CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 TAM-omgevingsplan Oostdijk 12 Hellevoetsluis_vastgesteld

Raadsvergadering 29 januari 2026, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Vaststelling TAM-Omgevingsplan Oostdijk Hellevoetsluis22.406 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

OOSTDIJK 12 HELLEVOETSLUIS VOORNE AAN ZEE TAM-omgevingsplan

1/2

2/2

DATUM

11-11-2025

PROJECT PROJECTLEIDER

Hellevoetsluis Oostdijk 12 TAM-omgevingsplan M. van der Berg

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Voorne aan Zee 20240901

AUTEUR STATUS

M. van der Berg MSc Vastgesteld

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit Onderbouwing Hoofdstuk 1

Inleiding

9

1.1

Aanleiding

9

1.2

Ligging locatie wijziging omgevingsplan

9

1.3

Procedure

10

1.4

Leeswijzer

10

Beschrijving van het project en de omgeving

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Toekomstige situatie

14

2.3

Strijdigheden omgevingsplan

14

2.4

Milieueffectrapportage

14

Hoofdstuk 3

Participatie

15

Hoofdstuk 4

Beleidskader en toetsing daaraan

17

4.1

Inleiding

17

4.2

Rijk

17

4.3

Provincie

18

4.4

Gemeente Voorne aan Zee

18

4.5

Waterbeheerprogramma 2022-2027

20

Beoordelingsregels waaronder instructieregels

23

5.1

Inleiding

23

5.2

Waarborgen van de veiligheid

23

5.3

Beschermen van de waterbelangen

24

5.4

Kwaliteit van de buitenlucht

28

5.5

Geluid door activiteiten

29

5.6

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

30

5.7

Bodemkwaliteit

32

5.8

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

33

5.9

Mobiliteit en parkeren

40

5.10

Ecologie: soortenbescherming

41

5.11

Ecologie: gebiedsbescherming

41

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 5

3/85

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

43

Hoofdstuk 7

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

45

Bijlagen

47

Bijlage 1

Tabel regelanalyse instructieregels

49

Bijlage 2

Verkennend bodem- en asbestonderzoek

51

Bijlage 3

Quickscan ecologie

53

Bijlage 4

Stikstofberekening

55

Bijlage 5

Stikstofmemo

57

Regels

59

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

63

Artikel 1

Begripsbepalingen

63

Artikel 2

Toepassingsbereik

67

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

68

Artikel 4

Algemeen gebruiksverbod

69

Regels voor functies en activiteiten

71

Artikel 5

Wonen

71

Artikel 6

Waarde - Archeologie 2

74

Artikel 7

Waarde - Archeologie 5

77

Hoofdstuk 3

Algemene regels

81

Artikel 8

Anti-dubbeltelregel

81

Artikel 9

Algemene bouwregels

82

Artikel 10

Algemene afwijkingsregels

83

Artikel 11

Overige regels

84

Artikel 12

Aanvraagvereisten

85

Hoofdstuk 2

4/85

VASTSTELLINGSBESLUIT

ONDERBOUWING

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Oostdijk 12 in Hellevoetsluis (gemeente Voorne aan Zee) is het plan om de huidige functie ‘Gemengd -1’ te wijzigen naar een woonfunctie voor één woning. Daarnaast wordt het bouwvlak aangepast om de huidige bebouwing binnen het bouwvlak te brengen. De vorm van het bouwvlak wijzigt door een onbebouwd deel aan de westzijde naar de noordzijde te verplaatsen en de oostgrens aan te passen. De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee (van rechtswege), omdat een woonfunctie met het beoogde bouwvlak op de locatie niet is toegestaan op basis van het bestemmingsplan 'Nieuw Helvoet', dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Er is voor gekozen om de ontwikkeling mogelijk te maken via een wijziging van het omgevingsplan in het tam-imro format (bestemmingsplan-variant). Deze wijziging van het omgevingsplan dient te voldoen aan de instructies van het Rijk en de provincie Zuid-Holland, waaronder een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, en het beleid van Rijk, provincie Zuid-Holland en gemeente Voorne aan Zee. De voorliggende onderbouwing voorziet daarin en is onderdeel van het besluit. In de planregels en op de verbeelding worden de nieuwe activiteiten vastgelegd.

1.2

Ligging locatie wijziging omgevingsplan

De locatie waar het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee wordt gewijzigd, ligt aan de Oostdijk 12 in Hellevoetsluis. De locatie waarop de beoogde ontwikkeling betrekking heeft, is kadastraal bekend als een deel van het kadastrale perceel HLV01-C-1400 en het hele kadastrale perceel HLV01-C-1401. In figuur 1.1 is de ligging van de planlocatie weergegeven.

9/85

Figuur 1.1: Ligging locatie in omgeving (bron: PDOK).

1.3

Procedure

Er is een wijzigingsbesluit opgesteld omdat wonen in het omgevingsplan niet mogelijk is op de desbetreffende locatie. De gemeente Voorne aan Zee heeft ervoor gekozen om de ontwikkeling mogelijk te maken door middel van een wijziging van het omgevingsplan. Er is gekozen om met het wijzigen van het omgevingsplan gebruik te maken van het format TAM-IMRO. Aangezien er nog geen beschikking is over een casco en/of regelbibliotheek, wordt het TAM-omgevingsplan opgesteld volgens de bestemmingsplanvariant.

1.4

Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van de feitelijk bestaande activiteiten en aanwezige bebouwing op de locatie. Bovendien wordt hier nader ingegaan op de invloed van de locatie op de omgeving en vice versa. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief voor de planlocatie en de strijdigheden met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe participatie heeft plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan de voorgenomen inrichting van de percelen. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 en 5 het plan getoetst aan het relevante beleidskader en het beoordelingskader van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In Hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan. Tot slot wordt in Hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als etfal).

10/85

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het project en de omgeving

2.1

Huidige situatie

2.1.1

Feitelijke situatie

De planlocatie ligt in de wijk Nieuw-Helvoet, ten noordwesten van het centrum van Hellevoetsluis. Ten oosten van de locatie bevindt zich de Oostdijk, dit is een 30 km/u weg waarop de locatie wordt ontsloten. De Oostdijk wordt aan de westzijde gekenmerkt door veelal vrijstaande, karakteristieke woningen. De oostzijde van de Oostdijk wordt gekenmerkt door beplanting en deels door een sloot. Perceel HLV01-C-1401 is grotendeels onbebouwd en bestaat uit een verhard parkeerterrein, gras en een klein deel van een overkapping die bij het hoofdgebouw hoort. Het perceel grenst aan de westzijde aan een sloot en aan de noordzijde aan een groenstrook. Perceel HLV01-C-1400 wordt grotendeels ingenomen door een hoofdgebouw. Aan de zuidzijde bevindt zich een woning, en aan de westzijde grenst het perceel eveneens aan een sloot. Voorheen werd de locatie gebruikt voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten in de vorm van dienstverlening/webwinkels. Dit gebruik is echter al langere tijd gestaakt. Momenteel staat de locatie leeg en vinden er geen activiteiten plaats. In onderstaande figuur is de huidige situatie ter plaatse van de locatie inzichtelijk gemaakt. De planlocatie is rood omlijnd aangegeven.

Figuur 2.1: De planlocatie (rood omlijnd) vanaf bovenaanzicht (Bron: Streetsmart Cyclomedia)

11/85

2.1.2

Mogelijkheden omgevingsplan

Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee Het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee bevat regels voor de onderhavige locatie. Op dit moment staan de regels nog op verschillende plaatsen, te weten in: a. de besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder: 1. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening; 2. een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet; 3. een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij; 4. een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening; b. de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet; c. de bruidsschat (zie artikel 22.1 van de Omgevingswet). Hierna wordt kort ingegaan op de onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor het voorliggende initiatief. In paragraaf 2.3 wordt beschreven met welke regels van het omgevingsplan de locatie in strijd is. Ad a1.

Het bestemmingsplan als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Nieuw-Helvoet' dat op 13 december 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Hellevoetsluis en geheel onherroepelijk in werking is. Perceel HLV01-C-1400 valt grotendeels binnen dit bestemmingsplan, maar een klein gedeelte ligt in het bestemmingsplan 'Den Bonsenhoek' (vastgesteld op 23 november 2017). Dit deel maakt echter geen onderdeel uit van de planlocatie. Daarnaast geldt op de locatie de Parapluherziening Kamerverhuur Voorne aan Zee. Deze parapluherziening stelt regels aan kamersgewijze verhuur. Het gedeelte van perceel HLV01-C-1400 dat wél binnen de planlocatie valt, en dus onderdeel is van het bestemmingsplan 'Nieuw-Helvoet', heeft de bestemming 'Gemengd - 1', net als perceel HLV01-C-1401. De voor 'Gemengd -1' aangewezen gronden zijn bestemd voor dienstverlening, webwinkel en wonen uitsluitend indien aanwezig ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerp van dit bestemmingsplan, met daaraan ondergeschikt aan-huis-verbonden beroep of bedrijf. Daarnaast zijn bijbehorende voorzieningen zoals erven, groen, water, parkeervoorzieningen, verharding en nutsvoorzieningen toegestaan op deze gronden. Daarnaast hebben beide percelen deels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' en deels 'Waarde Archeologie 5'.

Figuur 2.2 laat de uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan 'Nieuw-Helvoet' zien.

12/85

Figuur 2.2: Uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Nieuw-Helvoet' onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee met aanduiding locatie (rood kader) (Bron: Omgevingsloket). Ad a2, 3 en 4 Verordeningen Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater, mits de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld. In dit geval zijn de volgende verordeningen van toepassing:  Artikel 14 van de Verordening Fysieke Leefomgeving Voorne aan Zee;  Verordening aansluitvoorwaarden riolering Voorne aan Zee 2023. Ad b. Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart De bodemkwaliteitskaart, bestaande uit een bodemfunctieklassenkaart, ontgravingskaart en toepassingskaart, is een door de gemeente vastgestelde kaart met daarop de bodemkwaliteit per gebied. De gemeente Voorne aan Zee heeft samen met omliggende gemeenten een Bodemkwaliteitskaart regio Voorne-Putten en een bodemfunctieklassenkaart, deze zijn opgenomen als bijlage 1 in de Nota Bodembeleid Regio Voorne-Putten. Op de bodemkwaliteitskaart ligt de planlocatie in zone A1, oude bebouwing. Op de bodemfunctieklassekaart ligt de planlocatie in een gebied dat de functieklasse 'Wonen' heeft.

De bodemkwaliteitszone van zowel de boven- als de ondergrond van het plangebied betreft eveneens oude bebouwing. Ad c. Bruidsschat In de bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.

13/85

2.2

Toekomstige situatie

2.2.1

Ontwikkeling

Momenteel bevinden zich aan de Oostdijk 12 op percelen HLV01-C-1400 en HLV01-C-1401 bestaande bebouwing en een parkeerplaats die gebruikt worden ten behoeve van de functie 'Gemengd 1'. Met de beoogde ontwikkeling wil de initiatiefnemer de huidige functie van beide percelen wijzigen naar een woonfunctie voor één woning. Daarbij wordt intern verbouwd. Ook wordt het bouwvlak aangepast om de huidige bebouwing binnen het bouwvlak te brengen. De vorm van het bouwvlak wijzigt door een onbebouwd deel aan de westzijde naar de noordzijde te verplaatsen en de oostgrens aan te passen.

2.3

Strijdigheden omgevingsplan

De beoogde ontwikkeling is in strijd met het omgevingsplan. Dit plan voorziet namelijk niet in een woonfunctie voor het betreffende deel van perceel HLV01-C-1400 en perceel HLV01-C-1401, waarop het wijzigingsbesluit van toepassing is. Daarnaast wordt het bouwvak aangepast. Voor de beoogde ontwikkeling worden alle ter plaatse geldende regels in het bestemmingsplan voor de locatie in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee ingetrokken.

2.4

Milieueffectrapportage

2.4.1

Algemeen

In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob). 2.4.2

Toetsing

De beoogde ontwikkeling betreft de functiewijziging van 'Gemengd 1' naar een woonfunctie en de aanpassing van het bouwvlak. In de beoogde situatie is er sprake van functiewijziging waarbij geen sprake is van een groter ruimtebeslag dan de huidige toegestane situatie. Extra belangrijke milieueffecten als gevolg van de beoogde wijziging zullen niet optreden. Om deze reden wordt de ontwikkeling niet gezien als stedelijk ontwikkelingsproject. Een m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde.

14/85

Hoofdstuk 3

Participatie

De gemeenteraad van de gemeente Voorne aan Zee heeft participatiebeleid. Voor een wijziging van het omgevingsplan kan participatie worden vereist vanuit de gemeente. De gemeente heft de initiatiefnemer gevraagd om in gesprek te gaan met de buren. Op vrijdag 15 augustus 2025 heeft participatieplaatsgevonden met de directe buren wonende aan Oostdijk 14. Deze zijn geïnformeerd over de ontwikkeling aan de Oostdijk 12.

15/85

16/85

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader en toetsing daaraan

Inleiding

Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 4.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 4.3. Tot slot wordt in paragraaf 4.4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.

4.2

Rijk

4.2.1

Nationale omgevingsvisie

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: a. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; b. Duurzaam economisch groeipotentieel; c. Sterke en gezonde steden en regio's; d. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: a. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; b.

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; c. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toetsing De beoogde ontwikkeling voldoet aan het Rijksbeleid, omdat de functiewijziging ten behoeve van een woonfunctie niet in strijd is met de belangen en opgaven van de Nationale omgevingsvisie. Bovendien draagt de ingebruikname van leegstaande bebouwing en een ongebruikt perceel ten behoeve van een woonruimte bij aan de doelstelling van de NOVI om het woningaanbod te vergroten.

17/85

4.3

Provincie

4.3.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie 18 februari 2025)

De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. Het beleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie heeft zeven vernieuwingsambities vastgelegd. Met deze zeven ambities maakt de provincie ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid. De zeven ambities zijn: 1. Samen werken aan Zuid-Holland 2. Bereikbaar Zuid-Holland 3. Schone energie voor iedereen 4. Een concurrerend Zuid-Holland 5. Versterken natuur in Zuid-Holland 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland 7. Gezond en veilig Zuid-Holland Voor voorliggende ontwikkeling is vooral de uitwerking van de ambitie 'sterke steden en dorpen in Zuid-Holland' van toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe de provincie invulling geeft aan deze ambitie. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland Zuid-Holland staat voor de uitdaging om in het komende decennium 200.000 woningen te bouwen, een toename van meer dan 10% van de huidige woningvoorraad.

De focus ligt daarbij op het creëren van een evenwichtige woningvoorraad, met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op geschikte locaties. Toetsing en conclusie Een van de opgaven van de provincie is om de woningvoorraad substantieel uit te breiden. De beoogde ontwikkeling voorziet in een functiewijziging ten behoeve van een woonfunctie en de ingebruikname van leegstaande bebouwing en een ongebruikt perceel als woonruimte. De ontwikkeling draagt bij aan de provinciale opgave om de woningvoorraad uit te breiden. De ontwikkeling past binnen het provinciale beleid.

4.4

Gemeente Voorne aan Zee

4.4.1

Omgevingsvisie Voorne aan Zee 2040 (vastgesteld op 17 april 2025)

De Omgevingsvisie van Voorne aan Zee beschrijft een langetermijnvisie voor de leefomgeving op hoofdlijnen. De visie bevat veel thema’s die allemaal betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals bijvoorbeeld klimaat, energie, natuur en landschap, gezondheid, mobiliteit, recreatie, bedrijvigheid, wonen en maatschappelijke voorzieningen. Ook de relaties tussen deze thema's met het sociale domein worden beschreven. In de visie heeft de gemeente negen centrale thematische opgaven uitgewerkt. Dit zijn de volgende opgaven: 1. passend wonen voor iedereen; 2. sociaal en leefbaar;

18/85

3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

gezond en veilig; natuurlijk; duurzaam en klimaatbestendig; cultureel en beleefbaar; recreatief en toeristisch; ondernemend; en bereikbaar.

Voor voorliggende ontwikkeling is de uitwerking van de thematische opgave 'passend wonen voor iedereen' relevant. In de uitwerking van deze opgave is de gemeente onder andere tot de volgende standpunten gekomen:  De gemeente heeft een focus op transformatie en verdichting. Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied (transformatie en verdichting) en eventueel in de stads- en dorpsranden heeft de prioriteit.  De gemeente zet in op kwantitatieve woningbouw. De gemeente Voorne aan Zee realiseert tot 2030 4.600 woningen conform de gesloten Woondeal. Daarnaast wordt binnen de uitwerking van de opgave 'cultureel en beleefbaar' ingezet op het behouden van de historische dijkstructuur. Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in een functiewijziging ten behoeve van een woonfunctie en de ingebruikname van leegstaande bebouwing en een ongebruikt perceel als woonruimte. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de woningbouwopgave in de gemeente. De planlocatie is gelegen binnen het bestaande stads- en dorpsgebied. Op deze punten is de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten van de omgevingsvisie. Daarnaast ligt de locatie aan de Oostdijk. Op figuur 4.1 is te zien dat deze dijk in de omgevingsvisie is aangewezen als onderdeel van de historische dijkstructuur.

Aangezien de ontwikkeling slechts een functiewijziging en de aanpassing van het bouwvlak betreft, is de historische dijkstructuur met de ontwikkeling niet aan verandering onderhevig. Met de ontwikkeling blijft het historische karakter van het dijklint dan ook behouden. Verder staan in de omgevingsvisie geen andere concrete uitspraken of ambities die betrekking hebben op de ontwikkeling. De visie heeft evenmin het detailniveau dat er specifieke locatiekeuzes worden gemaakt voor mogelijke ontwikkelingen op deze locatie. De beoogde ontwikkeling past binnen het beleid van de Omgevingsvisie Voorne aan Zee.

19/85

Figuur 4.1: Kaart thema 'cultureel en beleefbaar' met de planlocatie aangeduid met een rode cirkel en ster (Bron: Omgevingsvisie Voorne aan Zee)

4.5

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterschap Hollandse Delta beschikt over het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (vastgesteld 10 november 2021). In het Waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2027 wil bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem en waterketen. Het waterschap zet in op toekomstbestendig waterbeheer. Het zet zich in om verdere klimaatverandering tegen te gaan en de omgeving tijdig aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Dit doet het waterschap door zelf haar eigen werkzaamheden zoveel mogelijk klimaatneutraal uit te voeren, gebieden klimaatbestendig en waterrobuust in te richten en door vergroening en biodiversiteit te stimuleren. Het waterschap beschrijft drie ambities voor het waterbeheer: 1. Het beschermen en verbeteren van waterveiligheid Het waterschap biedt blijvende bescherming tegen overstromingen voor de burgers in haar gebied. Dit gebeurt robuust waar het moet, natuurlijk waar het kan en slim waar het loont. Het waterschap realiseert meerwaarde waar dat mogelijk is, maar doet hierbij geen concessies aan de veiligheid. 2. Het bieden van voldoende en schoon water Het waterschap zorgt voor genoeg water; niet te veel en niet te weinig. Ook zorgt het waterschap voor gezond water, dat bruist van leven. Water verbindt en is van meerwaarde voor natuur en mens, voor stad en platteland. 3.

Het beschermen en verbeteren van de waterketen. Het waterschap draagt samen met de omgeving bij aan een circulaire waterketen met als doel een gezonde en duurzame leefomgeving.

20/85

Toetsing en conclusie Het waterbeheerprogramma geeft sturing aan grote ontwikkelingen in het gebied. Voorliggende ontwikkeling is relatief klein. Het waterbeheerprogramma omvat niet het detailniveau van de voorliggende ontwikkeling. Derhalve wordt de functiewijziging ten behoeve van een woonfunctie, evenals de aanpassing van het bouwvlak, niet als strijdig beschouwd met de uitgangspunten van het waterbeheerprogramma.

21/85

22/85

Hoofdstuk 5 5.1

Beoordelingsregels waaronder instructieregels

Inleiding

Voor het beoordelen van de ontwikkeling in voorliggend wijzigingsbesluit gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden (onder andere) de instructieregels van het Rijk en de provincie behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:  Waarborgen van de veiligheid;  Beschermen van de waterbelangen;  Beschermen van de gezondheid en van het milieu;  Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed;  Behoud van ruimte voor toekomstige functies;  Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten;  Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. De instructieregels van de provincie staan in de omgevingsverordening. In de tabel in bijlage 1 zijn alle instructieregels geanalyseerd en is aangegeven welke artikelen voor de ontwikkeling relevant zijn. In de paragrafen 5.2 tot en met 5.9 zijn de relevante instructieregels en de daarbij behorende omgevingsaspecten en andere thema's uitgewerkt. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot een aantal (ruimtelijk) relevante aspecten.

Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel aandacht aan deze aspecten te worden besteed. Dit zijn de aspecten mobiliteit, ecologie (soortenen gebiedsbescherming). In de paragrafen 5.9 t/m 5.11 wordt ingegaan op deze aspecten in relatie tot de ontwikkeling.

5.2

Waarborgen van de veiligheid

5.2.1

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving Voor omgevingsveiligheid zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.2 relevant (waarborgen van de veiligheid). Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden met het belang van:  het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;  de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en  de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Met het bovenstaande is in de bruidsschat (artikel 22.13 t/m 22.15) rekening gehouden. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels van artikel 5.2 van het Bkl.

23/85

Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema veiligheid. 5.2.2

Beoordeling en conclusie

De ontwikkeling betreft een kwetsbaar gebouw zoals vermeld in Bijlage l van het Bkl. Uit de informatie op de PAV kaarten (https://www.registerexterneveiligheid.nl/pav-kaarten) blijkt dat het plangebied niet binnen het explosieaandachtsgebied, brandaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied van het spoor, het water, de weg, buisleiding en risicovolle inrichting ligt. Met de beoogde ontwikkeling worden geen risicovolle activiteiten gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel van het Bkl, omdat uit de beoordeling en met de opgenomen regels in de bruidsschat (artikel 22.13 t/m 22.15) blijkt dat de veiligheid op de planlocaties is gewaarborgd. Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Dit adviseert de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VVR) ook. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. De planlocatie wordt ontsloten via de Oostdijk.

Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor er altijd van en naar de bron kan worden gevlucht. Er is geen noodzaak om met betrekking tot dit aspect regels op te nemen. Op basis van bovenstaande is bij het plan rekening gehouden met het voorkomen van risico’s van branden, rampen en crises.

5.3

Beschermen van de waterbelangen

5.3.1

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. In een plan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken (artikel 5.37, eerste lid, van het Bkl). Omdat de ontwikkeling enkel voorziet in een functiewijziging en vormverandering van het bouwvlak en daarom niet voorziet in aanpassingen die gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem, zijn de instructieregels vanuit het Bkl niet van toepassing. Omgevingsverordening Zuid-Holland In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.6a instructieregels opgenomen met betrekking tot toekomstbestendig bouwen en ontwikkelingen. Uit deze paragraaf is artikel 7.41a van toepassing op de ontwikkeling.

24/85

Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering) 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; e. alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. 2. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s. 5.3.2 Toetsing Algemeen De planlocatie bevindt zich in het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta. Bodem en grondwater De planlocatie is niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. De gronden ten oosten van de locatie bestaan uit kalkrijke poldervaaggronden; zware zavel. Binnen deze gronden is sprake van grondwatertrap VIo. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 74 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) bevindt zich op 152 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld is gelegen op circa 0,20 meter boven NAP. Waterkwantiteit Ten westen van de planlocatie bevindt zich een hoofdwatergang met een beschermingszone van 5 meter, zie figuur 5.1. Hoewel de locatie binnen de beschermingszone ligt, voorziet dit plan niet in werkzaamheden binnen deze zone.

Het plan maakt uitsluitend een functiewijziging en de verplaatsing van het bouwvlak naar buiten de beschermingszone mogelijk. Belangrijk is dat voor eventuele toekomstige werkzaamheden binnen de beschermingszone rekening moet worden gehouden met de regelgeving vanuit het waterschap. Daarnaast voorziet de ontwikkeling enkel in een functiewijziging en een aanpassing in het bouwvlak, met de ontwikkeling is dus geen sprake van een toename aan verharding. Het compenseren van water is niet noodzakelijk.

25/85

Figuur 5.1: Planlocatie (zwart omcirkeld) t.o.v. watergangen Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in-) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Kans op overstroming Uit de onderstaande figuur blijkt dat de kans op overstroming vanuit zee, een meer of een rivier binnen de planlocatie zeer klein en extreem klein is. Voor het noordelijke deel geldt een kans van 1/30.000 per jaar en voor het zuidelijke deel is de kans 1/3.000 tot 1/30.000 per jaar.

26/85

Figuur 5.2: kans op overstroming met de planloctie zwart omcirkeld (bron: Atlasleefomgeving.nl) Wateroverlast bij hevige buien In een klein gedeelte van de planlocatie is sprake van wateroverlast bij hevige buien, zie onderstaande figuur. Dit duidt op een gevoelige locatie voor wateroverlast. Dit kan worden opgelost door infiltratievoorzieningen aan te leggen, zodat regenwater beter in de bodem kan wegzakken. De rest van de planlocatie ervaart geen wateroverlast bij hevige buien.

Figuur 5.3: Waterdiepte bij hevige regenbui (140 mm/2 uur) (bron: www.klimaateffectatlas.nl)

27/85

5.3.3

Conclusie

De ontwikkeling voorziet enkel in een functiewijziging en de aanpassing van een bouwvlak. Met de ontwikkeling is geen sprake van een toename aan verhard oppervlak. Een klein gedeelte van de locatie is gevoelig voor wateroverlast. Om deze reden adviseert de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) om maatregelen te nemen om wateroverlast te verminderen. Om dit te voorkomen kan een infiltratie voorziening worden aangelegd, een aangepaste drempelhoogte worden gerealiseerd en/of aansluitingen voor elektriciteit hoger worden geplaatst. Zie voor meer informatie ook de Maatlat Groene Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving van het Rijk. Er hoeven geen regels te worden opgenomen met betrekking tot het aspect water. Gelet op het voorgaande is eveneens rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van de watersystemen en de risico's van klimaatverandering. De ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel 5.37 uit het Bkl en 7.41a uit de omgevingsverordening Zuid-Holland.

5.4

Kwaliteit van de buitenlucht

5.4.1

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving De instructieregels uit paragraaf § 5.1.4.1 ten behoeve van de kwaliteit van de buitenlucht zijn relevant voor de ontwikkeling. In het kader van ETFAL met betrekking tot het beschermen van de gezondheid is de luchtkwaliteit ter plaatse wel beoordeeld op aanvaardbaarheid bij de toe te laten activiteit. Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema luchtkwaliteit. 5.4.2

Beoordeling en conclusie

De planlocatie bevindt zich niet in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. De ontwikkeling betreft een functiewijziging ten behoeve van één woning en de aanpassing van het bouwvlak. De ontwikkeling valt onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, zoals vermeld in artikel 5.54 van het Bkl. Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is. Maatgevend is het toetspunt aan de Koninginnelaan. Uit de kaart blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2023; 12,9 µg/m³ voor NO2, 15,0 µg/m³ voor PM10 en 7,3 µg/m³ voor PM2,5. De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is aanvaardbaar en daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nader onderzoek is niet nodig. Er is geen noodzaak om regels op te nemen met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

28/85

5.5

Geluid door activiteiten

5.5.1

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2 instructieregels voor geluid door activiteiten. Op basis van artikel 5.59 Bkl dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.1 en tabel 5.2. Tabel 5.2: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

Tabel 5.3: Grenswaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

Op grond van artikel 5.66, eerste lid, Bkl kan van de standaardwaarden worden afgeweken. Het toelaatbaar geluid op de gevel wordt begrensd door de grenswaarde van de binnenwaarde. Omgevingsverordening De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema geluid door activiteiten. 5.5.2

Toetsing

De ontwikkeling voorziet in een functiewijziging ten behoeve van een woning en de aanpassing van het bouwvlak. Om te bepalen of de beoogde ontwikkeling de omliggende functies belemmert in hun bedrijfsvoering, is gebruik gemaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan dat onder meer bestaat uit het bestemmingsplan Nieuw-Helvoet, vastgesteld op 12 december 2018. Omdat er geen gemeentelijke geluidzone is vastgesteld, wordt voor de inschatting of de beoogde woonfunctie een belemmering vormt voor nabijgelegen functies gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009). Worden hierbij de richtafstanden voor 'gemengd gebied' (er wordt uitgegaan van een gemengd gebied, omdat er naast woningen ook andere functies zich bevinden in de buurt van het plangebied) aangehouden, dan is dit een goede indicatie dat de bedrijven kunnen voldoen aan de geluidnorm die is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de bruidsschat). Deze norm geldt voor het geluidniveau op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen.

29/85

In dat geval vormen de beoogde woningen geen belemmering voor de bedrijven. Worden de richtafstanden niet in acht genomen, dan is dit een indicatie dat het bedrijf mogelijk niet aan de geluidnorm kan voldoen. Het bedrijf zal dan mogelijk geluidbeperkende maatregelen moeten nemen. Dit kan leiden tot een belemmering in de bedrijfsvoering. Ten zuiden van de planlocatie, op circa 190 meter afstand, heeft het gebied de bestemming 'bedrijf'. Op deze gronden zijn bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. De bijbehorende richtafstand voor een rustige woonwijk bedraagt 30 meter, hieraan wordt voldaan. Op korte afstand bevinden zich verder geen andere activiteiten die voor geluidhinder kunnen zorgen. Dit is een indicatie dat de situatie ter plaatse aanvaardbaar is. 5.5.3

Conclusie

Het geluid door activiteiten is aanvaardbaar en de ontwikkeling is in overeenstemming met artikel 5.59 van het Bkl. Er is geen reden om m.b.t. dit aspect regels op te nemen.

5.6

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.6.1

Algemeen

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Op basis van artikel 5.78l Bkl dient in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden. Een overschrijding hiervan is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 5.4. Tabel 5.4: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort

30/85

In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht:  bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen;  bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie);  bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde;  bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen;  bij een niet-geluidgevoelige gevel. Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan. 5.6.2 Toetsing De ontwikkeling betreft een functiewijziging van de huidige bestemming 'Gemengd -1' naar een woonfunctie voor één woning aan de Oostdijk 12 in Hellevoetsluis.

Daarnaast wordt het bouwvlak aangepast. De ontwikkeling Oostdijk 12 ligt in het geluidaandachtsgebied van de gemeenteweg Oostdijk. Uit de verkeersgegevens van DCMR (RVMK2024J2034_Voorne_aan_zee) wordt opgemaakt dat de intensiteit op de Oostdijk lager is dan 1000 mvt/ etmaal op een gemiddelde weekdag. Toetsing aan de instructieregels van het Bkl paragraaf 5.1.4.2a is niet aan de orde. In het kader van de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is het wel nodig aanvaardbaarheid van het geluid te beoordelen. Dit wordt kwalitatief onderbouwd. Geluid door wegen De ontwikkeling ligt op basis van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling in het geluidaandachtsgebied van de gemeenteweg Oostdijk. Dit geluidaandachtsgebied is voor 30 km/uur wegen 100 meter breed. Vanwege de relatief lage verkeersintensiteit (lager dan 1.000 mvt/etmaal), de asfaltverharding en de snelheid van 30 km/uur wordt vanuit gegaan dat voldaan wordt aan de standaardwaarde van 53 dB. Het geluid door gemeentewegen wordt daarmee als aanvaardbaar beoordeeld. Omdat de standaardwaarde niet wordt overschreden is het niet nodig om het gecumuleerde geluid te beoordelen en het gezamenlijk geluid vast te leggen. 5.6.3

Conclusie

Het geluid door wegen voldoet op de planlocatie aan de standaardwaarde en wordt daarmee als aanvaardbaar beoordeeld.

31/85

5.7

Bodemkwaliteit

5.7.1 Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.5 instructieregels voor bodemkwaliteit. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit. Voor een nieuwe ontwikkeling geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit, waarbij wordt getoetst aan de geldende grenswaarden. De bruidsschat blijft met deze wijziging van het omgevingsplan zoveel mogelijk in stand. Met § 22.2.7.2 van de bruidsschat wordt voor een belangrijk deel invulling gegeven aan de instructieregels van het Bkl. Op grond van deze paragraaf bestaat een binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken (artikel 22.26) met beoordelingsregels voor onder meer het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (artikel 22.29, eerste lid, onder c en artikel 22.30). Tevens voorziet artikel 22.31 een informatieplicht als bedoeld in artikel 5.89m Bkl; deze is echter gekoppeld aan de omgevingsvergunning.

Echter, de bruidsschatregels voldoen op de volgende punten niet (helemaal) aan de instructieregels van het Bkl:  De vergunningplicht in de bruidsschat heeft geen betrekking op een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding hiervan, als bedoeld in artikel 22.27, onder a. Voor zover een bijbehoren bouwwerk > 50 m2 kwalificeert als een bodemgevoelig gebouw, zal de bouw ervan vergunning- of meldingsplichtig moeten zijn;  De informatieplicht als bedoeld in artikel 5.89m Bkl vloeit niet direct voort uit 22.31 van de bruidsschat maar via een nog aan een omgevingsvergunning te verbinden voorschrift. Het voorgaande leidt ertoe dat regels aan het omgevingsplan verbonden dienen te worden om te kunnen voldoen aan de instructieregels van het Bkl. Omgevingsverordening Zuid-Holland In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.5.1 specifieke instructieregels met betrekking tot het thema grondwaterkwaliteit. Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling, omdat de ontwikkeling voorziet in de realisatie van een grondwatergevoelig gebouw, als bedoeld in artikel 7.27 van de omgevingsverordening. § 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek) 1.

Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 redelijkerwijs is uit te sluiten. 2. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit: a. het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

32/85

b. b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. 5.7.2

Toetsing

Gelet op artikel 5.89g van het Bkl zijn woningen bodemgevoelige gebouwen. Volgens artikel 5.89i van het Bkl bevat een omgevingsplan waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Conform artikel 22.30 van de bruidsschat is de toelaatbare kwaliteit van de bodem gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet in een functiewijziging en vormverandering van het bouwvlak, waarbij enkel intern wordt verbouwd. Met de ontwikkeling vinden er dan ook geen werkzaamheden in de bodem plaats. Daarnaast is er op basis van de bestaande mogelijkheden die het geldende bestemmingsplan Nieuw-Helvoet biedt op de planlocatie al een gevoelige functie toegestaan. Binnen de bestemming 'Gemengd - 1' is wonen namelijk reeds toegestaan (lid 6.1 onder c.). Aangenomen kan worden dat de bodemkwaliteit in de huidige situatie al aanvaardbaar is voor de woonfunctie, waardoor het uitvoeren van een bodemonderzoek niet aan de orde is. 5.7.3

Conclusie

De kwaliteit van de bodem en het grondwater zijn geschikt voor de realisatie van de woonfunctie. Hiermee is rekening gehouden met de bodemkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl en de instructieregel artikel 7.29 uit de provinciale verordening. De beoogde ontwikkeling draagt voor het aspect bodem bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect bodem maatwerkvoorschriften op te nemen. Om te voldoen aan de instructieregels van het Bkl dient wel in aanvulling op de bruidsschat het volgende te worden geregeld:  Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2, voor zover in de bruidsschat als vergunningvrij bouwwerk aangewezen, is een vergunningplichtige activiteit. Voor de bouw van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2 wordt door een aanvulling van de bruidsschat een vergunningplicht opgenomen.

5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 5.8.1

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Op basis van artikel 5.130 lid 1 van het Bkl moet met een ontwikkeling rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie.

33/85

Daarnaast worden met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de in artikel 5.130 lid 2 subleden (a-e) opgenomen beginselen. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Omgevingsverordening De omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.7 specifieke instructieregels opgenomen ter bescherming van de landschappelijke waarden en ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c.

transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A. 3. Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde en vijfde lid zijn de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat. Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2.

Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

34/85

3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Verordening Fysieke Leefomgeving & Restverordening Erfgoedverordening Het archeologiebeleid van de gemeente Voorne aan Zee is vastgelegd in zowel de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) als de restverordening Erfgoedverordening. Alle regels met betrekking tot erfgoed die raken aan de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de VFL. De regels die niet raken aan de fysieke leefomgeving (zoals subsidieregelingen en andere ambtelijke zaken) zijn opgenomen in de restverordeningen. 5.8.2

Cultureel erfgoed

Binnen de relevante beleidsdocumenten zijn geen cultuurhistorische waarden beschreven waaraan met de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afbreuk wordt gedaan. 5.8.3 Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Om invulling te geven aan het behouden van de archeologische waarden heeft de voormalige gemeente Westvoorne op 22 april 2008 archeologisch beleid vastgesteld, waarvan de Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) een belangrijk instrument vormt. De kaart toont de archeologische waarden en verwachtingen binnen Westvoorne en geeft aan hoe de gemeente daarmee omgaat. In het momenteel voor de locatie geldende bestemmingsplan Nieuw-Helvoet, onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee, is een dubbelbestemming ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden opgenomen. De AWK is het achterliggende beleidskader voor de motivering van die dubbelbestemming. Het grootste deel van de planlocatie ligt in zone 'Waarde - Archeologie 2'.

Voor de zone 'Waarde - Archeologie 2' is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van meer dan 100 m2 en/of die dieper reiken dan 50 centimeter beneden het maaiveld. Een klein gedeelte ligt in zone 'Waarde Archeologie 5'. Voor de zone 'Waarde - Archeologie 5' is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van meer dan 200 m2 en/of die dieper reiken dan 80 centimeter beneden het maaiveld. De ontwikkeling voorziet enkel in de wijziging in het gebruik van het perceel ten behoeve van wonen en vormverandering van het bouwvlak. De bestaande bebouwing blijft intact, er vindt geen uitbreiding van het bouwvlak plaats en er worden geen werkzaamheden in de bodem verricht. Er worden dan ook geen activiteiten uitgevoerd die de archeologische waarden aantasten. Een archeologisch onderzoek is daarmee voor de ontwikkeling niet noodzakelijk. Om de archeologische waarden met toekomstige werkzaamheden te waarborgen, zijn de regels van de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie - 2' en 'Waarde Archeologie - 5' ook opgenomen in dit wijzigingsbesluit. Op deze manier blijft de vergunningsplicht en daarmee het archeologische belang gewaarborgd met het wijzigingsbesluit.

Zodoende is rekening gehouden met het belang en van het behoud van de archeologische waarden en is de ontwikkeling op het gebied van archeologische waarden in overeenstemming met de instructieregel in artikel 5.130 van het Bkl. 35/85

5.8.4

Landschap

De beoogde ontwikkeling voorziet enkel in de functiewijziging van de huidige bestemming 'Gemengd - 1' naar een woonfunctie voor één woning en de aanpassing van het bouwvlak. De planlocatie ligt niet in een gebied dat door de provincie als beschermd is aangemerkt. Vanuit de provinciale verordening is de ontwikkeling aan te merken als inpassing. De ontwikkeling speelt zich af op kavelniveau en past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau en past bij de aard en schaal van het gebied. Bij inpassing is het uitgangspunt dat de ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten van de kwaliteitskaart. Dat is het geval, zo is hieronder uitgelegd. Omdat de ontwikkeling enkel voorziet in een functiewijziging en vormverandering van het bouwvlak blijft de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse gelijk. De bestaande bebouwing blijft intact en met dit wijzigingsbesluit wordt geen uitbreiding van de bebouwing mogelijk gemaakt. De structuur en de verschijningsvorm van het landschap zijn dan ook niet aan verandering onderhevig. Daarnaast kan de ontwikkeling kwaliteitsverbetering bewerkstelligen doordat met de ontwikkeling leegstaande bebouwing en een ongebruikt perceel ingebruik wordt genomen als woonruimte. Leegstand, vaak gepaard gaand met verwaarlozing, kan afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

De ingebruikname van het gebouw en het perceel ten behoeve van de woonfunctie beschermt zodoende het landschap tegen verpaupering. Zodoende is rekening gehouden met het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling en de ruimtelijke kwaliteit. Kwaliteitskaart Zuid-Holland Bij inpassing moet worden voldaan aan de richtpunten uit de kwaliteitskaart. In de kwaliteitskaart onderscheidt de provincie vier lagen: de ondergrond, cultuur- en natuurlandschappen, stedelijke occupatie en beleving. Iedere ondergrond kent zijn eigen richtpunten om de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Vanuit de kwaliteitskaart Zuid-Holland zijn landschappelijke kenmerken en richtpunten verbonden aan glastuinbouw gebieden. Hieronder wordt getoetst aan het kwaliteitsbeleid. Laag van de ondergrond In figuur 5.5 is te zien dat de planlocatie is gelegen binnen de rivierdeltacomplex op de ondergrond jonge zeeklei. De richtpunten van deze laag zijn niet van toepassing op de ontwikkeling.

Het gaat om het volgende richtpunt:  Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

36/85

Figuur 5.5: Laag van de ondergrond (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Figuur 5.6 laat zien dat de planlocatie in zowel zeekleipolderlandschap als rivierdeltalandschap ligt. De volgende richtpunten zijn relevant:  Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.  Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. Daarnaast laat figuur 5.6 zien dat de locatie in op de kwaliteitskaart aangewezen dijklint ligt. De volgende richtpunten zijn relevant:  Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.  Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst.  Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.

37/85

Figuur 5.6: Laag van de cultuur- en natuurlandschappen (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Laag van de stedelijke occupatie In figuur 5.7 is te zien dat de planlocatie in het gebied 'Steden en dorpen' is gelegen. De volgende richtpunten zijn relevant:  Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.  Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.

Figuur 5.7: Laag van de stedelijke occupatie (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland)

38/85

Laag van de beleving In figuur 5.8 is te zien dat deze laag niet aanwezig is ter plaatse van de planlocatie.

Figuur 5.8: Laag van de beleving (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Toetsing Met de functiewijziging ten behoeve van de functie wonen en de aanpassing van het bouwvlak wordt geen afbreuk gedaan aan de richtpunten uit de kwaliteitskaart. Omdat de ontwikkeling enkel voorziet in een functiewijziging en vormverandering van het bouwvlak blijft de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse gelijk. De bestaande bebouwing blijft intact en met dit wijzigingsbesluit wordt geen uitbreiding van de bebouwing mogelijk gemaakt. De landschappelijke structuur en het karakter van de dijk en het dijklint verandert dan ook niet. Daarnaast beschermt de heringebruikname van het gebouw en het perceel ten behoeve van de woonfunctie het landschap tegen verpaupering. Bovendien blijven met de ontwikkeling de karakteristieke kenmerken van de kern behouden. De ontwikkeling voldoet aan de richtpunten uit de kwaliteitskaart. 5.8.5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16408473/1