(bijlage 1) windturbines A - Regels en toelichting bij het bestemmingsplan
Tekst van het document
Cumulatieve geluidbelasting op geluidgevoelige objecten In de toekomstige situatie met de nieuwe windturbines (en sanering van de bestaande) neemt de akoestische kwaliteit van de omgeving af op 2 van de 7 geluidgevoelige objecten (allen woningen) met één stap volgens de methode Miedema. Voor beide woningen is er sprake van een verslechtering van goed naar redelijk volgens de methode Miedema. Bij de overige woningen is er géén sprake van een verslechtering van het akoestische klimaat. Een cumulatieve geluidbelasting voor woningen van derden van maximaal 65 dB (tamelijk slecht) wordt in zijn algemeenheid bij de ontwikkeling van windparken acceptabel geacht 36. In deze is er sprake van een lagere maximale cumulatieve geluidbelasting van 57 Lden op een geluidgevoelig object. De cumulatieve geluidbelasting op geluidgevoelige objecten als gevolg van de windturbines Haringvlietdam is dus zonder meer aanvaardbaar te achten. Daarnaast geldt dat gezien het belang van het realiseren van de windturbines als bijdrage aan de gemeentelijke, provinciale en landelijke duurzame energiedoelstelling en de samenhang met de beleidsmatige keuze om het plangebied aan te wijzen als windenergielocatie, wordt de toekomstige cumulatieve akoestische situatie bij woningen van derden acceptabel geacht.
Wanneer met de definitieve windturbine keuze gekozen wordt voor realisatie van een 'stillere' windturbine (niet worst-case) neemt ook de cumulatieve geluidbelasting af.
Gemeente Voorne aan Zee
45
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) Cumulatieve geluidbelasting op niet-geluidgevoelige objecten Strandpaviljoen The Shamrock Inn is geen geluidgevoelig object omdat het geen woonbestemming heeft en er zijn ook geen aanwijzingen dat de gemeente voornemens is daar verandering in te brengen. The Shamrock Inn kent van alle toetspunten bij niet-geluidgevoelige objecten de grootste toename van de cumulatieve geluidbelasting met 7 dB Lden. De akoestische kwaliteit gaat van 'redelijk' naar 'matig'. De cumulatieve geluidbelasting bij strandpaviljoen Boelies neemt toe met 5 dB L den waardoor de akoestische kwaliteit van 'tamelijk slecht' naar 'slecht' (<65 dB L den) gaat. De cumulatieve geluidbelasting op niet gevoelige objecten is voor de volledigheid in beeld gebracht maar vraagt niet de zelfde afweging als de cumulatieve geluidbelasting bij geluidgevoelige objecten. Gezien het belang van het realiseren van de windturbines als bijdrage aan de gemeentelijke, provinciale en landelijke duurzame energiedoelstelling en de samenhang met de beleidsmatige keuze om het plangebied aan te wijzen als windenergielocatie, wordt de toekomstige cumulatieve akoestische situatie bij niet-geluidgevoelige objecten zonder meer acceptabel geacht. Recreatie In de berekeningen is het geluid van het wegverkeer en het geluid van de windturbines meegenomen.
Het gebied rondom de windturbines wordt tevens voor recreatie gebruikt. De verblijfstijd van recreanten is kleiner dan van omwonenden, in het recreatiegebied zijn vooral overdag recreanten aanwezig. Windturbines produceren het meeste geluid bij hoge windsnelheden op ashoogte. Gemiddeld genomen zijn de windsnelheden in de zomermaanden lager dan in de wintermaanden. Specifiek gaan warme, zonnige dagen vaak gepaard met lage windsnelheden en daarmee een lagere geluidproductie. Daarnaast wordt opgemerkt dat in het recreatiegebied overdag meer achtergrondgeluid is, ten gevolge van recreatie en wegverkeer, wat het windturbinegeluid kan maskeren. Op de zomerse stranddagen wordt daarom weinig geluidhinder door de windturbines verwacht voor de aanwezige dagrecreanten. Er is ook geen toetsingsnorm vastgelegd voor het geluidniveau van windturbines op een recreatiegebied. Geconcludeerd kan worden dat de akoestische omgeving, gewaardeerd volgens de Methode Miedema, beperkt cumulatief veranderd door de realisatie van de windturbines. Gezien het belang van het realiseren van de windturbines als bijdrage aan de gemeentelijke, provinciale en landelijke duurzame energiedoelstelling wordt de toekomstige cumulatieve akoestische situatie acceptabel geacht. In de berekeningen is uitgegaan van een luide windturbine.
Wanneer gekozen wordt voor realisatie van een 'stillere' windturbine en/of en uitvoering van de rotorbladen met 'serrated edges' neemt ook de cumulatieve geluidbelasting af. Laagfrequent geluid Er is geen algemeen geaccepteerd normstelsel voorhanden waarmee laagfrequente geluidhinder kan worden geobjectiveerd, wel zijn er enkele rekenmethodieken beschikbaar. Laagfrequent geluid (LFG) is geluid in het voor mensen laagst hoorbare frequentiegebied, onder 200 Hz. Windturbines produceren, net als de meeste andere geluidbronnen, ook laagfrequent geluid. Het RIVM heeft op verzoek van de GGD-en de invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden door windturbines onderzocht (2013)37. Hierin wordt gesteld dat windturbines weliswaar laagfrequent geluid produceren maar dat er geen bewijs bestaat dat dit een factor van belang is voor de hinderbeleving. Er is geen aparte beoordeling nodig boven op de bescherming die de zogenoemde A-gewogen normstelling op basis van dosis-effectrelaties reeds biedt. De mate van bescherming en de normering worden eveneens beschouwd in een literatuuronderzoek naar laagfrequent geluid van windturbines van Agentschap NL (2013) 38. Ook hier zijn geen aanwijzingen dat het aandeel laagfrequent geluid een bijzondere dan wel belangrijke rol speelt.
Door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu is, mede namens de minister van Economische Zaken en de minister van Infrastructuur en Milieu over het onderwerp laagfrequent geluid van windturbines een brief aan de Tweede Kamer gestuurd (2014)39. Op grond van de brief van de staatssecretaris en het rapport van het RIVM kan gesteld worden dat toetsing aan de standaard Nederlandse geluidnormen tevens voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid. In 2017 heeft de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM nog een literatuurstudie uitgevoerd naar de relatie tussen blootstelling aan windturbinegeluid, waaronder laagfrequent geluid, en gezondheid40. Tweeëndertig (peer reviewd41) wetenschappelijke onderzoeken tussen 2009 en 2017 zijn onderzocht in de literatuurstudie. In deze literatuurstudie zijn geen direct effecten gevonden tussen windturbinegeluid en de gezondheid van omwonenden. Dit onderzoek heeft in oktober 2020 een update gekregen42. In een literatuuronderzoek zijn aanvullend alle onderzoeken over het effect
46
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis van geluid van windturbines op de gezondheid van omwonenden die tussen 2017 en medio 2020 zijn uitgevoerd op een rij gezet. Uit de update van de literatuurstudie blijkt dat hinder optreedt als gevolg van geluid: hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, hoe groter de hinder ervan. Uit de literatuur bleek niet dat het zogeheten laagfrequent geluid (lage tonen) van windturbines voor extra hinder zorgt in relatie tot 'gewoon' geluid. Voor andere gezondheidseffecten zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek niet eenduidig: deze effecten hangen niet duidelijk samen met het geluidniveau, maar soms wel met de ervaren hinder. Deze resultaten onderbouwen de eerdere conclusies van de literatuurstudie van drie jaar eerder. Vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt ook dat windinitiatieven zich op basis van bovenstaande studies in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid (zie o.a. ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228 (Windpark Wieringermeer), 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 (Windpark De Drentse Monden Oostermoer), 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2720 (Windpark De Rietvelden) en recentelijk 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226 (Windplan Groen).
Het is dan ook niet noodzakelijk verder onderzoek uit te voeren naar laagfrequent geluid voor de windturbines op de Haringvlietdam. Met naleving van de geluidsnormering is er ook ten aanzien van laagfrequent geluid sprake van een aanvaardbare situatie. Berekening laagfrequent geluid volgens Vercammen-curve Om tegemoet te komen aan zorgen vanuit de omgeving ten aanzien van laagfrequent geluid is een berekening gemaakt van de gevolgen van laagfrequent geluid van de windturbines Haringvlietdam. Dit is gedaan door een aanvullende berekening uit te voeren om specifiek de laagfrequente geluidniveaus inzichtelijk proberen te maken en te toetsen aan de Vercammen-curve (zie paragraaf 3.3.6. van Bijlage 2). Voor de berekening van de Vercammen-curve is uit gegaan van een toetspunt op The Shamrock Inn, alhoewel het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object verder van de windturbines is gelegen.Uit de berekening blijkt dat binnen bij The Shamrock Inn de Vercammen-curve niet wordt overschreden (ten minste 9 dB onder de curve) en dat op geen ernstige hinder als gevolg van laagfrequent geluid wordt verwacht. Bij woningen op grotere afstanden zijn de optredende geluidniveaus dus nog lager, waardoor ook daar ernstige hinder als gevolg van laagfrequent geluid niet aannemelijk is.
Gezien de grote verschillen tussen de optredende niveaus en de Vercammen-curve is ook bij een ander windturbinetype het niet aannemelijk dat deze alsnog wordt overschreden. In het kader van de lokale normstelling wordt in de omgevingsvergunning wordt een voorwaarde opgenomen dat het definitief door de initiatiefnemers te kiezen windturbinetype ook aan de Vercammen-curve wordt getoetst. Er is gezien het feit dat met naleving van de geluidsnormering er ook ten aanzien van laagfrequent geluid sprake is van een aanvaardbare situatie geen aanleiding een norm voor laagfrequent geluid op te nemen in de planregels. 5.2.3
Conclusie
Een lokale norm voor windturbinegeluid van Lden 45 dB op gevoelige objecten voor de windturbines Haringvlietdam is aanvaardbaar. De norm is ruimtelijk aanvaardbaar op basis van een afweging tussen de te verwachten hinder en het belang van opwekking duurzame elektriciteit met windturbines. De norm is opgenomen in de planregels. Aan de ruimtelijke aanvaardbare norm voor windturbinegeluid kan worden voldaan. De geluidhinder, waaronder laagfrequent geluid, is aanvaardbaar. Ter voorkoming van 'normopvulling' wordt een immissienorm bij representatieve opgenomen in de planregels. Cumulatief met andere geluidbronnen vindt er (worst-case) bij woningen van derden een cumulatieve verslechtering op de schaal van Miedema plaats op 2 van de 7 gehanteerde toetspunten, beide met één stap op de schaal van Miedema. Voor de overige toetspunten op geluidgevoelige objecten blijft de akoestische kwaliteit gelijk. Geconstateerd kan worden dat de cumulatieve verandering van de geluidbelasting beperkt is. Dit wordt mede aanvaardbaar geacht gezien het belang van het realiseren van het de windturbines als bijdrage aan de gemeentelijke, provinciale en landelijke duurzame energiedoelstelling. Voor het aspect geluid is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Gemeente Voorne aan Zee
47
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
5.3
Slagschaduw
5.3.1
Toetsingskader
De draaiende rotoren van windturbines kunnen een bewegende schaduw op hun omgeving werpen. Deze 'slagschaduw' kan als hinderlijk worden ervaren. De mate van hinder wordt bepaald door de duur van de slagschaduw. Flikkering bij windturbines is gerelateerd aan de draaisnelheid van de windturbinebladen. Slagschaduw met flikkerfrequenties vanaf 2,5 Hz wordt als extra hinderlijk ervaren en kan schadelijk zijn (deze frequenties worden in de praktijk door gangbare windturbines niet bereikt). De frequenties van de lichtflikkeringen van de voorbeeldwindturbines voor het windproject liggen, gezien hun afmetingen, tussen de 0,24 en 0,95 Hz en worden daarmee niet als extra hinderlijk ervaren en zijn niet schadelijk. De afstand van de blootgestelde locatie tot de windturbine, de stand van de zon, de weersomstandigheden en het al dan niet draaien van de windturbine zijn bepalende aspecten voor de duur van de periode waarin slagschaduw optreedt (slagschaduwduur). In de planregels is een norm voor de toetsing van slagschaduw opgenomen specifiek voor de windturbines Haringvlietdam. Lokale norm voor slagschaduw Voor onderhavig plan wordt voor slagschaduw getoetst aan de volgende normen voor slagschaduw op basis van paragraaf 5.1.3 en Bijlage 5.
Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering zijn de windturbines van de windturbines Haringvlietdam voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt: op ramen binnen de gevel van slagschaduw gevoelige objecten (woningen), mogen de windturbines Haringvlietdam maximaal 6 uur slagschaduw per jaar toevoegen; ter plaatse van de specifieke dagrecreatieve objecten strandpaviljoens Boelies en The Shamrock Inn mogen de windturbines Haringvlietdam maximaal 30 minuten aan slagschaduwduur per jaar toevoegen voor zover deze slagschaduw optreedt gedurende de periode vanaf 1 mei tot en met 15 september en tijdens openingstijden. De normstelling voor slagschaduw is juridisch-planologisch verankerd in de planregels. 5.3.2
Onderzoek
Ten behoeve van de windturbines is een slagschaduwonderzoek uitgevoerd om enerzijds te toetsen aan de slagschaduwnormen in de planregels van dit bestemmingsplan en anderzijds de effecten op de omgeving in beeld te brengen (zie Bijlage 6). Ter bepaling van de maximale slagschaduweffecten is in het slagschaduwonderzoek een fictieve windturbine gehanteerd. Deze heeft een rotordiameter van 165 meter en een ashoogte van 117,5 meter. Met de maximale tiphoogte van 200 meter en de maximale rotordiameter worden de maximale effecten inzichtelijk gemaakt. De resultaten van de berekeningen zijn weergegeven in Figuur 5.1 en Tabel 5.5. In Figuur 5.3 is met een groene, rode en grijze lijn aangegeven waar de totale jaarlijkse verwachte hinderduur respectievelijk 0, 6 of 16 uur bedraagt per gevel. In Tabel 5.5 is de verwachte hinderduur per jaar gegeven.
48
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
Figuur 5.3 Slagschaduwcontouren zonder mitigatie door windturbines Haringvlietdam
Tabel 5.5 geeft de verwachte slagschaduw per jaar weer van de windturbines op de Haringvlietdam op de 13 referentietoetspunten, waarvan 7 voor slagschaduwgevoelige objecten, de beide strandpaviljoens, maar ook voor de volledigheid enkele niet-slagschaduwgevoelige objecten. Slagschaduwgevoelige objecten (woningen) Bij vier toetspunten is de verwachte hinderduur in Tabel 5.5 vetgedrukt. Hier kan jaarlijks meer dan 6 uur slagschaduwhinder optreden. Overschrijding van de norm wordt weggenomen door een stilstandregeling tot het niveau waarop wordt voldaan aan de lokale norm zoals opgenomen in de planregels. Bij de bepaling van de schaduwduren is geen rekening gehouden met eventuele beplanting, gebouwen en kunstwerken in de omgeving die het zicht kunnen belemmeren. Hierdoor kan de hinder in de praktijk nog verder worden beperkt. Wanneer de definitieve keuze van het turbinetype bekend is wordt er een stilstandkalender gemaakt waarmee de stilstandvoorziening van de turbines wordt geprogrammeerd. In de turbinebesturing worden hiervoor blokken van dagen en tijden geprogrammeerd waarop de rotor wordt gestopt indien de zon schijnt en de turbine draait omdat er op die momenten slagschaduw valt op woningen waar de betreffende turbine bijdraagt aan een overschrijding van de norm.
De benodigde mitigatie om te voldoen aan de norm zorgt voor een beperkt opbrengstverlies en de uitvoerbaarheid van dit plan is daarmee niet in het geding. Slagschaduw op strandpaviljoens Boelies en The Shamrock Inn In Tabel 5.5 is de verwachte slagschaduwduur op Boelies en The Shamrock Inn in beeld gebracht. Slagschaduw bij The Shamrock Inn vindt vooral plaats tussen 1 mei en 15 september tussen 19.00 uur en 20.30 uur (zie Figuur 5.4). Voor Boelies geldt ook dat slagschaduw kan optreden tussen 1 mei en 15 september, maar dan tussen 17.00 uur en 19.30 uur (zie Figuur 5.5).
Gemeente Voorne aan Zee
49
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
Tabel 5.5 Verwachte slagschaduwduur door windturbines Haringvlietdam (zonder mitigatie)
Boelies en The Shamrock Inn, zijn in grote mate afhankelijk van strandbezoekers en hebben daardoor een seizoensmatig karakter. Gelet op de terrasfunctie en het beschermen van de toeristische aantrekkelijkheid is een specifieke lokale norm opgenomen in de planregels om bewegende slagschaduw geheel weg te nemen. Deze lokale norm sluit aan op de periode in het jaar dat er hinderlijke slagschaduw kan optreden. Voor het tijdstip op de dag dat slagschaduw kan optreden laten Figuur 5.4 en 5.5 zien dat deze periode veel beperkter is dan 'openingstijden', zoals opgenomen in de onderbouwing lokale normering. Voor een juridische borging van 'openingstijden' van de lokale norm in de planregels is een definitie gegeven van openingstijden door aan te sluiten bij de werkelijke globale openingstijden van de strandpaviljoens. De benodigde mitigatie om aan de lokale norm te voldoen (circa 35 uur per jaar en circa 70 uur per jaar) is aanvaardbaar en leidt niet tot een onuitvoerbaar plan. Slagschaduw op overige objecten Hoewel er ter hoogte van de overige objecten niet aan dezelfde normen voor slagschaduw als bij slagschaduwgevoelige objecten getoetst hoeft te worden, is de slagschaduwduur bij deze objecten wel onderzocht.
Als gevolg van de ligging ten opzichte van en de afstand tot de windturbines wordt ter plaatse van terreinen en objecten voor verblijfsrecreatie een schaduwduur berekend van ten hoogste 8 uur per jaar. Dat is nauwelijks meer dan de normgrens die voor woningen wordt gehanteerd. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Cumulatie met andere windturbines De bestaande windturbines worden verwijderd voordat de nieuwe turbines in werking worden genomen. Andere windparken zijn op een zodanig grote afstand gelegen dat zij niet zorgen voor een cumulatieve slagschaduw met de windturbines Haringvlietdam. Hierdoor is er geen sprake van cumulatie met windturbines in een ander windpark.
50
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
Figuur 5.4 Slagschaduwkalender The Shamrock Inn
Gemeente Voorne aan Zee
51
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
Figuur 5.5 Slagschaduwkalender Boelies
5.3.3
Conclusie
Een norm voor slagschaduw van maximaal 6 uur per jaar voor de twee windturbines op gevoelige objecten is op basis van een afweging tussen de te verwachten hinder en het belang van opwekking duurzame elektriciteit met windturbines ruimtelijk aanvaardbaar en is opgenomen in de planregels. Een norm van maximaal 30 minuten per jaar slagschaduw (de tijd benodigd voor het afschakelen van de windturbines met de automatische stilstandvoorziening) bij de strandpaviljoens Boelies en The Shamrock Inn neemt alle slagschaduw weg en zorgt er voor dat er geen hinder optreedt in de voornaamste exploitatieperiode. De norm is uitvoerbaar en ruimtelijk aanvaardbaar en is opgenomen in de planregels. Aan de ruimtelijke aanvaardbare norm voor slagschaduwduur op voor slagschaduw gevoelige objecten en op de strandpaviljoens kan het plan, met het (zo nodig) toepassen van een stilstandvoorziening voldoen. De windturbines zijn ruimtelijke inpasbaar en haalbaar. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
52
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
5.4
Veiligheid
5.4.1
Toetsingskader
Voor de ruimtelijke inpassing van windturbines speelt veiligheid een belangrijke rol. Hoewel het risico laag is, kunnen windturbines omvallen of kunnen er onderdelen afbreken. Het effect van de windturbines Haringvlietdam op de veiligheidssituatie van de omgeving is beoordeeld aan de hand van een aantal criteria, die zijn afgeleid uit wet- en regelgeving en adviezen voor toetsing van beheerders van infrastructurele werken. Deze toetsingscriteria hebben zowel betrekking op externe veiligheid als op leveringszekerheid ten aanzien van elektriciteitskabels- en (buis)leidingen. Het Activiteitenbesluit en -regeling is gedeeltelijk het kader voor de (externe) veiligheid van windturbines en mag voorlopig niet worden gebruikt op basis van de uitspraak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (zie ook paragraaf 5.1.2). In het Activiteitenbesluit milieubeheer was onder andere geregeld hoe vaak een windturbine moet worden gecontroleerd en wanneer een windturbine wel of niet in werking mag zijn. Zo mag bijvoorbeeld een windturbine niet in werking worden gesteld indien een zodanige ijslaag is afgezet op de rotorbladen dat dit een risico vormt voor de veiligheid van de directe omgeving. Bij moderne windturbines kan door middel van ijsdetectiesystemen de windturbine zo nodig automatisch stilgezet worden. Daarnaast bestaat ook nog de interne veiligheid van windturbines.
De interne veiligheid van windturbines is geregeld via de certificering van het ontwerp en de productie van windturbines. In Nederland mogen alleen windturbines worden geplaatst die gecertificeerd zijn volgens de veiligheidsnormen ten behoeve van het voorkomen van risico's voor de omgeving. De voorgenoemde voorwaarden zijn als planregels opgenomen in dit bestemmingsplan. Lokale normstelling plaatsgebonden risicocontour 10-5 en 10-6 Voor onderhavig plan wordt voor externe veiligheid voor wat betreft het plaatsgebonden risico getoetst aan de lokale normstelling van een plaatsgebonden risicocontour van 10-5 per jaar voor beperkt kwetsbare objecten en 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten (zie ook Bijlage 5). Omdat in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportleidingen (Bevt) een aanvaardbare kans op overlijden is omschreven die niet afhankelijk is van het type inrichting wordt het niet nodig geacht voor windturbines afwijkende normen voor te schrijven. Met betrekking tot veiligheidsafstanden wordt in grote lijnen aangesloten op het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)43 en daarmee dat zich geen kwetsbare objecten mogen bevinden binnen de PR 10-6-contour en geen beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-5-contour. PR staat voor het Plaatsgebonden Risico.
Dit is de kans per jaar dat iemand overlijdt als gevolg van een ongeval van een falende windturbine, als deze persoon permanent en onbeschermd op een bepaalde afstand tot de turbine aanwezig zou zijn. Een PR-norm van 10-5 betekent een maximale kans van maximaal 1 op 100.000, PR 10-6 een kans van 1 op 1.000.000. Met een kans van 1 de 100.000 jaar bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10-5 contour bij beperkt kwetsbare objecten en 1 op de miljoen bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10-6 contour bij kwetsbare objecten is daarmee sprake van een risico dat aanmerkelijk lager ligt dan andere algemeen aanvaarde (maatschappelijke) risico's en gelijk is aan andere risicobronnen van externe veiligheid. Een norm voor externe veiligheid van windturbines van PR10-5 voor beperkt kwetsbare objecten en PR10-6 voor kwetsbare objecten is daarmee ruimtelijk aanvaardbaar als toetsingskader voor de plaatsgebonden risicocontouren. De afstanden die bij deze normen worden gehanteerd, worden hierna geduid. Voor de bepaling van deze contouren wordt verwezen naar De 'Handreiking Risicozonering Windturbines' (v1.1, 20 mei 202044) en 'Handleiding Risicoberekeningen Windturbines' (versie oktober 2019) (hierna: Handboek risicozonering), als vervanger van het 'Handboek Risicozonering Windturbines' (2014) (hierna afgekort als: HRW).
Gemeente Voorne aan Zee
53
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
Overige toetsingskaders Ook wordt voor de bepaling van de effecten op infrastructuren en objecten aansluiting gezocht bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)45. Daarnaast hebben beheerders van infrastructurele werken randvoorwaarden voor situaties van uitval van belangrijke infrastructurele werken zoals grote gasleidingen en elektriciteitsvoorzieningen. Om hier rekening mee te houden is gekeken naar de invloed van plaatsing van windturbines op de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de nabije infrastructurele werken. In tabel 5.7 staat het beoordelingskader voor veiligheid samengevat. Tabel 5.7 Beoordelingskader veiligheid
5.4.2
Onderzoek
Een windturbine dien te worden beschouwd vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Voor het plan is daartoe een risicoanalyse uitgevoerd (zie Bijlage 7). Het Handboek Risicozonering Windturbines (2020) adviseert een identificatieafstand waarbinnen het veiligheidsrisico voor objecten en infrastructuren onderzocht dient te worden. Deze afstand is gebaseerd op de maximale generieke werpafstand die plaatsvindt als windturbines tweemaal het nominale toerental draaien (ook wel 'overtoeren'). Objecten buiten deze afstand ondervinden geen risico en worden verder buiten beschouwing gelaten. Om de maximale effecten goed weer te geven wordt de werpafstand gehanteerd van een fictieve windturbine met een maximale werpafstand van 166 meter bij nominaal toerental en 431 meter bij overtoeren. Hiermee wordt een worst-case situatie inzichtelijk gemaakt en kunnen de effecten in werkelijkheid enkel kleiner zijn dan berekend, mits de uiteindelijk te bouwen windturbine binnen de genoemde bandbreedte blijft.
54
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis Verdere bij de windturbines behorende effectafstanden zijn: tiphoogte: 200 meter; halve rotordiameter: 82,5 meter (= 83 meter); maximale ligging PR10-5-contour: 83 meter; maximale ligging PR10-6-contour: 200 meter. In onderstaande figuur worden de maximale ligging van de PR10-5 en PR10-6 weergegeven. Figuur 5.6 Maximale ligging van de PR10-5 en PR10-6
Bebouwing Voor beoordeling van bebouwing aanwezig in de omgeving kan er onderscheid gemaakt worden in drie vormen van bebouwing: "Beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en mogelijk toekomstige objecten”. Voor windturbines gelden eisen in relatie tot bestaande beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden ook niet gerealiseerde, maar planologische bestemde, activiteiten meegenomen in de beoordeling. Beperkt kwetsbare objecten Het Activiteitenbesluit geeft aan dat beperkt kwetsbare objecten geen hoger risico mogen ondervinden dan een plaatsgebonden risico van PR10 -05. Het Handboek geeft aan dat het plaatsgebonden risico nooit hoger is dan PR10-05 buiten een afstand van een halve rotordiameter. Voor de windturbines Haringvlietdam zal de PR10-05 nooit groter zijn dan 83 meter. Voor de bepaling wat beperkt kwetsbare objecten zijn is aangesloten bij de definities uit artikel 1 lid 1 uit het Bevi. Er zijn geen objecten gelegen binnen 83 meter. Er kan met zekerheid worden voldaan aan de benodigde eisen tot beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten Het Activiteitenbesluit geeft aan dat kwetsbare objecten geen hoger risico mogen ondervinden dan een plaatsgebonden risico van PR10-06. Het Handboek geeft aan dat het plaatsgebonden risico nooit hoger is dan PR10-06 buiten een afstand van tiphoogte46.
Voor de windturbines Haringvlietdam zal de PR10-06 nooit groter kunnen zijn dan 200 meter. Voor de bepaling wat kwetsbare objecten zijn is aangesloten bij de definities uit artikel 1 lid 1 uit het
Gemeente Voorne aan Zee
55
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) Bevi. Kwetsbare objecten hierin zijn locaties voor langdurige verblijf van mensen zoals woningen, locaties met kwetsbare personen, zoals ziekenhuizen of scholen en locaties waar grote groepen personen kunnen verblijven zoals grote kantoren. Er zijn geen objecten gelegen binnen de maximale ligging van de PR10-06-contour. Er kan met zekerheid worden voldaan aan de benodigde eisen tot kwetsbare objecten. Mogelijk toekomstige objecten In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het relevant om ook te kijken welke toekomstige mogelijkheden van bebouwing er zijn die voortkomen uit de mogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Binnen zowel de maximale ligging van de PR10-05 contour en de PR10-06 contour zijn gronden bestemd voor Natuur, Recreatie, Verkeer, Water en Waterkering. Bij deze bestemmingen zijn geen mogelijkheden voor de realisatie van kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten. De windturbines veroorzaken daarmee geen belemmeringen in het kader van externe veiligheid voor (bouw) mogelijkheden in deze bestemmingen. Figuur 5.7 Maximale ligging van de PR10-05 en PR10-06 en het bestemmingsplan
Verder is er een ontwikkellocatie ten oosten van de oostelijke windturbine. De ontwikkellocatie is niet bestemd in het huidige bestemmingsplan maar ter indicatie zijn de (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Het ontwikkelgebied ligt geheel binnen de PR10-6-contourafstand en geheel buiten de PR10-5-contourafstand. Dit betekent dat de ontwikkellocatie niet kan leiden tot een kwetsbaar object, maar dat de realisatie van een beperkt kwetsbaar object wel mogelijk is. Dit is echter niet belemmerend voor de windturbines. Bij wijze van signaleringsfunctie is het wel wenselijk om een zone rond de windturbines op te nemen in het bestemmingsplan waarin de ontwikkeling van beperkt kwetsbare objecten wordt uitgesloten binnen de PR10-05 contour. Deze is maximaal gelegen op een (generieke) afstand van 83 meter vanuit (het middelpunt van) de windturbine. Het is tevens wenselijk om een zone rond de windturbines op te nemen in het bestemmingsplan waarin de ontwikkeling van kwetsbare objecten wordt uitgesloten binnen de PR10 -06 contour. Deze is maximaal gelegen op een (generieke) afstand van 200 meter vanuit de windturbine.
56
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis Deze lokale normen voor plaatsgebonden risico zijn opgenomen op de verbeelding met bijbehorende regeling in de planregels. Wegen Wegen in beheer van Rijkswaterstaat Het HRW stelt dat Rijkswaterstaat een vergunning afgeeft indien windturbines worden geplaatst op, in of over rijkswaterstaatwerken. Voor het verlenen van de vergunning hanteert Rijkswaterstaat een afstandseis van ten minste 30 meter of een halve rotordiameter. Ook dient bij plaatsing binnen een afstand van de werpafstand bij nominaal toerental (166 meter) het individueel passanten risico (IPR) en het maatschappelijk risico (MR) te worden berekend. De N57 is een rijksweg en is gelegen binnen de identificatie-afstand van de windturbines. De westelijke windturbine (windturbine 1) is gelegen op een afstand van 100 meter vanaf de rand van de rijksweg N57, de oostelijke windturbine (windturbine 2) ligt op 87 meter. Deze afstanden zijn beide groter dan een halve rotordiameter en voldoen daarmee aan de gestelde afstandseisen waardoor geen vergunning benodigd is. Omdat de afstand kleiner is dan 166 meter is een IPR- en een MR-berekening uitgevoerd. De trefkans voor een passerend voertuig bedraagt 2,3 x 10-11 per passage voor windturbine 1 en 2,6 x 10-11 voor windturbine 2. Samen is dat een trefkans van 4,9 x 10-11. Dit leidt tot een IPR van 2,4 x 10-08.
Dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal IPR van 1 x 10 -06 per jaar. Het Maatschappelijk Risico (MR) is bepaald op 6,8 x 10-04 per jaar. Ook dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal MR van 2 x 10-03. De jaarlijkse verkeersintensiteit op de rijksweg zou moeten toenemen van 8,7 miljoen voertuigen tot 25,5 miljoen voertuigen voordat het MR overschreden zou worden. Van deze groei is met zekerheid geen sprake op dit tracé. Voor overige lokale wegen zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. Ook worden er vanuit de gemeente geen eisen of voorwaarden gesteld voor wat betreft overdraai over deze lokale wegen. Gevaarlijke transporten De rijksweg N57 kan ook gebruikt worden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De risico's die dit vervoer met zich meebrengt zouden kunnen worden verhoogd door de aanwezigheid van een windturbine. Om te analyseren of hier sprake van is wordt het huidige risico van het vervoer van gevaarlijke stoffen vergeleken met het additionele risico wat de windturbine veroorzaakt. Het extra risico van de windturbine bedraagt +0,6%. Een dergelijke risicotoevoeging ruim onder de 10% kan als verwaarloosbaar worden gezien ten opzichte van het aanwezige risico. Dit toegevoegde risico is zodanig klein dat er geen nieuwe risicoanalyse van de transporten op de rijksweg hoeft plaats te vinden.
Eventuele afname van risico vanwege het verwijderen van de zes bestaande windturbines is in bovenstaande berekeningen niet meegenomen. Waterwegen Voor waterwegen geldt dat er enkel algemene beleidsregels beschikbaar zijn voor rijkswaterwegen. Voor overige waterwegen zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. De windturbines zijn op minimaal 44 meter gelegen vanaf het water van het Haringvliet/Deltageul. Ter indicatie is het IPR en MR op basis van conservatieve aannames berekend. Ondanks het feit dat er wel waterverkeer binnen de identificatieafstand, werpafstand en rotoroverdraai kan plaatsvinden, wordt de verblijftijd van het vaarverkeer klein geacht, gezien de situering van de windturbines ten opzichte van de vaarroutes en het feit dat het Haringvliet geen hoofdvaarweg is voor goederen en er dus enkel recreatievaart plaatsvindt. De trefkans voor een passerend voertuig bedraagt 3,2 x 10-10 per passage voor windturbine 1 en 1,0 x 10-10 per passage voor windturbine 2. Voor 52 passages per jaar (1 keer per week langsvaren) bedraagt het IPR voor beide windturbines samen 2,2 x 10-08 per jaar. Bij een aantal passages van meer dan 4,9 miljoen per jaar wordt het Maatschappelijk Risico (MR) groter dan 2 x 10-03, de norm die Rijkswaterstaat voor bijvoorbeeld snelwegen hanteert. Van dergelijke aantallen (ruim 13.000 per dag) is met zekerheid geen sprake.
Risicovolle inrichtingen en installaties Er zijn volgens de risicokaart geen risicovolle inrichtingen of installaties aanwezig binnen de identificatieafstand van de twee windturbines.
Gemeente Voorne aan Zee
57
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) Uit nader onderzoek blijkt dat er ter plaatse van strandpaviljoen Boelies een gastank aanwezig is. Deze is gelegen binnen de identificatieafstand van 431 meter, maar buiten de generieke PR10-06 contour (op 200 meter) en kan enkel worden geraakt in het faalscenario bladworp bij overtoeren. De trefkans bedraagt 1,13 x 10-08 en de risicotoevoeging zal dus kleiner zijn dan 10% van een eventuele PR10-06 contour en daarmee niet significant. Ondergrondse buisleidingen en bovengronds gasnetwerk Er is volgens de risicokaart geen gasnetwerk behorende onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) aanwezig in de nabijheid van de beoogde windturbines. De afstand is meer dan 4.500 meter tot het eerste gasnetwerk. Hoogspanningsinfrastructuren Er is geen netwerk behorende bij de hoogspanningsinfrastructuur aanwezig in de nabijheid van het plangebied van de beoogde windturbines. Waterkeringen De windturbines worden gebouwd op terreinen met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. De invloed van de realisatie van de twee windturbines op de waterkering vanuit het aspect externe veiligheid wordt in paragraaf 5.5 behandeld. IJsafworp Op 1 tot 2 dagen per jaar kunnen de weeromstandigheden in Nederland zodanig zijn dat er sprake is van significante ijsaangroei aan de windturbinebladen.
Bij het loskomen van deze ijsblokken kunnen gevaarlijke situaties ontstaan voor onbeschermde personen of door schrikreacties bij verkeersdeelnemers. Moderne windturbines zijn veelal voorzien van systemen die kunnen detecteren of er sprake is van aangroeiend ijs en/of weersomstandigheden waarbij ijsaangroei kan worden verwacht. Om ijsworp te voorkomen, dient de windturbine te worden stilgezet indien significante ijsaangroei aanwezig is. Het voorkomen van gevaarlijke situaties en het verplicht moeten stilzetten van windturbines is reeds geregeld in de regels van het activiteitenbesluit. Om te analyseren of de omgeving gevoelig kan zijn voor ijsworp of ijsval wordt gekeken naar de directe omgeving van de windturbines tot aan een afstand gelijk aan de tiphoogte. Binnen deze afstand is een parkeerplaats gelegen (ten westen van windturbine 1). Tevens is de omgeving bestemd voor dagrecreatie, waarmee aanwezigheid van personen mogelijk is. Er wordt echter in de omstandigheden dat ijsaangroei kan plaatsvinden geen tot weinig aanwezigheid van recreatie verwacht. Mocht recreatie ook onder winterse omstandigheden blijken toe te nemen, dan gaat het ijsprotocol in werking en worden bijvoorbeeld door middel van borden passanten van de risico's op de hoogte gebracht. Ook dient ijsworp / ijsval op de autoweg N57 te worden geminimaliseerd dan wel voor zover mogelijk te worden voorkomen.
De afstand tot de verharde rand van de autoweg bedraagt voor windturbine 1 circa 100 meter en voor windturbine 2 circa 87 meter. Dit betekent dat er vanaf de punt van de rotor van windturbine 1 circa (100- 83 =) 17 meter aan extra ruimte beschikbaar is en voor windturbine 2 is dit (87 - 83 =) 4 meter. Indien de rotor niet draait kan ijsval optreden tot een zone van circa een halve rotordiameter plus 11 meter als afglij / dwarrel zone. Het grootste deel van vallend ijs valt binnen een afstand van circa 11 meter vanaf de buitenkant van de rotorbladen tot aan de masttoren van de windturbine. Een ijsdetectiesysteem, wat ijsvorming aan de bladen detecteert en de windturbine stilzet bij significante ijsaangroei, is voor windturbine 1 een afdoende systeem om de risico's van ijsval op de autoweg te voorkomen. Bij windturbine 2 kan er bij een stilstaande windturbine nog steeds afglijdend of dwarrelend ijs op de autoweg terecht komen. Het is dus van belang dat bij dergelijke situaties windturbine 2 niet enkel wordt stilgezet, maar ook dusdanig wordt gedraaid dat afglijdend ijs niet op de autoweg N57 terecht komt. Voor beide windturbines geldt daarnaast dat het aanbeveling verdient om de rotor van de windturbine bij het gecontroleerd afwerpen of weer opstarten van de windturbine na ijsaangroei zodanig te positioneren dat er niet in de richting van de autoweg kan worden geworpen.
Er wordt een ijsprotocol opgesteld waarin bovenstaande eisen worden vastgelegd. Dit is vastgelegd in de planregels.
58
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
5.4.3
Conclusie
Een normstelling van een plaatsgebonden risicocontour van 10-05 per jaar voor beperkt kwetsbare objecten en 10-06 per jaar voor kwetsbare objecten turbines is ruimtelijk aanvaardbaar. Met een kans van 1 de 100.000 jaar bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10 -05 contour bij beperkt kwetsbare objecten en 1 op de miljoen bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10 -06 contour bij kwetsbare objecten is daarmee sprake van een risico dat aanmerkelijk lager ligt dan andere algemeen aanvaarde (maatschappelijke) risico's dat bovendien gelijk is aan andere risicobronnen. De veiligheidsrisico's zijn onderzocht. Omdat er geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare respectievelijk kwetsbare objecten aanwezig zijn binnen de PR10 -05 en PR10-06 contour zijn er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het de windturbines. De PR10-05 en PR10-06 zijn ook vastgelegd op de verbeelding en met een passende regeling opgenomen in de planregels. De trefkansen voor voertuigen, vaartuigen en gevaarlijke transporten zijn verwaarloosbaar klein. Er is een gastank aanwezig nabij Boelies binnen de identificatieafstand. De risicotoevoeging is niet significant. Verder zijn er geen risicovolle inrichtingen of installaties aanwezig binnen de identificatieafstand van de twee windturbines.
Er zijn ook geen gasleidingen of hoogspanningsleidingen aanwezig nabij de windturbines. Voor ijsafworp is een planregel opgenomen. Er is voor het aspect externe veiligheid sprake van een goede ruimtelijke ordening.
5.5
Waterveiligheid
5.5.1
Toetsingskader
De windturbines liggen op of nabij drie waterkeringstrajecten (zie Figuur 5.8). Dit zijn: Traject Haringvlietsluizen (kunstwerk), in beheer bij Rijkswaterstaat (rode lijn); De gronddam tussen Voorne-Putten en de sluizen, in beheer bij Rijkswaterstaat (blauwe lijn); Traject op het eiland Voorne-Putten, in beheer bij waterschap Hollandse Delta (gele en paarse lijn). Figuur 5.8 Ligging waterkeringstrajecten [bron: Arcadis]
Voor de beoordeling van de kans op schade door een windturbine op of nabij een waterkering worden
Gemeente Voorne aan Zee
59
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) twee soorten effecten onderscheiden: 1. Ondergrondse effecten van de bouw, gebruik en verwijderen van de windturbine en bijbehorende werken. Tot de ondergrondse effecten behoren onder andere: a. invloed van trillingen; b. falen van de fundering van de windturbine, waardoor de dijk beschadigd; c. invloed van piping en heave; d. invloed van (belastingen) bij aanleg, onderhoud en demontage. 2. Bovengrondse effecten bij falen van de windturbine of een onderdeel hiervan tijdens de gebruiksfase. Tot deze effecten behoren schade door: a. bladbreuk; b. mastbreuk; c. gondelval; d. vallen van kleine onderdelen en vallend ijs bij stilstand. Bovenstaande effecten kunnen van invloed zijn op de werking van de waterkeringen. In de Wet op de waterkering zijn voor primaire waterkeringen veiligheidsnormen tegen overstromen vastgesteld. 5.5.2
Onderzoek
In het rapport in Bijlage 9 is onderzoek gedaan naar de mogelijke gevolgen van de windturbines op de waterveiligheid. Hieronder wordt per traject een samenvatting van de resultaten gegeven. Haringvlietsluizen De maatgevende windturbine voor de Haringvlietsluizen is windturbine 1, deze staat op circa 500 meter van de Haringvlietsluizen. Ondergrondse invloeden De afstand van 500 meter tussen de sluis en de windturbine is significant meer dan de afstand waarover de ondergrondse invloed van een windturbine merkbaar is. Het effect van de ondergrondse invloeden van de windturbines op de sluizen is daarom verwaarloosbaar. Bovengrondse calamiteiten Van de bovengrondse calamiteiten heeft 'bladworp bij overtoeren' de grootste verstoringsafstand. De maximale verstoringsafstand bedraagt circa 430 meter. Dit is minder dan de afstand van windturbine 1 tot de sluizen. Het effect van bovengrondse calamiteiten van de windturbines op de sluizen is daarom verwaarloosbaar. Haringvlietdam Ondergrondse invloed Het (eigen) gewicht van de windturbines en krachten die door de fundering van de windturbines op de ondergrond worden overgedragen hebben geen invloed op de sterkte van de ondergrond. deze krachten worden via de funderingspalen afgevoerd naar de diepere ondergrond. De windturbine kan echter wel trillingen overbrengen naar de ondergrond.
Deze trillingen kunnen een negatieve invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering. Voor de meest maatgevende zuidelijke windturbine is de invloed van deze trillingen op de stabiliteit van de dam onderzocht. Bij de berekeningen is uitgegaan van een conservatieve inschatting. Het profiel van de trillingen voldoet ruimschoots aan de gestelde eis. Op basis van de berekeningen is geconcludeerd dat de invloed van de trillingen voldoende klein is. Bovengrondse calamiteiten Voor de mechanismen hoogte, bekleding kruin en binnentalud en macrostabiliteit binnenwaarts is een beoordelingsprofiel gemaakt. Het profiel voldoet ruim aan de doorsnede eisen voor Golferosie Kruin en Binnentalud en Macrostabiliteit binnenwaarts. Gecombineerd met de kleine trefkans (8,4 x 10 -4) levert dit een faalkansbijdrage op die veel kleiner is dan 1% van deze doorsnede-eis en voldoet daarmee aan de norm. Verder is berekend dat een vallend blad van de windturbine op het buitentalud van de waterkering niet leidt tot falen van de kering. Ten slotte is gesteld dat piping en heave geen relevant mechanisme is omdat sprake is van een zanddijk op een zandondergrond.
60
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis Waterleiding In de dam bevindt zich een waterleiding (diameter 0,6 meter). In een aanvullend onderzoek is nader onderzocht of een bovengrondse calamiteit van de windturbines invloed kan hebben op de waterleiding en daarmee op de waterveiligheid. Uit dit onderzoek is gebleken dat in het geval de waterleiding bezwijkt, de waterveiligheid voldoende is geborgd. In het onderzoek is de verstoringszone van de waterleiding berekend en is een beoordelingsprofiel voor de waterkering opgesteld. Het verstoringsprofiel valt ruim buiten het beoordelingsprofiel en daarom is de waterveiligheid voldoende geborgd. Primaire waterkering Voorne-Putten De meest noordelijke windturbine staat circa 340 meter onder de primaire waterkering van het waterschap. Ondergrondse invloeden Door de grote afstand van de windturbine tot de kering zijn ondergrondse invloeden verwaarloosbaar. Bovengrondse calamiteiten Van de bovengrondse calamiteiten heeft 'bladworp bij overtoeren' de grootste verstoringsafstand. De maximale verstoringsafstand bedraagt circa 430 meter. Hierbij wordt de primaire waterkering van het waterschap op een deel geraakt. Op basis van expert judgement is de verwachting dat het treffen van de waterkering door een turbineblad bij overtoeren geen significante invloed heeft op de waterveiligheid en faalkans. 5.5.3
Conclusie
De mogelijke invloed van de windturbines op de waterveiligheid is onderzocht. Voor zowel de Haringvlietsluizen, de Haringvlietdam, de primaire waterkering van het waterschap en een waterleiding is beoordeeld dat de windturbines geen significante invloed hebben op waterveiligheid. Er is voor het aspect 'waterveiligheid' sprake van een goede ruimtelijke ordening.
5.6
Natuur
5.6.1
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 201747. De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden en de bescherming van flora en faunasoorten. In de wet zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de plant- en diersoorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten, zoals de realisatie van windturbines, in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen (IHD) zijn uitgesloten. De Nederlandse Natura 2000-gebieden maken ook onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland.
Gemeente Voorne aan Zee
61
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen. De begrenzing en het beschermingsregime van het NNN is vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. Ingrepen in NNN zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, of als negatieve effecten niet kunnen worden vermeden door het nemen van mitigerende maatregelen. Heeft een ingreep wel een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied dat behoort tot het NNN, dan geldt het 'nee, tenzij-regime'. Een project kan dan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. Soortenbescherming Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Wnb. De bescherming van flora en faunasoorten is in de Wnb opgedeeld in twee beschermingscategorieën: Strikt beschermde soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1) en soorten van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5).
Overige beschermde soorten: nationaal beschermde soorten (artikel 3.10). Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is. Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Voor de verdere uitgangspunten en achtergronden van het natuuronderzoek, zo ook voor de uitgebreide weergave van de resultaten van onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 10 tot en met Bijlage 13. 5.6.2
Onderzoek
5.6.2.1 Gebiedsbescherming - Natura 2000 Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. In de directe nabijheid van het plangebied liggen vier Natura 2000-gebieden (zie Figuur 5.9). Het plangebied grenst direct aan drie van deze Natura 2000-gebieden, namelijk Voornes Duin, Haringvliet en Voordelta. Ten zuidwesten van het plangebied ligt daarnaast op circa 2 kilometer afstand het Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek. Het gebied Grevelingen bevindt zich op iets grotere afstand op circa 5 kilometer. Andere Natura 2000-gebieden binnen een straal van 30 kilometer zijn aangewezen voor soorten die geen binding zullen hebben met het plangebied van het windproject en zijn daarom in onderzoek buiten beschouwing gelaten. Voor het onderdeel gebiedsbescherming is een aparte verslechteringstoets gebiedsbescherming uitgevoerd (zie Bijlage 13). Voor de realisatie van de windturbines zijn onderstaande relevante effecten meegenomen in de toetsing.
62
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
Figuur 5.9 Natura 2000-gebieden nabij het plangebied
Aanlegfase: sterfte van soorten, reikwijdte is beperkt tot de aanwezige soorten die niet vluchten. ruimtebeslag, reikwijdte beperkt zich tot het werkgebied en overdraai van rotoren in Natura 2000-gebied. verstoring: afhankelijk van aanwezige soorten in het projectgebied en omgeving. vermesting en verzuring: effecten van stikstofdepositie op basis van stikstofberekening in AERIUS-calculator. Gebruiksfase: aanvaringsslachtoffers vogels en vleermuizen, afhankelijk voor welke soorten de 1%-mortaliteitsnorm wordt overschreden. verstoring van vogels: 1. broedvogels: afhankelijk van de gevoeligheid van de soort(groep); 2. foeragerende en rustende vogels: afhankelijk van gevoeligheid van de soort(groep). Overige eventuele effecten zoals bijvoorbeeld het effect van obstakelverlichting zijn buiten beschouwing gelaten. Voor een nader toelichting daarop wordt verwezen naar Bijlage 13. De toetsing voor gebiedsbescherming is niet per gebied uitgevoerd, maar opgesplitst in habitattypen, habitatsoorten en broedvogels & niet-broedvogels. Kader 5.1 Uitleg 1%-mortaliteitsnorm
Gemeente Voorne aan Zee
63
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
Habitattypen Aan de zijde van de Voordelta maakt al het open water deel uit van het kwalificerende habitattype Permanent overstroomde zandbanken (Noordzee - kustzone; H1110B). Aan de zijde van het Haringvliet is ter hoogte van het plangebied geen kwalificerend habitattype aanwezig. Ter hoogte van de Haringvlietdam liggen in het Voornes Duin meerdere kwalificerende habitattypen, waaronder H2120 Witte duinen, H2130A Grijze duinen (kalkrijk), H2160 Duindoornstruwelen, H2180x Duinbossen (meerdere subtypen) en H2190x Vochtige duinvalleien (meerdere subtypen). Ruimtebeslag en verstoring Het plangebied valt niet binnen de begrenzing van de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zal daardoor geen effect zijn op de gekwalificeerde habitattypen door middel van areaal verlies. De twee nieuwe windturbines staan dicht bij de grens met het Haringvliet waardoor er sprake is van beperkte overdraai in dit Natura 2000-gebied. Langs de kustlijn met het Haringvliet liggen geen kwalificerende habitattypen waardoor er van permanent kwaliteitsverlies op kwalificerende habitattypen geen sprake is. Stikstofdepositie Stikstofdepositie door het gebruik van machines is een effect dat op grote afstand invloed kan hebben instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen. Dit effect kan daarom mogelijk optreden voor habitattypen binnen Voornes Duin, de Voordelta of het Haringvliet.
Een AERIUS-berekening is uitgevoerd om na te gaan of er stikstofdepositie plaatsvindt binnen stikstofgevoelige habitattypen (zie bijlage 2 bij Bijlage 13). Voor ieder habitattype is een Kritische Depositiewaarde (KDW) vastgesteld. Dit is het aantal mol N/ha/jaar waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Beneden deze grens treden geen significant schadelijke effecten op (Van Dobben et al. 2012). Ook is in heel Nederland voor iedere hectare de achtergronddepositie bekend. Dit is de stikstofdepositie die jaarlijks al plaatsvindt door alle andere bronnen van stikstof. Indien de achtergronddepositie lager is dan de KDW van een habitattype, dan is het habitattype momenteel nog niet overbelast. Dit betekent dat het habitattype in de huidige situatie nog geen negatieve effecten ondervindt door een teveel aan stikstofdepositie. Indien de toename van stikstofdepositie door een project gering is dan zal deze er niet voor zorgen dat habitattypen wel overbelast raken. Ook niet als rekening wordt gehouden met een cumulatief effect van andere projecten en de uitstoot bijvoorbeeld x100 wordt gedaan. Hierbij is wel rekening gehouden met bijna overbelaste hexagonen waarbij de achtergronddepositie <70 mol lager is dan de KDW.
Hierbij zijn negatieve effecten niet zomaar op voorhand uit te sluiten. Indien uitstoot wel plaatsvindt binnen overbelaste hexagonen kunnen significante effecten bij geringe uitstoot in bepaalde gevallen nog steeds worden uitgesloten. Uit jurisprudentie blijkt dat het in bepaalde omstandigheden mogelijk kan worden volstaan met een globale toets (zogenoemde voortoets). Daarnaast heeft het RIVM (2019) aangetoond dat kleine depositiewaarde (<0,05 mol/ha/jaar) een zeer grote ruimtelijke verspreiding hebben. Iedere bron stoot deze kleine hoeveelheden namelijk aan de buitenste rand van zijn depositie uit. Het RIVM heeft aangetoond dat bijdragen van kleiner dan 0,05 mol/ha/jaar weinig gevoelig zijn voor de exacte locatie van de bron waarvandaan de bijdrage afkomstig is (RIVM, 2019). Dit betekent dat een bijdrage van kleiner dan 0,05 mol N/ha/jaar nauwelijks effect heeft op de ruimtelijke verdeling van de depositie en niet betekenisvol tot een project zijn te herleiden. Dit effect wordt groter naarmate de afstand tot het project groter wordt. De specifieke habitattype die op deze afstanden worden aangegeven door de AERIUS-Calculator zijn dus een inschatting en geven niet specifiek aan dat de uitstoot daadwerkelijk in deze habitattypen terecht komt.
Resultaten AERIUS-berekening Voor dit project is voor de aanlegfase een AERIUS-berekening gemaakt voor de bouw van een fundering en het oprichten van de twee nieuwe windturbines. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in de aanlegfase een toename van stikstofdepositie plaatsvindt in het naastgelegen Natura 2000-gebied Voornes Duin. Voor de (stikstofgevoelige) habitattypen en leefgebieden van soorten, waarvoor dit Natura 2000-gebied is aangewezen is de stikstofdepositie als gevolg van het project berekend (zie Tabel 5.8).
64
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis Tabel 5.8 Hoogste bijdrage van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase (rekenjaar 2023) voor de habitattypen in Natura 2000-gebied Voornes Duin [bron: Tabel 5.2, Bijlage 13]
Voor de periode van de aanlegfase neemt de stikstofdepositie tijdelijk toe in het Natura 2000-gebied Voornes Duin, Duinen Goeree & Kwade Hoek, Haringvliet en Voordelta als gevolg van de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Alleen voor de gebied Voornes Duin is er sprake van een depositietoename binnen stikstofgevoelige habitattypen. Significant negatieve effecten op habitattypen en leefgebieden binnen de Natura 2000-gebieden Haringvliet, Duinen Goeree & Kwade Hoek en Voordelta zijn daarmee uitgesloten. Voor de habitattypen waarbij de tijdelijk stikstoftoename niet boven de 0,1 mol N/ha/jaar uitkomt wordt (nog) geen nadere toetsing uitgevoerd. Zoals hierboven beschreven kunnen (significant) negatieve effecten bij deze toename van stikstofdepositie al op voorhand worden uitgesloten. Het gaat hierbij om de habitattypen en leefgebieden waarbinnen de maximale stikstofdepositie binnen een (bijna) overbelast hexagoon lager of gelijk is aan 0,1 mol N/ha tijdens de aanlegfase van 1 jaar. In Tabel 5.9 zijn de resultaten van de AERIUS-berekening voor de aanlegfase verder uitgewerkt. Hierbij is per habitattype en leefgebied waarbinnen stikstofdepositie plaatsvindt bepaalt of en hoe hoog de stikstofdepositie toeneemt binnen (bijna) overbelaste delen van het desbetreffende habitattype.
Tabel 5.9 In deze tabel zijn de resultaten van de AERIUS-berekening weergegeven, waarbij de toename per habitattype en leefgebied is weergegeven. ‘Bijdrage project’ geeft de maximale stikstofdepositie. Depositie binnen (bijna) overbelaste hexagonen’ geeft aan of de stikstofdepositie plaatsvindt binnen een deel van het habitattype dat (bijna) overbelast is (oranje) en de maximale bijdrage die binnen deze delen plaatsvindt. De groene cellen geven aan dat het habitattype niet overbelast is. Tevens is per habitattype de KDW weergegeven en het percentage van het areaal binnen het Natura 2000-gebied dat overbelast is. Voor het Natura 2000-gebied is de gemiddelde
Gemeente Voorne aan Zee
65
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) achtergronddepositiewaarde (ADW) weergegeven (gebiedsanalyse, 2017).[bron: tabel 5.3, Bijlage 13]
Voor de habitattypen ‘H2120 Witte duinen', H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen’, ‘H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)’, ‘H2130A Grijze duinen (kalkrijk)’, ‘H2180Ao Duinbossen (droog), overig’, ‘H2180C Duinbossen (binnenduinrand)’, ‘H2180B Duinbossen (vochtig)’, H2130C Grijze duinen (heischraal) en het leefgebied ‘Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen’ sprake is van een tijdelijke depositietoename. Voor elke depositietoename in een overbelaste situatie, hoe klein ook, kan een negatief effect niet worden uitgesloten, waardoor er een nadere ecologische beoordeling noodzakelijk is en een vergunningplicht ontstaat. Uit een nadere (ecologische) beoordeling moet blijken of de tijdelijke depositietoename als gevolg van de aanlegfase een significant negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van deze habitattypen. Nadere beoordeling stikstofdepositie aanlegfase In de nadere beoordeling paragraaf 5.2.6 van Bijlage 13 is per habitattype beschreven wat de huidige kwaliteit is van het habitattype. Hier op volgend is getoetst of de tijdelijke bijdrage van stikstofdepositie negatieve effecten kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van deze habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Voornes Duin.
Voor zover in het Natura 2000-gebied Voornes Duin de kwaliteit van deze acht habitattypen en het leefgebied, (mede) als gevolg van de veel te hoge aanvoer van stikstof, op dit moment slecht is, worden (en zijn reeds) maatregelen genomen zoals opgenomen in het beheerplan (provincie Zuid-Holland, 2016) om de kwalitei van het habitattype te herstellen. Dit kunnen zowel systeemgerichte maatregelen zijn (bijvoorbeeld herstel van de waterhuishouding) als maatregelen die de geaccumuleerde stikstof uit het gebied verwijderen. Door de tijdelijke en geringe depositietoename zal de situatie in dit Natura 2000-gebied voor deze habitattypen niet wijzigen. De depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-)maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden. In geval van habitattypes met een overbelasting geldt dat tijdelijke kleine deposities op grond van voorgaande nooit de oorzaak zijn, die tot gevolg heeft dat een habitattype niet meer aan het instandhoudingsdoel voldoet of dat het instandhoudingsdoel niet meer kan worden behaald.