CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

06 (bijlage 1) windturbines A - Regels en toelichting bij het bestemmingsplan

Commissie Ruimte 8 juni 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam.44.689 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

De tijdelijke depositietoename als gevolg van de aanlegfase van het voorgenomen windturbines is voor stikstofgevoelige habitattypen H2120, H2190Aom, H2190B, H2130A, H2130C, H2180Ao, H2180C, H2180B en het leefgebied Lg12 dermate klein dat op zichzelf een negatief effect is uitgesloten, op grond van het gegeven dat de depositie dermate klein is dat deze ecologisch geen effect sorteert. Voor een aantal habitattypen en het leefgebied is stikstofdepositie daarbij geen factor van belang voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling. De extra belasting voor de andere habitattypen is ook ten opzichte van een op zichzelf overbelaste situatie dermate klein dat deze tijdelijke depositie met zekerheid niet tot een significant negatief effect leidt op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor beide stikstofgevoelige habitattypen in het Natura 2000-gebied 66

Gemeente Voorne aan Zee

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis Voornes Duin. Momenteel bestaat er geen vastgesteld beleid ten aanzien van stikstofdeposities als gevolg van ruimtelijke ingrepen waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen. Omdat er uit deze ecologische toets blijkt dat er weliswaar sprake is van negatieve effecten maar dat significant negatieve effecten zijn uitgesloten kan, volgens de beslisboom van de Rijksoverheid, geconcludeerd worden dat er voor dit project een vergunningplicht geldt en dat deze vergunning verleend kan worden. Er is daarmee ook sprake van een goede ruimtelijke ordening. Habitatrichtlijnsoorten De reikwijdte van effecten tijdens de aanlegfase en gebruiksfase, de aanwezigheid van kwalificerende soorten en het belang van de omgeving voor aanwezige soorten bepaald of negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van het project. Voor een aantal soorten kunnen effecten op voorhand worden uitgesloten. Door de afstand tussen het projectgebied en het huidige leefgebied van noordse woelmuis, nauwe korfslak en bever en huidige groeiplaatsen van groenknolorchis kunnen negatieve effecten op deze soorten op voorhand worden uitgesloten.

Als gevolg van heiwerkzaamheden bij de aanleg van de twee nieuwe turbines kunnen effecten op zeezoogdieren (zeehonden en bruinvis) en vissoorten (zeeprik, rivierprik, elft, zalm, fint en rivierdonderpad) niet op voorhand worden uitgesloten. Verstoring van zeehonden en vissen als gevolg van de werkzaamheden is nader beoordeeld. Vissen Het Haringvliet is aangewezen voor de vissoorten; zeeprik, rivierprik, fint, zalm, elft en rivierdonderpad. De Voordelta is aangewezen voor de vissoorten; zeeprik, rivierprik, fint en elft. De zeeprik, rivierprik, fint, zalm en elft zijn allemaal trekvissen die leven in het open water (op de Noordzee) en in het rivierengebied paaien. Aangezien geen open verbinding is tussen de Haringvliet en de Rijn/Maas of Schelde is geen sprake van gerichte trek. Het voorkomen van deze vissen rond de Haringvlietdam zal ongeveer gelijk zijn aan andere willekeurige plekken langs de Noordzeekust. In het Haringvliet worden deze soorten maar in bepekte mate gevangen. De rivierdonderpad komt voor in het Haringvliet, maar er zijn geen aantallen of trend bekend in het Haringvliet. Omdat de werkzaamheden buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden Haringvliet en Voordelta plaatsvinden vindt geen direct effect (verwonding of sterfte) plaats binnen deze gebieden op de kwalificerende vissoorten.

Fint, elft en zalm hebben een zwemblaas en zijn daarom gevoelig voor onderwatergeluid afkomstig van heiwerkzaamheden. Van de geluidsintensiteit in het water van het Haringvliet en Voordelta als gevolg van het heien wordt een groot deel van de geluidenergie geabsorbeerd in de bodem (oever). Voor de fint, elft en zalm heeft het water rondom de Haringvlietdam geen specifiek belang, maar in oeverzones zijn deze wel te verwachten. Daarop kan een verstorend effect als gevolg van onderwatergeluid niet worden uitgesloten. Echter, vissen kunnen eenvoudig vluchten in het open water van het Haringvliet en Voordelta naar delen waar geen schade of hinder worden ondervonden. Het lokale en tijdelijke karakter van de heiwerkzaamheden is hierdoor met zekerheid niet significant negatief voor het behalen van de IHD van de fint, elft en zalm. De rivierdonderpad, zeeprik en rivierprik hebben geen zwemblaas, zodat ze weinig gevoelig zijn voor onderwatergeluid (Heinis, 2009). De heiwerkzaamheden leiden daarom niet tot een negatieve effecten voor de rivierdonderpad, zeeprik en rivierprik. Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken. De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start. Als gevolg van deze maatregelen zal van gehoorbeschadiging geen sprake zijn, dieren zullen tijdig de omgeving van de heilocatie vermijden.

In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen. In dat geval is er geen sprake van verdragen inpulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op vissen uitgesloten. Zeezoogdieren De Voordelta is aangewezen voor de gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis en is een belangrijk leefgebied voor deze soorten.

Gemeente Voorne aan Zee

67

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)

Onderwatergeluid De sloop- en bouwwerkzaamheden (met name het heien) voor het windpark kunnen leiden tot tijdelijke verstoring van zeezoogdieren (in dit geval gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis) en daarmee tijdelijk verlies aan niet primair leefgebied. Bij plotselinge harde geluiden onder water, bijvoorbeeld bij heiwerkzaamheden, is er kans op mogelijke fysieke of fysiologische effecten, bestaande uit tijdelijke- (TTS) of permanente gehoordrempelverschuiving (PTS) en in het ergste geval verwondingen. Over de afstanden waarbinnen deze effecten kunnen optreden is beperkt informatie voorhanden. Deze is afhankelijk van de gebruikte heistelling en hei-energie, type heipaal en locatie (op land of water). Voor heiwerkzaamheden t.b.v. de aanleg van een steiger in de Rotterdamse haven heeft RHDHV (2017) berekeningen uitgevoerd naar de afstand waarbinnen TTS kan optreden (o.b.v. 178 dB, single strike). Hieruit komt naar voren dat voor bruinvis deze effecten kunnen optreden binnen een afstand van 2955m. Voor zeehonden is deze afstand bepaald op 1145 meter (RHDHV, 2017). Deze heiwerkzaamheden vonden plaats langs de kade in het water. De heiwerkzaamheden voor het windpark worden uitgevoerd op land, waardoor een groot deel van de geluidenergie wordt geabsorbeerd in de bodem (oever).

De verstoringsafstanden van de effecten van onderwatergeluid op bruinvis en zeehonden zullen hierdoor kleiner zijn. Er zijn waarnemingen bekend van zeehonden en bruinvis in de Voordelta ter hoogte van de Haringvlietdam. Gewone en grijze zeehonden worden in beperkte mate ook waargenomen in het Haringvliet. Mogelijk foerageren enkele individuen hier op vis. De omgeving van de Haringvlietdam is echter geen primair leefgebied van deze zeehonden en bruinvis. Voor zeehonden is dat de kustzone nabij hun rustgebieden op zandbanken. Voor bruinvis is dat het open water van de gehele Nederlandse kustzone en Noordzeegebied. De zeezoogdieren die door de werkzaamheden verstoord worden kunnen uitwijken naar elders in het Haringvliet en langs de kustzone. Ten opzichte van de populatie bruinvis, gewone zeehond en grijze zeehond zijn de aantallen mogelijk verstoorde individuen minimaal. Er zijn voor zeezoogdieren geen trekroutes tussen de Voordelta en het Haringvliet. De zeehonden en bruinvissen die tussen de Delta en Waddenzee langs de kust trekken ondervinden geen hinder van de werkzaamheden die zich tot het projectgebied van het windpark beperken. Effecten van de verstoring op de populaties van gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis zijn uitgesloten. Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken.

De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start. Als gevolg van deze maatregelen zal van gehoorbeschadiging geen sprake zijn, dieren zullen tijdig de omgeving van de heilocatie vermijden. In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen. In dat geval is er geen sprake van verdragende impulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op zeezoogdieren uitgesloten. Bovenwatergeluid In de directe omgeving kunnen tijdens de uitvoering van werkzaamheden foeragerende zeehonden en bruinvissen aanwezig zijn. Tijdens het verblijf in het water is bovenwater geluid minder van belang voor zeehonden en bruinvis dan onderwatergeluid. Deze zeezoogdieren foerageren immers een groot deel van hun tijd in het water en hoeven alleen bovenwater te komen om adem te halen. Voor bruinvissen is bovenwater geluid om die reden niet van negatieve invloed. Voor zeehonden is bovenwater-verstoring vooral van belang als zij gebruik maken van zeehondenrustplaatsen. De verstoringsafstand boven water bedraagt 1.200 meter (Brasseur & Reijnders, 1994, richtlijn Rijkswaterstaat). De wateren nabij het projectgebied hebben geen specifieke functie als rustgebied voor zeehonden. Verstoring van ligplaatsen in de Voordelta is gezien de afstand (>4 km) uitgesloten.

Negatieve effecten op de gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis als gevolg van bovenwatergeluid door de aanlegwerkzaamheden zijn uitgesloten. Vogelrichtlijnsoorten Aanlegfase Voor kwalificerende broedvogels en niet-broedvogels is het projectgebied niet van groot belang, waarschijnlijk door intensieve recreatieve gebruik van het projectgebied en de omgeving. Ruimtebeslag op leefgebied van vogels of visuele verstoring en beperkte geluidsverstoring door de aanwezigheid van mens en materieel is daarmee uitgesloten. Verstoring door geluid dat ver draagt (over land en water) kan wel voor verstoring zorgen van broed-, rust,- en foerageergebieden (verder) buiten het projectgebied. Maatgevend voor deze verstoring zijn de mogelijke heiwerkzaamheden (worst case) ten behoeve van de twee nieuwe turbines. Deze effecten worden hierna verder

68

Gemeente Voorne aan Zee

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis onderzocht en beoordeeld. Voor het in beeld brengen van de effecten in de aanlegfase zijn geluidscontouren van de heiwerkzaamheden bepaald (zie Figuur 5.10). Figuur 5.10 Geluidcontouren 70 dB (LA max) [bron: Figuur 5.1 en 5.2, Bijlage 13]

Broedvogels Haringvliet Belangrijke broedgebieden in het Haringvliet liggen op grotere afstand (zoals Quackgors op circa 3 kilometer, Slijkplaat op circa 6,5 kilometer en andere broedgebieden nog verder weg) en buiten de maximale verstoringsafstanden (zoals bepaald door Van der Aa, 2019 en Arcadis, 2015). De zeven kustbroedvogels waarvoor de Haringvliet is aangewezen (zwartkopmeeuw, bontbekplevier, dwergstern, kluut, strandplevier, visdief en grote stern) hebben zich vooral gevestigd op deze kale of schaars begroeide gebieden. Verstoring van broedlocaties van kustbroedvogels door heiwerkzaamheden is vanwege de afstand tot het projectgebied niet aan de orde. De Haringvliet is ook aangewezen voor drie soorten moerasbroedvogels (blauwborst, bruine kiekendief, rietzanger) welke vooral broeden in rietlanden en -ruigtes, waaronder Scheelhoek, Quackgors en Beninger Slikken. Het dichtstbijzijnde gebied met rietlanden en rietruigtes is Quackgors, de overige gebieden liggen op meerdere kilometers van het projectgebied. Verstoring van broedlocaties van kwalificerende

Gemeente Voorne aan Zee

69

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) moerasbroedvogels door heiwerkzaamheden is vanwege de afstand tot het projectgebied niet aan de orde. Broedvogels Voornes duin Het Voornes duin is aangewezen voor de broedvogelsoorten geoorde fuut, kleine zilverreiger, lepelaar en aalscholver. Het belangrijkste broedgebied voor kwalificerende broedvogels in het Voornes Duin nabij het projectgebied is Quackjeswater. Deze broedlocatie ligt op circa 1 kilometer van het projectgebied. Tussen dit broedgebied en het projectgebied ligt de Haringvlietdam met de N57 en het duingebied. De geluidscontouren laten zien dat beide een bufferende werking hebben waardoor het maximum piekgeluidniveau van 70 dB(LA max) zodanig wordt gedempt (met name voor heiwerkzaamheden bij HDV2), dat de toename van geluidsverstoring beperkt is. Hierdoor lijkt het dat dit geen extra verstoring van kwalificerende broedvogels bij Quackjeswater tot gevolg heeft. Het maximum piekgeluidniveau van 70 dB(LA max) is echter alleen bruikbaar voor niet-broedende kustvogels en kan slechts als indicatie gebruikt worden voor effecten op broedvogels. Effecten op broedvogels bij Quackjeswater kunnen op basis hiervan niet worden uitgesloten. De heiwerkzaamheden tijdens de aanlegperiode dienen daarom buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) te worden uitgevoerd.

Niet-broedvogels Het huidige en nieuwe windpark en de directe omgeving zijn niet van groot belang als rustgebied (HVP), slaapplaats of foerageergebied voor kwalificerende niet-broedvogels, behalve het Quackjeswater, dat onder andere een belangrijke slaapplaats is voor aalscholvers. Andere belangrijke gebieden voor niet-broedvogels (watervogels, steltlopers en meeuwen/sterns) liggen op grotere afstand van het nieuw windpark, waaronder Kwade hoek, Scheelhoek, Quackgors en Slijkplaat. Door Prinsen et al. (2022: Bijlage 10) is voor de kwalificerende soorten die bij het projectgebied zijn waargenomen het belang van deze gebieden nader toegelicht. Verstoring door geluid dat ver draagt (over land en water) kan ook voor verstoring zorgen van deze rust-, en slaapplaatsen en foerageergebieden (verder) buiten het projectgebied. Maatgevend voor deze verstoring zijn de heiwerkzaamheden ten behoeve van de twee nieuwe turbines. Voor het bepalen van effecten van ongelijkmatig/piekgeluid (zoals bij heiwerkzaamheden) op kwalificerende niet-broedende kustvogels is de drempelwaarde van 70 dB (LA max) gehanteerd. Volgens Cutts et al. (2009) treden er geen of geringe effecten op onder de 70 dB(A) als maximumwaarde. Uit de geluidscontouren weergegeven in afbeeldingen 5.1 en 5.2 blijkt dat de 70 dB(A)-geluidscontour niet reikt tot aan een van de genoemde rust- en slaapplaatsen en foerageergebieden.

Effecten op niet-broedvogels als gevolg van het ongelijkmatig/piekgeluid van de (tijdelijke) heiwerkzaamheden treden niet op. De tijdelijke verstoring door piekgeluid van heiwerkzaamheden in beide Natura 2000-gebieden leidt niet tot (significant) negatieve effecten op kwalificerende niet-broedvogels. Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken. De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start. Als gevolg van deze maatregelen zal van negatieve effecten geen sprake zijn, kwalificerende niet-broedvogels binnen de verstoringszone van de heilocatie zullen deze tijdig vermijden. In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen. In dat geval is er geen sprake van verdragende impulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op kwalificerende niet-broedvogels ook uitgesloten. Gebruiksfase - aanvaringsslachtoffers Wanneer vogels uit Natura 2000-gebieden gebruik maken van het projectgebied of hier frequent overheen vliegen, kunnen zij negatieve effecten ondervinden van de twee geplande windturbines. Dit kan leiden tot effecten op het doelbereik van de IHD’s die voor deze soorten in Natura 2000-gebieden gelden. Aan de hand van de maximale foerageerafstanden van de betrokken vogelsoorten (binnen en buiten broedseizoen) is door Bureau Waardenburg (Prinsen et al.

2022: Bijlage 10) bepaald welke Natura 2000-gebieden en bijbehorende IHD’s in deze zin binnen de invloedssfeer van het windpark liggen. Vervolgens zijn de kwalificerende vogelsoorten bepaald waarvan de maximale foerageerafstand groter is dan de minimale afstand tussen het Natura 2000-gebied en het projectgebied. Deze vogelsoorten uit omliggende Natura 2000-gebieden kunnen een relatie met het projectgebied van de twee windturbines hebben en daardoor mogelijk aanvaringslachtoffer worden. Op basis van de analyse van gebiedsgebruik en vliegbewegingen van vogels in het projectgebied, heeft het projectgebied voor een groot aantal van de voorkomende vogelsoorten slechts een geringe betekenis en passeren deze soorten vanuit de betrokken Natura 2000-gebieden het projectgebied

70

Gemeente Voorne aan Zee

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis hooguit incidenteel. Van een beperkt aantal soorten blijkt dat deze, tijdens het broedseizoen en/of daarbuiten, met enige regelmaat het projectgebied op rotorhoogte passeren waarbij een toename van slachtoffers in theorie een negatief effect kan hebben op de grootte van de populaties in de betrokken Natura 2000-gebieden. Voor deze soorten is het aantal potentiële aanvaringsslachtoffers berekend met behulp van het Flux-Collision Model (Kleyheeg-Hartman et al. 2018), voor zover van de soorten de aanvaringskans (kans dat een langs vliegende vogel botst met een windturbine) bekend is. Voor soort(groep)en waarvoor geen aanvaringskans beschikbaar is (zoals reigerachtigen en roofvogels) is door Bureau Waardenburg een inschatting van het aantal aanvaringsslachtoffers voor de windturbines gemaakt (Bijlage 10). Om de worst-case situatie in beeld te brengen is bij de berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers in eerste instantie geen rekening gehouden met het vogelsignaleringssysteem dat bij de bouw van de twee windturbines wordt geïnstalleerd. Broedvogels Kwalificerende broedvogelsoorten uit Natura 2000-gebieden die wel met enige regelmaat het projectgebied op rotorhoogte passeren zijn aalscholver, grote stern en visdief.

Voor de aalscholver bedraagt het berekende aantal aanvaringsslachtoffers in het broedseizoen bij beide windturbines samen circa één aalscholver per jaar in het worst case-scenario. Deze jaarlijkse sterfte van de aalscholver in het broedseizoen in de gebruiksfase van beide windturbines ligt onder de 1%-mortaliteitsnorm van de betrokken populatie in Natura 2000-gebied Voornes Duin. De additionele sterfte is derhalve te beschouwen als ‘een verwaarloosbaar kleine kans’ op effect op populatieniveau als gevolg van het project en een negatief effect op de IHD is uitgesloten. Voor de grote stern bedraagt het berekende aantal aanvaringsslachtoffers in het broedseizoen ruim twee exemplaren per jaar in het gehele windpark in het worst case-scenario. Deze jaarlijkse sterfte van de grote stern in het broedseizoen in de gebruiksfase van beide windturbines ligt onder de 1%-mortaliteitsnorm van de betrokken populatie van de gehele Delta. Een dergelijk aantal aanvaringsslachtoffers is een kleine hoeveelheid en niet van invloed op behoud van de omvang van deze populatie en een negatief effect op de IHD van deze soort in de betrokken Natura 2000-gebieden is uitgesloten. Voor de visdief bedraagt het berekende aantal aanvaringsslachtoffers in het broedseizoen in het worst case-scenario <1 exemplaar per jaar.

De jaarlijkse sterfte van de visdief in de gebruiksfase van beide windturbines ligt ruim onder de 1%-mortaliteitsnorm van de betrokken populatie die gebruik kan maken van het noordelijke deel van de Voordelta en een negatief effect op de IHD van deze soort in het Natura 2000-gebied Voordelta is uitgesloten. Niet-broedvogels Het merendeel van de kwalificerende soorten niet-broedvogels (reigers, lepelaars, zwanen, ganzen, eenden, roofvogels, steltlopers en sterns) vertonen buiten het broedseizoen geen vliegbewegingen over het projectgebied of slechts in (zeer) lage aantallen, omdat ze geen binding hebben met de omgeving van het projectgebied of uitsluitend buitendijks in de Voordelta of op het Haringvliet voorkomen. Voor deze soorten is in voorliggende effectbepaling geen berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers uitgevoerd, omdat dit effect op basis van de verspreiding en het gedrag van de soort in zowel het huidige als in het toekomstige windpark nihil zal zijn (ruim minder dan één slachtoffer op jaarbasis in het gehele windpark). Kwalificerende niet-broedvogelsoorten uit Natura 2000-gebieden die wel met enige regelmaat het projectgebied passeren zijn aalscholver en scholekster. Voor de aalscholver bedraagt het berekende aantal aanvaringsslachtoffers buiten het broedseizoen bij beide windturbines samen bijna twee aalscholvers per jaar in het worst case-scenario.

De sterfte van de aalscholver (niet-broedvogels) in de gebruiksfase van de twee geplande windturbines ligt in het worst case-scenario onder de 1%-mortaliteitsnorm van de betrokken populaties uit het Natura 2000-gebied Haringvliet respectievelijk Voordelta. Een dergelijk aantal aanvaringsslachtoffers is een kleine hoeveelheid en niet van invloed op behoud van de omvang van deze populatie en een negatief effect op de IHD van deze soort in de Natura 2000-gebieden Haringvliet en Voordelta is uitgesloten. Voor de scholekster bedraagt het berekende aantal aanvaringsslachtoffers buiten het broedseizoen in het worst case-scenario ruim <1 exemplaar per jaar. Deze sterfte in het nieuwe windpark heeft met zekerheid geen negatief effect op het behalen van de IHD van deze soort in de Natura 2000-gebieden Voordelta, Duinen Goeree & Kwade Hoek of Grevelingen, want de sterfte ligt in alle gevallen (ruim) onder de 1%-mortaliteitsnorm.

Gemeente Voorne aan Zee

71

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) Vergelijking aanvaringsslachtoffers vogels met bestaande zes turbines In Bijlage 13 is ook het aantal berekende aanvaringsslachtoffers (in het bestaande windpark en worst-case scenario van twee nieuwe windturbines) per jaar voor de relevante soorten broedvogels en niet-broedvogels uit Natura 2000-gebieden in beeld gebracht. De resultaten van de berekeningen laten zien dat de sterfte van hierboven genoemde (broedvogel en niet-broedvogel) soorten in het bestaande windpark van zes windturbines op de Haringvlietdam (ruim) omvangrijker is dan in de toekomstige situatie met de twee geplande windturbines. Onderdeel van het plan is dat de bestaande windturbines buiten gebruik worden genomen vóór ingebruikname van de twee nieuwe windturbines, er geldt hierbij dat de windturbines niet gelijktijdig in bedrijf zijn. Per saldo is daarom sprake van een nul effect (scholekster en visdief) of mogelijk zelfs positief effect (aalscholver en grote stern) op de betrokken populaties. Cumulatieve effecten In een cumulatiestudie hoeft alleen rekening te worden gehouden met projecten waarvoor een Wnb-vergunning is afgegeven en die nog niet (volledig) zijn gerealiseerd.

Daarnaast hoeft ook alleen gecumuleerd te worden met projecten die eenzelfde type effect sorteren, op instandhoudingsdoelstellingen waar het te toetsen project ook een effect op heeft. Uit de effectbeoordeling Bijlage 13 blijkt dat de bouw en realisatie van de windturbines Haringvlietdam, zonder mitigatie, de volgende negatieve effecten heeft:  Verstoring van de fint, elft en zalm als gevolg van heiwerkzaamheden in de aanlegfase van de twee nieuwe windturbines.  Verstoring van de gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis als gevolg van heiwerkzaamheden in de aanlegfase van de twee nieuwe windturbines.  Verstoring van kwalificerende niet-broedvogels als gevolg van heiwerkzaamheden in de aanlegfase van de twee nieuwe windturbines. Voor deze drie punten zijn in Bijlage 13 mitigerende maatregelen opgenomen waarmee het optreden van het desbetreffende negatieve effect volledig voorkomen kan worden. Er is in dat geval op deze punten geen sprake van een resteffect. Dit betekent dat met betrekking tot verstoring van vissen, zeezoogdieren en niet-broedvogels er geen sprake is van een resteffect dat in cumulatie met het effect van andere plannen en projecten in de omgeving beschouwd moet worden. Een cumulatiestudie is daarom in het kader van de Wnb (onderdeel gebiedenbescherming) niet nodig.

Samenvatting gebiedsbescherming Uit bovenstaande analyse en Bijlage 13 blijkt dat het optreden van significant negatieve effecten op het behalen van IHD van kwalificerende habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten, mits de beschreven maatregelen worden toegepast, met zekerheid zijn uitgesloten. Omdat negatieve effecten kunnen optreden ligt het aanvragen van een vergunning voor de hand. Op basis van de conclusie uit deze Verslechteringstoets kan een vergunning in beginsel worden verleend en is er daarmee sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.6.2.2 Gebiedsbescherming - Natuurnetwerk Nederland De windturbines op Haringvlietdam worden niet geplaatst binnen de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Effecten in de vorm van ruimtebeslag zijn daarmee uitgesloten. Rondom het plangebied liggen wel NNN-gebieden.

72

Gemeente Voorne aan Zee

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis

Figuur 5.11 NNN-gebieden nabij het plangebied (plangebied = rood omlijnd, NNN= groen gearceerd) [bron: www.ruimtelijkeplannen.nl]

Windturbines kunnen leiden tot verstoring, waarbij zowel visuele als auditieve verstoring van belang zijn (bijvoorbeeld door overdraai). Bij de windturbines Haringvlietdam is geen sprake van overdraai boven het NNN, NNN kent ook geen externe werking, Daardoor kunnen effecten op NNN uitgesloten worden. 5.6.2.3 Soortenbescherming Voor het onderdeel soortenbescherming is een aparte toetsing soortenbescherming uitgevoerd (zie Bijlage 12). Bij de realisatie van windparken zijn de volgende effecten mogelijk:  in de aanlegfase zijn verstoring door menselijke activiteiten en aantasting van het leefgebied de relevante effecten. Effecten in de aanlegfase zijn vaak lokaal en/of tijdelijk van aard en afhankelijk van de werkzaamheden en de precieze opstelling van de turbines. De volgende relevante effecten zijn meegenomen in de toetsing: 1. sterfte van soorten, reikwijdte is beperkt tot de aanwezige soorten die niet vluchten; 2. ruimtebeslag, reikwijdte beperkt zich tot het werkgebied en overdraai van rotoren in Natura 2000-gebied; 3. verstoring: afhankelijk van aanwezige soorten in het projectgebied en omgeving;  de meest relevante potentiële ecologische effecten van windparken in de gebruiksfase zijn verstoring, sterfte en/of barrièrewerking van/voor vleermuizen en vogels.

Het verstorende effect wordt zowel bepaald door het ronddraaien van de rotoren als de fysieke aanwezigheid van windturbines. Het werkelijke effect hiervan verschilt per soort(groep). Er is geen relevant effect van geluid van windturbines en effect door obstakelverlichting op soorten. De volgende relevante effecten zijn meegenomen in de toetsing: 1. aanvaringsslachtoffers vogels en vleermuizen, afhankelijk voor welke soorten de 1%-mortaliteitsnorm wordt overschreden (zie Kader 5.1); 2. verstoring van vogels: a. broedvogels: afhankelijk van de gevoeligheid van de soort (groep); b. foeragerende en rustende vogels: afhankelijk van gevoeligheid van de soort(groep). Hieronder wordt nader op de effecten op verschillende soorten in gegaan op basis van bronnenonderzoek (in Bijlage 12), veldonderzoek (zie Bijlage 11), effectanalyse (in Bijlage 12) en

Gemeente Voorne aan Zee

73

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) beoordeling aanvaringsslachtoffers (zie Bijlage 10). Vogels Algemene broedvogels De westzijde van de Haringvlietdam bestaat volledig uit steenbekleding en is niet geschikt als broedgebied voor vogels. Bij het verwijderen van de bestaande windturbines zijn negatieve effecten op broedvogels uitgesloten. Aanlegfase, verstoring algemeen Door het inrichten van nieuwe turbinelocaties, kraanopstelplaatsen en depotlocaties treedt er permanent ruimtebeslag op van broedlocaties. Het werkelijke areaal dat hierdoor ongeschikt wordt als broedgebied is beperkt en in de directe omgeving is voldoende alternatief broedgebied beschikbaar. Een negatieve effect als gevolg van permanent ruimtebeslag op broedlocaties is niet aan de orde. Als de werkzaamheden starten in het broedseizoen kunnen broedvogels en hun jongen op de bouwlocaties van de 2 nieuwe windturbines gedood worden. Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd kan eveneens verstoring van de omgeving optreden door geluid (heiwerkzaamheden, sloopwerkzaamheden, verwijderen struweel, et cetera), door verlichting bij werkzaamheden ’s avonds en ’s nachts en visuele prikkels van aanwezig personeel en materieel (kranen, vrachtwagens, et cetera).

Wanneer de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen worden gestart zullen meerdere soorten broedvogels uitwijken naar geschikte broedgebieden in de directe omgeving waar geen werkzaamheden plaatsvinden. Als de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, is in het ergste geval het gehele projectgebied ten oosten van de Haringvlietdam ongeschikt als broedgebied tijdens het jaar van de nieuwbouwwerkzaamheden. Effecten als gevolg van verstoring van broedvogels of het doden van (jonge) vogels door de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Voor de aanwezige broedvogels zijn deze effecten in de aanlegfase met gepaste preventieve maatregelen (werk voorafgaand aan het broedseizoen (15 maart – 15 juli) starten of voorafgaand aan het broedseizoen het gebied ongeschikt maken als broedgebied) goed te voorkomen. Omdat er ook gewerkt moet worden buiten het stormseizoen (1 oktober – 15 april) is volledig werken buiten het broedseizoen niet mogelijk. Aanlegfase, verstoring heiwerkzaamheden Verstoring door geluid dat ver draagt (over land en water) kan ook voor verstoring zorgen van broed-, rust,- en foerageergebieden (verder) buiten het projectgebied. Maatgevend voor deze verstoring zijn de mogelijke heiwerkzaamheden (worst case) ten behoeve van de twee nieuwe turbines.

Voor het in beeld brengen van de effecten in de aanlegfase zijn geluidscontouren van de heiwerkzaamheden bepaald. Voor de twee windturbinelocaties zijn geluidscontouren berekend voor 2 varianten, namelijk bij het gebruik van betonnen en stalen heipalen. Voor de berekeningen is het maximum piekgeluidniveau van 70 dB (LA max) gehanteerd, als drempelwaarde waaronder geen of geringe effecten optreden bij niet-broedende kustbroedvogels (Cutts et al, 2009) (zie ook Figuur 5.9). Belangrijke broedgebieden in het Haringvliet liggen op grotere afstand (zoals Quackgors op circa 3 kilometer en Slijkplaat op circa 6,5 kilometer) en buiten de maximale verstoringsafstanden, waardoor effecten op broedvogels van deze broedgebieden zijn uitgesloten. Het belangrijkste broedgebied in het natuurgebied Voornes Duin, Quackjeswater, ligt op circa 1 kilometer van het projectgebied. Tussen dit broedgebied en het projectgebied ligt de Haringvlietdam met de N57 en het duingebied. De geluidscontouren laten zien dat beide een bufferende werking hebben waardoor het maximum piekgeluidniveau van 70 dB(LA max) zodanig wordt gedempt, dat de toename van geluidsverstoring beperkt is. Hierdoor lijkt het dat dit geen extra verstoring van broedvogels bij Quackjeswater tot gevolg heeft.

Het maximum piekgeluidniveau van 70 dB(LA max) is echter alleen bruikbaar voor niet-broedende kustvogels en kan slechts als indicatie gebruikt worden voor effecten op broedvogels. Effecten op broedvogels bij Quackjeswater kunnen op basis hiervan niet worden uitgesloten. Daarnaast kunnen ook lokaal broedende vogels binnen het plangebied en de ruime omgeving daarvan (aan de oostzijde van het plangebied) door de heiwerkzaamheden verstoord worden. Dit betreft voornamelijk zangvogels die broeden in aanwezige bomen en struweel. Negatieve effecten op broedvogels in het broedseizoen kunnen niet worden uitgesloten. De heiwerkzaamheden tijdens de aanlegperiode dienen daarom buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) te worden uitgevoerd.

74

Gemeente Voorne aan Zee

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis

Gebruiksfase In de gebruiksfase hebben windturbines in het algemeen een beperkte verstorende invloed op broedvogels die broeden in het gebied waar de windturbines gebouwd worden (Pearce-Higgins et al. 2009; Hötker 2017). Bij veel soorten zijn in het geheel geen verstorende effecten in de broedperiode aangetoond, en waar dat wel het geval is, zijn de effectafstanden geringer dan die buiten de broedperiode. Doordat vogels in het broedseizoen doorgaans in ruimtelijk verspreide territoria voorkomen zijn de aantallen beïnvloede vogels daarnaast veelal kleiner dan buiten het broedseizoen. Negatieve effecten op lokale broedvogels als gevolg van de gebruiksfase van de twee nieuwe windturbines zijn verwaarloosbaar en van een effecten op de staat van instandhouding van lokale populaties is geen sprake. Sterfte onder vogels in het broedseizoen als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen van de nieuwe turbines zijn door Bureau Waardenburg bepaald (Bijlage 10) en beoordeeld aan de hand van berekeningen met het Flux-Collision Model. Van de vogelsoorten die in de omgeving broeden blijkt vooral grote stern, visdief, kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw en kokmeeuw in het broedseizoen (april t/m augustus) bij het bestaande en nieuwe windpark rond te vliegen.

Voor alle beschouwde vogelsoorten in het broedseizoen geldt dat de additionele sterfte veroorzaakt door de twee windturbines gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de staat van instandhouding van de desbetreffende broedpopulatie. Daarbij vormt het verwijderen van de zes oude windturbines onderdeel van het initiatief en er is geen sprake is van een dubbeldraaiperiode. Per soort is dus per saldo met zekerheid geen sprake van een toename van sterfte in het broedseizoen als gevolg van het initiatief, maar is in de meeste gevallen juist sprake van een duidelijke afname van de sterfte. Effecten op de gunstige staat van instandhouding van broedvogelpopulaties zijn daarom met zekerheid uit te sluiten. Niet-broedvogels Aanlegfase Door het uitvoeren van verstorende werkzaamheden kunnen locaties tijdens de werkzaamheden tijdelijk niet of minder geschikt zijn als rust- en slaapplaats en foerageergebied voor niet-broedvogels. Het is voor veel vogels mogelijk om uit te wijken naar rust- en foerageergebied in de omgeving, maar naarmate zich meer vogels in de Delta bevinden (hetgeen vooral in de wintermaanden het geval is), neemt de aanwezigheid van geschikte uitwijkmogelijkheden af.

Het huidige windpark en nieuwe windturbines en de directe omgeving zijn niet van groot belang als rustgebied (HVP), slaapplaats of foerageergebied voor niet-broedvogels, behalve het Quackjeswater, dat onder andere een belangrijke slaapplaats is voor aalscholvers. Andere belangrijke gebieden voor niet-broedvogels (watervogels, steltlopers en meeuwen/sterns) liggen op grotere afstand van het nieuw windpark, waaronder Kwade hoek, Scheelhoek, Quackgors en Slijkplaat. Door Prinsen et al. (2022: Bijlage 10) is voor de soorten die bij het projectgebied zijn waargenomen het belang van deze gebieden nader toegelicht. Verstoring door geluid dat ver draagt (over land en water) kan ook voor verstoring zorgen van deze rust-, en slaapplaatsen en foerageergebieden (verder) buiten het projectgebied. Maatgevend voor deze verstoring zijn de heiwerkzaamheden ten behoeve van de twee nieuwe turbines. Voor het bepalen van effecten van ongelijkmatig/piekgeluid (zoals bij heiwerkzaamheden) op niet-broedende kustvogels is de drempelwaarde van 70 dB (LA max) gehanteerd. Volgens Cutts et al. (2009) treden er geen of geringe effecten op onder de 70 dB(A) als maximumwaarde. De 70 dB(A)-geluidscontour reiken niet tot aan een van de genoemde rust- en slaapplaatsen en foerageergebieden (Bijlage 12).

Effecten op niet-broedvogels als gevolg van het ongelijkmatig/piekgeluid van de (tijdelijke) heiwerkzaamheden treden niet op. De heiwerkzaamheden zijn niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de desbetreffende niet-broedvogelsoorten. Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken. De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start. Als gevolg van deze maatregelen zal van negatieve effecten geen sprake zijn, niet-broedvogels binnen de verstoringszone van de heilocatie zullen deze tijdig vermijden. In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen. In dat geval is er geen sprake van verdragende impulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op niet-broedvogels ook uitgesloten.

Gemeente Voorne aan Zee

75

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)

Gebruiksfase Door aanvaring van vogels met de rotorbladen van windturbines neemt de sterfte toe. Wanneer er grote aantallen slachtoffers vallen heeft dit mogelijk een effect op de populaties van aanwezige vogelsoorten. Sterfte onder niet-broedvogels als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen van de nieuwe turbines zijn door Bureau Waardenburg bepaald en beoordeeld aan de hand van berekeningen met het Flux-Collision Model (Bijlage 10). Van de niet-broedvogels die bij het bestaande en nieuwe windpark rond te vliegen blijken vooral aalscholver, scholekster, grote stern, visdief, grote mantelmeeuw, zilvermeeuw en kokmeeuw buiten het broedseizoen (september t/m maart) slachtoffer te worden. Voor alle beschouwde niet-broedvogelsoorten geldt dat de additionele sterfte veroorzaakt door de twee windturbines gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de staat van instandhouding van de desbetreffende populatie. Daarbij vormt het buiten gebruik stellen en verwijderen van de zes oude windturbines onderdeel van het initiatief en er is geen sprake van het gelijktijdig in gebruik zijn van het oude windpark en de nieuwe windturbines.

Per soort is dus per saldo met zekerheid geen sprake van een toename van sterfte in het broedseizoen als gevolg van het initiatief, maar is in de meeste gevallen juist sprake van een duidelijke afname van de sterfte. Effecten op de gunstige staat van instandhouding van populaties niet-broedvogels zijn daarom met zekerheid uit te sluiten. Trekvogels Aanlegfase Seizoenstrek vindt plaats in het voorjaar en najaar en over het algemeen op grote hoogte. Van verstoring van trekvogels als gevolg van de sloop van bestaande windturbines en bouw van 2 nieuwe windturbines en kraanopstelplaatsen is geen sprake, mochten deze werkzaamheden samenvallen met het trekseizoen. Trekvogels zullen hoge obstakels zoals kranen en (niet draaiende) windturbines ontwijken waardoor van een wezenlijke verstoring van trekvogels geen sprake is. Gebruiksfase Seizoenstrek vindt over het algemeen op grote hoogte plaats waardoor het aanvarings-risico voor vogels op seizoenstrek met de windturbines dan relatief laag is. Onder bepaalde (weers)omstandigheden kan echter een substantieel deel van de trek op rotorhoogte plaatsvinden. Vanwege het relatief grote aantal vogels dat tijdens seizoenstrek het projectgebied passeert, zullen dan meerdere vogels met de windturbines kunnen botsen, vooral in het donker wanneer de windturbines minder goed zichtbaar zijn.

Ook de sterfte onder trekvogels als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen van de nieuwe turbines zijn door Bureau Waardenburg bepaald en beoordeeld aan de hand van berekeningen met het Flux-Collision Model (Bijlage 10). Voor algemene soorten, die in grote aantallen het projectgebied passeren, zoals lijsters, roodborst en spreeuw, kunnen gedurende de looptijd van circa 30 jaar per soort enkele individuen slachtoffer worden van een aanvaring met de twee geplande windturbines. Voor schaarse soorten, die in kleine aantallen het projectgebied passeren, zoals kwartel en ransuil, zijn slachtoffers gedurende de looptijd van het windpark uitgesloten, uiterste incidenten daargelaten. Voor alle beschouwde trekvogels geldt dat de additionele sterfte veroorzaakt door de twee windturbines gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de staat van instandhouding van de desbetreffende populatie. Daarbij vormt het verwijderen van de zes oude windturbines onderdeel van het initiatief en er is geen sprake is van een dubbeldraaiperiode. Per soort is dus per saldo met zekerheid geen sprake van een toename van sterfte in het broedseizoen als gevolg van het initiatief, maar is in de meeste gevallen juist sprake van een duidelijke afname van de sterfte.

Effecten op de gunstige staat van instandhouding van populaties trekvogels zijn daarom met zekerheid uit te sluiten. Zeearend De zeearend wordt de laatste jaren met regelmaat waargenomen in de monding van het Haringvliet, de Kwade Hoek, de Scheelhoek, de buitendijkse gorzen langs het Haringvliet, zoals het Quackgors, de Korendijkse Slikken en het eiland Slijkplaat in het Haringvliet. Incidenteel zal een zeearend vanuit of op weg naar eerdergenoemde watervogelrijke gebieden over het plangebied kunnen vliegen, maar er zijn tot nu toe geen aanwijzingen dat dit meer dan sporadisch gebeurt. Door Bureau Waardenburg (Prinsen et al. 2022: Bijlage 10) wordt onderbouwd

76

Gemeente Voorne aan Zee

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis geconcludeerd dat effecten op deze soort als gevolg van het risico op aanvaringen met de twee geplande windturbines vooralsnog nihil is. Het projectgebied ligt op meer dan 13 kilometer van het dichtstbijzijnde nest (op de Korendjikse Slikken). Dit is ruim buiten de afstand van 6 kilometer waarbinnen veelal de bulk van de activiteit van de oudervogels in het broedseizoen plaatsvindt (Grünkorn & Nehls 2017). Ook zijn er geen aanwijzingen dat het projectgebied in een corridor ligt tussen de twee hiervoor beschreven nestlocaties in het Haringvliet en watervogelrijke voedselgebieden buiten het Haringvliet, zoals de Kwade Hoek. Regelmatige voedselvluchten over het projectgebied in het broedseizoen van dit broedpaar zijn daarom uitgesloten. Het aanvaringsrisico kan in de komende jaren veranderen, mocht bijvoorbeeld een broedpaar zeearend zich in de directe omgeving (< 6 kilometer) van het plangebied vestigen. De initiatiefnemer van de windturbines heeft op voorhand besloten om met de bouw van de twee nieuwe windturbines een detectiesysteem te installeren voor de zeearend (en eventueel andere grote (roof)vogels), waarbij de keuze voor het type systeem uiteindelijk wordt bepaald door ervaringen op andere plaatsen en beschikbare technologie.

Met het inzetten van dit detectiesysteem is geborgd dat aanvaringsslachtoffers onder de zeearend tijdens de volledige exploitatiefase worden voorkomen, uiterste incidenten daargelaten. In de planregels is een gebruiksregel opgenomen om te borgen dat er in het windpark maatregelen worden getroffen zodat de kans op aanvaringsslachtoffers van de zeearend zo veel mogelijk worden voorkomen. Er zijn diverse technieken beschikbaar zijn die geschikt zijn. Sommige systemen werken met radartechnologie, andere op basis van slimme camerasystemen. Momenteel zijn deze systemen nog volop in ontwikkeling en kunnen ze nu vooral grotere vogelsoorten, zoals in ieder geval de zeearend, goed detecteren. Een beelddetectiesysteem in combinatie met een specifieke stilstandregeling biedt op dit moment optimaal resultaat. De gebruiksregel is zodanig geformuleerd dat er keuzevrijheid is voor het te realiseren (detectie)systeem en de te gebruiken techniek. Ditzelfde systeem is uit te breiden voor andere grote (roof)vogelsoorten, maar dan dient eerst nader bepaald en gedefinieerd te worden om welke specifieke vogelsoorten dit gaat waarvan de aanvaringsslachtoffers nader beperkt moeten worden, of dit noodzakelijk en doelmatig is, en of deze ook werkelijk door het systeem te onderscheiden zijn. Vervolgens kan het te realiseren systeem hier nader op ingeregeld worden.

De planregel beperkt zich daarom nu specifiek tot de zeearend maar het systeem biedt ruimte voor meer soorten. Het detectiesysteem voor (andere) grote vogelsoorten is niet noodzakelijk vanuit de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Vleermuizen Op basis van onderzoek van Buijs & Halters (2019b, 2021: Bijlage 11) zijn waarnemingen van de rosse vleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis meermaals en met zekerheid vastgesteld. Met name rosse vleermuis en gewone dwergvleermuis zijn het hele vleermuisactieve jaar binnen het projectgebied aanwezig. Met name rosse vleermuis is daarbij ook op grotere hoogte aanwezig. De ruige dwergvleermuis is eveneens het hele jaar aanwezig waarbij op basis van het veldonderzoek van Buijs & Halters (2019b, 2021: Bijlage 11) blijkt dat langs de Haringvlietdam migratie van deze soort plaatsvindt. Aanlegfase Vleermuizen foerageren en migreren in de schemering en ’s avonds. Effecten kunnen optreden wanneer er werkverlichting wordt gebruikt bij opslagplaatsen of bij werkzaamheden in het donker. Vleermuizen zijn namelijk lichtschuw en zullen gebieden met veel licht mijden. Wanneer het aanwezige foerageergebied verlicht is kan dit problemen geven omdat de alternatieven binnen de omgeving van het plangebied beperkt zijn.

Indien werkzaamheden in de avond en nacht worden uitgevoerd en/of wanneer depotlocaties ’s nachts verlicht worden, kan verstoring op vleermuizen worden voorkomen door het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn binnen het projectgebied niet aanwezig, waardoor negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen tijdens de aanlegfase zijn uitgesloten. Gebruiksfase De aanwezigheid van windturbines op plaatsen waar vleermuizen aanwezig zijn kan leiden tot het doden van vleermuizen als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen. Niet alle vleermuissoorten lopen hierbij evenveel risico. Van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis en laatvlieger is het optreden van aanvaringsslachtoffers bij de geplande windturbines niet op voorhand uit te sluiten. De twee nieuwe windturbines komen op korte afstand te

Gemeente Voorne aan Zee

77

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) staan van de oever van het Haringvliet. Voor dergelijke locaties in de kustzone van Nederland geldt een verhoogd risico op vleermuisslachtoffers. Migrerende vleermuizen komen met name in de kustzone van Nederland voor en volgen daarbij oevers van grote wateren, dijken en dammen. In het onderzoek naar aanvaringsslachtoffers door Bureau Waardenburg (Prinsen et al, 2022: Bijlage 10) is een worst case schatting van het aantal slachtoffers voor de twee geplande windturbines bepaald op 15 slachtoffers per turbine per jaar. Voor de twee geplande windturbines wordt dus uitgegaan van maximaal 30 slachtoffers per jaar. Op basis van de gecorrigeerde soortensamenstelling en de huidige situatie is het verwachte aantal slachtoffers door Prinsen et al. per soort bepaald voor rosse vleermuizen, ruige dwergvleermuizen en gewone dwergvleermuizen per jaar voor de twee windturbines. Tweekleurige vleermuis en laatvlieger zijn niet jaarlijks als slachtoffer te verwachten maar mogelijk wel incidenteel binnen de gehele exploitatieperiode van de windturbines. Ook voor de zes bestaande windturbines is door Bureau Waardenburg het mogelijk aantal slachtoffers op basis van kengetallen berekend (Bijlage 10). De bestaande zes turbines veroorzaken naar verwachting ongeveer 50 vleermuisslachtoffers per jaar.

Dit is meer dan het maximale aantal slachtoffers voor de twee toekomstige windturbines (30 vleermuisslachtoffers). Aangezien het verwijderen van de zes oude windturbines onderdeel vormt van het initiatief en geen sprake is van een dubbeldraaiperiode, zijn effecten op vleermuispopulaties uit te sluiten. Het initiatief zorgt zelfs voor een vermindering van het totaal aantal vleermuisslachtoffers. Het is uitgesloten dat de gunstige staat van instandhouding van de lokale vleermuispopulaties in het geding komt, omdat het effect van het verwijderen van de zes bestaande windturbines ruimschoots compenseert voor het effect van de twee nieuwe turbines. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat de lokale vleermuispopulaties hun huidige omvang hebben bereikt, terwijl er al windturbines staan. De rosse vleermuis kwam van oorsprong in het gebied niet eens voor; de populatie heeft zich tenminste tien jaar geleden kunnen vestigen (Mostert, 2012) ondanks de aanwezigheid van windturbines. Overige soorten Vaatplanten Beschermde vaatplanten zijn binnen het projectgebied niet waargenomen, alleen kan het voorkomen van glad biggenkruid niet worden uitgesloten langs aanwezige wegen en paden.

Effecten op glad biggenkruid zijn enkel mogelijk tijdens de aanlegfase waarbij het plaatsen van twee nieuwe turbines en kraanopstelplaatsen tot vernietiging van groeiplaatsen kan leiden door vergraven of bereiden van deze groeiplaatsen. Glad biggenkruid komt veelvuldig voor in het duingebied ten noorden van het projectgebied. Door transport van en naar de locatie van de beide nieuwe turbines, het inrichten van tijdelijke depotlocaties/opslagplaatsen en benodigde graafwerkzaamheden kunnen groeiplaatsen verloren gaan. Hoewel het onzeker is of de soort voorkomt kan het verlies van groeiplaatsen van glad biggenkruid niet worden uitgesloten. Voor deze soort geldt dat het verlies van enkele exemplaren op binnen het projectgebied geen gevolgen heeft voor de gunstige staat van instandhouding van de regionale populatie. Vissen Er zijn geen waarnemingen vanuit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) bekend. Binnen de Wnb zijn voornamelijk zoetwatervissen beschermd, maar vanuit de Habitatrichtlijn, bijlage IV zijn ook houting en steur beschermd. Beschermde zoetwatervissen komen in de Voordelta en Haringvliet niet voor (website RAVON; kennisorganisatie voor reptielen, amfibieën en vissen). De aanwezigheid van beschermde zoetwatervissoorten in het water rondom het plangebied is uitgesloten. Negatieve effecten op zoetwatervissen zijn uitgesloten.

Van de noordzeehouting zijn een aantal waarnemingen (NDFF) in de afgelopen jaren in de Haringvliet bekend. Het is een trekvis die leeft in het open water (op de Noordzee) en in het rivierengebied paait. Aangezien geen open verbinding is tussen de Haringvliet en de Rijn/Maas of Schelde is geen sprake van gerichte trek. Het voorkomen van deze vissoort rond de Haringvlietdam zal ongeveer gelijk zijn aan andere willekeurige plekken langs de Noordzeekust. Van de steur zijn in het Haringvliet de laatste 10 jaar geen waarnemingen bekend. Omdat de werkzaamheden buiten de begrenzing van het Haringvliet en Voordelta plaatsvinden, vindt geen direct effect (verwonding of sterfte) plaats op de beschermde vissoorten. Voor de noordzeehouting heeft het water rondom de Haringvlietdam geen specifiek belang ten

78

Gemeente Voorne aan Zee

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis opzichte van de rest van het Haringvliet of de Noordzeekust. Effecten van verstoring door impulsgeluid van heiwerkzaamheden onder water kunnen desondanks een effect hebben op deze vissoort. Echter, vissen kunnen eenvoudig vluchten in het open water van het Haringvliet en Voordelta naar delen waar geen schade of hinder worden ondervonden. Het lokale en tijdelijke karakter van de heiwerkzaamheden heeft hierdoor met zekerheid geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de noordzeehouting. Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken. De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start. Als gevolg van deze maatregelen zal van gehoorbeschadiging geen sprake zijn, vissen zullen tijdig de omgeving van de heilocatie vermijden. In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen. In dat geval is er geen sprake van verdragen inpulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op noordzeehouting uitgesloten. Amfibieën In de NDFF is een recente melding van de gewone pad en rugstreeppad aan de oostzijde van de Haringvlietdam opgenomen. Het projectgebied ligt binnen het verspreidingsgebied van deze amfibieënsoorten. Waarnemingen van andere amfibiesoorten zijn niet bekend.

Gezien de huidige omstandigheden binnen het projectgebied (maaibeheer, recreatie) en het ontbreken van geschikte voorplantingswateren worden andere dan de voorkomende amfibiesoorten (gewone pad en rugstreeppad) niet verwacht. Omdat gewone pad en rugstreeppad in de nabijheid van het plangebied voorkomen kan aanwezigheid binnen het plangebied niet worden uitgesloten. Van de rugstreeppad is bekend dat deze bouwlocaties kan koloniseren wanneer hier door de werkzaamheden open zand en ondiepe plassen zijn ontstaan. Deze ondiepe plassen zijn geschikt als voortplantingswater omdat de eieren hierin snel kunnen opwarmen. Aanwezige rugstreeppadden kunnen in dat geval gedood of verwond worden door de graafwerkzaamheden en voertuigbewegingen. Indien waterplassen worden overreden of opgeruimd kunnen ook eieren en kikkervisjes gedood worden. De kolonisatie van het werkterrein door rugstreeppad kan voorkomen worden door te zorgen dat er, na een regenbui, geen ondiepe plassen ontstaan. Als kolonisatie wordt voorkomen, dan zijn effecten op rugstreeppad uitgesloten. Effecten op gewone pad of mogelijk aanwezige andere algemeen voorkomende amfibieën zijn mogelijk tijdens het plaatsen van nieuwe turbines en kraanopstelplaatsen.

Er is sprake van mogelijk ruimtebeslag van een beperkt oppervlak aan mogelijk geschikt foerageergebied, maar hiervoor geldt dat in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is waar dieren naar kunnen uitwijken. Effecten als gevolg van ruimtebeslag zijn uitgesloten. Daarnaast leiden de werkzaamheden mogelijk tot verstoring van leefgebied, in de omgeving van de nieuwe windturbines is echter voldoende alternatief leefgebied aanwezig waar soorten naar kunnen uitwijken. Effecten als gevolg van verstoring zijn dan ook uitgesloten. Het verstoren en doden van algemeen voorkomende amfibieën kan niet worden uitgesloten. In de Provincie Zuid-Holland geldt echter een algemene vrijstelling ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen voor deze algemeen voorkomende soorten. Dat wil zeggen dat in gevallen waar de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb, er geen ontheffing behoeft aangevraagd te worden. Voor deze en alle andere in Nederland in het wild voorkomende soorten geldt wel de algemene zorgplicht. Deze houdt in dat een uitvoerder werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor in het wild levende dieren en planten (ongeacht beschermde status), in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan deze soorten te voorkomen.

Er is slechts sprake van een verwaarloosbaar verlies aan oppervlak aan geschikt leefgebied voor voorkomende amfibieën. Aangezien in de omgeving voldoende leefgebied aanwezig is, heeft het verlies van dit beperkte oppervlak geen negatief effect op rugstreeppad, gewone pad of andere algemeen voorkomende amfibieën. Amfibieën zijn niet gevoelig voor geluid of slagschaduw van draaiende windturbines. Van een aantasting van de kwaliteit van leefgebied van amfibieën ter hoogte van de nieuwe windturbines is geen sprake. Reptielen Er zijn geen waarnemingen vanuit het NDFF bekend. In het projectgebied ontbreekt geschikt leefgebied en het projectgebied valt ook buiten het verspreidingsgebied van reptielen (RAVON). Reptielen komen niet voor en negatieve effecten op zijn uitgesloten.

Gemeente Voorne aan Zee

79

bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) Vlinders, libellen en andere ongewervelden Van de platte schijfhoren zijn in de NDFF 2 meldingen bekend ten zuiden van Quackjeswater. Deze soort komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing, deze omstandigheden bevinden zich niet binnen het plangebied. De locatie waar de platte schijfhoren voorkomt valt buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Van andere ongewervelden zijn geen meldingen vanuit het NDFF bekend. Gericht onderzoek naar dagvlinders, libellen of andere beschermde ongewervelden heeft niet plaatsgevonden. Beschermde libellensoorten zijn gebonden aan specifieke zoetwatermilieus. Deze milieus komen niet voor binnen het plangebied of het nabijgelegen (zoete) Haringvliet. In het plangebied zijn geen bijzondere vegetaties aanwezig die een aantrekkende werking kunnen hebben op bijzondere en beschermde soorten dagvlinders. Op basis van de aangetroffen omstandigheden wordt verwacht dat het plangebied geen specifieke functie heeft voor overige bijzondere en/of beschermde soorten ongewervelden. Negatieve effecten op beschermde vlinders, libellen, platte schijfhoren en andere ongewervelden zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen de omgeving van het plangebied zijn vanuit de NDFF meldingen bekend van beschermde zoogdieren als ree, konijn, vos en bunzing.

Het projectgebied vormt in principe ook geschikt leefgebied voor algemene soorten zoals haas, egel, hermelijn en wezel. De aanwezigheid van overige beschermde soorten (zoals onder andere bever, noordse woelmuis, waterspitsmuis, das) in de omgeving van het plangebied, of langs de oever, is uitgesloten op basis van het ontbreken van geschikt habitat en/of het feit dat het plangebied niet binnen het verspreidingsgebied van de soort ligt. Van de soorten zijn ook geen waarnemingen binnen het plangebied bekend. De bever komt voor in het Haringvliet en waarnemingen zijn bekend op circa 1,5 kilometer van het plangebied. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat binnen het plangebied zien effecten op overige beschermde zoogdiersoorten uitgesloten. Negatieve effecten op algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren (zoals ree, konijn, haas, vos, egel, bunzing, hermelijn en wezel) zijn niet uitgesloten. In de Provincie Zuid-Holland geldt echter een algemene vrijstelling ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen voor deze algemeen voorkomende soorten. Dat wil zeggen dat in gevallen waar de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb, er geen ontheffing behoeft aangevraagd te worden. Voor deze en alle andere in Nederland in het wild voorkomende soorten geldt wel de algemene zorgplicht.

Deze houdt in dat een uitvoerder werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor in het wild levende dieren en planten (ongeacht beschermde status), in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan deze soorten te voorkomen. Er is niets bekend over effecten als gevolg van verstoring door draaiende windturbines op grondgebonden zoogdieren. De genoemde zoogdieren binnen het projectgebied worden ook waargenomen in de nabijheid van de bestaande windturbines. Naar verwachting treedt gewenning op, net zoals bij een weg, waardoor effecten als gevolg van verstoring kunnen worden uitgesloten. Zeezoogdieren De Voordelta is een belangrijk leefgebied voor zeehonden en bruinvis. Uit meldingen in de NDFF blijkt dat gewone zeehond en grijze zeehond met regelmaat waargenomen worden in de buurt van de Haringvlietdam. Sinds de Haringvlietsluizen op een kier staan worden beide soorten ook, het zij een enkele keer, waargenomen in het Haringvliet. De effecten op gewone zeehond en grijze zeehond en bruinvis beperken zich tot onderwatergeluid en geluid boven water. Verwezen wordt naar de analyse in paragraaf 5.6.2.3 onder bij 'Habitatrichtlijnsoorten, zeezoogdieren'. Effecten van de verstoring op de populaties van gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis als gevolg van boven- en onderwatergeluid in de aanlegfase is uitgesloten.

Vanuit het voorzorgbeginsel zijn echter wel maatregelen nodig om het effect zoveel mogelijk te beperken. De heiwerkzaamheden zullen starten met zowel een soft als een slow start. Als gevolg van deze maatregelen zal van gehoorbeschadiging geen sprake zijn, dieren zullen tijdig de omgeving van de heilocatie vermijden. In plaats van het heien kan ook gekozen worden voor het boren van de heipalen. In dat geval is er geen sprake van verdragende impulsgeluiden naar de omgeving en zijn negatieve effecten op zeezoogdieren uitgesloten. Er is weinig bekend over effecten als gevolg van verstoring door de draaiende windturbines (gebruiksfase) op zeehonden of bruinvis. Deze zeezoogdieren nabij het plangebied worden ook waargenomen in de nabijheid van de bestaande windturbines, zoals rond windparken langs de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12798402/1