Bestemmingplan Boomgaard, fase 1_ter vaststelling_toelichting_regels_verbeelding
Tekst van het document
Ook moeten de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen worden betrokken. Begin 2022 hebben gemeente en provincie de woningdichtheid van De Boomgaard nader afgestemd. Op het hele (bruto) plangebied is de woningdichtheid 25 woningen per hectare. Exclusief de ruimtelijke inpassing (de natuur en landschapselementen met de bestemming Groen en de bestemming Water) is de woningdichtheid 29 woningen per hectare. Binnen de woonbuurten bedraagt de woningdichtheid 36 woningen per hectare. Deze dichtheid is overeenkomstig (de voorbeelden in) het provinciaal Inspiratieboek 'Compact en kwalitatief bouwen in kleine kernen', waarbij rekening wordt gehouden met de ambitie om in dit deel van de regio landelijke ruime woonmilieus te realiseren.
44/167
Parkeernorm sociale huur (artikel 6.10b) Specifiek ten aanzien van nieuwe sociale huurwoningen schrijft de Omgevingsverordening een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning voor. In afwijking daarvan kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. De gemeente Voorne aan Zee heeft in de nota 'Parkeernormen Gemeente Voorne aan Zee', in 2022 haar eigen parkeernorm voor woningen, inclusief sociale huurwoningen, bepaald. Met deze recente parkeernormen wordt bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan en bij de aanvraag om omgevingsvergunning rekening gehouden. Bereikbaarheid (artikel 6.10d) Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet volgens de Omgevingsverordening rekening houden met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. In paragraaf 2.2.5 wordt de externe ontsluiting van het plangebied toegelicht, paragraaf 4.5 toetst de effecten hiervan aan de hand van een verkeersonderzoek.
Risico's van klimaatverandering (artikel 6.27a) In een bestemmingsplan moet conform de Omgevingsverordening rekening worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering, ten minste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte en de effecten hiervan op het risico van bodemdaling. Paragraaf 4.1 licht toe hoe in dit plan met deze risico's rekening is gehouden.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Hellevoetsluis 2015+ De gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne zijn per 1 januari 2023 samengegaan in de nieuwe gemeente Voorne aan Zee. Omdat deze jonge gemeente nog geen eigen beleid heeft, is de ontwikkeling getoetst aan het beleid van de voormalige gemeente Hellevoetsluis. Op 2 september 2004 is door de gemeenteraad van Hellevoetsluis het Structuurplan Hellevoetsluis 2010+ vastgesteld. In deze ruimtelijke visie was opgenomen op welke wijze de gemeente wenst om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen, zoals onder meer wonen, werken, infrastructuur en recreatie. In 2010 is het structuurplan bijgewerkt naar aanleiding van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen , en vastgesteld als structuurvisie Hellevoetsluis 2015+. De Structuurvisie Hellevoetsluis 2015+ doet uitspraken over ruimtelijke ontwikkelings en investeringsprojecten die in de tien tot vijftien jaar na vaststelling zijn voorzien. In het Structuurplan Hellevoetsluis 2010+ was de realisatie van het nieuwe woongebied De Boomgaard (voorheen Parnassia) al opgenomen (figuur 3.4). Het woongebied De Boomgaard heeft ook in de Structuurvisie Hellevoetsluis 2015+ een belangrijke functie voor het opvangen van de woningbouwbehoefte voor de periode na 2010.
In het gebied worden in de visie 1.100 woningen voorzien en een gebied voor 10.000 m² aan voorzieningen, waaronder een Brede School en een fullservice supermarkt. De visie verwachtte de start van de uitvoering in 2010.
45/167
Kort na vaststelling van de visie sloeg echter de financiële crisis toe en bleek de ontwikkeling niet haalbaar. De plannen gingen enige tijd in de ijskast. Paragraaf 1.1 licht toe hoe na 2015 is gekozen voor een doorstart van het plan. Met de ontwikkeling van De Boomgaard, fase 1 en dit bestemmingsplan daarvoor wordt nu invulling gegeven aan het gemeentelijk ruimtelijk beleid in de Structuurvisie Hellevoetsluis 2015+.
figuur 3.2: uitsnede Structuurvisie Hellevoetsluis 2015+ 3.3.2 Groenstructuurplan Hellevoetsluis 20102020 (2009) Het Groenstructuurplan Hellevoetsluis 20102020, vastgesteld door de gemeenteraad van Hellevoetsluis in 2009, heeft als doel om het bestaande (stedelijke) groen te behouden, de ecologische kwaliteit ervan te verbeteren en de samenhangende structuur ervan op termijn verder te ontwikkelen. Om dat de bereiken heeft het Groenstructuurplan de volgende status: 1. beleidskader voor al het gemeentelijk beleid; 2. toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen; 3. uitvoeringskader voor de inrichting en het beheer van de openbare ruimte voor de aspecten groen en water. In het Groenstructuurplan worden elf belangrijke groenstructuren behandeld. Dit zijn bijvoorbeeld bermen, dijken, watergangen en stedelijk groen. Per groenstructuur worden kernkwaliteiten van de huidige situatie, relevante ontwikkelingen, toekomstig beheer en inrichting en het streefbeeld voor 2020 weergegeven. In het kader van natuurinclusief bouwen dient bij nieuwbouwprojecten tenminste een gedeelte van de grondgebonden woningen te worden voorzien van nestgelegenheid voor huismussen, bijvoorbeeld in de vorm van vogelvides, en van vleermuisverblijfplaatsen. Van gestapelde woningen dient ten minste een gedeelte voorzien te worden van verblijfplaatsen van vleermuizen en neststenen voor gierzwaluwen.
Toetsing Het plangebied is onderdeel van de polder NieuwHelvoet en er zijn watergangen, zoals de Hoofdwetering, stedelijk groen en diverse vormen van infrastructuur in de nabijheid aanwezig. Bij nieuwe bouwprojecten is het streven om minimaal 30% van het plangebied in te richten met groen, water en spelen. Verder dient bestaand groen binnen het plangebied zoveel mogelijk behouden te blijven (met name ecologisch of cultuurhistorisch waardevol groen).
46/167
Het ontwikkelingsgebied is in totaal circa 220.000 m² groot. Daarvan moet 66.000 m² (30%) voor groen, water en spelen worden ingericht. De natuur en landschapselementen met de bestemming Groen) en de bestemming Water zijn samen circa 60.000 m² groot. Daarbovenop komt het deel (40% tot 60%, minimaal circa 10.000 m²) van de oppervlakte van de groenblauwe zone dat binnen de bestemming Woongebied met groen, water en spelen moet worden ingericht. Daarbij komt dat in het stedenbouwkundig plan en de inrichting van de woonmilieus klimaatrobuust en natuurinclusief bouwen centraal staat. Bovenop voornoemde metrages wordt dan ook een aanzienlijk metrage binnen de bestemming 'Woongebied' ingericht voor groen, water en spelen (zie paragraaf 2.2). Conclusie Het plan voldoet aan de beleidsuitgangspunten van het gemeentelijk Groenstructuurplan en die van Hellevoetsluis 2015+ (zie paragraaf 3.3.1).
47/167
Structuurvisie
48/167
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Duurzaamheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit
Toetsingskader Omgevingsvisie en Omgevingsverordening ZuidHolland Op grond van provinciaal beleid moeten bij een ruimtelijke ontwikkeling de risico's ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte in kaart worden gebracht en beperkt (zie paragraaf 3.2). Routekaart Duurzaam VoornePutten 2040 Op regionaal niveau hebben de gemeenten op VoornePutten de Routekaart Duurzaam VoornePutten 2040 opgesteld. Daarin zijn via de hoofdthema's energietransitie en circulaire economie de strategie en doelen uitgewerkt om te komen tot een Duurzaam VoornePutten in 2040. De Routekaart Duurzaam VoornePutten is aanvullend op de Beleidsvisie duurzaamheid en milieu die op 13 maart 2014 door de gemeenteraad van Hellevoetsluis is vastgesteld (zie hierna) en geeft met name de regionale opgave weer in het kader van energietransitie en circulaire economie. Hoofddoelen zijn een energieneutraal en circulair VoornePutten in 2040. Energieneutraal betekent: 'dat de totale vraag naar energie op VoornePutten op duurzame wijze wordt opgewekt, zo mogelijk binnen het eiland'. Hiermee wil VoornePutten haar ambitie uitspreken, in lijn met de landelijke doelstelling om in 2050 energieneutraal te zijn. Circulariteit betekent: 'dat we onze economie omvormen naar kringlopen waarin we grondstoffen maximaal hergebruiken'.
Beleidsvisie duurzaamheid en milieu Op 13 maart 2014 heeft de gemeenteraad van Hellevoetsluis de Beleidsvisie duurzaamheid en milieu vastgesteld. Het doel van het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid is het 'inzetten op een duurzaam wonen, werken en recreëren in de gemeente Hellevoetsluis'. Het begrip duurzaamheid refereert aan een ontwikkeling die in evenwicht is met wat de omgeving te bieden heeft, lokaal, mondiaal, nu maar ook in de toekomst. Bij een duurzame ontwikkeling zijn ecologische, economische en sociale waarden in evenwicht. Binnen de Beleidsvisie duurzaamheid en milieu worden de volgende duurzaamheidaspecten gedefinieerd: y sociale aspecten: participatie en samenwerking en kennisdeling en innovatie; y milieuaspecten: geluid, luchtkwaliteit & geur, (externe) veiligheid, bodem, water; y groen & ecologie, energie & materialen, afval & grondstoffen; y economische aspecten: duurzaam inkopen en aanbesteden, werkgelegenheid; y duurzame mobiliteit, duurzame verdienmodellen; y om te zorgen voor een goede inbedding in de gemeentelijke organisatie worden bovengenoemde duurzaamheidaspecten thematisch beschouwd. Deze thema's zijn: 1. duurzame leefomgeving; 2. duurzame ruimtelijke ontwikkeling; 3. duurzame bedrijvigheid; 4. duurzame gemeentelijke bedrijfsvoering.
49/167
Per duurzaamheidsaspect zijn hoofddoelstellingen geformuleerd die per duurzaamheidsthema zijn uitgewerkt in specifieke doelstellingen. Per thema zijn projecten geformuleerd. De projecten zijn weergegeven in het meerjarenuitvoeringsprogramma. Voorbeelden hiervan zijn: ondersteunen van burgerinitiatieven op het gebied van duurzaamheid, ondersteunen van duurzame bedrijvenkring, uitbreiden van het ecologisch beheer van de openbare ruimte, verder faciliteren van de oplaadinfrastructuur voor elektrisch vervoer, stimuleren van duurzaam bouwen, extra aanpak zwerfafval, verduurzaming van de gemeentelijke havens en de verduurzaming van de eigen gemeentelijke bedrijfsvoering en gemeentelijke gebouwen. Landelijke Maatlat groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving De Maatlat klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen en inrichten eruitziet. Het is een instrument van de overheid, om houvast te bieden vóór overheden, woningcorporaties en partijen uit de bouw zoals projectontwikkelaars. De maatlat is nodig om beter voorbereid te zijn op de gevolgen van klimaatverandering. Zo kunnen we ook in de toekomst in een veilige, gezonde én groene omgeving blijven wonen en werken. De maatlat maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen eruitziet.
Het instrument beschrijft doelen en prestatieeisen, en geeft richtlijnen voor de thema's wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit, bodemdaling en gevolgbeperking overstromingen. De maatlat is ontwikkeld door de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Infrastructuur en Waterstaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW). Tijdens de ontwikkeling zijn veel verschillende stakeholders betrokken, waaronder experts op het gebied van klimaatadaptief bouwen, professionals uit de bouwsector, natuurorganisaties en kennisinstellingen. Het is onder andere gebaseerd op informatie vanuit het convenant klimaatadaptief bouwen ZuidHolland. Er worden diverse subthema's besproken, welke onder de grotere noemers 'Biodiversiteit en natuurinclusiviteit', 'Droogte', 'Bodemdaling', 'Hitte', 'Gevolgbeperking overstromingen' en 'Wateroverlast' zijn ondergebracht. De inhoud van de maatlat dient op verschillende plekken in het ontwerp en proces onder de aandacht te zijn. Zo is het in ontwikkeling De Boomgaard ook ondervangen. Echter, de maatlat is op dit moment nog een richtlijn, en geen verplichting.
Met gebruikmaking van de maatlat wordt verondersteld dat wanneer men de inhoud van de maatlat toepast bij de ontwikkeling, er een klimaatadaptieve en toekomstbestendige woonomgeving ontwikkeld wordt. Toetsing Visiedocument natuurinclusief en klimaatadaptatie in ontwikkeling Specifiek ten behoeve van de De Boomgaard is een visiedocument opgesteld (zie bijlage 10) gericht op natuurinclusief en klimaatadaptief ontwikkelen. Zo wordt vroegtijdig in het proces, maar ook tijdens de ontwikkeling en de bouw aandacht besteed aan natuur waardoor actief wordt bijgedragen aan een leefomgeving met klimaatadaptatie en biodiversiteit. In het document zijn een groot aantal toepasbare maatregelen uitgewerkt welke op grofweg drie maatregelniveaus zijn te onderscheiden: y y y
Inrichting van openbaar gebied Opstallen en bergingen Tuinen en erfgrenzen
50/167
Bij het nemen van maatregelen op ál deze niveaus, ontstaat een gezonde en prettige leefomgeving. De effectiviteit hangt deels samen met een zekere kritische massa van toepassing. Bij naleven van voldoende van deze maatregelen, is sprake van klimaat adaptatie en natuurinclusiviteit en is de ontwikkeling een potentieel leefgebied voor diverse soorten planten, dieren en mensen. De beschreven maatregelen zijn aansluitend op het landschapsplan (paragraaf 2.1) en het waterhuishoudingsplan (paragraaf 4.4). Bovendien zijn de resultaten van ecologisch onderzoek en de in het kader van de Wet natuurbeschermingswet te nemen maatregelen ( paragraaf 4.2) input geweest voor het visiedocument. Bij de uitwerking van de plannen wordt in nauwe samenspraak met de gemeente invulling gegeven aan de maatregelen uit het visiedocument. De tussen ontwikkelaar en de gemeente gesloten overeenkomst vormt hiertoe de basis. Wateroverlast Paragraaf 4.4 gaat in op het waterhuishoudingsplan. Daaruit volgt dat een aantal maatregelen in voldoende mate de waterberging faciliteren die nodig is door de toename van de verharding, door een peilverhoging in de watergangen en door demping van een aantal watergangen.
Zo worden aan weerszijden van de kreek brede inundatiezones aangelegd, worden secundaire watergangen vergroot tot primaire watergangen, worden langs meerdere watergangen verlaagde oevers aangelegd en komen er bermgreppels, wadi 's en laagtes. Waterveiligheid Ten aanzien van waterveiligheid stelt het waterhuishoudingsplan vast dat er ter plaatse van het plangebied geen waterkeringen zijn en dat dit bestemmingsplan dan ook geen ontwikkelingen mogelijk maakt die effect hebben op de waterveiligheid. Droogte Door de gekozen maatregelen voor de waterberging wordt ook droogte voorkomen. In de brede inundatiezones langs de kreek, in de verlaagde oevers en met meer primaire watergangen wordt in het plangebied water langer vastgehouden en krijgt hier (natte) natuur meer kansen. Hitte Bij de ontwikkeling staat de inpassing en versterking van bestaande en nieuwe natuur en landschapselementen centraal. Ook in de woonmilieus zelf is expliciet en veel aandacht voor de inpassing van bomen en bomenrijen (zie paragraaf 2.2.1). Met deze groene, lommerrijke inrichting en de ruime opzet van de woonmilieus, met in aansluiting daarop de maatregelen uit het hiervoor beschreven visiedocument, wordt het risico op hittestress in dit nieuwe stedelijk gebied sterk beperkt.
Conclusie Met het visiedocument en het waterhuishoudingsplan wordt in ruime mate invulling gegeven aan een natuurinclusieve, klimaatadaptieve ontwikkeling, waarbij veel aandacht is voor biodiversiteit.
51/167
4.2
Ecologie soortenbescherming
Toetsingskader In de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: y soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; y soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; y overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.
GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. In de provincie ZuidHolland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
52/167
Toetsing In opdracht van de ontwikkelende partijen is een quickscan (bijlage 1) uitgevoerd naar de aanwezigheid van natuurwaarden in het gebied. Vogelrichtlijn y In het plangebied zijn nesten die jaarrond beschermd zijn te verwachten. Het betreft potenties voor nestlocaties voor de soorten sperwer, buizerd, boomvalk en ransuil, waarbij het plangebied dan onderdeel is van het leefgebied. Tevens is de aanwezigheid van een nest in de omgeving van het plangebied denkbaar, waarbij het plangebied als leefgebied gebruikt wordt. Als onderdeel van een groter leefgebied kan gebruik als foerageergebied door huismus, steenuil en kerkuil niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soorten dient plaats te vinden door een ter zake deskundige, volgens actuele protocollen/ onderzoek standaarden/ kennisdocumenten BIJ12 wat betreft inspanning en methode en in de actieve periode (februari augustus). y Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat, indien bomen gekapt moeten worden of beplanting verwijderd moet worden, deze werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1 en 2.
Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin of einddatum. Als richtlijn wordt uitgesproken dat het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli verloopt. y Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het dan aan te raden het aanwezige snoeiafval en de vegetatie binnen het werkterrein (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen werkzones van het plangebied te beperken. Habitatrichtlijn y Er zijn potenties voor diverse gebiedsfuncties voor vleermuizen in het plangebied vastgesteld. Deze zijn beschreven in tabel 1. Nader onderzoek naar de aldaar genoemde soorten en gebiedsfuncties volgens het vleermuisprotocol kan uitsluitsel geven hierover. Ook dient rekening gehouden te worden met effecten door de ontwikkeling op verblijfplaatsen in direct aangrenzende omgeving. y De nachtvlinder teunisbloempijlstaart kan niet worden uitgesloten in een deel van het plangebied. Een nader onderzoek naar voorkomen van deze soort op de betreffende locatie kan uitsluitsel geven over voorkomen. Voordat ingegrepen wordt in de houtopstanden, dient het noodzakelijk aanvullend onderzoek plaats te vinden.
Dit onderzoek dient plaats te vinden door een ter zake deskundige, volgens actuele protocollen/ onderzoek standaarden/ kennisdocumenten BIJ12 wat betreft inspanning en methode en in de actieve periode (februari eind november). Andere soorten y Het gebruik van het terrein door de steenmarter voor zowel een verblijfplaats als andere gebiedsfuncties valt niet geheel uit te sluiten. Incidentele aanwezigheid of foerageergedrag van boommarter kan niet geheel worden uitgesloten. Vervolgonderzoek wordt geadviseerd voordat materialen in het plangebied worden verwijderd. Overige soorten die onder dit regime vallen zijn niet te verwachten binnen het plangebied of zijn vrijgesteld door
53/167
de provincie ZuidHolland bij ruimtelijke ingrepen. Houtopstanden y De aanwezige houtopstanden in het plangebied zijn niet gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Hellevoetsluis. De houtopstanden op het voormalige campingterrein kennen verplichtingen aangaande artikel 4 van de Wet natuurbescherming, wanneer hier vanaf 1000 m² (10 are) gerooid gaat worden. De verplichting bestaat uit een melding en herplanting volgens de eisen van het bevoegd gezag. y Naast de verplichtingen Wet natuurbescherming aangaande houtopstanden, is er in de gemeente Hellevoetsluis tevens een APV van kracht voor houtopstanden. Volgens artikel 4:11voor de Omgevingsvergunning vellen van houtopstanden, is relevant: 1. Bomen op gemeentelijke grond, diameterborsthoogte (ofwel dbh, gemeten op 1,30m) groter dan 0,30 meter, dient voor het vellen een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. 2. Volgens artikel 4:11, lid2 a zijn dunningen uitgesloten van deze verplichting. Dit zou van toepassing kunnen zijn bij behouden van de houtopstanden zoals aanwezig, en slechts ter plekke dunnen om langdurige instandhouding te borgen. Uit nadere inventarisatie van de aanwezige bomen nodig om een verdere keuze te maken in of en wat er eventueel gerooid gaat worden en van welke verplichtingen dan sprake is. Nader ecologisch onderzoek Door VanderHelm Milieubeheer B.V.
is naar aanleiding van de quickscan een nader, soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de beschermde soorten in het gebied (bijlage 2). Het doel van het nader onderzoek is het uitsluiten dan wel aantonen van de aanwezigheid van nesten, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen, roofvogels en uilen, huismus, teunisbloempijlstaart en steenmarter in het plangebied. Uit het onderzoek volgt dat in het plangebied essentiële vliegroutes en foerageergebieden van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis aanwezig zijn en ook een nest en rustplaats en jachtgebied van de kerkuil, havik/sperwer en ransuil en voortplantings en rustplaatsen van de steenmarter. Naast dit nader soortgericht onderzoek zijn in het onderzoek de natuurwaarden in de boomgaarden en op het voormalige campingterrein in kaart gebracht: door monitoring van bijen, zweefvliegen, dagvlinders en libellen kan de biodiversiteit in deze gebieden worden ingeschat. De locaties met de meeste biodiversiteit zijn de noordkant van het voormalige campingterrein, de noordkant van de boomgaard ten zuiden ervan en de boomgaard ten noorden van de bestaande boerderijkavel. Er is een ontheffing op artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming aangevraagd.
Ten behoeve van deze ontheffingsaanvraag is een activiteitenplan opgesteld (waarin onder andere het wettelijk belang en de alternatievenafweging worden opgenomen). Conclusie In de stedenbouwkundige uitwerking voor De Boomgaard, fase 1 is zoveel mogelijk rekening gehouden met behoud en bescherming van de ecologische waarden in het plangebied (zie paragraaf 2.2.3). Er is een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Hiervoor is een activiteitenplan opgesteld. Met inachtneming hiervan is een
54/167
eventuele ontheffing van de Wet natuurbescherming redelijkerwijs te verwachten en is het omgevingsaspect ecologie soortenbescherming geen belemmering voor (de uitvoerbaarheid van) het plan.
4.3
Ecologie gebiedsbescherming
Toetsingskader Met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden kent de Wet natuurbescherming twee soorten natuurgebieden (en beschermingsregelingen): y Natura2000 gebieden; y Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: y alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; y het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en y de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Toetsing Het plangebied is geen onderdeel van een natuur of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied Haringvliet bedraagt circa 1,5 kilometer. Het stikstofgevoelige Natura 2000gebied Voornes Duin bevindt zich op 2,5 kilometer. De afstand tot het meest dichtstbijzijnde NNN bedraagt circa 640 meter. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de grote afstand tot natuurgebieden kunnen ook effecten zoals verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.
55/167
Omdat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de ontwikkeling van De Boomgaard significant negatieve effecten heeft op Natura 2000gebied, zijn voor de aanlegfase en voor de gebruiksfase stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd, zie bijlage 8. Geconcludeerd wordt dat per saldo geen sprake is van een toename van stikstofdepositie met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming.
4.4
Water
Toetsingskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen over de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits en waterkwaliteitsbeheer. Bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder en is het plan getoetst aan het beleidskader van het waterschap Hollandse Delta en ook aan dat van de gemeente Voorne aan Zee. In het Waterbeheerprogramma (WBP) (20222027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook is aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van dit beleid. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting op de afvalwaterzuivering.
Een toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om deze zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m² of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De gemeente Hellevoetsluis heeft in september 2016 het Watertakenplan opgesteld. Het Watertakenplan beschrijft het stedelijk waterbeleid voor de hele planperiode 20172020 en legt vast welke activiteiten de gemeente verricht en welke onderzoeken de gemeente doet. Dit deel wordt jaarlijks geëvalueerd en waar nodig aangevuld en aangepast. Voor het Watertakenplan en het daarin vastgelegde beleid gelden de volgende doelstellingen: 1. duurzame bescherming van de volksgezondheid; 2. voorkomen van wateroverlast; 3. voorkomen van hinder door andere oorzaken dan wateroverlast; 4. voorkomen van milieuschade.
56/167
Toetsing: bestaande situatie Maaiveldhoogte Op basis van het AHN4 ligt het maaiveld op circa NAP 0,2 m in het zuiden van het plangebied en op circa NAP 0,6 m in het noorden. In het plangebied is sprake van bodemdaling. Over de periode 20082020 is het maaiveld circa 10 cm gedaald. Voor de periode 20202100 wordt eenzelfde daling verwacht. Bodem en grondwater Op basis van de openbare beschikbare data van Dinoloket en boringen uitgevoerd door Heijmans is het algemene beeld voor het plangebied dat tussen maaiveld en 1,5 m beneden maaiveld de bodem veelal bestaat uit klei. Veel boringen laten bovendien een veenlaag zien met een dikte van 20 tot 30 cm. In vrijwel alle gevallen tonen de boringen een zandpakket vanaf een diepte van 2,0 m beneden maaiveld. Lokaal bevinden zich meer aan de oppervlakte al zandlagen. In het plangebied is één peilbuis aanwezig die recente grondwaterstanden registreert. Het betreft een peilbuis midden in het plangebied. Met de peilbuis wordt de freatische grondwaterstand gemonitord. De grondwaterstand ligt gemiddeld op NAP 1,8 m. De GHG en GLG liggen respectievelijk op NAP 1,2 en 2,4 m. Uit de klimaateffectatlas volgt dat de kwelstroom beperkt is tot 0,5 tot 1,0 mm/dag. Deze kwel is naar verwachting zout of brak.
Waterkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water maar in de omgeving van het plangebied wel. Het algemene beeld is dat de waterlichamen ontoereikend scoren op de ecologische waterkwaliteit. De algemene fysische en chemische toestand in de omliggende KRWlichamen is matig tot goed. De ontoereikende scores voor ecologische waterkwaliteit zijn onder andere te wijten aan het feit dat er water wordt aangevoerd via het landbouwgebied. Hierdoor bevat het aangevoerde water relatief veel nutriënten, met name fosfor. Daarnaast draagt de kwelstroom bij aan de matige waterkwaliteit. Waterveiligheid Ter plaatse van het plangebied zijn geen waterkeringen. Waterkwantiteit Figuur 4.1 toont een uitsnede van de legger Oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken van het waterschap Hollandse Delta. Het plangebied is verdeeld over 2 peilgebieden: V01 005 en V01 007. Het zuidelijk peilgebied heeft een waterpeil van NAP 1,5 m en het noordelijk peilgebied een waterpeil van NAP 2,0 m. Het peilverschil wordt met stuwen in stand gehouden. Door het plangebied lopen meerdere primaire watergangen. Via de primaire watergangen stroomt het plangebied af naar het oosten.
57/167
figuur 4.1 uitsnede legger en legenda oppervlaktewaterlichamen en (onderhoudsplichtige) kunstwerken waterschap Hollandse Delta Afvalwaterketen Binnen het plangebied is geen riolering in beheer van de gemeente Voorne aan Zee aanwezig. Beheer en onderhoud Het Waterschap Hollandse Delta is beheerder van het oppervlaktewater. Toetsing: invloed van de ontwikkeling op de waterhuishouding In opdracht van de ontwikkelende partijen is door ingenieursbureau Witteveen + Bos een waterhuishoudingsplan (bijlage 3) opgesteld. Aan de hand van dit plan is de invloed van de ontwikkeling van De Boomgaard, fase 1 op de waterhuishouding getoetst. In het waterhuishoudingsplan is de invloed van de ontwikkeling van de Boomgaard, fase 1 en fase 2 integraal beschouwd en getoetst. In deze watertoets zijn de conclusies daaruit overgenomen. Vervolgens is de waterbergingsopgave toegespitst op De Boomgaard, fase 1. Peilen Om een goede verbinding tussen maaiveld en open water te realiseren wordt de peilgrens tussen de twee peilgebieden naar het noorden verlegd waardoor de waterstand verhoogd wordt van NAP 2,0 m naar NAP 1,5 m. Om de afwatering in stand te houden worden meerdere secundaire watergangen omgevormd naar primaire watergangen.
Andere aanpassingen in het oppervlaktewatersysteem als gevolg van de nieuwe peilopzet zijn (zie ook figuur 4.2): y De stuw in de kreek dient naar het noorden verplaatst te worden. De stuw komt bij de verlengde Nelson
58/167
y
y y
Mandelalaan te staan waardoor hij goed bereikbaar wordt. Mogelijk wordt de stuw gecombineerd met een vispassage; De stuw bij de Verlengde Lagelandseweg wordt verwijderd. De ter plaatse bestaande hoofdwatergang (H10065) wordt in verbinding gebracht met de wegsloot (W13302) en er dient een nieuwe geautomatiseerde stuw te worden aangebracht; Er dient een nieuwe stuw bij de Voorvorseweg geplaatst te worden. Ter hoogte van deze stuw dient tussen de watergangen aan de westkant van de Voorvorseweg een duiker geplaatst te worden; Aan de zuidelijke kant van de Voorvorseweg dient de bestaande duiker die de weg kruist behouden te worden. Om de peilscheiding in stand te houden dient aan de oostkant een stuw geplaatst te worden. Aan de oostkant van de Voorvorseweg dient eveneens tussen de watergangen een duiker geplaatst te worden.
figuur 4.2: aanpassing watersysteem Bodem en grondwater Het plan leidt tot een ophoging van het bestaand maaiveld. Door de ophoging wordt het mogelijk de woningen met kruipruimte te realiseren. In het zuiden van het plangebied neemt ten gevolge van de peilopzet de grondwaterstand toe. Waterkwaliteit en ecologie Om de waterkwaliteit in stand te houden spoelt het waterschap het watersysteem door. Een vergroting van het oppervlak open water leidt daarmee tot een grotere watervraag. Om de watervraag niet te vergroten is in overleg met het waterschap besloten om de benodigde watercompensatie zoveel mogelijk in alternatieve berging te realiseren. Hiermee wordt voorkomen dat door de ontwikkeling de waterkwaliteit verslechterd als er onvoldoende water beschikbaar is om aan de watervraag te kunnen voldoen. Langs de noordzuid georiënteerde primaire watergang worden aan weerszijden brede inundatiezones aangelegd. De hoogte van deze zones varieert om een goede habitat te realiseren. Daarnaast wordt langs diverse watergangen een 5 m brede verlaagde oevers gerealiseerd.
59/167
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, nietuitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw als de gebruiksfase. Waterkwantiteit In het waterhuishoudingsplan zijn de gevolgen van De Boomgaard, fase 1 en fase 2 samen en integraal getoetst. De ontwikkeling heeft gevolgen voor de robuustheid van het watersysteem. Figuur 4.3 toont de aanpassingen aan het watersysteem die leiden tot een afname van de robuustheid van het watersysteem: y In een aantal watergangen wordt het waterpeil verhoogd waardoor de bergingscapaciteit afneemt. y Het verhard oppervlak wordt met in totaal circa 21 ha. uitgebreid waardoor hemelwater versneld afstroomt op de watergangen y Een aantal watergangen wordt gedempt, in totaal 5.367 m² oppervlaktewater.
figuur 4.3: overzicht afname robuustheid watersysteem De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht). Daar de verhardingstoename groter dan 5 ha. is en de functie wijzigt van onbebouwd naar bebouwd is met een door het waterschap aangeleverd rekenmodel via een iteratief proces bepaald dat per m² verharding 60 mm waterberging gerealiseerd moet worden om de verhardingstoename te compenseren. Uit het waterhuishoudingsplan volgt dat voor fase 1 en fase 2 samen in totaal 21.729 m³ aan waterberging nodig is. Met de volgende maatregelen kan in totaal 30.096 m³ waterberging beschikbaar komen: y aanleg van de inundatiezone langs de kreek. De inundatiezone komt 10 cm boven het geldende waterpeil te liggen: op NAP 1,4 m. y aanleg van oevers langs de overige watergangen. Deze oevers komen eveneens 10 cm boven het geldende waterpeil te liggen: op NAP 1.9 m; y aanleg van laagtes in de centrale groenblauwe zone en aan de overzijde van de kreek; y aanleg van wadi’s in de deelgebieden; y aanleg van bermgreppels langs de weg.
60/167
Voor alleen fase 1 is een deel van deze maatregelen nodig. Voor de realisatie van 360 woningen wordt het verhard oppervlak met 7 ha uitgebreid, het waterpeil van 9.088 m2 oppervlaktewater met 50 cm verhoogd en 5.367 m2 aan watergangen gedempt. Uit de modelberekeningen volgt dat de uitbreiding van het verhard oppervlak met 60 mm waterberging gecompenseerd dient te worden (4.200 m³), de peilopzet dient met 4.544 m3 open waterberging gecompenseerd te worden en het dempen van het oppervlaktewater met 4.603 m3. Daarnaast zal de verharding voor de 3 woningen aan de rotonde bij de Rijksstraatweg met circa 1.860 m2 toenemen. In totaal is voor fase 1 13.347 + 111,6 (voor de 3 woningen) 13.458,6 m³ aan waterberging nodig. Een deel van de bovengenoemde maatregelen is hiervoor toereikend en leidt tot een beschikbare waterberging van in totaal 13.964 m³: y Aan weerszijden van de noordzuid georiënteerde primaire watergang (de kreek) worden brede inundatiezones aangelegd. De zones komen gemiddeld genomen 10 cm boven het streefpeil te liggen. Bij een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van 100 jaar kan in deze zones 5.040 m3 water worden geborgen. y Om de afwatering in stand te houden worden secundaire watergangen vergroot om te voldoen aan het profiel van primaire watergang. Dit leidt tot een berging van 5.341 m³.
Door langs meerdere watergangen een verlaagde oever met een breedte van 5 m aan te leggen wordt 1.118 m3 aan waterberging gerealiseerd. y In aanvulling op de berging in het oppervlaktewatersysteem worden voorzieningen aangelegd om afstromend hemelwater te bergen. Dit bestaat uit: bermgreppels (837 m³), een wadi (400 m³) en een laagte (1.228 m³). Waterveiligheid Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen die invloed hebben op de waterveiligheid. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid wordt een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt middels een pompgemaal aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Door het toepassen van diepriolen ter plaatse van de kruisingen met het oppervlaktewater is het aantal pompgemalen geminimaliseerd. Hemelwater wordt zoveel mogelijk bovengronds afgevoerd. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van bermgreppels. De bermgreppels (in combinatie met de wadi's) zorgen voor het infiltreren van hemelwater zodat het wordt vastgehouden. Bij extreme neerslag wordt het hemelwater geborgen en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Beheer en onderhoud Het waterschap zal verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van de hoofdwatergangen.
In overleg met de gemeente zal bepaald worden wie verantwoordelijk is voor het onderhoud van de oevers. De andere elementen voor de waterhuishouding (wadi’s, bermgreppels, laagten, en secundaire watergangen) komen in beheer bij de gemeente. Ook de watergang tussen De Boslaan en het volkstuinencomplex is secundair. De onderhoudsstrook van deze watergang blijft gehandhaafd op het perceel van de volkstuinenvereniging. Conclusie Uit het waterhuishoudingsplan volgt dat de ontwikkeling van De Boomgaard, fase 1 en fase 2 samen en die van fase 1 op zichzelf in overeenstemming zijn met beleid en regelgeving van het waterschap (Waterbeheerprogramma 20222027 en de Keur) en de gemeente (Watertakenplan). Zowel op het gebied van waterkwantiteit als waterkwaliteit voldoet het plan aan de eisen die daaruit voortvloeien. Het omgevingsaspect water is geen belemmering voor (de uitvoerbaarheid van) het plan.
61/167
In het kader van de watertoets en het wettelijk vooroverleg (zie paragraaf 6.1) heeft overleg plaatsgevonden met het waterschap Hollandse Delta. De resultaten van dit overleg zijn verwerkt in deze waterparagraaf.
4.5
Verkeer
Toetsingskader In het Gemeentelijk Verkeer en Vervoerplan Hellevoetsluis uit 2013 is het verkeersbeleid van de gemeente Hellevoetsluis vastgelegd. Dat beleid sluit aan bij de Stadsvisie 2030 en de Structuurvisie 2015+. In het beleidsdocument wordt ingegaan op de categorisering van wegen, de fiets, openbaar en goederenvervoer, verkeersveiligheid en parkeren. Toetsing In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de verkeersstructuur die in het stedenbouwkundig plan is voorzien (zie paragraaf 2.2.5) onderzocht op haar verkeerseffecten: bereikbaarheid, verkeersgeneratie, afwikkeling van het verkeer en de parkeerbehoefte. Auto interne ontsluiting Vanwege de ontwikkeling van De Boomgaard wordt de grens van de bebouwde kom van Hellevoetsluis verplaatst, waardoor De Boomgaard straks binnen de bebouwde kom ligt. Conform de richtlijnen van het programma Duurzaam Veilig worden de wegen binnen De Boomgaard ingericht als erftoegangsweg met een maximale snelheid van 30 km/uur. Conform het concept van het stedenbouwkundig plan kruisen auto en fietsstromen elkaar straks zo weinig mogelijk in dit concept. Daar waar gemotoriseerd verkeer is toegestaan, zal echter ook fietsverkeer mogelijk zijn. Kruispunten zijn gelijkwaardig van aard.
Auto externe ontsluiting De Boomgaard wordt, zowel fase 1 als fase 2, volgens de plannen voor de auto geheel aan de noordoost zijde ontsloten, via een nieuw aan te leggen weg in het verlengde van de Nelson Mandelalaan. Deze weg takt aan op de bestaande rotonde Rijksstraatweg – Nelson Mandelalaan en krijgt 1.400 mvt/etmaal te verwerken in de eerste fase en 3.900 in de tweede. De overige straten en wegen naar omliggende wijken en het poldergebied worden afgesloten voor autoverkeer van en naar De Boomgaard. Hierdoor wordt het autoverkeer los van het omliggende gebied afgewikkeld en gaat het grootse deel direct via de Nelson Mandelalaan naar de N57. Een kleiner deel van het autoverkeer gaat zuid of noordwaarts via de Rijksstraatweg. 75% van de ritten van/naar De Boomgaard wordt afgelegd per auto. Op de Rijksstraatweg groeit het verkeer autonoom met 15% tot 18% en door de realisatie van De Boomgaard, fase 1 groeit het additioneel met 5% in fase 1 en 2% à 3% in fase 2. Op de Nelson Mandelalaan zijn deze groeicijfers hoger. Er zijn niet of nauwelijks verkeerseffecten van de realisatie van De Boomgaard op provinciale en rijkswegen. Qua verkeersafwikkeling worden door de realisatie van De Boomgaard geen knelpunten verwacht.
Wel kunnen de zaterdagse wachtrijen op het kruispunt Rijksstraatweg – Moriaanseweg groeien door de autonome groei en, in mindere mate, de realisatie van De Boomgaard. Ook het geconcentreerde haal en brengverkeer bij scholen kan incidenteel vertragingen geven op de Rijksstraatweg. Het is belangrijk deze effecten te monitoren en eventueel maatregelen af te wegen.
62/167
Alle straten en wegen kunnen de verkeerstoename ten gevolge van de realisatie van De Boomgaard goed verwerken. Hierbij heeft de Rijksstraatweg een speciale positie: deze weg heeft zowel een verkeers als een verblijfsfunctie. Door de autonome groei en, in mindere mate, de realisatie van De Boomgaard wordt het hier drukker, waardoor de verkeersfunctie zwaarder wordt. Het is wenselijk de verblijfsfunctie hier te optimaliseren en het evenwicht tussen verkeers en verblijfsfunctie te herstellen. Hierbij passen maatregelen als het terugbrengen van de snelheid van het autoverkeer en het verbeteren van de oversteekvoorzieningen. Het aanleggen van een rotonde of verkeersplein op het kruispunt met de Parnassiaweg, is een goede optie om zowel de snelheid op de Rijksstraatweg terug te brengen, als om overstekend langzaam verkeer van en naar de scholen en de supermarkt een veilige oversteek te bieden. Overwogen zou kunnen worden op (delen van) de Rijksstraatweg 30 km/uur in te voeren in navolging van de nationale initiatieven die lopen op dit punt. Fiets De fiets heeft aandeel van 22% in de verplaatsingen van en naar De Boomgaard. In tegenstelling tot de auto krijgt de fiets wel rechtstreekse verbindingen naar de voorzieningen in andere delen van Hellevoetsluis. Het is wenselijk om voor veilige, directe en comfortabele tussen De Boomgaard en het omliggende stedelijke gebied te zorgen.
Hierbij is vooral aandacht nodig voor de route via de Voorvorseweg – Duindoornstraat en dan specifiek het parkeren op de rijbaan in de Duindoornstraat en Helmstraat bij een verdere uitbreiding van De Boomgaard in fase 2. Op de rotonde Nelson Mandelalaan – Rijksstraatweg rijden fietsers in twee richtingen. Het is uit overweging van verkeersveiligheid wenselijk dit te aan te passen, zodat fietsers in één richting rijden op de rotonde. Openbaar vervoer Het aandeel van het OV is gering: circa 2% van de ritten. Belangrijkste punt voor het OV is de bushalte Parnassialaan langs de Rijksstraatweg. Door de ontwikkeling van De Boomgaard gaat het aantal reizigers hier fors toenemen en daarbij is het de moeite waard om te zorgen voor een aantrekkelijke halte. Aanbevolen wordt om de vormgeving van deze halte te verbeteren en deze ook goed toegankelijk te maken voor reizigers die minder goed ter been zijn. Conclusie en aanbevelingen De verkeersgeneratie door de toevoeging van 360 woningen aan de noordwestzijde van Hellevoetsluis is geen belemmering voor de ontwikkeling van die woningen: qua verkeersafwikkeling worden door de realisatie van de Boomgaard geen knelpunten verwacht. Het omgevingsaspect verkeer en parkeren is geen belemmering voor (de uitvoerbaarheid van) het plan. Hierboven wordt een aantal aanbevelingen gegeven die bij de uitwerking van het plan worden meegenomen.
4.6
Geluid
Toetsingskader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt het wettelijke toetsingskader voor het aspect geluid. Als in de geluidzone van een weg, in de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein of in de geluidzone van een spoorweg een nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt, is in het kader van de ruimtelijke procedure daarvoor een akoestisch onderzoek nodig. Als de geluidgevoelige functie niet in zo'n zone is geprojecteerd, moet het aspect geluid toch uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening worden beschouwd.
63/167
De gemeente Hellevoetsluis heeft in het document ‘Geluidbeleidplan 20082017’ haar beleid met betrekking tot wegverkeerslawaai en eventuele hogere waarden opgenomen. In algemene zin wordt bij de Wgh aangesloten, In aanvulling op de Wgh zijn in dit plan en het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai enkele beleidsregels van toepassing uit dit gemeentelijk geluidbeleid. De geluidbelasting wordt beleidsmatig getoetst op de streefwaarde (de na te streven basiskwaliteit geluid in een bepaald gebied te bereiken aan het eind van de planperiode van het geluidbeleidsplan). In onderhavige situatie wordt getoetst op wegverkeersintensiteiten uit het prognosejaar 2033. De streefwaarde voor geluidbelasting aan de woningen in het plangebied bedraagt 48 dB (met een maximum van 53 dB). Wanneer het maximum wordt overschreden zijn verdere acties in het beleid opgenomen. Onderzoek De nieuwe woningen zijn geluidgevoelige functies waarvoor akoestisch onderzoek noodzakelijk is indien deze zijn gelegen binnen de – volgens de Wet geluidhinder (Wgh) – gezoneerde wegen. Het plangebied is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de Rijksstraatweg, de nieuwe ontsluitingsweg (vooralsnog is uitgegaan van 50 km/uur), Verlengde Lagelandseweg, Ikkersweg, Voorvorseweg en het deel van de Stormweg buiten de bebouwde kom. Onderzoek is noodzakelijk volgens de Wgh.
Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook de aanliggende 30 km/uur wegen beschouwd. Akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op zowel bestaande als nieuwe woningen is eveneens noodzakelijk volgens de Wet geluidhinder vanwege de nieuwe ontsluitingsweg. Voor dit plan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie bijlage 13. y y y y
y
De resultaten zijn:
op het plangebied wordt vanwege alle bestaande wegen in de omgeving buiten het plangebied voldaan aan de voorkeursgrenswaarde/richtwaarde van 48 dB; de geluidbelasting is op een deel van het noordelijke bouwvlak in het plangebied hoger dan de voorkeursgrenswaarde vanwege de nieuwe ontsluitingsweg. Hier worden geen nieuwe woningen voorzien. de geluidbelasting vanwege de nieuwe ontsluitingsweg voldoet op bestaande woningen aan de voorkeursgrenswaarde; de geluidbelasting vanwege een deel van de interne ontsluitingsweg is hoger dan de richtwaarde van 48 dB. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren vanwege dit wegdeel zijn ongewenst gebleken om verkeerskundige, landschappelijke, stedenbouwkundige en financiële redenen; de geluidkwaliteit op de 360 nieuwe woningen wordt beoordeeld als goed tot zeer goed.
Hoewel het geen vereiste is vanuit de Wet geluidhinder, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening in het akoestisch onderzoek bovendien kwalitatief beoordeeld of de toename van verkeersgeluid, na realisatie van de nieuwe woningen, ten opzichte van de toekomstige situatie zonder realisatie van de nieuwe woningen, aanvaardbaar is op de bestaande woningen langs de Rijksstraatweg. Een vuistregel is dat de geluidtoename akoestisch verwaarloosbaar is als de verkeersintensiteit op een weg of wegvak minder dan 40% toeneemt, wanneer andere variabelen (locatie bebouwing, samenstelling van het verkeer, verhardingssoort e.d.) onveranderd blijven. Een toename van 40% komt dan overeen met een toename van 1,5 dB, zijnde het reconstructiecriterium uit de Wet geluidhinder. Voor het menselijk gehoor geldt dat pas bij een toename hoger dan 1,5 dB (afgerond 2 dB) dit als zodanig net waarneembaar is.
64/167
Gezien de hoogte van de intensiteiten op de Rijksstraatweg en een verkeersgeneratie van circa 1.420 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag voor fase 1, berekend met omrekenfactor 0,92 en uitgaande van 1.540 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag (Bron: Verkeersonderzoek Goudappel), is er geen sprake van een verkeerstoename van meer dan 40%. Concluderend kan worden gesteld dat de toename van verkeersgeluid zodanig is dat het niet akoestisch relevant, dan wel nauwelijks waarneembaar zal zijn en daarmee in het kader van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar. Conclusie Er wordt voldaan aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon en leefklimaat. Bovendien is de toename van verkeersgeluid op bestaande woningen, als gevolg van de nieuwe woonwijk, in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar.
4.7
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op 6 september 2022 is een revisie opgesteld van de Nota bodembeleid 20122017 van de gemeente Hellevoetsluis.
Het doel van deze Nota bodembeleid is het geven van concrete richtlijnen voor een duurzaam beheer van de bodem en het scheppen van heldere kaders voor saneringen die onder de bevoegdheid van de gemeente vallen. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning, de wijziging van een bestemming of bij gemeentelijke grondtransacties is in veel gevallen bodemonderzoek vereist. Dit beleidskader beschrijft wanneer bodemonderzoek daadwerkelijk nodig is en hoe de gegevens worden getoetst. In de nota is een regionale bodemkwaliteitskaart opgenomen. Deze kaart geeft een algemeen beeld van de bodemkwaliteit en faciliteert bij het toepassen van grond of baggerspecie binnen de regio, zonder dat telkens een bodemonderzoek of partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. In het beleid worden regels genoemd voor het hergebruik van de grond. Deze gaan over ontgraven, transport, tijdelijke opslag, toepassingen en opbulken van partijen grond en baggerspecie.
65/167
Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling van De Boomgaard zijn diverse bodemonderzoeken gedaan. In 2020 is een groot verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het hele ontwikkelgebied (bijlage 4). Op grond van deze onderzoeken wordt nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Aanvullend op verkennend bodemonderzoek is nader (asbest)onderzoek gedaan in de bodem (bijlage 5). Op basis van de analyseresultaten is er in het plangebied geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ook is op de onderzoekslocatie geen sprake van een verontreiniging met asbest. Conclusie Met inachtneming van de reguliere adviezen en wettelijke vereisten ten aanzien van bodemkwaliteit is dit omgevingsaspect geen belemmering voor (de uitvoerbaarheid van) het plan.
4.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: y een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); y een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Gemeente Hellevoetsluis heeft een Luchtbeleidsplan 20202030 opgesteld. Dit gemeentelijke beleidskader luchtkwaliteit heeft als doel een eenvoudig en uniform toetsingskader te vormen voor nieuwe (ruimtelijke)
66/167
ontwikkelingen, waarmee kan worden voldaan aan de vereiste onderbouwingseisen vanuit de relevante wet en regelgeving. Het beleidskader is de opvolger van het in 2008 vastgelegde Beleidsplan luchtkwaliteit 20082017. Onderliggend beleidsplan is een vervolg op het Beleidsplan luchtkwaliteit 20082017 van de gemeente Hellevoetsluis. Er is gekozen voor een beperkte update tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In dit beleid zijn de bestaande werkwijzen nog eens helder en eenduidig vastgelegd of nader toegelicht zodat het meer als een handboek kan fungeren. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 360 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit: nader onderzoek is niet noodzakelijk. Uit het Luchtbeleidsplan 20202030 volgt dat de gemeente Hellevoetsluis – nu en in de toekomst – geen overschrijding kent van de wettelijke grenswaarden, zoals gesteld in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is niettemin een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de CIMLKmonitoringstool 2022 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Voorvorseweg, direct ten westen van het plangebied. Uit de CIMLKmonitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 14,9 µg/m³ voor NO2, 15,5 µg/m³ voor PM10 en 7,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor (de uitvoerbaarheid van) het plan. Ter plaatse van het plangebied is uit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake van een aanvaardbaar woon en leefklimaat.