CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 TAM-omgevingsplan FHG van Itersonlaan 60a ter vaststelling

Raadsvergadering 5 maart 2026, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Vaststellen TAM-Omgevingsplan FHG van Itersonlaan 60a Oostvoorne21.180 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TAM-OMGEVINGSPLAN FHG VAN ITERSONLAAN 60A Gemeente Voorne aan Zee

1/2

DATUM

18 december 2025

PROJECT PROJECTLEIDER

Wijziging omgevingsplan FHG van Itersonlaan 60 drs. M.P. Kegler

OPDRACHTGEVER Gemeente Voorne aan Zee PROJECTNUMMER 20240511 AUTEUR STATUS

2/2

M. van der Berg MSc Ter vaststelling

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave Motivering Hoofdstuk 1

Inleiding

9

1.1

Aanleiding

9

1.2

Ligging locatie wijziging omgevingsplan

9

1.3

Procedure

10

1.4

Leeswijzer

10

Beschrijving van het project en de omgeving

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Toekomstige situatie

13

2.3

Strijdigheden omgevingsplan

14

2.4

Milieueffectrapportage

15

Hoofdstuk 3

Participatie

17

Hoofdstuk 4

Beleidskader en toetsing daaraan

19

4.1

Inleiding

19

4.2

Rijk

19

4.3

Provincie

20

4.4

Gemeente Voorne aan Zee

21

4.5

Waterbeheerprogramma 2022-2027

24

Beoordelingsregels waaronder instructieregels

25

5.1

Inleiding

25

5.2

Waarborgen van de veiligheid

25

5.3

Beschermen van de waterbelangen

28

5.4

Kwaliteit van de buitenlucht

31

5.5

Geluid door activiteiten

32

5.6

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

33

5.7

Bodemkwaliteit

36

5.8

Geur

38

5.9

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

39

5.10

Mobiliteit en parkeren

45

5.11

Ecologie: soortenbescherming

46

5.12

Ecologie: gebiedsbescherming

48

5.13

Gezondheid

50

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 5

3/110

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

53

Hoofdstuk 7

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

55

Bijlagen

4/110

Bijlage 1

Tabel regelanalyse instructieregels

Bijlage 2

Ontwerp hogere waardenbesluit

Bijlage 3

Quickscan Ontplofbare Oorlogsresten

Bijlage 4

Quickscan Ecologie

Bijlage 5

Aanvullende scan ecologie

Bijlage 6

Inventarisatie beschermde soorten

Bijlage 7

Natuurversterkingsrapport

Bijlage 8

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 9

stikstofberekening

Bijlage 10

Stikstofmemo

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

83

Artikel 1

Begripsbepalingen

83

Artikel 2

Toepassingsbereik

87

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

88

Artikel 4

Algemeen gebruiksverbod

89

Regels voor functies en activiteiten

91

Artikel 5

Tuin

91

Artikel 6

Wonen

92

Artikel 7

Waarde - Archeologie

96

Hoofdstuk 3

Algemene regels

99

Artikel 8

Anti-dubbeltelregel

99

Artikel 9

Algemene bouwregels

100

Artikel 10

Algemene gebruiksregels

101

Artikel 11

Algemene aanduidingsregels

102

Artikel 12

Overige regels

103

Artikel 13

Aanvraagvereisten

104

Hoofdstuk 2

Bijlagen bij de regels

5/110

Bijlage 1

Staat van bedrijfsactiviteiten

Bijlage 2

Natuurversterkingsrapport

6/110

MOTIVERING

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de F.H.G. van Itersonlaan nabij nummer 60 in Oostvoorne (gemeente Voorne aan Zee) is de verplaatsing van een bouwrecht voor één woning beoogd. Hoewel perceel A8752 is voorzien van een bouwrecht voor een woning, is het stuk grond minder courant voor woningbouw. Perceel A8754 is geschikter en biedt meer ruimte voor een woning. Concreet betekent dit dus dat het reeds toegekende bouwrecht op perceel A8752 ingetrokken wordt en verplaatst wordt naar het achtergelegen perceel A8754 om daar een woning te realiseren. Op de nieuwe locatie van het bouwrecht voor de woning bevindt zich al een bouwvlak met de aanduiding "bijgebouw". Binnen dit bestaande bouwvlak staat momenteel een stal. Het verzoek ziet toe op kwaliteitsverbetering en het behoud van uitstraling van de F.H.G. van Itersonlaan. De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee (van rechtswege), omdat het realiseren van een woning op de beoogde locatie niet is toegestaan op basis van het bestemmingsplan 'Dorpsgebied Oostvoorne', die onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Er is voor gekozen om de ontwikkeling mogelijk te maken via een wijziging van het omgevingsplan in het tam-imro format (bestemmingsplan-variant).

Deze wijziging van het omgevingsplan dient te voldoen aan de instructies van Rijk- en provincie Zuid-Holland, waaronder een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, en het beleid van Rijk, provincie Zuid-Holland en gemeente Voorne aan Zee. De voorliggende onderbouwing voorziet daarin en is onderdeel van het besluit. In de planregels en op verbeelding worden de nieuwe activiteiten vastgelegd.

1.2

Ligging locatie wijziging omgevingsplan

De locatie waar het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee wordt gewijzigd, ligt aan de F.H.G. van Itersonlaan nabij nummer 60 in Oostvoorne. De locatie waarop de beoogde ontwikkeling betrekking heeft, is kadastraal bekend als percelen OVN00-A-8752 en OVN00-A-8754 en hebben een oppervlakte van respectievelijk 684 m2 en 9.366 m2. In figuur 1.1 is de ligging van de planlocatie weergegeven.

9/110

Figuur 1.1: Ligging locatie in omgeving (bron: PDOK).

1.3

Procedure

Er is een wijzigingsbesluit opgesteld omdat wonen in het omgevingsplan niet mogelijk is op de desbetreffende locatie. Een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is in dit geval niet mogelijk omdat de verplaatsing van een bouwrecht betreft en hiervoor de mogelijkheden voor het bouwen van een woning op één locatie moeten komen te vervallen en op een locatie elders worden toegekend. Het intrekken van regels die op dit moment in het tijdelijk deel van het omgevingsplan opgenomen zijn, is niet mogelijk met een omgevingsvergunning voor een BOPA. Een wijziging van het omgevingsplan is voor deze ontwikkeling noodzakelijk. Er is gekozen om met het wijzigen van het omgevingsplan gebruik te maken van het format TAM-IMRO. Aangezien er nog geen beschikking is over een casco en/of regelbibliotheek, wordt het TAM-omgevingsplan opgesteld volgens de bestemmingsplanvariant.

1.4

Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van de feitelijk bestaande activiteiten en aanwezige bebouwing op de locatie. Bovendien wordt hier nader ingegaan op de invloed van de locatie op de omgeving en vice versa. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief voor de planlocatie en de strijdigheden met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe participatie heeft plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan de voorgenomen inrichting van de percelen. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 en 5 het plan getoetst aan het relevante beleidskader en het beoordelingskader van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In Hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan. Tot slot wordt in Hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als etfal).

10/110

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het project en de omgeving

2.1

Huidige situatie

2.1.1

Feitelijke situatie

De planlocatie ligt in het westelijke deel van het dorpsgebied van Oostvoorne. Ten oosten van de locatie bevindt zich de FHG van Itersonlaan, dit is een 30 km/u weg waarop de locatie wordt ontsloten. De FHG van Itersonlaan wordt gekenmerkt door vrijstaande woningen op ruimtelijke kavels. Perceel A8752 is onbebouwd en bestaat uit bosschages en gras. Het perceel grenst aan de zuidwestzijde aan een woning en aan de noordoostzijde aan een schuur. Op perceel A8754 is een stal aanwezig, de rest van het achtergelegen perceel bestaat eveneens uit grasland met enkele bossages. Aan de zuidwest- en zuidoostzijde van het perceel zijn woningen gelegen. In onderstaande figuur is de huidige situatie ter plaatse van de locatie inzichtelijk gemaakt. Rood omlijnd is de planlocatie aangegeven.

Figuur 2.1: De planlocatie (rood omlijnd) vanaf bovenaanzicht (Bron: Streetsmart Cyclomedia)

11/110

2.1.2

Mogelijkheden omgevingsplan

Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee Het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee bevat regels voor de onderhavige locaties. Op dit moment staan de regels nog op verschillende plaatsen, te weten in: a. de besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder: 1. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening; 2. een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet; 3. een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij; 4. een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening; b. de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet; c. de bruidsschat (zie artikel 22.1 van de Omgevingswet). Hierna wordt kort ingegaan op de onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor het voorliggende initiatief. In paragraaf 2.3 wordt beschreven met welke regels van het omgevingsplan de locatie in strijd is. Ad a1.

Het bestemmingsplan als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Dorpsgebied Oostvoorne' dat op 25 juni 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Westvoorne en geheel onherroepelijk in werking is. In dit bestemmingsplan is perceel A8752 grotendeels bestemd als 'Wonen' en een klein gedeelte als 'Tuin'. Perceel A8754 is grotendeels bestemd als 'Tuin - 2' en een klein gedeelte als 'Wonen', waarop de bouwaanduiding 'bijgebouwen' rust. Daarnaast zijn beide percelen bestemd als 'Waarde - Archeologie' met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde 3'. Figuur 2.2 laat de uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan 'Dorpsgebied Oostvoorne' zien.

Figuur 2.2: Uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Dorpsgebied' onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee met aanduiding locatie (rood kader) (Bron: Omgevingsloket).

12/110

Ad a2, 3 en 4 Verordeningen Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater, mits de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld. In dit geval zijn de volgende verordeningen van toepassing:  Artikel 14 van de Verordening Fysieke Leefomgeving Voorne aan Zee;  Verordening aansluitvoorwaarden riolering Voorne aan Zee 2023. Ad b. Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart De bodemkwaliteitskaart, bestaande uit een bodemfunctieklassenkaart, ontgravingskaart en toepassingskaart, is een door de gemeente vastgestelde kaart met daarop de bodemkwaliteit per gebied. De gemeente Voorne aan Zee heeft samen met omliggende gemeenten een Bodemkwaliteitskaart regio Voorne-Putten en een bodemfunctieklassenkaart, deze zijn opgenomen als bijlage 1 in de Nota Bodembeleid Regio Voorne-Putten. Op de bodemkwaliteitskaart ligt het deel van de planlocatie op perceel A8752 in zone A1, oude bebouwing. Het deel van de planlocatie op perceel A8754 ligt op de bodemkwaliteitskaart in zone C, recreatie en buitengebied. Op de bodemfunctieklassekaart ligt de planlocatie in een gebied dat de functieklasse 'Wonen' heeft. De bodemkwaliteitszone van zowel de boven- als de ondergrond van het plangebied betreft eveneens oude bebouwing. Ad c.

Bruidsschat In de bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.

2.2

Toekomstige situatie

2.2.1

Ontwikkeling

Momenteel bevindt zich aan de FHG van Itersonlaan 60a op perceel A8752 een bouwrecht voor maximaal één woning. Met de beoogde ontwikkeling wil de initiatiefnemer dit bouwrecht op perceel A8752 intrekken en deze verplaatsen naar het achtergelegen perceel A8754 om daar een woning te realiseren. Hiervoor wordt de huidige stal op perceel 8754 gesloopt, om plaats te maken voor de beoogde woning. Rondom de woning komt het woonvlak. Het oppervlakte voor het woonvlak/bouwvlak wordt 1.123 m2. Het gedeelte van perceel 8754 waar geen woonvlak komt, behoudt de bestemming 'Tuin - 2'. De bosschages op perceel A8752 blijven met de ontwikkeling behouden. Perceel 8752, dat momenteel een woonbestemming heeft, zal in de nieuwe situatie de functie 'Tuin' krijgen conform de bestemming 'Tuin' uit het bestemmingsplan Dorpsgebied Oostvoorne. Op dit perceel wordt de inrit naar de woning gerealiseerd. Dit perceel wordt dan ook vrij gemaakt van groen om de toegankelijkheid voor de eigenaar naar het achterliggende perceel te verbeteren. In figuur 2.3 is de beoogde planologische situatie van percelen A8752 en A8754 weergegeven. De ontwikkeling komt ten goede aan de ruimtelijke kwaliteit en het behoud van uitstraling van de F.H.G. van Itersonlaan.

Het bouwen van de woning op de oorspronkelijk toegestane locatie zou leiden tot een hogere bebouwingsdichtheid en beperkt zicht vanaf de straat, wat de woonkwaliteit van de bewoners van aangrenzende percelen aan kan tasten. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan het waarborgen van een aantrekkelijk woonmilieu. Het mogelijk maken van een woonfunctie op de achtergelegen gronden is bovendien in lijn met de ruimtelijke inrichting zoals ook bij nummer 52.

13/110

Figuur 2.3: Beoogde planologische situatie percelen A8752 en A8754 (Bron: Gemeente Voorne aan Zee)

2.3

Strijdigheden omgevingsplan

De beoogde ontwikkeling is in strijd met het omgevingsplan. Het omgevingsplan voorziet voor perceel A8754 slechts ten dele in een woonfunctie, alleen ter hoogte van de schuur. Ter hoogte van de schuur mogen alleen bijgebouwen worden gebouwd. De woonfunctie wordt verruimd en voorzien van het bouwrecht voor een woning. Daarnaast wordt voor perceel A8752 de woonfunctie inclusief bebouwingsmogelijkheden ingetrokken. Voor de beoogde ontwikkeling moeten daarom alle ter plaatse geldende regels in het bestemmingsplan voor de locatie in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee worden ingetrokken.

14/110

2.4

Milieueffectrapportage

2.4.1 Algemeen In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob). 2.4.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft de verplaatsing van een bouwrecht voor één woning naar een achtergelegen perceel.

In de beoogde situatie vindt een functiewijziging plaats zonder dat er extra woningen worden toegevoegd of het ruimtebeslag toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Extra belangrijke milieueffecten als gevolg van de beoogde wijziging zullen niet optreden. Om deze reden wordt de ontwikkeling niet gezien als stedelijk ontwikkelingsproject. Een m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde.

15/110

16/110

Hoofdstuk 3

Participatie

De gemeenteraad van de gemeente Voorne aan Zee heeft op 3 oktober 2023 een besluit genomen over het participatiebeleid. In de opvolgende jaren gaat de gemeente het participatiebeleid 'Samen aan zet' uitvoeren. Voor een wijziging van het omgevingsplan is participatie voor de gemeente verplicht. Voor andere initiatiefnemers is het wenselijk dat wordt aangegeven op welke manier er is geparticipeerd en wat dit heeft opgebracht. De participatie heeft plaatsgevonden doordat de initiatiefnemer in dialoog is gegaan met de bewoners van omliggende woningen. In de onderstaande figuur zijn met groene sterren de omliggende woningen weergegeven die betrokken zijn bij de participatie. Tijdens deze bezoeken zijn de plannen voor het verplaatsen van het bouwvlak aan de omwonenden geïntroduceerd. In deze gesprekken is ruimte geboden aan omwonenden om hun mening over het initiatief te uiten. Uit het dialoog volgt dat de buurt akkoord is met de plannen. Daarnaast is er nog gelegenheid om zienswijzen in te dienen.

Figuur 3.1: Bij de participatie betrokken woningen in de omgeving van de planlocatie (Bron: Streetsmart Cyclomedia)

17/110

18/110

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader en toetsing daaraan

Inleiding

Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 4.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 4.3. Tot slot wordt in paragraaf 4.4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.

4.2

Rijk

4.2.1

Nationale omgevingsvisie

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: a. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; b. Duurzaam economisch groeipotentieel; c. Sterke en gezonde steden en regio's; d. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: a. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; b.

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; c. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toetsing De beoogde ontwikkeling voldoet aan het Rijksbeleid, omdat het verplaatsen van een bouwrecht voor een woning niet in strijd is met de belangen en opgaven van de Nationale omgevingsvisie. Bovendien past het verplaatsen van een bouwrecht voor een woning van een perceel dat minder courant is voor woningbouw naar een perceel dat daar meer geschikt voor is, binnen de opgave van de NOVI om het woningaanbod uit te breiden.

19/110

4.3

Provincie

4.3.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie 1 april 2023)

De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. Het beleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie heeft zeven vernieuwingsambities vastgelegd. Met deze zeven ambities maakt de provincie ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid. De zeven ambities zijn: 1. Samen werken aan Zuid-Holland 2. Bereikbaar Zuid-Holland 3. Schone energie voor iedereen 4. Een concurrerend Zuid-Holland 5. Versterken natuur in Zuid-Holland 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland 7. Gezond en veilig Zuid-Holland Voor voorliggende ontwikkeling is vooral de uitwerking van de ambitie 'sterke steden en dorpen in Zuid-Holland' van toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe de provincie invulling geeft aan deze ambitie. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland Zuid-Holland staat voor de uitdaging om in het komende decennium 200.000 woningen te bouwen, een toename van meer dan 10% van de huidige woningvoorraad.

De focus ligt daarbij op het creëren van een evenwichtige woningvoorraad, met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op geschikte locaties. Toetsing en conclusie Een van de opgaven van de provincie is om de woningvoorraad substantieel uit te breiden. De beoogde ontwikkeling voorziet in het verplaatsen van een bouwrecht voor een woning van een perceel dat minder courant is voor woningbouw naar een perceel dat daar meer geschikt voor is. Dankzij de ontwikkeling kan de woning alsnog worden gerealiseerd. De ontwikkeling draagt bij aan de provinciale opgave om de woningvoorraad uit te breiden. De ontwikkeling past binnen het provinciale beleid.

20/110

4.4

Gemeente Voorne aan Zee

4.4.1

Omgevingsvisie Westvoorne 2030

De gemeente beschikt over een omgevingsvisie. De Omgevingsvisie Westvoorne 2030 (vastgesteld 24-01-2017) beschrijft het ruimtelijke beleid van de gemeente en het werkt als kompas waarmee de richting wordt aangegeven. In de omgevingsvisie worden de verschillende belangen vanuit landschap, de kernen, recreatie en toerisme, de agrarische sector en de gemeenschap samengesmolten tot een integrale ontwikkelingsrichting voor de periode tot 2030. De visie beschrijft verschillende thema's binnen de gemeente. Voor elk thema geeft de gemeente uitgangspunten gericht op het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. De gemeente beschrijft de volgende thema's: 1. Landschap en erfgoed; 2. Natuur en water; 3. Recreatie en toerisme; 4. Economie/werken; 5. Leefbaarheid en voorzieningen; 6. Wonen; 7. Verkeer en vervoer; en 8. Milieu, gezondheid en duurzaamheid. Voor de voorliggende ontwikkeling zijn de thema's wonen en milieu, gezondheid en duurzaamheid relevant. Wonen De gemeente streeft naar een voldoende aanbod van kwalitatief goede en betaalbare woningen, zowel in de huurals koopsector. Er wordt ingezet op een gevarieerde woningvoorraad en het creëren van verschillende aantrekkelijke woonmilieus. Per locatie en gebied bekijkt de gemeente wat de wensen en mogelijkheden zijn.

De gemeente actualiseert hiervoor elke paar jaar de woonvisie en analyseert periodiek de woningbehoefte, zowel kwantitatief (aantallen) als kwalitatief (woningtypologieën en gewenste woonmilieus). Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling voorziet in het verplaatsen van een bouwrecht voor een woning van een perceel dat minder courant is voor woningbouw naar een perceel dat daar meer geschikt voor is. Dankzij de ontwikkeling kan de woning alsnog worden gerealiseerd. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan het voorzien in voldoende aanbod van woningen binnen de gemeente. Bovendien kan op de beoogde locatie, in tegenstelling tot de huidige locatie, een vrijstaand woonhuis met een ruime tuin worden gerealiseerd. Het bouwen van de woning op de oorspronkelijk toegestane locatie zou leiden tot een hogere bebouwingsdichtheid en beperkt zicht vanaf de straat, wat de woonkwaliteit van de bewoners van aangrenzende percelen aan kan tasten. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de ambitie van de gemeente om aantrekkelijke woonmilieus te creëren. Gelet op voorgaande past de voorliggende ontwikkeling binnen het gemeentelijk beleid beschreven in de Omgevingsvisie Westvoorne 2030.

21/110

4.4.2

Ontwerp Omgevingsvisie Voorne aan Zee 2040

De gemeente Voorne aan Zee is druk bezig met het opstellen van de Omgevingsvisie Voorne aan Zee 2040. Deze zal naar verwachting op korte termijn worden vastgesteld. De Omgevingsvisie van Voorne aan Zee beschrijft een langetermijnvisie voor de leefomgeving op hoofdlijnen. De visie bevat veel thema’s die allemaal betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals bijvoorbeeld klimaat, energie, natuur en landschap, gezondheid, mobiliteit, recreatie, bedrijvigheid, wonen en maatschappelijke voorzieningen. Ook de relaties tussen deze thema's met het sociale domein worden beschreven. In de visie heeft de gemeente negen centrale thematische opgaven uitgewerkt. Dit zijn de volgende opgaven: 1. Passend wonen voor iedereen; 2. Sociaal en leefbaar; 3. Gezond en veilig; 4. Natuurlijk; 5. Duurzaam en klimaatbestendig; 6. Cultureel en beleefbaar; 7. Recreatief en toeristisch; 8. Ondernemend; en 9. Bereikbaar. Voor voorliggende ontwikkeling is de uitwerking van de thematische opgave 'passend voor iedereen' relevant. In de uitwerking van deze opgave is de gemeente onder andere tot de volgende standpunten gekomen:  De gemeente heeft een focus op transformatie en verdichting. Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied (transformatie en verdichting) en eventueel in de stads- en dorpsranden heeft de prioriteit.  De gemeente zet in op kwantitatieve woningbouw.

De gemeente Voorne aan Zee bouwt tot 2030 4.600 woningen conform de gesloten Woondeal. Daarnaast biedt de omgevingsvisie een gedegen gebiedsindeling met gebiedsgerichte uitwerking. De beoogde ontwikkeling bevindt zich in het gebied 'Oostvoorne'. In de omgevingsvisie wordt beschreven dat voor dit gebied reeds de Dorpsvisie Oostvoorne is vastgesteld. De drie doelstellingen die in de dorpsvisie zijn opgenomen zijn: een bruisende, hechte dorpsgemeenschap, een groen dorp rijk aan natuur en cultuurhistorie en recreatie in balans. In aanvulling op deze dorpsvisie formuleert de omgevingsvisie voor Oostvoorne de volgende ambities:  Een sociaal en leefbaar Oostvoorne;  Cultureel en beleefbaar Oostvoorne;  Inspelen op vergrijzing en de huisvesting van scholen;  Inzetten op transformaties en woningbouwontwikkeling;  Bereikbaarheid op orde. Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling voorziet in het verplaatsen van een bouwrecht voor een woning van een perceel dat minder courant is voor woningbouw naar een perceel dat daar meer geschikt voor is. Dankzij de ontwikkeling kan de woning alsnog worden gerealiseerd. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de woningbouwopgave in de gemeente. De planlocatie is gelegen binnen de bestaande stads- en dorpsgebied. Op deze punten is de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten van de omgevingsvisie.

22/110

Figuur 4.1 toont aan dat de planlocatie (aangeduid met rode cirkel en ster) grenst aan en zich gedeeltelijk bevindt in een door de gemeente aangewezen open groene ruimte. De gemeente streeft naar het behoud van deze groene weides en grasvelden en wil deze zo veel mogelijk vrijhouden van bebouwing. De gemeente stelt dat nieuwe ontwikkelingen vragen om een zeer zorgvuldige inpassing om te voorkomen dat het hoogwaardige beeld van het dorpshart verrommelt. De beoogde ontwikkeling beslaat slechts een klein deel van de open groene ruimte, waardoor het overgrote deel van de groene ruimte behouden blijft. Bovendien is de huidige locatie aangewezen als locatie voor 'bijgebouwen'. Op de locatie is in 1962 een schuur gerealiseerd. Deze schuur wordt met voorliggend initiatief gesloopt en vervangen door de woning. Hoewel er ten behoeve van de uitrit groen wordt verwijderd, blijft middels een groene inpassing het oorspronkelijke karakter en de uitstraling van de open groene ruimte behouden. Hierdoor verandert de beleving van de ruimte niet en blijft de visuele verbinding met de achterliggende open groene ruimte bestaan. Daarnaast zou het bouwen van de woning op de oorspronkelijk toegestane locatie leiden tot een hogere bebouwingsdichtheid en beperkt zicht vanaf de straat, wat de woonkwaliteit van de bewoners van aangrenzende percelen aan kan tasten.

Gelet op voorgaande wordt met de ontwikkeling het hoogwaardige beeld van het dorpshart gewaarborgd. De beoogde ontwikkeling past binnen het beleid van de Omgevingsvisie Voorne aan Zee.

Figuur 4.1: De koers voor het dorpsgebied Oostvoorne met de planlocatie aangeduid met een rode cirkel en ster (Bron: Omgevingsvisie Voorne aan Zee)

23/110

4.5

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterschap Hollandse Delta beschikt over het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (vastgesteld 10 november 2021). In het Waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2027 wil bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem en waterketen. Het waterschap zet in op toekomstbestendig waterbeheer. Het zet zich in om verdere klimaatverandering tegen te gaan en de omgeving tijdig aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Dit doet het waterschap door zelf haar eigen werkzaamheden zoveel mogelijk klimaatneutraal uit te voeren, gebieden klimaatbestendig en waterrobuust in te richten en door vergroening en biodiversiteit te stimuleren. Het waterschap beschrijft drie ambities voor het waterbeheer: 1. Het beschermen en verbeteren van waterveiligheid Het waterschap biedt blijvende bescherming tegen overstromingen voor de burgers in haar gebied. Dit gebeurt robuust waar het moet, natuurlijk waar het kan en slim waar het loont. Het waterschap realiseert meerwaarde waar dat mogelijk is, maar doet hierbij geen concessies aan de veiligheid. 2. Het bieden van voldoende en schoon water Het waterschap zorgt voor genoeg water; niet te veel en niet te weinig. Ook zorgt het waterschap voor gezond water, dat bruist van leven. Water verbindt en is van meerwaarde voor natuur en mens, voor stad en platteland. 3.

Het beschermen en verbeteren van de waterketen. Het waterschap draagt samen met de omgeving bij aan een circulaire waterketen met als doel een gezonde en duurzame leefomgeving. Toetsing en conclusie Het waterbeheerprogramma geeft sturing aan grote ontwikkelingen in het gebied. Voorliggende ontwikkeling is relatief klein. Hiermee ligt de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten van het waterbeheerprogramma.

24/110

Hoofdstuk 5 5.1

Beoordelingsregels waaronder instructieregels

Inleiding

Voor het beoordelen van de ontwikkeling in voorliggend wijzigingsbesluit gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden (onder andere) de instructieregels van het Rijk en de provincie behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:  Waarborgen van de veiligheid;  Beschermen van de waterbelangen;  Beschermen van de gezondheid en van het milieu;  Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed;  Behoud van ruimte voor toekomstige functies;  Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten;  Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. De instructieregels van de provincie staan in de omgevingsverordening. In de tabel in bijlage 1 zijn alle instructieregels geanalyseerd en is aangegeven welke artikelen voor de ontwikkeling relevant zijn. In de paragrafen 5.2 tot en met 5.9 zijn de relevante instructieregels en de daarbij behorende omgevingsaspecten en andere thema's uitgewerkt. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot een aantal (ruimtelijk) relevante aspecten.

Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel aandacht aan deze aspecten te worden besteed. Dit zijn de aspecten mobiliteit, ecologie (soortenen gebiedsbescherming) en gezondheid. In de paragrafen 5.10 t/m 5.13 wordt ingegaan op deze aspecten in relatie tot de ontwikkeling.

5.2

Waarborgen van de veiligheid

5.2.1

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.2. instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid. Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden met het belang van:  het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;  de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en  de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Omgevingsverordening Zuid-Holland In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland is in artikel 7.18 een specifieke instructieregel opgenomen ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid.

25/110

Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico) 1. In aanvulling op artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden voor een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico de volgende overwegingen betrokken in het omgevingsplan: a. mogelijkheden om de ruimtelijke ontwikkeling plaats te laten vinden buiten het aandachtsgebied; b. alternatieven met een lager groepsrisico; c. waardering van al bestaande bescherming, waaronder:  1°. in de wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen;  2°. andere in het verleden getroffen maatregelen die gedeeltelijk of geheel bescherming bieden; d. mogelijkheden tot aanvullende bescherming, waaronder:  1°. binnen het aandachtsgebied afstand houden tot de risicobron;  2°. aanvullende risicocommunicatie;  3°. beperking van personendichtheden in de omgeving van de risicobron;  4°. vlucht- en schuilmogelijkheden binnen het aandachtsgebied;  5°. treffen van omgevingsmaatregelen tussen de risicobron en bebouwde omgeving;  6°. aanvullende bouwmaatregelen; e. mogelijkheden om aan de risicobron maatregelen te treffen; f. door de veiligheidsregio geadviseerde maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid; g.

de aanwijzing van een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied als brandvoorschriftengebied respectievelijk explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan wordt gemotiveerd op welke wijze de onderdelen, bedoeld in het eerste lid, zijn betrokken. 5.2.2 Beoordeling en conclusie Uit de informatie op de risicokaart (www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de planlocatie binnen het gifwolkaandachtsgebied ligt van APM Terminals Maasvlakte ll B.V. Dit bedrijf bevindt zich op circa 7 kilometer van het plangebied. Omdat dit bedrijf zich op meer dan 1,5 km afstand bevindt, heeft dit geen consequenties voor dit plan. Per saldo neemt het aantal personen als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt niet toe, omdat het bouwvlak van een reeds bestaande woning een paar meter verplaatst wordt. De beoogde ontwikkeling heeft dus geen invloed op het groepsrisico. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn een toereikende bluswatervoorziening en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen nodig. Ook zal de bereikbaarheid van de beoogde ontwikkelingen moeten zijn gewaarborgd. Dit wordt geborgd door de regels in het omgevingsplan: artikelen 22.13- 22.15 (bruidsschat). Hiermee is in de huidige situatie al rekening gehouden, omdat de planlocatie zich binnen een bebouwde omgeving bevindt.

Als gevolg van een incident met toxische stoffen bij een risicovolle inrichting geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van aanwezige (mechanische) ventilatiesystemen. De ventilatie van het betreffende gebouw kan mechanisch worden afgesloten.

26/110

VRR adviseert ook om het gebouw zodanig te construeren dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd kan worden (conform artikel 4.124 lid 4 van het Bbl). Als de deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Dit adviseert de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VVR) ook.

De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. De planlocatie wordt ontsloten via FHG v Ltersonlaan. Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor er altijd van en naar de bron kan worden gevlucht. Binnen de planlocatie worden geen bronnen mogelijk gemaakt met een extern veiligheidsrisico. Als gevolg van oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog kunnen ontplofbare oorlogsresten in de bodem zijn achtergebleven. Bij het spontaan aantreffen van ontplofbare oorlogsresten ontstaat een verhoogd veiligheidsrisico doordat het explosief door direct contact of trillingen kan exploderen. Dergelijke ongecontroleerde explosies kunnen dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving tot gevolg hebben. Er is er een Quickscan Ontplofbare Oorlogsresten uitgevoerd, zie bijlage 3. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen indicaties zijn dat er binnen het onderzoeksgebied ten tijde van de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden die doen vermoeden dat er binnen het onderzoeksgebied ontplofbare oorlogsresten te verwachten zijn.

Zodoende kan de planlocatie als niet verdacht worden beschouwd. Conclusie Er is geen noodzaak om met betrekking tot dit aspect regels op te nemen. Op basis van bovenstaande is bij het plan rekening gehouden met het voorkomen van risico’s van branden, rampen en crises.

27/110

5.3

Beschermen van de waterbelangen

5.3.1

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Op basis van artikel 5.37 Bkl dient in een omgevingsplan rekening gehouden te worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Omgevingsverordening Zuid-Holland In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.6a instructieregels opgenomen met betrekking tot toekomstbestendig bouwen en ontwikkelingen. Uit deze paragraaf is artikel 7.41a van toepassing op de ontwikkeling. Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering) 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. 2. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s. 5.3.2

Toetsing

De locatie bevindt zich in het beheergebied van Waterschap Hollandse Delta waardoor er getoetst moet worden aan de instructieregels van de waterschapsverordening van het Waterschap. Bodem en grondwater De locatie maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Omdat de locatie zich binnen de bebouwde kom bevindt, is het niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. De gronden ten noorden en ten westen van de locatie bestaan uit kalkhoudende vlakvaaggronden; matig fijn zand. Binnen deze gronden is sprake van grondwatertrap VIIo. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 103 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) bevindt zich op circa 160 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld is gelegen op circa 1 meter boven NAP. Waterkwantiteit Ten westen van de locatie loopt een watergang met een beschermingszone van 5 meter. Het bouwvlak/de beoogde woning komt niet in de beschermingszone van deze watergang.

28/110

Figuur 5.1: Legger waterschap planlocatie zwart omcirkeld In de beoogde situatie neemt het verhard oppervlak toe. Dit betekent dat water gecompenseerd moet worden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Bij een toename van verhard oppervlak van meer dan 1.500 m² in landelijk gebied en 500 m² in stedelijk gebied dient volgens het huidige beleid van Waterschap Hollandse Delta 14% van de toename in functioneel open water te worden gerealiseerd als compensatie. De planlocatie ligt binnen stedelijk gebied. Op basis van de regels mogen maximaal 150 m2 aan gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met een uitbreidingsmogelijkheid tot 400m2 voor een woningbouwperceel van deze omvang. Daarnaast moet rekening worden gehouden met andere verharding, zoals bestrating. Verder is reeds circa 200 m2 aan verharding aanwezig. Conform de regels bedraagt de maximale bebouwing 393 m2. Dit is 35% van 1.123 m2. Als de rest van de woonfunctie, dat in gebruik is als tuin, voor circa 50% verhard wordt dan is de toename in verharding in de tuin 315 m2. Daarnaast wordt op het perceel OVN00-A-8752 naar het woonvlak toe een inrit aangelegd. Uitgaande van een inrit van circa 4 meter breed en 50 meter lang bedraagt de verhardingstoename hier 200 m2. In totaal neemt de nieuwe verharding toe met in totaal 708 m2.

Uitgaande van de maximale mogelijkheden bedraagt de toename aan verharding met 708 m2 meer dan 500m2. Indien de verhardingstoename meer dan 500m2 is, moet bij de bouwaanvraag aan een waterberging van 14% (vanaf 1 juli 2025) van de toename worden voldaan en moet een vergunning voor een wateractiviteit bij het waterschap worden aangevraagd. De watercompensatie bedraagt daarmee 70,8 m2. De initiatiefnemer is eigenaar van perceel OVN00-A-8754, dit is een ruim perceel en biedt meerdere mogelijkheden voor watercompensatie, zo ligt onder andere een hoofdwatergang op het perceel. In het geval er gecompenseerd moet worden voor een verhardingstoename, dan kan dit plaatsvinden binnen dit perceel. Daarmee is vanuit het aspect water aangetoond dat dit plan niet evident onuitvoerbaar is. Indien bij de bouwaanvraag uit het definitieve ontwerp blijkt dat er sprake is van een verhardingstoename van minder dan 500m2 dan is watercompensatie niet noodzakelijk.

29/110

Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen de planlocatie of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van de planlocatie. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem zullen gedurende de aanlegfase duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt worden. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in-) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Kans op overstroming Uit de onderstaande figuur blijkt dat de kans op overstroming vanuit zee, een meer of een rivier binnen het plangebied 1 keer per 100.000 jaar is.

Figuur 5.2: kans op overstroming (plangebied zwart omcirkeld) Wateroverlast bij hevige buien In het gebied is op dit moment geen sprake van wateroverlast bij hevige buien, zie onderstaande figuur. In de omgeving is hier echter wel sprake van wat duidt op een gevoelige locatie voor wateroverlast.

30/110

Figuur 5.3: Waterdiepte bij hevige regenbui (140 mm/2 uur) (bron: www.klimaateffectatlas.nl) 5.3.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling houdt rekening met de toename van verhard oppervlak en de gevolgen hiervan voor het watersysteem. Om negatieve effecten te voorkomen, kunnen compenserende maatregelen nodig zijn. Indien blijkt dat de verhardingstoename meer dan 500m2 is, moet bij de bouwaanvraag 10% watercompensatie worden gedaan (vanaf 1 juli 2025 14%) en moet een vergunning voor een wateractiviteit bij het waterschap worden aangevraagd. De watercompensatie bedraagt 70,8 m2. Kans op overstroming en wateroverlast binnen het gebied is heel laag. Er hoeven geen regels te worden opgenomen met betrekking tot het aspect water. Gelet op voorgaande is eveneens rekening gehouden met de risico's van klimaatverandering. De ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel 5.37 uit het Bkl en 7.41a uit de omgevingsverordening Zuid-Holland.

5.4

Kwaliteit van de buitenlucht

5.4.1

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.1 instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van de buitenlucht. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig.

31/110

Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Het gaat onder andere om het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:  1°. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of  2°. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen. In het kader van ETFAL met betrekking tot het beschermen van de gezondheid is de luchtkwaliteit ter plaatse wel beoordeeld op aanvaardbaarheid bij de toe te laten activiteit. Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema kwaliteit van de buitenlucht. 5.4.2

Beoordeling en conclusie

De planlocatie bevindt zich niet in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. In totaal betreft de ontwikkeling de realisatie van 1 woning en valt onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, zoals vermeld in artikel 5.54 van het Bkl. Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is. Maatgevend is het toetspunt aan de FHG van Itersonlaan. Uit de kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022; 15,9 µg/m³ voor NO2, 16,4 µg/m³ voor PM10 en 7,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is aanvaardbaar en daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nader onderzoek is niet nodig. Er is geen noodzaak om regels op te nemen met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

5.5

Geluid door activiteiten

5.5.1

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2 instructieregels voor geluid door activiteiten. Op basis van artikel 5.59 Bkl dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.1 en tabel 5.2.

32/110

Tabel 5.1: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

Tabel 5.2: Grenswaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

Op grond van artikel 5.66, eerste lid, Bkl kan van de standaardwaarden worden afgeweken. Het toelaatbaar geluid op de gevel wordt begrensd door de grenswaarde van de binnenwaarde. Omgevingsverordening De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema geluid door activiteiten. 5.5.2 Toetsing De ontwikkeling voorziet in de verplaatsing van een bouwvlak voor één woning. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen. In de nabijheid van de planlocatie bevinden zich reeds bestaande woningen. Er zijn geen bedrijven die geluidbelasting tot gevolg hebben. Vanwege de grote afstand worden de belangen van de bedrijven in de omgeving niet geschaad met de beoogde ontwikkeling. De gronden die grenzen aan de planlocatie hebben de bestemming 'tuin'. Ook hier worden geen activiteiten uitgevoerd die geluidbelasting tot gevolg hebben. Om deze reden kan vanuit worden gegaan dat het geluid door activiteiten aanvaardbaar is. 5.5.3

Conclusie

Er is een aanvaardbare situatie ter plaatse. Het op nemen van regels met betrekking tot geluid door activiteiten is niet noodzakelijk.

5.6

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.6.1

Algemeen

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Op basis van artikel 5.78l Bkl dient in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden. Een overschrijding hiervan is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 5.3.

33/110

Tabel 5.3: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort

In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht:  bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen;  bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie);  bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde;  bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen;  bij een niet-geluidgevoelige gevel. Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan. 5.6.2 Toetsing De ontwikkeling voorziet in de verplaatsing van een bouwvlak voor één woning. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen.

Het nieuwe bouwvlak ligt in het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen en van het gezoneerde industrieterrein Maasvlakte-Europoort. Daarom is onderzoek naar geluid door wegen en industrieterreinen uitgevoerd en hieronder beschreven. Geluid door wegen Het nieuwe bouwvlak ligt op basis van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling in het geluidaandachtsgebied van de gemeentewegen F.H.G. van Itersonlaan en Schelpenweg. Dit geluidaandachtgebied is voor 30 km/uur wegen 100 meter breed.

34/110

Vanwege de relatief grote afstand van deze wegen tot het bouwvlak, de relatief lage verkeersintensiteit (lager dan 1.000 mvt/etmaal) op de wegen en de aanwezige afschermende bebouwing tussen de wegen en het bouwvlak wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. Het geluid door gemeentewegen wordt daarmee als aanvaardbaar beoordeeld. Omdat de standaardwaarde niet wordt overschreden is het niet nodig om het gecumuleerde geluid te beoordelen en het gezamenlijk geluid vast te leggen. Geluid door industrieterreinen Voor gezoneerde industrieterreinen blijft de systematiek van de Wet geluidhinder van kracht tot het moment waarop geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en is het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein de op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde zone. De voorkeursgrenswaarde is 50 dB(A) en de maximale ontheffingswaarde is 55 dB(A). In figuur 5.2 is de locatie met een rode ster aangegeven. Op basis van de contouren van het Regionaal Afsprakenkader (RAK) 'Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling' kan worden geconcludeerd dat de locatie ligt tussen de 50 - 51 dB(A) contour. Er is daarmee sprake van een beperkte overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Het laten vaststellen van een hogere waarde van 51 dB(A) is nodig voor de nieuwe woning. In bijlage 2 is het Ontwerp hogere waardenbesluit opgenomen.

Figuur 5.2: Ligging RAK contouren gezoneerd industrieterrein Maasvlakte-Europoort (Bron: Regionaal Afsprakenkader (RAK) 'Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling')

35/110

5.6.3

Conclusie

Het geluid door wegen voldoet op de planlocatie aan de standaardwaarde en wordt daarmee als aanvaardbaar beoordeeld. Vanwege het geluid door het gezoneerde industrieterrein Maasvlakte-Europoort is het laten vaststellen van een hogere waarde nodig voor de woning van 51 dB(A). Als voldaan wordt aan het hogere waarden besluit in bijlage 2 wordt het geluidniveau als aanvaardbaar beoordeeld. Er is daarmee voor het aspect geluid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7

Bodemkwaliteit

5.7.1

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toegelaten. De nieuw te bouwen woning en bijbehorende bouwwerken (de laatste voor zover groter dan 50 m2), kwalificeren als een bodemgevoelig gebouw (artikel 5.89g Bkl). Op deze activiteit zijn de instructieregels van paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl van toepassing. Deze instructieregels verplichten tot de volgende zaken:  In het omgevingsplan opnemen van waarden voor de toelaatbare kwaliteit (artikel 5.89i Bkl);  Het omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl);  Als in het omgevingsplan is bepaald dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vergunningplichtig is, worden in het omgevingsplan regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Tevens wordt in het omgevingsplan bepaald dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning resultaten van bodemonderzoek en gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen (artikel 5.89ka Bkl);  Voor zover het bouwen van een bodemgevoelig gebouw niet vergunningplichtig is, bepaalt het omgevingsplan dat het verboden is een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden (artikel 5.89l Bkl);  Een omgevingsplan bepaalt dat bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, een bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel 5.89k, zijn getroffen (artikel 5.89m Bkl). De bruidsschat blijft met deze wijziging van het omgevingsplan zoveel mogelijk in stand. Met § 22.2.7.2 van de bruidsschat wordt voor een belangrijk deel invulling gegeven aan de instructieregels van het Bkl.

Op grond van deze paragraaf bestaat een binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken (artikel 22.26) met beoordelingsregels voor onder meer het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (artikel 22.29, eerste lid, onder c en artikel 22.30). Tevens voorziet artikel 22.31 een informatieplicht als bedoeld in artikel 5.89m Bkl; deze is echter gekoppeld aan de omgevingsvergunning.

36/110

Echter, de bruidsschatregels voldoen op de volgende punten niet (helemaal) aan de instructieregels van het Bkl:  De vergunningplicht in de bruidsschat heeft geen betrekking op een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding hiervan, als bedoeld in artikel 22.27, onder a. Voor zover een bijbehoren bouwwerk > 50 m2 kwalificeert als een bodemgevoelig gebouw, zal de bouw ervan vergunning- of meldingsplichtig moeten zijn;  De informatieplicht als bedoeld in artikel 5.89m Bkl vloeit niet direct voort uit 22.31 van de bruidsschat maar via een nog aan een omgevingsvergunning te verbinden voorschrift. Het voorgaande leidt ertoe dat regels aan het omgevingsplan verbonden dienen te worden om te kunnen voldoen aan de instructieregels van het Bkl. Omgevingsverordening In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.5.1 specifieke instructieregels met betrekking tot het thema grondwaterkwaliteit. Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling, omdat de ontwikkeling voorziet in de realisatie van een grondwatergevoelig gebouw, als bedoeld in artikel 7.27 van de omgevingsverordening. § 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek) 1.

Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 redelijkerwijs is uit te sluiten. 2. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit: a. het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. 5.7.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16517927/2