06 (bijlage 14) Bijlage 12 - Toetsing soortenbescherming Wnb
Tekst van het document
Door transport van en naar de locatie van de beide nieuwe turbines, het inrichten van tijdelijke depotlocaties/opslagplaatsen en benodigde graafwerkzaamheden kunnen groeiplaatsen verloren gaan. Hoewel het onzeker is of de soort voorkomt kan het verlies van groeiplaatsen van glad biggenkruid niet worden uitgesloten. Voor deze soort geldt dat het verlies van enkele exemplaren op binnen het projectgebied geen gevolgen heeft voor de gunstige staat van instandhouding van de regionale populatie.
5.2 Vissen Over de effecten van onderwatergeluid op (trek)vissen is zeer weinig bekend (Popper & Hastings, 2009). Er is een zeer grote variëteit tussen soorten in gevoeligheid voor geluid, waarbij effecten kunnen variëren van niet aanwezig tot ernstige schade in de vorm van gedragsveranderingen, tijdelijke of permanente gehoorbeschadiging, orgaanschade en zwemblaasschade. Echter door de grote variëteit kan er niet geëxtrapoleerd worden tussen verschillende soorten en situaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is een effect juist in te schatten (Popper & Hastings, 2009). Vissen met een zwemblaas of luchtgevulde holte blijken door de drukgolven van dit type geluidsbronnen eerder beschadigd te raken dan vissen zonder zwemblaas of luchtgevulde holte (Andringa et al, 2007). Gedetailleerde gegevens met betrekking tot de afstand waarover het geluid van heiwerkzaamheden vissen kan beschadigen of beïnvloeden ontbreken tot dusver. Uit onderzoek is gebleken dat op korte afstand van de heiwerkzaamheden (25-50 m) acute sterfte kan optreden van vissen. Het is waarschijnlijk dat de zone waarin verwondingen kunnen optreden nog ruimer is (circa 150 m). Verstoring kan zelfs op nog veel grotere afstand plaatsvinden, tot wel 3.500 meter in sommige studies (Arcadis, 2015).
Omdat de werkzaamheden buiten de begrenzing van het Haringvliet en Voordelta plaatsvinden, vindt geen direct effect (verwonding of sterfte) plaats op de beschermde vissoorten. Noordzeehouting heeft een (open) zwemblaas en is daarom gevoelig voor onderwatergeluid afkomstig van heiwerkzaamheden. Van de geluidsintensiteit in het water van het Haringvliet en Voordelta als gevolg van het heien wordt een groot deel van de geluidenergie geabsorbeerd in de bodem (oever). Voor de noordzeehouting heeft het water rondom de Haringvlietdam geen specifiek belang, maar in oeverzones zijn deze wel te verwachten. Daarop kan een verstorend effect als gevolg van onderwatergeluid niet worden uitgesloten. Echter, vissen kunnen eenvoudig vluchten in het open water van het Haringvliet en Voordelta naar delen waar geen schade of hinder
23
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
worden ondervonden. Het lokale en tijdelijke karakter van de heiwerkzaamheden heeft hierdoor met zekerheid geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de noordzeehouting. Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken. De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start. Als gevolg van deze maatregelen zal van gehoorbeschadiging geen sprake zijn, vissen zullen tijdig de omgeving van de heilocatie vermijden. In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen. In dat geval is er geen sprake van verdragen inpulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op noordzeehouting uitgesloten.
5.3 Amfibieën Aan de westzijde van de Haringvlietdam, bij de huidige windturbines is geen geschikt leefgebied voor amfibieën aanwezig en zijn effecten uitgesloten. Effecten kunnen alleen optreden bij het plaatsen van de twee nieuwe turbines aan de oostzijde van de Haringvlietdam.
5.3.1
Aanlegfase
Rugstreeppad Van de rugstreeppad zijn in de nabijheid van het projectgebied recente waarnemingen bekend. De rugstreeppad heeft een voorkeur voor in de nabijheid van losgrondige zanderige bodems gelegen, snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën of waterinsecten. Ondiepe, vegetatievrije en vaak tijdelijke poelen op een zandige ondergrond worden door de soort als voorplantingswater gebruikt. Deze zijn in het projectgebied niet aanwezig. Overdag verblijven de rugstreeppadden in holtes (muizenholen), onder (schuil)elementen of ingegraven in de bodem. In het projectgebied worden verblijfplaatsen niet verwacht door het ontbreken van geschikt voortplantingswater en het huidige intensieve recreatieve gebruik en maaibeheer. Van ruimtebeslag op leefgebied als gevolg van de aanlegwerkzaamheden is geen sprake. De (graaf-) werkzaamheden leiden eveneens niet tot vernietiging van verblijfplaatsen of het doden van rugstreeppadden. Van rugstreeppadden is bekend dat ze vanuit de omgeving werkterreinen kunnen koloniseren als daar door de werkzaamheden los zand en/of ondiepe plassen (bijvoorbeeld in rijsporen) ontstaan. Deze ondiepe plassen zijn geschikt als voortplantingswater omdat de eieren hierin snel kunnen opwarmen.
Aanwezige rugstreeppadden kunnen in dat geval gedood of verwond worden door de graafwerkzaamheden en voertuigbewegingen. Indien waterplassen worden overreden of opgeruimd kunnen ook eieren en kikkervisjes gedood worden. De kolonisatie van het werkterrein door rugstreeppad kan voorkomen worden door te zorgen dat er, na een regenbui, geen ondiepe plassen ontstaan. Als kolonisatie wordt voorkomen, dan zijn effecten op rugstreeppad uitgesloten. Algemeen voorkomende amfibieën Effecten op gewone pad of mogelijk aanwezige andere algemeen voorkomende amfibieën zijn mogelijk tijdens het plaatsen van nieuwe turbines en kraanopstelplaatsen. Dit kan tot ruimtebeslag op leefgebied kan leiden. Tevens is het mogelijk dat verblijfplaatsen vernietigd of dieren gedood worden door (graaf-) werkzaamheden. Werkzaamheden leiden mogelijk tot het doden en verwonden van algemeen voorkomende amfibieën die niet op tijd het gebied kunnen ontvluchten bij de start van de werkzaamheden. Er is sprake van mogelijk ruimtebeslag van een beperkt oppervlak aan mogelijk geschikt foerageergebied, maar hiervoor geldt dat in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is waar dieren naar kunnen uitwijken. Effecten als gevolg van ruimtebeslag zijn uitgesloten.
Daarnaast leiden de werkzaamheden mogelijk tot verstoring van leefgebied, in de omgeving van de nieuwe windturbines is echter voldoende alternatief leefgebied aanwezig waar soorten naar kunnen uitwijken. Effecten als gevolg van verstoring zijn dan ook uitgesloten. Het verstoren en doden van algemeen voorkomende amfibieën kan niet worden uitgesloten. In de Provincie ZuidHolland geldt echter een algemene vrijstelling ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen voor deze algemeen voorkomende soorten. Dat wil zeggen dat in gevallen waar de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, er geen ontheffing behoeft aangevraagd te worden. Voor deze en alle andere in Nederland in het wild voorkomende soorten geldt wel de algemene zorgplicht. Deze houdt in dat een uitvoerder werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor in het wild levende dieren en planten (ongeacht beschermde status), in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan deze soorten te voorkomen.
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
24
5.3.2
Gebruiksfase
Er is slechts sprake van een verwaarloosbaar verlies aan oppervlak aan geschikt leefgebied voor voorkomende amfibieën. Aangezien in de omgeving voldoende leefgebied aanwezig is, heeft het verlies van dit beperkte oppervlak geen negatief effect op rugstreeppad, gewone pad of andere algemeen voorkomende amfibieën. Amfibieën zijn niet gevoelig voor geluid of slagschaduw van draaiende windturbines. Van een aantasting van de kwaliteit van leefgebied van amfibieën ter hoogte van de nieuwe windturbines is geen sprake.
5.4 Zoogdieren 5.4.1
Grondgebonden zoogdieren
Aan de westzijde van de Haringvlietdam, bij de huidige windturbines is geen geschikt leefgebied voor grondgebonden zoogdieren aanwezig en zijn effecten uitgesloten. Effecten kunnen alleen optreden bij het plaatsen van de twee nieuwe turbines aan de oostzijde van de Haringvlietdam. Aanlegfase Effecten op grondgebonden zoogdieren zijn mogelijk tijdens de aanlegfase waarbij het plaatsen van nieuwe turbines en kraanopstelplaatsen tot ruimtebeslag op leefgebied kan leiden. Tevens is het mogelijk dat verblijfplaatsen vernietigd of dieren gedood worden door (graaf-)werkzaamheden. Werkzaamheden leiden mogelijk tot het doden en verwonden van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren die niet op tijd het gebied kunnen ontvluchten bij de start van de werkzaamheden. Er is slechts sprake van een verwaarloosbaar verlies aan oppervlak aan geschikt leefgebied voor algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren. Aangezien in de omgeving voldoende leefgebied aanwezig is, heeft het verlies van dit beperkte oppervlak geen negatief effect op aanwezige grondgebonden zoogdiersoorten. De werkzaamheden leiden mogelijk tot verstoring van leefgebied. Dit effect is tijdelijk en in de omgeving is voldoende alternatief leefgebied aanwezig waar soorten naar kunnen uitwijken. Effecten als gevolg van verstoring zijn dan ook uitgesloten.
Het verstoren en doden van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren kan niet worden uitgesloten. In de Provincie Zuid-Holland geldt echter een algemene vrijstelling ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen voor deze algemeen voorkomende soorten. Dat wil zeggen dat in gevallen waar de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, er geen ontheffing behoeft aangevraagd te worden. Voor deze en alle andere in Nederland in het wild voorkomende soorten geldt wel de algemene zorgplicht. Deze houdt in dat een uitvoerder werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor in het wild levende dieren en planten (ongeacht beschermde status), in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan deze soorten te voorkomen. Gebruiksfase Er is niets bekend over effecten als gevolg van verstoring door draaiende windturbines op grondgebonden zoogdieren. De genoemde zoogdieren binnen het projectgebied worden ook waargenomen in de nabijheid van de bestaande windturbines. Naar verwachting treedt gewenning op, net zoals bij een weg, waardoor effecten als gevolg van verstoring kunnen worden uitgesloten.
5.4.2
Zeezoogdieren
Aanlegfase; onderwatergeluid De sloop- en bouwwerkzaamheden (met name het heien) voor het windpark kunnen leiden tot tijdelijke verstoring van zeezoogdieren (in dit geval gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis) en daarmee tijdelijk verlies aan niet primair leefgebied. Bij plotselinge harde geluiden onder water, bijvoorbeeld bij heiwerkzaamheden, is er kans op mogelijke fysieke of fysiologische effecten, bestaande uit tijdelijke- (TTS) of permanente gehoordrempelverschuiving (PTS) en in het ergste geval verwondingen. Over de afstanden waarbinnen deze effecten kunnen optreden is beperkt informatie voorhanden. Deze is afhankelijk van de gebruikte heistelling en heienergie, type heipaal en locatie (op land of water). Voor heiwerkzaamheden t.b.v. de aanleg van een steiger in de Rotterdamse haven heeft RHDHV (2017) berekeningen uitgevoerd naar de afstand waarbinnen TTS kan optreden (o.b.v. 178 dB, single strike). Hieruit komt naar voren dat voor bruinvis deze effecten kunnen optreden binnen een afstand van 2955m. Voor zeehonden is deze afstand bepaald op 1145m (RHDHV, 2017). Deze heiwerkzaamheden vonden plaats langs de kade in het water. De heiwerkzaamheden voor het windpark worden uitgevoerd op land, waardoor een groot deel van de geluidenergie wordt geabsorbeerd in de bodem (oever).
De verstoringsafstanden van de effecten van onderwatergeluid op bruinvis en zeehonden zullen hierdoor kleiner zijn. 25
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
Er zijn waarnemingen bekend van zeehonden en bruinvis in de voordelta ter hoogte van de Haringvlietdam. Gewone en grijze zeehonden worden in beperkte mate ook waargenomen in het Haringvliet. Mogelijk foerageren enkele individuen hier op vis. De omgeving van de Haringvlietdam is echter geen primair leefgebied van deze zeehonden en bruinvis. Voor zeehonden is dat de kustzone nabij hun rustgebieden op zandbanken. Voor bruinvis is dat het open water van de gehele Nederlandse kustzone en Noordzeegebied. De zeezoogdieren die door de werkzaamheden verstoord worden kunnen uitwijken naar elders in het Haringvliet en langs de kustzone. Ten opzichte van de populatie bruinvis, gewone zeehond en grijze zeehond zijn de aantallen mogelijk verstoorde individuen minimaal. Er zijn voor zeezoogdieren geen trekroutes tussen de Voordelta en het Haringvliet. De zeehonden en bruinvissen die tussen de Delta en Waddenzee langs de kust trekken ondervinden geen hinder van de werkzaamheden die zich tot het projectgebied van het windpark beperken. Effecten van de verstoring op de populaties van gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis zijn uitgesloten. Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken. De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start.
Als gevolg van deze maatregelen zal van gehoorbeschadiging geen sprake zijn, dieren zullen tijdig de omgeving van de heilocatie vermijden. In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen. In dat geval is er geen sprake van verdragende impulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op zeezoogdieren uitgesloten. Aanlegfase; bovenwatergeluid In de directe omgeving kunnen tijdens de uitvoering van werkzaamheden foeragerende zeehonden en bruinvissen aanwezig zijn. Tijdens het verblijf in het water is bovenwater geluid minder van belang voor zeehonden en bruinvis dan onderwatergeluid. Deze zeezoogdieren foerageren immers een groot deel van hun tijd in het water en hoeven alleen bovenwater te komen om adem te halen. Voor bruinvissen is bovenwater geluid om die reden niet van negatieve invloed. Voor zeehonden is bovenwater-verstoring vooral van belang als zij gebruik maken van zeehondenrustplaatsen. De verstoringsafstand boven water bedraagt 1.200 meter (Brasseur & Reijnders, 1994, richtlijn Rijkswaterstaat). De wateren nabij het projectgebied hebben geen specifieke functie als rustgebied voor zeehonden. Verstoring van ligplaatsen in de Voordelta is gezien de afstand (>4 km) uitgesloten. Negatieve effecten op de gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis als gevolg van bovenwatergeluid door de aanlegwerkzaamheden zijn uitgesloten.
Gebruiksfase Er is weinig bekend over effecten als gevolg van verstoring door de draaiende windturbines op zeehonden of bruinvis. Deze zeezoogdieren nabij het projectgebied worden ook waargenomen in de nabijheid van de bestaande windturbines, zoals rond windparken langs de Oosterscheldekering. Naar verwachting treedt gewenning op, waardoor effecten als gevolg van verstoring kunnen worden uitgesloten.
5.4.3
Vleermuizen
Aanlegfase Rosse vleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis zijn vliegend en foeragerend waargenomen binnen het projectgebied. Met name rosse vleermuis en gewone dwergvleermuis zijn het hele vleermuisactieve jaar binnen het projectgebied aanwezig. Met name rosse vleermuis is daarbij ook op grotere hoogte aanwezig. De ruige dwergvleermuis is eveneens het hele jaar aanwezig waarbij op basis van het veldonderzoek van Buijs & Halters (2019b, 2021) blijkt dat langs de Haringvlietdam migratie van deze soort plaatsvindt. Vleermuizen foerageren en migreren in de schemering en ’s avonds. Effecten kunnen optreden wanneer er werkverlichting wordt gebruikt bij opslagplaatsen of bij werkzaamheden in het donker. Vleermuizen zijn namelijk lichtschuw en zullen gebieden met veel licht mijden. Wanneer het aanwezige foerageergebied verlicht is kan dit problemen geven omdat de alternatieven binnen het projectgebied beperkt zijn. Indien werkzaamheden in de avond en nacht worden uitgevoerd en/of wanneer depotlocaties ’s nachts verlicht worden, kan verstoring op vleermuizen worden voorkomen door het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting als mitigerende maatregel. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn binnen het projectgebied niet aanwezig, waardoor negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen tijdens de aanlegfase zijn uitgesloten.
Gebruiksfase De aanwezigheid van windturbines op plaatsen waar vleermuizen aanwezig zijn kan leiden tot het doden van vleermuizen als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen. Niet alle vleermuissoorten lopen hierbij evenveel risico. Van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis en laatvlieger is
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
26
het optreden van aanvaringsslachtoffers bij de geplande windturbines niet op voorhand uit te sluiten. De twee nieuwe windturbines aan de oostzijde van de Haringvlietdam komen op korte afstand te staan van de oever van het Haringvliet. Voor dergelijke locaties in de kustzone van Nederland geldt een verhoogd risico op vleermuisslachtoffers. Migrerende vleermuizen komen met name in de kustzone van Nederland voor en volgen daarbij oevers van grote wateren, dijken en dammen. In het onderzoek naar aanvaringsslachtoffers voor dit project door Bureau Waardenburg (Prinsen et al, 2022) is een worst case schatting van het aantal slachtoffers voor de twee geplande windturbines op de Haringvlietdam bepaald op 15 slachtoffers per turbine per jaar. Voor de twee geplande windturbines wordt uitgegaan van maximaal 30 slachtoffers per jaar. Op basis van de gecorrigeerde soortensamenstelling en de huidige situatie is het verwachte aantal slachtoffers door Prinsen et al. per soort bepaald voor rosse vleermuizen, ruige dwergvleermuizen en gewone dwergvleermuizen per jaar voor het gehele windpark. Tweekleurige vleermuis en laatvlieger zijn niet jaarlijks als slachtoffer te verwachten maar mogelijk wel incidenteel binnen de gehele exploitatieperiode van het windpark. Ook voor de zes bestaande windturbines is door Bureau Waardenburg het mogelijk aantal slachtoffers op basis van kengetallen berekend.
De bestaande zes turbines veroorzaken naar verwachting ongeveer 50 vleermuis-slachtoffers per jaar. Dit is meer dan het maximale aantal slachtoffers voor de twee toekomstige windturbines (n= 30). Aangezien het verwijderen van de zes oude windturbines onderdeel vormt van het initiatief en geen sprake is van een dubbeldraaiperiode, zijn effecten op vleermuispopulaties uit te sluiten. Het initiatief zorgt zelfs voor een vermindering van het totaal aantal vleermuisslachtoffers. Het is uitgesloten dat de gunstige staat van instandhouding van de lokale vleermuispopulaties in het geding komt, omdat het effect van het verwijderen van de zes bestaande windturbines ruimschoots compenseert voor het effect van de twee nieuwe turbines. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat de lokale vleermuispopulaties hun huidige omvang hebben bereikt, terwijl er al windturbines staan. De rosse vleermuis kwam van oorsprong in het gebied niet eens voor; de populatie heeft zich tenminste tien jaar geleden kunnen vestigen (Mostert, 2012) ondanks de aanwezigheid van windturbines. Voor de volledige onderbouwing bij het bepalen van het aantal aanvaringsslachtoffers per (per soort) en de saldering met de huidige windturbines, wordt verwezen naar hoofdstuk 12 van het rapport van Prinsen et al, 2022.
5.5 Vogels 5.5.1
Algemene broedvogels
De westzijde van de Haringvlietdam bestaat volledig uit steenbekleding en is niet geschikt als broedgebied voor vogels. Bij het verwijderen van de bestaande windturbines zijn negatieve effecten op broedvogels uitgesloten. Aanlegfase, verstoring algemeen Door het inrichten van nieuwe turbinelocaties, kraanopstelplaatsen en depotlocaties treedt er permanent ruimtebeslag op van broedlocaties. Het werkelijke areaal dat hierdoor ongeschikt wordt als broedgebied is beperkt en in de directe omgeving is voldoende alternatief broedgebied beschikbaar. Een negatieve effect als gevolg van permanent ruimtebeslag op broedlocaties is niet aan de orde. Als de werkzaamheden starten in het broedseizoen kunnen broedvogels en hun jongen op de bouwlocaties van de 2 nieuwe windturbines gedood worden. Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd kan eveneens verstoring van de omgeving optreden door geluid (heiwerkzaamheden, sloopwerkzaamheden, verwijderen struweel, etc.), door verlichting bij werkzaamheden ’s avonds en ’s nachts en visuele prikkels van aanwezig personeel en materieel (kranen, vrachtwagens, etc.). Wanneer de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen worden gestart zullen meerdere soorten broedvogels uitwijken naar geschikte broedgebieden in de directe omgeving waar geen werkzaamheden plaatsvinden.
Als de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, is in het ergste geval het gehele projectgebied ten oosten van de Haringvlietdam ongeschikt als broedgebied tijdens het jaar van de nieuwbouwwerkzaamheden. Effecten als gevolg van verstoring van broedvogels of het doden van (jonge) vogels door de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Voor de aanwezige broedvogels zijn deze effecten in de aanlegfase met gepaste preventieve maatregelen (werk voorafgaand aan het broedseizoen (15 maart – 15 juli) starten of voorafgaand aan het broedseizoen het gebied ongeschikt maken als broedgebied) goed te voorkomen. Omdat er ook gewerkt moet worden buiten het stormseizoen (1 oktober – 15 april) is volledig werken buiten het broedseizoen niet mogelijk.
27
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
Aanlegfase, verstoring heiwerkzaamheden Verstoring door geluid dat ver draagt (over land en water) kan ook voor verstoring zorgen van broed-, rust,- en foerageergebieden (verder) buiten het projectgebied. Maatgevend voor deze verstoring zijn de mogelijke heiwerkzaamheden (worst case) ten behoeve van de twee nieuwe turbines. Deze effecten worden hierna verder onderzocht en beoordeeld. De gevoeligheid van vogels voor piekgeluiden zoals van heiwerkzaamheden is beperkt onderzocht en kennis is summier. Bij veel effectstudie wordt het effect op vogels bepaald aan de hand van een 45 of 47 dB(A)-contour. Deze contour wordt als drempelwaarde voor verstoring van vogels van open landschappen gehanteerd (Reijnen et al. 1992). En is derhalve van toepassing op alle vogelsoorten van de broedgebieden die grenzen aan het projectgebied voor het windpark. In recenter onderzoek van Foppen & Roodbergen (2020) wordt voor ongelijkmatig/piekgeluid (zoals bij heiwerkzaamheden) aangegeven dat er, volgens Cutts et al. (2009) geen of geringe effecten optreden onder de 70 dB(A) als maximumwaarde. Deze is echter alleen bepaald voor niet-broedende kustvogels (watervogels, steltlopers en meeuwen/sterns) en is dus alleen voor deze soortgroepen bruikbaar.
De daadwerkelijke ligging van een geluidscontour en daarmee de verstoringsafstand voor vogels is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder; de gebruikte heistelling en hei-energie, type heipaal, locatie (op land of water), ruwheid van het terrein en windrichting. De verstoringsafstand die uit verschillende studies naar voren komt varieert van 400m voor niet-broedvogels (Cutts et al. 2009, Foppen & Roodbergen, 2020) tot 1.089m of zelfs 2.500m voor broedvogels en niet-broedvogels (van der Aa, 2019, Arcadis, 2015). Voor het in beeld brengen van de effecten in de aanlegfase zijn geluidscontouren van de heiwerkzaamheden bepaald. Voor de twee windturbinelocaties zijn geluidscontouren berekend voor 2 varianten, namelijk bij het gebruik van betonnen en stalen heipalen2. Voor de berekeningen is het maximum piekgeluidniveau van 70 dB(LA max) gehanteerd, als drempelwaarde waaronder geen of geringe effecten optreden bij niet-broedende kustbroedvogels (Cutts et al, 2009). De geluidscontouren zijn per windturbine (HVD1 en HVD2) weergegeven in afbeeldingen 5.1 en 5.2. De verstoringsafstand van de heiwerkzaamheden voor het windpark wordt voor een deel bepaald door het landschap rondom het projectgebied.
Aan de noord- en zuidzijde ligt het open water van de Voordelta en het Haringvliet waar het heigeluid relatief ver reikt, aan de noordzijde bevindt zich de Haringvlietdam en aan de oostzijde het duingebied welke beide als buffer fungeren voor het geluid.
Afbeelding 5.1: Geluidscontouren voor het heien van funderingspalen van beton (links) en staal (rechts) voor windturbine (HVD1).
2 Voor het heien met stalen buispalen is uitgegaan van een maximaal bronvermogen van 143 dB(A). Voor het heien met betonnen
buispalen is uitgegaan van een maximaal bronvermogen van 139 dB(A). Op basis van de geluidbronvermogen is voor beide windturbinelocaties de 70 dB (LA max) contour berekend. De geluidcontouren zijn berekend op een beoordelingshoogte van +1m.
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
28
Afbeelding 5.2: Geluidscontouren voor het heien van funderingspalen van beton (links) en staal (rechts) voor windturbine (HVD2). Belangrijke broedgebieden in het Haringvliet liggen op grotere afstand (zoals Quackgors op ca 3km en Slijkplaat op ca 6,5km) en buiten de maximale verstoringsafstanden (zoals bepaald door Van der Aa, 2019 en Arcadis, 2015), waardoor effecten op broedvogels van deze broedgebieden zijn uitgesloten. Het belangrijkste broedgebied in het natuurgebied Voornes Duin, Quackjeswater, ligt op ca 1 km van het projectgebied. Tussen dit broedgebied en het projectgebied ligt de Haringvlietdam met de N57 en het duingebied. De geluidscontouren laten zien dat beide een bufferende werking hebben waardoor het maximum piekgeluidniveau van 70 dB(LA max) zodanig wordt gedempt (met name voor heiwerkzaamheden bij HDV2), dat de toename van geluidsverstoring beperkt is. Hierdoor lijkt het dat dit geen extra verstoring van broedvogels bij Quackjeswater tot gevolg heeft. Het maximum piekgeluidniveau van 70 dB(LA max) is echter alleen bruikbaar voor niet-broedende kustvogels en kan slechts als indicatie gebruikt worden voor effecten op broedvogels. Effecten op broedvogels bij Quackjeswater kunnen op basis hiervan niet worden uitgesloten.
Daarnaast kunnen ook lokaal broedende vogels binnen het projectgebied en de ruime omgeving daarvan (aan de oostzijde van het projectgebied) door de heiwerkzaamheden verstoord worden. Dit betreft voornamelijk zangvogels die broeden in aanwezige bomen en struweel. Negatieve effecten op broedvogels in het broedseizoen kunnen niet worden uitgesloten. De heiwerkzaamheden tijdens de aanlegperiode dienen daarom buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) te worden uitgevoerd. Gebruiksfase In de gebruiksfase hebben windturbines in het algemeen een beperkte verstorende invloed op broedvogels die broeden in het gebied waar de windturbines gebouwd worden (Pearce-Higgins et al. 2009; Hötker 2017). Bij veel soorten zijn in het geheel geen verstorende effecten in de broedperiode aangetoond, en waar dat wel het geval is, zijn de effectafstanden geringer dan die buiten de broedperiode. Doordat vogels in het broedseizoen doorgaans in ruimtelijk verspreide territoria voorkomen zijn de aantallen beïnvloede vogels daarnaast veelal kleiner dan buiten het broedseizoen. Voor broedende zangvogels in open gebieden (o.a. veldleeuwerik, gele kwikstaart, roodborsttapuit) zijn tot nu toe geen of slechts geringe (< 50m) verstoringseffecten vastgesteld (cf. Pearce-Higgins et al. 2012).
Alleen voor de graspieper laten verschillende onderzoeken uiteenlopende resultaten zien en kan op basis hiervan niet worden uitgesloten dat de soort tot circa 100m verstoord wordt (Steinborn et al. 2011). Binnen het projectgebied en de directe omgeving zijn voor deze soort voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig. Voor broedvogels van bos en halfopen gebied zijn geen of in slechts beperkte mate effecten van windturbines op de aantallen en ruimtelijke verspreiding vastgesteld (Garcia et al. 2015; Reichenbach et al. 2015). Negatieve effecten op lokale broedvogels als gevolg van de gebruiksfase van de twee nieuwe windturbines zijn verwaarloosbaar en van een effecten op de staat van instandhouding van lokale populaties is geen sprake. Sterfte onder vogels in het broedseizoen als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen van de nieuwe turbines zijn door Bureau Waardenburg bepaald en beoordeeld aan de hand van berekeningen met het Flux-Collision Model. Van de vogelsoorten die in de omgeving broeden blijkt vooral grote stern, visdief, kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw en kokmeeuw in het broedseizoen (april t/m augustus) bij het bestaande en nieuwe windpark rond te
29
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
vliegen. Voor alle beschouwde vogelsoorten in het broedseizoen geldt dat de additionele sterfte veroorzaakt door de twee windturbines gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de staat van instandhouding van de desbetreffende broedpopulatie. Daarbij vormt het verwijderen van de zes oude windturbines onderdeel van het initiatief en er is geen sprake is van een dubbeldraaiperiode. Per soort is dus per saldo met zekerheid geen sprake van een toename van sterfte in het broedseizoen als gevolg van het initiatief, maar is in de meeste gevallen juist sprake van een duidelijke afname van de sterfte. Effecten op de gunstige staat van instandhouding van broedvogelpopulaties zijn daarom met zekerheid uit te sluiten.
5.5.2
Niet-broedvogels
Aanlegfase Door het uitvoeren van verstorende werkzaamheden kunnen locaties tijdens de werkzaamheden tijdelijk niet of minder geschikt zijn als rust- en slaapplaats en foerageergebied voor niet-broedvogels. Het is voor veel vogels mogelijk om uit te wijken naar rust- en foerageergebied in de omgeving, maar naarmate zich meer vogels in de Delta bevinden (hetgeen vooral in de wintermaanden het geval is), neemt de aanwezigheid van geschikte uitwijkmogelijkheden af. Het huidige en nieuwe windpark en de directe omgeving zijn niet van groot belang als rustgebied (HVP), slaapplaats of foerageergebied voor niet-broedvogels, behalve het Quackjeswater, dat onder andere een belangrijke slaapplaats is voor aalscholvers. Andere belangrijke gebieden voor niet-broedvogels (watervogels, steltlopers en meeuwen/sterns) liggen op grotere afstand van het nieuw windpark, waaronder Kwade hoek, Scheelhoek, Quackgors en Slijkplaat. Door Prinsen et al. (2022) is voor de soorten die bij het projectgebied zijn waargenomen het belang van deze gebieden nader toegelicht. Verstoring door geluid dat ver draagt (over land en water) kan ook voor verstoring zorgen van deze rust-, en slaapplaatsen en foerageergebieden (verder) buiten het projectgebied. Maatgevend voor deze verstoring zijn de heiwerkzaamheden ten behoeve van de twee nieuwe turbines.
Voor het bepalen van effecten van ongelijkmatig/piekgeluid (zoals bij heiwerkzaamheden) op niet-broedende kustvogels is de drempelwaarde van 70 dB (LA max) gehanteerd. Volgens Cutts et al. (2009) treden er geen of geringe effecten op onder de 70 dB(A) als maximumwaarde. Uit de geluidscontouren weergegeven in afbeeldingen 5.1 en 5.2 blijkt dat de 70 dB(A)-geluidscontour niet reikt tot aan een van de genoemde rust- en slaapplaatsen en foerageergebieden. Effecten op niet-broedvogels als gevolg van het ongelijkmatig/piekgeluid van de (tijdelijke) heiwerkzaamheden treden niet op. De heiwerkzaamheden zijn niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de desbetreffende nietbroedvogelsoorten. Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken. De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start. Als gevolg van deze maatregelen zal van negatieve effecten geen sprake zijn, niet-broedvogels binnen de verstoringszone van de heilocatie zullen deze tijdig vermijden. In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen. In dat geval is er geen sprake van verdragende impulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op niet-broedvogels ook uitgesloten. Gebruiksfase Door aanvaring van vogels met de rotorbladen van windturbines neemt de sterfte toe.
Wanneer er grote aantallen slachtoffers vallen heeft dit mogelijk een effect op de populaties van aanwezige vogelsoorten. Sterfte onder nietbroedvogels als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen van de nieuwe turbines zijn door Bureau Waardenburg bepaald en beoordeeld aan de hand van berekeningen met het Flux-Collision Model. Van de niet-broedvogels die bij het bestaande en nieuwe windpark rond te vliegen blijken vooral aalscholver, scholekster, grote stern, visdief, grote mantelmeeuw, zilvermeeuw en kokmeeuw buiten het broedseizoen (september t/m maart) slachtoffer te worden. Voor alle beschouwde niet-broedvogelsoorten geldt dat de additionele sterfte veroorzaakt door de twee windturbines gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de staat van instandhouding van de desbetreffende populatie. Daarbij vormt het verwijderen van de zes oude windturbines onderdeel van het initiatief en er is geen sprake is van een dubbeldraaiperiode. Per soort is dus per saldo met zekerheid geen sprake van een toename van sterfte in het broedseizoen als gevolg van het initiatief, maar is in de meeste gevallen juist sprake van een duidelijke afname van de sterfte. Effecten op de gunstige staat van instandhouding van populaties niet-broedvogels zijn daarom met zekerheid uit te sluiten.
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
30
5.5.3
Trekvogels
Aanlegfase Seizoenstrek vindt plaats in het voorjaar en najaar en over het algemeen op grote hoogte. Van verstoring van trekvogels als gevolg van de sloop van bestaande windturbines en bouw van 2 nieuwe windturbines en kraanopstelplaatsen is geen sprake, mochten deze werkzaamheden samenvallen met het trekseizoen. Trekvogels zullen hoge obstakels zoals kranen en (niet draaiende) windturbines ontwijken waardoor van een wezenlijke verstoring van trekvogels geen sprake is. Gebruiksfase Seizoenstrek vindt over het algemeen op grote hoogte plaats waardoor het aanvarings-risico voor vogels op seizoenstrek met de windturbines dan relatief laag is. Onder bepaalde (weers)omstandigheden kan echter een substantieel deel van de trek op rotorhoogte plaatsvinden. Vanwege het relatief grote aantal vogels dat tijdens seizoenstrek het projectgebied passeert, zullen dan meerdere vogels met de windturbines kunnen botsen, vooral in het donker wanneer de windturbines minder goed zichtbaar zijn. Ook de sterfte onder trekvogels als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen van de nieuwe turbines zijn door Bureau Waardenburg bepaald en beoordeeld aan de hand van berekeningen met het Flux-Collision Model.
Voor algemene soorten, die in grote aantallen het projectgebied passeren, zoals lijsters, roodborst en spreeuw, kunnen gedurende de looptijd van circa 30 jaar per soort enkele individuen slachtoffer worden van een aanvaring met de twee geplande windturbines. Voor schaarse soorten, die in kleine aantallen het projectgebied passeren, zoals kwartel en ransuil, zijn slachtoffers gedurende de looptijd van het windpark uitgesloten, uiterste incidenten daargelaten. Voor alle beschouwde trekvogels geldt dat de additionele sterfte veroorzaakt door de twee windturbines gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de staat van instandhouding van de desbetreffende populatie. Daarbij vormt het verwijderen van de zes oude windturbines onderdeel van het initiatief en er is geen sprake is van een dubbeldraaiperiode. Per soort is dus per saldo met zekerheid geen sprake van een toename van sterfte in het broedseizoen als gevolg van het initiatief, maar is in de meeste gevallen juist sprake van een duidelijke afname van de sterfte. Effecten op de gunstige staat van instandhouding van populaties trekvogels zijn daarom met zekerheid uit te sluiten.
5.5.4
Zeearend
De zeearend wordt de laatste jaren met regelmaat waargenomen in de monding van het Haringvliet, de Kwade Hoek, de Scheelhoek, de buitendijkse gorzen langs het Haringvliet, zoals het Quackgors, de Korendijkse Slikken en het eiland Slijkplaat in het Haringvliet. Deze gebieden hebben voor de zeearend veel voedsel te bieden. Begin 2021 heeft een paar een nest gebouwd in het wilgenbos op de Korendijkse Slikken, buitendijks langs de noordrand van het Haringvliet op circa 13 km ten oosten van het projectgebied. In mei werd bekend dat het nest twee jongen bevatte. Het is niet ondenkbaar dat op korte termijn, naast de broedparen op de Korendijkse Slikken en Hellegatsplaten, nog meer zeearenden zich vestigen in (de omgeving van) het Haringvliet en het aantal waarnemingen in de omgeving van het projectgebied zal toenemen. Incidenteel zal een zeearend vanuit of op weg naar eerdergenoemde watervogelrijke gebieden over het projectgebied kunnen vliegen, maar er zijn tot nu toe geen aanwijzingen dat dit meer dan sporadisch gebeurt. Door Bureau Waardenburg (Prinsen et al. 2022) wordt onderbouwd geconcludeerd dat effecten op deze soort als gevolg van het risico op aanvaringen met de twee geplande windturbines vooralsnog nihil is. Het projectgebied ligt op meer dan 13 km van het dichtstbijzijnde nest (op de Korendjikse Slikken).
Dit is ruim buiten de afstand van 6 km waarbinnen veelal de bulk van de activiteit van de oudervogels in het broedseizoen plaatsvindt (Grünkorn & Nehls 2017). Ook zijn er geen aanwijzingen dat het projectgebied in een corridor ligt tussen de twee hiervoor beschreven nestlocaties in het Haringvliet en watervogelrijke voedselgebieden buiten het Haringvliet, zoals de Kwade Hoek. Regelmatige voedselvluchten over het projectgebied in het broedseizoen van dit broedpaar zijn daarom uitgesloten. Het aanvaringsrisico kan in de komende jaren veranderen, mocht bijvoorbeeld een broedpaar zeearend zich in de directe omgeving (< 6 km) van het projectgebied vestigen. E-Connection Projects BV heeft op voorhand besloten om met de bouw van de twee nieuwe windturbines een signaleringssysteem te installeren voor grote vogels, waaronder de zeearend. Met het inzetten van dit signaleringssysteem is geborgd dat aanvaringsslachtoffers van zeearend tijdens de volledige exploitatiefase worden voorkomen, uiterste incidenten daargelaten.
31
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
6. Toetsing beschermde houtopstanden Binnen de Wnb zijn houtopstanden onder bepaalde voorwaarden beschermd. De provinciale ‘Verordening uitvoering Wnb Zuid-Holland’ geeft hier nadere invulling aan. Als houtopstanden gekapt worden, dan kan het zijn dat er een kapmelding nodig is, met een herplantplicht. In dit hoofdstuk wordt nagegaan of dit voor de windturbines op de Haringvlietdam het geval is. 6.1 Effect op aanwezige houtopstanden Houtopstanden zijn zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken en hakhout of griend die een oppervlakte vanaf 10 are (1000m2) beslaan, of een rij van 20 bomen of meer. In de Wnb richt de bescherming zich op houtopstanden die gelegen zijn buiten de komgrens houtopstanden. In afbeelding 6.1 is de gemeentegrens van Hellevoetsluis weergegeven en ook de komgrens houtopstanden (voor Zuid-Holland zie: https://geo.ozhz.nl/?@Komgrenzen_ZH_Wnb). Het projectgebied ligt buiten deze komgrens houtopstanden, waardoor er bepaald moet worden of er houtopstanden gekapt worden voor het project en of hiervoor een kapmelding en herplantplicht geldt. Bij het verwijderen van de bestaande 6 windturbines worden geen bomen of andere houtopstanden verwijderd. Bij het plaatsen van de twee nieuwe windturbines is er wel sprake van het verwijderen van houtopstanden voor de bouw van windturbine HVD2 (zie afbeelding 1.3).
Alleen op de locatie van deze windturbine wordt de aanwezige groenstructuur, voornamelijk duindoornstruweel, verwijderd om plaats te maken voor de nieuwe turbine.
Afbeelding 6.1: Gemeentegrens Hellevoetsluis (zwarte lijn) en komgrens Zuid-Holland Boswet (groene lijn). Bron: https://geo.ozhz.nl/?@Komgrenzen_ZH_Wnb.
6.2 Beoordeling houtopstanden Het areaal struweel dat verwijderd wordt is als zelfstandige eenheid circa de 1500m2 en 2000m2 groot. Daarmee komt de oppervlakte boven de vrijstellingsdrempel uit (van 10 are). Daarnaast valt het te verwijderen struweel niet binnen één van de vrijstelling-categorieën zoals opgenomen in de wet (waaronder: aanwezig op tuin of erf, fruitbomen en windschermen om boomgaarden, kerstbomen, kweekgoed, populieren of wilgen, griend- of hakhout). Voor het verwijderen van het struweel op de nieuwe turbinelocatie HVD2 geldt derhalve een meldingsen herplantplicht. Binnen één jaar na de meldingsdatum moet de velling worden uitgevoerd. Mogelijk is een ontheffing nodig indien de herplant niet tijdig of niet ter plaatse kan worden uitgevoerd.
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
32
7.1.2
Mitigerende maatregelen
In deze paragraaf zijn de mitigerende maatregelen beschreven die noodzakelijk zijn om overtreding van de verbodsbepalingen zo veel als mogelijk te voorkomen en de compenserende maatregelen die nodig zijn om een aantasting van de gunstige staat van instandhouding te voorkomen. Het toepassen van deze maatregelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is niet vrijblijvend. De Wnb schrijft namelijk voor dat een ontheffing alleen verleend kan worden als er geen andere bevredigende oplossing is en de staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Dat betekent dat als mitigatie in redelijkheid mogelijk is, dit ook verplicht is. Daarnaast zijn vaak ook nadere maatregelen noodzakelijk om tegemoet te komen aan de zorgplicht. Verder kan een ontheffing alleen verleend worden wanneer er geen gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort. Om dit zeker te stellen kan het nodig zijn een compenserende maatregel uit te voeren. De maatregelen zijn hieronder uitgewerkt. ▪
Indien werkzaamheden zijn voorzien op locaties met glad biggenkruid kunnen deze vernietigd worden. Negatieve effecten op groeiplaatsen van glad biggenkruid die voorkomen binnen het werkterrein (turbinelocatie, depotlocatie, kraanopstelplaats of transportroute) worden uitgesloten door locaties met glad biggenkruid te vermijden. Als dat niet mogelijk is dan worden, in de daarvoor geschikte periode, exemplaren afgegraven en na de werkzaamheden teruggeplaatst, of verplaatst naar een geschikte donorlocatie buiten het werkterrein. Het afgraven en/of verplaatsen vindt plaats onder begeleiding van een ter zake kundig ecoloog.
▪
Het doden en verstoren van broedvogels in het projectgebied kan voorkomen worden door de werkzaamheden aan de 2 nieuwe windturbines voorafgaand aan het broedseizoen te starten of door voorafgaand aan het broedseizoen het projectgebied ongeschikt maken én te houden als broedgebied. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. De exacte broedperiode verschilt echter per soort en is afhankelijk van weersomstandigheden. Door één van deze maatregelen voorafgaand aan het broedseizoen te starten hebben lokale broedvogels (m.n. zangvogels) de mogelijkheid om een geschikte broedlocatie te zoeken buiten de verstoringscontour van de werkzaamheden.
▪
Om negatieve effecten op broedvogels binnen en buiten het projectgebied te voorkomen dienen de heiwerkzaamheden ten bate van de bouw van de twee nieuwe windturbines uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen, of gestart voorafgaand aan het broedseizoen. Onderbreek in het laatste geval het heien voor niet meer dan 2 kalenderdagen. Voor het broedseizoen wordt de periode 15 maart tot 15 juli aangehouden. Bij het toepassen van deze maatregel is het aanvragen van een ontheffing voor broedvogels niet nodig.
▪
Om negatieve effecten op vissen, zeezoogdieren en niet-broedvogels te voorkomen mag er voor de heiwerkzaamheden (indien dit technisch noodzakelijk is) ten bate van de bouw van de twee nieuwe windturbines maximaal 14 dagen per windturbine worden geheid. Verder dienen de heiwerkzaamheden niet meteen op volle kracht te beginnen, maar worden aangevangen met een slow start (toenemende frequentie heien) en soft start (toenemende hei-energie heien). Daarbij wordt de hei-energie langzaam opgevoerd, zodat schrikeffecten onder aanwezige vissen, zeezoogdieren en niet-broedvogels worden geminimaliseerd. Dit geldt ook voor een eventuele herstart van de heiwerkzaamheden na een onderbreking. Bij het toepassen van deze maatregel is het aanvragen van een ontheffing voor zeezoogdieren niet nodig.
▪
De verstorende negatieve effecten als gevolg van het verdragende impulsgeluid van de heiwerkzaamheden kunnen volledig voorkomen worden door het boren van de heipalen. Met deze trilling-arme hei-methode is ook werken in het broedseizoen mogelijk.
▪
Zorg er voor dat er tussen april en augustus, op het werkterrein, transportroute en depotlocaties geen ondiepe plassen ontstaan. Vooral na flinke regenbuien. Dit voorkomt kolonisatie door rugstreeppadden. Het werkterrein, transportroute en depotlocaties moet ongeschikt worden gemaakt/gehouden voor deze soort.
▪
Effecten op vleermuizen tijdens de aanlegfase worden voorkomen door vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen wanneer er tijdens schemer of donker wordt gewerkt of wanneer opslagplaatsen ’s avonds verlicht moeten worden.
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
34
▪
De meest effectieve methode om het aantal aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen te verlagen is door tijdens vleermuis-actieve periodes windturbines bij lage windsnelheden stil te zetten. Afhankelijk van de wijze waarop deze zogenaamde stilstandsvoorziening is ingeregeld, wordt gerekend met circa 80% slachtofferreductie onder vleermuizen (Lagrange et al. 2013, Prinsen et al. 2022). Concreet houdt dat in dat de startwindsnelheid verhoogd wordt en dat voorkomen wordt dat de rotorbladen in vrijloop sneller draaien dan 1 rpm. Voor het reduceren van het aantal vleermuisslachtoffers bij de nieuwe windturbines op de Haringvlietdam geven de resultaten van Buijs (2021) de beste aanknopingspunten. Vleermuisactiviteit op de Haringvlietdam is op hoogte aanwezig: o Tussen zonsondergang en zonsopkomst; o Tussen 1 april en 15 oktober; o Bij temperaturen van 10 graden Celsius of warmer; o Bij droog weer (<1mm/u) o Bij windsnelheden kleiner of gelijk aan 6 m/s op ashoogte. Alleen wanneer er sprake is van het tegelijkertijd optreden van deze voorwaarden wordt de stilstandsvoorziening in werking gezet. Indien aan één of meerdere van bovenstaande voorwaarden niet wordt voldaan, dan kan de windturbine zonder beperkingen draaien (zie ook NIEWHOL, 2021).
Wanneer de windturbines gebouwd zijn, kunnen middels een monitoringsprogramma metingen van de vleermuisactiviteit uitgevoerd worden in het rotorbereik. Aan de hand van die metingen kan de stilstandsvoorziening verder verbeterd worden.
7.1.3
Algemene zorgplicht
Voor alle aanwezige in het wild levende soorten geldt de algemene zorgplicht. Het is van belang dat iedereen bij de uitvoering van de werkzaamheden zich hiervan bewust is. Geadviseerd wordt om activiteiten die nadelig kunnen zijn voor in het wild levende dieren en planten (ongeacht bescherming), in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan deze soorten te voorkomen. Bij het aantreffen van diersoorten moeten deze de kans worden gegeven om de werkzaamheden te ontvluchten en waardevolle vegetatie moet niet onnodig beschadigd of verwijderd worden.
7.1.4
Ecologisch werkprotocol en Monitoringsplan.
Ecologisch werkprotocol Ten aanzien van een aantal beschermde soorten (tabel 6.1) dient zorgvuldig gehandeld te worden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Anders bestaat de kans dat verbodsbepalingen worden overtreden. Dit zorgvuldig handelen kan worden gewaarborgd door het opstellen van een ecologisch werkprotocol. Deze dient te worden opgesteld door een ecologisch deskundige. Hierin worden de werkzaamheden beschreven, worden maatregelen opgenomen om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen en wordt vastgelegd hoe de uitvoering van deze maatregelen wordt gewaarborgd. Opdrachtgever dient zich aan het ecologisch werkprotocol te houden en het werkprotocol dient altijd aanwezig te zijn op de werklocatie. Het ecologisch werkprotocol zal uiterlijk 8 weken voor aanvang van de bouw ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. Monitoringsplan Om aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen en grote vogels zo veel mogelijk te voorkomen wordt respectievelijk een stilstandsvoorziening en signaleringssysteem in werking gesteld. Om de werking hiervan te beoordelen en waar nodig te kunnen verbeteren wordt een Monitoringsplan opgesteld. Met akoestische metingen binnen het rotorbereik wordt het effect van de stilstandsvoorziening bepaald.
Aan de hand van stilstandsmomenten, vogelstellingen, broedgegevens en visuele waarnemingen wordt de werking van het signaleringssysteem voor grote vogels in beeld gebracht. Het Monitoringsplan zal uiterlijk 8 weken voor aanvang van de bouw ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd.
7.2 Ontheffing 7.2.1
Onderbouwing
Voor vogels, vleermuizen en glad biggenkruid kan een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb niet voorkomen worden en is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk. Dit wordt hieronder per soortgroep verder toegelicht. In bijlage 2 is per soortgroep een overzicht opgenomen van de verbodsbepalingen die worden overtreden, voor welke soorten in dat kader een ontheffing wordt aangevraagd en wat hierbij het gehanteerde wettelijke belang is. 35
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
Sterfte van vogels en vleermuizen als gevolg van aanvaringen met windturbines wordt gezien als het opzettelijk doden van exemplaren uit beide soortgroepen en dus als een overtreding van de verbodsbepaling genoemd in Artikel 3.1 lid 1 (vogels) en Artikel 3.5 lid 1 (vleermuizen) van de Wnb. Omdat in ieder windpark (hoe klein ook) sprake is van aanvaringsslachtoffers onder vogels en/of vleermuizen dient voor ieder nieuw te bouwen windpark ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van deze beide verbodsbepalingen. Het opzettelijk vernielen van beschermde plantensoorten, waaronder glad biggenkruid, is een overtreding van de verbodsbepaling genoemd in Artikel 3.10 lid 1c van de Wnb. Indien groeiplaatsen van glad biggenkruid voorkomen binnen het werkterrein (waaronder transportroute) en de exemplaren niet tijdig verplaatst kunnen worden is overtreding van dit verbodsartikel niet uitgesloten en dient hiervoor ontheffing te zijn verkregen. Vogels Het gebruik van de twee geplande windturbines op de Haringvlietdam kan leiden tot een voorzienbare sterfte bij 15 lokale vogelsoorten die binding hebben met het projectgebied en waarvan gedurende de looptijd van het project één of meer slachtoffers in de gebruiksfase zijn voorzien.
Onder 123 vogelsoorten op seizoenstrek worden gedurende de looptijd van het project enkele tot enkele tientallen slachtoffers voorzien in de gebruiksfase van de twee windturbines. Deze vogels passeren het projectgebied tijdens seizoenstrek en hebben geen binding met (de omgeving van) het projectgebied (Prinsen et al, 2022). In totaal gaat het naar schatting op jaarbasis om maximaal 40 aanvaringsslachtoffers bij beide windturbines samen (ter vergelijking; bij de zes bestaande windturbines op de Haringvlietdam gaat het op jaarbasis naar schatting om 120 slachtoffers). De beschouwde windturbineafmetingen zijn niet onderscheidend voor dit aspect. In het rapport van Bureau Waardenburg (Prinsen et al, 2022) is in bijlage V een overzicht gegeven van de lijst van de betrokken vogelsoorten waarvoor sterfte bij beide windturbines gedurende de looptijd voorzienbaar is en wordt beschreven hoe deze lijst tot stand is gekomen. Deze lijst is ook opgenomen in bijlage 2 van deze Soortenbeschermingstoets. Voor de vogelsoorten op deze lijst is het nodig om een ontheffing aan te vragen van de verbodsbepaling genoemd in Artikel 3.1 lid 1 van de Wnb. Voor de twee geplande windturbines op de Haringvlietdam geldt dat voor iedere soort (lokaal of seizoenstrek) sprake is van een voorzienbare sterfte die ruim beneden de 1%-mortaliteitsnorm ligt.
Dit betekent dat voor alle soorten geldt dat de additionele sterfte veroorzaakt door de twee windturbines samen gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de GSI van de betrokken populaties. Bij deze beoordeling is geen rekening gehouden met de sterfte van voornoemde soorten in het bestaande en te saneren windpark van zes windturbines op de Haringvlietdam, oftewel er is geen rekening gehouden met saldering, die voor de meeste soorten tot ‘negatieve’ sterfte zal leiden (er vallen in de huidige situatie meer slachtoffers dan in de toekomstige situatie). Bij de beoordeling is eveneens geen rekening gehouden met de plaatsing van een signaleringssysteem, waarmee de aanvaringsslachtoffers van grote vogels, zoals zeearend, zoveel mogelijk worden voorkomen. Vleermuizen Het per ongeluk doden van vleermuizen (bijvoorbeeld door windturbines) wordt beschouwd als een overtreding waarvoor ontheffing vereist is. Bij het hanteren van deze maat is in onderhavige studie sprake zijn van overtreding van Wnb ten aanzien van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Voor deze drie soorten dient een ontheffing aangevraagd te worden van de verbodsbepaling genoemd in Artikel 3.5 lid 1 van de Wnb.
Voor deze vleermuissoorten is het uitgesloten dat de SvI van de lokale populaties in het geding komt, zeker wanneer het verwijderen van de zes bestaande windturbines wordt meegerekend (saldering). De zes bestaande windturbines veroorzaken jaarlijks ongeveer 50 vleermuisslachtoffers. De geplande twee nieuwe windturbines leiden in de gebruiksfase tot een lagere verwachte sterfte van maximaal 30 vleermuizen per jaar bij beide turbines samen. De beschouwde windturbineafmetingen zijn niet onderscheidend voor dit aspect. Het effect van het verwijderen van de zes bestaande windturbines compenseert ruimschoots voor het effect van de twee nieuwe turbines (saldering) en er is geen sprake van een dubbeldraaiperiode. De vleermuispopulaties hebben hun huidige omvang bereikt terwijl er al windturbines staan; de SvI was daarbij niet in het geding. In bijlage 2 van deze Soortenbeschermingstoets is een overzicht gegeven van de lijst van de betrokken vleermuissoorten waarvoor sterfte bij beide windturbines gedurende de looptijd voorzienbaar is.
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
36
Glad biggenkruid Onderzoek naar de aanwezigheid van groeiplaatsen en het eventueel uitgraven en terugplaatsen of verplaatsen van exemplaren van glad biggenkruid dient in de bloeiperiode van deze soort te worden uitgevoerd, omdat de plant buiten de bloeiperiode in de vegetatieve vorm makkelijk over het hoofd wordt gezien. Als onderzoek of het verplaatsen niet in de juiste periode wordt uitgevoerd kunnen exemplaren van glad biggenkruid mogelijk afgesneden, ontworteld of vernield worden tijdens de aanlegfase van de windturbines en dient ontheffing van Artikel 3.10 lid 1c van de Wnb te worden aangevraagd. Echter zal het verlies van enkele exemplaren langs de Haringvlietdam geen gevolgen hebben voor de gunstige staat van instandhouding van de regionale populatie.
7.2.2
Ontheffingsperiode
De ontheffing wordt aangevraagd voor een periode van maximaal 25 jaar, waarvan 2 jaar realisatie, 22 jaar exploitatie en 1 jaar verwijdering, gerekend vanaf het begin van de bouwperiode.
7.2.3
Wettelijke belangen
Soorten van de Vogelrichtlijn Voor vogels wordt ontheffing aangevraagd “in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid”. Het initiatief moet bijdragen aan de doelstelling om meer duurzame energie te produceren. Dit past in het provinciale en landelijke beleid dat is gericht op het beperken van de uitstoot van broeikasgassen, zoals koolstofdioxide (CO2). Hiermee wordt bijgedragen aan een verbetering van de volksgezondheid, het belang van openbare veiligheid en verdere energieonafhankelijkheid. Soorten van de Habitatrichtlijn Voor vleermuizen wordt ontheffing aangevraagd “in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten”. Het initiatief moet bijdragen aan de doelstelling om meer duurzame energie te produceren. Dit past in het provinciale en landelijke beleid dat is gericht op het beperken van de uitstoot van broeikasgassen, zoals koolstofdioxide (CO2). Hiermee wordt bijgedragen aan een verbetering van de volksgezondheid, het belang van de openbare veiligheid, verdere energieonafhankelijkheid en het belang van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.
Overige soorten Voor glad biggenkruid wordt ontheffing aangevraagd “in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid”. Het initiatief moet bijdragen aan de doelstelling om meer duurzame energie te produceren. Dit past in het provinciale en landelijke beleid dat is gericht op het beperken van de uitstoot van broeikasgassen, zoals koolstofdioxide (CO2). Hiermee wordt bijgedragen aan een verbetering van de volksgezondheid, het belang van openbare veiligheid en verdere energieonafhankelijkheid.
7.3 Houtopstanden Het struweel ter plaatse van de nieuwe windturbine HVD2 wordt verwijderd. De huidige oppervlakte van het struweel is circa 1500m2 tot 2000m2. Voor het verwijderen van deze oppervlakte aan houtopstanden is een kapmelding verplicht. Tevens geldt er een herplantplicht binnen drie jaar op dezelfde grond of in de directe nabijheid daarvan. Indien het mogelijk is om minder struweel te verwijderen dan kan het aanvragen van een kapvergunning worden voorkomen als dit minder dan 10 are (1000m2) betreft.
37
WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV
8. Bronnen ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪
▪
▪ ▪
▪ ▪
▪ ▪ ▪
Andringa, T., van Opzeeland, I., Slabbekoorn, H., & ten Cate, C. (2007). Vissen en geluidsoverlast: Effect van geluidsbelasting onder water op zoetwatervissen. University of Groningen. Arcadis, 2015. Passende beoordeling transmissiesysteem op zee. Borssele. In opdracht van Tennet T.S.O. B.V. Bergen, F. 2001. Untersuchungen zum Einfluss der Errichtung und des Betriebs von Windenergieanlagen auf Vögel im Binnenland. Dissertation. Ruhr Universität Bochum, Bochum. Blacquiere G., Ainslie M., de Jong C., van Noort A. & Verboom W., 2008. Geluidmetingen heiwerkzaamheden Eemshaven inclusief technische bijlagen. TNO-rapport TNO-DV 2008 C038. Brasseur, S. M. J. M. & Reijnders, P. J. H., 1994. Invloed van diverse verstoringsbronnen op het gedrag en habitatgebruik van gewone zeehonden: consequenties voor de inrichting van het gebied. IBN-rapport 113. IBNDLO, Wageningen. Buijs, R.J., 2019a. Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam. Projectnummer 190930. 30 september 2019. Buijs Eco Consult B.V. Adviseurs Ecologie. Buijs, R.J. & S.J.M.P. Halters, 2019b. Rapportage vleermuisonderzoek windenergiezoekgebied Haringvlietdam. Projectnummer 190927. 30 september 2019. Buijs Eco Consult B.V. Adviseurs Ecologie. Buijs, R.J. & S.J.M.P. Halters, 2021. Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam. Projectnummer 210222. 11 maart 2021. Buijs Eco Consult B.V.
Adviseurs Ecologie. Cutts N., Phelps A. & Burdon D. 2009. Construction and Waterfowl: Defining Sensitivity, Response, Impacts and Guidance. Report to Humber INCA, 98. Everaert, J. 2008. Effecten van windturbines op de fauna in Vlaanderen. Onderzoeksresultaten, discussie en aanbevelingen. Rapportnr. INBO.R.2008.44. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Heinis, F., C. de Jong, M. Ainslie, W. Borst & T. Vellinga, 2013. Monitoring programme for the Maasvlakte 2, part III- The effects of underwater sound. Terra et Aqua 132: 21-32. Heinis, F. (2009). Aanleg warmtetransportleiding Diemen-Almere: Effecten van onderwatergeluid. Heinis waterbeheer en ecologie. Hötker, H., K.-M. Thomsen & H. Köster, 2006. Impacts on biodiversity of exploitation of renewable energy sources: the example of birds and bats. Facts, gaps in knowledge, demands for further research, and ornithological guidelines for the development of renewable energy exploitation. Michael-Otto-Institut im NABU, Bergenhusen. Hötker, H., 2017. Birds: displacement. in M.R. Perrrow (Ed.). Wildlife and wind farms, conflicts and solutions. Volume 1 Onshore: Potential Effects. Pelagic Publishing. Exeter, UK. Kleyheeg-Hartman, J.C., K.L. Krijgsveld, M.P. Collier, M.J.M. Poot, A.R. Boon, T.A. Troost & S. Dirksen, 2018.