CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

06 (bijlage 14) Bijlage 12 - Toetsing soortenbescherming Wnb

Commissie Ruimte 8 juni 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam.18.124 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Windturbines Haringvlietdam Toetsing Soortbescherming Wet Natuurbescherming

COLOFON Windturbines Toetsing soortbescherming OPDRACHTNEMER

Haringvlietdam

idverde Advies Willemsplein 2-4 5211 AK ‘s-Hertogenbosch T 073 205 11 00 E advies@idverde.nl

OPGESTELD DOOR VRIJGEGEVEN DOOR OPDRACHTGEVER

E-Connection Project B.V. Regulierenring 12f 3980 CC Bunnik

PROJECTNUMMER

722210150

STATUS VERSIE DATUM

DEFINITIEF 1.7 29-11-2022

In deze rapportage is gebruik gemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op deze gegevens rusten auteursrechten. Het schriftelijk of digitaal delen of publiceren van (een deel van) de gegevens uit de NDFF is niet toegestaan zonder toestemming van BIJ12, uitgezonderd aan bevoegd gezag in het kader van een vrijstellings- of ontheffingsprocedure of voor intern gebruik van de opdrachtgever voor de duur van het betreffende project. Idverde Advies bv is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van idverde Advies bv. De opdrachtgever vrijwaart idverde Advies bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Idverde Advies bv is lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij goed op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij daarnaast onze onderzoekskwaliteit. Omdat ecologisch (veld)onderzoek een momentopname is, kan aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig.

Idverde Advies bv is niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

2

Voorwoord E-Connection Project B.V. onderzoekt de mogelijkheid voor het opschalen van de windturbines op de Haringvlietdam waarbij de bestaande zes windturbines aan de westzijde van de dam worden vervangen door twee moderne windturbines aan de oostzijde. E-Connection Project B.V. heeft idverde Advies gevraagd om een toetsing uit te voeren gericht op het gebieden- en soortbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming voor de aanleg- en gebruiksfase. Voor u ligt de soortbeschermingstoets in het kader van het onderdeel soortbescherming van de Wet natuurbescherming. Separaat is er een Verslechteringstoets opgesteld waarin de toetsing van het gebiedsbeschermingsdeel is beschreven. Idverde Advies heeft Bureau Waardenburg gevraagd om de benodigde berekeningen voor het bepalen van aanvaringsslachtoffers uit te voeren en om cumulatieve effecten in beeld te brengen. Bureau Waardenburg heeft ruime ervaring met slachtofferberekeningen onder vogels en cumulatiestudies. De projectleiding en rapportage vanuit Bureau Waardenburg was in handen van , die wij hierbij willen bedanken voor de prettige samenwerking. Voorafgaand aan deze studie is er sinds 2018 door en van het advies en onderzoeksbureau Buis Eco Consult veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van vogels en vleermuizen binnen en in de omgeving van het projectgebied.

Zowel en willen wij bedanken voor hun bijdrage bij de totstandkoming van dit rapport. Vanuit E-Connection Project B.V. werd de opdracht begeleid door voor de zeer prettige samenwerking.

3

en

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

. Wij danken ook hen

INHOUDSOPGAVE COLOFON

2

VOORWOORD

3

1.

6

ALGEMENE TOELICHTING 1.1 Aanleiding 1.2 Huidige situatie binnen het projectgebied 1.3 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden 1.3.1 Inzet materieel 1.3.2 Bouwwijze en fasering 1.3.3 Type windturbines 1.3.4 Inzet vogeldetectiesysteem 1.4 Wettelijk kader 1.4.1 Wet natuurbescherming 1.4.2 Beleid 1.4.3 Bevoegd gezag

2.

AFBAKENING VAN EFFECTEN 2.1 Uitgangspunten 2.2 Effecten tijdens aanlegfase (sloop- en bouwfase) 2.2.1 Sterfte 2.2.2 Ruimtebeslag 2.2.3 Verstoring 2.2.4 Vermesting en verzuring 2.3 Effecten tijdens de gebruiksfase 2.3.1 Aanvaringsslachtoffers 2.3.2 Ruimtebeslag 2.3.3 Verstoring 2.3.4 Barrièrewerking 2.3.5 Vermesting en verzuring 2.4 Conclusie maatgevende effecten

3.

METHODE

5.

12 12 12 12 12 13 13 14 14 14 14 16 16 16

17

3.1 Bronnenonderzoek 3.2 Veldonderzoek 3.3 Effectenanalyse 3.4 Beoordeling aanvaringsslachtoffers

4.

6 6 8 8 8 9 9 10 10 10 11

17 17 17 18

EFFECTEN SOORTBESCHERMING

19

4.1 Vaatplanten 4.2 Vissen, amfibieën, reptielen 4.3 Vlinders, libellen en andere ongewervelden 4.4 Zoogdieren 4.4.1 Grondgebonden zoogdieren 4.4.2 Zeezoogdieren 4.4.3 Vleermuizen 4.5 Vogels 4.5.1 Algemene broedvogels 4.5.2 Niet-broedvogels 4.5.3 Trekvogels

19 19 20 20 20 20 20 21 21 21 22

TOETSING SOORTBESCHERMING

23

5.1 Vaatplanten 5.2 Vissen 5.3 Amfibieën 5.3.1 Aanlegfase

23 23 24 24

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

4

5.3.2 Gebruiksfase 5.4 Zoogdieren 5.4.1 Grondgebonden zoogdieren 5.4.2 Zeezoogdieren 5.4.3 Vleermuizen 5.5 Vogels 5.5.1 Algemene broedvogels 5.5.2 Niet-broedvogels 5.5.3 Trekvogels 5.5.4 Zeearend

6.

TOETSING BESCHERMDE HOUTOPSTANDEN 6.1 Effect op aanwezige houtopstanden 6.2 Beoordeling houtopstanden

7.

CONCLUSIE EN ADVIES 7.1 Conclusie 7.1.1 Aanvullend onderzoek 7.1.2 Mitigerende maatregelen 7.1.3 Algemene zorgplicht 7.1.4 Ecologisch werkprotocol en Monitoringsplan. 7.2 Ontheffing 7.2.1 Onderbouwing 7.2.2 Ontheffingsperiode 7.2.3 Wettelijke belangen 7.3 Houtopstanden

32 32 32

33 33 33 34 35 35 35 35 37 37 37

8.

BRONNEN

38

9.

BIJLAGEN

40

9.1 Bijlage 1: Rapportage aanvaringsslachtoffers Windturbines Haringvlietdam 9.2 Bijlage 2 Lijst soorten waarvoor ontheffing wordt aangevraagd

5

25 25 25 25 26 27 27 30 31 31

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

41 42

1. Algemene toelichting 1.1 Aanleiding In het noordelijk deel van de Haringvlietdam staan 6 windturbines. E-Connection Project BV is voornemens om deze 6 windturbines aan de zeezijde (noordwestzijde) van de Haringvlietdam (totaal opgesteld vermogen 3,6 MW) te vervangen door 2 nieuwe windturbines, om daarmee de bestaande opwekcapaciteit te vergroten (naar 10-12 MW). Omdat het niet is toegestaan nieuwe windturbines aan de zeezijde te plaatsen, worden de twee nieuwe turbines aan de binnenzijde van de Haringvlietdam geplaatst, de kant van het Haringvliet. Ruimtelijke ingrepen, zoals het slopen, bouwen en in bedrijf hebben van windturbines, kunnen (negatieve) effecten hebben op beschermde flora, fauna en natuurgebieden. De bescherming van deze soorten en (Natura 2000-) gebieden is vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (hierna: Wnb). Het uitvoeren van handelingen die negatieve effecten veroorzaken op soorten en natuurgebieden kan in strijd zijn met deze wetgeving. E-Connection Project BV heeft idverde Advies gevraagd om de voorgenomen werkzaamheden te toetsen aan de vigerende natuurwetgeving. Het voorliggende rapport vormt een toetsing van het voorgenomen initiatief aan het wettelijk kader van de Wnb voor het aspect soortbescherming (Hoofdstuk 3 van de Wnb).

Het vervangen van 6 windturbines door 2 nieuwe kan in de sloop-, aanleg- en gebruiksfase gevolgen hebben voor beschermde flora en fauna. Op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis zijn de effecten van het initiatief op de beschermde soorten in beeld gebracht en beoordeeld. Dit is gedaan op basis van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in het projectgebied en de functie van het projectgebied en de directe omgeving voor deze soorten. Deze beoordeling vormt de onderbouwing voor de benodigde ontheffing in het kader van de Wnb.

1.2 Huidige situatie binnen het projectgebied Bestaande windpark Het huidige windpark ligt aan de zeezijde van de Haringvlietdam en bestaat uit 6 windturbines met een ashoogte van 44 meter (t.o.v. maaiveld) en een rotordiameter van 48 meter. De huidige windturbines staan op de buitenkering van de Haringvlietdam welke is bekleed met beton, asfalt en breuksteen (zie afbeelding 1.1). Deze windturbines zorgen momenteel al voor een zekere mate van verstoring van aanwezige natuurwaarden en voor aanvaringsslachtoffers bij vogels en vleermuizen. De populaties lokale vogels en vleermuizen hebben hun huidige omvang bereikt terwijl er al windturbines staan. De sloop van de 6 windturbines valt binnen de scope van het onderzoek.

Afbeelding 1.1: Ligging van de twee nieuwe windturbines (HVD1 en HVD2) aan de binnenzijde van de Haringvlietdam. De gele puntjes (met schaduw) zijn de bestaande 6 turbines aan de buitenzijde van de dam.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

6

Nieuwe windturbines De twee nieuwe windturbines komen aan de zijde van het Haringvliet te staan. Op de locatie waar de twee nieuwe turbines geplaatst worden (afbeelding 1.2 en 1.3) bestaat de ondergroei voornamelijk uit gras dat periodiek gemaaid wordt. De locatie van windturbine HVD1 bevindt zich naast een parkeerplaats. Windturbine HVD2 komt te staan ter hoogte van struweel o.a. bestaande uit duindoorn. Omdat het projectgebied goed ontsloten is wordt de parkeerplaats en het gras (met name in de zomermaanden) gebruikt door recreanten.

Afbeelding 1.2: Omgeving van de nieuwe windturbines (HVD1) aan de binnenzijde van de Haringvlietdam. De pijl geeft globaal de locatie aan van de windturbine.

Afbeelding 1.3: Omgeving van de nieuwe windturbines (HVD2) aan de binnenzijde van de Haringvlietdam. De pijl geeft globaal de locatie aan van de windturbine.

7

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

1.3 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden Voor dit project worden twee nieuwe turbines gebouwd en zes bestaande turbines gesloopt. De nieuwbouw van windturbines bestaat hoofdzakelijk uit: het aanleggen van kraanopstelplaatsen (indien nog niet aanwezig), bouw fundering en oprichten van de nieuwe windturbine. Voor het ontmantelen van de bestaande turbines worden de turbines in onderdelen uit elkaar gehaald en afgevoerd. Ook wordt de bestaande fundering verwijderd. Per onderdeel worden de werkzaamheden en inzet van materieel nader beschreven.

1.3.1

Inzet materieel

De exacte wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd is nog niet bekend. Op basis van ervaringen bij de bouw van andere windparken, waaronder de bouw van Windparken langs de Oosterscheldekering (vanaf 2017), is een zo gedetailleerd mogelijke inschatting gemaakt van de inzet van het benodigde materieel. Het aantal draaiuren van materieel dat wordt ingezet is bij de nieuwbouwwerkzaamheden anders dan bij de sloopwerkzaamheden. Ontmantelen bestaande turbines Voor het ontmantelen van een windturbine zijn er hijskranen nodig. Een hoofdkraan voor het hijsen van de turbine onderdelen en een hulpkraan voor het opbouwen van de hoofdkraan. Het transport van de hoofdkraan en de afvoer van turbine onderdelen vindt plaats met vrachtwagens geschikt voor groot en zwaar transport (bijv. diepladers). Afvoer materiaal De windturbinefundaties worden verwijderd, met uitzondering van de fundatiepalen. De palen worden afgekort maar verder niet verwijderd omdat het trekken risico’s voor de waterkering zou kunnen opleveren. Het puin van de fundatie wordt met vrachtwagens afgevoerd. Hiervoor zijn circa 10 vrachtwagens per windturbinefundatie nodig. Voor de sloop van de fundatie wordt ook een graafmachine ingezet. Vervolgens wordt er een nieuwe steenbekleding op de dijk aangebracht. Afwerking van de dijk zal in overleg met RWS plaatsvinden.

Bouw nieuwe fundering en windturbine Voor de bouw van de fundering worden per turbine 25 tot 40 nieuwe fundatiepalen geplaatst. Vanwege een steenlaag in de ondergrond kan niet worden uitgesloten dat hiervoor een heimachine wordt ingezet. Op de fundatiepalen wordt een betonnen fundering gestort met een diameter van 20 tot 25m. Hiervoor zijn circa 75 betonwagens nodig en circa 6 vrachtwagens met betonstaal per windturbinefundatie. Voor de bouw van een windturbine zijn er hijskranen nodig. Een hoofdkraan voor het hijsen van de turbine onderdelen en een hulpkraan voor het opbouwen van de hoofdkraan. Het transport van de hoofdkraan en de aanvoer van turbine onderdelen vindt plaats met vrachtwagens geschikt voor groot en zwaar transport (bijv. diepladers). Voor de aanvoer van de turbine onderdelen betreft dit circa 10 vrachtwagens. Voor transport van (de onderdelen van) de hoofdkraan en hulpkraan betreft dit circa 25 vrachtwagens. Voor de bouw van de fundatie en de turbine wordt ook een graafmachine en verreiker ingezet. Realisatie kraanopstelplaatsen en bouwdepots Bij de nieuwe windturbinelocaties wordt een kraanopstelplaats aangelegd waarop de kranen gepositioneerd worden en kunnen afstempelen. De kraanopstelplaatsen bestaan uit een permanent verharde ondergrond (asfalt/beton). De aanvoer van asfalt/beton vindt met vrachtwagens plaats.

Tevens wordt een asfaltafwerkinstallatie, wals en graafmachine ingezet. Overige Voor het aanleggen van elektriciteitskabels wordt met een graafmachine een sleuf gegraven.

1.3.2

Bouwwijze en fasering

Stormseizoen en recreatieseizoen Met planning van de werkzaamheden wordt rekening gehouden met het stormseizoen en het recreatieseizoen. Gedurende het stormseizoen (1 oktober – 15 april) is het verboden grondroerende activiteiten uit te voeren in de kern- en beschermingszone van de Haringvlietdam. Grondroerende activiteiten zijn bijvoorbeeld het verwijderen van de huidige fundaties en het aanbrengen van de nieuwe fundaties (waaronder heiwerkzaamheden) en de ondergrondse bekabeling. In het gebied ter hoogte van de twee nieuwe windturbines en op het nabijgelegen strand vindt het gehele jaar door recreatie plaats, met een piek in het recreatieseizoen. Bij de werkzaamheden wordt rekening gehouden met het recreatieseizoen om verstoring van recreanten zoveel mogelijk te beperken. WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

8

windturbines. Met het inzetten van dit signaleringssysteem is geborgd dat slachtoffers tijdens de volledige exploitatiefase worden voorkomen, uiterste incidenten daargelaten. Het type detectiesysteem dat hiervoor wordt ingezet is nog niet bekend, maar nog onderwerp van nadere studie en afhankelijk van de resultaten uit dit onderzoek alsmede de laatste ervaringen en technologische ontwikkelingen.

1.4 Wettelijk kader 1.4.1

Wet natuurbescherming

De bescherming van soorten en hun leefgebieden is geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en op nationaal niveau verankerd in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb genoemd). Enerzijds richt de Wnb zich op de bescherming van daartoe aangewezen gebieden. Deze gebieden bestaan uit Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden. Natura 2000-gebieden is de overkoepelende naam voor de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Activiteiten die schade toebrengen aan de beschermde natuurwaarden in deze gebieden zijn verboden. Anderzijds richt de wet zich op de bescherming en het behoud van in het wild levende planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt van de wet is het “Nee, tenzij…” principe. Dit betekent dat geen schade mag worden toegebracht, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan (in de vorm van een vrijstelling of verleende ontheffing). In de Wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt in een drietal beschermingsregimes. Onderstaand zijn deze kort toegelicht. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (§ 3.1 in de Wnb): Dit zijn Europees beschermde vogelsoorten. In de wet staat beschreven dat het verboden is om opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als beschreven in de Vogelrichtlijn te doden, verstoren of vangen.

Daarnaast mogen nesten/rustplaatsen niet opzettelijk worden vernield en is het verboden eieren te rapen. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (§ 3.2 in de Wnb): Dit zijn Europees beschermde soorten. Hierin staat beschreven dat het verboden is om opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende planten en dieren als beschreven in de Habitatrichtlijn (Bijlage IV), Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn te vernielen, doden, verstoren of vangen in hun natuurlijke leefgebied. Beschermingsregime andere soorten (§ 3.3 in de Wnb): Deze soorten zijn nationaal beschermd. In de wet staat beschreven dat het verboden is om flora en fauna beschreven in bijlage onderdeel A en B van Wet natuurbescherming opzettelijk te doden of vangen. Naast het beschermen van de soorten worden ook de voortplantings- en rustplaatsen beschermd, het is verboden om deze opzettelijk te beschadigen of vernielen. Ook de betreffende planten mogen niet worden geplukt/vernield. Tot slot richt de wet zich op de bescherming van houtopstanden die gelegen zijn buiten de komgrens houtopstanden (voor Zuid-Holland zie: https://geo.ozhz.nl/?@Komgrenzen_ZH_Wnb). Als er houtopstanden (zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wnb) gekapt worden, dan kan het zijn dat er een kapmelding nodig is, met een herplantplicht.

Dit is van toepassing op een houtopstand van minimaal 10 are (1000m2) of een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom. Mogelijk is een ontheffing nodig indien dit niet tijdig of niet ter plaatse kan worden gecompenseerd.

1.4.2

Beleid

Door grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen zijn in Nederland veel natuurgebieden en verbindingen tussen deze gebieden verloren gegaan. Om deze reden is het Natuurwetwerk Nederland (NNN) in werking gesteld om enerzijds bestaande verbindingen te beschermen en anderzijds om nieuwe verbindingen te creëren. Op deze manier wordt een goed functionerend netwerk tussen natuurgebieden gerealiseerd. In deze gebieden zijn geen nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen toegestaan die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

10

1.4.3

Bevoegd gezag

In de Wnb geldt dat de provincies overwegend het bevoegd gezag vormen ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Voor de afgifte van de bovengenoemde Wnb-vergunning en -ontheffing zijn Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op basis van artikel 1 van het Besluit natuurbescherming het bevoegd gezag: ▪ Het project is geheel gelegen binnen de grenzen van de provincie Zuid-Holland; ▪ Het project is gelegen op een primaire waterkering (de Haringvlietdam), maar valt niet onder de uitzonderingen waarvoor het Rijk is aangewezen als bevoegd gezag volgens de artikelen 1.3 tot en met 1.7 van het Besluit natuurbescherming, zoals aanleg, gebruik, beheer en onderhoud van hoofdwegen, landelijke spoorwegen, hoofdvaarwegen en primaire waterkeringen, voor zover in beheer bij het Rijk. Dit betreft projecten van nationaal belang; in andere gevallen is de provincie bevoegd gezag. In de Verordening Ruimte van de Provincie Zuid-Holland zijn aanvullende voorwaarden opgenomen, waarin onder andere de vrijstelling van soorten voor bepaalde activiteiten is geregeld.

11

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

2. Afbakening van effecten In dit hoofdstuk vindt de afbakening van effecten plaats. In dit hoofdstuk wordt niet specifiek ingegaan op beschermde natuurwaarden en bijbehorend effecten. In grote lijn wordt uiteengezet welke effecten mogelijk optreden en wat de reikwijdte van deze effecten is. Aan het einde van het hoofdstuk is bekend welke effecten relevant zijn voor de toetsing. 2.1 Uitgangspunten Voor deze toetsing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Uit literatuur blijkt dat bij de realisatie van windparken de volgende effecten mogelijk zijn: in de aanlegfase zijn verstoring door bijvoorbeeld geluid, verlichting, menselijke activiteiten en aantasting van het leefgebied de relevante effecten. Effecten in de aanlegfase zijn vaak lokaal en/of tijdelijk van aard en afhankelijk van de werkzaamheden en de precieze opstelling van de turbines. De meest relevante potentiële ecologische effecten van windparken in de gebruiksfase zijn verstoring, sterfte en/of barrièrewerking van/voor vleermuizen en vogels. Het verstorende effect wordt zowel bepaald door het ronddraaien van de rotoren, de fysieke aanwezigheid, de verlichting en de geluidsuitstraling. Het werkelijke effect hiervan verschilt per soort(groep).  Bij de nieuwe windturbines komt de tiplaagte van de rotorbladen niet beneden de 32,5 meter boven maaiveld.

 Bij de aanleg van de windturbines of de aanleg van aanrijroutes worden geen bomen gekapt, maar alleen struweel verwijderd. Ook wordt geen bebouwing gesloopt, anders dan dat de bestaande windturbines worden ontmanteld.  Werkzaamheden kunnen overdag en ’s avonds worden uitgevoerd.

2.2 Effecten tijdens aanlegfase (sloop- en bouwfase) 2.2.1

Sterfte

Aard van het effect Wanneer beschermde plant- en diersoorten aanwezig zijn als de (bouw- of sloop-)werkzaamheden aanvangen, is het mogelijk dat deze verwond of gedood worden. Reikwijdte Sterfte beperkt zich tot die soorten in het projectgebied die aanwezig zijn én bij aanvang de werkzaamheden niet ontvluchten.

2.2.2

Ruimtebeslag

Aard van het effect Ruimtebeslag kan leiden tot verkleining en/of versnippering van leefgebieden van beschermde soorten. Als leefgebieden te klein worden, worden populaties kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld vermindering van voedselbeschikbaarheid en rust, predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Het is belangrijk dat functionele gebiedseenheden voor soorten intact blijven, zodat de gebieden alle functies voor soorten in voldoende mate kunnen faciliteren. Reikwijdte De reikwijdte van ruimtebeslag beperkt zich tot de locatie waar nieuwe windturbines gebouwd worden inclusief bijbehorende faciliteiten. De beide windturbines worden aan de oostzijde van de Haringvlietdam op het land gebouwd, aan de rand van de Haringvliet. De bouw van de beide turbines heeft mogelijk ruimtebeslag op leefgebied van beschermde soorten die hier voorkomen. Afhankelijk van het gekozen turbinetype draaien de rotoren van de turbines in meer of mindere mate boven (het water van) het Haringvliet. Deze zogenaamde overdraai heeft geen verlies van areaal van leefgebied van beschermde vogels tot gevolg, maar zorgt mogelijk voor lokaal kwaliteitsverlies. Dit aspect wordt nader beoordeeld.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

12

2.2.3

Verstoring

Aard van het effect Geluid, licht en visuele prikkels (aanwezigheid van mensen) kunnen diersoorten verstoren. Deze verstoringen kunnen leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuele dieren, wat vervolgens ertoe kan leiden dat dieren het leefgebied voor kortere of langere tijd verlaten, dat de reproductie te ver achterblijft om een goede populatie in stand te houden of dat er een toename van sterfte plaatsvindt. Er kan ook gewenning aan verstoring optreden, in het bijzonder bij continue verstoring van bijvoorbeeld geluid. In het studiegebied en directe omgeving is het gehele jaar door al sprake van een zekere mate van verstoring als gevolg van recreatie. Tijdens de aanlegfase kan echter aanvullende verstoring optreden, met name door geluid als gevolg van de werkzaamheden (materieel, sloop- en bouwwerkzaamheden, etc.), door verlichting bij werkzaamheden ’s avonds en ’s nachts en visuele prikkels van aanwezig personeel en materieel (kranen, vrachtwagens, etc.). Hoewel het niet zeker is dat er geheid gaat worden, kan dit niet worden uitgesloten en wordt daarom als worst-case situatie beoordeeld. Omdat de heiwerkzaamheden langs de kust van het Haringvliet plaatsvinden is er, naast verstoring van geluid boven land, ook sprake van mogelijke verstoring boven water. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in verstoring in het water (onder water) en boven water.

Tijdens onderzoek van TNO in de Eemshaven (Blacquière et al. 2008) is vastgesteld dat heiwerkzaamheden op korte afstand (<3.500m) van open water tot een toename van onderwatergeluid kunnen leiden. Het gaat hierbij om het impulsgeluid van de heiwerkzaamheden. Heiwerkzaamheden op land zullen echter tot minder geluid onder water leiden, dan wanneer dit direct wordt opgewekt in het water. Verstoring boven het water is het gevolg van een toename van geluid, licht en beweging. Reikwijdte Beschermde fauna De reikwijdte van verstoring is afhankelijk van de aanwezige beschermde soorten, de optredende effecten en zelfs op het moment dat de effecten optreden (op de dag, maar ook wanneer in het jaar). Per relevante soort(-groep) wordt ingegaan op het specifieke effect van verstoring tijdens de aanlegfase. Maatgevend voor verstoring boven land en boven water zijn de heiwerkzaamheden ten behoeve van de twee nieuwe windturbines. Zeezoogdieren en vissen Voor de aanleg van nieuwe funderingen worden heiwerkzaamheden uitgevoerd. Onderwatergeluid door activiteiten in water of langs oevers (heien, intrillen damwanden e.d.) heeft een verstorend effect op zeezoogdieren en vissoorten met een zwemblaas (Heinis 2009).

Impuls geluid door heiwerkzaamheden kan leiden tot verstoring in de vorm van stress en/of vluchtgedrag en tijdelijke (TTS - Temporary Threshold Shift) of permanente (PTS - Permanent Threshold Shift) gehoorbeschadiging, afhankelijk van de geluidssterkte. Met name vissen en zeezoogdieren zijn gevoelig voor een toename van onderwatergeluid. De verstoring is van tijdelijke aard. De effecten op zeezoogdieren en vissen worden nader in beeld gebracht en beoordeeld.

2.2.4

Vermesting en verzuring

Aard van het effect De werkzaamheden veroorzaken emissie van verzurende en vermestende stoffen (vooral NOx). Deze verzurende en vermestende stoffen slaan via de atmosfeer neer op land en water (stikstofdepositie) en kunnen negatieve effecten op gevoelige vegetaties veroorzaken, zoals vergrassing of verruiging. Ook beschermde soorten planten en dieren die afhankelijk zijn van een bepaald habitattype kunnen hierdoor nadelig beïnvloed worden, bijvoorbeeld door verandering van de samenstelling van de structuur van de vegetatie of een verandering van voedselaanbod. Reikwijdte Door de werkzaamheden tijdens de aanlegfase is er sprake van extra stikstofdepositie door de uitstoot van het materieel dat wordt gebruikt. Deze toename is tijdelijk en zal beperkt zijn, maar kan effect hebben op stikstofgevoelige leefgebieden van beschermde soorten in de omgeving. De toetsing van effecten van stikstofdepositie op stikstofgevoelige leefgebieden valt buiten de scope van de toetsing aan het onderdeel soortbescherming van de Wnb. In de Verslechteringstoets voor dit project worden de effecten van stikstofdepositie nader bepaald en getoetst aan (het onderdeel gebiedsbescherming van) de Wnb. De effecten van vermesting en verzuring worden in deze soortentoets buiten beschouwing gelaten.

13

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

2.3 Effecten tijdens de gebruiksfase 2.3.1

Aanvaringsslachtoffers

Aard van het effect Door aanvaring van vogels en vleermuizen met de rotorbladen van windturbines neemt de sterfte binnen populaties toe. Bij aanleg van windturbineparken ontstaat een vergroot risico op aanvaring en daarmee op een verhoogde mortaliteit. Wanneer er grote aantallen slachtoffers vallen, dan heeft dit mogelijk een effect op de populatie. Effecten als gevolg van aanvaringsslachtoffers bij windturbines zijn maatgevend in dit project en worden nader beoordeeld. Reikwijdte In het kader van de Wnb (Hoofdstuk 3; soortbescherming) moet beoordeeld worden of het project op zichzelf of in samenhang met andere plannen en projecten in de omgeving, negatieve effecten kan hebben op de Staat van Instandhouding (SvI) van populaties van beschermde soorten. De drempelwaarde voor dit effect wordt bepaald door de 1%-mortaliteitsnorm van het Ornis Comité. Wanneer sterfte als gevolg van aanvaring met windturbines hoger is dan 1% van de natuurlijke sterfte binnen de populatie (gemiddelde waarde), dan zijn effecten op de populatie niet zonder meer uit te sluiten. Bij de beoordeling wordt tevens rekening gehouden met de huidige staat van instandhouding van deze populaties en de slachtofferaantallen van de bestaande turbines; de populaties hebben zich ter plekke immers ontwikkeld terwijl er al turbines in het gebied aanwezig zijn.

Zie voor een meer uitgebreide uitleg van de 1%-mortaliteitsnorm het tekstkader hieronder. De 1%-mortaliteitsnorm De 1%-mortaliteitsnorm is het aantal vogels dat 1% van de jaarlijkse sterfte van de te toetsen populatie representeert. Deze norm is soortspecifiek aangezien de populatiegrootte en de mortaliteit (de twee variabelen die de 1%-mortaliteitsnorm bepalen) voor alle soorten anders zijn. De norm wordt als volgt berekend: 1%-mortaliteitsnorm (# vogels) = (jaarlijkse sterfte * grootte van de te toetsen populatie) * 0,01 In de berekeningen is de jaarlijkse sterfte van adulte vogels gebruikt, omdat hier meer over bekend is en omdat deze sterfte lager is dan die van juveniele vogels. Hierdoor valt de 1%-mortaliteitsnorm lager uit (worst casebenadering). Als populatiegrootte zijn recente telgegevens gebruikt, waarbij voor niet-broedvogels het aantal exemplaren wordt gebruikt en voor broedvogels het aantal paren maal twee.

2.3.2

Ruimtebeslag

Ruimtebeslag is een permanent effect dat reeds optreedt in de aanlegfase. Dit effect is niet meer separaat behandeld voor de gebruiksfase.

2.3.3

Verstoring

Aard van het effect Het geluid en de trillingen die draaiende windturbines veroorzaken, alsook silhouetwerking en de luchtvaartverlichting op turbines kunnen in de directe omgeving, naast reeds bestaande storingsfactoren zoals recreatie, zorgen voor extra verstoring van vogels en vleermuizen. De verstoringen als gevolg van draaiende windturbines kunnen leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuele dieren, wat vervolgens ertoe kan leiden dat dieren het leefgebied voor kortere of langere tijd verlaten, dat de reproductie te ver achterblijft om een goede populatie in stand te houden of dat er een toename van sterfte plaatsvindt. Er kan ook gewenning aan verstoring optreden, in het bijzonder bij continue verstoring van bijvoorbeeld geluid. Pas bij herhaaldelijke verstoring zullen negatieve effecten te verwachten zijn. Dit kan het geval zijn voor broed- en niet-broedvogels die voorkomen op de Haringvlietdam. Echter zal verstoring op trekvogels, die 2 keer per jaar passeren, geen negatieve effecten hebben. De reikwijdte van verstoring door draaiende windturbines (geluid, trilling, silhouetwerking) wordt hierna voor vogels en vleermuizen bepaald. Opgemerkt zij dat ook in de huidige situatie deze effecten al kunnen optreden als gevolg van de bestaande turbines en dat er onder de huidige populaties blijkbaar gewenning is.

De mogelijke effecten van luchtvaartverlichting is apart beschreven.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

14

Reikwijdte vogels Afhankelijk van soort en gedrag van de soort geldt een bepaalde afstand waarbinnen windturbines een verstorend effect kunnen hebben. Buiten deze afstand kunnen effecten worden uitgesloten. 

Voor broedvogels is een verstoringsradius van 100 tot 200 meter een goede maat. Verschillende studies hebben laten zien dat het aantal broedvogels tot op 200 meter kon afnemen (Steinborn et al. 2011, Everaert 2008, Winkelman et al. 2008, Hötker et al. 2006). (Kwalificerende) (kust-)broedvogels zijn niet in of in de directe nabijheid van het projectgebied broedend aangetroffen. Voor broedende zangvogels is de gemiddelde verstoringsafstand vaak lager dan bij andere soorten (Winkelman et al. 2008, Everaert 2008, Hötker et al. 2006). Onderzoekers denken dat broedvogels redelijk onverstoord worden door windturbines omdat ze zeer trouw zijn aan hun broedgebied. Voor rustende en foeragerende vogels is een verstoringsradius van 150-450 meter een goede maat. Het verschilt sterk per soort hoe gevoelig ze zijn voor verstoring door windturbines. Soorten als fuut, blauwe reiger, meerkoet, scholekster, kok- en stormmeeuw worden op kortere afstand al niet meer verstoord. Bij zwanen, ganzen, eenden, kraanvogels en sommige steltlopers treedt de verstorende werking op grotere afstand al op (Klop et al. 2014, Winkelman et al. 2008, Everaert 2008, Hötker et al. 2006). Onderzoekers denken dat het grote verschil tussen broed- en niet-broedvogels is, dat niet-broedvogels minder aan een bepaald gebied gebonden zijn.

Grotere, hogere turbines zijn mogelijk meer verstorend omdat ze vanaf grotere afstand zichtbaar zijn en daardoor de visuele verstoring mogelijk groter is. Daarentegen draaien grotere turbines ook langzamer waardoor ze juist weer minder verstorend zouden kunnen werken. In recente onderzoeken zijn echter geen verschillen in verstoringsafstand tussen kleinere en grotere turbines gevonden (Kruckenberg & Jaene 1999, Bergen 2001, Winkelman et al. 2008). Omdat er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor verschil in verstoring door turbine grootte, wordt dit in de verdere toetsing buiten beschouwing gelaten.

Reikwijdte vleermuizen Het geluid en de trillingen die draaiende windturbines veroorzaken kunnen vleermuizen in de directe omgeving verstoren. Uit onderzoek is gebleken dat vleermuizen bij het foerageren locaties met veel geluid mijden. Uit experimenten blijkt dat gebieden met veel geluid minder gebruikt worden om te foerageren, maar niet volledig ongeschikt worden: vleermuizen blijven ook bij veel geluid foerageren. Voor de verstoring is niet een drempelwaarde vastgesteld, maar hier is een verklaring voor gegeven. Hoewel uit onderzoek blijkt dat vleermuizen geluid intensieve plaatsen als snelwegen mijden, worden ook bepaalde geluidsbronnen van natuurlijke oorsprong gemeden. “Vegetation noise” is minder intensief dan het geluid van een snelweg, maar heeft overeenkomsten met geluid van insecten en wordt gemeden omdat vleermuizen geen onderscheid tussen het achtergrondgeluid en prooien kunnen maken (Schaub et al. 2008). Kortom: het mijden van foerageergebieden door vleermuizen vindt voornamelijk plaats bij zeer hoge geluidsniveaus, maar is ook afhankelijk van de specifieke bron. Uit onderzoek in Groningen naar vleermuizen die reeds windturbines passeren (Krijgsveld et al. 2016) is gebleken dat de geluidsniveaus niet voldoende zijn voor vleermuizen om de windturbines te mijden. Het effect van geluid in de gebruiksfase op vleermuizen wordt hierom verder niet meegenomen.

Luchtvaartverlichting Omdat bij tiphoogtes vanaf 150 meter luchtvaartverlichting moet worden toegepast, zullen de nieuwe windturbines op de Haringvlietdam op de top van de as uitgerust worden met luchtvaartverlichting, bestaand uit witte flitsende lampen voor de daglichtperiode en rode flitsende lampen voor de nachtlichtperiode. Voor de nachtlichtperiode is tevens halverwege de mast een vastbrandend rood obstakellicht voorzien. Lensink & van der Valk (2013) schrijven in een notitie ten behoeve van de opschaling van Windpark Wagendorp het volgende over het effect van dit type verlichting op windturbines: ‘Voor vogels geldt dat de sterkte van de verlichting op de masten vele malen zwakker is dan die van een vuurtoren of een platform op zee. Een risico zoals voorheen voor vuurtorens of platforms gold (aantrekking met sterfte als gevolg) is derhalve niet aan de orde. De turbinemasten zullen door de relatief zwakke verlichting niet als een heldere ster functioneren die op tientallen kilometers afstand zichtbaar is in een verder donkere omgeving. Daarnaast zijn in de omgeving van de turbines nog vele verlichtingsbronnen langs wegen en enkele bewoningskernen aanwezig waardoor de focus op de masten wegvalt. De verlichting wordt aangebracht op een hoogte waarop ook uit de Verenigde Staten geen gevallen van massale incidenten met vogelslachtoffers bekend zijn.

De kans op desoriëntatie van trekkende vogels door de verlichting aan de turbines, waardoor de vogels slachtoffer worden van een aanvaring met de draaiende rotors, wordt minimaal geacht. De luchtvaartverlichting heeft derhalve geen effect op vogels. Uit de beschikbare onderzoeken en kennis komt naar voren dat luchtvaartverlichting op windturbines niet leidt tot extra risico’s voor vleermuizen’.

15

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

Bij de nieuwe windturbines op de Haringvlietdam wordt bovendien de mogelijkheid onderzocht van een transpondersysteem, waardoor tijdens de avond en nacht lichten veelal uit zullen zijn. Negatieve effecten van luchtvaartverlichting op vogels en vleermuizen zijn minimaal en worden verder buiten beschouwing gelaten.

2.3.4

Barrièrewerking

Aard van effect Barrièrewerking treedt op wanneer de migratie voor plant- of diersoorten wordt belemmerd. Hierbij gaat het om migratie in de breedste zin, het kan gaan om bijvoorbeeld voorjaarstrek, maar ook om de dagelijkse bewegingen tussen rust- en foerageergebieden. Barrièrewerking hangt samen met andere effecten: soorten kunnen niet passeren vanwege de ruimtelijke wijziging of toenemende kans op aanvaringen, maar willen bijvoorbeeld niet passeren vanwege het optreden van verstoring. Barrièrewerking leidt ertoe dat soorten een omweg van de gebruikelijke route moeten maken. Dit kost meer energie en kan zorgen voor een verhoogde mortaliteit. Reikwijdte Barrièrewerking is een effect dat optreedt door een combinatie van andere effecten. Er is sprake van barrièrewerking als de passage van vogels en vleermuizen gehinderd wordt als gevolg van verstoring en kans op aanvaringen met windturbines. Met de huidige 6 windturbines is er al in zekere mate sprake van een barrière voor migrerende vogels. Voor de 2 nieuwe windturbines op de Haringvlietdam geldt dat noord-zuid en west-oost verplaatsingen zowel om de windturbines als tussen de windturbines door kunnen plaatsvinden.

Vogels die de nieuwe windturbines willen passeren kunnen, vanwege de beperkte lengte van het windpark en de grote tussenruimte tussen de windturbines, om of over het windpark heen vliegen, zonder dat dit tot grote energetische verliezen leidt. Foerageervluchten van onder andere ganzen kunnen bovendien tientallen kilometers lang zijn en de extra inspanning voor het eventuele omvliegen vallen in het niet bij de energetische kosten van de normale dagelijks foerageer- en slaapvluchten. Er is geen sprake van een toename van de bestaande barrièrewerking waarin foerageergebieden of slaapplaatsen onbereikbaar worden en het effect van barrièrewerking wordt verder buiten beschouwing gelaten.

2.3.5

Vermesting en verzuring

Aard van het effect In de gebruiksfase vindt aan de nieuwe windturbines periodiek onderhoud plaats. Ook kan het voorkomen dat monteurs kleine onderhoudswerkzaamheden moeten verrichten bij storingen. De motorvoertuigbewegingen van de monteurs veroorzaken emissie van verzurende en vermestende stoffen (vooral NOx) (zie ook eerder bij aanlegfase). Reikwijdte Het aantal motorvoertuigbewegingen bedraagt daarbij hooguit 1 à 2 per windturbine per week. Gelet op het aantal vervoersbewegingen in de huidige situatie op de Haringvlietdam (23.900 motorvoertuigen (mvt)/etmaal, www.wegenwiki.nl/Haringvlietdam) is dit verwaarloosbaar en wordt aangenomen dat de extra emissies aan stikstof geen negatief effect heeft op de omliggende stikstofgevoelige leefgebieden van beschermde soorten. Daarom is het effect van stikstofdepositie in de gebruiksfase verder buiten beschouwing gebleven.

2.4 Conclusie maatgevende effecten De volgende effecten worden meegenomen in de toetsing: Aanlegfase:  Sterfte van soorten, reikwijdte is beperkt tot de aanwezige soorten die niet vluchten.  Ruimtebeslag, reikwijdte beperkt zich tot het werkgebied en overdraai van rotoren in Natura 2000-gebied.  Verstoring: afhankelijk van aanwezige soorten in het projectgebied en omgeving. Gebruiksfase:  Aanvaringsslachtoffers vogels en vleermuizen, afhankelijk voor welke soorten de 1%-mortaliteitsnorm wordt overschreden.  Verstoring van vogels:  broedvogels: afhankelijk van de gevoeligheid van de soort (-groep),  foeragerende en rustende vogels: afhankelijk van gevoeligheid van de soort(-groep),

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

16

3. Methode In dit hoofdstuk is de methodiek beschreven van het verkennend onderzoek dat bestaat uit een bronnenonderzoek en een veldonderzoek. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, wordt bepaald welke beschermde natuurwaarden (mogelijk) aanwezig zijn. Aan de hand van deze gegevens wordt getoetst of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten heeft (effectenanalyse) op beschermde soorten. Hieronder is per onderdeel de werkwijze toegelicht. 3.1 Bronnenonderzoek Het voorliggende onderzoek is uitgevoerd middels een literatuurstudie naar beschikbare inventarisatiegegevens van beschermde soorten binnen en in de nabijheid van het projectgebied. Hiervoor is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), die is geraadpleegd op 08-02-2022. Waarnemingen van aangetroffen soorten over een periode van de afgelopen vijf jaar zijn uit deze database gefilterd. Er is hierbij rekening gehouden met Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten, waarvoor een norm geldt van drie jaar voor geldigheid van waargenomen individuen. Daarnaast zijn gegevens van kust(broed)vogels en zeezoogdieren opgevraagd die jaarlijks in het kader van het Biologisch Monitoringprogramma van de zoute Rijkswateren geteld worden in opdracht van Rijkswaterstaat1.

Aanvullend zijn de Atlas van de Nederlandse zoogdieren en de Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland geraadpleegd. Daarnaast is voor verschillende soortgroepen ook naar de verspreidingsgegevens op verspreidingatlas.nl gekeken en op de sites van o.a. BIJ12, RAVON, de Vlinderstichting en SOVON vogelonderzoek Nederland aanvullend soort specifieke informatie opgezocht om te bepalen of beschermde soorten zijn te verwachten binnen het onderzoeksgebied. Op basis van de beschikbare gegevens is een inschatting gemaakt van het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten binnen het onderzoeksgebied. Daar waar relevant zijn de bronnen in de tekst benoemd. In de literatuurlijst in hoofdstuk 8 is de volledige bronvermelding opgenomen.

3.2 Veldonderzoek In opdracht van de initiatiefnemer E-Connection Project B.V. zijn in 2018 en 2020/2021 door Buijs Eco Consult tweewekelijks of maandelijks gegevens verzameld van vliegbewegingen van vogels over het projectgebied en de Haringvlietdam. Hierbij zijn vogelsoorten, vliegroutes, vlieghoogte en slaaptrek-bewegingen in kaart gebracht. Ook aanwezige broedvogels binnen het projectgebied zijn onderzocht. Tevens is er een vleermuisonderzoek door Buijs Eco Consult uitgevoerd in 2018 en 2020. Hierbij is het voorkomen van vleermuizen onderzocht vanaf maaiveld (met batdetector en warmtebeeldcamera) en op rotorhoogte in een bestaande windturbine (met batcorder). De nadruk lag hierbij op het vaststellen van de functie van het gebied als foerageergebied en vlieg- of migratieroute voor vleermuizen. Voor een gedetailleerde beschrijving van de gebruikte apparatuur en weersomstandigheden tijdens de veldbezoeken wordt verwezen naar Buijs 2019a en Buijs & Halters (2019b, 2021).

3.3 Effectenanalyse Op basis van de uitkomsten van het bronnen- en veldonderzoek wordt beoordeeld of het project (negatieve) effecten kan hebben op (mogelijk) aanwezige beschermde soorten en houtopstanden. Indien sprake is van een conflictsituatie tussen de aanwezigheid van beschermde soorten en de geplande ruimtelijke ingreep, is in onderhavige rapportage aangegeven welke voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen. Indien negatieve effecten door het nemen van voorzorgsmaatregelen niet te voorkomen zijn, is aangegeven welke mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn en/of een ontheffing in het kader

1

Een deel van de in deze rapportage gebruikte vogelgegevens is afkomstig uit het Biologisch Monitoring Programma Zoute Rijkswateren van Rijkswaterstaat, hetgeen onderdeel uitmaakt van het Monitoringsprogramma Waterstaatkundige Toestand van het Land (MWTL) van Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat neemt geen verantwoordelijkheid voor de in deze rapportage vermelde conclusies op basis van het door haar aangeleverde materiaal. 17

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

van de Wet natuurbescherming aangevraagd dient te worden. Tevens wordt aangegeven welke wettelijke voorwaarden gelden ten aanzien van beschermde houtopstanden.

3.4 Beoordeling aanvaringsslachtoffers In opdracht van idverde Advies heeft Bureau Waardenburg het aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen in de gebruiksfase van de twee windturbines in beeld gebracht en getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wnb. Als basis voor deze beoordeling is gebruik gemaakt van de resultaten van het vogel- en vleermuisonderzoek van Buijs Eco Consult in 2018 en 2020/2021. Voor een exacte beschrijving van de gebruikte materiaal en methoden bij het beoordelen van de aanvaringsslachtoffers wordt verwezen naar het rapport van Bureau Waardenburg (Prinsen et al, 2022) in bijlage 1.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

18

4. Effecten soortbescherming In de omgeving van de huidige en nieuwe windturbines moet rekening gehouden worden met soorten die zijn beschermd onder het soortbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming. Dit zijn soorten die onafhankelijk van natuurgebieden beschermd zijn in Nederland. In dit hoofdstuk is per soortgroep onderzocht of beschermde soorten kunnen voorkomen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden en of effecten op beschermde soorten kunnen optreden. 4.1 Vaatplanten In de NDFF zijn geen meldingen van beschermde vaatplanten bekend binnen het projectgebied. In het duingebied ten zuiden van Quackjeswater komt glad biggenkruid in grote aantallen voor. De westzijde van de Haringvlietdam, waar de huidige windturbines staan, is volledig verhard en biedt geen geschikte groeiplaats voor beschermde planten. De oostzijde van de Haringvlietdam bestaat uit een grasveld en een paar plekken met opgaand struweel. Dit grasveld wordt periodiek gemaaid en door recreanten goed bezocht en zelfs met auto’s bereden. Ter hoogte van de beide nieuwe turbinelocaties worden geen beschermde vaatplanten verwacht. Het kan echter niet worden uitgesloten dat op kale zandige plekken, bijvoorbeeld langs de wegen in het projectgebied glad biggenkruid groeit. Negatieve effecten op met name deze beschermde vaatplanten kunnen niet geheel worden uitgesloten en worden nader beoordeeld.

4.2 Vissen, amfibieën, reptielen Vissen Er zijn geen waarnemingen vanuit het NDFF bekend. Binnen de Wnb zijn voornamelijk zoetwatervissen beschermd, maar vanuit de Habitatrichtlijn, bijlage IV zijn ook houting en steur beschermd. Beschermde zoetwatervissen komen in de Voordelta en Haringvliet niet voor (website RAVON). De aanwezigheid van beschermde zoetwatervissoorten in het water rondom het projectgebied is uitgesloten. Negatieve effecten op zoetwatervissen zijn uitgesloten. Van de noordzeehouting zijn een aantal waarnemingen (NDFF) in de afgelopen jaren in de Haringvliet bekend. Het is een trekvis die leeft in het open water (op de Noordzee) en in het rivierengebied paait. Aangezien geen open verbinding is tussen de Haringvliet en de Rijn/Maas of Schelde is geen sprake van gerichte trek. Het voorkomen van deze vissoort rond de Haringvlietdam zal ongeveer gelijk zijn aan andere willekeurige plekken langs de Noordzeekust. Van de steur zijn in het Haringvliet de laatste 10 jaar geen waarnemingen bekend. Voor de noordzeehouting heeft het water rondom de Haringvlietdam geen specifiek belang ten opzichte van de rest van het Haringvliet of de Noordzeekust. Effecten van verstoring door impulsgeluid van heiwerkzaamheden onder water kunnen desondanks een effect hebben op deze vissoort. Voor noordzeehouting worden negatieve effecten als gevolg van heiwerkzaamheden nader beoordeeld.

Amfibieën In de NDFF is een recente melding van de gewone pad en rugstreeppad aan de oostzijde van de Haringvlietdam opgenomen. Het projectgebied ligt binnen het verspreidingsgebied van deze amfibieënsoorten. Waarnemingen van andere amfibiesoorten zijn niet bekend. Gezien de huidige omstandigheden binnen het projectgebied (maaibeheer, recreatie) en het ontbreken van geschikte voorplantingswateren worden andere dan de voorkomende amfibiesoorten (gewone pad en rugstreeppad) niet verwacht. Omdat gewone pad en rugstreeppad in de nabijheid van het projectgebied voorkomen kan aanwezigheid binnen het projectgebied niet worden uitgesloten. Van de rugstreeppad is bekend dat deze bouwlocaties kan koloniseren wanneer hier door de werkzaamheden open zand en ondiepe plassen zijn ontstaan. Negatieve effecten op rugstreeppad en algemeen voorkomende amfibiesoorten kunnen niet worden uitgesloten en worden nader getoetst.

19

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

Reptielen Er zijn geen waarnemingen vanuit het NDFF bekend. In het projectgebied ontbreekt geschikt leefgebied en het projectgebied valt ook buiten het verspreidingsgebied van reptielen (RAVON). Reptielen komen niet voor en negatieve effecten op zijn uitgesloten.

4.3 Vlinders, libellen en andere ongewervelden Van de platte schijfhoren zijn in de NDFF 2 meldingen bekend ten zuiden van Quackjeswater. Deze soort komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing, deze omstandigheden bevinden zich niet binnen het projectgebied. De locatie waar de platte schijfhoren voorkomt valt buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Van andere ongewervelden zijn geen meldingen vanuit het NDFF bekend. Gericht onderzoek naar dagvlinders, libellen of andere beschermde ongewervelden heeft niet plaatsgevonden. Beschermde libellensoorten zijn gebonden aan specifieke zoetwatermilieus. Deze milieus komen niet voor binnen het projectgebied of het nabijgelegen (zoete) Haringvliet. In het projectgebied zijn geen bijzondere vegetaties aanwezig die een aantrekkende werking kunnen hebben op bijzondere en beschermde soorten dagvlinders. Op basis van de aangetroffen omstandigheden wordt verwacht dat het projectgebied geen specifieke functie heeft voor overige bijzondere en/of beschermde soorten ongewervelden. Negatieve effecten op beschermde vlinders, libellen, platte schijfhoren en andere ongewervelden zijn uitgesloten.

4.4 Zoogdieren 4.4.1

Grondgebonden zoogdieren

Binnen het projectgebied zijn vanuit de NDFF meldingen bekend van beschermde zoogdieren als ree, konijn, vos en bunzing. Het projectgebied vormt in principe ook geschikt leefgebied voor algemene soorten zoals haas, egel, hermelijn en wezel. De aanwezigheid van overige beschermde soorten (zoals o.a. bever, noordse woelmuis, waterspitsmuis, das) binnen het projectgebied, of langs de oever, is uitgesloten op basis van het ontbreken van geschikt habitat en/of het feit dat het projectgebied niet binnen het verspreidingsgebied van de soort ligt. Van de soorten zijn ook geen waarnemingen binnen het projectgebied bekend. De bever komt voor in het Haringvliet en waarnemingen zijn bekend op circa 1,5 km van het projectgebied. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat binnen het projectgebied zien effecten op overige beschermde zoogdiersoorten uitgesloten. Negatieve effecten op algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren (zoals ree, konijn, haas, vos, egel, bunzing, hermelijn en wezel) zijn niet uitgesloten.

4.4.2

Zeezoogdieren

De voordelta is een belangrijk leefgebied voor zeehonden en bruinvis. Uit meldingen in de NDFF blijkt dat gewone zeehond en grijze zeehond met regelmaat waargenomen worden in de buurt van de Haringvlietdam. Sinds de Haringvlietsluizen op een kier staan worden beide soorten ook, het zij een enkele keer, waargenomen in het Haringvliet. Van de Bruinvis zijn in de NDFF een paar waarnemingen bekend in de Voordelta ter hoogte van de Haringvlietdam. Bruinvissen zijn jaarrond aanwezig in de Voordelta. Van de Bruinvis zijn in het Haringvliet geen waarnemingen bekend. Negatieve effecten van de werkzaamheden als gevolg van externe werking op zeezoogdieren die in het water van de Voordelta en Haringvliet voorkomen kunnen niet worden uitgesloten en worden nader beoordeeld.

4.4.3

Vleermuizen

In de NDFF zijn nabij het projectgebied meldingen bekend van gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Het betreft voornamelijk tellingen bij een winterverblijf in het Voornes Duingebied. Meldingen van vleermuizen binnen het projectgebied zijn niet bekend. Uit onderzoek van Buijs & Halters (2019b, 2021) in het projectgebied zijn de volgende soorten (in volgorde van waarnemingen op maaiveld en gondelhoogte) meermaals en met zekerheid vastgesteld:  Rosse vleermuis  Gewone dwergvleermuis  Ruige dwergvleermuis  Laatvlieger  Tweekleurige vleermuis  Myotissoort spec (vermoedelijk Watervleermuis/meervleermuis) Deze soorten foerageren in het projectgebied en/of vliegen/migreren vermoedelijk in grotere aantallen langs/door het projectgebied. Binnen het projectgebied zijn geen gebouwen of dikke bomen aanwezig. Het voorkomen van verblijfplaatsen is uitgesloten. Negatieve effecten op foeragerende, vliegende en/of migrerende vleermuizen

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

20

kunnen niet worden uitgesloten. Met name het optreden van aanvaringsslachtoffers als gevolg van de nieuwe windturbines wordt nader onderzocht.

4.5 Vogels 4.5.1

Algemene broedvogels

Broedvogels in het projectgebied De westzijde van de Haringvlietdam bestaat volledig uit steenbekleding en is niet geschikt als broedgebied voor vogels. In de NDFF zijn hier geen waarnemingen van broedvogels bekend. Aan de oostzijde van de Haringvlietdam is het gras en aanwezige struweel voor een aantal soorten wel geschikt als broedgebied. In de NDFF zijn van de volgende broedvogelsoorten meldingen bekend van een broedgeval of broedindicerend gedrag: krakeend, staartmees, bergeend, fuut, kneu, tjiftjaf, graspieper, nachtegaal, braamsluiper, merel, fitis, zwartkop, heggenmus, grasmus, sprinkhaanrietzanger, tuinfluiter, winterkoning, zanglijster, vink, spotvogel en roodborst. Bij het vogelonderzoek van door Buijs (2019a) zijn naast de meeste van bovengenoemde soorten ook nog de witte kwikstaart, houtduif en ekster aangetroffen/vastgesteld als broedvogel in (dan wel onder) het struweel (opgaande beplanting) van het projectgebied. Van de waargenomen broedvogels behoort de ekster tot categorie 5 van broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Nesten van soorten uit deze categorie zijn alleen jaarrond beschermd als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen. Broedvogels uit deze categorie zijn honkvaste broeders, maar voldoende flexibel om elders een nieuw nest te bouwen.

De overige waargenomen broedvogels zijn algemene broedvogels waarvan het nest alleen beschermd is op het moment dat het (in het broedseizoen) in gebruik is. In de omgeving van het projectgebied komen enkele belangrijke broedgebieden voor. Nabij het projectgebied is bij Quackjeswater een belangrijk broedgebied voor o.a. aalscholver, kleine zilverreiger en lepelaar aanwezig. In het Haringvliet liggen op grotere afstand van het projectgebied enkele belangrijke broedgebieden, zoals op de Slijkplaat. Speciale aandacht gaat uit naar de zeearend die in recente jaren langs het Haringvliet wordt waargenomen. Negatieve effecten op vogels die broeden binnen of in de omgeving van het projectgebied kunnen niet worden uitgesloten en worden nader beoordeeld. Vogels met vliegbewegingen bij het projectgebied in het broedseizoen Door Buijs (2019a) zijn van een groot aantal soorten vliegbewegingen genoteerd, ook tijdens het broedseizoen. Hieruit blijkt dat soorten die elders broeden over of langs het projectgebied vliegen o.a. om bij foerageergebieden elders te komen. Deze broedvogels kunnen door aanvaring slachtoffer worden van de windturbines. De broedvogelsoorten die dit betreft zijn door Bureau Waardenburg beschreven in hun rapportage (Prinsen et al. 2022).

4.5.2

Niet-broedvogels

In de Voordelta en het Haringvliet komen vooral steltlopers, eenden, ganzen en meeuwen voor. Belangrijke gebieden voor vogels zijn de slaapplaatsen en hoogwatervluchtplaatsen (HVP) waar zich bij hoogwater grote aantallen vogels verzamelen. De vogels, met name steltlopers, wachten hier tot de volgende laagwaterperiode, waarbij de vogels weer kunnen foerageren op droogvallende slikken. Voor de kust van het projectgebied liggen geen belangrijke foerageergebieden in de vorm van droogvallende slikken. Uit tellingen in het kader van het Biologisch Monitoringprogramma van de zoute Rijkswateren waarbij watervogels geteld worden in opdracht van Rijkswaterstaat, blijkt dat de aantallen watervogels in de Voordelta ter hoogte van het projectgebied beperkt zijn. Het water en de oever bij het huidige windpark is geen HVP voor niet-broedvogels. Ook aan de zijde van het Haringvliet blijkt het projectgebied geen belangrijk (HVP) gebied te zijn voor niet-broedvogels, zie afbeelding 4.1. Een enkele keer zijn grotere groepen steltlopers vastgesteld die met hoogwater op regenwormen komen foerageren in het projectgebied. Negatieve effecten op niet-broedvogels kunnen door verstoring en aanvaringsslachtoffers echter niet worden uitgesloten. Deze effecten worden nader beoordeeld.

21

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

Afbeelding 4.1: Kwetsbare gebieden voor niet-broedvogels in het Haringvliet.

4.5.3

Trekvogels

Trekvogels hebben geen specifieke relatie met het projectgebied, maar vliegen één- of tweemaal per jaar over het projectgebied wanneer zij onderweg zijn van hun broedgebieden in het noorden naar hun overwinteringsgebieden in het zuiden. Hiervoor hanteert Bureau Waardenburg de term seizoentrek om onderscheid te maken met bijvoorbeeld dagelijkse slaaptrek. Van de vogels die in het voorjaar en najaar over Nederland trekken, is in grote lijnen bekend welke routes ze volgen. Sommige vogels trekken in een breed front over ons land, andere soorten volgen vooral de kust of vliegen juist vooral over het oosten van ons land. Ook bestaat voor de meeste soorten een grof idee van de aantallen vogels die jaarlijks over ons land trekken. Voor sommige soorten gaat het om maximaal enkele honderden exemplaren, maar voor andere soorten kan het om miljoenen vogels gaan. Door Bureau Waardenburg is bepaald welke trekvogelsoorten langs de kust en over het projectgebied kunnen trekken. Uit deze analyse is een lijst met 123 soorten waarvan sterfte onder vogels op seizoenstrek gedurende de gebruiksfase van de twee geplande windturbines op de Haringvlietdam voorzienbaar is (Prinsen et al, 2022). Negatieve effecten als gevolg van aanvaringsslachtoffers bij trekvogels kunnen niet worden uitgesloten en worden nader onderzocht.

WINDTURBINES HARINGVLIETDAM TOETSING SOORTBESCHERMING E-Connection Project BV

22

5. Toetsing soortbescherming Van de soortgroepen reptielen en ongewervelden is het uitgesloten dat er beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen. Voor beschermde soorten binnen de soortgroepen vaatplanten, vissen, amfibieën, zoogdieren en vogels is het optreden van negatieve effecten echter niet uitgesloten. Voor deze soorten is in dit hoofdstuk getoetst of deze negatieve effecten kunnen ondervinden door de voorgenomen werkzaamheden en of hierdoor verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden overtreden. Indien dit laatste het geval is wordt gekeken of door het nemen van mitigerende maatregelen het overtreden van verbodsbepalingen kan worden voorkomen. Kan het overtreden van verbodsbepalingen niet worden voorkomen, dan dient een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. 5.1 Vaatplanten Beschermde vaatplanten zijn binnen het projectgebied niet waargenomen, alleen kan het voorkomen van glad biggenkruid niet worden uitgesloten langs aanwezige wegen en paden. Effecten op glad biggenkruid zijn enkel mogelijk tijdens de aanlegfase waarbij het plaatsen van twee nieuwe turbines en kraanopstelplaatsen tot vernietiging van groeiplaatsen kan leiden door vergraven of bereiden van deze groeiplaatsen. Glad biggenkruid komt veelvuldig voor in het duingebied ten noorden van het projectgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12798421/1