Bijlage 1 TAM-omgevingsplan FHG van Itersonlaan 60a ter vaststelling
Tekst van het document
Toetsing
Gelet op artikel 5.89g van het Bkl zijn woningen bodemgevoelige gebouwen. Volgens artikel 5.89i van het Bkl bevat een omgevingsplan waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Conform artikel 22.30 van de bruidsschat is de toelaatbare kwaliteit van de bodem gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Op de planlocatie is met de wijziging naar gebruik ten behoeve van wonen en het bouwen van een woning sprake van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Om te beoordelen of de bodemkwaliteit geschikt is, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8.
37/110
Uit dit onderzoek blijkt dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt zijn voor de functie wonen. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek kan worden gesteld dat de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. In het bijzonder wordt de gezondheidskundige waarde van lood in de bodem niet overschreden. Daarnaast concludeert het onderzoek dat in het grondwater geen van de concentraties de desbetreffende streefwaarden overschrijdt. 5.7.3
Conclusie
De kwaliteit van de bodem en het grondwater voldoen aan de waarden voor de toelaatbare kwaliteit en dragen in zoverre bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiermee is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregel artikel 7.29 uit de provinciale verordening. Om te voldoen aan de instructieregels van het Bkl dient wel in aanvulling op de bruidsschat het volgende te worden geregeld: Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2, voor zover in de bruidsschat als vergunningvrij bouwwerk aangewezen, is een vergunningplichtige activiteit. Voor de bouw van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2 wordt door een aanvulling van de bruidsschat een vergunningplicht opgenomen.
5.8
Geur
5.8.1
Algemeen
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.6 instructieregels voor geur. Op basis van artikel 5.92, eerste lid, van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. De gemeente moet dus overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. 5.8.2
Toetsing en conclusie
Met de ontwikkeling worden geen geurveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt. Er wordt met de ontwikkeling wel een geurgevoelige gebouw toegestaan. Onderzocht is of er sprake is van geur door activiteiten op de beoogde geurgevoelige gebouwen. Dit is niet aan de orde. Er zijn geen veehouderijen in de buurt van de planlocatie. Ook bevinden zich geen andere bedrijven in de omgeving van de planlocatie die geurhinder tot gevolg hebben. Zodoende is geen geurhinder op een geurgevoelig gebouw. Gelet hierop is in voldoende mate rekening gehouden met de instructieregel in artikel 5.92 van het Bkl in de paragraaf over geur. De realisatie van de woningen op de planlocatie is gelet op het aspect geur aanvaardbaar.
38/110
5.9 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 5.9.1
Algemeen
Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Op basis van artikel 5.130 lid 1 van het Bkl moet met een ontwikkeling rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Daarnaast worden met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de in artikel 5.130 lid 2 subleden (a-e) opgenomen beginselen. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.
Omgevingsverordening De omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.7 specifieke instructieregels opgenomen ter bescherming van de landschappelijke waarden en ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A. 3.
Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde en vijfde lid zijn de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat.
39/110
Artikel 7.43b (aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie) 1. Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h. 2. Een omgevingsplanplan voor een locatie met beschermingscategorie 2 als bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43i, 7.43j of 7.43k. 3. Een omgevingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43l, 7.43m of 7.43n. Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2.
Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. 3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.43h (gebiedstype: beschermingscategorie 3 buitengebied) 1. Een omgevingsplan voor een locatie in het Buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, zesde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c.
het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46. Verordening Fysieke Leefomgeving & Restverordening Erfgoedverordening Het archeologiebeleid van de gemeente Voorne aan Zee is vastgelegd in zowel de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) als de restverordening Erfgoedverordening. Alle regels met betrekking tot erfgoed die raken aan de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de VFL. De regels die niet raken aan de fysieke leefomgeving (zoals subsidieregelingen en andere ambtelijke zaken) zijn opgenomen in de restverordeningen.
40/110
5.9.2
Cultureel erfgoed
Binnen de relevante beleidsdocumenten zijn geen cultuurhistorische waarden beschreven waaraan met de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afbreuk wordt gedaan. 5.9.3
Archeologie
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Om invulling te geven aan het behouden van de archeologische waarden heeft de voormalige gemeente Westvoorne op 22 april 2008 archeologisch beleid vastgesteld, waarvan de Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) een belangrijk instrument vormt. De kaart toont de archeologische waarden en verwachtingen binnen Westvoorne en geeft aan hoe de gemeente daarmee omgaat. In het momenteel voor de locatie geldende bestemmingsplan Dorpsgebied Oostvoorne, onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee, is een dubbelbestemming ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden opgenomen. De AWK is het achterliggende beleidskader voor de motivering van die dubbelbestemming. De planlocatie ligt in de zone 'Waarde - Archeologie' met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde 3'. Voor de zone 'Waarde - Archeologie - specifieke vorm waarde 3' is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van meer dan 200 m2 en/of die dieper reiken dan 80 centimeter beneden het maaiveld.
Deze vrijstellingswaarden zijn met een archeologische dubbelbestemming opgenomen in de regels van bestemmingsplan Dorpsgebied Oostvoorne. Op deze manier is en blijft het archeologische belang gewaarborgd met het wijzigingsbesluit. Zodra de bouwplannen concreet zijn uitgewerkt kan worden beoordeeld of er sprake is van een archeologische onderzoeksverplichting. Dit onderzoek dient dan bij de aanvraag van de omgevingsvergunning te worden gevoegd. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.9.4
Landschap
De beoogde ontwikkeling voorziet in de verplaatsing van een bouwrecht voor één woning naar een achtergelegen perceel. De planlocatie valt binnen het gebiedstype 'beschermingscategorie 3 buitengebied'. Vanuit de provinciale verordening is de ontwikkeling aan te merken als inpassing. De ontwikkeling speelt zich af op kavelniveau en past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau en past bij de aard en schaal van het gebied. Bij inpassing is het uitgangspunt dat de ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten van de kwaliteitskaart. Dat is het geval, zo is hieronder uitgelegd.
41/110
Met de verplaatsing van het bouwrecht voor één woning naar het achtergelegen perceel wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse verbeterd. De planlocatie is gelegen tussen het dichtbebouwde dorpsgebied en het vrijwel onbebouwde duingebied. De wijken tussen de historische kern en de duinen worden gekarakteriseerd door een ruime opzet, zoals in het gebiedsprofiel Zuid-Holland is beschreven. In de toelichting op het vigerende bestemmingsplan wordt dit tussengebied beschreven als een zone met vrijstaande woonhuizen met grote tuinen, gekenmerkt door een open bebouwing. Omdat enkel sprake is van de verplaatsing van de woonfunctie en niet een toevoeging blijft de samenstelling van het type functies in het gebied hetzelfde. Bovendien kan op de beoogde locatie, in tegenstelling tot de huidige locatie, een vrijstaand woonhuis met een ruime tuin worden gerealiseerd, wat past binnen het karakter van de open bebouwing van het tussengebied. Hiermee blijft de kwaliteit van de overgang van het dorpsgebied naar het duingebied gehandhaafd. Gelet op voorgaande blijven de structuur van het landschap evenals de verschijningsvorm van het landschap gelijk. Hoewel er ten behoeve van de uitrit groen wordt verwijderd, blijft middels een groene inpassing het groene karakter en de uitstraling van de open groene ruimte behouden.
Ten slotte worden herkenbaarheid van het landschap en de ontstaansgeschiedenis niet aangetast met deze ontwikkeling. Zodoende is rekening gehouden met de beschermingscategorie en het gebiedstype, het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling en de relevante richtpunten van het Omgevingsbeleid Zuid-Holland (bijlage IX onder A) en de ruimtelijke kwaliteit. Kwaliteitskaart Zuid-Holland Bij inpassing moet worden voldaan aan de richtpunten uit de kwaliteitskaart. In de kwaliteitskaart onderscheidt de provincie vier lagen: de ondergrond, cultuur- en natuurlandschappen, stedelijke occupatie en beleving. Iedere ondergrond kent zijn eigen richtpunten om de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Hieronder wordt getoetst aan het kwaliteitsbeleid. Laag van de ondergrond In figuur 5.3 is te zien dat de planlocatie is gelegen binnen het kustlandschap op de ondergrond zeezandafzettingen. Er zijn geen relevante richtpunten van deze laag van toepassing op de ontwikkeling.
Figuur 5.3: Laag van de ondergrond (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland)
42/110
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Figuur 5.4 laat zien dat de planlocatie in zowel duinlandschap als rivierdeltalandschap ligt. De waarde van dit landschap is ter plaatse van de planlocatie beperkt door de omliggende bebouwing en de afwezigheid van het strand en de duinen. Hierdoor zijn er geen relevante richtpunten van deze laag van toepassing op de ontwikkeling.
Figuur 5.4: Laag van de cultuur- en natuurlandschappen (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Laag van de stedelijke occupatie In figuur 5.5 is te zien dat deze laag niet aanwezig is ter plaatse van de planlocatie.
Figuur 5.5: Laag van de stedelijke occupatie (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) 43/110
Laag van de beleving In figuur 5.6: is te zien dat deze laag niet aanwezig is ter plaatse van de planlocatie.
Figuur 5.6: Laag van de beleving (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Toetsing Gelet op voorgaande zijn er geen relevante richtpunten uit de kwaliteitskaart van toepassing op de ontwikkeling. De ontwikkeling is in overeenstemming met het kwaliteitsbeleid van de provincie Zuid-Holland. 5.9.5
Welstand
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (artikel 22.7, Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29, Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee). De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit van de voormalig gemeente Westvoorne, nu Voorne aan Zee. Deze nota is geldend vanaf 17 januari 2013. Toetsing De nota ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Voorne aan Zee hanteert een gebiedsgericht welstandsbeleid. De gemeente identificeert vijf welstandsgebieden met ieder hun specifieke samenhangend beoordelingskader. De locatie ligt binnen het welstandsgebied 'Individueel'. De te bouwen woning moet getoetst worden aan de welstandscriteria voor het 'Individueel'.
44/110
Met de wijziging van het omgevingsplan voor realiseren van het woonvlak wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid voor welstand omdat met de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan, de beoogde woning bij de aanvraag voor een bouwactiviteit zal worden beoordeeld als binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Op basis van artikel 22.26 van het omgevingsplan geldt hiervoor een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit op deze locatie wordt alleen verleend als op basis van artikel 22.29 sub b van het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Voorne aan Zee. Zodoende borgt het omgevingsplan dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand. 5.9.6
Conclusie
De ontwikkeling doet geen afbreuk aan cultuurhistorische en landschappelijke waarden en middels de regels in het vigerende bestemmingsplan blijft het archeologische belang gewaarborgd bij toekomstige bouwplannen. Gelet hierop is in voldoende mate rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregel in artikel 5.130 van het Bkl. Daarnaast sluit de ontwikkeling aan bij de huidige ruimtelijke kwaliteit en behoudt de bestaande gebiedskwaliteiten. Hierdoor is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van paragraaf 7.3.7 van de omgevingsverordening Zuid-Holland. Ten slotte borgt het omgevingsplan dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand. De verplaatsing van het bouwrecht voor een woning naar de planlocatie is gelet op het thema beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, cultureel erfgoed en welstand aanvaardbaar.
5.10 Mobiliteit en parkeren 5.10.1 Algemeen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Ook de omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema mobiliteit en parkeren. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid van het omliggende wegennet. 5.10.2 Beoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling voorziet in het verplaatsen van een bouwrecht voor een woning van perceel A8752 dat minder courant is voor woningbouw naar achterliggend perceel A8754 dat daar meer geschikt voor is. Dankzij de ontwikkeling kan de reeds toegestane woning alsnog worden gerealiseerd. Op perceel A8752 wordt de inrit naar de woning gerealiseerd. Hiermee zal de ontsluiting op de openbare weg met de ontwikkeling op dezelfde plek plaatsvinden. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op het aspect mobiliteit en parkeren gezien in de huidige situatie al een woning is toegestaan. De ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
45/110
5.11 Ecologie: soortenbescherming 5.11.1 Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen. Hieronder worden de bevindingen van de quickscan beschreven. 5.11.2 Toetsing De quickscan is opgenomen als bijlage 4. De conclusie uit dit onderzoek stelt dat de locatie in potentie geschikt is voor beschermde soorten van de amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. De volgende maatregelen zijn noodzakelijk om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen: In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het broedseizoen betreft de periode dat actieve nesten van vogels aanwezig zijn. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig.
Het broedseizoen loopt (normaliter) grofweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar nesten en nestlocaties van deze vogelsoort noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. In het plangebied kunnen beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen die zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn of als 'andere soort'. Het gaat om Steenmarter en eekhoorn. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen.
Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstand-aarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Omdat de schuur per abuis is gesloopt na uitvoering van de quickscan en situatie ter plaatse dus is veranderd, is een aanvullende scan uitgevoerd om te bepalen welke natuurwaarden in de huidige situatie nog aanwezig kunnen zijn. Deze aanvullende scan is opgenomen in bijlage 5. Uit deze verkenning volgt dat alsnog vervolgonderzoek kan worden ingezet naar het voorkomen van marterachtigen en eekhoorn. Dit vervolgonderzoek is opgenomen in bijlage 6.
46/110
De conclusies en aanbevelingen uit dit vervolgonderzoek luiden: In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van 15 maart tot 15 juli. Omdat Eekhoorn meerdere malen is waargenomen binnen het plangebied, wordt verondersteld het plangebied en/of de directe omgeving onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van de soort. Aangezien de in potentie geschikte bosschage binnen het plangebied voor Eekhoorn reeds gekapt is en het plangebied nu niet (meer) geschikt is voor de soort, dient vooroverleg gevoerd te worden met de Omgevingsdienst om vervolgstappen te bespreken. Mogelijkerwijs dient een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen 'activiteitenplan' mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgewerkt. In het plangebied zijn in het geheel geen Steenmarters vastgelegd. Er is geen indicatie dat er Steenmarters in de directe omgeving van het planbied aanwezig zijn. Er zijn geen negatieve effecten van de ingreep op Steenmarter mogelijk.
Aangezien de bebouwing reeds gesloopt is, is niet met zekerheid te achterhalen of deze bebouwing in het verleden onderdeel uitmaakte als essentieel leefgebied voor de soort. Door de afwezigheid van waarnemingen in de omgeving is het onwaarschijnlijk dat Steenmarters aanwezig waren in de reeds gesloopte bebouwing. Er zijn geen vervolgstappen nodig voor deze soort. Teneinde het naleven van de algemene en specifieke zorgplicht voor kwetsbare en bedreigde soorten kan men gebruikmaken van genoemde passende preventieve maatregelen in hoofdstuk 5 van het vervolgonderzoek. Daarnaast concludeert de aanvullende scan in bijlage 5 dat eveneens ingezet kan worden op het bevorderen van de natuur. Het plangebied kan in de nieuwe situatie opnieuw geschikt worden voor beschermde natuurwaarden, waarbij gericht wordt op de in de NDFF en in de quickscan vermelde soorten, maar ook op algemenere soorten die potentieel in de omgeving kunnen voorkomen (zie hiervoor de eerder uitgevoerde quickscan). Het is noodzakelijk om een natuurversterkingsrapport op te laten stellen waarbij de potenties voor het verbeteren van de (lokale) natuur en biodiversiteit in het kader van de plannen worden uitgewerkt. Het natuurversterkingsrapport is opgenomen in bijlage 7.
In het natuurversterkingsrapport worden ecologische inrichtingsmaatregelen aangereikt die genomen dienen te worden in de beoogde nieuwe situatie om het potentiële verlies aan voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de vleermuis en nesten en nestlocaties van de huismus te compenseren. Om deze inrichtingsmaatregelen te borgen in het omgevingsplan is een regel gesteld waarbij in voldoende ecologische inrichtingsmaatregelen ten behoeve van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de vleermuis en nesten en nestlocaties van de huismus worden voorzien, conform het natuurversterkingsrapport. Op deze manier is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geborgd.
47/110
5.11.3 Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat aanvullend onderzoek nodig is naar nesten en nestlocaties van de huismus en de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de steenmarter, eekhoorn en vleermuis. Voor de andere soorten werd geconcludeerd dat overtreding met eenvoudige maatregelen kan worden voorkomen, waardoor aanvullend onderzoek niet nodig is. Op basis van de aanvullende scan vanwege een gewijzigd uitgangspunt wordt geconcludeerd dat alsnog vervolgonderzoek kan worden ingezet naar het voorkomen van marterachtigen en eekhoorn. Uit het vervolgonderzoek blijkt dat het plangebied en/of de directe omgeving onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van de Eekhoorn. Voor deze soort dient vooroverleg gevoerd te worden met de Omgevingsdienst om vervolgstappen te bespreken. Mogelijkerwijs dient een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen 'activiteitenplan' mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgewerkt. Daarnaast is een natuurversterkingsrapport opgesteld op basis waarvan ecologische inrichtingsmaatregelen kunnen worden genomen in de beoogde nieuwe situatie ten behoeve van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de vleermuis en nesten en nestlocaties van de huismus.
De ecologische inrichtingsmaatregelen die volgen uit het natuurversterkingsrapport moeten worden genomen om te spreken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect ecologie soortenbescherming. Om dit te borgen zijn in het omgevingsplan in de algemene bouwregels in artikel 6.3.1 voorwaarden opgenomen voor natuurinclusieve bouw ten behoeve van de huismus en vleermuis. Tevens moet aan de eventuele maatregelen worden voldaan die volgen uit het nog uit te voeren vervolgonderzoek naar de marterachtigen en eekhoorn.
5.12 Ecologie: gebiedsbescherming 5.12.1 Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. 5.12.2 Toetsing De planlocatie is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Voornes Duin ligt op circa 205 meter (zie figuur onderstaande figuur 5.7). De planlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland (NNN) bevinden zich op circa 185 meter (zie figuur 5.8).
48/110
Figuur 5.7: Ligging planlocatie (gemarkeerd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden
Figuur 5.8: Ligging planlocatie (zwart omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland
49/110
Stikstof In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is gekeken naar de effecten op Natura 2000-gebieden. Om dit aan te tonen is een stikstofberekening uitgevoerd. De stikstofberekening is opgenomen in bijlage 9. De memo is opgenomen in bijlage 10. Hieruit blijkt dat in Natura 2000 gebieden geen stikstofdepositie wordt waargenomen (0,00 mol/ha/jaar). De uitvoering van het project zal dus niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Voor de uitvoering van het project is geen vergunnings- of meldplicht vereist met betrekking tot stikstofdeposities. 5.12.3 Conclusie Aangetoond is het project de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet aantast en daarmee is het plan in overeenstemming met de instructie van het Bkl.
5.13 Gezondheid 5.13.1 Algemeen Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in ieder geval rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Ow). 5.13.2 Toetsing Een groot deel van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk heeft een gezondheidscomponent. Uit de voorgaande paragrafen wordt ook duidelijk dat binnen de planlocatie sprake is van een relatief lage milieubelasting. Om te komen tot een situatie die vanuit gezondheidsoogpunt aanvaardbaar is, zijn er maatregelen nodig op het gebied van gebruik van geluid. Deze paragraaf bevat een beoordeling van de gezondheidssituatie en – effecten in brede zin. Om te beginnen ligt, zoals in paragraaf 5.4 al vermeld, de concentratie stikstofdioxide en fijnstof ter plaatse ruim onder de omgevingswaarden. De luchtkwaliteit ter plaatse is aanvaardbaar en de gezondheid van de (toekomstige) bewoners komt niet in het geding. Uit het bodemonderzoek, opgenomen in bijlage 8, blijkt bovendien dat de bodemkwaliteit voldoet aan de waarden voor de toelaatbare kwaliteit.
In het bijzonder wordt de gezondheidskundige waarde van lood op de locatie niet overschreden. De bodemkwaliteit is geschikt voor wonen en de gezondheid van de (toekomstige) bewoners komt niet in het geding. Daarnaast concludeerde het akoestisch onderzoek, beschreven in paragraaf 5.1, dat voor de locatie de geluidbelasting vanwege het industrieterrein op basis van de contouren van het Regionaal Afsprakenkader (RAK) 'Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling' tussen de 50 - 51 dB(A) contour ligt. Er is daarmee sprake van een beperkte overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De GGD adviseert om minimaal één zijde van de woning aangenaam te realiseren, met een toegankelijke, bruikbare en liefst groene en schone zijde met een geluidbelasting (gecumuleerd) minder dan 50 dB Lden en 40 dB Lnight.
50/110
Aanbevolen wordt om de slaapkamers zo veel mogelijk aan deze geluidluwe zijde te situeren. Dit geeft de bewoners de mogelijkheid om zich (tijdelijk) aan het geluid te onttrekken en om te slapen met een open raam. Het laten vaststellen van een hogere waarde van 51 dB(A) is nodig voor de nieuwe woning. In bijlage 2 is het Ontwerp hogere waardenbesluit opgenomen. Met deze maatregelen komt de gezondheid van de toekomstige bewoners niet in het geding. Een ander belangrijk gezondheidsaspect is het omgaan met hittestress en het voorzien in voldoende groen om beter bestand te zijn tegen hittegolven en UV-straling. Hoewel voor de realisatie van de beoogde woning en de uitrit een deel van het groen wordt verwijderd, blijft het overgrote deel van het groen op het achterliggende perceel behouden. Door een groene inpassing blijft het groene karakter van het perceel gewaarborgd. Daarnaast draagt de beplanting bij aan voldoende natuurlijke schaduw, wat helpt om hittestress te voorkomen en bescherming te bieden tegen UV-straling. Bij de keuze van beplanting moet ook rekening worden gehouden met de allergeniciteit van bomen. Bij voorkeur worden bomen geplant die niet of slechts in geringe mate allergeen zijn. Verder moet de ontwikkeling compenserende maatregelen treffen wanneer de toename van verhard oppervlak meer dan 500 m² bedraagt.
Ook dit draagt bij aan het verminderen van hittestress op groter schaalniveau. Tot slot wordt aanbevolen om zonwering aan de buitenzijde van ramen toe te passen en/of gebruik te maken van overstekken of vergelijkbare maatregelen, om oververhitting van de woning te beperken. De GGD adviseert verder om De Ladder van Koeling uit de Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving Klimaatadaptatie (klimaatadaptatienederland.nl) te koppelen aan het isoleren van woningen. De Ladder van Koeling (Internationaal podium voor Ladder van Koeling | Duurzaam Gebouwd) bevat vier treden: Zorgen voor een verkoelende omgeving (bijv. met bomen of groen dak). Warmte weren (bijvoorbeeld met screens of zonwering). Passief koelen (bijvoorbeeld met nachtventilatie). Milieuvriendelijke actieve koeling (bijvoorbeeld met warmtepomp). Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk deze adviezen om hittestress te voorkomen in acht te nemen. 5.13.3 Conclusie Vanuit gezondheidsoogpunt wordt de situatie ter plaatse van de locatie als aanvaardbaar beoordeeld. De geluidbelasting op de woning wordt vanuit gezondheidsoogpunt aanvaardbaar beschouwd indien voldaan wordt aan het hogere waardenbesluit. Vanuit gezondheidsoogpunt wordt bovendien geadviseerd om een geluidluwe zijde te realiseren en de slaapkamer aan deze zijde te positioneren.
Daarnaast is het vanuit gezondheidsoogpunt belangrijk de adviezen voor het omgaan met hittestress op te volgen. Bovenstaande punten in acht genomen, is er vanuit gezondheidsoogpunt sprake van een aanvaardbare situatie.
51/110
52/110
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: a. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en b. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op het verplaatsen van een bouwrecht voor één woning naar een achtergelegen perceel door de initiatiefnemer. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan. Kostenverhaal Met de wijziging van het omgevingsplan wordt een kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk gemaakt, namelijk: de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie. Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkelingen verzekerd is.
Het toevoegen van regels kostenverhaal in het omgevingsplan is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is. Conclusie Uit het bovenstaande volgt dat de ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
53/110
54/110
Hoofdstuk 7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
In dit hoofdstuk wordt onderbouwd of er is sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het relevante beleidskader en de relevante omgevingsaspecten en andere thema's zijn onderzocht. In hoofdstuk 4 en 5 zijn de toetsing aan het beleidskader en de relevante beoordelingsregels beschreven. Hieruit volgt of de ontwikkeling bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Samengevat: Op basis van de beleidstoets, de onderbouwing van het beoordelingskader en de daaruit voortvloeiende belangenafweging, moeten voor de aspecten water, bodem, ecologie en geluid aanvullende bepalingen worden opgenomen, eventuele maatregelen worden genomen of worden voldaan aan gestelde volwaarden om te voldoen aan het beleid en de instructieregels. In het geval de verhardingstoename meer dan 500m2 bedraagt, dient conform de beleidsregels en waterschapsverordening van het Waterschap, een vergunning voor een wateractiviteit worden aangevraagd bij het Waterschap en moet 10% van de toename worden gecompenseerd met waterberging. Vanaf 1 juli 2025 bedraagt dit 14%. Conform de maximale mogelijkheden bedraagt de watercompensatie 70,8 m2.
Om voor het aspect bodem overeen te stemmen met de instructieregels van het Bkl is een aanvullende bepaling opgenomen in de regels: Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2, voor zover in de bruidsschat als vergunningvrij bouwwerk aangewezen, is een vergunningplichtige activiteit. Voor de bouw van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2 wordt door een aanvulling van de bruidsschat een vergunningplicht opgenomen. Omdat het planlocatie en/of de directe omgeving onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van de Eekhoorn, dient voor deze soort vooroverleg gevoerd te worden met de Omgevingsdienst om vervolgstappen te bespreken. Mogelijkerwijs dient een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen 'activiteitenplan' mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgewerkt. Daarnaast moeten de ecologische inrichtingsmaatregelen die volgen uit het natuurversterkingsrapport in bijlage 7 in acht worden genomen. Om dit te borgen zijn in het omgevingsplan in de algemene bouwregels in artikel 6.3.1 voorwaarden opgenomen voor natuurinclusieve bouw ten behoeve van de huismus en vleermuis. Daarnaast moet, om te voldoen aan de instructieregels, bij de realisatie van de woning op het nieuwe bouwvlak worden voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in het hogere waardenbesluit.
Indien bovenstaande punten in acht worden genomen, is de verplaatsing van het bouwrecht voor één woning in overeenstemming met het beleidskader en de beoordelingsregels.
55/110
Het wijzigingsbesluit heeft tot gevolg dat alle onderliggende planologische besluiten ter plaatse van de planlocatie aan de FHG van Itersonlaan ingetrokken worden. Conclusie: Uit de integrale beoordeling van het beleid en instructieregels volgt dat er een balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die de locatie binnen het gebied kan vervullen. De ontwikkeling kan in dit wijzigingsbesluit mogelijk worden gemaakt want er wordt voldaan aan de instructieregels en de ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
56/110
BIJLAGEN BIJ DE MOTIVERING
Bijlage 1 Tabel regelanalyse instructieregels
- NOTITIE Memo
DATUM KENMERK VAN AAN CC
18 september 2024 20240511/169465/ Sophie Breugem dd dd
20240511 Wijziging omgevingsplan FHG van Itersonlaan 60 OPDRACHTGEVER Gemeente Voorne aan Zee dd AANWEZIG dd AFWEZIG PROJECT
BIJLAGE(N)
TABEL REGELANALYSE INSTRUCTIEREGELS FHG VAN ITERSONLAAN Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving Afdelingen en paragrafen
Relevant voor de Voldoet aan instructiereontwikkeling gel
Afdeling 5.1 Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties § 5.1.1. Algemene bepalingen Nee n.v.t. artikel 5.1a. (dienstenrichtlijn) § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid Ja Ja
Deze paragraaf is relevant omdat de ontwikkeling voorziet in de toelating van kwetsbare gebouwen, zoals gedefinieerd in bijlage VI van het Bkl.
§ 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen
Ja
Ja
Deze paragraaf is van toepassing, omdat de ontwikkeling voorziet aanpassingen die gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem, bijvoorbeeld verharding. De waterbelangen worden afgewogen in de waterparagraaf.
§ 5.1.4. Beschermen van de gezondheid en van het Ja milieu § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht Ja
Ja Ja
Op basis van artikel 5.54 Bkl kan de ontwikkeling worden geschaard onder standaardactiviteiten die in niet betekende mate bijdragen. In het kader van ETFAL met betrekking tot het beschermen van de gezondheid is de luchtkwaliteit in de onderbouwing wel beoordeeld op aanvaardbaarheid bij de toe te laten activiteit.
§ 5.1.4.2. Geluid door activiteiten
Ja
Ja
De ontwikkeling voorziet in het realiseren van een geluidgevoelig gebouw binnen de binnen de geluidszone van het industrieterrein Europoort-Maasvlakte, zoals vastgelegd in het RAK. Dit
industrieterrein veroorzaakt geluid op het geluidgevoelige gebouw. Op basis van de instructieregels uit het Bkl moet de aanvaardbaarheid van het geluid worden beoordeeld en de milieuruimte worden overwogen.
§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en indu- Ja strieterreinen
Ja
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een geluidgevoelig gebouw binnen het geluidsaandachtsgebied van een gemeentelijke weg. Er dient te worden onderbouwd dat aan de standaardwaarde voor gemeentewegen wordt voldaan en daarmee aan de instructieregels Bkl.
§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens § 5.1.4.4. Trillingen
Nee Nee
N.v.t. N.v.t.
Met de wijziging van het omgevingsplan worden geen trillingenveroorzakende activiteiten toegestaan. Wel wordt er een trillinggevoelige gebouw gerealiseerd, namelijk een woning. Er is beoordeeld of er sprake is van trillingen door activiteiten op het beoogde trillinggevoelige gebouw. Dit is niet aan de orde. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bronnen (zoals een spoorlijn) die trillinghinder veroorzaken. Hierdoor zijn de instructieregels uit het Bkl niet van toepassing.
§ 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines § 5.1.4.5. Bodemkwaliteit
Nee Ja
N.v.t. Ja
Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling, omdat de ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bodemgevoelig gebouw. In de onderbouwing is de bodemkwaliteit dan ook beoordeeld op aanvaardbaarheid voor de toe te laten activiteit.
§ 5.1.4.6. Geur Ja § 5.1.5 Beschermen van landschappelijke of steden- Ja bouwkundige waarden en cultureel erfgoed § 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking Nee
Ja Ja N.v.t.
De ontwikkeling voorziet in de verplaatsing van een bouwrecht voor één woning. Deze paragraaf is niet van toepassing omdat het plan niet is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling.
§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige func- Nee ties
2/5
N.v.t.
§ 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infra- Nee N.v.t structuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken Nee N.v.t § 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de Nee N.v.t. openbare buitenruimte voor personen Afdeling 5.2. Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving Artikel 5.163 Nee voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen Artikel 5.164 Nee lokale spoorwegen binnen vervoerregio's Artikel 5.165 Nee lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool Artikel 5.165a Nee bebouwingscontour jacht Artikel 5.165b Nee bebouwingscontour houtkap Afdeling 5.3. Ontheffing Artikelen opnemen waarvan ontheffing wordt ver- Nee leend.
Instructieregels Hoofdstuk 7 Omgevingsverordening Zuid-Holland Paragraaf en subparagraaf Relevant voor de ontwikkeling § 7.3.2 Externe veiligheid (omgevingsveiligheid) § 7.3.2.1 Risicogebieden externe veiligheid § 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering
Nee Ja
N.v.t.
N.v.t. N.v.t
N.v.t N.v.t
N.v.t
Voldoet aan instructieregel
N.v.t. Ja
De planlocatie is gelegen binnen het aandachtsgebied van een risicovolle inrichting, dit beïnvloed het groepsrisico. Deze paragraaf is daarom van toepassing op de ontwikkeling.
§ 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg Nee en Nieuwe Maas § 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes Nee § 7.3.4 Waterkeringen § 7.3.5 Grondwaterkwaliteit Nee § 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een Ja grondwatergevoelige locatie
N.v.t. N.v.t. N.v.t. Ja
Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling, omdat de ontwikkeling voorziet in de realisatie van een
3/5
grondwatergevoelig gebouw. In de onderbouwing moet de grondwaterkwaliteit dan ook beoordeeld worden op verontreiniging. Of er sprake is van verontreiniging zal volgen uit het bodemonderzoek.
§ 7.3.5.2 Saneren van de bodem ter uitvoering Nee van een bronaanpak § 7.3.5.3 Lozen op of in de bodem Nee § 7.3.5.4 Activiteiten op een locatie met een his- Nee torische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico § 7.3.5.5 Milieubelastende activiteiten met ge- Nee volgen voor watersystemen § 7.3.6 LiB-5 contour Schiphol Nee
N.v.t.
§ 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikke- Ja len
Ja
N.v.t. N.v.t.
N.v.t. N.v.t. Binnen deze paragraaf is artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering) van toepassing. In de onderbouwing moet worden onderbouwd dat rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering.
§ 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit
Ja
Ja
Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling (artikel 7.43, 7.43a. 7.43b, 7.43c, 7.43h). De ontwikkeling ligt in een gebied met beschermingscategorie 3. In de onderbouwing moet worden aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit en de kwaliteiten van het landschap niet onevenredig worden aangetast.
§ 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen
Nee
N.v.t.
Deze paragraaf is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling niet is aan te merken als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 7.45 is daarom ook niet van toepassing.
§ 7.3.8a Wonen
Nee
N.v.t.
Deze paragraaf is pas van toepassing bij een ontwikkeling vanaf 12 woningen. De ontwikkeling voorziet in de verplaatsing van een bouwrecht voor één woning. De paragraaf is daarom niet van toepassing.
§ 7.3.9 Detailhandel § 7.3.10 Kantoren § 7.3.11 Bedrijven § 7.3.12 Glastuinbouwgebied
4/5
Nee Nee Nee Nee
N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
§ 7.3.13 Boom- en sierteeltgebied
Nee
N.v.t.
§ 7.3.14 Bollenteeltgebied § 7.3.15 Agrarische bedrijven § 7.3.16 Natuurnetwerk Nederland
Nee Nee Nee
N.v.t. N.v.t. N.v.t.
§ 7.3.17 Werelderfgoed § 7.3.18 Archeologie § 7.3.19 Traditionele windmolens § 7.3.20 Landgoederen en kastelen § 7.3.21 Energie § 7.3.22 Provinciale vaarwegen § 7.3.23 Recreatietoervaartnet § 7.3.23a Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden § 7.3.24 Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur) § 7.3.25 Ontheffing en afwijken
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t N.v.t. N.v.t.
Nee
N.v.t.
Nee
N.v.t.
5/5
.
Bijlage 2 Ontwerp hogere waardenbesluit
Ons kenmerk
3485572_8417769
Ontwerp Besluit hogere waarden Wet geluidhinder Inzake het omgevingsplan ‘FHG. van Itersonlaan 60A’ Besluit van het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee. Omgevingsplan Het TAM-omgevingsplan ‘FHG. van Itersonlaan 60A’ maakt de realisatie van een woning aan de F.H.G. van Itersonlaan 60a in Oostvoorne mogelijk. Procedure Op de voorbereiding van het besluit hogere waarden Wet geluidhinder is de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Algemeen toetsingskader De Wet geluidhinder beoogt de burger te beschermen tegen een te hoge geluidbelasting. In de Wet geluidhinder, en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zijn normen opgenomen voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van onder meer wegverkeer, spoorwegverkeer en industrieterreinen. De regelgeving gaat daarbij uit van ten hoogste toelaatbare geluidbelastingen, hogere waarden dan de ten hoogste toelaatbare waarden en een maximaal toelaatbare waarde. Een geluidbelasting onder de ten hoogste toelaatbare waarde wordt zonder meer aanvaardbaar geacht, terwijl een geluidbelasting boven de maximaal toelaatbare waarde niet is toegestaan. Indien de ten hoogste toelaatbare waarde wordt overschreden, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting te verlagen tot de ten hoogste toelaatbare waarde.
In bepaalde situaties kunnen er echter geen of onvoldoende maatregelen worden getroffen, omdat deze maatregelen stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. In die situaties kunnen er hogere waarden worden toegestaan tot aan de maximaal toelaatbare waarde. Daarbij moet in ieder geval worden voldaan aan de eisen die gelden ten aanzien van de binnenniveaus in verblijfsruimten van woningen en andere geluidgevoelige gebouwen. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt in het geluidaandachtsgebied van de F.H.G. van Itersonlaan en de Schelpenweg. Het gaat hier om 30 km/uur wegen met een verkeersintensiteit van minder dan 1.000 mvt/etmaal. De standaardwaarde van 53 dB Lden zal niet worden overschreden. Railverkeerslawaai Het plangebied ligt buiten de zone van elke spoorweg. Industrielawaai Het plangebied ligt binnen de zone van het gezoneerde industrieterrein Maasvlakte-Europoort. De voorkeursgrenswaarde is 50 dB(A) wordt overschreden. Luchtvaartlawaai Het bouwplan bevindt zich buiten de geluidzone van Rotterdam The Hague Airport.
Blad 5 van 7
Ons kenmerk
3485572_8417769
Cumulatie Indien de ontwikkeling zich binnen de zones van meerdere geluidbronnen bevindt, moet onderzoek worden verricht naar de gecumuleerde geluidbelasting. De Wet geluidhinder stelt ten aanzien van de gecumuleerde geluidbelasting echter geen grenswaarden. Gemeentelijk toetsingskader Het college van Voorne aan Zee heeft op basis van de Wet geluidhinder geen vastgesteld hogere waardenbeleid. Akoestisch onderzoek. Op basis van de RAK-contouren voor het industrieterrein Maasvlakte-Europoort is de hoogste geluidbelasting 51 dB(A) (inclusief aftrek artikel 110g Wgh). Motivering besluit Industrielawaai ten gevolge van de Maasvlakte-Europoort Op basis van de RAK-contouren voor het industrieterrein Maasvlakte-Europoort is de hoogste geluidbelasting 51 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wgh). Nestgeluid is gezien de afstand tot de Maasvlakte-Europoort niet relevant. Het treffen van bronmaatregelen is niet aan de orde. Het plaatsen van een scherm of wal is niet gewenst om landschappelijke en stedenbouwkundige redenen. De maximale ontheffingswaarde is 55 dB(A). Deze wordt niet overschreden. Geluidluwe gevel en/of geluidluwe buitenruimte Op basis van de situering van de woning kan deze woning beschikken over één geluidluwe gevel en/of buitenruimte. Cumulatie van geluid Alleen vanwege de Maasvlakte-Europoort vindt een overschrijding van de hoogste toelaatbare geluidbelasting plaats.
Er is geen sprake van meerdere relevante geluidgezoneerde geluidbronnen. Cumulatie is hiermee op basis van de Wet geluidhinder niet relevant. Zienswijzen Voor de mogelijkheid van het indienen van zienswijzen, wijzen wij op de betreffende tekst in de bijgevoegde kennisgeving.
Besluit Gelet op de binnen het RAK vastgestelde geluidcontouren voor het industrieterrein MaasvlakteEuropoort, de artikelen 83, lid 2 en 110a van de Wet geluidhinder besluiten burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee voor het omgevingsplan ‘FHG. van Itersonlaan 60A’ de volgende hogere waarde voor industrielawaai vast te stellen: Geluidbron
Aantal woningen
Maasvlakte-Europoort
1
Hoogste Hogere waarde (dB) 51
Blad 6 van 7
Ons kenmerk
3485572_8417769
Overige regels en wetten Het onderhavige besluit betreft een ontheffing op grond van de Wet geluidhinder. Dit besluit laat onverlet dat er voor realisering van het bouwplan mogelijk rekening gehouden dient te worden met andere wettelijke bepalingen
Hoogachtend, namens burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee,
Blad 7 van 7
Bijlage 3 Quickscan Ontplofbare Oorlogsresten
QuickScan Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten
F.H.G. van Itersonlaan 60a, Oostvoorne Gemeente Voorne aan Zee IDDS Explosieven B.V.
Datum : 13 oktober 2024 Kenmerk : A5808-04/MQU/QS1 In opdracht van : Rho Adviseurs B.V. Auteur : Dhr. M.D. Quint Status : Definitief Versie : 1.0
ACCORDERING QuickScan Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten F.H.G. van Itersonlaan 60a, Oostvoorne Gemeente Voorne aan Zee Kenmerk: A5808-04/MQU/QS1 Benadrukt wordt dat onderhavige rapportage geen historisch vooronderzoek conform het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten (CS-VROO-01) betreft. Afbeelding voorpagina: Het onderzoeks- en analysegebied op een topografische kaart van 1945. Bron: Topotijdreis. Gezien en goedgekeurd door Organisatie IDDS Explosieven B.V.
Naam Dhr. M.D. Quint
IDDS Explosieven B.V.
Dhr. T. Neijenhuis
Functie
Datum
Teamleider en Senior Deskundige OOO
13-10-2024
Sr Adviseur OO, Munitietechnicus
13-10-2024
Handtekening
© IDDS Explosieven B.V. Alle rechten voorbehouden.
A5808-04/MQU/QS1 QuickScan Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten, F.H.G. van Itersonlaan 60a, Oostvoorne
2/15
Inhoudsopgave 1.1 1.2 1.3
Inleiding......................................................................................................................... 4 Aanleiding van de QuickScan ontplofbare oorlogsresten .............................................. 4 Onderhavig onderzoeksgebied ...................................................................................... 4 Overzicht geraadpleegde bronnen QuickScan OO ....................................................... 5
2.1 2.2 2.3 2.3.1.
Resultaten bronnenonderzoek ................................................................................... 8 Resultaten oorlogshandelingen ..................................................................................... 8 Topotijdreis ................................................................................................................... 10 VEO Bommenkaart OO................................................................................................ 11 Resultaat Vooronderzoek OO Buurtaanpak Oostvoorne............................................. 11
3.1 3.2
Conclusie en advies................................................................................................... 13 Conclusie ..................................................................................................................... 13 Advies........................................................................................................................... 14
Bijlage 1: Protocol spontaan aantreffen ontplofbare oorlogsresten ................................... 15
A5808-04/MQU/QS1 QuickScan Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten, F.H.G. van Itersonlaan 60a, Oostvoorne
3/15
Inleiding 1.1
Aanleiding van de QuickScan ontplofbare oorlogsresten
In de nabije toekomst staan diverse grondroerende werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied F.H.G. van Itersonlaan 60a, Oostvoorne gepland. Door de opdrachtgever is gevraagd een QuickScan naar ontplofbare oorlogsresten (hier na: OO) uit te voeren voor het onderzoeksgebied. Achtergebleven OO uit de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse bodem kunnen een risico vormen binnen de realisatie van een project. Vanzelfsprekend is het aantreffen van OO gevaarlijk, maar naast de veiligheidsrisico’s kan ook druk op planning en budget ontstaan. Hiernaast is er in de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 4.10) een verplichting jegens de werkgevers opgenomen dat deze de risico’s van het werk in kaart moeten brengen: ‘In alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van OO, wordt, alvorens werkzaamheden worden aangevangen, hiernaar een oriënterend onderzoek ingesteld.’ Derhalve dient er tijdens de voorbereiding van een project altijd gekeken worden of er tijdens de uitvoering van het project risico’s zijn doordat er zich in het onderzoeksgebied mogelijk OO bevinden. Deze QuickScan OO is een oriënterend onderzoek.
1.2
Onderhavig onderzoeksgebied
Bij het opstellen van deze QuickScan houdt IDDS Explosieven B.V. het gebied aan alwaar de grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd. Dit onderzoeksgebied is weergegeven in figuur 1.
A5808-04/MQU/QS1 QuickScan Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten, F.H.G. van Itersonlaan 60a, Oostvoorne
4/15
Het onderzoeksgebied is weergegeven met de lichtblauwe omkadering, het analysegebied met de rode kleur.
IDDS Explosieven B.V. hanteert naast het aangegeven onderzoeksgebied een analysegebied. Dit analysegebied vormt een buffer van vijftig meter om het onderzoeksgebied heen. Het hanteren van een analysegebied zorgt ervoor dat (indicaties van) oorlogshandelingen in de directe nabijheid van het onderzoeksgebied expliciet in de analyse en beoordeling worden meegenomen. Daarnaast compenseert het hanteren van een analysegebied voor eventuele cartografische onnauwkeurigheid, welke optreedt bij het inpassen van luchtfotografie en kaartmateriaal in geografische informatiesystemen. De ervaring leert dat vijftig meter voldoende marge biedt om bijvoorbeeld eventuele kraterpatroonanalyse toe te passen op de grens van het onderzoeksgebied, aan de hand van luchtfotografie. Ook het analysegebied is weergegeven in figuur 1.
1.3
Overzicht geraadpleegde bronnen QuickScan OO
IDDS Explosieven B.V. heeft diverse bronnen geraadpleegd om een gedegen uitspraak te kunnen doen inzake de mogelijke aanwezigheid van OO binnen het onderzoeksgebied. De selectie van deze bronnen is gebaseerd op de belangrijkste perioden waarbij mogelijk gevechtshandelingen, bombardementen en andere militaire activiteiten hebben plaatsgevonden in en nabij het onderzoeksgebied. IDDS Explosieven B.V. beoogt hiermee globaal de gehele conflictperiode te beslaan. Hierbij is met name gekeken naar de volgende oorlogshandelingen: -
-
Gevechtshandelingen tijdens: o De Meidagen van 1940, tussen Nederlandse en Duitse troepen; o De bevrijding van Nederland, vanaf september 1944 tot en met mei 1945; Indicaties gerelateerd aan de luchtoorlog: o Geallieerde luchtaanvallen op belangrijke infrastructuur, waaronder spoorlijnen, fabrieken, havens, verkeersknooppunten en militaire doelen zoals hoofdkwartieren,