Bestemmingsplan 'Twee Getuigen-Kloosterbos'
Tekst van het document
34
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
Figuur 4.3. Overzicht van de archeologische sporen en waardering van de verschillende zones met het oog op behoud.
(vastgesteld)
35
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos Plan van aanpak Op basis van de aangetroffen en verwachte archeologische waarden is in relatie tot de planontwikkeling een behoudplan opgesteld (Crevasse Advies, 2015). De resten van het Sint Andriesklooster wordt niet verstoord door bouwwerkzaamheden, de zone krijgt een groenbestemming. Intentie is om de resten van het klooster beleefbaar te maken in het openbaar groen. De resten het Sint Andriesklooster worden in situ behouden en worden middels de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1' beschermd in voorliggend bestemmingsplan. Op overige locaties worden behoudenswaardige archeologische waarden door bouwwerkzaamheden verstoord. Behoud ex situ door een archeologische opgraving is hier noodzakelijk. De opgraving vindt plaats op basis van een goedgekeurd programma van eisen. Met de beoogde ophoging van het terrein kunnen behoudenswaardige archeologisch waarden onder tuinen en bestrating in situ behouden. De archeologische waarden zullen middels de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1' in voorliggend bestemmingsplan beschermd blijven.
Afbeelding 4.4 Door opgraven te behouden plandelen (Bron: behoudplan (Isarin 2015), Crevasse advies.
36
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
4.2
Bedrijven en milieuhinder
4.2.1
Wettelijk kader
De invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid moet op de leefomgeving worden afgewogen. Er dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies. Dit kan door middel van milieuzonering. Wonen is een voorbeeld van een milieugevoelige functie. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van woningen. Aan de hand van de VNG-brochure is beoordeeld of de nieuwe bedrijvigheid (het parkeren) problemen oplevert voor de milieugevoelige functies in de omgeving (zoals wonen).
Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
Tabel 2 Richtafstanden VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering
4.2.2
Conclusie
De functie wonen is een gevoelige functie, daarom moet beoordeeld worden of de ruimtelijke scheiding met milieubelastende functies voldoende is. De omgeving van het plangebied kan aangemerkt worden als gemengd gebied, planologisch vigeren namelijk vele verschillende bestemmingen zoals 'Horeca', 'Maatschappelijk' en 'Verkeer'. Van een rustige woonwijk is dan ook nog geen sprake. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig binnen de in tabel 2 genoemde richtafstanden zijn gesitueerd. Er zijn geen bedrijven die een belemmering vormen voor de realisatie van de nieuwe woningen, andersom vormen de nieuwe woningen ook geen belemmering voor de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven. Het aspect bedrijven en milieuhinder vorm geen belemmeringen voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(vastgesteld)
37
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
4.3
Bodem
4.3.1
Wettelijk kader
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten regels moeten stellen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De regels zijn nodig om voor een goede ruimtelijke ordening te zorgen. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming moeten zijn. Een historisch onderzoek kan worden uitgevoerd om te bepalen of de bodem een planontwikkeling in de weg staat. Dit onderzoek kan aangevuld worden met een nader bodemonderzoek. Het is niet toegestaan om te bouwen op vervuilde grond. Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Bij het toepassen van grond en bagger hanteert dit besluit een toets. De bodem moet met de gebruiksfunctie in balans zijn. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. De bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu moet in balans zijn met gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen. Te denken valt aan woningbouw of het aanleggen van wegen. Er moet bij plannen rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Dit is bepaald in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht.
4.3.2
Onderzoek
In het kader van de bestemmingsplanprocedure vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Voor het bestemmingsplan zijn verschillende bodemonderzoek uitgevoerd, welke zijn uitgesplitst tussen de twee deelgebieden (bijlagen 5 & 6). Gezamenlijk beslaan de onderzoeken het volledige plangebied. Voor een volledige beschrijving van het onderzoek wordt verwezen naar de bijlages. Deelgebied Kloosterbos Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende: de vaste bodem ter plaatse van boring 34 sterk verontreinigd is met lood. Uit de resultaten van het aanvullend onderzoek blijkt dat de omvang van de sterke verontreiniging beperkt is (oppervlakte van circa 20m2 en een laagdikte van 0,5 meter- mv circa 12 m3). Gezien er minder dan 25m3 grond sterk verontreinigd is, is er geen sprake van een geval van ernstig bodemverontreiniging en is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk; zowel de boven- als ondergrond op het overige terrein niet (noemenswaardig) is verontreinigd met de onderzochte parameters; het grondwater licht verontreinigd is met zware metalen en naftaleen; zowel op het maaiveld als in de bodem zintuiglijk en analytisch geen asbest is aangetroffen. De locatie is derhalve niet verdacht op het voorkomen van asbest.
Op basis van deze resultaten dient de hypothese (dat geen sprake zou zijn van bodemverontreiniging) in principe verworpen te worden. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk omdat buiten boring 34 om geen noemenswaardige verontreinigingen zijn aangetroffen. De beoogde woonbestemming is daarmee uitvoerbaar. Met betrekking tot de aangetroffen sterke verontreiniging met lood wordt geadviseerd om de verontreiniging spot tijdens de voorgenomen herontwikkeling te saneren. Voordat de verontreiniging gesaneerd kan worden dient een plan van aanpak opgesteld te worden en ter beoordeling ingediend te worden bij bevoegd gezag. De verontreinigde grond dient te worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Voor het vaststellen van het bestemmingsplan vormt de waargenomen verontreiniging geen belemmering.
38
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos Deelgebied Twee Getuigen Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende: de vaste bodem ter plaatse van boring 14 matig verontreinigd is met koper. Uit de resultaten van het aanvullend onderzoek blijkt dat in de afperkende boringen hoogstens lichte tot matige verontreinigingen met koper aanwezig zijn. Aangezien uit de resultaten blijkt dat de grond hoogstens matig verontreinigd is met koper, is er geen sprake van een geval van ernstig bodemverontreiniging en geldt er geen saneringsverplichting; de vaste bodem ter plaatse van boring 17 matig verontreinigd is met minerale olie. Uit de resultaten van het aanvullend onderzoek blijkt dat in de afperkende boringen hoogstens lichte verontreinigingen met minerale olie aanwezig zijn. Aangezien uit de resultaten blijkt dat de grond hoogstens matig verontreinigd is met minerale olie, is er geen sprake van een geval van ernstig bodemverontreiniging en geldt er geen saneringsverplichting; zowel de boven- als ondergrond op het overige terrein is niet (noemenswaardig) verontreinigd met de onderzochte parameters; het grondwater is licht verontreinigd met zware metalen en naftaleen; de bodem ter plaatse van proefgat 31 (agrarisch bedrijf) een gehalte van 76,51 mg/kg d.s. aan asbest bevat.
Dit gehalte overschrijdt de grens voor nader onderzoek van 50 mg/kg d.s waardoor conform de NEN5707 een nader asbest in grond onderzoek dient te worden uitgevoerd. Op het overige terreindeel van het agrarisch bedrijf is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. het puinpad en erf een gehalte van 31,55 mg/kg d.s. aan asbest bevat. Dit gehalte overschrijdt de grens voor nader onderzoek niet. Een aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. uit de resultaten van het asfalt onderzoek blijkt dat het aanwezige asfalt niet teerhoudend is. Op basis van het aangetroffen gehalte aan asbest ter plaatse van proefgat 31 dient een nader asbest onderzoek uitgevoerd te worden, teneinde ernst en omvang van de verontreiniging nader in kaart te brengen. Het aanvullend asbest onderzoek is uitgevoerd en toegevoegd als bijlage 7. Uit de resultaten blijkt dat er een minimale hoeveelheid asbest (2 mg/kg) is aangetroffen, ver onder de drempelwaarde van 100 mg/kg. Op basis van de resultaten geldt er geen saneringsplicht en is er geen gezondheidsrisico. Aanvullend bodemonderzoek gewasbeschermingsmiddelen Uit historische gegevens van de DCMR Milieudienst Rijnmond bleek dat ter plaatse van het deelgebied Twee Getuigen vroeger gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt.
Het uitgevoerde bodemonderzoek is in 2021 daarom aangevuld met een onderzoek naar eventuele vervuiling als gevolg van deze gewasbeschermingsmiddelen. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 8. Uit de analyseresultaten blijkt dat in één mengmonster een zeer licht verhoogd gehalte aan DDD is gemeten. Het aangetoonde gehalte is dermate laag dat de uitvoering van een nader onderzoek niet noodzakelijk is. Geconcludeerd kan worden dat op de locatie geen noemenswaardige bodemverontreiniging aanwezig is met OCB welke is voortgekomen uit de opslag en/of gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Woonwagenstandplaatsen De huidige woonwagenstandplaatsen zijn onderdeel van de herontwikkeling geworden na de uitvoering van de bodemonderzoeken. De locatie is daarom in eerst instantie niet meegenomen in de uitgevoerde onderzoeken. Alhoewel op basis van het geldende bestemmingsplan 'Geuzenland' reeds een woonbestemming was toegestaan is voorafgaand aan de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan toch een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 9. Op basis van dit onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de bestaande en toekomstige woonfunctie. De aspecten bodem en asbest zijn voldoende onderzoek en vormen geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling en de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(vastgesteld)
39
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
4.4
Ecologie
4.4.1
Wettelijk kader
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurwetbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet natuurbescherming.
Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12. Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. Er worden in de Wet natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4. Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet".
De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstelling en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: A. Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is.
In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. 40
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan.
Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Provincies zijn bevoegd om bij provinciale omgevingsverordening vrijstelling te verlenen voor de groep "Andere soorten", waardoor bij overtreding van de verbodsbepalingen de noodzaak tot ontheffing vervalt. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben de omgevingsverordening op 20 februari 2019 vastgesteld. Waar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering voorheen grotendeels bij het Rijk lag, gaan de meeste verantwoordelijkheden vanaf 2017 naar provinciaal niveau. Vrijwel alle ontheffingsverlening, uitvoering van de wet en handhaving zal uitgevoerd gaan worden door de provincies. Belangrijke procedurele wijziging hierbij is, dat wanneer er sprake is van een omgevingsvergunning, ontheffingen voor de beschermde soorten vanaf de inwerkingtreding van de wet daarbij mogen aanhaken. Dat wil zeggen dat de indiener mag kiezen of hij zijn ontheffing direct bij de provincie aanvraagt, of dat hij dat doet door aan te haken bij de omgevingsvergunning. In het laatste geval moet de gemeente dan een volledigheidstoets uitvoeren. Met de aanvraag van een omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure, en is er een wettelijke beslistermijn van maximaal 26 weken. Wanneer een ontheffing bij de provincie aangevraagd wordt waarbij geen omgevingsvergunning nodig is, is deze termijn 13 weken met maximaal 7 weken verlenging.
4.4.2
Onderzoek
Op 6 maart 2020 is door Blom Ecologie een Quickscan flora & fauna. De Quickscan heeft als doel om de waarde van het plangebied voor flora & fauna in beeld te brengen in relatie tot de gewenste ontwikkeling. De Quickscan is toegevoegd als bijlage 10 aan voorliggend bestemmingsplan. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, belangrijk weidevogelgebied, kenmerkende landschapselementen en/of Strategische reservering natuur. Op een afstand van 4,4 km ligt het Natura 2000 gebied Voornes Duin. De planlocatie ligt op een afstand van 850m tot het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 4 km is het dichtstbijzijnde belangrijke weidevogelgebied gelegen. De beoogde ontwikkeling betreft het verwijderen van alle bestaande bebouwing, terreininrichting en groen alsmede de bouw van 84 grondgebonden woningen en het gebruik hiervan. Activiteiten die mogelijk leiden tot een verhoging van de stikstofdepositie dienen hierop te worden getoetst met het programma Aerius. Gelet op de aard van de ingrepen en de korte afstand tot het Natura 2000 gebied is een negatief effect op voorhand niet uit te sluiten, een Aerius berekening is noodzakelijk. Het aspect stikstof wordt in paragraaf 4.12 nader onderbouwd.
Ten aanzien van het natuurnetwerk Nederland, belangrijk weidevogelgebied, kenmerkende landschapselementen en/of strategische reservering natuur zijn negatieve effecten uit te sluiten.
(vastgesteld)
41
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos Soortenbescherming Op de planlocatie komen mogelijk beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Een deel van de gebouwen biedt aan vleermuizen potentieel geschikte verblijfplaatsen en aan huismus potentieel geschikte nestlocaties. Een deel van de houtopstanden is eveneens geschikt als verblijfslocatie van vleermuizen, nestlocatie van ransuil en functioneel leefgebied van deze soorten en huismus. Teneinde de aan- dan wel afwezigheid van deze soorten vast te stellen dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd, de volgende vervolgstappen zijn noodzakelijk: aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van huismus aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger te worden uitgevoerd aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van ransuilen te worden uitgevoerd. uitvoeren van een Aerius-berekening om te bepalen of het planvoornemen niet leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie in kwetsbare habitattypen binnen Natura2000 gebieden (zie paragraaf 4.12) Quickscan woonwagenstandplaatsen De huidige woonwagenstandplaatsen zijn onderdeel van de herontwikkeling geworden na de uitvoering van de quickscan flora & fauna.
Om een eventuele belemmering met de Wet natuurbescherming uit te kunnen sluiten is ter plaatse van de woonwagenstandplaatsen een separate quickscan uitgevoerd. De quickscan is als bijlage 11 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling ter plaatse van de woonwagenstandplaatsen conform de landelijke en provinciale natuurwetgeving uitgevoerd kan worden. Aanvullend onderzoek is specifiek voor deze locatie niet noodzakelijk, wel gelden de volgende voorwaarden voorafgaand en tijdens de werkzaamheden: Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. 4.4.2.1 Aanvullend ecologisch onderzoek Op basis van de uitgevoerde Quickscan in 2020 is aanvullend ecologisch onderzoek gedaan naar de huismus, de ransuil en de vleermuis. De onderzoeken zijn uitgevoerd door ecologisch adviesbureau Taharo omgevingsmanagement conform de geldende protocollen. Het aanvullende ecologische onderzoek is toegevoegd als bijlage 13.
Huismus De gevonden resultaten wijzen niet op een mogelijke aanwezigheid van nestlocaties of essentieel foerageergebied van huismussen binnen het plangebied. Er zijn geen huismussen aangetroffen. Met de ontwikkeling gaan geen vaste rust- of verblijfplaatsen van huismussen verloren. De ingreep leidt niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft huismus. Ransuil Er zijn geen nesten of sporen zoals braakballen, uitwerpselen of andere aanwijzingen gevonden voor aanwezigheid van de ransuil. Met de ontwikkeling gaan geen vaste rust- of verblijfplaatsen van ransuil verloren. De ingreep leidt niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft ransuil. Vleermuizen Binnen het plangebied is sprake van een zomerverblijf van de ruige dwergvleermuis in een boom en een kraamplaats van de gewone dwergvleermuis in een van de gebouwen. Er gaat door de ingreep een kraamverblijf van de gewone dwergvleermuis en een zomerverblijf van de ruige dwergvleermuis verloren.
42
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos Langs het pad aan de zuidwestkant van het deelgebied Kloosterbos is een zeer drukbezochte vliegroute voor vleermuizen. De bomen langs dit pad blijven zoveel als mogelijk staan waarmee de vliegroute behouden blijft. In het deelgebied Twee Getuigen is een foerageergebied op het pleintje ten zuiden van de twee gemetselde schuren gesitueerd. Dit foerageergebied is gebonden aan het kraamverblijf en de zomerverblijfplaats, en in die zin gaat het hier om een essentieel foerageergebied die behouden moet blijven. Er zijn twee baltsende mannetjes gehoord in de directe omgeving van de twee gemetselde schuren. Er zijn in totaal twee paarterritoria en daarmee twee verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Er verdwijnen door de ingreep twee paarverblijfplaatsen. Paarverblijfplaatsen worden door mannetjes vaak ook als zomer en/of winterverblijf gebruikt. Er werd in het najaar niet gezwermd, wat betekent dat er geen massawinterverblijf aanwezig is. Op basis van onderzoek voor een nabij gelegen ontwikkeling is gebleken dat ook de watervleermuis gebruik maakt van de aanvliegroute naast het Kloosterbos. Om de aanvliegroute/leefomgeving van de watervleermuis veilig te stellen is in overleg tussen alle partijen (initiatiefnemer, gemeente en provincie) besloten de bestaande watergang intact te laten.
Om dit te bewerkstelligen is het watercompensatie plan aangepast zoals ook toegelicht in paragraaf 4.10. Conclusie Door de noodzakelijk ingrepen gaan één kraamverblijf en twee paarverblijven van de gewone dwergvleermuis verloren. Door de kap van de boom naast de gemetselde schuur met leiendak gaat eveneens een zomerverblijf van de ruige dwergvleermuis verloren. Ter compensatie zijn hiervoor tijdig (d.w.z. vanaf half februari 2021) mitigerende maatregelen genomen en beschreven in een mitigatieplan. Deze maatregelen zijn voorgesteld aan de Provincie Zuid-Holland. De provincie Zuid-Holland heeft (tussen het ontwerpbestemmingsplan en het vast te stellen bestemmingsplan) de noodzakelijke ontheffing verleend (d.d. 6 februari 2023, ODH316787). Op basis van deze ontheffing en de daarin opgenomen voorwaarden zijn voorliggend bestemmingsplan en het beoogde bouwplan uitvoerbaar. Het aspect flora & fauna vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
(vastgesteld)
43
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
4.5
Geluid
4.5.1
Wettelijk kader
In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidgevoelige functies, zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wgh onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. In de Wgh staan de geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidszones langs een geluidsbron centraal. Daarbinnen moet aan de eisen van de Wgh worden voldaan. Geluidszones zijn voor verschillende geluidsbronnen voorgeschreven, waaronder industrie, wegverkeer en railverkeer. Met het stelsel van zonering is een koppeling gelegd tussen beperking van geluidhinder en ruimtelijke ordening.
Wegverkeerslawaai Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of dat voor een weg een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. De overige wegen kennen een geluidszone, een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De omvang van een zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de typering van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Op grond van artikel 82 van de Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevel van een geluidsgevoelige bestemming. Artikel 83 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een hogere waarde vast te stellen. Voor nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemming binnen de bebouwde kom is deze waarde wettelijk maximaal 63 dB.
Railverkeerslawaai Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de geluidszone van een spoorweg valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (Wgh artikel 77). Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarde genoemd in de Wgh, of indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.
Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "grote lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan.
44
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos 4.5.2
Onderzoek
Het plangebied ligt binnen de contouren van relevante geluidsbelasting van omliggende wegen en het gezoneerde industrieterrein Maasvlakte-Europoort. Het plangebied ligt niet binnen de geluidscontouren van een spoorweg, dit aspect zal daarom niet nader worden onderzocht. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 12 aan voorliggende toelichting. Wegverkeerslawaai Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat niet alle gevels kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. De gevels van de woningen waar een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is vastgesteld zijn weergegeven in de rapportage. De hoogste geluidsbelasting bedraagt 56 dB. Deze geluidsbelasting ligt ver beneden de maximaal toelaatbare geluidsbelasting na ontheffing van 63 dB. Het bevoegd gezag zal voor deze woningen wel noodzakelijke hogere waarden verlenen. Voor een onderbouwing dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor het verlenen van hogere waarden wordt verwezen naar bijlage 12. Het gaat specifiek alleen om de gevels binnen beide deelgebieden die direct grenzen aan de De Rik. Voor de overige woningen is geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde vastgesteld.
Industrielawaai Het plangebied is gelegen binnen de zogenaamde groene zone van het gezoneerde industrieterrein Maasvlakte – Europoort (conform bijlage 1 van het Regionale Afsprakenkader van 8 juli 2015.) De geluidbelasting waarvoor een hogere waarde dient te worden aangevraagd is conform bijlage 6 van de het Regionale Afsprakenkader van 8 juli 2015. De geluidbelasting ter plaatse van de woningen bedraagt ten hoogste 49 dB(A) etmaalwaarde, hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB. Om de belangen van het industrieterrein in het geval van toekomstige ontwikkelingen te borgen is de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' wel over het plangebied gelegd. Voor de beoogde woningen heeft deze gebiedsaanduiding geen effect gezien de maximale geluidsbelasting van 49 dB. Cumulatie wegverkeer- en industrielawaai Cumulatie van de geluidbelasting van industrielawaai en wegverkeerslawaai dient ook beoordeeld te worden, dit is nodig om te kunnen beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De gemeente Voorne aan Zee heeft in haar beleidsregels de landelijke normen overgenomen. De resulteert in de volgende beoordeling. Bij de woningen met een maximale gecumuleerde geluidbelasting van ten hoogste 55 dB is het akoestisch klimaat als ‘goed’ gekwalificeerd. Bij een geluidbelasting van 55 tot 60 dB(A) is de situatie ‘matig’, maar acceptabel.
De woningen in het Kloosterbos voldoen allemaal minimaal aan een goed of matig leefklimaat. Voor een aantal woningen in het deelgebied Twee Getuigen die direct grenzen aan De Rik is sprake van een 'redelijk slecht' woon- en leefklimaat. Desondanks is de gemeten geluidbelasting acceptabel voor de beoogde woonfunctie. Deze specifieke woningen zijn benoemd in het akoestisch rapport in bijlage 12 Maatregelen Het nemen van gevelmaatregelen om aan het maximale binnengeluidsniveau van 33 dB te kunnen voldoen is noodzakelijk. De initiatiefnemer zal bij aanvraag omgevingsvergunning moeten aantonen dat er voldoende gevelmaatregelen genomen worden. Op basis van de gemeten geluidsbelasting zijn deze maatregelen op een goede manier inpasbaar in het bouwplan.
4.5.3
Conclusie
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Het bevoegd gezag dient voor een aantal woningen hogere waarden vast te stellen vanwege het overschrijden van de voorkeursgrenswaarde. Ten slotte dient de initiatiefnemer voor een aantal woningen (welke benoemd zijn in het akoestisch rapport) bij aanvraag omgevingsvergunning aan te tonen dat met gevelmaatregelen voldaan kan worden aan een acceptabel woon- en leefklimaat.
(vastgesteld)
45
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Wettelijk kader
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden: Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties; Transport van gevaarlijke stoffen over de weg; Transport van gevaarlijke stoffen per spoor; Transport van gevaarlijke stoffen over het water; Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (een op een miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval - in theorie - per jaar slechts een persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers. Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron.
Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. De risicomaten zijn vastgelegd in diverse besluiten en beleidsnota's. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II), zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. De nota heeft geen wettelijk bindende werking, maar is niet vrijblijvend. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling 'Besluit externe veiligheid buisleidingen'
46
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
4.6.2
Onderzoek
4.6.2.1 Verantwoording plaatsgebonden risico Met behulp van de risicokaart is vastgesteld welke risicobronnen zich in de omgeving van het plangebied bevinden. Dit betreffen risicobronnen als gevolg van activiteiten van bedrijven en als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen. In figuur 4.5 zijn de locaties van de risicobronnen in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 4.5 Uitsnede risicokaart, plangebied paars omkaderd (bron: risicokaart.nl) Nabij het plangebied bevinden zich de risicobronnen: A: Zwembad: Sportcomplex De Dukdalf B: Buisleiding gastransport De deelgebieden vallen niet binnen de plaatsgebonden risicocontouren (PR 10-6) van de risicobronnen. Op de grens van het deelgebied Twee Getuigen ligt de hogedruk aardgastransportleiding W-538-02. De uitwendige diameter is 6 inch en de maximale werkdruk is 40 bar. Wat betreft het plaatsgebonden risico, betreft de risicocontour (PR 10-6) voor deze leiding 0 m. De kwantitatieve risicoberekening (welke nader wordt toegelicht in 4.6.2.2) bevestigd dat het risico niet groter is dan 10-6. Wat betreft het groepsrisico moet rekening worden gehouden met een inventarisatieafstand van 70 m. Het deelgebied Twee Getuigen ligt binnen de afstand waarbij rekening moet worden gehouden met het groepsrisico. Het groepsrisico zal met de bouw van de woningen veranderen. Er is namelijk sprake van een nieuwe functie, waarbij ten opzichte van de huidige situatie meer mensen zich op de locatie bevinden.
(vastgesteld)
47
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos 4.6.2.2 Verantwoording groepsrisico Om het groepsrisico in beeld te brengen is een aanvullend onderzoek uitgevoerd, zowel een kwalitatief als kwantitatief onderzoek. De volledige onderzoeken zijn toegevoegd als bijlage 14 en 15. Kwantitatief onderzoek Het deelgebied Twee Getuigen ligt gedeeltelijk binnen het invloedsgebied van de onderzochte hogedruk aardgastransportleidingen. Het plangebied ligt volledig binnen het invloedsgebied en de 1% letaliteitszone van de buisleidingen (met identificatie 7726_leiding-A-624-deel-1, 7726_leiding-A536-deel-1). Het plangebied ligt voor de buisleiding met identificatie 7726_leiding-W-538-02-deel-1 deels binnen de 100% letaliteitszone en deels binnen de 1% letaliteitszone. Uit de berekening volgt dat de beoogde ontwikkeling geen toename van het groepsrisico tot gevolg heeft. Het groepsrisico van de genoemde buisleidingen is en blijft met de beoogde ontwikkeling beneden de oriëntatiewaarde. Kwalitatief onderzoek Naast het kwantitatieve onderzoek is ook een kwalitatief onderzoek uitgevoerd. In het kwalitatieve onderzoek komen zaken als zelfredzaamheid en voldoende vluchtroutes in geval van een calamiteit aan de orde. Uit het rapport komt naar voren dat de gemiddelde jaarbezetting gerekend over het gehele plangebied zal toenemen.
Per deelgebied bekeken zal de jaarbezetting binnen het deelgebied Kloosterbos afnemen, daarmee is sprake van een afname van het groepsrisico. De jaarbezetting binnen deelgebied Twee Getuigen zal toenemen en daarmee ook het groepsrisico. In het geval van een calamiteit is er binnen en nabij het plangebied direct water voorhanden. Zelfs direct naast de aardgasleiding is bluswater voorhanden om de mogelijke gevolgen van een calamiteit te kunnen bestrijden, dan wel te beperken. Tevens dienen ramen en deuren gesloten te kunnen worden en ventilatie uitgeschakeld te kunnen worden. Het ontwerp van de nieuwbouw houdt hier rekening mee. Vanwege de ligging in een bestaande stedelijke omgeving is de situatie qua alarmering en responstijd van de hulpdiensten optimaal. Communicatie over de vluchtwegen en over de (mogelijke) calamiteit is belangrijk voor de aanwezige personen. Het bouwplan betreft alleen grondgebonden woningen en appartementen van maximaal 3 bouwlagen, vluchten is relatief eenvoudig. De bewoners zullen bij de oplevering van de woningen geïnformeerd worden over de externe veiligheidsrisico’s en hoe te handelen in geval dat zich een calamiteit voordoet. De huizen direct in het invloedgebied van de aardgasleiding hebben allen in ieder geval één vluchtroute, namelijk via de voordeur, die van de gasleiding af is gesitueerd.
Er wordt ook een rij woningen gerealiseerd met de zijkant gericht naar de gasleiding, dus niet direct een vluchtroute van de aardgasleiding af hebben. De voorzijde van deze woningen komt echter direct uit op de ontsluitingsweg van de wijk, die van de aardgasleiding af loopt. De huizen dienen als eerste afscherming tegen een eventuele fakkelbrand. In het geval van een fakkelbrand zullen de huizen niet voldoende bescherming kunnen bieden en zullen de bewoners door de hitte niet veilig kunnen vluchten. De kans op een fakkelbrand is dermate nihil dat sprake is van een acceptabel risico.
4.6.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een geringe toename van het groepsrisico, maar dat met deze toename het groepsrisico nog steeds voldoet aan de oriëntatiewaarde. De toekomstige bewoners zullen worden blootgesteld aan externe veiligheidsrisico’s. Deze risico’s zullen worden verminderd door het treffen van bouwtechnische maatregelen (uitschakelbare ventilatie) en organisatorische maatregelen (voorlichting en communicatie). In geval van een calamiteit met de aardgasleiding vormt het dichtstbij gelegen huizenblok een goede afscherming van de vluchtweg in noordwestelijke richting. Deze maatregelen dragen bij aan het verminderen van de gevolgen van een eventuele calamiteit. Gelet op de geringe toename en de maatregelen vormt het extern veiligheidsrisico geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
48
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
4.7
Kabels en leidingen
4.7.1
Wettelijk kader
Er kunnen planologische relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. Deze leidingen worden bestemd als ze voorkomen in het gebied. Met het geldende bestemmingsplan kan worden vastgesteld welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling. Op basis van het geldende bestemmingsplan kan dan vastgesteld worden welke maatregelen, overleggen en/of rapporten noodzakelijk zijn om een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken.
4.7.2
Onderzoek
Binnen het plangebied (deelgebied Twee Getuigen) ligt de dubbelbestemming 'Leiding - Gas', ter plaatse zijn onder andere graafwerkzaamheden en de aanleg van diepwortelende planten niet toegestaan zonder omgevingsvergunning. Ter plaatse van de dubbelbestemming worden echter geen werkzaamheden uitgevoerd, het belang van de gasleiding wordt niet geschaad. Voor het overige lopen er geen planologisch relevante leidingen binnen en/of rondom het plangebied. Naast de planologisch relevante leidingen lopen er mogelijk nog andere leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen binnen het plangebied. Dit kunnen bijvoorbeeld internetkabels zijn. Initiatiefnemer zal voorafgaand aan de graafwerkzaamheden middels een Klic-melding inzichtelijk maken welke kabels en leidingen binnen en rondom het plangebied liggen. Indien nodig zal contact opgenomen worden met de desbetreffende leidingbeheerder. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(vastgesteld)
49
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Wettelijk kader
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 2 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
Stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Vanaf 2015
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3 24-uurgemiddelde concentratie
Fijn stof (PM2,5)
Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan Vanaf 11 juni 2011 50 µg/m3
Jaargemiddelde concentratie 25 µg/m3
Tabel Grenswaarden luchtkwaliteit Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen. Besluit niet in betekenende mate (nibm) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate, leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in een categorie die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een rekentool ontwikkeld waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteitseisen kan worden vastgesteld. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is de NIBM-tool uitgegaan van worst-case omstandigheden.
Met deze beperkte invoergegevens wordt vastgesteld of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging.
50
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos 4.8.2
Onderzoek
Het project betreft de realisatie van 84 woningen. Een dergelijk project valt binnen het kader van de ministeriële regeling “nibm”. Een luchtkwaliteitsonderzoek is in het onderhavige geval daarom niet noodzakelijk, het project leidt “niet in betekenende mate” tot verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens gekeken naar de bestaande luchtkwaliteit binnen het plangebied. De NSL - monitoringstool geeft inzicht in de bestaande luchtkwaliteit binnen Nederland. Figuur 4.6 geeft een uitsnede van de NSL - monitoringstool weer, beide deelgebieden zijn paars omkaderd weergegeven. In de huidige situatie is er sprake van een goede luchtkwaliteit, dat zal met de beoogde ontwikkeling niet negatief worden beïnvloed omdat het plan binnen één van de nibm - categorieën valt. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Figuur 4.6. Uitsnede NSL - monitoringstool luchtkwaliteit d.d. maart 2023 ( bron: NSL-monitoringstool)
(vastgesteld)
51
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
4.9
Verkeer en parkeren
Het plangebied bestaat uit twee verschillende deelgebieden. Beide locaties zijn gescheiden van elkaar en zullen dus beide individueel moeten worden beoordeeld. In de onderstaande paragraaf worden beide deelgebieden separaat toegelicht. Zoals in paragraaf 3.4.1 toegelicht is de (voormalige) gemeente Brielle al sinds circa 2008 voornemens het plangebied te herontwikkelen tot woongebied. Bij de aanleg van de bestaande infrastructuur is reeds rekening gehouden met de toekomstige verkeersstromen en de verwerking hiervan.
4.9.1
Ontsluiting
4.9.1.1 Deelgebied Kloosterbos Deelgebied 1 zal via de Monseigneur Smitsstraat worden ontsloten en via de Ruggeweg aansluiten op De Rik. De bestaande infrastructuur heeft voldoende capaciteit om de toekomstige verkeersgeneratie te kunnen verwerken. Deelgebied 1 wordt middels één ontsluitingsweg ontsloten en zal alleen gebruikt worden door bestemmingsverkeer. De nieuwe weg sluit niet aan op een andere woonwijk, voor niet bestemmingsverkeer is de nieuwe weg doodlopend.
4.9.1.2 Deelgebied Twee Getuigen Deelgebied 2 zal via een éénrichtingsweg met twee aansluitingen worden ontsloten op De Rik, één van de belangrijke ontsluitingswegen van Brielle als geheel. De bestaande infrastructuur heeft voldoende capaciteit om de toekomstige verkeersgeneratie te kunnen verwerken. De woonwijk sluit niet aan op aangrenzende woonwijken, daarom is ook hier de verwachting dat er alleen sprake zal zijn van bestemmingsverkeer. De wegen binnen het plangebied worden ingericht om de toekomstige verkeersgeneratie van de nieuwe bewoners te kunnen verwerken.
4.9.2
Parkeren
De gemeente heeft als stelregel dat nieuwe ontwikkelingen op eigen terrein moeten voorzien in voldoende parkeervoorzieningen. Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het 'Gemeentelijke verkeeren vervoerplan (GVVP). Het GVVP is door de gemeenteraad (van de voormalige gemeente Brielle) op 18 februari 2020 vastgesteld na een uitvoerig participatietraject. De beoogde ontwikkeling dient aan deze nieuwe normen te worden getoetst. Op basis van de omgevingsadressendichtheid kan de (voormalige) gemeente Brielle gezien worden als 'weinig stedelijk'. In overleg tussen de gemeente en initiatiefnemer is besloten dat voor deze ontwikkeling gerekend wordt met een gelijktijdigheidsfactor. Met de gelijktijdigheidsfactor wordt berekend wat de maximale parkeernorm is op basis van daadwerkelijke aanwezigheid. Bezoekers zijn er bijvoorbeeld voornamelijk in het weekend terwijl de piek voor bewoners op een werkdagnacht ligt. De parkeervraag die op basis van de daadwerkelijke aanwezigheid ontstaat zal gerealiseerd moeten worden om te spreken van een sluitende parkeerbalans. Specifiek voor voorliggend bestemmingsplan geldt dat uitgegaan wordt van de volgende gelijktijdigheidspercentages. In onderstaande tabel is aangegeven hoeveel procent van de bewoners en/of bezoekers op een specifiek moment van de week aanwezig zijn. Doelgroep Werkdag ochtend
Werkdag middag
Werkdag Werkdag koopavon zaterdag avond nacht d middag
zaterdag avond
zondag middag
Bewoners 50%
50%
90%
100%
80%
60%
80%
70%
Bezoekers 10%
20%
80%
0%
70%
60%
80%
70%
Tabel toegepaste gelijktijdigheidspercentages Beide deelgebieden zullen na realisatie fungeren als zelfstandige wijk, derhalve dient per wijk voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid.
52
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos 4.9.2.1 Deelgebied Kloosterbos In onderstaande tabel is de parkeerbalans voor het Kloosterbos weergegeven. Op basis van de tabel kan geconcludeerd worden dat voorzien moet worden in minimaal 42 parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet in 46 parkeerplaatsen, daarmee is sprake van een sluitende parkeerbalans en worden de vervallen parkeerplaatsen ter hoogte van de nieuwe in- en uitrit gecompenseerd. In bijlage 2 is weergegeven op welke wijze de parkeerplaatsen zijn ingepast.
Woningtype
Parkeernorm
Aantal
Totaal
Vrijstaand
2,5
1
2,5
Rijwoningen, tussen en hoek
2,2
18
39,6
Twee-onder-één-kap
2,4
2
4,8
Totaal (zonder gelijktijdigheidsfactor)
46,9
Totaal (met gelijktijdigheidsfactor)
42
Beoogd aantal parkeerplaatsen bouwplan
46
Uitkomst parkeerbalans
+4
Tabel parkeerbalans deelgebied Kloosterbos
4.9.2.2 Deelgebied Twee Getuigen In onderstaande tabel is de parkeerbalans voor deelgebied Twee Getuigen weergegeven. Op basis van de tabel kan geconcludeerd worden dat voorzien moet worden in minimaal 112 parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet exact in het benodigd aantal parkeerplaatsen, daarmee is sprake van en sluitende parkeerbalans. In bijlage 2 is weergegeven op welke wijze de parkeerplaatsen zijn ingepast.
Woningtype
Parkeernorm
Aantal
Totaal
Vrijstaand
2,5
1
2,5
Rijwoningen, tussen en hoek
2,2
30
66
Twee-onder-één-kap
2,4
14
33,6
Sociale rijwoning
1,5
18
27
Totaal (zonder gelijktijdigheidsfactor)
129
Totaal (met gelijktijdigheidsfactor)
112
Beoogd aantal parkeerplaatsen
112
Uitkomst parkeerbalans
0
Tabel parkeerbalans deelgebied Twee Getuigen De parkeerplaatsen die op eigen terrein komen te liggen mogen alleen gebruikt worden voor het parkeren van gemotoriseerd vervoer in de vorm van auto's en motoren. Deze parkeerplaatsen dienen altijd beschikbaar te zijn en in stand gehouden te worden als parkeerplaats om de parkeerbalans te kunnen garanderen. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is een bepaling opgenomen waarmee de instandhouding van deze parkeerplaatsen op eigen terrein geborgd is.
(vastgesteld)
53
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
4.10
Water
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De initiatiefnemer heeft het waterschap Hollandse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de Digitale Watertoets. De watertoets is geactualiseerd op basis van de huidige plannen (d.d. juli 2021). Hieronder worden alle aspecten behandeld.
4.10.1 Wettelijk kader Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water is in oktober 2000 vastgesteld door het Europese Parlement en de Europese raad. Artikel 1a geeft de betekenis van de richtlijn aan: "Doel van deze richtlijn is de vaststelling van een kader voor de bescherming van land oppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater in de Gemeenschap, waarmee aquatische ecosystemen en, en wat de waterbehoeften ervan betreft, terristische ecosystemen en wetlands die rechtstreeks afhankelijk zijn van aquatische ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed, en beschermd en verbeterd worden." De richtlijn biedt dus een kader voor het beschermen van de waterkwaliteit. Daarbij wordt van de lidstaten vereist dat zij het waterkwaliteitsniveau organiseren per stroomgebied. Voor Nederland houdt dit een indeling in naar de stroomgebieden van de Rijn, de Maas, de Schelde en de Eems. Voor de Alphense situatie betekent dit een indeling bij het stroomgebied van de Rijn. Nationaal Waterplan 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Nederland heef te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden.
Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: Een veilige en klimaatbestendige delta. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Het bodem- en watersysteem stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. Om deze randvoorwaarden ook juridisch te laten doorwerken zijn inhoudelijke kaders nodig voor de inrichting en gebruik van wateren alsook voor ruimtelijke inrichting, landgebruik en de wijze van bouwen. In Nederland komen veel opgaven voor de leefomgeving bij elkaar op een klein oppervlak. Niet alles kan, soms moeten keuzes worden gemaakt. Daarvoor zijn in het NWP een aantal afwegingsprincipes voor het waterbeleid en -beheer opgenomen.
Daarmee zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het omvat een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2023 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties.
54
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook is via de Invoeringswet Waterwet de saneringsregeling voor waterbodems van de Wet bodembescherming overgebracht naar de Waterwet. Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet als organieke wet voor de waterschappen bestaan. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 waterschap Hollandse Delta Het waterbeheerprogramma (WBP) bevat het meerjarige beleid en de doelen van waterschap Hollandse Delta. In het WBP van waterschap Hollandse Delta zijn de doelen tijdens de planperiode 2022-2027 vastgelegd. Het WBP bevat doelen voor de primaire taken van het waterschap, namelijk de waterveiligheid, watersysteem en waterketen. De doelen voor deze specifieke planperiode zijn afgeleid van lange termijn ambities (2050). Deze ambities worden beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waarbij met name de klimaatverandering en de gevolgen hiervan centraal staan. Naast de ambities voor de lange termijn en de doelen t/m 2027 bevat het WBP ook de strategische aanpak om de doelen te bereken. De doelen voor 2027 en de strategie vormen de basis voor de concreet uit te voeren maatregelen. Het WBP geeft inzicht in de werkwijze van het waterschap en op welke manier samenwerking met ketenpartners (zowel overheden als marktpartijen, maar ook particulieren) zou moeten plaatsvinden. 4.10.2 Huidige situatie Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden, beide zijn gelegen aan De Rik. Deelgebied Kloosterbos bestaat uit een door bomen afgeschermde groenzone. Deelgebied Twee Getuigen bestaat uit grasland, terreinverhardingen en bouwwerken. Het gebied wordt omringd door water.
Waterkwantiteit- en kwaliteit Het plangebied grenst aan oppervlaktewater. Het Kloosterbos grenst aan de zuidzijde aan de hoofdwatergang langs De Rik. Deze kent een beschermingszone van 5 m. Aan de westzijde grenst het Kloosterbos aan overig water. Het overig water kent een beschermingszone van 2 m. Deelgebied Twee Getuigen grenst aan de oost- en zuidzijde aan een hoofdwatergang, die tevens een beschermingszone van 5 m kent. In het deelgebied Twee Getuigen ligt nog overig water, dat een beschermingszone heeft van 2 m. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.
(vastgesteld)
55
Bestemmingsplan Twee Getuigen-Kloosterbos
Figuur 4.7: Uitsnede Legger Waterschap Hollandse Delta (www.wshd.nl)
Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering Het rioolwater wordt verzameld in het (hoofd)rioolgemaal van het waterschap aan de G.J. v.d. Boogerdweg en vandaar middels een persleiding getransporteerd naar de RWZI Hellevoetsluis.