CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB MA vd Puttestraat - Aanvraag omgevingsvergunning voor vervangende sociale nieuwbouw bijlage

Informatiebijeenkomst 29 mei 2026, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken24.941 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Binnen het onderzoeksgebied kunnen twee vindplaatsen worden afgebakend: De eerste vindplaats omvat de perceelssloten uit de middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. Deze sporen zijn aangetroffen in de top van de kreekrug op een diepte variërend tussen 0,40 m -mv /0,43 m – NAP aan de westzijde en 0,30 / 0,15 m +NAP. Deze greppels zijn over het volledige onderzoeksgebied waargenomen. De tweede vindplaats omvat de greppels die uit de volle middeleeuwen dateren. Deze sporen zijn enkel aan de oostzijde van het onderzoeksgebied vastgesteld. De sporen zijn in de top van de kreekrug waargenomen op een diepte van 0,30 m -mv / 0,15 m +NAP. De vindplaatsen zijn duidelijk en goed bewaard vanaf de onderzijde van de bouwvoor. Het metaal is licht gecorrodeerd, maar duidelijk herkenbaar. Binnen het onderzoeksgebied zijn twee vindplaatsen aangetroffen. De eerste vindplaats omvat de perceelsgreppels uit de middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. Deze vindplaats is als niet behoudenswaardig gewaardeerd. De tweede vindplaats met sporen uit de volle middeleeuwen is daarentegen wel behoudenswaardig. De hoge verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de middeleeuwen en vroege Nieuwe tijd op basis van het vooronderzoek is tijdens het huidige onderzoek bevestigd. Tijdens het onderzoek zijn perceelsgreppels waargenomen die dateren tussen de middeleeuwen en Nieuwe tijd.

Op het hoogste deel van de kreekrug binnen het onderzoeksgebied zijn greppels waargenomen met resten van bewoningsafval die wijzen op bewoning in de nabije omgeving. Binnen het onderzoeksgebied zijn twee vindplaatsen aangetroffen. De eerste vindplaats bestaat uit perceelsgreppels die als niet-behoudenswaardig zijn gewaardeerd. De vindplaats met sporen uit de volle middeleeuwen is daarentegen wél behoudenswaardig. Deze sporen zijn aan de oostzijde van het onderzoeksgebied in de top van de kreekrug vastgesteld op een diepte vanaf 0,30 m -mv / 0,15 m +NAP. Voor deze vindplaats wordt dan ook geadviseerd geen graafwerkzaamheden uit te voeren die dieper reiken dan 0,30 m -mv (0,15 m +NAP). Binnen het projectgebied zal de bestaande bebouwing worden vervangen door nieuwbouw. Voor de aanleg van de bouwputten worden graafwerkzaamheden uitgevoerd die dieper reiken dan 0,30 m -mv. Indien planaanpassing niet wenselijk of mogelijk is en graafwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan deze diepte, wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht (binnen die

38/746

delen die verstoord worden). Conform de AMZ-cyclus (Archeologische Monumenten Zorg cyclus) dient dergelijk vervolgonderzoek te bestaan uit een opgraving. Gezien de aard van de werkzaamheden, namelijk het uitgraven van bouwputten, is het mogelijk om de civiele werkzaamheden te koppelen aan de definitieve opgraving in de variant van een Archeologische Begeleiding. Het doel van een opgraving – variant archeologische begeleiding is het in kaart brengen van de aanwezige archeologische waarden in het projectgebied en het ex-situ veiligstellen (Opgraven) van deze resten. Advies In de hoofdstukken van bijlage 8 wordt het archeologisch potentieel binnen het projectgebied duidelijk geïllustreerd. Tijdens het veldonderzoek is aan de oostzijde een behoudenswaardige vindplaats aangetroffen. Voor dit deel van het projectgebied wordt verder archeologisch onderzoek geadviseerd in de vorm van een Opgraving variant archeologische begeleiding van de twee meest oostelijke bouwblokken. Voor het overige deel van het projectgebied is het terrein voldoende onderzocht en zijn verder geen behoudenswaardige vindplaatsen aangetroffen. In het overige deel van het projectgebied wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.

Het is echter niet uit te sluiten dat ondanks dat er geen vervolgonderzoek aanbevolen is, toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ondanks er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten onverwijld te melden bij de bevoegde overheid.

De initiatiefnemer is met de gemeente overeengekomen dat het ontgraven van de bouwput voor fase 1 onder archeologische begeleiding door Artefact zal plaatsvinden. Ten behoeve hiervan is een programma van eisen opgesteld. Zie hiervoor bijlage 9. Coördinatie ligt bij de ontwikkelende aannemer. Dit zal geborgd worden in de uitvraag. Cultuurhistorie De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.5 is te zien dat in het projectgebied geen cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig zijn die door de ontwikkeling geschaad zouden kunnen worden. De dichtstbijzijnde cultuurhistorische waarden ((rijksmonumenten, rijkscontouren en Monumenten Inventarisatie Project (MIP)) bevinden zich ten noorden en westen van het projectgebied. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze cultuurhistorische waardevolle objecten.

39/746

Figuur 4.5 Kaart cultuurhistorische waardevolle objecten, het projectgebied is rood omkaderd (Bron: Provincie Zeeland, bewerking Rho adviseurs) Conclusie Het aspect cultureel erfgoed levert geen belemmeringen voor de boogde ontwikkeling.

4.9. Geluid door activiteiten Toetsingskader Geluid door activiteiten speelt in twee spiegelbeeldige situaties een rol: 1. de situatie waarin een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw; 2. de situatie waarin een geluidgevoelig gebouw gerealiseerd zal worden waarop geluid wordt veroorzaakt door een bestaande activiteit die geluid veroorzaakt. Dat kan al snel leiden tot het beperken van de milieuruimte van deze bestaande activiteit (en bijvoorbeeld het beperken van een bedrijfsactiviteit). In deze gevallen is een wijziging van het omgevingsplan een beter instrument om de activiteit mogelijk te maken. In een omgevingsvergunning van een BOPA moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. De omgevingsvergunning moet waarborgen dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. Dit kan door de standaardwaarden voor het toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw (zie tabel 5.65.1 van het Bkl) en grenswaarden voor het toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen (tabel 5.65.2 van het Bkl) in de omgevingsvergunning op te nemen.

40/746

Toetsing en conclusie Er wordt voldaan aan de richtafstand, en tussen de beoogde woningen en de overige functies bevinden zich reeds bestaande woningen. Om die reden is aangenomen dat het geluid ter plaatse aanvaardbaar is. Dit wordt onderbouwd in paragraaf 4.5.

4.10. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Toetsingskader De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Toetsing en conclusie Ten behoeve van de ontwikkeling is een een onderzoek verricht naar de geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeer op het plan. Rondom en in het plan zijn diverse verkeerswegen gelegen, waarvan het geluid op de gevoelige bestemmingen in het plan optreedt.

Er is onderzoek verricht naar het geluid vanwege de rondom en in het plan gelegen wegen. Deze wegen behoren allemaal tot het brontype gemeentewegen. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 10. Het volgende kan geconcludeerd worden. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer vanwege de Rijksweg A58 de standaardwaarde van 50 dB wordt overschreden. De grenswaarde van 60 dB wordt eveneens overschreden ter plaatse van blok A, ter plaatse van de vervangende nieuwbouw. Derhalve is de doelmatigheid van geluidreducerende maatregelen onderzocht. Voor de gemeentelijke wegen welke in de nabijheid van het plan zijn gelegen wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. Derhalve is de doelmatigheid van geluidreducerende maatregelen onderzocht. Het treffen van geluidreducerende maatregelen is vanuit financieel-, stedenbouwkundig- en verkeerskundig oogpunt niet als reële maatregel te stellen. Derhalve is gekozen om voor de gevels waar de grenswaarde wordt overschreden een ‘dove gevel’ te realiseren. Hiermee wordt de berekende geluidbelasting van 66 dB mogelijk geacht. De realisatie van een dove gevel dient te worden opgenomen in het Omgevingsplan van de gemeente Vlissingen. De overschrijding van de standaardwaarde dient vastgelegd te worden en zal na vijf jaar opgenomen worden in

41/746

het omgevingsplan van de gemeente Vlissingen. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) dient voldaan te worden aan het Besluit bouwwerken leefomgeving, welke eisen stelt aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies (GA;k). Op grond van artikel 4.103 van het Bbl mag het verschil van het gezamenlijk geluid en de geluidwering van de scheidingsconstructie niet kleiner zijn dan 33 dB. Als gevolg van het wegverkeerslawaai is het gezamenlijk geluid weergegeven ten hoogste 66 dB. De uitwendige scheidingsconstructie dient derhalve een geluidwering te hebben van minimaal 33 dB (66 dB – 33 dB). Dit bedraagt meer dan de minimale 20 dB zoals opgenomen in artikel 4.102 van het Bbl en derhalve dient aanvullende onderzoek gedaan te worden naar de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Uit de rekenresultaten kan worden opgemaakt dat als gevolg van het wegverkeerslawaai gezamenlijke geluidbelasting als gevolg van de rijkswegen en gemeentelijke wegen de geluidbelasting 52 – 66 dB bedraagt voor de drie appartementencomplexen. Dit is te kwalificeren als een redelijk tot slecht woon- en leefklimaat. Zoals eerder aangegeven zal voor de geveldelen waar >65 dB wordt berekend een ‘dove gevel’ gerealiseerd worden.

Voor de overige geveldelen waar de geluidbelasting >53 dB bedraagt dient een aanvullend onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie uitgevoerd te worden. Hiermee wordt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gewaarborgd. Er wordt rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel. Bij indiening van de omgevingsvergunning wordt dit meegenomen.

4.11. Verkeer en parkeren Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat er voldaan wordt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn voor het opvangen van de parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. Toetsing Ontsluiting Langzaam verkeer De projectlocatie is gelegen aan de M.A. van de Puttestraat. De M.A. van de Puttestraat is ingericht als een erftoegangsweg, met vrijliggende voetpaden aan weerszijden van de rijbaan. Voor fietsers zijn er geen aparte voorzieningen aanwezig, waardoor fietsers de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer. Hiermee komt de inrichting van de M.A. van de Puttestraat overeen met de ontwerprichtlijnen voor erftoegangswegen conform het ASVV 2021. In westelijke richting komt de M.A. van de Puttestraat uit op de Burgemeester Stemerdinglaan. De Burgemeester Stemerdinglaan is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg met vrijliggende voet- en fietspaden aan weerszijden van de rijbaan. Oversteekplaatsen voor het langzaam verkeer zijn aanwezig

42/746

ten hoogte van de kruising met de Irenestraat. Via de Irenestraat is vervolgens in zuidwestelijke richting het centrumgebied van Oost-Souburg te bereiken. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde OV-halte is gelegen op circa 700 meter loopafstand aan de Burgemeester Stemerdinglaan. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijn 57, tussen Middelburg Station en Vlissingen Scheldeplein. Daarnaast is de projectlocatie gelegen op circa 1,3 kilometer loopafstand vanaf het treinstation Vlissingen Souburg. Gemotoriseerd verkeer De projectlocatie wordt ontsloten op de M.A. van de Puttestraat, een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. In westelijke richting komt de M.A. van de Puttestraat uit op de Burgemeester Stemerdinglaan. De Burgemeester Stemerdinglaan is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u. De Burgemeester Stemerdinglaan loopt in zuidwestelijke richting over in de Ritthemsestraat, welke vervolgens buiten de bebouwde kom van Oost-Souburg aansluit op de A58. In noordelijke richting, loopt de Burgemeester Stemerdinglaan langs het centrumgebied van Oost-Souburg en kruist met de Lekstraat. De Lekstraat leidt vervolgens in noordelijke richting via de Torenweg naar Middelburg. Verkeer De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 99 sociale huurappartementen.

Ten behoeve van de voorziene woningbouw komen de bestaande 57 sociale huurappartementen te vervallen. Voor het bepalen van de verkeerstoename van de beoogde ontwikkeling kan dan ook rekening worden gehouden met het toepassen van saldering. De verkeerstoename van de beoogde ontwikkeling wordt berekend op basis van de verkeerskencijfers uit CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024''. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt conform de 'Nota parkeernormering Vlissingen 2018-2022' voor de kern Oost-Souburg een stedelijkheidsgraad van matig stedelijk aangehouden. De ligging van de projectlocatie is gedefinieerd als rest bebouwde kom. Tenslotte wordt conform het gemeentelijke parkeerbeleid per kencijfer aangesloten bij het gemiddelde van de bandbreedte. Met behulp van de CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de gemiddelde werkdag maatgevend. Voor het omrekenen van weekdag naar werkdag wordt conform CROW-744 voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. In de onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de projectlocatie bepaald voor de bestaande en beoogde situatie. Tabel 4.1 De verkeerstoename van de beoogde ontwikkeling. Bestaande situatie Functie Aantal Kencijfer Huur, appartement, sociale huur, <75 m² bvo Beoogde situatie

43/746

57 woningen

2,7 per woning

Weekdag (mvt/etmaal) 153,9

Werkdag (mvt/etmaal) 170,8

Functie

Aantal

Kencijfer

Huur, appartement, sociale huur, <75 m² bvo Toename (beoogd bestaand)

99 woningen

2,7 per woning

Weekdag (mvt/etmaal) 267,3

Werkdag (mvt/etmaal) 296,7

+113,4

+125,9

Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 126 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeerstoename gedurende het drukste uur maatgevend. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel aangehouden dat gedurende het maatgevende uur 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Voor de beoogde ontwikkeling komt dit neer op (126 x 0,1 =) 13 mvt/uur, oftewel circa 1 voertuig per 4 minuten. Deze verkeerstoename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Parkeren Voor het beoordelen van de parkeerbehoefte is door het adviesbureau Juust een parkeeronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 11). Gehanteerde uitgangspunten Bij het opstellen van het parkeeronderzoek zijn onderstaande uitgangspunten gehanteerd. De huidige situatie bestaat uit 57 woningen verdeeld over drie woonblokken waarvan de benedenverdieping bestaat uit appartementen en daarboven maisonnettes. De gemiddelde oppervlakte van de bestaande woningen is 75 m2. De ruimtelijke ontwikkeling bestaat uit 99 woningen met een oppervlakte van 65-70 m2 per woning. Doelgroep in toekomstige situatie blijft hetzelfde.

De uitgangspunten voor het parkeeronderzoek zijn afkomstig uit de paraplunota 'Nota parkeernormering Vlissingen 2018-2022'. Op basis van het uitgevoerde parkeeronderzoek wordt geconstateerd dat er in de huidige situatie sprake is van een acceptabele parkeersituatie in het onderzoeksgebied, met een bezettingsgraad van 73% op het maatgevende moment in het gehele gebied en 46% direct langs de M.A. van de Puttestraat. Hiermee blijft de parkeerdruk onder de door de gemeente Vlissingen gehanteerde bovengrens van 90% voor een acceptabele situatie. De theoretische parkeerbehoefte op basis van de Nota parkeernormering Vlissingen 2018-2022 bedraagt 1,8 parkeerplaatsen per woning. Dit resulteert in een toename van 77 parkeerplaatsen bij de overgang van 57 naar circa 100 woningen. Deze uitkomst sluit echter niet aan bij de gemeten praktijk: de indicatieve parkeernorm op basis van het onderzoek bedraagt 0,53 parkeerplaatsen per woning. Advies In het onderzoek wordt geadviseerd om minimaal 23 extra parkeerplaatsen te realiseren in het openbaar gebied. Dit sluit aan bij het plan waarin rekening wordt gehouden met 53 extra parkeerplaatsen. Dit aantal is aanzienlijk lager dan volgens het gemeentelijk parkeerbeleid nodig is. Het voorkomen van parkeerproblemen na realisatie

44/746

van deze woningen is dus een belangrijk aandachtspunt. Omdat er in de bestaande situatie restruimte beschikbaar is in het openbaar gebied, wordt hiermee rekening gehouden. Deze restruimte is namelijk niet ingezet en biedt daarmee een buffer om eventueel hoger autobezit op te vangen in het beschikbare parkeeraanbod. Er wordt geadviseerd de parkeersituatie na realisatie van de woningen te monitoren. Informatie over de praktijksituatie na realisatie kan bijdragen bij parkeeronderbouwingen van vergelijkbare inbreidingen waarbij vergelijkbare woningen worden terug- of bijgebouwd. Conclusie De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 126 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag, dat wordt geconcludeerd dat het effect op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Daarnaast voorziet de beoogde ontwikkeling in de realisatie van voldoende parkeergelegenheid voor het opvangen van de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling. Het aspect verkeer en parkeren vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12. Omgevingsveiligheid Beleid en normstelling Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij het mogelijk maken van een BOPA-activiteit spelen vaak veiligheidsrisico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Maar in het Bkl is het risicobegrip breder: in de aanvraag om een vergunningsaanvraag voor een BOPA zal ook moeten worden gemotiveerd hoe voor risico's van branden, rampen en crises rekening gehouden met het belang van: a. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; b. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en c. de geneeskundige hulpverlening. Toetsing Het voornemen voorziet in het mogelijk maken van woningen.

Woningen zijn getypeerd als kwetsbare gebouwen en dienen getoetst te worden aan externe veiligheidsrisico's vanuit de omgeving. Het voornemen maakt geen risicovolle activiteiten met externe veiligheidsrisico's mogelijk. Aan de hand van de REV risicokaart is geïnventariseerd of er milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico's of vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt nabij het projectgebied. Zie hiervoor figuur 4.6.

45/746

Figuur 4.6 Uitsneden PAV kaarten REV (RWS,2024) projectgebied aangeven met een rode rechthoek (Bron: Atlas Veiligheid) Ten oosten van het projectgebied ligt de A58. Voor deze snelweg gelden de volgende aandachtsgebieden; een gifwolkaandachtsgebied van 300 meter, een explosieaandachtsgebied van 200 meter en een brandaandachtsgebied van 30 meter. De kortste afstand tussen de A58 en het projectgebied bedraagt circa 80 meter. Onderstaande tabel vat deze gegevens samen. Tabel 4.4 Aandachtsgebieden Aandachtsgebied Grootte aandachtsgebied Gifwolk 300 meter Explosie 200 meter Brand 40 meter

Ligging projectgebied Projectgebied ligt in aandachtsgebied Projectgebied ligt in aandachtsgebied Projectgebied ligt buiten aandachtsgebied

Overige aandachtsgebieden of activiteiten met externe veiligheidsrisico's liggen op grotere afstand en vormen geen belemmering voor het voornemen. Risico's anders dan gevaarlijke stoffen Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's rekening gehouden met het belang van: • het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Deze instructieregel is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat). Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen

46/746

van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen. Daarnaast blijkt aan de hand van de kaarten en data van het Interprovinciaal Overleg (IPO) 2023, dat er in de projectlocatie geen kwetsbare (natuur)gebieden voor natuurbrand aanwezig zijn. Uit kaarten van Rijkswaterstaat (2024) blijkt dat er ter plaatse van het projectgebied en de directe omgeving sprake is van een zeer kleine kans tot overstroming van 1/3.000 tot 1/30.000 per jaar. Gezien deze kleine kans is nader onderzoek niet benodigd en wordt het risico aanvaardbaar geacht. Verantwoording groepsrisico Met de beoogde ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt binnen het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van de A58. Daarom dient rekening gehouden te worden met het groepsrisico (artikel 5.15 Bkl). In de huidige situatie bestaan de wooncomplexen uit 57 woningen; in de toekomstige situatie worden drie vervangende wooncomplexen gerealiseerd, bestaande uit in totaal 99 woningen. Hierdoor neemt de personendichtheid van de projectlocatie toe. Afstand houden van het aandachtsgebied Dicht bij de plaats van het scenario zijn de effecten het meest merkbaar. De gevolgen nemen af naarmate de afstand toeneemt. Het projectgebied bevindt zich op ca. 80 meter van de A58.

Met de ontwikkeling wordt de huidige bebouwing gesloopt en gebouwd op dezelfde locatie. Het verplaatsen van de projectlocatie is daarom niet wenselijk. Waarderen van de bestaande bescherming Het uitgangspunt bij het bieden van aanvullende bescherming in de omgeving van risicovolle activiteiten is dat de in de wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen al op orde zijn. Voordat aanvullende bescherming wordt overwogen, dient bekend te zijn welke bescherming de bestaande omgeving al biedt. Voorbeelden hiervan zijn de veiligheidsnormen voor infrastructuur, materiaal en organisatie, het plaatsgebonden risico en de organisatie van hulpdiensten en risico- communicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's). Het projectgebied is buiten het plaatsgebonden risico van de A58 gelegen. Tussen de weg en de projectlocatie bevindt zich beplanting met bomen. Deze beplanting biedt slechts een zeer beperkte fysieke afscherming en wordt niet beschouwd als een doeltreffende veiligheidsbarrière. Rekening houden met windrichting De overheersende windrichting in Nederland is uit het zuidwesten. Door kwetsbare functies niet in de overheersende windrichting vanaf de risicobron te plaatsen, kunnen slachtoffer mogelijk voorkomen worden. De beoogde ontwikkeling is vanuit dit oogpunt gunstig gesitueerd; die ligt ten noordwesten van de A58.

Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal de projectlocatie bestaan uit woningen. Een groot deel van de aanwezige personen zal over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige gehandicapten, kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt er echter van uitgegaan dat in geval van nood ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.

47/746

Aanvullende Risicocommunicatie De standaard risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's) biedt mensen in een aandachtsgebied onvoldoende bescherming tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Aanvullende beschermingsmaatregelen kunnen alleen bescherming bieden als mensen ook geïnformeerd zijn over de optredende gevaren binnen het aandachtsgebied, de maatregelen die getroffen zijn en hun handelingsperspectieven in geval van een ongeval. Er moet daarbij zowel aandacht zijn voor communicatie voorafgaand aan een mogelijk ongeval (risicocommunicatie), alsook voor communicatie tijdens een ongeval (crisiscommunicatie). Het advies luidt op een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied (brandweer en veiligheidsregio). In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico's wordt gecommuniceerd. Bestrijdbaarheid, vluchtbaarheid, bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten.

De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Om hier invulling aan te geven zal er worden voldaan aan de regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR'. Toekomstige bewoners van de nieuwe wooncomplexen kunnen bij een incident vluchten in een richting van de A58 af. De brandweer post Oost-Souburg bevindt zich op circa 500 meter afstand van de projectlocatie. De projectlocatie is goed bereikbaar voor hulpdiensten. Op 5 december 2025 is contact geweest met de Veiligheidsregio. De adviezen vanuit de Veiligheidsregio worden overgenomen in de verdere uitwerking. Binnen aandachtsgebieden afstand houden Afstand houden is ook binnen aandachtsgebieden een effectief middel, omdat op een grote afstand over het algemeen minder aanvullende bescherming nodig is dan dicht bij de risicobron. Zowel de kans dat een plek wordt getroffen als de impact van de calamiteit nemen immers af wanneer de afstand vanaf de risicobron toeneemt. Daarnaast biedt een grotere afstand vaak meer tijd om te vluchten of een schuilplaats te zoeken.

Het verplaatsen van de woningen in tegengestelde richting van de risicobron zou er echter toe leiden dat de nieuwe woningen te dicht op de bestaande bebouwing worden gesitueerd. Dit zou ten koste gaan van de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid van het gebied. Voor deze ontwikkeling geldt dat in een eerder stadium de afweging is gemaakt voor de locatie van de wooncomplexen. Afstand houden binnen het aandachtsgebied is daarom niet mogelijk. Bouwkundige maatregelen Om te kunnen schuilen voor een toxisch scenario, is het noodzakelijk dat de eventueel aanwezige mechanische ventilatie handmatig door de gebruikers kan worden uitgezet. Elk appartement beschikt over een individuele

48/746

installatie. Deze maatregel kunt u borgen in de vergunningverleningsprocedures van diverse objecten. Ter beperking van letselrisico's als gevolg van rondvliegend glas bij een explosiescenario wordt geadviseerd om in gevels van verblijfsruimten, met name aan de zijde van de A58, gebruik te maken van gelaagd veiligheidsglas of een gelijkwaardige oplossing. De nadere uitwerking van eventuele bouwkundige maatregelen, waaronder de toepassing van veiligheidsglas en de uitschakelbaarheid van mechanische ventilatie, kan worden geborgd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Conclusie De ontwikkeling maakt kwetsbare gebouwen (woningen) mogelijk. Uit de toetsing aan de Raadpleegbare Externe Veiligheidsrisico's (REV) blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen het gifwolk- en explosieaandachtsgebied van de A58, maar buiten het brandaandachtsgebied. Het projectgebied ligt buiten het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico is kwalitatief verantwoord overeenkomstig artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waarbij rekening is gehouden met de afstand tot de risicobron, de bestaande bescherming, de windrichting, de zelfredzaamheid van aanwezigen en de bestrijdbaarheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten. Met de ontwikkeling kan worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl.

Daarmee vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan en de verlening van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

4.13. Luchtkwaliteit Toetsingskader Als een BOPA betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.

Toetsing De gemeente Vlissingen ligt niet in een aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Het dichtstbijzijnde aandachtsgebied is gelegen op een afstand van circa 41 km en betreft het

49/746

luchtkwaliteitsaandachtsgebied van Schone bus Goeree-Overflakkee. Gezien de afstand tot dit aandachtsgebied is er geen aanleiding tot nader onderzoek van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit. Daarbij behoort het project niet tot een categorie van gevallen die in betekenende mate bijdragen (standaardactiviteiten zijn genoemd in artikel 5.54 Bkl) of, als de activiteit niet is genoemd, leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de luchtkwaliteit ter plaatse. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Burg Stemerdinglaan, ten westen van het projectgebied. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022: 15,37µg/m³ voor NO2, 15,38 µg/m³ voor PM10 en 7,5 µg/m³ voor PM2,5. Hieruit blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden.

Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan het projectgebied toe te kennen. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de gelden instructieregels omtrent luchtkwaliteit.

4.14. M.e.r.-beoordeling Toetsingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een BOPA project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m.e.r-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de m.e.r.(beoordelings)-plicht geldt. Als hier het Omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een BOPA verstaan. Voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V bij het omgevingsbesluit aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen.

Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning. Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 99 woningen met een mogelijkheid voor een

50/746

huisartsenpraktijk. Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’. Hiervoor is een m.e.r.-beoordeling opgesteld, zie bijlage 12. Uit de mer-beoordeling blijkt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

4.15. Gezondheid Toetsingskader Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden dient te worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen, zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/ toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Toetsing Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de gezondheid heeft. Tijdens de bouwfase kan het beoogde ontwerp tijdelijke verstoringen veroorzaken in luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem. Deze gezondheidseffecten zijn minimaal gelet op de tijdelijkheid en de maatregelen die worden genomen om de hinder zoveel mogelijk te beperken. De beoogde ontwikkeling heeft ook positieve effecten op de gezondheid. Tussen de appartementencomplexen in worden meerdere groenvoorzieningen aangelegd. Groen heeft een positief effect op de gezondheid van mensen.

Door het vele groen kan het water makkelijker worden geïnfiltreerd. Ook zorgen bestaande bomen en nieuwe bomen voor schaduw en koele plekken. Conclusie Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid.

4.16. Overige omgevingsaspecten Ten aanzien van de ontwikkeling zijn de relevante omgevingsaspecten getoetst in de paragrafen 4.3 tot en met 4.15. In tabel 4.5 zijn de overige omgevingsaspecten getoetst waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd. Tabel 4.5 Overige omgevingsaspecten Omgevingsaspect Welstand

51/746

Toetsing Er is overeenstemming over de beoogde beeldkwaliteit met de gemeente.

Kabels en leidingen

Geur Trilling

Spuitzones

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. De ontwikkeling veroorzaakt geen geurhinder. In de aanlegfase kunnen in beperkte mate trillingen worden veroorzaakt. Gelet op de omgeving is daarbij echter geen sprake van relevante trillingshinder. De belangrijkste risicofactor daarbij is de fundering van de appartementencomplexen. In de gebruiksfase veroorzaken de appartementencomplexen geen trillingen. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling geen relevante trillingshinder veroorzaakt. Dit aspect is niet van toepassing.

Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de overige omgevingsaspecten niet zorgen voor nadelige gevolgen.

52/746

Hoofdstuk 5

Participatie

5.1. Participatie omgeving In het kader van deze ontwikkeling heeft de initiatiefnemer een participatie- en communicatietraject uitgevoerd. Het traject kent een combinatie van bewonersbijeenkomsten, klankbordgroepen, individuele gesprekken, inloopmomenten en opruimdagen. Zie voor een uitgebreid verslag bijlage 13. In het vervolg van dit traject blijven bewoners betrokken door middel van bewonersbijeenkomsten, inloopmomenten en een mogelijkheid tot betrokkenheid binnen de klankbordgroep. Daarnaast houdt de sociaal projectleider en haar collega Wooncoach nauwe contacten via Whatsapp, mail en persoonlijke huisbezoeken. We breiden de participatie- en communicatiemomenten uit met de omgeving door middel van informatiebladen en -avonden.

53/746

54/746

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De initiatiefnemer is eigenaar van de gronden ter plaatse van het projectgebied. Dit draagt bij aan de financiële haalbaarheid. Initiatiefnemer zal een ontwikkelende aannemer selecteren welke ook de volledige ontwerpopdracht zal invullen. Het selecteren van een ontwikkelende aannemer zal in concurrentie worden gedaan. Dit draagt bij aan het verkrijgen van een marktconforme prijs voor de uitvoering. Kostenverhaal De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet in op de realisatie van woningen. Deze ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Omgevingswet is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk.

Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

55/746

56/746

Hoofdstuk 7

Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in hoofdstukken 3, 4, 5 en 6. Getoetst is aan relevante omgevingsaspecten. Hieruit is gebleken dat voldaan wordt aan de instructieregels en het beleid. Dit betekent dat het project bijdraagt aan de beleidsdoelen en niet leidt tot onacceptabele effecten op de leefomgeving. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.

57/746

58/746

Bijlagen bij motivering

59/746

60/746

Bijlage 1

61/746

Verkennend bodemonderzoek

Verkennend bodemonderzoek

Herontwikkeling M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg

Opdrachtgever Stichting Zeeuwland De heer H. van der Zwet Postbus 82 4300 AB ZIERIKZEE Adviesbureau Geofoxx Jules Verneweg 21-15 Postbus 2205 5001 CE TILBURG 013 - 458 21 61 Status Versie 1 Datum 13 maart 2025 Projectnummer 20240119/DEJA Documentkenmerk 20240119_b1RAP

Auteur Mevrouw D.A. Jansen Paraaf:

Kwaliteitscontrole en vrijgave De heer J.J.C.P.A. van de Langenberg Paraaf:

Verkennend bodemonderzoek Herontwikkeling M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg

Inhoudsopgave 1

Inleiding

1

2

Vooronderzoek en onderzoeksstrategie 2.1 Algemeen 2.2 Bronverwijzing 2.3 Locatiegegevens en huidig gebruik 2.4 Voormalig gebruik 2.5 Terreinverkenning 2.6 Omgeving 2.7 Beschikbare bodeminformatie 2.8 Bodemopbouw en geohydrologie 2.9 Conclusie vooronderzoek, hypothese en onderzoeksopzet

2 2 2 3 4 4 4 5 7 8

3

Veld- en laboratoriumwerkzaamheden 3.1 Kwaliteit 3.2 Uitgevoerde veld- en laboratoriumwerkzaamheden

9 9 9

4

Resultaten onderzoek 4.1 Resultaten veldonderzoek 4.2 Resultaten laboratoriumonderzoek

11 11 13

5

Interpretatie resultaten 5.1 Analyseresultaten grond 5.2 Analyseresultaten grondwater 5.3 Toetsing onderzoekshypothese 5.4 Hergebruiksmogelijkheden (indicatief)

15 15 15 15 15

6

Samenvatting, conclusies en advies

17

Bijlagen 1 Situatietekeningen 1.1 Geografische ligging locatie 1.2 Situatietekening 2 Boorstaten 3 Analyseresultaten 4 Toetsingstabellen 5 Signaleringswaarden grondwater 6 Bijlagen vooronderzoek 7 Onafhankelijkheidsverklaring veldwerker

Projectnummer

Datum

20240119/DEJA

februari 2025

-/-

Verkennend bodemonderzoek

Herontwikkeling M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg

1

Inleiding

In opdracht van Stichting Zeeuwland heeft Geofoxx in december 2024 – maart 2025, als onafhankelijk adviesbureau1, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Herontwikkeling M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg. De aanleiding voor het uitvoeren van het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen ontwikkeling op de locatie (nieuwbouw van een gestapelde woningbouw). Bij deze ontwikkeling zijn graafwerkzaamheden voorzien, hetgeen beschouwd wordt als een milieubelastende activiteit (verder te noemen: MBA). Het doel van het verkennend bodemonderzoek is voldoende bodeminformatie over de bodemkwaliteit te verkrijgen om deze MBA mogelijk te maken. De aanleiding voor het laten uitvoeren van het PFAS-onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen (graaf)werkzaamheden op de locatie. Bij de geplande werkzaamheden gaat grond vrijkomen. Het doel van het onderzoek is om een indicatie te krijgen van het gehalte PFAS in de grond en de bijbehorende hergebruiksmogelijkheden. In het rapport komt het volgende aan de orde: het vooronderzoek en de onderzoeksopzet, de veldwerkzaamheden inclusief het zintuiglijk onderzoek, het chemisch onderzoek, de interpretatie van de verzamelde gegevens, de conclusies en het advies.

1

De opdrachtgever en terreineigenaar zijn geen zuster- of moederbedrijf en komen niet uit de eigen organisatie zodat de onafhankelijkheid van het onderzoek is gewaarborgd.

Projectnummer

Datum

20240119/DEJA

maart 2025

1 / 18

Verkennend bodemonderzoek

Herontwikkeling M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg

2

Vooronderzoek en onder zoeksstrategie

2.1

Algemeen

Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 57252. Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van inzichten over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijke) bronnen van bodembelasting en de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen (verwachte bodemkwaliteit). Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw en geohydrologie, de te verwachten bodemkwaliteit en potentiële bronnen van bodembelasting op de onderzoekslocatie. In de NEN 5725 wordt onderscheid gemaakt in algemene en specifieke onderzoeksaspecten die verzameld moeten worden. Algemene onderzoeksaspecten zijn altijd van toepassing; specifieke onderzoeksaspecten zijn afhankelijk van de aanleiding en het doel van het onderzoek. Voor het huidige vooronderzoek geldt dat specifieke informatie verzameld moet worden over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek, het saneren van een milieubelastende activiteit en/of het realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Het vooronderzoek wordt afgesloten met een conclusie, die zal leiden tot een onderzoekshypothese. De hypothese betreft voor elke (deel)locatie de verwachting met betrekking tot de actuele bodemkwaliteit. In de volgende paragrafen is de verkregen informatie vastgelegd.

2.2

Bronverwijzing

In tabel 2.1 zijn de geraadpleegde bronnen van dit vooronderzoek weergegeven.

Tabel 2.1: Bronverwijzing Nr. 1.

Bron Topografische ligging en kadastrale gegevens

2. 3. 4. 5. 6. 7.

Historische kaarten Gemeentelijke bronnen Regionale en landelijke bronnen Geohydrologische gegevens Ligging kabels en leidingen Terreinverkenning

Verwijzing PDOK; www.google.nl/maps; www.kadaster.nl; www.bagviewer.kadaster.nl www.topotijdreis.nl Gemeente Vlissingen (www.vlissingen.nl) Nazca Zeeland www.dinoloket.nl; www.grondwatertools.nl www.klic-online.nl 4 december 2024

2

NEN 5725 (Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2023)

Projectnummer

Datum

20240119/DEJA

maart 2025

2 / 18

Verkennend bodemonderzoek

Herontwikkeling M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg

2.3

Locatiegegevens en huidig gebruik

De onderzoekslocatie is gelegen aan de M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Vlissingen, sectie I en nummers 652, 653 en 654. De oppervlakte van de percelen bedragen respectievelijk 1.365, 1.370 en 1.465 m2. De percelen zijn momenteel deels bebouwd met wooncomplexen en deels in gebruik als buitenruimte (deels verhard en deels in gebruik als groenstrook). De locatie gelegen direct ten noordwesten van de Rijksweg A58. In afbeelding 2.1 is de regionale ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. In bijlage 1 zijn de geografische ligging van de onderzochte locatie en een situatietekening opgenomen. LUCHTFOTO

Afbeelding 2.1: Onderzoekslocatie, waarbij 1=perceel 652, 2=perceel 653, 3=perceel 654 (bron: 1)

De algemene locatiegegevens zijn opgenomen in tabel 2.2.

Tabel 2.2: Algemene gegevens onderzoekslocatie Algemene gegevens onderzoekslocatie Locatie omschrijving: Oppervlakte onderzoekslocatie: Bebouwing: Verharding: Kadastrale aanduiding:

Projectnummer

Datum

20240119/DEJA

maart 2025

Wooncomplexen met tuinen Perceel 652: 1.365 m2 Perceel 653: 1.370 m2 Perceel 654: 1.465 m2 Wooncomplexen Tegels, klinkers Gemeente Vlissingen, Sectie I, Nummers 652 t/m 654

3 / 18

Verkennend bodemonderzoek

Herontwikkeling M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg

2.4

Voormalig gebruik

In onderstaande afbeelding zijn historische kaarten opgenomen. De locatie ligt in een woonwijk uit de jaren ’60 van de vorige eeuw. Volgens de BAG-viewer is de huidige bebouwing op de onderhavige onderzoekslocatie gerealiseerd in 1965-1966. Hiervoor is het terrein altijd in gebruik geweest als landelijk gebied. Met de realisatie van de woonwijk zijn er op en nabij de locatie diverse sloten gedempt.

1950

1962

1980

2015

Afbeelding 2.2: Historische kaarten met in blauw locatiegrenzen (bron: 2)

2.5

Terreinverkenning

De terreinverkenning is uitgevoerd op 4 december 2024 door de heer D. Glorius. Tijdens de terreinverkenning zijn er geen bijzonderheden en/of (aanwijzingen van voormalige) activiteiten waargenomen op basis waarvan de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem kan zijn beïnvloed.

2.6

Omgeving

Aan de noord- en westkant van het terrein liggen openbare wegen, respectievelijk M.A. van de Puttestraat en de Burgemeester Stemerdinglaan. Tevens zijn aan de noordwestkant woonhuizen aanwezig. Ten oosten van de onderzoekslocatie is de Molenweg en een watergang/-lichaam gelegen. Aan de zuidkant van het terrein is een voetpad, begraafplaats en een kerk (uit 1991) gelegen. Tussen de drie wooncomplexen in zijn beklinkerde straten aanwezig. Volgens Nazca Zeeland zijn er op en in de omgeving van de onderzoekslocatie geen (voormalige) brandstoftanks aanwezig.

Projectnummer

Datum

20240119/DEJA

maart 2025

4 / 18

Verkennend bodemonderzoek

Herontwikkeling M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg

Er is geen reden om aan te nemen dat activiteiten in de nabijheid van de locatie hebben geleid tot bodemverontreiniging en daarmee tot aantasting van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie.

2.7

Beschikbare bodeminformatie

2.7.1

Reeds uitgevoerde bodemonderzoeken

Op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn, voor zover bij Geofoxx bekend, in het verleden de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: Burgemeester Stemerdinglaan  Indicatief verkennend onderzoek, Mitec Advies B.V., projectnummer: 13MDL349.10, d.d. 28 januari 2014;  Nader onderzoek (calamiteit), Sagro Milieu Advies Zeeland BV, kenmerk n.b., d.d. 2 oktober 2014 (rapport niet beschikbaar en niet ingezien). Ten oosten (en buiten) van de onderzoekslocatie is in 2014 bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de weg. De meest relevante boringen zijn 56 t/m 61, deze bevinden zich binnen een straal van 50 meter ten opzichte van de onderzoekslocatie (deellocatie 1, perceelnummer 652). In de mengmonsters waarin deze boringen zijn opgenomen (MM23, MM25, MM26, MM27, MM29) zijn geen tot maximaal (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond met lood. Gedurende werkzaamheden van Delta is een spot verontreiniging aangetroffen met puin en teer. Het materiaal bleek sterk verontreinigd met minerale olie en PAK. De verontreiniging is gesaneerd middels afgraven en afvoeren. Gezien het een spot verontreiniging betreft en de verhoogde gehalten naar verwachting te relateren zijn aan het bodemvreemde materiaal, wordt geen invloed verwacht op de bodemkwaliteit van de onderhavige onderzoekslocatie. M.A. van de Puttestraat e.o.

 In-situ partijkeuring grond, Mitec Advies B.V., projectnummer: 16MDL299.60, d.d. 18 oktober 2016;  Verkennend bodemonderzoek, Mitec Advies B.V., projectnummer 17MDL080.10, d.d. 3 maart 2017. In 2016 is een in-situ partijkeuring uitgevoerd voor drie deelpartijen naar aanleiding van de herinrichting/onderhoud aan meerdere straten, waaronder de M.A. van de Puttestraat (deelpartij 3). De in-situ partij grond van deelpartij 3 voldoet aan de kwaliteitsklasse AW 2000. Wel is opgemerkt dat ter plaatse van de M.A. van de Puttestraat sprake is van heterogeniteit. In 2017 is onder de straat voor de ingang van de begraafplaats aanvullend een drietal boringen geplaatst, gezien deze bij de in-situ partijkeuring gestaakt waren. Ter plaatse van boringen 2 en 3 is een laag met volledig baksteen aangetroffen. Tevens zijn hier in de onderliggende ondergrond (0,4-1,0 m-mv) bijmengingen met baksteen waargenomen. De (onder)grond van alle monsters voldoet aan klasse Wonen tot Industrie vanwege de verhoogde gehalten aan minerale olie, PAK en/of zware metalen. In bijlage 6 is een overzicht opgenomen waarin alle relevante verzamelde historische (bodem)informatie is weergegeven per locatie langs het gehele onderzoekslocatie.

Projectnummer

Datum

20240119/DEJA

maart 2025

5 / 18

Verkennend bodemonderzoek

Herontwikkeling M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg

2.7.2

Gebiedsgericht bodembeleid

In het kader van een gezamenlijk bodembeleid is voor het gebied een Nota bodembeheer en een bodemkwaliteitskaart opgesteld. De bodemkwaliteitskaart is tevens aangevuld met PFAS. In tabel 2.4 is een overzicht gegeven van de voor de locatie geldende klasseindeling uit de bodemkwaliteitskaart.

Tabel 2.4: Bodemkwaliteitskaart Omschrijving Functiekaart: Ontgravingskaart: Toepassingskaart (herkomst buiten gemeente Vlissingen): Toepassingskaart (herkomstgebied gemeente Vlissingen):

Wonen Bovengrond: Wonen Bovengrond: Wonen Bovengrond: Wonen

Ondergrond: Wonen Ondergrond (tot 2,0 m-mv): Wonen Ondergrond (>2,0 m-mv): Landbouw/natuur Ondergrond (tot 2,0 m-mv): Wonen Ondergrond (>2,0 m-mv): Landbouw/natuur

De onderzoekslocatie valt in Zone 2 Woonwijken 1940-1980 Oost-Souburg en voor PFAS in Zone PFAS Overig Walcheren. Voor grond afkomstig uit de provincie Zeeland gelden voor PFAS gebiedsspecifieke toepassingseisen. Tot 2,0 m-mv geldt voor PFOA een gehalte van 7 µg/kg d.s. en voor overige PFAS 3 µg/kg d.s. als toepassingsnorm binnen de onderzoekslocatie. Voor de bodem dieper dan 2,0 m-mv is de norm vastgesteld op 0,1 µg/kg d.s. voor alle PFAS. WKPB-registratie Uit de WKPB (Wet Kenbaarheid Publiekrechtelijke Beperkingen)-registratie blijkt dat er geen publiekrechtelijke beperking zoals bedoeld in Aanvullingswet bodem op de Omgevingswet op de locatie aanwezig is.

2.7.3

PFAS

In het handelingskader PFAS zijn toepassingsnormen opgenomen voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie. Bij de geplande werkzaamheden gaat grond vrijkomen. Volgens het handelingskader mag hergebruik van de grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, enkel plaatsvinden als de vrijkomende grond is onderzocht op PFAS. Er is, behoudens de bodemkwaliteitskaart, geen informatie bekend met betrekking tot het voorkomen van PFAS op de onderhavige onderzoekslocatie. De locatie is niet verdacht op het voorkomen van PFAS en er zijn geen verdachte deellocaties te benoemen. Desondanks zijn overal in Nederland (licht) verhoogde gehaltes PFAS in de bodem aangetoond, waardoor het aantreffen van PFAS niet uitgesloten is. Vanwege atmosferische depositie is de (onverharde) bovengrond het meest verdacht op het voorkomen van PFAS. In de omgeving van verdachte regio’s/activiteiten is naast de bovengrond ook de grond rondom de grondwaterstand verdacht, vanwege de stofeigenschappen van PFAS (hydrofoob).

Projectnummer

Datum

20240119/DEJA

maart 2025

6 / 18

Verkennend bodemonderzoek

Herontwikkeling M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg

2.7.4

Asbest

Puin (ongedefinieerd) wordt standaard gezien als asbestverdacht. Gedefinieerd puin is afhankelijk van de samenstelling (wel/geen bouw- sloopafval, leeftijd materiaal tussen 1945 1980) als zijnde asbestverdacht te beschouwen. Dergelijke puinlagen worden vooralsnog niet verwacht.

2.8

Bodemopbouw en geohydrologie

Tabel 2.5 geeft schematisch de globale geologische bodemopbouw in de omgeving van de onderzoekslocatie, bepaald op basis van een representatieve TNO-boring (BRO REGIS II v2.2.2, boor ID: B48D0259) uit DINO-loket. De afzettingen zijn van met toenemende diepte (van jong naar oud) weergegeven.

Tabel 2.5: Regionale bodemopbouw Diepte (m-mv) 0,0 – 12,0

Formatie Complexe eenheid

12,0 – 28,0

Boxtel

28,0 – 36,0

Oosterhout

36,0 – 44,0

Breda

44,0 – 60,0

Rupel

Samenstelling Afwisselend zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen Hoofdzakelijke midden en fijn zand Hoofdzakelijk midden en fijn zand en schelpen Hoofdzakelijk midden en fijn zand en kleiig zand Hoofdzakelijk zandige klei en klei

Geohydrologische eenheid Freatisch pakket Watervoerend pakket Slecht doorlatende laag

Watervoerend pakket

Tot een meter onder de verharding kunnen bodemvreemde funderingslagen voorkomen of cunetzand. Ten zuiden van de locatie zijn watergangen (sloten) aanwezig welke middels duikers zijn verbonden met de vijver ten oosten van de locatie. De freatische grondwaterstand wordt verwacht op circa 1,0 m-mv. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Op de locatie kan brak of zout grondwater voorkomen. De grondwaterstroming in de deklaag vindt overwegend in verticale richting plaats (infiltratie). Op de locatie is mogelijk sprake van kwel. De grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket is globaal zuidwestelijk gericht (bron: grondwatertools.nl). De grondwaterstroming kan echter lokaal worden beïnvloed door ‘ontwateringsmiddelen’ (sloten, drains, zandcunetten e.d.). Op basis hiervan en de aard van het onderzoek, wordt een verdere uitwerking van de regionale geohydrologische gegevens niet relevant geacht.

Projectnummer

Datum

20240119/DEJA

maart 2025

7 / 18

Verkennend bodemonderzoek

Herontwikkeling M.A. van de Puttestraat te Oost-Souburg

2.9

Conclusie vooronderzoek, hypothese en onderzoeksopzet

2.9.1

Conclusie en hypothese

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is voldoende bodeminformatie van de onderzoekslocatie verkregen. De informatie is representatief en actueel. Op basis van zowel het bodemgebruik, -informatie als de –opbouw wordt verwacht dat de bodemkwaliteit voldoet aan de kwaliteitseisen Wonen tot Industrie en daarmee mogelijk gedeeltelijk niet aan de kwaliteitseisen voor het voorgenomen gebruik en functie (namelijk kwaliteitseis Wonen). De bodembelasting heeft vermoedelijk diffuus, heterogeen verspreid in voornamelijk de toplaag en in de bovengrond plaatsgevonden. Vanwege het jarenlang intensief gebruik van de locatie is een diffuus, heterogene bodemverontreiniging niet uitgesloten. In het verleden zijn op of in de omgeving hoofdzakelijk licht verhoogde gehalten/concentraties aan zware metalen en/of PAK (en sporadisch minerale olie) aangetoond in zowel de boven- als ondergrond (met bijmengingen van baksteen).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17011600/1