CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB Uitgangspuntennotitie Toekomstbestendige Leefomgeving- bijlage (2617454) (13.0)

Informatiebijeenkomst 10 juni 2025, gemeente VlissingenBij agendapunt: Achtergrond informatie10.146 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Uitgangspuntennotitie Programma Toekomstbestendige Leefomgeving Energieneutraal – Klimaatbestendig - Circulaire economie - Milieu

Opgesteld door Kerngroep TBLO, 18 februari 2025

1

Inhoudsopgave 1.

Inleiding .......................................................................................................................................... 3

2.

Transitiestrategie ............................................................................................................................ 6

3.

Thema 1: Energieneutraal ............................................................................................................ 10

4.

Thema 2: Klimaatadaptatie .......................................................................................................... 15

5.

Thema 3: Circulaire economie ...................................................................................................... 21

6.

Thema 4: Milieu ............................................................................................................................ 27

7.

Vervolgproces ............................................................................................................................... 34

2

1. Inleiding Voor u ligt de uitgangspuntennotitie voor het Programma Toekomstbestendige Leefomgeving van de gemeente Vlissingen. Dit programma zal straks het uitvoeringsgerichte gemeentelijke beleid bevatten voor 4 thema’s: 1. Energieneutraal 2. Klimaatadaptatie 3. Circulaire economie 4. Milieu Dit is een breed pallet aan onderwerpen dat veel raakvlakken, onderlinge verbanden en gezamenlijke oplossingsrichtingen heeft met elkaar. Dit wordt een programma, zoals bedoeld in de Omgevingswet. Het bevat uitvoeringsgericht beleid voor het behalen van de ambities uit Strategische visie 2040 en de Omgevingsvisie Vlissingen 2040 en om te voldoen aan nationale wetgeving en beleid op deze vier thema’s. Omgevingsvisie Vlissingen 2040: vanuit ons DNA naar ambities Het is 2040… en Vlissingen is in balans. Dat is een van de doelstellingen uit de Strategische visie 2040. Prettig om in te wonen, werken, leren, ondernemen of recreëren. Om die balans mogelijk te maken, moet er een evenwicht zijn tussen mens, omgeving en economie. Dat zijn dan ook onze drie gemeentelijke ambities: - Verbinding tussen mensen - Verbinding tussen land en water - Hotspot voor delta-innovatie, kenniseconomie Bij het vinden en behouden van de balans tussen deze drie ambities gaan we ervanuit dat we naar een duurzame leefomgeving streven met brede welvaart.

Breed betekent dat die welvaart ook rekening houdt met die van latere generaties of van mensen buiten Vlissingen en deze niet in gevaar mag brengen. Dus ontwikkelingen mogen bijvoorbeeld niet tot vervuiling van bodem, water en atmosfeer leiden. En iedereen moet zich kunnen ontwikkelen in een gezonde, gelijkwaardige en veilige leefomgeving. Ook bekijken we meervoudig ruimtegebruik om binnen onze beperkte ruimte meerdere ambities en opgaven te vervullen Deze uitgangspunten zijn de rode lijn in de uitwerking van onze negen hoofdopgaven die zo bijdragen aan het behalen van onze drie kernambities (paragraaf 1.2). Omgevingsvisie De vier bovengenoemde thema’s zijn in de Vlissingse Omgevingsvisie geïdentificeerd als (onderdeel van) de volgende hoofdopgaven:  natuurlijke en groene leefomgeving (bodem- en waterkwaliteit);  klimaatbestendige leefomgeving;  circulair en energieneutraal;  sociaal en gezond (luchtkwaliteit, geluid, licht en geur);  veilige leefomgeving (omgevingsveiligheid). In de Omgevingsvisie Vlissingen 2040 zijn deze hoofdopgaven vertaald naar ambities. Tijdens het proces om deze notitie uit te werken is geconstateerd dat de tijdshorizon van 2040 erg ambitieus is. De gemeente focust zich eerst op het voldoen aan de wettelijke eisen en het op orde brengen van de 3

basis. Bij de volgende herziening van de Omgevingsvisie bekijken we of de voortgang in dit programma reden is om de ambities bij te stellen. Samengevat is het de ambitie dat de gemeente Vlissingen energieneutraal, klimaatbestendig, circulair, gezond en veilig wordt. Doel uitgangspuntennotitie Het doel van deze notitie is:  Overzicht geven van de transitiestrategie met de belangrijkste principes van waaruit we als gemeente aan de slag gaan.  Vertalen van de ambities naar concrete en meetbare doelen met behulp van indicatoren die zijn getoetst aan landelijke en provinciale wetgeving en beleid.  Waar mogelijk concreet en meetbaar maken van de huidige situatie en opgaven (verschil doelen en huidige situatie). Voor een deel komen de opgaven voort uit landelijke wetgeving (zoals Klimaatakkoord en Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie, milieuwetgeving), landelijk en provinciaal beleid (circulaire economie) en natuurlijk onze eigen ambitie. De vervolgstap na vaststelling van deze uitgangspuntennotitie is om uit te werken hoe we als gemeente aan de slag gaan om de opgaven te realiseren. Dit is het Programma Toekomstbestendige Leefomgeving. Impact De inhoud en uitvoering van dit programma (naast dat van hogere overheden) zal grote impact hebben op de Vlissingse samenleving.

Iedere inwoner, ondernemer of maatschappelijke organisatie zal een bijdrage gaan leveren aan de transitie naar een toekomstbestendige leefomgeving. Door bijvoorbeeld tuinen en bedrijfspercelen te vergroenen of doordat elke woning of elk utiliteitsgebouw van het aardgas af moet. Een circulaire economie vraagt van iedereen een andere manier van omgaan met grondstoffen, productie, gebruik van producten/goederen en afval. Dit alles geldt ook voor de hele gemeentelijke organisatie. Om de veranderingen te bereiken vormen participatie met en communicatie naar inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en interne organisatie een essentieel onderdeel van dit programma. Programma 1.0 We bouwen het programma als volgt op:  We maken een vertaling van de ambities uit de Omgevingsvisie Vlissingen 2040 naar meetbare doelen. Het verschil tussen de huidige situatie en de doelen zijn de opgaven.  Vervolgens maken we een uitvoeringsplan met maatregelen en acties hoe we de opgaven gaan realiseren.  Bij een deel van de ambities voor circulaire economie en milieu weten wij echter nog niet wat de huidige situatie is. Om daar achter te komen is eerst onderzoek nodig. In die gevallen hebben we geen doel geformuleerd. Het onderzoeken en formuleren van een doel met bijhorend maatregelenpakket wordt een actie voor in het uitvoeringsplan van het programma.

 Als de actie is uitgevoerd dan kunnen we deze informatie toevoegen aan het programma.  Dit betekent dat het programma, zeker de komende 4 jaar, ook gezien alle technische en maatschappelijke ontwikkelingen, een levend document is dat jaarlijks een update nodig

4

heeft. We kunnen dan nieuwe stukken beleid en uitvoering toevoegen en onderdeel maken van de beleids- en P&C-cyclus. De looptijd van het Programma Toekomstbestendige Leefomgeving 1.0 wordt 2026 – 2029. Daarom zijn er concrete doelen gesteld tot 2030. Dit zijn vaak tussendoelen naar een einddoel met een tijdshorizon van 2040 of 2050. Relatie andere beleidsvelden, programma’s en externe actoren Voor het opstellen van deze notitie is uitgebreid gekeken naar de relaties en verbindingen met andere gemeentelijke programma’s en beleidsvelden waar dit programma impact op gaat hebben en visa versa. Bijvoorbeeld, diverse maatregelen uit het Programma Mobiliteit hebben een positief effect op het verbeteren van de luchtkwaliteit, het verminderen van geluidshinder en ruimte voor vergroening van de stad. Ook op gebied van klimaatadaptatie is er veel overlap met Programma Groene en Natuurlijke Leefomgeving. Deze notitie is met een brede groep medewerkers besproken. Bovendien zijn de hoofdlijnen in een beeldvormende raadsavond met de gemeenteraad gedeeld en heeft ze input geleverd. Daarnaast hebben we geïnventariseerd wat externe actoren – zoals Rijkswaterstaat Zee en Delta, Waterschap Scheldestromen, North Sea Ports en Impuls Zeeland – doen of wat in Zeeuws-brede verbanden wordt gedaan.

Opbouw van deze uitgangspuntennotitie Het volgende hoofdstuk van deze notitie gaat in op de transitiestrategie die we willen gaan toepassen in de uitvoering van het programma. De hoofdstukken 3 – 6 geven per thema een vertaling van de ambities uit de Omgevingsvisie Vlissingen 2040 naar doelen, de huidige situatie en opgaven. Deze notitie sluit af met het vervolgproces in hoofdstuk 7.

5

2. Transitiestrategie Dit hoofdstuk laat zien hoe we omgaan met de veranderingen die nodig zijn om het Programma Toekomstbestendige Leefomgeving te realiseren. De speelruimte die we hebben als gemeente is goed inzichtelijk met de ‘cirkels van invloed’. We gaan in op de verschillende fasen in een veranderproces, de vier doelgroepen en hoe we aan de slag kunnen in beide cirkels van invloed. We sluiten af met acht principes die ons houvast geven tijdens deze transitie. De transitiestrategie in het kort We benutten onze gemeentelijke invloed optimaal om inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en ook wij als gemeente zelf, te helpen een positieve bijdrage te leveren aan een toekomstbestendige leefomgeving. Daarbij hanteren we acht principes die ons houvast geven tijdens deze transitie. De Omgevingsvisie Vlissingen 2040 beoogt een circulaire, energieneutrale, klimaatbestendige en schone en veilige (voor gevaarlijke stoffen) leefomgeving. Het is fijn dat we niet vanaf nul hoeven te beginnen. De transitie is al in gang gezet. Voorbeelden zijn de Panoramabuurt Aardgasvrije Wijk, vergroening bij wijkaanpak, windmolens en zonnevelden rondom Vlissingen-Oost, bedrijfshallen vol zonnepanelen en de invoering van gescheiden afvalinzameling. Desondanks zijn de opgaven fors en is er de komende 15 - 25 jaar nog een grote transitie nodig.

Dit vraagt een bijdrage van de gemeente zelf, elke Vlissingse inwoner en alle bedrijven en organisaties die in Vlissingen opereren. Een belangrijke vraag voor de gemeente is daarom: hoe krijgen we de Vlissingse samenleving in beweging tegen betaalbare kosten? In het programma geven we hier straks op basis van de huidige inzichten een eerste antwoord op. Dat we gaandeweg op basis van onze ervaringen kunnen toetsen, bijstellen en specifieker maken. Of we onze ambities en doelen gaan halen, hangt van veel factoren af. Belangrijke factoren zijn o.a. Europese, nationale en provinciale wetgeving en beleid, marktontwikkelingen, technologische en economische ontwikkeling én de inzet in personele capaciteit en budget door de gemeente. Onze invloed als gemeente is beperkt en tegelijkertijd hebben we ruim voldoende mogelijkheden om aan de slag te gaan. Cirkels van invloed We beginnen met waar wij als gemeente invloed op hebben. We zijn een onderdeel van de Vlissingse samenleving en een belangrijke speler daarin. We kunnen de invloed van de gemeente verdelen in twee cirkels, zoals afbeelding 1laat zien.  In de binnenste cirkel heeft de gemeente directe en grote invloed, omdat de gemeente binnen haar wettelijke taken en rollen hier zelf kan beslissen en uitvoeren.  In de buitenste cirkel is de invloed van de gemeente beperkt en indirect.

Binnen deze cirkel beslissen inwoners, vastgoedeigenaren, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden. We kunnen als gemeente alleen informeren, stimuleren, faciliteren, lobbyen en ontzorgen. Wel oefenen we vanuit de binnenste cirkel invloed uit op de keuzes van bijvoorbeeld vastgoedeigenaren door ambitieuze duurzame eisen te stellen in het Omgevingsplan voor nieuwbouw.

6

Inwoners, bedrijven en organisaties beslissen Invloed gemeente: indirect en beperkt

Wettelijke taken en rollen Gemeente beslist Invloed gemeente: direct en groot

Afbeelding 1: Cirkels van invloed.

Fasen veranderingsproces Een transitie is een grootschalig veranderingsproces. Een veranderingsproces wordt vaak onderverdeeld in de volgende vijf fasen:

De verschillende thema’s zitten in andere fasen van het veranderingsproces. Bijvoorbeeld voor de warmtetransitie weten we precies hoeveel woningen er van het aardgas af moeten (fase 2) en is PAW Panoramabuurt een project dat in fase 3 zit. Terwijl circulaire economie voor een groot deel nog in fase 1 zit. Een beperkte groep inwoners en bedrijven is zich er bewust van dat hier een grote uitdaging ligt en lokale cijfers van de huidige situatie zijn nauwelijks beschikbaar. Doelgroepen De Vlissingse samenleving bestaat uit verschillende groepen die we als gemeente direct of indirect kunnen beïnvloeden. Ook werken er vaak bedrijven en maatschappelijke organisaties van buitenaf in de Vlissingse samenleving. In deze uitgangspuntennotitie onderscheiden we de volgende doelgroepen: 1. Inwoners/bezoekers; 2. Bedrijven; 3. Maatschappelijke organisaties; 4. Eigen organisatie.

7

Aan de slag in beide cirkels van invloed We gaan als gemeente aan de slag in beide cirkels van invloed binnen onze huidige financiële mogelijkheden. Dit vraagt om activiteiten die gericht zijn om de keuzes en werkwijze in onze eigen organisatie te veranderen. Het doel is dan om onze wettelijke taken en rollen zo duurzaam mogelijk uit te voeren en onze invloed optimaal te benutten. Daarnaast vraagt dit om activiteiten om de transitie onder onze inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties te stimuleren. Ook zijn er activiteiten die op het grensvlak liggen van beide cirkels. Bijvoorbeeld de strategie en wettelijke taken voor de warmtetransitie liggen voor een groot gedeelte bij de gemeente en de uitvoering vindt plaats bij inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Om onze invloed als gemeente goed te benutten, gaan we aan de slag met activiteiten waar we zelf directe invloed op hebben. Dit gaat dan om interne activiteiten in onze eigen organisatie en externe activiteiten die erop gericht zijn inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties te ondersteunen via participatie en communicatie. Hier heeft de gemeente een regisserende, faciliterende, informerende en stimulerende rol.

Principes van onze transitiestrategie Vanuit de Omgevingsvisie Vlissingen 2040, de cirkels van invloed en het feit dat diverse thema’s nog in de beginfasen van het veranderingsproces zitten, hebben we als gemeente een aantal belangrijke principes opgesteld die voor alle thema’s van toepassing zijn. Deze principes geven houvast tijdens deze transitie. Intern (binnenste cirkel van invloed) 1. Dit is van ons allemaal Werken aan een energieneutraal, klimaatbestendig, circulair, schoon en veilig (voor gevaarlijke stoffen) gemeente Vlissingen is niet alleen iets voor de medewerkers met duurzaamheid in hun functieomschrijving, maar van ons allemaal, van de gehele ambtelijke organisatie. We werken hier samen aan, want we leveren allemaal in ons dagelijks werk een kleine of grote bijdrage hieraan. 2. Realistisch We hebben meer tijd, dan tot 2040, nodig om de ambities uit de Omgevingsvisie Vlissingen 2040 te realiseren. We focussen ons eerst op het voldoen aan de wettelijke eisen en het op de orde brengen van de basis. Dit laatste betekent dat we helder inzicht hebben in de huidige lokale situatie op alle thema’s en wat er nodig is om onze ambities te realiseren (zorgen dat alles minimaal in fase 2 zit). 3. Behouden, voorkomen en herstellen Behouden: beschermen wat bijdraagt aan een toekomstbestendige leefomgeving.

Voorkomen: alleen nieuwe activiteiten ontwikkelen en keuzes maken die aansluiten bij een toekomstbestendige leefomgeving om nieuwe (toekomstige) knelpunten te voorkomen. Herstellen: knelpunten oplossen waar mogelijk via werk-met-werk voor een toekomstbestendige leefomgeving. 4. Wettelijke instrumenten optimaal benutten Als lokale overheid benutten we de wettelijke instrumenten die we hebben optimaal om de transitie te realiseren. Optimaal betekent dat we heldere kaders of regels opstellen die inwoners, 8

ondernemers en organisaties de gewenste richting in sturen met voldoende ruimte om hier naar eigen inzicht invulling aan te geven. We handhaven op onze eigen regels. Ook benutten we onze handhavingstaak uit het Klimaatakkoord om de energietransitie te realiseren. 5. Meervoudig ruimtegebruik De transitie vraagt fysieke ruimte om bijvoorbeeld energie op te wekken en op te slaan of te vergroenen. Ook andere opgaven vragen ruimte en ruimte is schaars. Daarom zoeken we altijd naar mogelijkheden om meerdere functies op één locatie toe te passen. Extern (buitenste cirkel van invloed) 6. Wij zijn zelf de verandering die we willen zien Met ons gemeentelijk handelen laten we zien dat wij als lokale overheid en partner een duurzame toekomstbestendige leefomgeving belangrijk vinden. Onze wettelijke taken en rollen vervullen wij op een zo duurzaam mogelijke manier. Hierdoor dragen wij bij aan onze ambities en moedigen we anderen aan om ons voorbeeld te volgen. 7. We doen het samen De gemeente is slechts één van de leden van de Vlissingse samenleving. Inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties vormen de meerderheid. Samen werken en samen optrekken is essentieel om een energieneutrale, klimaatbestendige, circulaire en schone Vlissingse leefomgeving te realiseren. 8.

Gewenst gedrag faciliteren en ongewenst gedrag ontmoedigen Waar we invloed hebben, zetten we ons in om gewenst gedrag in de samenleving te faciliteren en ongewenst gedrag te ontmoedigen. Een voorbeeld is het omgekeerd inzamelen van huishoudelijk afval. We maken afval scheiden zo makkelijk mogelijk. Tegelijkertijd moeten inwoners meer moeite doen om hun restafval weg te brengen.

9

3. Thema 1:

Energieneutraal

Dit hoofdstuk begint met een korte omschrijving van energieneutraal en de ambities uit de Omgevingsvisie Vlissingen 2040. Vervolgens beschrijven we hoe deze ambities zijn vertaald naar doelen en opgaven. Dit doen we door besparen van energie, opwekken, opslaan en gebruiken van hernieuwbare energie, en het inrichten van Vlissingen-Oost als regionale energiehub. Wat is energieneutraal? Op dit moment gebruiken we in woningen, bedrijven en instellingen vaak aardgas voor verwarming en elektriciteit die deels wordt opgewekt door fossiele brandstoffen. De industrie gebruikt daarnaast aardgas voor haar productieprocessen. Ook verbranden we benzine, diesel, aardgas en stookolie om onze voertuigen en schepen in beweging te krijgen. Dit zorgt allemaal voor de uitstoot van CO2. Een broeikasgas dat zorgt voor klimaatverandering. Energieneutraal betekent dat we hernieuwbare energie opwekken, opslaan en gebruiken waarbij we geen CO2 meer uitstoten. Onze energievoorziening is daarmee ook CO2-neutraal. We wekken volledige hernieuwbare elektriciteit op en we verwarmen onze gebouwen op een manier die nauwelijks CO2 meer uitstoot. In de Klimaatwet is vastgelegd dat Nederland dit in 2050 heeft bereikt. Ambities Omgevingsvisie Samengevat is de ambitie in de Omgevingsvisie Vlissingen 2040 dat gemeente Vlissingen een duurzaam energiesysteem heeft door: 1.

Het besparen van energie (elektriciteit en warmte); 2. Het opwekken, opslaan en gebruiken van hernieuwbare energie (elektriciteit en warmte); 3. Het inrichten van Vlissingen-Oost als een regionale energiehub voor hernieuwbare energie. Effectdoelen en procesdoelen We kunnen verschillende soorten doelen formuleren. Een effectdoel gaat over een verandering de buiten het stadhuis zichtbaar is. Een procesdoel gaat over belangrijke volgende stappen die we willen nemen. Het is afhankelijk van de fase in het veranderingsproces (zie hoofdstuk 2) wat voor doelen we kunnen formuleren. Om een haalbaar effectdoel te kunnen formuleren is het nodig dat de huidige situatie (fase 2) en soms ook het ‘hoe’ (fase 3) inzichtelijk zijn. Als dit nog niet mogelijk is, dan hebben we procesdoelen geformuleerd. Na realisatie van deze procesdoelen kunnen we haalbare effectdoelen in een volgende update van het programma opnemen. Ambitie 1. Besparen van energie De eerste stap richting energieneutraal is om energie te besparen. Voor warmte en elektriciteit die we niet gebruiken, hoeven we ook geen hernieuwbare bron te vinden. Ook zorgt dit voor een structurele besparing op de energierekening van inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en de gemeente zelf. Daarnaast zorgt besparing op energie ervoor dat het elektriciteitsnet nu en in de toekomst minder belast gaat worden.

Dit kan bijdragen aan het oplossen van netcongestie. Daarom zijn de onderstaande doelen geformuleerd. Deze vormen ook de Vlissingse bijdrage aan de doelen uit de Zeeuwse RES2.0. Bij het verminderen van de warmtevraag van panden focussen we ons tot 2030 op de volgende doelen:  In 2030 zijn er in gemeente Vlissingen maximaal 4.000 panden met een energielabel lager dan C. Woningen en utiliteitsbouw met een laag energielabel zijn slecht geïsoleerd, zijn tochtig en gebruiken veel aardgas voor verwarming. Hierdoor hebben de bewoners en gebruikers een hoge 10

energierekening wat kan leiden tot energiearmoede en slechtere gezondheid. De nood is daarom het hoogst bij panden met een energielabel lager dan C. In 2025 hebben we nog ca. 8.100 panden met een bekend (voorlopig) energielabel D, E, F of G. Dit is ca. 35% van alle panden en het zijn grotendeels woningen. De gemeente stimuleert pandeigenaren om te isoleren met zoveel mogelijk circulaire en biobased materialen. Deze materialen helpen ook om het gebouw zomers koeler te houden, zodat minder actieve koeling (airconditioning) nodig is en ze dragen ook bij aan het volgende doel.  In 2030 is het aardgasverbruik in gemeente Vlissingen met 20% afgenomen t.o.v. 2023. Huishoudens in onze gemeente verbruiken in 2023 gemiddeld 870 m3/woning met een aardgasaansluiting. Dit is al een vermindering t.o.v. 2014 toen we nog 1.250 m3/woning gebruikten. Bedrijven en maatschappelijke organisaties (excl. industrie) verbruiken 190 TJ aan aardgas in 2023. Dit is een vermindering t.o.v. 2015 toen we 288 TJ verbruikten. Voor realisatie van dit doel is betere isolatie van panden en de overstap naar alternatieve warmtebronnen nodig. Bij elektriciteit focussen we ons tot 2029 op het volgende doel:  In 2030 is het elektriciteitsverbruik in gemeente Vlissingen met 15% afgenomen t.o.v. 2023 (exclusief elektrificeren van warmtevoorziening en vervoer).

Op elektriciteitsverbruik kunnen we nog veel besparen, zowel in woningen als in utiliteitsbouw. Gemiddeld is per woning, bedrijf of organisatie 10 – 30% elektriciteitsbesparing mogelijk door bijvoorbeeld energiezuinige verlichting en apparaten, efficiëntere productieprocessen en gedrag. Indicator Aantal panden met energielabel lager dan C Huidig 2024: ca. 8.100 Doel 2030: 4.000 2040: ca. 0 (onderzoek nodig voor haalbaarheid monumenten) Opgave 2030: 4.100 2040: 8.100 Bron: Energie Transitie atlas Provincie Zeeland en Klimaatmonitor, 2024 Indicator Jaarlijkse gemiddeld aardgasverbruik woningen (m3/woning met aardgasaansluiting) Huidig 2023: gemiddeld 870 m3/woning met aardgasaansluiting (599 TJ) Doel 2030: 700 m3 2040: 300 m3 2050: 0 m3 Opgave Tot 2030: 220 m3 Bron: Klimaatmonitor, 2024 Indicator Aardgasverbruik bedrijven en organisaties (exclusief industrie) (1TJ = 31.700 m3) Huidig 2023: 193 TJ (Org. 101 + Bedr: 84 + Gem: 8) Doel 2030: 155 TJ 2040: 70 TJ 2050: 0 TJ Opgave Tot 2030: 48 TJ Bron: Klimaatmonitor, 2024

11

Indicator Besparing elektriciteit verbruik (exclusief elektrificatie) Huidig 2023: 57 GWh woningen incl. zonnepanelen achter de meter (waarvan ca. 5 GWh elektrisch verwarmen en elektrische auto’s ) + Bedr: 88 + Org. 17 + Gem. 3. Totaal 165 GWh - 5 elektrificatie = 160 GWh Doel 2030: 136 GWh Opgave Besparingsopgave is 24 GWh Bron: Klimaatmonitor, 2024 Ambitie 2. Opwekken, opslaan en gebruiken van hernieuwbare energie Nadat inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en gemeente zoveel mogelijk energie hebben bespaard, blijft er een hoeveelheid energie over die we nodig blijven hebben. Daarnaast willen we af van fossiele brandstoffen en overstappen op hernieuwbare energie. Daarvoor zijn alternatieve warmtebronnen nodig in het bebouwd gebied. Die vragen in ieder geval meer elektriciteit. Ook is elektriciteit een efficiëntere energiebron dan fossiele energie. Daarnaast zal elektriciteit (deels via waterstof) ook de belangrijkste energiebron voor vervoer zijn. Dit betekent dat we in 2050 meer hernieuwbare elektriciteit nodig hebben. De onderstaande doelen vormen ook de Vlissingse bijdrage aan de doelen uit de Zeeuwse RES2.0. We hebben de volgende procesdoelen:  In 2028 hebben we voor alle panden met een aardgasaansluiting bepaald welke hernieuwbare warmtebronnen geschikt zijn. Nu lopen er onderzoeken naar het gebruik van restwarmte in het Middengebied.

We gaan ook de mogelijkheden voor de andere wijken, kernen en bedrijventerreinen in onze gemeente onderzoeken. Vervolgens actualiseren we de Transitievisie warmte (TVW) naar een Programma Warmte dat onderdeel wordt van het programma Toekomstbestendige Leefomgeving.  In 2030 hebben we inzicht in hoe in 2050 evenveel hernieuwbare elektriciteit wordt opgewekt als we dan gebruiken en welke lokale opslagcapaciteit hiervoor nodig is. Vanaf 2023 wekken we binnen gemeente Vlissingen op jaarbasis 58% van het huidige elektriciteitsverbruik op met windmolens op land en zonnepanelen. De elektriciteitsvraag zal waarschijnlijk groeien door elektrificatie van onze warmtevoorziening en vervoer inclusief de besparing. Warmtebatterijen, waarin we overtollige elektriciteit in warmte omzetten, worden een belangrijke manier van energieopslag. Daarnaast is balancering van het elektriciteitsnet nodig om vraag en aanbod door de dag en door het jaar heen op elkaar af te stemmen. Hiervoor is elektrische opslagcapaciteit, zoals grote batterijen nodig.  In 2030 zijn we als gemeente volop actief om lokaal de netcongestie op te lossen en te voorkomen. Dit doen we door netbewuste en bij voorkeur netneutrale nieuwbouw van woningen en bedrijventerreinen.

Op bedrijventerreinen en in woonwijken in het bestaand gebied zetten we naast energiebesparing in op het verminderen van verbruikspieken, (kleinschalige) samenwerking tussen gebruikers en collectieve voorzieningen (lokale energiehubs). De transitie van fossiele brandstoffen naar elektriciteit en waterstof als energiebronnen voor vervoer is onderdeel van Programma Mobiliteit. In dit programma houden we alleen rekening met de benodigde hoeveelheid elektriciteit die hiervoor op termijn nodig is. 12

Indicator Percentage hernieuwbare elektriciteit t.o.v. elektriciteit verbruik Huidig Verbruik 2023: Bebouwd gebied 163 GWh + industrie 120 GWh = 263 GWh Opwekking hernieuwbare elektriciteit binnen gemeente Vlissingen 153 GWh (81 wind op land en 72 Zon) Percentage hernieuwbare elektriciteit: 58% (153/263) Doel 2030: 70% 2040: 90% 2050: 100% (verbruik is afhankelijk van elektrificatie vervoer en type warmtebronnen) Opgave n.t.b. Bron: Klimaatmonitor, 2024 Indicator Aantal woningen met aardgasaansluiting (incl. via stadsverwarming met aardgas) Huidig 2024: 22.545 (hiervan is 418 hybride) Doel 2030: 2,7% minder (PAW) 2040: 60% minder 2050: 100% minder Opgave ??? Bron: Klimaatmonitor, 2024 Indicator Aantal utiliteitsgebouwen met aardgasaansluiting Huidig 2024: 1.649 met een gebruiksoppervlak van 15.044.411 m2 Doel 2030: 2% minder 2040: 60% minder 2050: 100% minder Opgave n.t.b. Bron: gemeente Vlissingen, 2024 Indicator Huidig Doel Opgave

Lokale opslagcapaciteit voor elektriciteit 2025: 0 2050: n.t.b. n.t.b.

Indicator Huidig Doel Opgave

Opslagcapaciteit voor warmte 2025: 0 2050: n.t.b. n.t.b.

Ambitie 3. Inrichten van Vlissingen-Oost als een regionale energiehub Vlissingen-Oost ligt deels in gemeente Borsele en deels in gemeente Vlissingen. In dit gebied worden veel nationale energieprojecten voorzien. Denk daarbij aan groene waterstofproductie en ammoniak, aanlanding wind op zee (VAWOZ), grootschalige batterijen en eventueel twee kerncentrales. Daarnaast moet het hoogspanningsstation bij Borssele worden uitgebreid. In totaal lopen er nu 8 projectprocedures van het Rijk ten aanzien van de energietransitie in Vlissingen-Oost, waarvan 4 of 5 projecten – afhankelijk van de locaties - op Vlissings grondgebied. De andere projecten (kunnen) invloed hebben op de activiteiten op Vlissings grondgebied. Naast deze nationale energieprojecten zijn er ook nog een aantal andere grote (nationale) projecten voorzien. Denk daarbij aan activiteiten van het Ministerie van Defensie, het nieuwe JCV en een forse dijkverzwaring. Het is de vraag of er voldoende ruimte beschikbaar is in Vlissingen-Oost voor al deze 13

projecten. Onderstaande kaart (afbeelding 2) geeft een overzicht met alle grote projecten die in Vlissingen-Oost moeten gaan landen. Ook is er veel samenwerking met onderwijsinstellingen. Hogeschool Zeeland en Dockwize (Kenniswerf) hebben een aanvraag ingediend voor een totstandkoming van een energie-campus. Dit biedt het bedrijfsleven en onderwijs kansen om samen te verbinden. Als er een energie-hub komt in VlissingenOost dan willen we graag dat de innovatie en kennisontwikkeling landt op de Kenniswerf. Deze grote projecten brengen allemaal verschillende kansen en risico’s met zich mee en moeten we in samenhang beschouwen. De grote opgave voor de gemeente(s), provincie, Rijk, NSP en bedrijven is om voor deze projecten een integrale afweging te gaan maken. Daarnaast is het belangrijk om als betrokken overheden een gedeelde ambitie voor de ontwikkeling van het gebied te krijgen.

Afbeelding 2: Kaart met overzicht aanlanding grote projecten.

14

4. Thema 2:

Klimaatadaptatie

Dit hoofdstuk begint met een korte omschrijving van klimaatadaptatie en de ambities uit de Omgevingsvisie Vlissingen 2040. Vervolgens beschrijven we hoe deze ambities zijn vertaald naar doelen en opgaven. Dit doen we door een klimaatbestendig bebouwd gebied en buitengebied en een toekomstbestendige kustverdediging. Wat is klimaatadaptatie? Het klimaat in Nederland, en dus in onze gemeente, verandert. Door klimaatverandering krijgen we vaker te maken met weersextremen. De ene keer is het heel veel regen in korte tijd of blijft het maanden lang een beetje regenen. De maanden daarna valt er nauwelijks regen en zijn er regelmatig hittegolven. Of er valt in een maand zoveel regen dat de grond volledig is verzadigd en het water op het land blijft staan. Vervolgens komt er een storm langs die met hoge golven op de kustlijn beukt. Bovendien stijgt de zeespiegel en daalt de bodem. Om Nederland hierop aan te passen is in de Deltabeslissingen Ruimtelijke Adaptatie en Waterveiligheid vastgelegd dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is en dat de kans op overlijden bij een overstroming maximaal 1 op 100.000 is. Klimaatadaptatie gaat over hoe we gemeente Vlissingen zo kunnen inrichten dat al deze weersextremen zo min mogelijk overlast en schade veroorzaken.

Anders gezegd: hoe houden we gemeente Vlissingen een toekomstbestendige en leefbare plek om te wonen, werken en recreëren terwijl het klimaat om ons heen verandert? Zowel gemeente, waterschap, provincie, inwoners als bedrijven hebben ruimschoots mogelijkheden om bij te dragen aan een klimaatbestendig Vlissingen. Ambities Omgevingsvisie Gemeente Vlissingen heeft een: 1. klimaatbestendig bebouwd gebied; 2. een klimaatbestendig buitengebied; 3. toekomstbestendige kustverdediging. Doordat:  ...in het bebouwd gebied de risico’s van wateroverlast en verdroging minimaal zijn en stad en dorp hittebestendig zijn;  ...we streven naar een klimaatbestendig buitengebied waarbij we kaderstellend zijn en goede afspraken maken met partners in het gebied;  ...gemeente Vlissingen overstromingsrobuust is ingericht: waterveiligheid is een integrale verstedelijkingsopgave. Ambitie 1. Klimaatbestendig bebouwd gebied Voor een klimaatbestendig bebouwd gebied in 2050 is het van belang om bestendig te zijn tegen de gevolgen van hevige en/of langdurige neerslag, langdurige droogte en hete zomers. De minimale risico’s op wateroverlast vertalen we concreet naar toegankelijke hoofdwegen en dat de hoeveelheid water op straat beperkt blijft bij een bui van 70 mm/uur. Ook zijn er dan geen panden die onder water lopen vanuit het openbaar gebied.

Minimale risico’s op droogte vertalen we naar voldoende zoet (grond)water om ervoor te zorgen dat bomen en struiken langdurige droogte overleven. De droogterisico’s op zetting van infrastructuur en funderingen zijn al minimaal in Vlissingen. Vanuit het perspectief van klimaatadaptatie geven we vanuit dit programma input aan het Programma Groene

15

en Natuurlijke Leefomgeving over wat er nodig is aan groen en bomen voor een klimaatbestendig bebouwd gebied.  In 2030 is 30% van de bekende knelpuntlocaties (afbeelding 3) met wateroverlast aangepakt en ontwikkelen we waterrobuuste nieuwbouw. Concreet betekent dat: a. We hebben 5 van de 15 knelpuntlocaties waar meer dan 10 cm water op hoofdwegen of 30 cm water op andere straten staat bij een (modelmatige) bui van 70 mm/uur aangepakt. b. We hebben inzicht in welke panden een risico lopen om onder te komen staan bij een (modelmatige) bui van 70 mm/uur. Voor de panden waar de oorzaak in het openbaar gebied ligt hebben we doelmatige en haalbare oplossingen gevonden die we stapsgewijs uitvoeren. c. Bij nieuwbouw mag geen wateroverlast optreden bij een (modelmatige) bui van 90 mm/uur of tijdens langdurig natte perioden.

Afbeelding 3: Locaties met knelpunten water op straat, bron Modelberekeningen Nelen en Schuurmans 2024 en eigen kennis.  In 2030 hebben we inzichtelijk hoe we de schadelijke effecten van langdurige natte en droge perioden op bomen en struiken aanpakken en zijn we gestart met de uitvoering in het openbaar gebied. Bomen die oud kunnen worden, zijn essentieel voor een hittebestendig bebouwd gebied. Langdurige droogte en zeespiegelstijging kan voor een tekort aan zoetwater zorgen, terwijl een langdurige natte periode ook risicovol kan zijn voor groen. Belangrijk is dat de 16

grondwaterfluctuatie, mate van verzilting en de soorten bomen en struiken op elkaar zijn afgestemd. Indicator Aantal hectare met tekort aan zoetwater voor bomen en struiken tijdens langdurige droogte Huidig N.t.b. Doel 0 ha Opgave n.t.b. Indicator Aantal hectare met te hoge grondwaterstanden voor bomen en struiken tijdens langdurige natte perioden Huidig N.t.b. Doel 0 ha Opgave n.t.b.

 In 2030 hebben we inzichtelijk hoe we in het bebouwd gebied de gevoelstemperatuur in 2050 maximaal 35° - 38° (label C) en waar haalbaar 29° - 35° (label B) krijgen en zijn we gestart met de uitvoering. Een belangrijke indicator voor een hittebestendig bebouwd gebied is de gevoelstemperatuur op straat. Voor gemeente Vlissingen weergegeven in afbeelding 4. Hoe hoger de gevoelstemperatuur hoe meer hittestress we ervaren en dit heeft een negatieve impact op onze gezondheid en arbeidsproductiviteit. Met de huidige inrichting van het gebouwd gebied is de verwachting dat de gevoelstemperatuur in 2050 in de woonwijken deels 38° - 41°C (label D) en in de Binnenstad op enkele locaties > 41°C (label E) wordt.

Afbeelding 4: Verwachte gevoelstemperatuur in 2050, bron: Klimaatatlas Zeeland, 2024.  In 2030 hebben we inzichtelijk hoe we in het bebouwd gebied minimaal 30% warmtewerende of verkoelende oppervlakten (label B) kunnen en zijn we gestart met de uitvoering. Om het hitte-eilandeffect te dempen zijn warmtewerende of verkoelnde oppervlakten essentieel. De onderstaande kaart brengt groen en schaduw in beeld. Warmtewerende verharde oppervlakten zoals lichtgekleurde verharding, daken of gevels zijn niet meegenomen. De

17

grootste opgave ligt ten zuiden van de Sloeweg. Daar is weinig groen en ook vaak veel donkere verharde oppervlakten, zie afbeelding 5.

Afbeelding 5: Percentage warmtewerende of verkoelende oppervlakte door groen en schaduw, bron: Klimaatatlas Zeeland, 2024.  In 2030 past de gemeente in de openbare ruimte waar mogelijk de 3-30-300 regel toe. De 3-30-300 regel helpt om het bebouwd gebied hittebestendig in te richten en de gezondheid van onze inwoners en werkenden te vergroten. De 3 betekent dat er drie bomen aanwezig zijn rondom een woning of utiliteitsgebouw. Hier ligt met name in de Binnenstad en het Middengebied een opgave, zie afbeelding 6. De 30 betekent dertig procent boomkroonoppervlak per buurt (afbeelding 7). De groenste buurten Westerzicht en Vredehof halen de 30% niet. Verder is boven de Sloeweg het oppervlak boomkroon 10 -20% en onder de Sloeweg is het 0 - 10%. Nog uit te voeren onderzoek zal uitwijzen wat haalbaar is per buurt. De 300 staat voor 300m afstand wonen of werken vanaf een koele groene plek. Hier voldoet de hele gemeente Vlissingen aan. We moeten nog wel inventariseren of de locaties ook zijn ingericht om te verblijven.

Afbeelding 6: Locaties waar 3 bomen nabij een gebouw ontbreken (geel is minste bomen), bron: gemeente Vlissingen, 2024. Note: nieuwbouwlocaties zijn geel, omdat de pas aangeplante bomen moeilijk te detecteren zijn vanuit lucht. 18

Afbeelding 7: Percentage boomkroon per buurt, bron: gemeente Vlissingen, 2024.  In 2030 is de gemeente bezig om waar mogelijk minimaal 30% - 40% schaduw op langzame verkeerroutes en verblijfsplekken te realiseren. Deze schaduw is nodig om tijdens hete zomers met beperkte hittestress te lopen en fietsen of om ergens voor langere tijd te zijn. In 44% van het bebouwd gebied is nu minder dan 30% schaduw op wandel- en fietspaden en verblijfsplekken, zie afbeelding 8.

Afbeelding 8: Percentage schaduw op fiets- en wandelroutes, bron: klimaatatlas Zeeland, 2024 Ambitie 2. Klimaatbestendig buitengebied De invloed van de gemeente Vlissingen buiten de bebouwde kom is beperkt. Via heldere kaders in het Omgevingsplan draagt de gemeente bij een klimaatbestendig buitengebied. Daarnaast kan de gemeente zich inzetten voor een goede samenwerking met het Waterschap Scheldestromen en andere gebiedspartners om elkaars inspanningen op dit gebied te versterken.

19

 In 2032 heeft de gemeente kaders voor een klimaatbestendig buitengebied opgenomen in het Omgevingsplan. Op dit moment zijn er geen of beperkte kaders opgenomen in het bestemmingsplan voor het buitengebied. Bij een herziening hiervan bij het uitwerken van het Omgevingsplan kunnen we kader voor klimaatadaptatie opnemen. Ambitie 3. Toekomstbestendige kustverdediging In de Omgevingswet is vastgelegd dat de zeeweringen moeten voldoen aan een norm overstromingskans die o.a. is gebaseerd op een overlijdenskans lager dan 1:100.000 per jaar door een overstroming in 2050. Dit wordt het Lokaal Individueel Risico (LIR) genoemd. Hierbij is rekening gehouden met preventieve evacuatiemogelijkheden. Daarom is het belangrijk dat inwoners en ondernemers bekend zijn met evacuatieplannen.  In 2030 heeft de gemeente proactief bijgedragen vanuit haar wettelijke verantwoordelijkheid aan de dijkversterking Buitenhaven tot Vlissingen-Oost. Deze dijkversterking is één van de maatregelen uit het Hoogwaterbeschermingsprogramma van het Rijk waarmee de kans op overlijden per jaar door een overstroming ten oosten van het kanaal een factor 10 kleiner wordt. Het Waterschap Scheldestromen is verantwoordelijk voor de planvorming en uitvoering. Daarnaast volgt de gemeente de nieuwe ontwikkelingen voor het toekomstbestendig maken van de kustverdediging nauwgezet.

 In 2030 kunnen alle Vlissingers (met hulp) adequaat reageren op een (dreigende) overstroming. Dit betekent dat iedereen weet wat hij of zij kan doen. Hiervoor is goede communicatie nodig die we in samenwerking met waterschap, provincie, veiligheidsregio en buurgemeenten kunnen opzetten. Dit is ook onderdeel van de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland (KASZ) 2021-2026.  Gevolgenbeperking en wederopbouw is integraal onderdeel van ontwerpproces bij nieuwbouw. Dit passen we op dit moment toe langs de Boulevard via het Vlissings model voor overstromingsrobuust bouwen. We gaan ook een kader ontwikkelen voor de andere nieuwe te bouwen gebieden die verder van de zee afliggen in onze gemeente. Dit is ook onderdeel van de KASZ. Indicator Lokaal individueel risico: kans op overlijden per jaar door overstroming Huidig Ten westen van Kanaal door Walcheren: < 1:1.000.000 Ten oosten van Kanaal (behalve Vlissingen-Oost): > 1:100.000 Doel Ten westen van Kanaal door Walcheren: < 1:1.000.000 Ten oosten van Kanaal (behalve Vlissingen-Oost): Tussen 1:1000.000 en 1:100.000 Opgave Dijkversterking Sloehaven – Buitenhaven Vlissingen om LIR met factor 10 te verkleinen Bron: STOWA, 2024 Indicator Percentage van inwoners en ondernemers dat (met hulp) adequaat kan reageren op een (dreigende) overstroming Huidig Zeer beperkt Doel 100% in 2030 Opgave 100% Bron: gemeente Vlissingen, 2024

20

5. Thema 3:

Circulaire economie

Dit hoofdstuk begint met een korte omschrijving van circulaire economie, de R-ladder met de circulaire strategieën en de ambities uit de Omgevingsvisie Vlissingen 2040. Vervolgens beschrijven we hoe deze ambities zijn vertaald naar doelen en opgaven. Dit doen we door het voorkomen van het gebruik van nieuwe grondstoffen en energie, en circulair, biobased en natuurinclusief en modulair bouwen. Wat is circulaire economie? In een circulaire economie is er geen afval meer. In een circulaire economie gaan wij zuiniger om met de grondstoffen die beschikbaar zijn op de aarde, de producten die we daarvan maken en hoe en hoelang we ze gebruiken. De meeste producten worden in de huidige economie ‘lineair’ gemaakt. Het volgt de rechte lijn van grondstof naar het product dat je koopt, gebruikt en weer weggooit. Daarna wordt in het afvalproduct in het gunstige geval (deels) gerecycled en anders verbrand. In een circulaire economie wordt een product of grondstoffen die erin zitten na gebruik weer opnieuw benut. Afval bestaat daardoor niet. De R-ladder maakt circulaire economie meer concreet en geeft handelingsmogelijkheden (zie afbeelding 9). De R-ladder geeft de mate van circulariteit aan. Hoe hoger op de ladder hoe meer circulair en hoe lager de impact op de aarde. R1 is de bovenste trede en R6 de onderste trede, omdat grondstoffen niet terugkomen in de kringloop.

Daarnaast onderscheiden we twee kringlopen: de technische en de biologische kringloop. De materialen in de biologische kringloop zijn allemaal in de natuur afbreekbaar. De technische kringloop bevat materialen die langdurig zijn, zoals metalen, kunststoffen en gesteenten. Een circulaire economie heeft nog een ander groot voordeel, namelijk dat er veel minder energie nodig is. Hoe meer circulair onze economie is, hoe kleiner de opgave voor energieneutraal is. In het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023 – 2030 is het doel opgenomen dat in 2050 de Nederlandse economie volledig circulair moet zijn.

Afbeelding 9: De R-ladder, bron PBL. 21

Ambities Omgevingsvisie Vlissingen heeft een circulaire samenleving doordat: 1. ...inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven en gemeente het gebruik van nieuwe grondstoffen en energie voorkomen door bewuste aanschaf, efficiënt en gedeeld gebruik, circulair productontwerp, productie, businessmodellen, hergebruik, onderhoud, reparatie en recycling; 2. ...circulair, biobased, natuurinclusief en modulair bouwen de norm is: ontwerp, bouw, renovatie en sloop gebeuren vanuit de circulariteitsgedachte. Kanttekening De circulaire economie staat nog in de kinderschoenen in Nederland. Er zijn daardoor nog weinig cijfers bekend en dat maakt het lastig om realistische doelen te stellen en goede indicatoren te vinden. Voor een aantal doelen is eerst een inventarisatie nodig voordat we de huidige situatie in beeld hebben. De doelen komen wat betreft inhoud overeen met de doelen uit het beleidsplan ‘Circulaire economie Zeeuwse gemeenten’. Ambitie 1a. Inwoners voorkomen het gebruik van nieuwe grondstoffen en energie Inwoners kunnen de eerste trede R1 van de R-ladder toepassen door af te zien van producten of ze intensiever gebruiken. Dit betekent dat we een bewuste afweging maken als we ze aanschaffen. We kunnen dingen ook lenen of huren als we ze niet vaak nodig hebben.

De volgende twee treden R3 en R4 (voor niet-producenten) zorgen ervoor dat producten die we gebruiken zo lang mogelijk hun waarde behouden, doordat we ze hergebruiken en repareren. De laatste stap R5 is als producten echt niet meer te gebruiken of te repareren zijn, we ze netjes verwerken en de grondstoffen recyclen. In een volledig circulaire economie is er geen huishoudelijk of bedrijfsrestafval meer en worden alle grondstoffen hergebruikt. In een circulaire economie bestaat er in principe ook geen zwerfafval meer. Tot 2030 willen we focussen op de volgende doelen:  Tot 2030 informeren en inspireren wij onze inwoners over het bewuste aanschaffen van o.a. voedsel en spullen, en de alternatieven (R1). Tot 2025 is dit vooral het terrein van duurzaamheidsenthousiastelingen. Het is een forse opgave om dit breed onder de bevolking gemeengoed te maken.  In 2030 is het voor minimaal 50% van de Vlissingse inwoners normaal om producten tweedehands te gebruiken en te laten repareren (R3 en R4). Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) doet in 2023 45% van Nederlanders weleens aan levensduurverlenging (R4) en 60% geeft weg voor tweedehandsgebruik (R3).  In 2030 is het percentage recyclebaar materiaal afkomstig van huishoudens minimaal 60% (R5). In 2024 is dit 48%. Dat betekent dat onze opgave tot 2030 minimaal 12% is.

Het doel voor 2050 is nagenoeg 100% recyclebaar materiaal.  In 2030 ligt, afhankelijk van het vastgestelde kwaliteitsniveau – basis+ (oranje), basis* (blauwe) en basis (grijze) gebieden - in de NKOR, weinig of een beperkt aantal stuks zwerfafval per 100 m2. We willen zwerfafval voorkomen, omdat het slecht is voor de natuur, een rommelig beeld geeft en we de grondstoffen nodig hebben voor nieuwe producten. In de oranje gebieden streven we naar weinig (grof) zwerfafval (grof: ≤ 1-3 stuks per 100m² Fijn: ≤ 1-3 stuks per 1m²) en in de

22

blauw en grijze gebieden streven we naar beperkte mate (grof) zwerfafval (grof: ≤ 10 stuks per 100m² Fijn: ≤ 10 stuks per 1m²). In 2050 willen we geen zwerfafval meer in onze gemeente. Om deze doelen te bereiken heeft de gemeente vooral een informerende en faciliterende rol. Indicator Percentage recyclebaar materiaal afkomstig vanuit huishoudens (R5) Huidig 2024: 48% Doel 2030: 60% 2050: 100% Opgave 52% Bron: gemeente Vlissingen, 2025 Indicator Aantal kg verspild voedsel per inwoner (R1) Huidig Nederland: jaarlijks 33 kg per inwoner aan voedsel weggegooid Jaarlijks 65 liter per inwoner drinken door de gootsteen. Samenstelling restafval in Vlissingen: 24kg is voedsel dat gegeten had kunnen worden (exclusief voedsel in GFT) Doel 2030: 0 kg Opgave Ca. 33 kg Bron: https://samentegenvoedselverspilling.nl/ en gemeente Vlissingen, 2025 Indicator Percentage inwoners dat hergebruikt en repareert (R3 en R4) Huidig 2023: PBL: 45% van Nederlanders doet (weleens) aan levensduurverlenging (R4) en 60% geeft weg voor tweedehandsgebruik (R3). Doel 2030: 50% 2050: 100% Opgave N.t.b. Bron: Planbureau voor de Leefomgeving, 2024 Ambitie 1b. Maatschappelijke organisaties en bedrijven voorkomen het gebruik van nieuwe grondstoffen en energie Maatschappelijke organisaties en bedrijven (exclusief industrie) zijn, zowel gebruiker als producent van producten en diensten.

Als gebruiker is voor maatschappelijke organisaties en bedrijven hetzelfde van toepassing als bij inwoners, alleen op grotere schaal. Als dienstverlener en producent liggen er veel mogelijkheden om bij te dragen aan de transitie naar een circulaire economie door circulair productontwerp, productie en businessmodellen te ontwikkelen en toe te passen.  In 2030 is 50% van de Vlissingse maatschappelijke organisaties en bedrijven zich bewust van de kansen en mogelijkheden voor circulair productontwerp, productie, dienstverlening en businessmodellen. Los van de industrie is onze inschatting dat nog maar een beperkt aantal maatschappelijke organisaties en bedrijven zich bewust is van de noodzaak en de mogelijkheden voor circulaire producten en productie. Via de samenwerking van Zeeuwse gemeenten willen we hiermee aan de slag.  In 2030 is 20% van de Vlissingse maatschappelijke organisaties en bedrijven bezig met nadenken en ontwikkelen van circulaire producten, diensten en businessmodellen. Dit is een vervolgstap op het eerste doel. Ook hier willen we in Zeeuws verband mee aan de slag.

23

Om deze doelen te bereiken heeft de gemeente vooral een informerende en faciliterende rol. De gemeente heeft meer invloed op evenementen via vergunningen en subsidies. Om ervoor te zorgen dat op termijn de evenementen ook volledig circulair zijn, gaan we de ‘duurzaamheidsladder evenementen’ toepassen. Dit wordt verder uitgewerkt in het Evenementenbeleid. Indicator Percentage Vlissingse bedrijven dat zich bewust is van de kansen en mogelijkheden voor circulair productontwerp, productie en businessmodellen Huidig 2024: Beperkt Doel 2030: 50% 2035: 100% Opgave Ca. 99% Bron: gemeente Vlissingen Indicator Percentage Vlissingse bedrijven dat bezig is met nadenken en ontwikkelen van circulaire producten en businessmodellen. Huidig 2024: Beperkt Doel 2030: 20% 2035: 50% 2040: 100% Opgave Ca. 99% Bron: gemeente Vlissingen Ambitie 1c. Gemeentelijke organisatie voorkomt het gebruik van nieuwe grondstoffen en energie Voor de gemeentelijke organisatie geldt voor een groot deel hetzelfde als voor maatschappelijke organisaties en bedrijven. Er is één belangrijk verschil. De gemeente maakt haar eigen keuzes. Bovendien is de gemeente als beheerder van de openbare ruimte en gemeentelijk vastgoed een grote opdrachtgever. Hiermee kan de gemeente het goede voorbeeld geven en grote impact hebben. Zeker als we optrekken met buurgemeenten en medeoverheden.

Tot 2030 willen we focussen op de volgende doelen.  In 2030 past elke medewerker circulaire R-strategieën toe in het dagelijks werk. Los van afval scheiden, schatten wij in dat de meeste medewerkers niet weten hoe ze circulair kunnen werken. Het is belangrijk dat we hen informeren, inspireren en motiveren om dit mogelijk te maken.  In 2030 passen alle interne opdrachtgevers, beleidsadviseurs, beheerders en projectleiders actief de R-ladder toe in hun overwegingen en ontwerpen en streven naar zo hoog mogelijke Rstrategie. Hier is de meeste (milieu)winst te halen. Heroverwegen of afzien van bijvoorbeeld een extra gebouw, een brede weg of alle medewerkers een tweede telefoon. In het ontwerp zowel efficiënt gebruik maken van materialen en energieverbruik minimaliseren als rekening houden met hergebruik, onderhoud en recyclebaarheid. Dit is nodig om het consumptievolume van de gemeente te verlagen. De inschatting is dat circulariteit nu nog nauwelijks onderdeel is van overwegingen of het ontwerp. Wel worden vanuit kostenoverweging zo nu en dan circulaire keuzes gemaakt.

 In 2030 passen we de R-ladder actief toe bij alle inkoop voor de openbare ruimte, gemeentelijk vastgoed en kantoorgebruik en streven naar zo hoog mogelijke R-strategie Als we een gebouw of infrastructuur echt nodig hebben en we hebben een circulair ontwerp gemaakt dan kunnen we met inkoop nog meer impact maken door de markt uit te dagen om met aanbiedingen te komen waarin hergebruik, reparatie, goed onderhoud en hoogwaardige 24

recycling integraal zijn meegenomen. Hierin kunnen we de markt uitdagen en tegelijkertijd zijn we afhankelijk van wat de markt biedt. Dit sluit aan bij het beleid Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) van de gemeente.  In 2030 is de kantoorconsumptie per medewerker met 10% gereduceerd ten opzichte van 2024. Kantoorconsumptie gaat over kantoorartikelen, elektronica, voedsel. Indicator Percentage van het personeel dat het circulair werken toepast in het dagelijks werk Huidig 2024: 1%? Doel 2030: 100% Opgave 99% Bron: gemeente Vlissingen Indicator Percentage van intern opdrachtgevers, beleidsadviseurs, beheerders en projectleiders die actief de R-ladder in hun overwegingen en ontwerpen toepassen en streven naar zo hoog mogelijke R-strategie. Huidig 2024: 1%? Doel 2030: 100% Opgave 99% Bron: gemeente Vlissingen Indicator Toepassing van circulaire strategieën bij alle inkoop voor kantoor, openbare ruimte en gemeentelijk vastgoed Huidig 2024: 1%? Doel 2030: R3 (reuse) of hoger bij 50% van de inkoop. De andere 50% mag R4 of R5 zijn. Opgave Nader te bepalen Bron: gemeente Vlissingen Indicator Kantoorconsumptie per medewerker (gemeentehuis en stadsbeheer) Huidig 2024: 100% Doel 2030: 90% t.o.v. 2024 2035 maximaal 80% t.o.v. 2024 Opgave Minimaal 20% Bron: gemeente Vlissingen Ambitie 2.

Circulair, biobased en natuurinclusief en modulair bouwen is de norm Circulair bouwen is ontwerpen, bouwen, renoveren en slopen vanuit de circulaire principes. Daarbij focussen we op bouwen met biobased materialen die zich in de biologische kringloop bevinden. Natuurinclusief betekent dat onze gebouwen en tuinen ook zijn ingericht als een goede leefplek voor flora en fauna en dat we daar in het ontwerp al rekening mee houden. Modulair bouwen is een bouwmethode om in de fabriek volledige modules van een gebouw te bouwen en deze op locatie samen te voegen tot één gebouw, waarbij circulaire principes worden toegepast en minder CO2 wordt uitgestoten.  In 2030 is minimaal 20% van de nieuwbouw en aanbouw in gemeente Vlissingen circulair en natuurinclusief en bij voorkeur biobased en modulair. In 2025 wordt er nog nauwelijks circulair en natuurinclusief gebouwd in gemeente Vlissingen. Om voorlopig voldoende ruimte te laten is de formulering bij voorkeur biobased. Daarnaast is modulair bouwen één van de bouwmethodes en willen we andere bouwmethoden niet uitsluiten, zolang deze maar circulair en natuurinclusief zijn. 25

 In 2030 is minimaal 30% renovatie in gemeente Vlissingen circulair en waar mogelijk natuurinclusief en bij voorkeur biobased. In 2025 wordt er nog nauwelijks circulair en natuurinclusief gerenoveerd in gemeente Vlissingen. Om voorlopig voldoende ruimte te laten is de formulering bij voorkeur biobased. Indicator Percentage nieuwbouw, aanbouw en renovatie dat circulair en natuurinclusief en bij voorkeur biobased en modulair is. Huidig 2024: 0% Doel 2030: 30% 2035: 60% 2040: 100% Opgave 100% Bron: gemeente Vlissingen

26

6. Thema 4:

Milieu

Dit hoofdstuk begint met korte omschrijving van milieu en wat de ambities zijn in de Omgevingsvisie Vlissingen 2040. Vervolgens beschrijven we hoe deze ambities zijn vertaald naar doelen en opgaven. Dit doen we voor de milieuthema’s lucht, geluid, licht, geur, bodem en grondwater, oppervlaktewater en omgevingsveiligheid. Wat is milieu? Het milieu gaat over de omgeving waarin wij wonen, werken en leven. Het gaat over de kwaliteit van lucht, bodem en water. Andere onderdelen zijn geluid, licht, geur en de risico’s van transport of productieprocessen met gevaarlijke stoffen. Menselijk handelen in het verleden en nu heeft gezorgd voor vervuiling van de lucht, bodem en water of zorgt voor overlast door geluid, licht of geur. Risico’s van transport of productieprocessen met gevaarlijke stoffen maken onze leefomgeving minder veilig. Milieu gaat over het verbeteren én het realiseren van een gezonde en schone leefomgeving en het verminderen van overlast en risico’s op incidenten. Milieu is volgens de Omgevingswet een gemeentelijke taak die afgelopen jaren beperkt is opgepakt. Het gevolg is dat we de huidige situatie van de meeste milieuthema’s niet in beeld hebben en het beleid niet meer aansluit bij alle maatschappelijke ontwikkelingen en wettelijke veranderingen. Ambities Omgevingsvisie Vlissingen heeft een gezond, schoon en veilig leefklimaat. Concreet betekent dit voor: 1.

Lucht: we streven naar het behalen van WHO-normen door bronnen binnen gemeente Vlissingen aan te pakken om permanente verbetering en gezondheidswinst te realiseren. 2. Geluid: we streven naar gezondheidswinst door het halen van de WHO-normen in woonwijken en we willen overal in Vlissingen aan de Walcherse geluidsnormen voldoen. 3. Licht: we streven naar winst voor gezondheid en biodiversiteit door het terugdringen van lichtvervuiling. 4. Geur: we streven naar gezondheidswinst door het terugdringen van geuroverlast. 5. Bodem en grondwater: goede kwaliteit betekent voor ons geschikt voor het beoogde gebruik en met een gezond evenwicht voor alle organismen. 6. Oppervlaktewater: in bebouwd gebied moet de waterkwaliteit passen bij de functie van het gebied er omheen. 7. Omgevingsveiligheid: de risico’s van omgevingsveiligheid zijn volledig in beeld, beheersbaar en waar mogelijk verkleind en we laten geen nieuwe risicobronnen toe, tenzij uit onderzoek blijkt dat er geen belemmeringen zijn en geen ongewenste ruimtelijke effecten ontstaan (uitgezonderd Vlissingen-Oost). Ambitie 1: Lucht Lucht: we streven naar het behalen van WHO-normen door bronnen binnen gemeente Vlissingen aan te pakken om permanente verbetering en gezondheidswinst te realiseren. Het doel is schone lucht. Hoe schoner de lucht, hoe gezonder het is om deze in te ademen.

Om schone en gezonde lucht meetbaar te maken, gebruiken we voor luchtkwaliteit vier indicatoren. De eerste is het gezondheidseffect van luchtvervuiling voor de inwoners die hieraan bloot worden gesteld. De andere drie indicatoren geven verschillende verzameling van stoffen aan die de lucht vervuilen. De concentratie van stikstofdioxiden (NO2) is de eerste. De andere twee geven de concentratie fijnstof aan van verschillende formaat deeltjes die in de lucht zitten, aangeduid met fijnstof PM10 en PM2.5. Hoe lager de concentratie, hoe schoner en gezonder de lucht is. Als definitie 27

van schone lucht gebruiken we de WHO-advieswaarden. Dit zijn de doelen voor NO2, fijnstof PM10 en PM2.5. De doelen voor schone lucht zijn:  98% van de inwoners van Vlissingen heeft een langere levensduur van gemiddeld 2,5 – 3 maanden t.o.v. 2016 doordat de lucht schoner is geworden.  De concentratie stikstofdioxiden (NO2) is gemiddeld per jaar 10 µg/m3 (afbeelding 10). In 2022 was het jaargemiddelde over de hele gemeente gemiddeld 14 µg/m3 met spreiding van 10 – 12 μg/m3 in Westduin tot 25 μg/m3 langs N661, Sloeweg, Paul Krugerstraat, Burgemeester van Woelderenlaan.  De concentratie fijnstof PM10 is gemiddeld per jaar 15 µg/m3 (afbeelding 11). In 2022 was het jaargemiddelde in alle wijken van Vlissingen en Oost-Souburg 15,2 – 15,4 µg/m3 behalve langs de hoofdwegen met verkeerslichten. Daar was de concentratie 16 – 17,5 µg/m3. In Ritthem voldoet het jaargemiddelde al aan de WHO-norm (2021).  De concentratie fijnstof PM2.5 is gemiddeld per jaar 5 µg/m3 (afbeelding 12). In 2022 was het jaargemiddelde in het bebouwd gebied rond de 7,5 µg/m3 en langs de Paul Krugerstraat 8 µg/m3. De verwachting is dat er lokaal in de winter door particuliere houtstook hogere concentraties zijn. Emissiebronnen Een belangrijke kanttekening is dat de invloed van de gemeente beperkt is, omdat een aanzienlijk deel van de emissies of uit het buitenland of ergens anders uit Nederland vandaan komt.

De bijdrage van emissies uit het buitenland aan de concentraties in gemeente Vlissingen is 30 – 50%. Daarnaast zijn de scheepvaart langs Vlissingen en de industrie grote bronnen in Nederland. Hier heeft de gemeente echter beperkt invloed op. Gelukkig zijn er ook lokale bronnen waar we wel invloed op hebben: verkeer, bouw, mobiele werktuigen, binnenvaart en recreatie, particuliere houtstook en landbouw. Deze bronnen veroorzaken 30 – 40% van de Nederlandse emissies. Onderzoek is nodig om te bepalen wat de gemeente precies kan doen, in hoeverre dit bijdraagt aan de gestelde doelen en wanneer het realistisch is om deze doelen te halen. Indicator Gezondheidseffect: gemiddelde levensduurverkorting als gevolg van luchtvervuiling Huidig 2016: 98% van de inwoners van Vlissingen 6 – 8 maanden kortere levensduur Doel 2030: 98% van de inwoners van Vlissingen 2,5 – 3 maanden langere levensduur Opgave Bronnen van luchtvervuiling binnen de gemeente Vlissingen aanpakken Bron: Effecten van het Schone Lucht Akkoord op gezondheid in Nederland | RIVM

28

Afbeelding 10: Jaargemiddelde concentratie stikstofdioxiden (NO2) in 2022, bron: www.atlasleefomgeving.nl, RIVM, 2024.

Afbeelding 11: Jaargemiddelde concentratie fijnstof PM10, bron: www.atlasleefomgeving.nl, RIVM, 2024.

29

Afbeelding 12: Jaargemiddelde concentratie fijnstof PM2.5, bron: www.atlasleefomgeving.nl, RIVM, 2024. Ambitie 2: Geluid Geluid: we streven naar gezondheidswinst door het halen van de WHO-normen in woonwijken en we willen overal in Vlissingen aan de Walcherse (in ontwikkeling) en nationale geluidsnormen voldoen. Als inwoners en werknemers langdurig worden blootgesteld aan te hard geluid dan heeft dit een negatieve impact op hun gezondheid. In gemeente Vlissingen zorgen wegverkeer, treinen en structurele bedrijvigheid voor geluidsoverlast in woonwijken, op bedrijventerreinen en in het landelijk gebied. Het geluidsniveau van wegverkeer, spoor en structurele bedrijvigheid zijn daarom de indicatoren om structurele geluidsoverlast concreet te maken. Daarbij maken we onderscheid tussen per etmaal en ’s nachts, omdat geluidsoverlast ’s nachts een negatief effect heeft op de slaap. De WHO heeft voor een gezonde leefomgeving advieswaarden voor wegverkeer en spoor gegeven. In gemeente Vlissingen liggen ca. 100 woningen enkele decibellen boven de WHO norm. Prorail is als beheerder verantwoordelijk voor maatregelen. Daarom stellen we als gemeente geen doel. Voor het geluidsniveau van milieubelastende activiteiten op bedrijventerreinen, in woonwijken en in het landelijk gebied worden in 2025 in Walchers verband geluidsnormen opgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15602026/1