CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB exit artikel 12 bijlage

Informatiebijeenkomst 1 november 2024, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken18.270 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hij maakt een financiële dag-foto op basis van zijn eigen voorwaarden en informatie; Hij plaatst de dag-foto in meerjarig perspectief (weerstandsvermogen & terugkeerrisico); Hij schrijft een exit advies aan de fondsbeheerders en slotgesprekken gaan van start.

Scenario 1 kent wat ons als gemeente betreft twee te tackelen vraagstukken. Ten eerste – incidenteel - moet de gemeente bij de exit voldoen aan eerder in dit advies aangegeven financiële voorwaarden (stand van de algemene reserve, weerstandsvermogen enz.). Ten tweede – structureel - moet het meerjarenperspectief een duurzaam gezond financieel beeld opleveren. Voor het eerste vraagstuk kan de inzet van bepaalde reserves helpend zijn, of ook een slotuitkering. Voor het tweede vraagstuk zijn incidentele bijdragen zoals reserves of in de tijd afgebakende aanvullende bijdragen als slotuitkering, niet voldoende als oplossing, omdat meerjarige, lees structurele tekorten niet met incidenteel geld geneutraliseerd kunnen worden. Het is overigens maar de vraag in hoeverre dit argument meegenomen wordt in het advies van de inspecteur. Immers zijn de wegingsactoren op inen uittrede technisch, financieel-juridisch. Dus het zijn de normbedragen van artikel 12 die objectief het besluit wel/niet bepalen. Van de drie scenario’s heeft scenario 1 in principe voor alle partijen de voorkeur, waarbij met name het structurele vraagstuk de grootste uitdaging vormt. 4.2. Scenario 2 (inspecteur) Mocht om redenen – en dan vooral van financiële aard - scenario 1 niet lukken dan sluit rond eind 2024 de inspecteur het artikel 12-onderzoek.

Dit in het geval dat conform het inspectierapport 2021 – 2022 ‘de te saneren negatieve algemene reserve als gevolg van de grondexploitaties nog een dusdanige omvang heeft dat besloten moet worden de sanering volgens het inspectierapport 20172018 uit te smeren over een aantal jaren, uiterlijk tot en met 2029. Hierbij moet Vlissingen over die periode een passende eigen bijdrage leveren aan de sanering en daarnaast ontvangt Vlissingen jaarlijks een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds. Het artikel 12-onderzoek wordt dan afgerond, waarbij er eventueel nog een actualisatieonderzoek volgt in 2028. De artikel 12-status blijft echter gehandhaafd zolang Vlissingen een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds ontvangt’. Ook gelden in deze periode bijzondere voorschriften zoals dat voordelen uit grondexploitaties naar de algemene reserve moeten gaan. Voor het overige is Vlissingen in die jaren eigen risicodrager en wordt een normaal financieel beleid verwacht. De inspecteur heeft mondeling aangegeven dat bij beëindiging van de artikel 12-status er geen sprake zal zijn van aanvullende voorwaarden van de fondsbeheerders. Wel overweegt de inspecteur twee zogenaamde bijzondere voorschriften waardoor de kosten c.q. tekorten die de gemeente heeft ten aanzien van de domeinen W&I (Orionis) en Jeugd,

18

niet meer worden meegewogen in a) de vraag of de gemeente uit de artikel 12 kan en b) de hoogte van de jaarlijkse aanvullende bijdrage. We hebben de inspecteur aangegeven dat we dergelijke uitsluitingen voor onze gemeente zeer gevaarlijk en onwenselijk vinden. Dit zeker gezien onze beperkte mogelijkheden vanwege jarenlange bezuinigingen om tekorten zelf op te vangen. 4.3. Scenario 3 (Vlissingen) Naast scenario 1 (wel/niet haalbaar) en scenario 2 (open einde) kunnen we een derde ‘eigen’ scenario plaatsen als alternatief (mocht scenario 1 niet lukken) dat de belangen van beide stakeholders recht doet:

S-3 Gaandeweg oplossen

EXIT anno … asap

Knelpunten TPO

Houdbaarheid & stresstest Weerstandscapaciteit uitvoeringsopdrachten (de ‘vinklijst’)

Risicomanagement Reserves & voorzieningen Plan v aanpak Sociaal domein

Context Politiek en Sociaal-maatschappelijk

Bijzondere Uitvoeringsvoorschriften vooraf en t.b.v. de exit

Begroting & meerJarig sluitend beeld

Exit-context

•

We maken het proces flexibel door o.b.v. het exit onderzoek een vinklijst van te realiseren doelen te maken. Als alle vinken zijn gezet volgt de exit. Daarmee halen we de angel uit de deadlines 2024 of 2028. Het blijft een progressief proces met voor alle partijen zicht op een exit uitkomst (while remaining on speaking terms).

•

We creëren een balans tussen risico’s (gemeente) en reacties (fondsbeheerder), met andere woorden we tackelen als het ware gaandeweg de belangrijke risico’s, of door ze werkelijk op te lossen, of door objectief aan te tonen dat ze niet oplosbaar zijn (in het laatste geval moet er dan consensus plaatsvinden bij fondsbeheerder en gemeente op dat specifieke thema). Als alle knelpunten zo zijn afgevinkt vindt de exit plaats met wederzijdse instemming en dus ook zonder klemmende bijzondere voorschriften achteraf. Hier is wel van belang dat waar wij van mening zijn dat we een onoplosbaar probleem zien, we dat ook objectief moeten aantonen. Bijvoorbeeld in het geval van Orionis, d.m.v. een onderzoek aantonen dat verdere maatregelen niet meer mogelijk of zinvol zijn. In dit verband is de volgende passage uit artikel 12 van belang: De Financiële-verhoudingswet bepaalt dat een gemeente, wil zij in aanmerking komen voor een aanvullende uitkering, met de bestaande algemene middelen niet in de noodzakelijke behoeften kan voorzien. De vraag rijst dan wat noodzakelijke behoeften zijn. Op voorhand dient duidelijk te zijn dat de term noodzakelijke behoeften betrekking heeft op zowel de vormen van taakuitoefening en voorzieningen waarvoor de gemeente op basis van eigen beleid verantwoordelijk is, als alle wettelijk opgelegde taken.

In de praktijk komt het erop neer dat een artikel 12-gemeente in zijn totaliteit maximaal moet kunnen doen wat vergelijkbare gemeenten gemiddeld ook kunnen met de reguliere algemene uitkering en de

19

eigen inkomsten (gelijke voorzieningencapaciteit). Er dient door de gemeente hard te worden gemaakt waarom zij niet met de algemene uitkering en de eigen inkomsten kan uitkomen. •

We zoeken steeds op voorhand compromissen op die thema’s die afhankelijk zijn van (uitblijvend) rijksbeleid (bijvoorbeeld tijdelijke aanvullende bijdragen).

•

Scenario 3 leidt dus altijd tot een exit maar verderop in de tijd afhankelijk van de besluitvorming op de ravijnjaren, met ijkpunten op de zogenaamde onomkeerbare realisaties (de trap leidt alleen naar boven en elke gerealiseerde trede (vink) mag maar 1 keer gebruikt worden. Er is onderweg dus geen terugval op afgehandelde thema’s). Daardoor blijft de druk op de noodzaak van een exit.

•

Een belangrijke afweging is volgens de inspecteur de volgende: Artikel 12 is voor het oplossen van de problematiek waardoor de gemeente artikel 12 is geworden, de oorzaak of oorzaken van de tekortpositie, de negatieve algemene reserve. Artikel 12 is niet bedoeld voor het vormen van buffers en/of fondsen ten behoeve van het afdekken van toekomstige risico’s, stijging lasten en investeringen. Daarnaast zijn zaken die niet binnen artikel 12 opgelost kunnen worden geen reden voor verlenging van de artikel 12-status. Zoals elke andere gemeente moet Vlissingen hier zelf maatregelen voor nemen buiten artikel 12. Dit gesteld hebbende, laat een en ander wat ons betreft onverlet, dat wanneer een exit artikel 12 financieel risicovol is, het voor beide partijen helpend kan zijn om het exit scenario te voorzien van afspraken waarbinnen rekening gehouden wordt met eventuele onverwachte/onvoorziene risico’s die een risico van terugval met zich meedragen, hetgeen voor alle partijen ongewenst is. Dit exit scenario 3 zal daarom in nauwe samenwerking met de inspecteur moeten worden opgesteld.

Overigens heeft de inspecteur ambtelijk aangegeven dat, als de negatieve algemene reserve is opgelost maar scenario 1 nog niet haalbaar blijkt te zijn, toch ‘de beschikking uit 2019 zal worden ingetrokken. Deze beschikking is namelijk op grond van het besluit van de fondsbeheerders uit 2019 over de sanering van de negatieve algemene reserve als gevolg van tekorten grondexploitaties’. In dit geval zou een mogelijke verdere inzet voor de exit artikel 12 volgens de inspecteur betrekking kunnen hebben ‘op de ontwikkeling van het begrotingssaldo op basis van de saneringsbegroting. Wat dan de termijn wordt en of er überhaupt een actualisatie-onderzoek nodig is, zou dan nog moeten worden bepaald op basis van de saneringsbegroting’. Onze eigen begroting en de saneringsbegroting van de inspecteur en vooral de verschillen daartussen kunnen dan een belangrijk onderdeel uit gaan maken van de ‘af te vinken’ doelen en het gezamenlijk realiseren van scenario 3.

20

5. Strategisch afwegingskader 5.1. Afweging scenario’s Scenario 1 lijkt uit financieel oogpunt voor onze gemeente de voorkeur te verdienen. Conform de beschikking van de fondsbeheerder in 2019 staat vanaf 1 januari 2025 nog ca. € 25 miljoen aan artikel 12-bijdragen voor onze gemeente gepland. De algemene reserve koerst volgens de laatste cijfers per 1 januari 2025 af op een saldo van ca. € 24 miljoen negatief (zie paragraaf 2.1.1). Mocht de fondsbeheerder kiezen voor het intrekken van de beschikking – zie bovenstaand onder scenario 2b – dan vervallen ook de afspraken ten aanzien van de jaarlijkse bijdrage tot aan 2028. Kijkend naar de omvang van de incidentele middelen die de komende jaren richting onze gemeente komen lijkt de kans sowieso niet groot dat we bij het voortduren van de artikel 12-status na 1 januari 2025 nog veel bijdragen zullen ontvangen om de negatieve algemene reserve te saneren. Met de incidentele middelen na 1 januari 2025 is de verwachting namelijk gerechtvaardigd dat de negatieve algemene reserve ‘automatisch’ en op aanwijzen van de inspecteur zonder verdere artikel 12bijdragen relatief gemakkelijk kan worden gesaneerd.

Denk hierbij aan de gedeeltelijke vrijval reserve Sociaal domein, vrijval verliesvoorziening grondexploitaties vanwege BBV-wijziging rente, (mogelijke) positieve jaarrekeningresultaten (gemiddeld afgelopen 5 jaar ruim € 15 miljoen per jaar) en ook in de ogen van de inspecteur een deel van de dividenden ZEH. Mogelijk blijkt scenario 1 toch haalbaar omdat we, mede gebruikmakend van de knoppen waar we aan kunnen draaien, in staat zijn om een sluitend of nagenoeg sluitend meerjarig financieel perspectief te presenteren. Hierbij is dan vooral van belang in hoeverre het Rijk bijdraagt aan een oplossing voor de tekorten in de Jeugdzorg. De sanering van de negatieve algemene reserve zal dan naar verwachting per 31 december 2024 moeten worden gerealiseerd waardoor er zicht is op een substantiële artikel 12-slotuitkering. Ook biedt een beëindiging van de artikel 12-status per 31 december 2024 de mogelijkheid met de inspecteur in gesprek te gaan over tijdelijke artikel 12-bijdragen om de eventueel nog resterende begrotingstekorten door het uitblijven van rijksmaatregelen een aantal jaren op te kunnen vangen. De inspecteur heeft nadrukkelijk aangegeven de artikel 12-status zo mogelijk in begrotingsjaar 2024 te willen beëindigen. Op dit moment is er bij de inspecteur de bereidheid indien nodig daar ook extra middelen (slotuitkering en tijdelijke bijdrage) voor beschikbaar te stellen.

Bij voortgang van de artikel 12-status na 1 januari 2025 is de verwachting dat deze bereidheid om nog extra middelen beschikbaar te stellen af zal nemen of zal verdwijnen vanwege vooral de incidentele middelen die onze kant opkomen.1 De voor- en nadelen van dit scenario 1 zijn vooral:

Voordelen • • •

100% gemeentelijke autonomie Maximaal gebruik ‘bruidsschat’ Maximaal gebruik dividenden

Nadelen •

Geen (doorgerekend) inzicht in de benodigde kosten/inspanningen/reintegratieplan om te normaliseren. Denk aan onderhoud, OZB en minimagrens

1 Hier kan het ons ondersteunen indien we een vergelijking maken met het ICL-proces Lelystad. Deze gemeente ontvangt al

jarenlang een semi-structurele bijdrage als compensatie voor het feit dat de stad gebouwd is voor 100.000+ inwoners en er slechts 77.000 telt. Er is dus een structureel tekort aan rijks- en belastinginkomsten. Uit de opstelling van de ROB in haar advies blijkt dat zij geen noodzaak zien voor een bijdrage op structuurkenmerken, dat geeft een beetje aan de voorkant aan wat we kunnen verwachten als we in willen zetten op onze grootstedelijke problematiek en de extra belasting die dat betekent in ons sociaal domein. Maar daar staat tegenover dat er dus een precedent is waarbij een gemeente uit de artikel 12-status is gegaan met een (op papier gelimiteerde) doorlopende jaarlijkse bijdrage na exit. Dat biedt dus ruimte voor een gesprek over uittreed garanties. NB: Er zit € 25 miljoen in begroting BZK vanaf 1 januari 2025. Vooralsnog zijn de ‘harde’ mogelijkheden uitsluitend langs de financiële invalshoek zichtbaar gemaakt. De vraag is of we hier ook willen kijken naar vergelijkbare gemeenten die niet alleen - in benchmark termen – in economische zin op ons ‘lijken’, maar ook qua sociaal-maatschappelijke kenmerken. Denk aan Heerlen, Schiedam, Rotterdam-zuid, enzovoorts. De aanvullende slotbijdrage kan rekening houden met overbruggingskapitaal.

Dus scenario: afronden in 2024 met positieve reserve en een aanvullend bedrag in 25-26 om het vacuüm te vullen, bijvoorbeeld door meerjarige investeringen (zoals het ritme volgen van de Hervormingsagenda over drie jaar).

21

•

Imago (niet langer artikel 12 stigma)

Scenario 2 vloeit voort uit de overeenkomst die fondsbeheerder en gemeente in 2018 voor de periode tot 2029 zijn aangegaan en waarbij een jaarlijkse duale bijdrage is afgesproken ten gunste van de negatieve algemene reserve (gemeente resp. Rijk € 1,7 en € 7,0 miljoen). Dit scenario heeft zeker niet de voorkeur aangezien er geen oplossingsperspectief wordt geboden. Immers wordt een mogelijke exit ingegeven door de financiële mogelijkheden en niet door een vast tijdstip in de toekomst. Dat betekent dat in 2028 de laatste bijdrage artikel 12 plaatsvindt, maar dat de vraag of een exit volgt nog steeds wordt gewogen op de financiële criteria. Met een structureel negatief begrotingsperspectief voorziet scenario 2 dus in een open einde constructie. Sowieso moeten we vaststellen dat artikel 12 niet voorziet in een scenario waarin het oorspronkelijk probleem is opgelost, namelijk de grondexploitatieproblematiek, terwijl voor de gemeente vanwege semistructurele financieringsvraagstukken in het (landelijk) sociaal domein, een ‘schone oplevering’ toch niet mogelijk lijkt. (De enige uitwijkmogelijkheid na 2028 lijkt dan een ICL-achtige oplossing naar het voorbeeld van Lelystad. Zie de voetnoot.) De voor- en nadelen van dit scenario 2 zijn vooral:

Voordelen •

Relatieve politieke rust door ontbreken noodzaak besluitvorming

Nadelen • •

• •

•

Geen herstel gemeentelijke autonomie Financiële onzekerheid agv jaarlijkse weging op omvang eigen bijdrage (gepast) en verlies deel van bruidsschat (alleen wat nodig is) 2028 eindigt de overeenkomst dus ook de verplichting van de fondsbeheerder tot de aanvullende bijdrage Uitstel ipv afstel agv open einde richting 2028 4 jaar stilstand zonder zicht op constructieve oplossing (geen actief onderzoek meer)

Scenario 3 is een werkbaar alternatief als scenario 1 niet mocht lukken. Hierbij spelen de volgende afwegingen: •

Het lijkt er op dat we nu met een geprognosticeerd begrotingstekort bij de kadernota 2025 van ca. € 9 miljoen vanaf 2026, op een financiële confrontatie afstevenen met de uitgangspunten van artikel 12. Wij willen zekerheden die vanuit het gemeentefonds uit de aard van het fonds (collectiviteit) niet te geven zijn. De inspecteur heeft daarom slechts beperkte mogelijkheden mede gezien het financieel-juridisch normenkader van artikel 12.

•

Vlissingen geeft steeds aan op bepaalde cruciale vraagstukken weinig of niets te kunnen doen. Dat vraagt in verband met de voortgang om consensus tussen fondsbeheerder en gemeente. Consensus is alleen mogelijk indien Vlissingen haar standpunt ten opzichte van de haalbaarheid van bepaalde opdrachten, steeds voldoende empirisch onderbouwd.

•

Scenario 1 wordt daarmee naar verwachting een stevige discussie - tussen gemeenten en inspecteur en fondsbeheerders – waarbij het maar de vraag is of daar een voor beide stakeholders bevredigende oplossing gevonden kan worden. Overigens is het van belang voor ogen te houden dat de bestuurlijke behandeling en besluitvorming door de fondsbeheerders plaatsvindt in een artikel 12-procedure na oplevering van het inspectierapport, te beginnen met de reacties van de gemeente en de provincie. Alvorens de fondsbeheerders besluiten op grond van het inspectierapport en de reacties, kan er indien daartoe aanleiding is, een bestuurlijk overleg plaatsvinden om de resultaten van het onderzoek en de gemeentelijke reactie daarop te bespreken.

22

Dat betekent dat een strategie om aan te sturen op een gesprek met DG of minister risicovol kan zijn in die zin dat het advies van de inspecteur dan al geschreven is en er weinig ruimte meer lijkt voor onderhandelingen. Het dreigt dan min of meer direct een juridisch proces te worden waarbij nog uitsluitend toetsing plaatsvindt aan de wet zelf. •

Scenario 2 bevat het risico op verstoorde verhoudingen en een jaarlijks krimpende of zo klein mogelijke bijdrage tot 2028 (en dan..?).

•

Scenario 3 lijkt een goed alternatief mocht scenario 1 niet lukken. Dit zal niet het voorkeursscenario van de inspecteur zijn, gezien de verschuiving in de tijd. Dus geen harde exit in december 2024, maar: het in gang zetten van het exit-PROCES per 2e helft 2024. Dit met het wederzijdse voornemen om het proces zo spoedig mogelijk af te ronden.

•

De vooruitzichten in het sociaal domein zijn somber. Grote kostenstijgingen als gevolg van inflatie en indexatie (prijs en volume) laten in de prognoses bijna onoverkomelijke stijgingen zien. Echter moeten we wel voor ogen houden dat deze prognoses er van uitgaan dat de omstandigheden in het nu voor de komende jaren niet zullen veranderen, en dat is nog maar de vraag. Niet alleen Vlissingen, maar alle Nederlandse gemeenten worden met deze kostenstijgingen geconfronteerd. Dat betekent dat het waarschijnlijk is dat in de komende jaren ingrepen, van rijkswege, zullen plaatsvinden. Dat kan zowel door een verhoging van de rijksbijdrage in de kosten, maar ook door inhoudelijke ingrepen. Zo heeft de Raad van State nog in december jongstleden ten aanzien van het wetsvoorstel Wet Verbetering Beschikbaarheid Jeugdzorg, indringend geadviseerd om de hoog complexe - en dus zeer dure - jeugdzorg weer naar het Rijk terug te halen. Dergelijke toekomstige maatregelen kunnen nadrukkelijk het kostenperspectief voor de gemeenten verlagen, maar zijn op voorhand financieel niet in te boeken als voordeel.

Voor de drie scenario’s geldt dat scenario 3 het beste op deze veranderingen in kan spelen. In plaats van een stellingname in 2024 op basis van verontrustende prognoses, gaan we in scenario 3 met oplossingsrichtingen aan de slag en als ‘onderweg’ blijkt dat de prognoses meevallen, bijvoorbeeld als gevolg van nieuw beleid van een nieuw kabinet, dan kan dat meteen meegenomen worden in de ‘vinklijst’ van op te lossen knelpunten. De voor- en nadelen van dit scenario 3 zijn vooral:

Voordelen •

• • • •

Het blijft een progressief proces met voor alle partijen zicht op een exit uitkomst (while remaining on speaking terms) Gedeelde resultaatverantwoordelijkheid Mogelijkheid voor een re-integratieplan (inclusief vaststellen normalisatie gemiddelde) Gezamenlijk werken aan een exit (dus zonder klemmende bijzondere voorschriften achteraf) Op voorhand compromissen zoeken op die thema’s die afhankelijk zijn van (uitblijvend) rijksbeleid

Nadelen •

•

Gedeelde verantwoordelijkheid is nog geen herstel gemeentelijke autonomie Nog een aantal jaren artikel 12-status

5.2. Het proces exit artikel 12-status Belangrijk is dat wij zelf de regie voeren op de exit-strategie en niet gestuurd worden door Den Haag. Om dit uitgangspunt overeind te houden zullen we eerst intern de strategie uitgewerkt moeten hebben. Naarmate de belangentegenstelling groeit, zal immers de eigen regie afnemen en het beroep van de inspecteur en de fondsbeheerder op de strikte uitgangspunten van de wet- en regelgeving toenemen. In de wet zelf zit weinig ruimte voor begrip. 5.3. Nut en noodzaak verblijf in artikel 12

23

De indruk bestaat dat er nog te vaak wordt gedacht vanuit de financieel beschermende context van artikel 12. Dit wordt versterkt door de onzekerheid die het financieel perspectief in het sociaal domein inkleurt. Dit maakt bestuur en raad gevoelig voor de schijnzekerheid van het verblijf in de artikel 12 cocon. Schijnzekerheid want de inspecteur heeft aangegeven ook bij voortzetting van de artikel 12status in zijn advies middels bijzondere voorschriften te stellen dat er ten aanzien van de tekorten in het sociaal domein mogelijk geen collectiviteitsbijdragen meer zullen komen. Dus dat betekent in effect wel de lasten maar niet de lusten van artikel 12 (zie ook paragraaf 4.1). Ook de gemeente(-raad) lijkt enigszins gewoon te zijn geraakt met de artikel 12 regeling, terwijl daar grote wensen leven die juist vragen om een post-exit beleidsvrijheid (zie ook paragraaf 2.1.4). 5.4. Overstaying your welcome: een moraliteitsvraagstuk De inspecteur blijft ons met regelmaat wijzen op het feit dat we tegen de tijd dat we conform zijn scenario bij een exit zijn aanbeland rond de € 100 miljoen uit de pot van de collectiviteit van Nederlandse gemeenten hebben gekregen. Een indrukwekkend bedrag. En er is ook zeker niets mis mee, zolang hard aangetoond kan worden dat die bijdrage noodzakelijk was en nog is.

Met vooral de middelen in relatie tot compensatiepakket bestuursakkoord WIZ (reserves WIZ en GBE Aqua) is het mogelijk voor de inspecteur ingewikkeld om uit te leggen waarom de gemeente Vlissingen van mening is dat zij, vanwege een onzekere financiële toekomst niet uit de artikel 12status kan. Een beroep doen op de collectiviteit in die zin dat wij aan de gezamenlijke Nederlandse gemeenten vragen om bij te dragen in financiële vraagstukken waar een flink deel van deze gemeenten zelf ook mee kampt, en dat omdat Vlissingen al in de artikel 12-regeling zit, speelt hierbij een rol. En mocht het zo zijn dat scenario 1 inderdaad leidt tot een stevige discussie met inspecteur en fondsbeheerders, heeft dit ook een communicatie/media risico in zich, waarbij het de vraag is hoe overige gemeenten kijken naar de artikel 12-status van Vlissingen . Dit temeer daar de grote financiële knelpunten die op ons afkomen, geen deel uit maken van de oorspronkelijke artikel12 ontstaansgeschiedenis & diagnose en daarenboven landelijk van aard zijn. Ze worden pas artikel 12 gevoelig als we opnieuw door de financiële bodem zakken, maar daar is gezien de (incidentele) inkomsten tot en met 2033 niet snel sprake van.

Anderzijds is het natuurlijk ook zo dat het moraliteitsvraagstuk net zo actueel wordt, maar nu omgekeerd, indien de fondsbeheerder besluit de gemeente Vlissingen te dwingen tot een exit op grond van incidentele cijfers – een tijdelijk gunstig beeld veroorzaakt door tijdelijke middelen – hoofdzakelijk gevormd vanuit het compensatiepakket (de ZEH dividenden) – terwijl duidelijk is dat de structurele cijfers een veel te onzekere toekomst laten zien.

24

6. Advies exit artikel 12-status Concluderend is om verschillende redenen het belangrijkste advies scenario 1 te kiezen onder voorwaarde dat het structureel financieel beeld bij de integrale afweging sluitend gemaakt kan worden. Indien het, mede kijkend naar de knoppen waar bestuurlijk nog aan gedraaid kan worden, niet mogelijk is om tot een sluitend financieel beeld te komen is het advies scenario 3 in gang te zetten. Bij het tweede peilmoment voor een mogelijke beëindiging van de artikel 12-status bleek scenario 1, mede op basis van de jaarstukken 2023, de eerste bestuursrapportage 2024 en de kadernota 2025, vooral vanwege een structureel tekort van € 9 miljoen niet mogelijk. De raad heeft bij het vaststellen van de kadernota 2025 – 2028 dan ook het standpunt ingenomen dat op basis van de prognose van het financieel meerjarenperspectief een afronding van de artikel 12- status nog niet mogelijk was. Het advies aan het college voor het vervolgtraject rond de exit artikel 12 luidt als volgt: 1. Kennis te nemen van het advies exit artikel 12 als uitkomst van het onderzoek van de projectgroep exit artikel 12 naar de mogelijkheid onze artikel 12-status te beëindigen en de kaders, uitgangspunten, knoppen ed. uit het advies te betrekken bij het verdere exit proces. 2.

Het exit scenario 1 als voorkeursscenario te kiezen onder de voorwaarde dat in 2024 het structureel financieel beeld bij de integrale afweging sluitend gemaakt kan worden (zie hoofdstukken 4 en 5) en in dit geval het gesprek met de inspecteur aan te gaan over het verdere proces van de exit artikel 12 inclusief de (versnelde) sanering van de negatieve algemene reserve. 3. Indien bij het vaststellen van de begroting 2025 – 2028 scenario 1 niet mogelijk blijkt niet te kiezen voor scenario 2 maar scenario 3 in gang te zetten (zie hoofdstukken 4 en 5). 4. Voor de houdbaarheids- en stresstest van de VNG een minimale norm te hanteren bij de exit met een rapportcijfer 6 meerjarig in de laatste jaarschijf van de begroting (zie paragraaf 2.1 onderdeel C en paragraaf 2.1.3). 5. Na een eventuele exit zo snel mogelijk toe te willen groeien naar het zijn van een financieel 'gemiddeld vergelijkbare' gemeente (zie paragraaf 2.1 onderdeel D en paragraaf 2.1.4). 6. Bijgaande raadsinformatiebrief met het advies exit artikel 12 en het plan van aanpak exit artikel 12 te verstrekken aan de raad.

25

Bijlage 1 Beschrijving methodiek en uitkomsten houdbaarheidstest Het houdbaarheidstekort De houdbaarheidstest gemeentefinanciën van de VNG is een kasstroommodel. Het hart van dit kasstroommodel wordt gevormd door de zogenaamde schuld-accumulatievergelijking in baten en lasten. Het model maakt daarmee een schatting van de toekomstige kasstromen in lopende prijzen. De kasstroom wordt daarbij gemeten met de mutatie van het financieel vermogen in een jaar. Dit is hetzelfde als de mutatie van de netto-schuld. De methode van de test waarmee het houdbaarheidstekort wordt bepaald, is gebaseerd op het leerstuk houdbare overheidsschuld uit de economische literatuur. Dit leerstuk wordt wereldwijd door overheden van landen en staten toegepast. Het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank passen dergelijke testen toe om te bepalen hoe groot de structurele ombuigingsopgaaf van een overheid met financiële stress bedraagt en of daar eventueel saneringssteun bij nodig is. De nieuwe regels van het Stabiliteits- en Groeipact gebruiken de methode voor het bepalen van de uitgavenplafonds voor de overheidsfinanciën van de Europese lidstaten. Het leerstuk is ook de naamgever van onze nationale Wet houdbare overheidsfinanciën. Omdat gemeenten een soort van landjes binnen nationale staten zijn, is het concept goed bruikbaar voor gemeenten.

Kortom, de houdbaarheid van de gemeenteschuld kan net als bij landen en staten worden gemeten met een berekening van de toekomstige schuldevolutie op basis van kasstromen. De financiële gezondheid van een gemeente kan met deze methode worden gevangen in één financieel kengetal over het zogenaamde houdbaarheidstekort. De architectuur van de houdbaarheidstest gemeentefinanciën is daarvoor speciaal toegesneden op de situatie van de Nederlandse gemeenten. Het rekenmodel houdbare gemeentefinanciën berekent de toekomstige financieringsstromen (cashflow) van een gemeente bij ongewijzigd beleid en laat daar vervolgens een slechtweer-scenario op los. Op basis van de eindbalans van het boekjaar 2023 en de begrote inkomsten en uitgaven uit de begroting 2024 en de kadernota 2025 voorspelt het model het verloop van de netto schuld als aandeel van de baten (voor mutatie van de reserves). Bij die voorspelling houdt de test rekening met de invloed van demografische, sociale en economische variabelen zoals inflatie, loonontwikkeling, economische groei en de bevolkingsgroei op de ontwikkeling van de toekomstige inkomsten en uitgaven. Daardoor houdt de test ook rekening met de ruimte voor een structureel financieringstekort voor de financiering van investeringen. In de test wordt op de toekomstige kasstroom een slechtweer-scenario ingeboekt.

Bij het slechtweerscenario worden de toekomstige baten verlaagd, de toekomstige lasten verhoogd, de rente op nieuwe leningen verhoogd, en de uitgezette leningen afgewaardeerd. Ook wordt een val aan baten uit de grondexploitatie ingeboekt. Hierdoor loopt de netto schuldquote in het rekenmodel op. De gemeentelijke organisatie reageert vervolgens op die tegenvallers met ombuigingen. Maar de mogelijkheden voor ombuigingen door een gemeente zijn vanwege verschillende redenen begrensd. De eigen belastingen kunnen maar beperkt worden verhoogd en op bijvoorbeeld rentelasten en afschrijvingslasten kan niet worden omgebogen. Met het model kan vervolgens de structurele ombuigingsopgave op de exploitatie voor een houdbare gemeenteschuld in kaart worden gebracht. Met ombuigingen keert de gemeente op de middellange termijn het oplopen van de netto schuldquote. In de test wordt daarvoor uitgegaan van vijf jaar. Door met de houdbaarheidstest de omvang van de ombuigingen op de baten en lasten te bepalen waarbij de netto schuldquote niet meer oploopt, wordt de weerbaarheid van de gemeente bij een slechtweerscenario in beeld gebracht. De houdbaarheidstest kijkt dus hoeveel een gemeente bij een fictief slechtweer-scenario structureel op de baten en lasten moet ombuigen om het oplopen van de netto schuldquote te keren.

Een alsmaar oplopende (netto) schuldquote wordt in de economische literatuur gezien als hèt teken voor een op (middellange) termijn onhoudbare financiële situatie. Bij een licht dalende netto schuldquote is sprake van een houdbare gemeenteschuld. De huidige schuld en de toekomstig verschuldigde rente kunnen in dat geval geheel uit de toekomstige kasstroom van de exploitatie en de investeringen inclusief grondexploitatie worden terugbetaald. Het model veronderstelt hierbij, dat de gemeente zijn publieke investeringen op een gezond peil handhaaft en de belastingen niet verder verhoogt dan een aanvaardbaar niveau.

26

Het bedrag aan structurele ombuigingen dat nodig is om de netto schuldquote te stabiliseren, wordt het houdbaarheidstekort genoemd. Hoe lager het houdbaarheidstekort bij het fictieve slechtweer scenario is, des te weerbaarder de gemeentefinanciën zijn. Het houdbaarheidstekort uitgedrukt in procenten van de baten en lasten waarop ombuigingen mogelijk zijn, wordt in het model de houdbaarheidsquote genoemd. Bij een gestandaardiseerd slechtweer-scenario kan met de uitkomst voor de houdbaarheidsquote de weerbaarheid met andere gemeenten worden vergeleken. De financiële conditie index De uitkomst van de houdbaarheidsquote geeft niet onder alle economische omstandigheden een goed oordeel over de houdbaarheid van de gemeentefinanciën. De economische literatuur voorspelt namelijk dat bij een rente lager dan de trendmatige groei van de inkomsten een hogere schuld leidt tot een betere weerbaarheid. Bij een rente lager dan de trendmatige groei van de inkomsten is het structureel financieringstekort hoger dan de bijbehorende rentelasten van de schuld, zodat een hogere schuld juist meer ruimte voor netto lasten aan publieke voorzieningen schept, en daarmee dus ook een deel van de ombuigingen opvangt. Dit mechanisme wordt versterkt als de rente in de achterliggende periode sterk is gedaald.

Bij herfinanciering van de oude leningen dalen dan de rentelasten, waarmee eveneens een deel van de benodigde ombuigingen wordt ingevuld. De rente op gemeenteschulden was het afgelopen decennium zeer laag, terwijl er nog steeds sprake was van een nominale groei van de inkomsten. Uit berekeningen van de houdbaarheidstekorten van Nederlandse gemeenten en de hoogte van de schulden van bijvoorbeeld het jaar 2017 bleek dan ook dat bij gemeenten met hogere schulden inderdaad sprake was van een betere uitkomst voor de houdbaarheidsquote en er dus sprake was van een betere weerbaarheid. Om deze reden is de houdbaarheidstest uitgebreid met een financiële conditie index. De financiële conditie index kijkt breder naar de houdbaarheid van de gemeentefinanciën door aanvullend ook een oordeel over de actuele hoogte van de schuld, de actuele exploitatieresultaten, de actuele belastingdruk, de actuele hoogte van de investeringen en de actuele hoogte van de lopende uitgaven te vellen. Voor die oordelen wordt juist uitgegaan van prudente of aanvaardbare niveaus. De financiële conditie index kijkt dus naar de belangrijkste aandachtsgebieden van de financiële gezondheid op dit moment. De filosofie van de index luidt daarmee: Als de gezondheid nu goed is, dan is een gemeente prima in staat om financiële risico’s op te vangen.

De financiële conditie index wordt bepaald aan de hand van de uitkomsten van een gemeente op tien financiële kengetallen. Deze kengetallen zijn daarbij gerangschikt naar de thema’s vermogenspositie, exploitatie, voorzieningenniveau en houdbaarheid. De tien kengetallen belichten elk één van de aandachtsgebieden van de financiële structuur die in hoge mate de toekomstige begrotingsruimte van Nederlandse gemeenten bepalen. De aandachtsgebieden van de financiële structuur waar de financiële kengetallen van de financiële conditie index licht op schijnen, zijn: Vermogenspositie 1. Druk van de schuldverplichtingen op de exploitatie (netto schuldquote) 2. Hoogte van de schuld (effectieve netto schuldquote) 3. Schuldbelasting van het bezit (solvabiliteitsratio) Exploitatie 4. Mate waarin de uitkomst van de exploitatierekening positief is (exploitatieresultaat) 5. Ruimte voor verhoging van de eigen belastinginkomsten (onbenutte belastingcapaciteit) 6. Gevoeligheid voor bezuinigingen op overdrachten van het rijk (afhankelijkheidsratio) Voorzieningenniveau 7. Hoogte van de netto lopende uitgaven op de exploitatie (netto lasten per inwoner) 8. Hoogte van de investeringsuitgaven (netto investeringsquote) Houdbaarheid 9. Benodigde structurele ombuigingen bij een slechtweer-scenario (houdbaarheidsquote) 10.

Gevoeligheid op de korte termijn voor renteverhogingen (kasgeldratio) Voor elk aandachtsgebied wordt een financieel kengetal gebruikt (deze staan hierboven tussen haken achter de aandachtsgebieden). Voor het signaleren van financiële stress op een aandachtsgebied

27

maakt de index gebruik van signaalwaarden voor elk van deze kengetallen. Als de uitkomst op een kengetal de signaalwaarde overschrijdt, is er potentieel sprake van financiële stress op het desbetreffende aandachtsgebied. Er wordt daarbij gebruik gemaakt van de signalen licht op groen, licht op oranje en licht op rood. De financiële conditie index die start op tien, wordt bij een kengetal met het licht op oranje met een half punt verlaagd en bij een kengetal met het licht op rood met een vol punt verlaagd. Bij het overschrijden van de signaalwaarden op een, twee, drie of vier kengetallen heeft een gemeente nog steeds een voldoende financiële conditie. De financiële conditie index bedraagt dan respectievelijk 9 (zeer goed), 8 (goed), 7 (ruim voldoende) en 6 (voldoende). Daarmee staat de financiële conditie index bijvoorbeeld toe dat een gemeente met een goede financiële vermogenspositie zich exploitatietekorten en hoge investeringsuitgaven kan veroorloven. De 6 financiële conditie is dan niet onder de maat. Er wordt tijdelijk op grote voet geleefd, maar daar is ook eenmalig geld als vermogensbuffer voor beschikbaar. Worden echter de signaalwaarden van meer dan vier kengetallen overschreden en staan de lichten daarvan op rood, dan is er sprake van potentieel onhoudbare gemeentefinanciën. De financiële conditie is dan zwak (5) of onvoldoende (4 of lager).

Voor gemeente Vlissingen geven deze indicatoren op basis van de programmabegroting 2024 en kadernota 2025 het volgende beeld.

Jaarlijkse zullen we het beeld actualiseren op basis van de begroting.

28

Bijlage 2 Begrotingsanalyse 2024 - 2027 Om te komen tot een realistische begroting wordt er in 2024 een begrotingsanalyse uitgevoerd. Aanleiding hiervoor zijn de jaarlijkse overschotten bij de jaarrekening en het onderzoek naar de exit artikel 12-status. De uitvoering van de begrotingsanalyse vergt een langere doorlooptijd dan vooraf gedacht en is om die redenen opgesplitst in twee fasen. In de 1e fase van de begrotingsanalyse is er gekeken naar de realiteit van in de begroting opgenomen stelposten, de raming van de algemene uitkering, de verwerking van indexeringen, juistheid van de raming algemene uitkering, de wijze van raming van de personeelskosten, de wijze van raming rente en is er specifiek gekeken naar de raming van de kosten en opbrengsten riolering. De 2e fase van de begrotingsanalyse betreft het onderzoeken van de realiteit van de budgetten (lasten en baten) op de programma's. De uitkomsten daarvan verwachten we in de 2e helft van 2024. Onderstaand de uitkomsten van het eerste deel van de begrotingsanalyse. Uitkomsten 1e fase van de begrotingsanalyse: Begrotingsanalyse 1e fase (x € 1.000)

2025

2026

2027

2028

1. Sluitpost begroting

464

464

464

464

2. Kapitaallasten kadernota 2024

291

365

1.189

1.189

3. Stelpost kapitaallasten voor hogere investeringen

450

600

600

600

4. Geraamde kapitaallasten buitenom de investeringsplanning

208

348

348

348

5. Inschatting uitkomsten 2e fase

PM

PM

PM

PM

1.413

1.777

2.601

2.601

Totaal:

Toelichting algemeen: De uitkomsten van de 1e deel van de begrotingsanalyse zijn voor wat betreft het onderdeel stelposten opgenomen in bovenstaande tabel. Voor wat betreft de indexering, algemene uitkering en rente zijn deze verwerkt in de kadernota. De uitkomsten van de analyse van de personeelskosten worden verwerkt in de begroting 2025. Specifieke toelichting: 1. Dit betreft een stelpost die kan vervallen. Deze stelpost is bij een eerdere begroting opgenomen als een sluitpost. Door het verloop binnen het team f & c is niet meer te achterhalen wat voor post dit is. Aangezien deze post er al enkele jaren staat kan die vervallen. 2. Bij het opstellen van de kadernota 2024 zijn investeringen niet specifiek uitgevraagd. Om de kapitaallasten veilig te stellen is een stelpost voor de kapitaallasten aangemaakt. In de begroting 2024 zijn vervolgens de investeringen daadwerkelijke opgenomen en zijn kapitaallasten geraamd. Vervolgens had deze stelpost moeten vervallen in de begroting 2024 en dat is niet gebeurd. 3. Betreft een stelpost kapitaallasten voor hogere investeringen als gevolg van inflatie. We zien dat het beroep op deze stelpost laag is en over het algemeen verloopt via de investeringsplanning. Dat is ook een prima weg en ramen wel alleen waar het nodig is en houden we geen onnodig middelen vast in begroting. Het aframen van deze post is dan ook verantwoord. 4.

In de afgelopen begrotingen tot en met 2023 zijn er allerlei kapitaallasten gereserveerd op stelposten voor o.a. herinrichting boulevard of bouw/aanpassing scholen terwijl deze investeringen ook op de investeringsplanning staan. De kapitaallasten worden dus dubbel geraamd. Om die redenen kan stelpost vervallen. 5. De uitkomsten van het 2e deel van de begrotingsanalyse ramen we PM in afwachting van de uitkomsten.

29

Bijlage 3 Vrijval reserves en voorzieningen exit artikel 12 In het kader van het onderzoek naar de eventuele beëindiging van de artikel 12-status hebben we de mogelijke vrijval ten gunste van de algemene reserve van eventueel overbodige (delen van) reserves en voorzieningen onderzocht. Hierbij zijn reserves en voorzieningen met een omvang van minder dan € 1 miljoen per 31 december 2023 buiten beschouwing gelaten. Ook zijn reserves en voorzieningen welke naar hun aard niet relevant zijn voor (gedeeltelijke) vrijval niet onderzocht. Dit betreffen de buiten het artikel 12-traject vallende reserves Wind in de Zeilen en GBE Aqua, de reserve kapitaallasten, de verplichte verliesvoorziening grondexploitaties en de voorziening tariefegalisatie GRP. Voor de relevant geachte reserves en voorzieningen zijn de volgende punten zoveel mogelijk in beeld gebracht, beoordeeld en/of onderbouwd. a. Omvang: b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties: e. Noodzaak: f. Inspecteur: g. Voorstel:

Wat is de omvang van de reserve/voorziening per 31 december 2023? Wat is kort geformuleerd het doel van de reserve/voorziening? Met welke soort middelen is de reserve/voorziening kort geformuleerd ontstaan? Hoe ziet globaal het verloop (mutaties verleden en toekomst) van deze reserve/voorziening eruit? Is deze reserve/voorziening en zo ja in welke mate noodzakelijk rekening houdend met een eventuele maximale omvang en maximale looptijd? Wat is de boodschap van de inspecteur in het concept inspectierapport 2023 – 2024 over de reserve/voorziening? Wat is de conclusie/het voorstel voor handhaven of (gedeeltelijke) vrijval van de reserve/voorziening?

We concluderen met onderstaande motivatie dat we de reserves en voorzieningen met een omvang van boven € 1 miljoen per 31 december 2023 geheel willen handhaven behoudens: 1. Reserve bomruimingen: Handhaven van een bedrag van € 300.000 voor dekking van de kosten van bomruimingen en vrijval restant reserve met een bedrag van € 1.778.000. 2. Reserve Sociaal domein: Deze per 1 januari 2024 ingestelde reserve van € 23.199.000 voortvloeiend uit de reserve Centrumtaken is in afwachting van een definitief bestemmingsvoorstel mede in overleg met de inspecteur over eventuele inzet voor de sanering van de negatieve algemene reserve. Tevens dient een onttrekking plaats te vinden van € 5.000.000 ten gunste van de algemene reserve op basis van de beschikking over de aanvullende artikel 12-bijdragen 2021 en 2022. Reserves Reserve Bomruimingen a. Omvang: b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties: e. Noodzaak:

f. Inspecteur: g. Voorstel:

€ 2.078.000 Dekken van kosten van het opsporen en ruimen van explosieven. Specifieke uitkering BZK in 2010 van € 3,4 miljoen. De afgelopen 5 jaar zijn er (nagenoeg) geen onttrekkingen gedaan. Er is geen financiële planning en via de Bommenregeling geldt een vergoeding van 68 % van deze kosten. Niet noodzakelijk in de huidige omvang. Mogelijk komen er in uitzonderingsgevallen nog kosten waarvoor, na aftrek van de vergoeding van 68 %, dekking noodzakelijk is. Hiervoor willen we een bedrag van € 0,3 miljoen beschikbaar houden zodat hiervoor dekking beschikbaar blijft en de raad de benodigde budgetten eenvoudig kan autoriseren. Onderbouwen of deze reserve in die omvang nog strikt nodig of (gedeeltelijk) kan vrijvallen. Handhaven van een bedrag van € 300.000 voor dekking van de kosten van bomruimingen en vrijval restant reserve met een bedrag van € 1.778.000.

30

(Historische) Reserve Centrumtaken a. Omvang: b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties:

€ 48.325.000 Beschikbaar houden van de overschotten op de middelen van Centrumtaken (Beschermd Wonen, Maatschappelijke Opvang en Vrouwenopvang). Vooral door overschotten sinds 2017 op de ontvangen middelen Centrumtaken. De jaarlijkse overschotten in de periode 2017 tm 2023 zijn gestort in deze reserve. Per 1 januari 2024 vinden de volgende mutaties plaats: - € 16.070.000 onttrekken en toevoegen aan de reserve ‘Regiobudget centrumtaken’ - € 8.058.000 onttrekken toevoegen aan de reserve 'Doordecentralisatie beschermd wonen Vlissingen’ - € 24.197.000 als restant onttrekken en toevoegen aan de reserve ‘Sociaal Domein’. Op basis van de beschikking dient over de aanvullende artikel 12-bijdragen 2021 en 2022 per 1 januari 2024 een bedrag van € 5.000.000 onttrokken te worden aan de reserve Centrumtaken/Sociaal domein ter gedeeltelijk dekking van de tekorten sociaal domein 2021 en 2022.

e. Noodzaak:

f. Inspecteur:

g. Voorstel:

- De reserve ‘Regiobudget centrumtaken’ is bedoeld voor financiële armslag van de Zeeuwse gemeenten en vanwege de gemaakte afspraken noodzakelijk. Enerzijds voor het dekken van incidentele financiële risico’s voor de 13 regiogemeenten. Anderzijds voor de ambities in de Regiovisie Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang Zeeland 2022-2025 voor de transformatie van beschermd wonen naar een beschermd thuis en innovatie. - De reserve 'Doordecentralisatie beschermd wonen Vlissingen’ is bedoeld voor de financiële risico's die gemeente Vlissingen loopt als centrumgemeente. - De reserve ‘Sociaal Domein’ is gevormd in afwachting van een definitief bestemmingsvoorstel. Akkoord met een eenmalige uitname uit reserve Centrumtaken van € 16 miljoen ten gunste van een nieuwe bestemmingsreserve Regiobudget centrumtaken. Voorwaarde daarbij is wel dat de discussie over de inzet van de reserve Centrumtaken in Zeeland stopt en de overige 12 Zeeuwse gemeenten geen aansprak meer maken op het restant van de reserve Centrumtaken. Ook akkoord met het reserveren van € 8 miljoen voor risico’s voor specifiek Vlissingen ten laste van de reserve Centrumtaken. Het restant van de reserve Centrumtaken (stand 31-12-2023) dient gebruikt te worden voor de sanering van de negatieve algemene reserve. Hoeveel is afhankelijk van de resterende negatieve algemene reserve na eerste herziening 2024 grondexploitaties.

De reserve Centrumtaken is per 1 januari 2024 opgeheven. De reserves ‘Regiobudget centrumtaken’ en 'Doordecentralisatie beschermd wonen Vlissingen’ zijn per 1 januari 2024 ingesteld en willen we handhaven voor de kosten van het regiobudget en voor de financiële risico’s die we lopen als centrumgemeente. De reserve Sociaal domein is per 1 januari 2024 ingesteld en willen we handhaven in afwachting van een definitief bestemmingsvoorstel mede in overleg met de inspecteur over eventuele inzet voor de sanering van de negatieve algemene reserve.

Reserve Organisatie doorontwikkeling a. Omvang: b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties: e. Noodzaak:

f. Inspecteur: g. Voorstel:

€ 1.866.000 Dekking onvoorziene en incidentele kosten voor knelpunten organisatie bijvoorbeeld door uitkomsten onderzoeken benchmark personeel, functiegebouw personeel en strategische personeelsplanning (SPP) tot maximum van € 2 miljoen. Overschotten personeelsbudget 2021 tm 2023. Storting overschotten personeelsbudget 2021 tm 2023 € 2,5 miljoen en onttrekking in 2022 en 2023 € 0,6 miljoen. Noodzakelijk om direct dekking beschikbaar te hebben voor deze extra onvoorziene en incidentele kosten zodat de raad de benodigde budgetten eenvoudig kan autoriseren. De maximum omvang van € 2 miljoen borgt dat de reserve niet onnodig hoog oploopt. Onderbouwen noodzaak reserve. De reserve is relatief kort geleden eind 2021 ingesteld en willen we handhaven voor de kosten van de doorontwikkeling van de organisatie. Pas na bijv. 3 tot 5 jaar

31

ervaring met de mutaties in deze reserve is goed te beoordelen of (gedeeltelijke) vrijval mogelijk is. Reserve Degeneratievergoeding glasvezel a. Omvang: b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties:

e. Noodzaak:

f. Inspecteur: g. Voorstel:

€ 1.559.000 Dekken kosten herstel van het wegdek / groen in de komende 10 jaar wegens de aanleg van glasvezel door providers. Op basis van samenwerkingsovereenkomsten in 2022 ontvangen degeneratievergoedingen van glasvezelproviders. In 2022 en 2023 zijn degeneratievergoedingen ontvangen van € 1,6 miljoen. De degeneratie van de verharding die op termijn optreedt, is niet goed voorspelbaar en daardoor kunnen de herstelwerkzaamheden niet gepland worden. In 2023 is een bedrag van € 39.000 uit deze reserve onttrokken. Noodzakelijk om direct dekking beschikbaar te hebben voor deze moeilijk voorspelbare extra kosten zodat de raad de benodigde budgetten eenvoudig kan autoriseren. De hoogte van de ontvangen degeneratievergoedingen, welke de voeding voor de reserve vormen en welke zijn gebaseerd op een inschatting van de kosten van degeneratie, borgen dat de reserve niet onnodig hoog oploopt. Onderbouwing van de verwachting dat voor het gehele traject degeneratie zal optreden. De reserve is relatief kort geleden eind 2022 ingesteld en willen we handhaven voor dekking van de kosten van degeneratie. Pas na bijv. 10 jaar is op basis van de geconstateerde mate van degeneratie in onze gemeente goed te beoordelen of (gedeeltelijke) vrijval mogelijk is.

Reserve Omgevingswet a. Omvang: b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties:

e. Noodzaak:

f. Inspecteur: g. Voorstel:

€ 1.189.000 Reserveren van de middelen die ter beschikking worden gesteld voor de implementatie van de Omgevingswet. Beschikbaar gestelde middelen voor de implementatie van de Omgevingswet van de voorliggende jaren welke wel zijn begroot maar nog niet zijn besteed. In 2022 is voor bedrag van € 1,0 miljoen aan middelen, welke door vertraging in de uitvoering nog niet zijn besteed en middelen uit de septembercirculaire bedoeld voor de transitie, aan de reserve toegevoegd. In 2023 is door vertraging een bedrag van € 0,2 miljoen toegevoegd. Noodzakelijk om de jaarlijkse besteding van deze projectmatige middelen voor de implementatie van de Omgevingswet, welke uiterlijk per 1 januari 2032 stapsgewijs volledig moet zijn geïmplementeerd, te stroomlijnen (in plaats van jaarlijks overhevelen) zodat de raad de benodigde budgetten eenvoudig kan autoriseren. Mede vanwege de stapsgewijze aanpak tot uiterlijk 1 januari 2032 en de besteding van noodzakelijke middelen in opvolgende jaarschijven, is het uitlegbaar om de gereserveerde middelen niet aan te wenden voor artikel-12. De reserve is relatief kort geleden eind 2022 ingesteld en willen we handhaven voor de verdere implementatie van de Omgevingswet. Pas in de periode richting de volledige implementatie van de Omgevingswet uiterlijk 1 januari 2032 is goed te beoordelen of (gedeeltelijke) vrijval mogelijk is.

Reserve Stadslandgoed Nieuwerve a. Omvang: b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties:

€ 2.623.000 Reserveren van de middelen die ter beschikking zijn gesteld voor de planvorming van het Wind in de zeilen project JCV (Justitieel Complex Vlissingen). In 2022 is vanwege vertraging bij de planvorming een budget van € 250.000 niet besteed welk bedrag aan deze reserve is toegevoegd. In 2023 is een eenmalige bijdrage van € 2,4 miljoen ontvangen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de ontwikkeling van het Stadslandgoed Nieuwerve welke aan de reserve is toegevoegd. Ook is in 2023 een bedrag van € 27.000 onttrokken als dekking voor gemaakte kosten.

32

e. Noodzaak: f. Inspecteur: g. Voorstel:

De planvorming zal uiterlijk in 2024 worden afgerond waarna de beschikbare middelen benodigd zijn voor de uitvoering. Door de opgeschoven planvorming zijn de middelen nog wel benodigd. Deze reserve kan dan ook instant blijven. De reserve is relatief kort geleden in 2022 ingesteld en willen we handhaven voor de voor de middelen welke benodigd zijn voor de uitvoering van het plan stadslandgoed Nieuwerve.

Reserve Opvang Vluchtelingen a. Omvang: b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties:

e. Noodzaak:

f. Inspecteur:

g. Voorstel:

€ 5.977.000 Oormerken van de overschotten op specifieke vergoedingen die zijn ontvangen voor de opvang van vluchtelingen en statushouders voor deze doelgroep. Het overschot 2022 van € 2,0 miljoen is toegevoegd aan de reserve. In 2023 zijn het overschot 2023 van € 3,5 miljoen en een voordelige afrekening over 2022 van € 0,5 miljoen aan de reserve toegevoegd. De stand van de reserve bestaat uit respectievelijk SPUK rijksbijdrage Oekraïne € 5,4 miljoen en Bijdrage COA Noodopvang € 0,6 miljoen. De gemeente volgt het advies op van de VNG om het Oekraïnebudget op te sparen voor toekomstige opvang, omdat onbekend is wat er na 4 maart 2025 met de speciale EU-status voor Oekraïense ontheemden gebeurt en welke gevolgen dit heeft op verblijfsrecht, huisvesting, rechten op algemene middelen en de bekostigingsregeling voor gemeenten. Laatstgenoemde heeft ook directe gevolgen voor langlopende verplichtingen zoals personele lasten en huurcontracten. Daarnaast wordt de reserve gebruikt om te investeren in meer permanente huisvesting voor kwetsbare doelgroepen, waaronder Oekraïense ontheemden en statushouders. De reserve wordt ook gebruikt voor een impulstraject t.b.v. succesvolle integratie van statushouders in Vlissingen. De komende periode wordt gebruikt om plannen hiervoor uit te werken.

Voor de (nabije) toekomst speelt de vraag of het Rijk de gemeentes financieel blijft ondersteunen voor de opvang van Oekraïners. Daarentegen heeft Vlissingen een substantiële reservepositie. Maar ook speelt mee dat de ontvangen middelen zijn verkregen uit specifieke uitkeringen van het Rijk en daarmee deze middelen niet voor een ander doel kunnen worden ingezet en daarbij ontstane overschotten door het Rijk kunnen worden teruggevorderd blijkens onder andere de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne. Inspecteurs zijn daarom van mening dat de reserve instant kan blijven. Handhaven voor huisvestingsvoorzieningen en knelpunten voor de opvang van vluchtelingen.

Voorzieningen Pensioenbijdragen wethouders (APPA) a. Omvang: b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties: e. Noodzaak: f. Inspecteur: g. Voorstel:

€ 3.779.000 Voldoen aan de verplichting tot het uitbetalen van wethouderspensioenen bij pensionering. Stortingen ten laste van de exploitatie als gevolg de pensioenpremies voor zittende wethouders, uitbetaling van verzekeringspolissen en herberekening pensioenen om te kunnen voldoen aan de toekomstige verplichtingen van wethouders. Jaarlijks vinden stortingen om te kunnen voldoen aan de toekomstige verplichtingen en onttrekkingen voor uitbetaling van pensioenbijdragen plaats. Geheel noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de toekomstige pensioenverplichtingen van wethouders. Geheel handhaven. Geheel handhaven voor de pensioenverplichtingen van wethouders.

Spaarverlof a. Omvang:

€ 1.202.000

33

b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties: e. Noodzaak: f. Inspecteur: g. Voorstel:

Voldoen aan de verplichting van de gespaarde verlofuren van de medewerkers. In 2022 is deze voorziening ontstaan ten laste van de exploitatie om conform de BBVvereisten te voldoen aan de verplichtingen van de gespaarde verlofuren van de medewerkers. In 2022 is € 0,8 miljoen en in 2023 € 0,4 miljoen in de voorziening gestort. Er hebben nog geen onttrekkingen plaatsgevonden. Geheel noodzakelijk vanwege de BBV-vereisten. Handhaven omdat deze voorziening conform het BBV is gevormd voor toekomstige uitgaven met een onvergelijkbaar jaarlijks volume. Handhaven voor de verplichting van de gespaarde verlofuren van de medewerkers.

Precario kabels en leidingen a. Omvang: b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties: e. Noodzaak: f. Inspecteur: g. Voorstel:

€ 3.835.000 Dekken van het risico dat geïnde precario over kabels en leidingen voor netwerken van nutsbedrijven achteraf gezien niet geheven had mogen worden. Door reservering in 2017 van de geïnde precario voor netwerken van nutsbedrijven. De geïnde precario over 2016 tot en met 2021 zijn aan de voorziening toegevoegd. Mogelijk moeten de geïnde precario over 2016 tot en met 2021 op basis van een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak worden terugbetaald. Gezien de (mogelijk) wettelijke verplichting moet de voorziening voor de terugbetaling worden gebruikt/gehandhaafd. Handhaven voor eventuele terugbetaling totdat de gerechtelijke uitspraak onherroepelijk is.

Achterstallig onderhoud a. Omvang: b. Doel: c. Ontstaan: d. Mutaties: e. Noodzaak: f. Inspecteur: g. Voorstel:

€ 5.023.000 Dekken van kosten achterstallig onderhoud voor wegen, openbare verlichting, civiele kunstwerken en kades. Door reservering in 2018 van de aanvullende artikel 12-uitkering uit het gemeentefonds van € 8,0 miljoen specifiek geoormerkt voor achterstallig onderhoud. In de jaren 2019 tm 2023 zijn diverse bedragen tot € 3,0 miljoen aan de voorziening onttrokken voor achterstallig onderhoud. De voorziening is nodig om de kosten van het resterend achterstallig onderhoud te dekken. Deze middelen zijn specifiek geoormerkt voor werkzaamheden met betrekking tot het achterstallig onderhoud van een aantal benoemde kapitaalgoederen. Handhaven voor het resterende achterstallig onderhoud wegen, openbare verlichting, civiele kunstwerken en kades.

34

Bijlage 4 Reactie algemeen beeld advies partner Deloitte We hebben onze controlerend accountant Deloitte gevraagd de (nagenoeg) laatste versie van het Advies exit artikel 12 kritisch mee te lezen en te voorzien van een algemene reactie. Hierbij is wel kritisch gekeken naar de opzet, uitgangspunten, logica, volledigheid, conclusies ed. van het advies zonder dat daadwerkelijk controles zijn uitgevoerd op de juistheid van de verstrekte informatie. Reactie partner controlerend accountant Deloitte, Rein-Aart van Vugt: Dd. 19 augustus 2024 Hierbij het geen ik wil opmerken bij het advies exit artikel 12. Het advies is een ‘doorwrocht’ document. Het geeft een herkenbaar beeld van de financiële positie (1) en de stuurmogelijkheden voor de gemeente(raad) zijn overzichtelijk weergegeven (2). Dit advies is dan ook een goed document om de discussie over de scenario’s en de stuurmogelijkheden te voeren en besluiten te nemen (3). De politieke keuzes zijn duidelijk beschreven en weergegeven (4). Ook ishet een sterk punt dat de projectgroep van de directie de ruimte heeft gekregen zelfstandig een advies uit te brengen, ook als de directie een ander standpunt heeft (5). Hieruit blijkt dat het delen van onafhankelijke informatie en professionaliteit voorop staan, waarbij ruimte is voor ‘tegenwicht’.

Ik breng nog onder de aandacht dat heel veel gemeenten vanaf 2026 de begroting niet structureel sluitend krijgen als gevolg van het ‘Ravijnjaar’ en de autonome stijging van de kosten inzake Jeugdzorg en de Wmo, terwijl de gemeenten veel incidentele middelen hebben, die bovendien wat betreft omvang vanaf 2019 sterk zijn gestegen. Bij Vlissingen is een vergelijkbaar beeld te zien. Het ‘Ravijn’ is met name vanaf de septembercirculaire 2023 overigens wat betreft omvang afgenomen en over de financiering van de jeugdzorg en Wmo lopen bij het Rijk afzonderlijke onderzoeken en trajecten. Het Rijk staat vanaf 2024 ook nadrukkelijk toe om incidentele middelen flexibeler in te zetten om structurele lasten in de begroting op te vangen. Zo mag ieder jaar 10% van het ‘surplus’ van de algemene reserve (= algemene reserve boven de omvang van het risicoprofiel) worden ingezet in de begroting, mits de solvabiliteit (= alle reserves/balanstotaal) boven de 20% is. Voorts wordt op dit moment bekeken of gemeenten nog meer ruimte kunnen krijgen om incidentele middelen in te zetten voor de begroting. Het draait in de toekomst veel meer om wendbaar en weerbaar. Is de gemeente wendbaar om in te spelen op de actuele ontwikkelingen (o.a. sturingsmogelijkheden in dit advies) en heeft de gemeente voldoende weerstand om tegenvallers op te vangen en de sturingsmogelijkheden in te zetten en uit te voeren.

In het licht van deze ontwikkeling is bij scenario 1 een aanvullende invalshoek: wat de omvang van de algemene en vrij beschikbare reserves kan en moet zijn, om 10% van het ‘surplus’ (boven de 19 miljoen Euro aan risico’s) te kunnen inzetten als structureel dekkingsmiddel. Stel dat de weerstandsratio een factor 3 bedraagt (57 miljoen Euro) en de solvabiliteit is boven de 20%, dan zou 3,8 miljoen Euro van de algemene reserve in 2026 ingezet kunnen worden voor het structureel sluitend maken van de begroting. In het licht van deze actuele ontwikkeling met betrekking tot de regelgeving en de onzekerheid waar heel veel gemeenten als gevolg van het ‘Ravijnjaar’ mee te maken hebben, is een hoge algemene reserve (vrije beschikbare reserves) – een hoge weerstand dus - behulpzaam bij het sluitend houden van de begroting en het versterken van de wendbaarheid (tijd om keuzes te kunnen maken). Ook de toezichthouder (en inspecteur) zullen hier naar verwachting naar kijken. Nu verwacht ik niet dat Vlissingen direct een solvabiliteit van meer dan 20% zal hebben, maar op de middenlange termijn is dat zeker denkbaar, zeker bij het doel vergelijkbaar te zijn met een gemiddelde gemeente en daarom kan het aandacht hier aan besteden in dit advies zinvol zijn.

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14755745/1