Raadsbijeenkomsten - Documenten raadsdag 15 juli 2022
Tekst van het document
Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit geval geen sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de stemming mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen naam invullen. De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze: D een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en meneer Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen; D een aanbeveling is geen voordracht.
Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht; Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terug-
17
Gemeenteblad 2015 nr. 117729 9 december 2015
houdend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken.
Artikel 22. Verslag en besluitenlijst Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van de Gemeentewet). Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep verstuurd aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben. De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de griffier aangewezen om het verslag op te stellen en deze, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen. De besluitenlijst dient op zo kort mogelijke termijn moet worden gepubliceerd. Dit kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Awb maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen). Het ligt voor de hand dat het verslag en de besluitenlijst ook op de gemeentelijke website toegankelijk worden gemaakt. Dit wordt weergeven in het zesde lid. Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een geluidsopname van de raadsvergadering op CD, met een overzicht van de sprekers, de onderwerpen -voorzien van tijdscodes- en een besluitenlijst.
Artikel 23. Ingekomen stukken Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen naar het college, etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een ingekomen stuk.
Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen
Artikel 24. Toepassing reglement op besloten vergaderingen Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het verslag. De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven. In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.
18
Gemeenteblad 2015 nr. 117729 9 december 2015
Artikel 25. Verslag besloten vergadering In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor het verslag van een besloten vergadering. Dit verslag ligt ter inzage bij de griffier.
Artikel 26. Opheffing geheimhouding In de in het artikel aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan hem behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overgelegd. De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen (indien de burgemeester daar niet toe bereid is). In het onderhavige artikel is nu ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor. Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Gemeentewet, kan geheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.
Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de raad de geheimhouding wil opheffen door deze niet te bekrachtigen.
Paragraaf 6. Toehoorders en pers
Artikel 27. Toehoorders en pers De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.
Artikel 28. Geluid- en beeldregistraties Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv- stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts van af een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.
Hoofdstuk 3. Bevoegdheden, instrumenten raadsleden
Artikel 29. Amendementen en subamendementen
19
Gemeenteblad 2015 nr. 117729 9 december 2015
Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan dit artikel. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen. Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 13). [Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daar is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben.]
Artikel 30. Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 30 geregelde initiatiefvoorstellen.
Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.
Artikel 31. Initiatiefvoorstel Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede en derde lid van dit artikel bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld. Daar wordt in deze bepaling uitvoering aan gegeven. Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft.
20
Gemeenteblad 2015 nr. 117729 9 december 2015
Het ontbreken van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. De Gemeentewet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (art. 147a, eerste lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen. Wel kan de raad voorzien in een zekere inhoudelijke toets. Daarbij kan worden gedacht aan het beantwoorden van de vraag of het voorstel wel de uitoefening van een raadsbevoegdheid betreft (en niet een collegebevoegdheid).
Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het voorstel echter niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 8, derde lid, het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Het is aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld nu het op de agenda staat.
Artikel 32. Collegevoorstel Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het presidium overlaten.
Artikel 33. Interpellatie Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155 van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid. Toenmalig minister Pechtold heeft in een brief van 16 december 2005 aan de GroenLinks fractie in Schoonhoven aangegeven dat de raad de ruimte heeft eigen beleid te ontwikkelen, waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dat een raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden. Hij was hier echter geen voorstander van. Voor de democratie leek het hem goed om de regels van de Tweede Kamer te volgen. Dit houdt in dat de toestemming ven een betekenende minderheid (ondersteuning door 30 van de 150 leden) volstaat.
In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte worden gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede lid wordt hiervoor gezorgd. De toelichting bij het artikel over het initiatiefvoorstel over de stuurgroep Leemhuis en de (verplichte) aanwezigheid van collegeleden is ook op dit artikel van toepassing.
21
Gemeenteblad 2015 nr. 117729 9 december 2015
Artikel 34. Schriftelijke vragen Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen. In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.
Artikel 35. Inlichtingen In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. Naast een ingewikkelde inrichting van de bestuursbevoegdheden bevat de Gemeentewet ook behoorlijk aangescherpte regels over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte van de raad. Deze regels beogen de politieke verantwoordelijkheid van het college te activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te bevestigen. Daar is in de eerste plaats de passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet. Dat is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee is een waarborg in het leven geroepen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het Reglement van orde op grond van doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde. De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is wettelijk objectief (‘is’) en algemeen omschreven.
De wetgever beoogde daarmee dat een beroep daarop in de praktijk als een hoge uitzondering op de algemene regel zou moeten worden gebruikt. In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als raad en college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de gedualiseerde Gemeentewet thans een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Blijkbaar moet het college permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht en bovendien zijn we dan weer terug in de cultuur van meeregeren uit het monistische tijdperk. Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot in een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht.
Artikel 169, vierde lid, verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Overigens kent ook deze actieve informatieplicht de nodige vaagheid. Wat is ingrijpend? Het antwoord op deze vraag moet volgens de wetgever worden gevonden in de plaatselijke omstandigheden. Waarschijnlijk heeft de wetgever het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. Blijkbaar
22
Gemeenteblad 2015 nr. 117729 9 december 2015
moeten raad en college hier zelf een modus voor vinden. Een andere vraag is nog of ook deze inlichtingenplicht wordt beperkt door de weigeringsgrond van het openbaar belang als bedoeld in het derde lid van de artikelen 169 en 180 van de Gemeentewet. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord op basis van ongeschreven gemeenterecht. Het verstrekken van inlichtingen kan overigens niet via de rechter worden afgedwongen.
Artikel 36. Vragenhalfuur Deze bepaling vormt een invulling van artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenhalfuur. Veelal fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen. Het karakter van het vragenhalfuur verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur.
Gentle agreement over de handhaving van de integriteit van de politiek Een vrijwillige overeenkomst van raadsleden en raadsfracties over wat te doen bij vermeende integriteitschendingen. December 2015
Dit gentle agreement appelleert aan een gedeelde opvatting over goede samenwerking en omgangsvormen. Het is wenselijk dat elke nieuw gekozen raad deze afspraken zelf onderschrijft en handhaaft. Hoofdstuk 1. Drie principes 1. Onpartijdige handhaving Gedragscodes voor raad, college en burgemeester (en de wetten waarop ze gebaseerd zijn) definiëren integriteitschendingen en leggen zo de morele minima vast waaraan hun handelen moet voldoen. Over die minima zijn alle partijen het eens. De kern is dat de zuiverheid van de besluitvorming door die minima wordt gewaarborgd. Omdat alle partijen het over die minima eens zijn, is er geen enkele reden de handhaving ervan inzet te maken van partijpolitiek. Ook het verschil oppositie en coalitie zou in de handhaving geen rol mogen spelen. Gebeurt dat toch dan is de kans bijzonder groot dat er in de handhaving onrecht geschiedt. Uit het beginsel van ‘onpartijdige handhaving’ volgt, dat politici van alle partijen de discipline zouden moeten opbrengen om bij de beoordeling van integriteitkwesties boven de partijen te gaan staan. 2. Terughoudend met publiciteit. De media volgen in Nederland politiek kritisch. Dat is een groot goed. Bij vermeende integriteitschendingen van politici heeft dat er echter in een aantal gevallen toe geleid dat er in de media al een (voor-)veroordeling heeft plaats gevonden, voordat er onderzoek is gedaan.
Het gevolg is dat er sprake is van willekeur, dat individuele politici die (onschuldig?) onder verdenking komen te staan grote schade oplopen en dat de geloofwaardigheid van de politiek wordt aangetast. Het is daarom zaak dat alle betrokkenen bij een integriteitkwestie de grootst mogelijke terughoudendheid betrachten en de kwestie niet in een te vroeg stadium in de publiciteit brengen. Daaruit volgt ook dat in alle stadia van de afhandeling van een kwestie de groep die er bij betrokken wordt zo klein mogelijk moet zijn. Als er uiteindelijk werkelijk van integriteitschending sprake blijkt te zijn en er een oordeel over de ernst daarvan en over een passende sanctie is gevormd, mag en moet de kwestie natuurlijk wel naar buiten worden gebracht. 3. Zorgvuldigheid tegenover vermeende schender. Iedereen die mogelijk een schending heeft begaan heeft er recht op dat er uiterste zorgvuldigheid wordt betracht in alle fasen van de handhaving. Dat begint al voordat de handeling die mogelijk een schending is, is uitgevoerd. Heb je er weet van dat iemand van plan is iets te doen dat mogelijk een integriteitschending zou betekenen, dan word je geacht hem of haar daar voor te waarschuwen en de weg te wijzen naar advies. Iedere politicus die twijfelt - uit zichzelf of op geleide van een ander - of een voorgenomen handeling een schending is heeft recht op vertrouwelijk advies. Komt
- -
1
iemand onder verdenking te staan dat hij een integriteitschending begaan heeft, dan dient er middels een vooronderzoek vastgesteld te worden of er überhaupt grond is voor de verdenking. Zijn er gronden, dan moet er een objectief onderzoek volgen waar ook de context in meegenomen wordt en waarin de mate van verwijtbaarheid apart wordt beoordeeld. Als er een sanctie moet volgen, moet die sanctie passend zijn en in verhouding.
- -
2
Hoofdstuk 2: Zes rollen: wie doet wat? 1.Burgemeester Doet vooronderzoek of een verdenking grond heeft. Geeft indien nodig opdracht voor integriteitonderzoek. Betreft de verdenking de burgemeester zelf dan wordt het vooronderzoek op voordracht van het presidium door de Commissaris van de Koning gedaan. Beoordeelt de resultaten van het onderzoek, legt de resultaten van het onderzoek voor aan de raad. Doet een voorstel voor een passende sanctie. Doet eventueel aangifte. 2.Griffier Is vraagbaak en geeft advies aan raadsleden over de vraag of een handeling een schending is. Ondersteunt de burgemeester, de raad en individuele raadsleden bij de uitvoering van hun rol. 3.Raad Beoordeelt de uitkomsten van het onderzoek. Spreekt zich uit over een passende sanctie. Legt eventueel de sanctie op. 4.Presidium Vormt het klankbord voor de burgemeester waarmee deze tussentijds kan overleggen over trajecten rond vermeende schendingen, als hem dat raadzaam lijkt. Bekijkt samen met de burgemeester en de griffier de agenda van de raad met het oog op mogelijke risico's op schendingen Zorgt er voor dat raadsleden door hun eigen fractievoorzitter worden gewaarschuwd als zij integriteitrisico’s lopen. 5. Fractievoorzitter Steunt raadslid dat twijfelt, dat aangifte doet (of wil doen), dat verdacht wordt. Waarschuwt raadsleden voor integriteitrisico’s.
Doet eventueel een voorstel aan de fractie en aan de partijafdeling voor een op te leggen sanctie na onderzoek. 6. Commissaris van de Koning - -
3
Ondersteunt de burgemeester bij de uitvoering van zijn rol en zijn taken.
- -
4
Hoofdstuk 3: Procedures Een raadslid kan twijfelen over: 1. eigen voorgenomen of al uitgevoerde handelingen; 2. handelingen van een ander raadslid; 3. handelingen van een lid van het college van B&W; 4. handelingen van een ambtenaar. De correcte procedure verschilt in alle vier gevallen. Twijfels t.a.v. eigen handelingen (1a) Een raadslid twijfelt over een eigen nog uit te voeren handeling. Hij vraagt de griffier om advies. Is deze voorgenomen handeling een schending? Als de griffier aangeeft dat het om een ingewikkelde kwestie gaat of als het raadslid het niet met het advies van de griffier eens is, stappen ze samen naar de burgemeester. De burgemeester formuleert (eventueel na raadpleging interne en externe deskundigen) een advies. Het raadslid volgt in principe dit advies op. Let op: Als een raadslid toch van het advies van de burgemeester afwijkt, meldt het raadslid zelf bij de raad dat er van het advies wordt afgeweken. Gebeurt dat niet, dan meldt de burgemeester dat er van het advies wordt afgeweken. Let op: Het komt voor dat uit het advies blijkt dat er geen eenduidige uitspraak mogelijk is over de vraag of een voorgenomen handeling een integriteitschending is of niet. Meestal betekent dit, dat ook deskundigen de zaak verschillend beoordelen. Bij een dergelijke 'hard case' is het natuurlijk aan het raadslid zelf welke keuze hij maakt over de nog uit te voeren handeling.
(1b) Een raadslid twijfelt over een eigen al uitgevoerde handeling. Zelfde procedure als onder (1a). Mocht de conclusie zijn dat er van een schending geen sprake is, is de zaak afgedaan. Mocht de gedeelde conclusie zijn dat de handeling een schending was, dan overleggen burgemeester en raadslid over de volgende stappen. Het raadslid zal in ieder geval de raad laten weten een schending te hebben begaan en waar mogelijk die ongedaan maken of goedmaken. De burgemeester beoordeelt of er daarnaast ook sanctie nodig is en adviseert daarover aan de raad. De burgemeester laat zich daarbij door deskundigen adviseren. Het feit dat het raadslid de kwestie zelf aanhangig heeft gemaakt, wordt daarbij natuurlijk meegewogen. De raad besluit uiteindelijk over een eventuele sanctie op basis van het advies van de burgemeester.
- -
5
Twijfels t.a.v. het handelen van een ander raadslid (2a) Een raadslid twijfelt over een nog niet uitgevoerde handeling van een ander raadslid. Hij waarschuwt achtereenvolgens de ander, verwoordt zijn twijfels, verwijst het betreffende raadslid naar de griffier en de burgemeester en verwijst tenslotte naar dit gentle agreement. Zie verder onder procedure bij (1a). (2b) Een raadslid twijfelt over een vermeende uitgevoerde handeling van een ander raadslid. Hij bespreekt dit met de ander, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen. Als de ander hierdoor twijfelt over de al uitgevoerde handeling: zie de procedure onder 1b. Als de ander hierdoor niet zelf twijfelt over de al uitgevoerde handeling en dit vervolgens met de griffier bespreekt, vraagt het raadslid aan de griffier of die handeling een schending zou zijn. De griffier geeft daarover een advies. Wijst dat advies erop dat de vermeende handeling een schending zou zijn, dan overleggen beiden met de burgemeester. Belangrijk: het raadslid doet zelf geen vooronderzoek. Dat is aan de burgemeester. Is na het vooronderzoek de conclusie van de burgemeester dat er geen grond is voor de verdenking, dan is de zaak afgedaan. Komt uit het vooronderzoek dat het raadslid, dat verdacht wordt, zelf erkent een schending te hebben begaan, dan zie verder de procedure bij (1b).
Komt uit het vooronderzoek dat er gronden zijn voor de verdenking dat er een integriteitschending heeft plaats gevonden, maar dat er geen sprake van erkenning is door de verdachte, dan gelast de burgemeester een onderzoek door deskundigen. De burgemeester beoordeelt de resultaten van het onderzoek, legt de resultaten voor aan de raad en geeft sanctieadvies op basis van advies van deskundigen. De raad oordeelt zelf op basis van de resultaten en het advies over onderzoek en sanctie. De raad vermijdt daarbij iedere partijpolitieke bevangenheid. Twijfels t.a.v. het handelen van een lid van het college van b&w (3a) Een raadslid twijfelt over een vermeende uitgevoerde handeling van een lid van het college van B&W. Zie procedure bij (2b). Toevoeging: de raad beoordeelt geheel zelfstandig de politieke consequenties die de eventuele schending zou moeten hebben. Daarover adviseert de burgemeester niet. (3b) Een raadslid twijfelt over een vermeende uitgevoerde handeling van de burgemeester. Zie procedure bij (2b). In plaats van naar de burgemeester, gaan raadslid en griffier naar de plaatsvervangend voorzitter van de raad. Na vooronderzoek wordt de commissaris van de koning erbij betrokken als er reden is om het onderzoek voort te zetten.
- -
6
Twijfels t.a.v. het handelen van een ambtenaar (4) Een raadslid twijfelt over een vermeende uitgevoerde handeling van een ambtenaar. Zie procedure bij (2b). De burgemeester laat vooronderzoek en onderzoek uitvoeren onder leiding van de gemeentesecretaris of griffier, afhankelijk of het bevoegd gezag over de ambtenaar het college is (art. 160 1d Gemeentewet) of de raad (art. 107e Gemeentewet). Zij voeren dit onderzoek uit conform een daartoe vastgesteld protocol. In de regel handelt de gemeentesecretaris of griffier dit onderzoek en de sanctie af. Bij twijfel over een vermeende uitgevoerde handeling van de gemeentesecretaris of griffier, laat de burgemeester vooronderzoek uitvoeren door de Commissaris van de Koning. In de regel komen kwesties rond individuele ambtenaren niet in de raad.
- -
7
Hoofdstuk 4: Communicatie Over gevraagd advies Als een raadslid een advies krijgt van de burgemeester, krijgt het raadslid dat van de griffier op schrift mee na een persoonlijk gesprek met de burgemeester. Deze adviezen (die worden opgevolgd) blijven vertrouwelijk. In principe weten alleen griffier, burgemeester en het raadslid ervan. Tijdens het vooronderzoek Als er een vooronderzoek naar een vermeende schending wordt ingesteld, wordt het verdachte raadslid in principe altijd op de hoogte gesteld en gevraagd naar zijn visie, argumenten en motieven. Daar wordt alleen van afgeweken als het om een ernstige schending gaat en het eventuele vervolgonderzoek in gevaar komt als het verdachte raadslid op de hoogte gesteld wordt. Als er een vooronderzoek wordt ingesteld en de conclusie is dat de verdenking ongegrond is, blijft het vooronderzoek vertrouwelijk. In dat geval weten alleen het raadslid dat meldde, het raadslid dat verdacht werd, de griffier en de burgemeester ervan. Als er een vervolgonderzoek wordt ingesteld, wordt dat altijd besproken met het presidium. Als het vervolgonderzoek tot de conclusie leidt dat er geen schending is begaan, wordt dat met het presidium besproken. Het vervolgonderzoek blijft dan vertrouwelijk, alleen melder, verdachte, burgemeester, griffier en fractievoorzitters weten ervan.
Als het vervolgonderzoek tot de conclusie leidt dat er van een schending sprake was, legt de burgemeester de resultaten van het onderzoek voor aan de raad, samen met een beargumenteerd sanctieadvies. Daarna, en nog voor het raadsdebat, wordt de pers door de burgemeester op de hoogte gesteld. De pers Geen van de andere betrokkenen - melder, verdachte, fractievoorzitters, raadsleden, partijen - spreekt met de pers voordat de burgemeester de pers op de hoogte heeft gesteld. Het is niet wenselijk dat een van de betrokkenen met de pers spreekt tot na het raadsdebat, omdat dat de kans op onpartijdigheid enorm vergroot. De informatie over de kwestie wordt pas openbaar nadat de burgemeester het sanctieadvies heeft gegeven aan de raad.
Hoofdstuk 5: Leren De griffier maakt met ondersteuning van de Commissaris van de Koning ter bespreking in de raad eens per twee jaar een geanonimiseerd overzicht van de lessen die getrokken kunnen worden uit adviezen die zijn gegeven en uit de resultaten van voor- en vervolgonderzoek. Dat gebeurt op een manier die geen link met specifieke raadsleden mogelijk maakt. Dit gentle agreement wordt eens per twee jaar door fractievoorzitters, griffier en burgemeester met de hulp van deskundigen geëvalueerd. Desgewenst wordt het gentle agreement bijgesteld.
‘Openbaar tenzij’
Een protocol over besloten vergaderingen en het opleggen, bekrachtigen en opheffen van geheimhouding van het behandelde en ten aanzien van de (inhoud van de) stukken.
1
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Gronden voor geheimhouding
3. Besloten vergaderen en het opleggen van geheimhouding ten aanzien van het behandelde
4. Schriftelijke stukken en het opleggen van geheimhouding
5. Ter inzagelegging van stukken in de leeskamer (de trommel) en stukken op de iPad
6. Praktijk
7. Schending geheimhoudingsplicht
Bijlage 1 Wet openbaarheid van bestuur nader toegelicht Bijlage 2 juridische achtergronden Bijlage 3 afspraken binnen de gemeenteraad
2
1. Inleiding
In het algemeen is de (gemeentelijke) overheid een open, transparante organisatie. Zo zijn de vergaderingen van de gemeenteraad in beginsel openbaar. Dit is geregeld in de Grondwet en de Gemeentewet. Maar net als in iedere organisatie komen ook in een organisatie als de gemeente wel eens onderwerpen aan de orde die (nog) niet voor openbare behandeling in aanmerking komen. Dat kan te maken hebben met financiële en strategische belangen van de gemeente of van een onderhandelingspartner. En soms heeft dat te maken met de persoonlijke levenssfeer van burgers. In zo'n geval kan besloten worden een onderwerp niet in de openbaarheid te behandelen en geheimhouding op te leggen ten aanzien van het behandelde en ten aanzien van de (inhoud van de) stukken. De afweging daartoe moet - gelet op de, al dan niet tijdelijke, inbreuk die gemaakt wordt op het openbaarheidsprincipe - expliciet gemaakt worden. De regels hiervoor zijn beschreven in de Gemeentewet en de Wet openbaarheid van bestuur. In deze notitie worden de wettelijke regels en de gemeentelijke werkwijze uiteengezet. Het gaat in de notitie met name om de volgende aspecten; - gronden voor geheimhouding; - besloten vergaderen en het opleggen van geheimhouding ten aanzien van het behandelde; - schriftelijke stukken en het opleggen van geheimhouding; - ter inzagelegging van stukken in de leeskamer (de trommel)
2. Gronden voor geheimhouding
Besloten vergaderen, het opleggen van geheimhouding ten aanzien van het behandelde of ten aanzien van schriftelijke stukken is uitsluitend toegestaan op de gronden genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.
Een aantal van de in dat artikel genoemde gronden zijn absoluut. Dat wil zeggen dat er geen ruimte is voor een belangenafweging, geheimhouding moet. Ten aanzien van de andere gronden is er wel ruimte voor een belangenafweging, geheimhouding mag. Overigens zullen de gronden genoemd in lid 1, onder a. en b. zich niet vaak voordoen in de gemeentelijke praktijk. 3
In de bijlage is de wetstekst terug te vinden en zijn de gronden aan de hand van concrete voorbeelden nader uitgewerkt.
3. Besloten vergaderen en het opleggen van geheimhouding ten aanzien van het behandelde
De raad vergadert, met uitzondering van bij de voordracht voor een nieuwe burgemeester, in principe altijd openbaar. Na aanvang van de vergadering kan op artikel 23 Gemeentewet echter besloten worden dat de vergadering met gesloten deuren voortgezet zal worden. Meestal wordt besloten tot voortzetting met gesloten deuren wanneer een schriftelijk stuk waarop geheimhouding is opgelegd, besproken moet worden. Het is echter ook mogelijk dat zonder schriftelijk stuk behoefte bestaat aan een besloten en daardoor vrijere gedachtewisseling. Van het besprokene in een besloten vergadering kan een afzonderlijk verslag worden gemaakt, dat geheim is.
Voor geheimhouding op het “tijdens de vergadering behandelde” geldt de procedure in artikel 25 van de Gemeentewet. Het gaat dan altijd om een besloten vergadering. De geheimhouding wordt opgelegd aan iedereen die bij de behandeling aanwezig was en iedereen die van het behandelde kennis draagt, totdat de raad haar opheft.
Geheimhouding van “het tijdens de vergadering behandelde” (in tegenstelling tot het verslag van deze vergadering) wordt niet automatisch opgelegd als er in een besloten vergadering over een geheim stuk is gesproken. Hiertoe moet tijdens de vergadering een expliciet besluit genomen worden. Achteraf kan dit niet meer.
Als geheimhouding is opgelegd, mogen raadsleden (en anderen) die bij de behandeling aanwezig waren dus ook aan hun collega-raadsleden, die er niet bij waren, niets zeggen over hetgeen in de besloten vergadering aan de orde is geweest. Dit mag pas nadat aan hen door de griffier (in mandaat namens de burgemeester, het college of de raad) geheimhouding is opgelegd en zij alsnog zijn geïnformeerd over het behandelde door de burgemeester, de wethouder of de griffier (bijlage 3, artikel 8 van de afspraken binnen de gemeenteraad).
De verplichting tot geheimhouding van het behandelde richt zich tot een ieder die bij de behandeling aanwezig was of van het behandelde kennis draagt. NB: de geheimhouding betreft niet alleen de inhoud van het agendapunt maar ook het bestaan van het agendapunt. Het is dus niet toegestaan bekend te maken welk geheim agendapunt wordt behandeld. 4
4. Schriftelijke stukken en het opleggen van geheimhouding
In artikel 25 van de Gemeentewet wordt eveneens geregeld op welke wijze geheimhouding kan worden opgelegd op schriftelijke stukken. In deze paragraaf wordt de procedure beschreven.
Opleggen De raad kan geheimhouding opleggen ten aanzien van de stukken die aan de raad worden overgelegd. De geheimhouding geldt totdat de raad haar opheft. Ook het college, de burgemeester en een commissie kunnen geheimhouding opleggen ten aanzien van de stukken die zijzelf aan de raad of aan leden van de raad overleggen. Stukken die in de trommel liggen zijn altijd geheim. Op andere stukken moet de geheimhoudingsplicht worden vermeld met de term “geheim” en op de iPad moeten de stukken zijn afgeschermd met een slotje.
Bekrachtigen Als de geheimhouding op een raadsstuk niet door de raad zelf, maar door de burgemeester of het college is opgelegd, moet die bekrachtigd worden door de raad in de eerstvolgende vergadering die door meer dan de helft van het aantal raadsleden is bezocht. Als minder dan de helft van de raadsleden aanwezig is, kan geen besluit worden genomen over al dan niet bekrachtigen. Op de eerstvolgende vergadering waarin dit aantal wel aanwezig is, moet alsnog besloten worden tot bekrachtiging. Als dit besluit niet wordt genomen, vervalt de geheimhoudingsplicht.
Opheffen Geheimhouding ten aanzien van stukken die aan leden van de raad zijn overgelegd, kan alleen worden opgeheven door het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd, tenzij het stuk inmiddels aan de raad is overgelegd. Dan kan alleen de raad de geheimhouding nog opheffen in een vergadering die door meer dan de helft van het aantal raadsleden is bezocht.
De verplichting tot geheimhouding richt zich tot een ieder die over de stukken beschikt of van de betreffende stukken kennis draagt. De geheimhouding betreft de inhoud van het stuk, maar ook het bestaan van het stuk. Het is dus niet toegestaan bekend te maken dat er een geheim stuk over een bepaald onderwerp bestaat of behandeld wordt. 5
5.
Ter inzagelegging van stukken in de leeskamer (de trommel) en stukken op de
iPad
In artikel 12, derde lid van het Reglement van Orde voor de raad is bepaald dat de stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd, ter inzage voor de raadsleden worden gelegd in de leeskamer. Deze stukken zijn opgeborgen in een afgesloten kistje (‘de trommel’). Van dit kistje hebben – naast de griffie - alleen raadsleden een sleutel. In dat artikel is eveneens bepaald dat een lid van de raad een origineel van een ter inzage gelegd stuk niet buiten het gemeentehuis mag brengen. In aanvulling daarop is in artikel 15 van bijlage 3 van het protocol ter voorkoming van het kopiëren van stukken bepaald dat geheime stukken niet alleen het gemeentehuis maar ook de leeskamer of een andere kamer waarin inzage wordt geboden niet mogen verlaten. Inmiddels staan steeds meer en steeds vaker stukken op de iPad achter een slotje. Ten aanzien van deze stukken geldt hetzelfde als de stukken in de trommel, deze stukken zijn geheim. Alleen als aan alle raadsleden geheimhouding is opgelegd worden verslagen van besloten vergaderingen in de trommel gelegd of achter een slotje op de iPad geplaatst.
6. Praktijk
Zoals in de inleiding gezegd is het uitgangspunt dat alle stukken in het openbaar bestuur openbaar zijn. Er wordt dus alleen geheimhouding opgelegd als dat echt nodig is. In het raads- of initiatiefvoorstel wordt dan aangegeven en goed gemotiveerd op welke grond een stuk geheim is of zou moeten worden gehouden. Vervolgens moet nauwkeurig aangegeven worden welke gegevens of delen van de tekst precies geheim dienen te zijn. Vaak is het niet nodig het hele stuk geheim te verklaren en hoeven alleen delen uit het stuk te worden afgeschermd. In dat laatste geval kan de geheime informatie bijvoorbeeld in een bijlage worden opgenomen, zodat alleen die geheim is en de rest van het stuk gewoon openbaar. Ook is het soms mogelijk onderdelen van een tekst – bijvoorbeeld namen of bedragen – wit te maken, terwijl de inhoud van het stuk verder openbaar is.
6
Als geheimhouding wordt opgelegd op een schriftelijk stuk of op het ter vergadering behandelde moet daarbij indien mogelijk bepaald worden tot wanneer de geheimhoudingsplicht geldt. Bijvoorbeeld tot de geadresseerde kennis heeft kunnen nemen van het stuk. Eens per kwartaal zal de lijst met opgelegde geheimhouding op schriftelijke stukken of op het ter vergadering behandelde in een vergadering tegen het licht worden gehouden om te bezien of de geheimhouding opgeheven kan worden. 7. Schending geheimhoudingsplicht
Schending van de geheimhoudingsplicht is een misdrijf dat is strafbaar gesteld in artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Dat de strafrechter een dergelijk strafbaar feit niet licht opvat, blijkt bijvoorbeeld uit een uitspraak van de rechtbank Den Bosch die een lid van Provinciale Staten veroordeelt tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden wegens schending van de geheimhoudingsplicht die opgelegd was door Gedeputeerde Staten. Volgens de rechtbank had de verdachte de bestuursrechtelijke middelen moeten aanwenden om de geheimhouding op te heffen. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij eigenmachtig tot opheffing van de geheimhouding is overgegaan (Rb Den Bosch, 5 maart 2002, Gst. 2002, 7166 nr. 9).
7
Bijlage 1
Artikel 10 Wet openbaarheid van bestuur
Wetstekst:
1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.
d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.
2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; 8
f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie; g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.
4. Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing voorzover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.
5. Het tweede lid, aanhef en onder b, is van toepassing op het verstrekken van milieuinformatie voor zover deze handelingen betreft met een vertrouwelijk karakter.
6. Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing op het verstrekken van milieuinformatie.
7. Het verstrekken van milieu-informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage.
8. Voorzover het vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing is, wordt bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op milieu-informatie in aanmerking genomen of deze informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.
9
Toelichting op de wetstekst
De voor de gemeente relevante uitzonderingsgronden van artikel 10 Wob:
- Geheimhouding moet als: a. er vertrouwelijk door natuurlijke personen of rechtspersonen bedrijfs- en fabricagegegevens aan de overheid zijn meegedeeld: b. de informatie bijzondere persoonsgegevens betreft, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt;
- Geheimhouding kan als: c. de economische of financiële belangen van de gemeente in het geding komen: d. er sprake is van Inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen: e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in het geding komt: f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de Informatie: g. betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, of derden onevenredig bevoordeeld of benadeeld worden.
Het uitgangspunt van de Wob is openbaarheid. De Wob eist dat per alinea wordt getoetst of de daarin opgenomen informatie openbaar is of niet. Het kan dus voorkomen dat een document gedeeltelijk openbaar is. De niet-openbare passages kunnen worden weggelakt.
Weigeringsgronden per grond toegelicht
a. bedrijfs-en fabricagegegevens (art. 10. eerste lid onder c Wob): De bedoeling van deze uitzonderingsgrond is om te voorkomen dat concurrerende bedrijven elkaars bedrijfs- en fabricagegevens zouden kunnen achterhalen. Bedrijfs- en fabricagegevens zijn alle gegevens waaruit direct of indirect kennis kan worden afgeleid over technische bedrijfsvoering of het productieproces, of de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers. Het moet gaan om gegevens die vertrouwelijk aan de gemeente zijn meegedeeld (bv. bij aanbestedingen of het aanvragen van een omgevingsvergunning).
b. bijzondere persoonsgegevens (artikel 10, eerste lid onder d Wob) De gemeente mag geen bijzondere persoonsgegevens verstrekken. Het gaat dan om gegevens betreffende iemands: godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, 1 0
gezondheid, seksuele leven, lidmaatschap van een vereniging, mogelijke strafrechtelijke achtergrond en persoonlijk identificatienummer (BSN en Sofi-nummer). Alleen in het geval er absoluut geen twijfel is dat verstrekking van deze bijzondere persoonsgegevens geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer, dan mag de gemeente overgaan tot verstrekking.
c. economische of financiële belangen van de gemeente (art. 10. tweede lid onder b Wob) Deze uitzonderingsgrond is aan de orde als de gemeente door het verstrekken van informatie financieel nadeel kan oplopen. Daarvan is sprake als openbaarmaking de onderhandelingspositie van de gemeente tegenover wederpartijen aantast dan wel wordt verzwakt. Openbaarmaking kan de onderhandelingspositie van de gemeente dan zozeer schaden dat de economische of financiële belangen van de gemeente geacht moeten worden zwaarder te wegen dan het algemeen belang van openbaarmaking. Te denken valt aan het openbaar maken van grondprijzen, de uitoefening van aandeelhoudersrechten en (directie)ramingen van kosten voor aanbestedingen, het openbaar maken van een aankoopstrategie van panden. Het is nadelig wanneer de gemeente naar buiten treedt met welke grondprijzen de gemeente intern rekent, van welke bouwkosten wordt uitgegaan, welke rendementen aanvaardbaar worden geoordeeld enz. Als deze ramingen bekend worden zouden ondernemers hun aanbod hierop kunnen afstemmen.
d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorgaan (art. 10, tweede lid onder d) Bij deze grond gaat het om het belang dat het bestuursorgaan erbij heeft dat gevolgde technieken en tactieken die verband houden met inspectie, controle en toezicht niet naar buiten toe bekend wordt. De informatie kan gegevens bevatten die betrekking hebben op door ambtenaren van een bepaalde dienst gehanteerde controletechnieken en strategieën, die een inzicht verschaffen In de wijze van werken van de dienst. Openbaarmaking van deze gegevens kan ertoe leiden dat burgers hun gedrag hier zodanig op afstemmen dat het belang van effectieve controle op onaanvaardbare wijze wordt geschaad. Onder de bescherming van deze uitzonderingsgrond valt ook informatie die inzicht geeft in de opsporingstechniek en de werkwijze van een opsporings- en toezichtsdienst. Algemene informatie over de toezichtstaak van de gemeente is wel openbaar, zoals het aantal formatieplaatsen en proces-verbalen dat in een jaar is opgemaakt.
e. eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid onder e Wob) De afweging die moet worden gemaakt gaat over de vraag of openbaarmaking van de betrokken documenten een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert dat 1 1
het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken persoon. Uitgangspunt is dat de persoonlijke levenssfeer van personen in het algemeen niet in het geding is voor zover het uitsluitend het beroepshalve functioneren betreft. Voorbeelden van gegevens over beroepshalve functioneren zijn bijvoorbeeld: datum van indiensttreding en gegevens over opleiding van individuele ambtenaren. Wanneer in een bepaald document alleen sprake is van persoonsgegevens zoals namen en adressen die leiden tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van deze personen, dan kan door middel van het weglaten van deze gegevens tot openbaarmaking worden overgegaan. Een reden om tot het opleggen van geheimhouding over te gaan kan wel in het geval dat de betrokken ambtenaren gerede angst hebben voor intimidatie, persoonlijk geweld of enig andere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer geldt niet voor rechtspersonen (BV's, NV's, stichtingen etc). Deze grond is eveneens niet van toepassing als de betrokkene heeft ingestemd met openbaarmaking.
f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie Deze uitzonderingsgrond is ook van toepassing op geadresseerden binnen de overheid. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan toezending van stukken aan (ambtenaren van) andere bestuursorganen of aan derden die aan intern beraad deel hebben genomen. Ook openbaarmaking van collegevoorstellen die nog naar het college zelf moeten worden gezonden, kan met een beroep op deze uitzonderingsgrond worden geweigerd.
g. onevenredige bevoor- of benadeling (art. 10. tweede lid onder g Wob) Deze grond is van toepassing in situaties waarin door bekendmaking een of meerdere partijen die bij de bestuurlijke aangelegenheid is betrokken, onevenredig voordeel of nadeel ondervindt. Dit voordeel of nadeel moet wel zo groot zijn dat het opweegt tegen het algemene belang dat informatie in principe voor iedereen toegankelijk moet zijn. Bij een beroep op deze uitzonderingsgrond moet expliciet worden aangegeven bij wie die bevoor- of benadeling plaatsvindt. Voorbeeld; Wanneer het gaat om voorwaarden die betrekking hebben op lopende en toekomstige contracten met derden, kan openbaarmaking daarvan de gemeente onevenredig benadelen. Eventuele contractpartners kunnen inzicht hebben in de voorwaarden waaronder de gemeente overeenkomsten aangaat. Potentiële contractspartners worden hiermee dan weer onevenredig bevoordeeld. In een dergelijk geval kan ook de b-grond (economische of financiële belangen van de gemeente) ten grondslag worden gelegd aan de geheimhouding. Het feit dat bepaalde informatie gebruikt zou kunnen worden voor een rechtszaak tegen de gemeente is over het algemeen 1 2
onvoldoende als argument om openbaarmaking te weigeren. Dit heeft echter wel zijn grenzen. Zo moet de gemeente de mogelijkheid hebben om zich bijvoorbeeld te laten adviseren over zijn juridische positie in een aangelegenheid, zonder dat zo'n juridisch advies door de wederpartij in zijn voordeel gebruikt kan worden. Ook hoeft de gemeente geen informatie te verstrekken die haar in een onevenredig nadelige positie brengt. Het is niet de bedoeling van de Wob dat de wederpartij via deze wet meer informatie kan krijgen dan op grond van het procesrecht wordt voorzien. Ook stukken van ambtenaren (voor intern beraad) kan de gemeente (of in voorkomende gevallen de ambtenaren zelf) in een nadelige positie brengen. NB. Artikel 11 van de Wob is niet van toepassing bij de oplegging van geheimhouding op grond van de Gemeentewet.*
1 3
Bijlage 2 juridische achtergronden
Artikel 72 Wetboek van Strafecht
1. Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie. 2. Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klacht.
Artikel 125 Grondwet
1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen. 2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.
Artikel 23 Gemeenwet
1. De vergadering van de raad wordt in het openbaar gehouden. 2. De deuren worden gesloten, wanneer ten minste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. 3. De raad beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 4. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de raad anders beslist. 5. De raad maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. De raad laat de openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 25 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.