatie weergegeven. Waarna in hoofdstuk 3 het vigerende beleid wordt beschreven en getoetst. In hoofdstuk 4 worden vervolgens de relevante omgevingsaspecten toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
10/45
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
In de bestaande situatie bestaat het projectgebied ter plaatse van de Doornweg/Blindeweg uit agrarische gronden, een bedrijfswoning aan de Blindeweg 13/15, een bedrijfswoning aan de Doornweg 6, twee kassencomplexen à 1,51 ha, een watersilo, een waterbassin en enkele bedrijfsgebouwen. De huidige situatie en oppervlakten van de te saneren bebouwing zijn weergegeven in figuur 2.1.1. In het geel omcirkeld staat de te behouden bedrijfswoning. Op de locatie aan de Middelweg, tussen nummer 5 en 7, staat een schuur omringd door een bosschage. De oppervlakte van de te saneren bebouwing betreft: een kas aan de Doornweg 6 à 10.238 m²; een kas aan de Blindweg 13/15 à 4.881 m²; bedrijfsgebouwen Blindeweg 13/15 à 421 m²; watersilo à 170 m²; waterbassin à 1167 m². In totaal is er 1,51 ha aan kassen gerealiseerd bij deze glastuinbouwbedrijven en is er nog 2,49 ha aan papieren glas aanwezig.
11/45
Figuur 2.1 - huidige situatie aan de Blindeweg/Doornweg
2.2
Beoogde situatie
In de beoogde situatie worden alle kassen en bijbehorende bebouwing gesaneerd in ruil voor in totaal 6 compensatiewoningen. De bedrijfswoningen aan de Doornweg 6 en Blindeweg 13/15 worden omgezet naar burgerwoningen. Tussen beide locaties in wordt op de open agrarische gronden een cluster van vier compensatiewoningen gerealiseerd. Deze worden aangelegd door de Blindeweg iets te verlengen. Naast de Doornweg, ten zuiden van de bedrijfswoning, wordt vervolgens nog een compensatiewoning gerealiseerd. De laatste compensatiewoning wordt gerealiseerd tussen Middelweg nummer 5 en 7.
12/45
Figuur 2.2 - schets beoogde situatie met in rood het projectgebied (n.a.v. de zienswijzenperiode is besloten het aantal compensatiewoningen van 5 naar 4 terug te brengen aan de Blindeweg. Dit is nog niet verwerkt in bovenstaande figuur.)
13/45
Figuur 2.3 - te slopen bebouwing Doornweg 6 (boven) en Blindeweg 13/15 (onder)
14/45
Hoofdstuk 3
Ruimtelijk beleidskader
In dit hoofdstuk wordt het relevante ruimtelijke beleidskader beschreven. Achtereenvolgens komt het rijksbeleid, het provinciale beleid en het gemeentelijke beleid aan bod.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) en Barro (2020) In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) formuleert het Rijk een nieuwe integrale aanpak waarin samen met andere overheden en organisaties optimaal kan worden gewerkt aan behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen spelen de volgende vier prioriteiten de komende jaren een grote rol in de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Nationale belangen De NOVI is vertaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Deze gaat echter pas in zodra de omgevingswet in werking treedt. De voorloper van het BKL is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.
Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Toetsing en conclusie De NOVI en het Barro kenmerken zich door een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid. 3.1.2 Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling (art. 3.6.1 Bro, juli 2017) Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Toetsing en conclusie Gezien de geringe aard van de ontwikkeling (omzetten twee bedrijfswoningen en zes compensatiewoningen) is er geen sprake van een ladderplichtige ontwikkeling. Er hoeft geen onderbouwing voor de ladder opgesteld te worden.
15/45
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De omgevingsvisie Zuid-Holland, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van Provinciale Staten op 8 maart 2023 (in werking op 1 april 2023), biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna aan de relevante punten uit de omgevingsvisie getoetst. Verstedelijking/Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Zie paragraaf 3.1.2. Naar een klimaatbestendig Zuid-Holland De provincie wil tijdig en adequaat inspelen op het opwarmende klimaat. Door de mondiale opwarming stijgt de zeespiegel en worden weerpatronen beïnvloed. Hierdoor neemt in Zuid-Holland de intensiteit van neerslag toe, is sprake van een toename van het aantal hittegolven en neemt de kans op extreme droogteperiodes toe. Verder daalt de bodem en neemt de brakke kwel toe.
Omgaan met de weersextremen zal onvermijdelijk ook effect hebben op de inrichting van ons stedelijk en landelijk gebied. In de provincie worden veel nieuwe woningen gebouwd, de economie groeit, de landbouw is in transitie, ambitieuze landschapsparken en nieuwe infrastructuur staan op stapel. Al deze opgaven samen vergen zowel lange termijn planning als flexibiliteit om mee te bewegen met veranderende omstandigheden, ofwel 'adaptief beleid'. Het uitgangspunt van de provincie is dat de fysieke leefomgeving zodanig wordt ingericht dat deze de gevolgen van klimaatverandering doelmatig kan opvangen. Dit geldt voor zowel nieuwbouwontwikkelingen, alsook de fysieke leefomgeving van bestaand bebouwd gebied. Zo wil de provincie voorkomen dat extreme weersomstandigheden leiden tot onnodige schade aan bijvoorbeeld gebouwen, infrastructuur, landbouw, natuur, en economie. Landschappelijke waarden De provincie zet in op het versterken en benutten van de verschillen tussen de vier groepen landschappen: kustlandschap, veen(weide) landschap, deltarivierenlandschap en stedelijk landschap. De provincie wil de intrinsieke waarde van de verschillende landschappen behouden, beschermen, op passende wijze benutten en beleefbaar maken. Dit betekent dat zorgvuldig moet worden afgewogen welke ontwikkelingen in welk landschap wenselijk zijn.
Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het in standhouden, benutten, beleven en versterken van bestaande gebiedskwaliteiten.
16/45
De provincie hecht waarde aan onbebouwde landschappen. De provincie beschermt het landschap tegen ongewenste ontwikkelingen en wil daarmee versnippering en onomkeerbare aantasting van het landschap tegengaan. De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden, omdat ze landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. De instandhouding en versterking van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde vraagt om toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling. Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in de sanering van kassen, bouwrechten voor kassen en bedrijfsbebouwing waardoor wordt voorzien in een afname van bebouwd oppervlak. Het verkleinen van het bebouwd oppervlak draagt bij aan de verkleining van de risico's van klimaatverandering. Ook wordt door dit initiatief de mogelijkheid tot realisatie van 2,49 ha aan kassencomplexen gesaneerd. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de bestaande landschappelijke kwaliteiten. Ruimtelijke kwaliteit De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen. In de kwaliteitskaart onderscheidt de provincie vier lagen: de ondergrond, cultuur- en natuurlandschappen, stedelijke occupatie en beleving. Iedere ondergrond kent zijn eigen richtpunten om de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Hieronder wordt getoetst aan het kwaliteitsbeleid. Kwaliteitskaart Zuid-Holland Laag van de ondergrond In figuur 3.1 is te zien dat het plangebied gelegen in de oude stroomgordels en geulafzetting op de ondergrond jonge zeeklei. Hiervoor zijn de volgende richtpunten relevant: Bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Rivierdeltacomplex – jonge zeeklei Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.
17/45
Figuur 3.1 – Laag van de ondergrond (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Figuur 3.2 laat zien dat het projectgebied in zowel zeekleipolderlandschap als rivierdeltalandschap ligt. De volgende richtpunten zijn relevant: Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.
18/45
Figuur 3.2 – Laag van de cultuur- en natuurlandschappen (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Laag van de stedelijke occupatie Deze laag is niet aanwezig in het projectgebied. Laag van de beleving Deze laag is niet aanwezig in het projectgebied. Via de Vleerdamsedijk loopt wel een fietsroute. Toetsing De beoogde ontwikkeling bevindt zich in het buitengebied ten noordoosten van Rockanje. In dit gebied bevinden zich nog een aantal glastuinbouwbedrijven, waarvan een deel inmiddels ook al is gesaneerd, en wordt verder gekenmerkt door woonpercelen en percelen met overig grondgebruik. Deze percelen zijn deels agrarisch gebruik met voornamelijk akkerbouw, afgewisseld met een aantal bospercelen. Na de sanering van de kassen zal het betreffende agrarische gebiedsdeel volledig vrij zijn gemaakt van bedrijfsmatig voor glastuinbouw ingezette kassen. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de richtpunten uit de kwaliteitskaart. Het haalt de mogelijkheid tot realisatie van 2,49 ha aan kassencomplexen weg. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de bestaande landschappelijke kwaliteiten en wordt het groene karakter van het buitengebied versterkt en het voorkomt een verdere teruggang in ruimtelijke kwaliteit wanneer deze kassen nog worden gerealiseerd.
Daarnaast is ook de ontwikkellocatie voor de ontwikkeling in de structuurvisie Glasherstructurering (zie paragraaf 3.3.1) van de voormalige gemeente Westvoorne aangewezen als zoekgebied voor woningbouw. Om de kwaliteitsslag in het buitengebied te waarborgen worden vrijstaande woningen passend in het landschap mogelijk gemaakt.
19/45
Het saneren van de kassencomplexen aan de Doornweg en de Blindeweg resulteert in de aanleg van 3.710 m2 nieuwe natuur, door middel van natuurvriendelijke oevers. Verder zal het dempen van een doodlopende sloot (Blindeweg) en graven van een nieuwe sloot (Doornweg) de doorstroming en waterkwaliteit in het gebied verbeteren. Ook is het Handboek ruimtelijke kwaliteit buitengebied Westvoorne van toepassing, waarbij de inrichtingsplannen van de tuinen o.a. streekeigen beplanting dienen te bevatten. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de richtpunten uit de kwaliteitskaart en past binnen het groene karakter van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast en geborgd in de regels van het bestemmingsplan. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (in werking per 15 maart 2022) In de Omgevingsverordening heeft de provincie regels gesteld om de provinciale hoofdbelangen uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland 2040 juridisch te borgen. Gemeenten moeten bij het maken van ruimtelijke plannen deze regels in acht nemen. De Omgevingsverordening is daarmee een kaderstellend instrument van de provincie voor gemeenten. De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna aan de relevante artikelen uit de omgevingsverordening getoetst.
Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied Lid 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. Lid 2 In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Toetsing aan artikel 6.9a Onderhavig plan voorziet in de realisatie van zes woningen en het omzetten van twee bedrijfswoningen naar een burgerwoning. Het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is toegestaan wanneer het bedrijf ter plaatse beëindigd wordt. Er worden zes nieuwe woningen gerealiseerd ter compensatie van de sloop van de glastuinbouwbedrijven. Het aantal woningen is gebaseerd op het omzetten van twee bedrijfswoningen naar twee burgerwoningen en een zestal compensatiewoningen voor het slopen van 15.119 m2 aan kassen, 1.758 m2 aan bedrijfsbebouwing en 24.881 m2 aan papieren glas.
Om te waarborgen dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse geborgd wordt is rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. De relevante richtpunten worden benoemd op de provinciale kwaliteitskaart/in de provinciale verordening. Onderzocht dient te
20/45
worden of er sprake is van inpassing, aanpassen of transformeren. Met het omzetten van twee bedrijfswoningen en het realiseren van zes compensatiewoningen in het polderlint van de Middelweg (1 woning) en aan de Blindeweg (4 woningen) en in het boerenervelint van de Doornweg (1 woning) kan gesteld worden dat er sprake is van aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Naar aanleiding van de beantwoording van de zienswijzen op het aspect ruimtelijke kwaliteit is een landschappelijke inpassingsplan opgesteld. De landschappelijke inpassing is uitgewerkt in Bijlage 7 en is vastgelegd als voorwaardelijke verplichting in de regels om aan te tonen dat de ruimtelijke kwaliteit op zijn minst gelijk blijft. De vrijkomende saneringslocaties moeten een nieuwe en duurzame invulling krijgen. Om de kwaliteitsslag in het buitengebied te waarborgen worden vrijstaande woningen passend in het landschap mogelijk gemaakt.
Naar aanleiding van de beantwoording van de zienswijzen worden de beschikbare kavels beperkt tot 6 in plaats van 7 en verkleind naar een bouwvlak van maximaal 1.000m2 per kavel. De woningen worden tegenover elkaar gepositioneerd, waardoor er ruime doorzichten vanaf de Vleerdamsedijk gewaarborgd zijn.
Om de afwisseling en de gedeeltelijke openheid van het landschap te behouden is de locatiekeuze voor de nieuwbouwontwikkelingen van groot belang geweest. Om dit te waarborgen zijn locaties langs de bestaande linten gekozen van ruime omvang, waarbij de bouwrechten het minste impact hebben en de doorzichten naar het achterland gewaarborgd blijven. De oppervlakte van de compensatielocaties aan de Blindeweg en Doornweg variëren namelijk van 8.000 tot 8.877 m2, zodat slechts een klein deel per compensatielocatie kan worden benut voor bebouwing. Uitgaande van de algeheel toelaatbare bebouwingsoppervlakte in het buitengebied (inclusief vergunningsvrije bouwwerken), wordt een bebouwingspercentage van maximaal 5,1% geerealiseerd bij het grootste kavel en maximaal 5,6% bij het kleinste kavel. Het grootste gedeelte van de kaveloppervlakten (94,4% tot 94,9%) blijft derhalve onbebouwd en biedt ruimte aan tuin, weiland en natuurontwikkeling. Door een dergelijke inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Het betreft hier een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, die gebiedseigen is en passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van het gebied.
De komst van een beperkt aantal woningen die op een verantwoorde wijze worden ingepast binnen de karakteristieken van het huidige landschap, zorgt er juist voor dat er een open agrarisch karakter ontstaat met mooie doorzichten, afgewisseld met nieuwe natuur en enkele woningen. Zeker wanneer dit wordt afgezet tegen de mogelijkheid nog extra kassen te realiseren op de locatie, wat een verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit betekent. Met de sloop van de kassen, de bedrijfsbebouwing in ruil voor de woningen en de zorgvuldige landschappelijke inpassing verbetert per saldo de ruimtelijke kwaliteit.
21/45
Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen a. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: 1. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening. Toetsing aan artikel 6.10 Gezien de geringe aard van de ontwikkelingen (zes woningen) is er geen ladderplichtige onderbouwing noodzakelijk, zoals eveneens is geconcludeerd in paragraaf 4.12. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels die gesteld zijn in de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
3.3
Gemeentelijk beleid
Het vigerende gemeentelijk beleid voor het plangebied is de Omgevingsvisie Westvoorne 2030 (14 januari 2017), het Handboek Kwaliteitsverbetering en de Structuurvisie Glastuinbouw (1e herziening, vastgesteld 5 april 2011). Relevante zaken uit dit beleid worden getoetst aan de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 3.3.1 Glasherstructurering 1e herziening Het meest relevante gemeentelijke beleid voor dit bestemmingsplan is vastgelegd in de Structuurvisie Glasherstructurering (1e herziening, april 2011). Het gemeentelijk beleid voor glastuinbouw is tweeledig: de sanering van verspreid liggend glas in het open poldergebied en de binnenduinrand enerzijds; het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden (verdichting) voor glastuinbouw nabij Tinte anderzijds. Voorwaarden voor de herbestemming van de saneringslocaties zijn: vermindering van de verrommeling van het landschap; een bestemming passend bij de omliggende percelen; een bestemming die geen overlast veroorzaakt op zijn omgeving; het behouden van karakteristieke bebouwing en landschapselementen. Het glas wordt gesaneerd om het landschap te versterken en de polder open te houden. De woningbouw moet dus zorgen voor een verbetering van het landschap en het openhouden van de polder. Toetsing De beoogde ontwikkeling is gelegen in het zoekgebied voor woningbouw (zie figuur 3.3).
Ondanks deze ligging is vanwege de landschappelijke structuur de woningbouw niet altijd op de saneringslocatie gewenst.
22/45
Figuur 3.3 - ligging van de locaties in het zoekgebied voor woningbouw De beoogde zes woningen worden als compensatie gerealiseerd voor de te saneren kassen en bedrijfsbebouwing. Daarnaast worden twee bedrijfswoningen omgezet naar burgerwoningen. Het realiseren van nieuwe woonpercelen ter vervanging van glastuinbouwbedrijven draagt bij aan het groene karakter van het gebied. Op de huidige locaties zijn nu immers nog kassen gelegen en is ruimte om nieuwe kassen aan te leggen. De woning aan de Middelweg en de woning aan de Doornweg worden gerealiseerd in het lint. Voor de woning aan de Middelweg geldt dat in de huidige situatie al bebouwing/houtopstanden aanwezig is waardoor er geen sprake is van een doorzicht vanaf de Middelweg naar het achtergelegen landschap. Voor de Doornweg geldt dat op deze locatie nu een kas staat. Met de inpassing van de woning op deze locatie versterkt het zandlint door de compacte groene inpassing van het erf in plaats van de kas. Aan de Blindeweg wordt een cluster van vier compensatiewoningen gerealiseerd op open agrarische gronden aan de Blindeweg. Op basis van de structuurvisie voor glasherstructurering kunnen clusters in het zogenoemde tussengebied gerealiseerd worden, mits dit landschappelijk gezien passend is.
De beoogde ontwikkeling wordt aan de landschappelijke kwaliteiten getoetst in paragraaf 3.2.1 (provinciaal niveau) en paragraaf 3.3.3 (handboek kwaliteitsverbetering, gemeente). Hiertoe is een landschappelijke inpassing opgesteld. Conclusie Met de sanering van de glastuinbouwbedrijven in ruil voor woningbouw wordt invulling gegeven aan de structuurvisie voor Glasherstructurering.
23/45
3.3.2 Omgevingsvisie Westvoorne 2030 De omgevingsvisie van Westvoorne beschrijft de koers van de gemeente naar 2030. Deze visie is opgedeeld in een aantal gebieden en thema's. De beoogde ontwikkeling bevindt zich in het zogenoemde 'veelzijdig landelijk gebied' binnen het deelgebied 'zanderijen'. De gemeente heeft de laatste tien jaar ingezet op sanering van de verspreid liggende glastuinbouw. Uitgangspunten en ontwikkelingen De uitgangspunten en concrete ontwikkelingen die passen bij deze koers worden opgedeeld in de verschillende thema's. Hieronder worden de voor deze ontwikkeling relevante thema's toegelicht. Landschap De kwaliteiten en karakteristieken van de verschillende landschapstypen in de gemeente zijn leidend bij nieuwe ontwikkelingen. Het landschap vormt steeds de duurzame onderlegger van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de landschappelijke kwaliteiten. Maatwerkoplossingen voor glastuinbouwbedrijfsbeëindigingen of -verplaatsingen zullen ook na de afronding van het huidige glassaneringsbeleid mogelijk blijven. Voorwaarden zijn onder andere een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en zo mogelijk realisatie van natuurontwikkeling en recreatieve waarden. Ook voor andere (agrarische) bedrijven is een dergelijke sanering mogelijk wanneer dit een bijdrage levert aan een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving.
Wonen Door schaalvergroting in de landbouw komen er agrarische erven vrij (er wordt grond opgekocht van een andere agrariër maar diens erf blijft 'over'). Om deze erven en de daarop aanwezige bebouwing een andere invulling te kunnen geven, is het onder voorwaarden toegestaan dat woningen in de plaats van het oude agrarisch bedrijf gebouwd worden. De nadere uitwerking daarvan wordt per locatie bezien. Toetsing en conclusie De gemeente heeft de ambitie gesteld om in een voldoende en passend aanbod van woningen te voorzien. Daarnaast wil de gemeente verspreid liggend glas saneren. Glastuinbouwbedrijven worden gesaneerd en ter compensatie daarvan mogen woningen worden gebouwd. De aanwezige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning om in voldoende aanbod van woningen te kunnen voorzien. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen de kwaliteiten en karakteristieken van de verschillende landschapstypen in acht genomen te worden. De ontwikkeling wordt hiervoor getoetst aan het handboek kwaliteitsverbetering. De ontwikkeling sluit aan bij de huidige trend en bij de visie om in voldoende woningen te voorzien. Verder dient te worden voldaan aan de structuurvisie Glasherstructurering 1e herziening. Hieronder wordt de ontwikkeling aan dit beleid getoetst.
3.3.3 Handboek Kwaliteitsverbetering De gemeente Westvoorne kent een integrale omgevingsvisie, welke in samenspraak met stakeholders en burgers is opgesteld. In de integrale omgevingsvisie is de gewenste koers beschreven van een aantal deelgebieden en de ontwikkelrichtingen gaan hierbij uit van het verder verbeteren van bestaande kwaliteiten. Men wenst hiermee te bewerkstelligen dat het karakter van Westvoorne behouden blijft en indien mogelijk, de gemeente nog mooier te maken. Uitgangspunt hierbij is dat bestaande kwaliteiten behouden blijven, of dat deze worden vergroot. De gemeente speelt hierbij een faciliterende c.q. regisserende rol. 24/45
Ligging De eerste stap is vaststellen in welk gebied de ontwikkeling gelegen is. De gemeente heeft het grondgebied opgedeeld in deelgebieden en voor elk deelgebied gelden andere kenmerken. Binnen deze deelgebieden zijn nog een aantal specifieke polders uitgelicht met elk zijn eigen kenmerken en karakteristieken. De locaties aan de Blindeweg, Doornweg en Middelweg zijn allen gelegen in het deelgebied 'Zanderijen' en specifieker 'Polder Stuifakker'. Karakteristieken Zanderijen kenmerken zich door het overgangsgebied van besloten/bosrijke binnenduinrand naar open zeekleipolders. De polder Stuifakker wordt gekenmerkt door een afwisselend, kleinschalig, halfopen landschap met (paarden)weides, akkertjes, bosjes en houtwallen. De wegen zijn meest lang en recht, met open tot vrij dichte bebouwingslinten. Er is een verscheidenheid aan functies aanwezig. De verkaveling is regelmatig en blokvormig, maar duidelijk kleinschaliger dan in de oude en vooral de jonge zeekleipolders. De verkaveling (en het slotenpatroon) volgt meestal de richting van de wegen.Op een aantal plaatsen lopen kronkelende watergangen door het gebied; dit zijn restanten van smalle en ondiepe duinrellen/-wateringen die water vanuit de duinen afvoerden naar de polders. Hier zijn de kavelranden grilliger van vorm. De duinrellen zijn niet meer overal even goed zichtbaar in het landschap.
Specifieke aanbevelingen Het kwaliteitshandboek doet de volgende aanbevelingen op hoofdlijnen. Voor deze ontwikkeling zijn de aanbevelingen voor het behouden en versterken van de identiteit van het gebied en het verbinden van natuur relevant. Hieronder wordt de ontwikkeling getoetst aan de voor de ontwikkeling relevante subdoelen. De gemeente zet in op het: versterken van het kleinschalige, halfopen landschap met bosjes en houtwallen en afwisselende gebruiksfuncties; verhogen van de natuurwaarden (bijvoorbeeld door het herstellen van natuurlijke verbindingen tussen de duinen en de polders, indien mogelijk gekoppeld aan herstel van de duinwateringen); vergroten van de belevingswaarde van landschap en natuur voor bewoners en recreanten (bijvoorbeeld door het creëren van / bijdragen aan recreatieve wandelroutes vanuit de dorpen en routes tussen de duinen en de kreken en dijken in de oude zeekleipolders).
Behoud en versterk de identiteit Versterk de cultuurhistorische identiteit Versterk de cultuurhistorische lijnen en elementen Versterk de kleinschalige landschapsstructuur Behoud de open doorzichten naar het landschap Herstel en ontwikkel de karakteristieke groene erfsingels Behoud en versterk het kleinschalige kavelpatroon Pas gebiedseigen kavelscheidingen toe Maak de waterstructuur zichtbaar Pas gebiedseigen kavelscheidingen toe Sluit aan bij het karakteristiek van het lint Sluit aan op de positionering van de bestaande bebouwing
25/45
Sluit aan op de streekeigen erfcompositie Sluit aan op de streekeigen bebouwingskarakteristiek
Verbind de natuur Pas inheemse beplanting toe. Toetsing De ontwikkeling draagt bij aan het vergroenen van het buitengebied ten noordoosten van Rockanje. Aan de Zandlinten langs de Middelweg en de Doornweg wordt het bestaande kavelpatroon in de bestaande lintbebouwing doorgezet met de invulling van twee vrijstaande woningen. De Middelweg en de Doornweg zijn in het handboek Kwaliteitsverbetering beiden aangewezen als Zandlint. Deze worden gekenmerkt als rechte wegen met halfopen doorzichten naar het achterliggende landschap. Op beide locaties worden doorzichten naar het achterliggende landschap al belemmerd door de aanwezige bebouwing. De nieuwe woningen zullen dus geen negatieve invloed hebben op de halfopen doorzichten naar het achterliggende landschap. De 4 woningen aan de Blindeweg worden gerealiseerd als nieuw cluster van vrijstaande woningen aan het eind van de Blindeweg op een voormalig glastuinbouwlocatie. De woningen worden zodanig verkaveld dat deze aansluiten in het verlengde van de Blindeweg. Ook ontstaat er een relatieve aansluiting met het blokje net gerealiseerde woningen ten noorden van het plangebied, aan de Broershoek. De woningen krijgen een groene en open uitstraling die aansluit bij de uitstraling van overige woningen in dit gebied. Verder blijft er voldoende vrije ruimte mét doorzichten over tussen en rondom de woningen.
Hiermee voldoet de locatie aan de eisen van kleine clusters in tussengebied, zoals omschreven in de structuurvisie glas. Verder zal het dempen van een doodlopende sloot (Blindeweg) en graven van een nieuwe sloot (Doornweg) de doorstroming en waterkwaliteit in het gebied verbeteren. Door de sanering van 2 glastuinbouwbedrijven wordt bijgedragen aan het meer open en afwisselende karakter van dit gebied. Conclusie Er kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de relevante hoofddoelen uit het kwaliteitshandboek. De overige hoofddoelen uit het kwaliteitshandboek worden niet belemmerd door deze ontwikkeling.
26/45
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk project te worden aangetoond en dient te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de milieutechnische aspecten beschreven en getoetst die relevant zijn voor de ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
4.2
Archeologie & Cultuurhistorie
Beleidskader Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Westvoorne heeft op 22 april 2008 een gemeentelijk archeologisch beleid vastgesteld, waarvan de Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) een belangrijk instrument vormt.
De kaart toont de archeologische waarden en verwachtingen binnen Westvoorne en geeft aan hoe de gemeente daarmee omgaat. In de momenteel voor het projectgebied geldende bestemmingsplan is een dubbelbestemming ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden opgenomen. De AWK is het achterliggende beleidskader voor de motivering van die dubbelbestemming. Onderzoek en conclusie Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden is in het bestemmingsplan 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne' een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van meer dan 200 m2 of die dieper reiken dan 80 cm beneden het maaiveld. Deze vrijstellingswaarden zijn met een archeologische dubbelbestemming overgenomen in de regels van Veegplan 4. Op deze manier is en blijft het archeologische belang gewaarborgd in het geldende bestemmingsplan.
27/45
Daarnaast zijn binnen de relevante beleidsdocumenten geen cultuurhistorische waarden beschreven waaraan met de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afbreuk wordt gedaan. In paragraaf 3.2.1 wordt getoetst aan de lagen uit de kwaliteitskaart waaronder de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Zodra de bouwplannen concreet zijn uitgewerkt kan worden beoordeeld of er sprake is van een archeologische onderzoeksverplichting. Dit onderzoek dient dan bij de aanvraag van de omgevingsvergunning te worden gevoegd. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.
Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS)
28/45
kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming De ontwikkeling is getoetst aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. In Bijlage 1 is de stikstofmemo bijgevoegd en in Bijlage 2 is de berekening van de realisatie- en gebruiksfase te vinden.
Met het rekenmodel AERIUS (versie 2023.0.1) is een verschilberekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatie- en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. In de memo in Bijlage 1 wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer- en uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in Bijlage 2 . Uit de verschilberekening met AERIUS Calculator (versie 2023.0.1) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in zowel de realisatie- als de gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Om de effecten te kunnen bepalen voor eventueel aanwezige beschermde soorten zijn twee quickscans uitgevoerd binnen het plangebied. De eerste quickscan ziet toe op de locaties aan de Blindeweg/Doornweg en is bijgevoegd in Bijlage 3. De tweede quickscan is gericht op de locatie aan de Middelweg en is bijgevoegd in Bijlage 4.
29/45
Blindeweg/Doornweg Indien aan de volgende voorwaarden voldaan kan worden, is geen vervolgonderzoek noodzakelijk voor de locaties aan de Blindeweg/Doornweg. Alle werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden; De watergang (zie lichtblauwe lijn in figuur 4.1) dient ongemoeid te blijven; Beïnvloeding van de mogelijkheid om de watergang als vliegroute te gebruiken moet voorkomen worden. Dit houdt in: 1. Geen verlichting gericht op de watergang; 2. Geen bruggen over de watergang; 3. Geen graafwerkzaamheden in deze watergang (aanleggen van een natuurvriendelijke oever wordt niet gezien als ingrijpend, zolang de watergang zelf niet bewerkt wordt).
Figuur 4.1 - Afbeelding uit ecologisch onderzoek met daarop de watergang aangeduid in blauw (bron: Quickscan Blindeweg - Doornweg, Van der Goes en Groot) Middelweg De plannen op het perceel aan de Middelweg zijn nog niet uitgewerkt. Daarom is een uitgebreide quickscan uitgevoerd op het perceel. Uit de quickscan worden de volgende onderzoeken aanbevolen: Nadere inspectie naar aanwezigheid van (grote) vogelnesten/ holtes en spleten. Indien uit de nadere inspectie jaarrond beschermde verblijfplaatsen van broedende roofvogels/uilen voorkomen, dient onderzoek gedaan te
30/45
worden naar voortplantinsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoorten. Onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de eekhoorn, boommarter of steenmarter. Onderzoek naar voortplantingsplaatsen en verblijfplaatsen van vleermuizen.
Met inachtneming mitigerende en compenserende maatregelen mag worden aangenomen dat een eventueel benodigde ontheffing in het kader van de Wnb in alle gevallen kan worden verkregen en dat het bestemmingsplan derhalve uitvoerbaar is. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Bodem
Normstelling en beleid Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek Ten behoeve van de uitvoering van het project is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Milieukundig bodemonderzoek Blindeweg/Doornweg Rockanje, 20 april 2021). Uit het onderzoek blijkt weliswaar dat er verontreinigde stoffen in de grond en het grondwater zijn aangetroffen, maar dat de onderzoeksresultaten geen aanleiding geven voor het het instellen van verder onderzoek. Het onderzoek met de bijbehorende resultaten en aanbevelingen is opgenomen in Bijlage 5. Aan de Middelweg is de functie Wonen reeds aanwezig. Een bodemonderzoek dient aangeleverd te worden bij de vergunningsaanvraag voor bouwen. Conclusie De analyseresultaten van het onderzoek vormen milieuhygiënisch geen belemmering voor het afgeven van een omgevingsvergunning voor woningen.
4.5
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
31/45
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
32/45
Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In figuur 4.2 is het gebied weergegeven met de locaties waarop het project van toepassing is. Hieruit blijkt dat er in het gebied en de omgeving daarvan geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen en geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de weg, het spoor, het water of via buisleidingen.
Figuur 4.2 - Uitsnede Risicokaart (bron: Atlas voor de Leefomgeving) Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.6
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader veen goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven.
33/45
Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek In de beoogde situatie worden agrarische bestemmingen omgezet naar woonpercelen.
Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. De ontwikkelingen vinden in het agrarisch gebied ten oosten van Rockanje plaats, waar sprake is van voornamelijk woningen met incidenteel aanwezige agrarische bedrijven al dan niet uit de glastuinbouwsector. Het gebied kan kan worden getypeerd als 'gemengd'. In de directe omgeving van de percelen die deel uitmaken van het projectgebied waar de nieuwe woningen worden gebouwd is uitsluitend sprake van woonpercelen en bevinden zich geen agrarische bedrijfspercelen. In de regeling van het geldende bestemmingsplan is een richtafstand van 25 meter opgenomen tussen glastuinbouwbedrijven en burgerwoningen. Deze afstandsmaat vloeit voort uit de wens om de leefkwaliteit bij burgerwoningen niet alleen op aspecten als geluid, stof, geur en gevaar, maar ook op een aspect als visuele beleving te waarborgen. Aan deze afstand wordt in alle situaties zonder meer voldaan. Voor de omliggende burgerwoningen verbetert de situatie, omdat de (mogelijke) hinder van de glastuinbouwbedrijven verdwijnt. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling.
4.7
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
34/45
Tabel 4.1 – Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³
Kaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Fijn stof (PM10)
Fijn stof (PM2,5)
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek Met deze ruimtelijke onderbouwing worden zes woningen mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de beoogde woningen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.8
Water
Toetsingskader Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkelingen. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
35/45
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta: waterveiligheid (dijken en duinen) versterkte duinen meer biodiversiteit op de dijken minder CO2-uitstoot, vergoten meer innovatie voldoende schoonwater Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld.
Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.
36/45
Onderzoek Huidige situatie Algemeen Op de locaties Blindeweg 13/15 en Doornweg 6 bevinden zich een tweetal glastuinbouwbedrijven met bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen en kassen. Het kassencomplex en de bedrijfsbebouwing hebben samen een oppervlakte van circa 16877 m². Op de locatie tussen Middelweg 5 en 7 bevindt zich een schuur met een oppervlakte van circa 100 m². Bodem en grondwater Het plangebied bestaat ter plaatse van de Blindeweg/Doornweg hoofdzakelijk uit kalkrijke poldervaaggronden. Ter plaatse van de Middelweg bestaat de bodem uit Kalkhoudende beekeerdgronden. In het plangebied is sprake van grondwatertrap Ia. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogst gemeten grondwaterstand 5 centimeter beneden het maaiveld ligt en de gemiddeld laagst gemeten grondwaterstand tussen 40 centimeter beneden het maaiveld. Waterkwantiteit Het plangebied rond de de locaties Blindeweg 13/15 en Doornweg 6 wordt nagenoeg volledig begrensd door watergangen (zie figuur 4.3). Van de watergangen H133888 en H15895 (blauw) is het waterschap de beheerder. Hier geldt een beschermingszone van 5,0 meter. Voor de overige watergangen (rood) geldt een beschermingszone van 2,00 meter. Langs de Middelweg ligt eveneens een watergang met een beschermingszone van 0,5 meter.