Motie GL borging financien jeugdzorg bijlage van-systemen-naar-mensen
Tekst van het document
ADVIES 21/05 | Mei 2021
Jeugdzorg: van systemen naar mensen Tien aanbevelingen voor de korte termijn
SOCIAAL-ECONOMISCHE RAAD
1
Jeugdzorg: van systemen naar mensen Tien aanbevelingen voor de korte termijn
Aan de informateur, mevrouw M.I. Hamer
Deze publicatie betreft de door het DB vastgestelde versie van het advies, vooruitlopend op de officiële SER-uitgave
1
Algemeen Secretariaat
Aan de informateur Mevrouw M.I. Hamer De Tweede Kamer t.a.v. Bureau Woordvoering Kabinetsformatie Postbus 20018 2500 EA Den Haag
BETREFT
DEN HAAG ONS KENMERK BIJLAGE(N)
Briefadvies Jeugdzorg: van systemen naar mensen Tien aanbevelingen voor de korte termijn 21 mei 2021 m.vanden.burg@ser.nl E-MAIL 21.73783 06 1151 3855 TOESTELNUMMER Knelpuntennotitie en notitie over de totstandkoming van het briefadvies
Geachte mevrouw Hamer, Met dit briefadvies vragen wij uw aandacht voor de jeugdhulp (jeugd- en opvoedhulp, jeugd-GGZ en de zorg voor kinderen met een beperking), jeugdbescherming en jeugdreclassering (verder in deze brief jeugdzorg genoemd). Jeugdprofessionals, aanbieders van jeugdzorg en gemeenten werken hard om kinderen en gezinnen met problemen, passende hulp te bieden. Ondanks alle inspanningen kampt de jeugdzorg echter met grote knelpunten. Kinderen en gezinnen met ernstige problemen moeten vaak te lang wachten op zorg; voor hen is de noodzakelijke hulp vaak niet tijdig beschikbaar. Jeugdprofessionals worden gefrustreerd door een hoge werkdruk, knellende regels, hoge administratieve lasten, baanonzekerheid en moeten zich in bochten wringen om tijdig passende zorg te verlenen. Werkgevers kampen met financiële en personele tekorten. Jeugdzorgaanbieders zijn in hoge mate afhankelijk van de gemeente en kunnen niet te kritisch zijn op het geboden tarief en andere voorwaarden van de gemeente. Het verlies van een contract bij de gemeente ligt door deze afhankelijke positie altijd op de loer. Gemeenten op hun beurt zijn verantwoordelijk voor de jeugdzorg, maar het lukt ze niet grip te krijgen op de almaar stijgende uitgaven voor deze zorg, die andere publieke voorzieningen (dreigen te) verdringen. Ondertussen doet de coronacrisis er nog een flinke schep bovenop.
De raad heeft bij de vaststelling van zijn verkenning Zorg voor de toekomst (juni 2020) geconstateerd dat verdere gedachtenvorming rond de organiseerbaarheid en governance van onder andere de jeugdzorg wenselijk is. De afgelopen periode heeft de raad zich verdiept in de jeugdzorg vanuit de behoefte om aanbevelingen te doen die helpen om de sector op korte termijn op het juiste spoor te krijgen. De raad komt met adviezen in twee delen. Als eerste formuleren we in dit briefadvies aanbevelingen en uitgangspunten voor de korte termijn die bínnen het huidige jeugdzorgstelsel kunnen worden gerealiseerd om daarmee de meest urgente problemen (enigszins) te verlichten. Ze richten zich op de zaken waar een volgende kabinet direct mee aan de slag kan. Ze leiden tot een beter werkend jeugdstelsel, met minder uitvoeringskosten en minder bureaucratische procedures. Met deze aanbevelingen
2
zetten wij belangrijke stappen op weg naar een stelsel waarin niet het systeem maar de jeugdige en het gezin en de relatie met de jeugdzorgprofessional centraal staan. Maar er is meer nodig om de problemen in de jeugdzorg op te lossen. Een aantal vraagstukken blijft met dit briefadvies onbeantwoord, onder andere de toenemende vraag naar zorg, het voorzieningenniveau dat we als maatschappij beschikbaar willen stellen en de inrichting van het jeugdzorgstelsel. Dit laatste betreft de vraag of we er wel goed aan hebben gedaan om de jeugdzorg op deze wijze te decentraliseren en gemeenten bijna volledige beleidsvrijheid te geven bij het beleid, de inkoop en de uitvoering van de jeugdzorg. Wellicht is een ander sturingsmodel denkbaar, of is het beter om de jeugdzorg (of delen daarvan) op een ander niveau te organiseren. Deze fundamentele vraagstukken vergen een diepere analyse en ook meer tijd. Daarover zal de raad begin 2022 of zoveel eerder als mogelijk, een advies uitbrengen. Daarin zal hij de toekomst van de jeugdzorg ook plaatsen in het kader van het streven naar brede welvaart, van de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s: Sustainable Development Goals) en van de door de SER geformuleerde doelstellingen van sociaaleconomisch beleid. Dit briefadvies gaat over de jeugdzorg in brede zin. Dit omvat de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering.
Jeugdhulp is de ondersteuning en zorg aan jeugdigen en hun ouders met psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking van de jeugdige, of opvoedingsproblemen van de ouders. Wanneer wij het hebben over ‘jeugdzorg’, bedoelen wij de brede jeugdhulp (waaronder jeugd- en opvoedhulp, pleegzorg, gezinshuiszorg, ambulante en residentiele jeugdzorg(plus), jeugd-GGZ en de zorg voor kinderen met een beperking), de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Als bijlage bij dit briefadvies treft u een knelpuntennotitie aan, waarin we uitvoerig ingaan op de problemen waar jeugdigen en hun gezinnen, jeugdprofessionals een jeugdzorgaanbieders zoal tegenaan lopen. Hiermee geven we een beeld van de discussie die we hebben gevoerd bij de totstandkoming van dit briefadvies. We pretenderen hiermee niet een volledig beeld te geven van wat er speelt in de jeugdzorg; positieve ontwikkelingen, die er ook zijn, worden hierin niet genoemd. Dit advies is voorbereid door de Commissie Sociale Zekerheid en Gezondheidszorg van de SER. De commissie is bijgestaan door de Werkgroep Jeugdzorg. Naast vertegenwoordigers van jeugdprofessionals en jeugdzorgorganisaties zijn ook vertegenwoordigers van cliënten en gemeenten betrokken geweest. In bijlage 2 kunt u meer lezen over de totstandkoming van dit briefadvies.
In dit briefadvies schetsen we eerst kort de knelpunten door jeugdigen, jeugdprofessionals, jeugdzorgaanbieders en gemeenten worden ervaren. In de knelpuntennotitie die als bijlage bij dit briefadvies hoort, gaan wij uitvoerig in op deze knelpunten. Waar mogelijk onderbouwen we deze met cijfers. Vervolgens worden in dit briefadvies tien oplossingsrichtingen en aanbevelingen geschetst. Hierbij gaan we in op de hulpverlening, het borgen van de continuïteit van zorg, de governance en het creëren van de juiste randvoorwaarden. Omdat onze aanbevelingen een samenhangend geheel vormen, is het niet onze bedoeling ze als een keuzemenu te presenteren. Tot slot geven we kort de vraagstukken weer, die de SER in het vervolgadvies zal behandelen.
3
Knelpunten Jeugdigen en hun ouders ervaren verschillende problemen met betrekking tot de jeugdzorg. Ten eerste ervaren zij nog te vaak dat zij te weinig worden betrokken bij het bepalen van de doelen van de in te zetten hulp en de vormgeving van het hulpverleningstraject. Zij wensen dat hier verbetering in komt. Als gevolg van de oplopende wachtlijsten voor met name hulp bij complexe problematiek kunnen jeugdigen vaak niet tijdig worden geholpen en verergeren de problemen. Daarbij komt het vaak voor dat jeugdigen te veel verschillende hulpverleners zien langskomen, of dat er niet een passende beschikking inclusief passende duur is afgegeven. Daarnaast weten jeugdigen en hun ouders met een hulpvraag vaak niet waar zij terecht kunnen. Dit komt doordat er grote verschillen zijn tussen gemeenten in hoe zij de toegang tot jeugdzorg regelen, en hierover niet altijd duidelijk communiceren. Ook de overgang naar volwassenenzorg zorgt voor problemen, omdat de continuïteit van zorg niet altijd goed geborgd is. Als gevolg van de gemeentelijke autonomie en beleidsvrijheid bepalen gemeenten het aanbod van zorg, de toegang en de aard en omvang van de jeugdhulp. Dit wordt door jeugdigen en hun ouders als rechtsongelijkheid ervaren: dezelfde gevallen kunnen in de ene gemeente anders worden behandeld dan in een andere gemeente. Veel jeugdprofessionals zitten aan alle kanten klem.
De werkdruk en administratieve lasten zijn hoog. Ook zijn veel jeugdprofessionals ontevreden over de arbeidsomstandigheden, de hoge mate van bureaucratie en de arbeidsvoorwaarden. Door personeelstekorten, de hoge caseload en alle tijd die jeugdprofessionals kwijt zijn aan registratie, administratie en bureaucratische procedures zijn jeugdprofessionals vaak niet goed in staat om de hulp te bieden die nodig is. De beroepscodes en vakinhoudelijke richtlijnen van de beroepsgroep kunnen niet altijd worden nageleefd. Veel zorgprofessionals lopen op hun achterste benen. Dit leidt tot een hoog verzuim en een hoge uitstroom uit de sector. Kwetsbare kinderen en jongeren en hun gezinnen zijn de dupe. Zij kunnen er niet meer op rekenen dat zij tijdig worden geholpen. Jeugdigen met ernstige problematiek moeten vaak lang wachten voordat zij geholpen worden. De coronacrisis heeft de problematiek verergerd. De psychische problematiek onder jongeren is in aantal en ernst toegenomen en de werkdruk en personele tekorten zijn gegroeid. Dit heeft ertoe geleid dat de wachtlijsten voor met name jeugdigen met ernstige (GGZ-)problematiek, zoals suïcidaliteit, eetstoornissen en zelfbeschadiging, een opeenstapeling van problemen, nog langer zijn geworden. In een aantal gemeenten is er onvoldoende aanbod, waardoor kansen gemist worden om uithuisplaatsingen te voorkómen.
Het aantal crisismeldingen is gegroeid. Hierdoor nemen de wachtlijsten voor de reguliere zorg verder toe, want een acute hulpvraag gaat voor. Al wachtend kan de ernst van de problematiek toenemen en uiteindelijk ook uitmonden in een crisissituatie. We zien dat een preventieve infrastructuur en integraal werken binnen gemeenten nog niet goed van de grond komt. Integraal werken blijkt lastig en preventieve programma’s worden niet duurzaam en structureel aangeboden. Bovendien wordt hierbij nog onvoldoende gebruik gemaakt van bestaande vakkennis en evidence based, effectief aanbod. De problemen en achterliggende factoren houden elkaar in stand en versterken elkaar. Er is sprake van een neerwaartse spiraal. De financiële tekorten bij gemeenten versterken de behoefte van gemeenten om grip te houden op de uitgaven van jeugdzorg. Er is vanuit veel gemeenten een sterke focus op controle en verantwoording.
4
De regeldruk en bureaucratie nemen verder toe omdat gemeenten of regio’s ieder op hun eigen manier de zorg inkopen en organiseren. Dit leidt tot een verder oplopende werkdruk en tenslotte ook uitstroom uit de sector. De SER ziet dat er sprake is van onduidelijkheid in rollen en taken van gemeenten, de rijksoverheid, jeugdzorgaanbieders en jeugdprofessionals en de verschillende partijen zijn onvoldoende in staat om hun taken goed uit te voeren. Uniforme landelijke normen, kaders en kwaliteitseisen voor de jeugdzorg ontbreken, waardoor er een grote diversiteit in beleid, uitvoering en inkoop tussen gemeenten is ontstaan. Het is daarom ten eerste van belang dat de randvoorwaarden goed worden geregeld, zodat alle partijen hun rol goed kunnen vervullen. Aanbevelingen De SER beveelt aan een aantal uitgangspunten in de uitvoering van de jeugdzorg te hanteren en maatregelen te nemen om de meest urgente problemen te verlichten, waardoor de rust, stabiliteit en voorspelbaarheid in de sector kunnen terugkeren. De aandacht moet komen te liggen bij de inhoud van de zorg en bij de relatie tussen de jeugdige, zijn of haar ouders en het directe netwerk enerzijds en de jeugdprofessional anderzijds. Er ontstaat zo ruimte om verder te werken aan verbetering, innovatie en transformatie van de jeugdzorg die met de decentralisatie is ingezet.
Achtereenvolgens formuleren we uitgangspunten die betrekking hebben op de hulpverlening, de samenhang in het zorglandschap, de governance en de randvoorwaarden. Verbetering van de hulpverlening De aanbevelingen 1 en 2 hebben betrekking op de hulpverlening en richten zich op jeugdzorgaanbieders en gemeenten. 1. Stel de jeugdige en zijn of haar ouders in staat om echt mee te praten Om een goede keuze voor een zorgaanbieder mogelijk te maken, is het belangrijk dat jeugdigen en hun ouders/verzorgers zicht hebben op het aanbod en de kwaliteit van jeugdzorg (in hun regio), de wijze waarop de toegang is geregeld en de wachttijden. Hiervoor is een transparant jeugdzorgaanbod voorwaarde. Omdat er geen inzicht bestaat in dat aanbod, is het voor een jeugdige en zijn of haar ouders onmogelijk om een goede keuze voor een zorgaanbieder te maken. Wanneer de keuze voor een zorgaanbieder is gemaakt, is het voor een zo groot mogelijk en duurzaam (behandel)resultaat belangrijk dat de jeugdige en/of zijn of haar ouders participeren in de besluitvorming en het (behandel)proces. Uitgangspunt is dat jeugdprofessionals samen met ouders én jeugdige beslissen over de inzet van professionele hulp.
Voor een duurzaam resultaat is het nodig dat de jeugdprofessional, de jeugdige en de ouders een gedeelde visie krijgen op de vragen en problemen, dat de doelen en wensen van ouders en jeugdigen in het hulpverleningsproces voorop staan en dat zij gezamenlijk werken aan het verbeteren van de situatie. Wanneer ouders én jeugdigen meebeslissen, heeft dit een positieve invloed op de uitkomst van zorg of behandeling1. Hierbij is het nodig dat jeugdigen en hun ouders goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om mee te praten. Wettelijk is geregeld dat alle jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een klachtenregeling en -commissie 1
https://richtlijnenjeugdhulp.nl/samen-beslissen-over-passende-hulp/het-beslisproces/samen-metouders-en-jeugdige-beslissen/
5
en een cliëntenraad hebben. Veel jeugdigen en hun ouders zijn echter niet goed op de hoogte van deze mogelijkheden. De positie van de cliënt kan worden verstevigd door de jeugdige en zijn of haar ouders beter te informeren over de mogelijkheden die er zijn, zoals de mogelijkheid via de cliëntenraad invloed uit te oefenen. Daarnaast kunnen de mogelijkheden van cliëntondersteuning, het aantekenen van bezwaar tegen een beschikking of het inschakelen van een vertrouwenspersoon beter onder de aandacht worden gebracht. Ook het actief betrekken van een steunfiguur uit het netwerk van de jongere als gelijkwaardige partner bij de besluitvorming omtrent het behandeltraject kan bijdragen aan versterking van de positie van de jeugdige en zijn/haar ouders. Tevens is het van belang dat de diverse klachtenprocedures inzichtelijker en toegankelijker voor cliënten zijn en beter in onderlinge samenhang georganiseerd worden. De rechtspositie van jeugdigen in gesloten instellingen verdient extra aandacht en dient verbeterd te worden. Tot slot dient de inzet van ervaringsdeskundigheid, de inspraak van jeugdigen bij het gemeentelijk (jeugdzorg)beleid en het gemeentelijk inkoopproces verbeterd te worden. Dit komt niet altijd goed van de grond. Wij pleiten voor een verplichte en betaalde inzet van ervaringsdeskundigen. 2.
Versterk de professionele autonomie In hun poging grip te houden op de kwaliteit, toegankelijkheid en uitgaven van de jeugdzorg hebben gemeenten procedures en administratieve processen ingericht en vragen zij de jeugdzorgaanbieders te voldoen aan diverse administratieve verplichtingen. Onder druk van de toenemende financiële tekorten is de focus in de sturing door de gemeente eenzijdig komen te liggen bij kostenbeheersing en kwantitatieve en financiële controle. De pogingen van gemeenten en politici om grip te houden op de jeugdhulp hebben tot onbedoelde en onwenselijke effecten geleid. De regels, processen en procedures zijn zo beklemmend, dat ze maatwerk door de jeugdprofessional, het handelen conform de beroepscode en de vakinhoudelijke richtlijnen en een tijdige inzet van passende zorg in de weg staan. Ook zorgen ze voor extra administratieve last voor de professional, waardoor de werkdruk verder oploopt en het werkplezier afneemt. Hoewel gemeenten hier verschillend mee omgaan, noemen we ter illustratie enkele voorbeelden van regels en procedures.
De te leveren zorg moet passen binnen de ingekochte producten, hulpverleningstrajecten moeten binnen zoveel maanden worden afgerond, jeugdprofessionals moeten eerst zorgen voor een geldige beschikking voordat een kind kan worden geholpen en een snelle doorverwijzing naar intensievere vormen van zorg wordt uit financiële overwegingen door gemeenten ontmoedigd. Om ervoor te zorgen dat de jeugdige tijdig passende jeugdzorg krijgt, is het nodig dat de jeugdprofessional de ruimte krijgt om tijdig verantwoorde hulp te bieden. Verantwoorde hulp is hulp die veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verleend, afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en/of het gezin. Daarbij laat de jeugdprofessional zich leiden door de beroepscode en professionele standaard(en) en neemt hij/zij de grenzen van wet- en regelgeving in acht. Ook moeten we van de jeugdprofessional kunnen verwachten dat hij of zij werkt volgens de state of the art, dat wil zeggen gebruik maakt van de kennis die er is over de effectiviteit van interventies en aanpakken2. Bij een professionele houding hoort ook een houding gericht op samenwerking, samenwerking tussen generalistische en specialistische 2
https://www.nji.nl/nl/Kennis/Dossier/Effectieve-jeugdhulp/Effectieve-professionals/Wat-is-werkzaam?
6
professionals, maar tussen jeugdzorg en aanpalende terreinen. Daarnaast is van belang dat de professional voortdurend in staat wordt gesteld te blijven leren. En bij een professionele houding hoort ook een gezonde mate van kostenbewustzijn. Ook hiervoor geldt dat professionals in staat moeten zijn om kostenbewust te handelen. Deze ruimte die professionals (nodig) hebben om hun beroep uit te oefenen in afstemming met de jeugdige en/of het gezin wordt de professionele autonomie genoemd. Deze autonomie is er alleen als de organisatie ruimte geeft voor zelfstandig beroepsmatig handelen en als professionals de verantwoordelijkheid nemen voor een professionele beroepshouding3. Autonomie gaat ook over (mede) zeggenschap bij de beleids- en besluitvorming en over het maken van op informatie gebaseerde afwegingen, zowel binnen een organisatie als bij keuzes ten aanzien van landelijk beleid. Hiervoor is onder meer transparantie nodig over bedrijfsvoering en contractonderhandelingen. Bureaucratische procedures, regels en administratieve verplichtingen van gemeenten en zorgaanbieders kunnen op gespannen voet staan met de professionele autonomie omdat ze (te) los staan van de professionele standaarden. Er wordt te weinig op kwaliteit gestuurd. Het is nodig dat de professionele autonomie wordt gerespecteerd en versterkt, wat hand in hand gaat met vermindering van regeldruk.
Dat kan betekenen dat jeugdprofessionals van bepaalde administratieve regels en procedures gemotiveerd kunnen afwijken als dat nodig is om verantwoorde hulp te bieden. Bij de formulering van nieuw beleid dient aandacht te bestaan voor regeldruk en wat het betekent voor het dagelijkse werk van de zorgprofessional. De overheid heeft een belangrijke rol wanneer het gaat om standaardisatie en coördinatie 4 (zie verder ook punt 8). Samenhangend jeugdzorgaanbod De aanbevelingen 3, 4 en 5 richten zich op gemeenten en jeugdzorgaanbieders. 3. Versterk de expertise in lokale teams De inbreng van brede en specialistische kennis bij lokale teams 5 vergroot de kans om complexe en minder complexe problemen eerder te signaleren, waardoor het lokale team beter in staat is de triage goed uit te voeren en waardoor de inzet van passende zorg sneller mogelijk is6. Dat houdt in het tijdig doorverwijzen naar de beste passende specialistische jeugdzorg (inclusief passende duur van de beschikking), het voorkomen van onterechte doorverwijzing en de ‘afschaling’ naar het preventieve “voorveld” (jeugdwelzijnswerk, jongerenwerk, schoolmaatschappelijk werk, etc.). Goede samenwerking tussen de lokale teams en de specialistische jeugdzorg en jeugdbescherming en tussen de lokale teams en het genoemde voorveld is nodig. De lokale teams spelen een sleutelrol bij de versterking van het preventieve voorveld en 3
Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, Model Professioneel Statuut Jeugdhulp en Jeugdbescherming.
4
SER (2020) Zorg voor de Toekomst. Over de toekomstbestendigheid van de zorg, Verkenning 20/02.
5
Lokale teams zijn vrij toegankelijke teams, die multidisciplinair zijn samengesteld, soms met beroepskrachten uit verschillende instellingen. De lokale teams houden zich bezig met preventie en zijn verantwoordelijk voor de toegang (doorverwijzing) tot specialistische jeugdhulp. Vaak bieden ze zelf ook lichte hulp en ondersteuning. Verreweg de meeste gemeenten werken met de inzet van lokale teams. Soms richten ze zich op alle inwoners, soms richten ze zich speciaal op jeugdigen en hun ouders.
6
NJi (2020) Betere zorg voor kinderen, jongeren en gezinnen in de meest kwetsbare omstandigheden en/of met de meest complexe problemen Een bijdrage aan de dialoog over de ontwikkeling van essentiële functies en expertises in het jeugdzorglandschap.
7
het pedagogisch klimaat. Tevens hebben de lokale teams een belangrijke rol bij de inbedding van de specialistische zorg in de natuurlijke omgeving van het kind: het gezin, de school en de wijk. Spoedige realisatie van de vijf basisfuncties7 en kwaliteitseisen voor veiligheid van lokale teams is nodig. Ook voor lokale teams zou het goed zijn om de kwaliteit vast te leggen in bijvoorbeeld een kwaliteitskader of een professioneel statuut, zodat deze lokale teams samen met de huisarts, het consultatiebureau en de schoolarts een stevige eerste lijn vormen voor kinderen, jongeren en hun ouders met problemen. 4. Zorg voor continuïteit van zorg en een soepele overgang naar volwassenenzorg Voor jongeren die voor hun 18de verjaardag een beroep op de jeugdzorg doen is het belangrijk dat de jeugdzorg indien nodig gecontinueerd wordt tot hun 23e verjaardag (vanuit de verlengde jeugdhulp of op basis van de andere van toepassing zijnde wettelijk kaders zoals de Zvw, Wlz of Wmo). Verlengde jeugdhulp is wettelijk al mogelijk, maar wordt in praktijk niet altijd goed opgevolgd, onder meer door financiële tekorten. Daarom moeten de gemeentelijke budgetten worden afgestemd op het aandeel jongeren dat vanaf hun 18e verjaardag jeugdzorg ontvangt.
Gemeenten en andere betrokken partijen zouden bij de overgang naar volwassenenzorg niet alleen gefocust moeten zijn op continuïteit van zorg, maar ook aandacht moeten hebben voor de vier overige leefgebieden: huisvesting, financiën en bestaanszekerheid, school of werk en sociale steun (de zogenaamde BIG5). Hierbij is vroegtijdige voorbereiding op een goede overdracht naar volwassenenzorg van belang. Gemeenten moeten goed voor ogen houden wat deze overgang voor de jongere betekent op de vijf leefgebieden en spelen een cruciale rol in het zorg dragen voor continuïteit van ondersteuning en een soepele overgang. 5. Zet in op preventie en integraal werken Om een kind goed te kunnen helpen is het nodig om integraal te werken en verbinding te maken tussen de domeinen of leefgebieden waar een kind mee te maken heeft. Belangrijke taak van gemeente, aanbieders en professionals is ook om de samenwerking en samenhang tussen het aanbod van jeugdzorg en aanpalende terreinen tot stand te brengen en te bevorderen. Bij die aanpalende terreinen gaat het o.a. om (speciaal) onderwijs, sociaal werk, kinderopvang en gastouderopvang, jeugdgezondheidszorg, schoolmaatschappelijk werk, jeugd- en jongerenwerk.
Afhankelijk van wat er speelt, is het belangrijk om ook de verbinding te maken met andere leefgebieden of domeinen, bijvoorbeeld indien er sprake is van psychische problematiek of schulden bij de ouders. Integraal werken vraagt om een brede blik op de sociale context van het kind, waarbij het gezin en de bredere sociale omgeving worden betrokken. De website goedevoorbeelden.nl laat zien hoe de specialistische jeugdhulp over oude stelselgrenzen heen innoveert en zich verder door ontwikkelt. Preventieve voorzieningen kunnen 7
De vijf basisfuncties zijn: 1. Veilige leefomgeving: heb oog voor een veilige leefomgeving van de inwoner en pas de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toe. 2. Tijdig signaleren van vraag: wees aanwezig daar waar de doelgroep is, zodat vragen gezien worden. Maak verbinding met de wijk en werk ‘outreachend’. Investeer in preventie. 3. Vindbare en toegankelijke hulp: wees toegankelijk en vindbaar en voer een goede triage uit. 4. Handelen met een brede blik: verhelder de vraag, maak een plan van en met het gezin en verleen ondersteuning, beleg de regie, maak duidelijke afspraken, houd een vinger aan de pols en blijf zichtbaar en benaderbaar. 5. Leren en verbeteren: Verzamel inzichten over je handelen, deel ze, ga erover in gesprek en trek er lessen uit. (KMPG (2019) Basisfuncties lokale teams).
8
specialistische jeugdzorg niet alleen helpen voorkómen, maar ook bijstaan en ontlasten. Ook kan op deze wijze nazorg worden geboden als de jeugdzorg klaar is. Het is hierbij belangrijk dat ingezet wordt op versterking van de preventieinfrastructuur. In zo'n structuur zijn doeltreffende preventieve hulp en steun beschikbaar via de voorzieningen waar jongeren en hun gezin in hun dagelijks leven komen: op school, bij de kinderopvang of gastouderopvang, bij de jeugdgezondheidszorg, bij het jeugd- en jongerenwerk, op de sportclub en bij de huisarts. De vanzelfsprekend aanwezige sociale verbanden - zoals gezin, school, de wijk, het sociaal werk, - moeten hun ondersteunende functie optimaal kunnen vervullen en laagdrempelig toegankelijke hulp moet beschikbaar zijn. Door in te zetten op versterking van de preventie-infrastructuur kunnen we ervoor zorgen dat jeugdigen zich kunnen ontwikkelen en minder snel zwaardere problemen ontwikkelen. De overgang naar het ‘volwassenendomein’ vraagt ook aandacht voor de BIG5 (zie punt 4). De brede blik biedt kansen om beschermende factoren beter te benutten. Het is nodig dat de rijksoverheid domeinoverstijgende samenwerking faciliteert onder andere door betere afstemming van de doelen en uitgangspunten van verschillende wetten (zoals de Jeugdwet, Passend Onderwijs, Participatiewet, Wmo en Wlz).
Dit moet ertoe leiden dat jeugdigen en gezinnen minder last hebben van schotten tussen domeinen, het voor gemeenten en daarmee dus ook voor aanbieders die domeinoverstijgend werken, gemakkelijker wordt om op een integrale wijze hulp te bieden aan kinderen en gezinnen, ook als er sprake is van multiproblematiek. Governance Met de aanbevelingen met betrekking tot de governance, richten we ons in eerste instantie tot gemeenten. In tweede instantie ook tot het kabinet. De thema’s duurzaam partnerschap en uniformering van administratieve verplichtingen lenen zich goed voor bekrachtiging in algemeen verbindende voorschriften. Wij doen voor het thema passend schaalniveau geen uitspraken over de wenselijkheid van bekrachtiging in een algemeen verbindend voorschrift. Dat zullen we verder behandelen in het vervolgadvies. 6. Zorg voor een passende schaalgrootte bij de inkoop, organisatie en aansturing van jeugdzorg Om effectief en efficiënt te kunnen sturen, continuïteit van zorg te kunnen borgen en te kunnen beschikken over de benodigde deskundigheid, is het nodig dat de schaal van de inkoop (zowel strategisch als tactisch en operationeel), de contractering, de organisatie en de aansturing passend is bij de soort jeugdzorg (basiszorg, de specialistische en de hoogspecialistische jeugdzorg).
Daartoe moet het werkgebied van opdrachtnemer (jeugdzorgaanbieder) en opdrachtgever (gemeente/regio) zich tot elkaar verhouden. Dit uitgangspunt houdt in dat de preventieve jeugdzorg, de basiszorg en de toegang tot de specialistische jeugdzorg lokaal kunnen worden ingekocht of georganiseerd. Voor specialistische en hoogspecialistische jeugdzorg zal de inkoop, organisatie en aansturing plaats moeten vinden op een hoger schaalniveau dan het gemeentelijke. Het is voor nu van groot belang dat de regionale samenwerking, stabiliteit en bestuurskracht die kan leiden tot doorzettingsmacht, in het jeugdzorglandschap stevig geborgd worden. Op het vraagstuk van een regionale, bovenregionale of landelijke organisatie van jeugdzorg zullen we in het vervolgadvies dieper ingaan.
9
7. Realiseer duurzaam partnerschap met focus op samenhang in het jeugdzorgaanbod De manier waarop gemeenten de Open House methode toepassen bij de inkoop van jeugdzorg heeft geleid tot een enorme toename van het aantal aanbieders. Gemeenten hebben daarnaast een gebrek aan handvatten voor (inzicht in) kwaliteit, Beide factoren, open house en gebrek aan sturing op kwaliteit, leiden er toe dat gemeenten moeilijk grip kunnen houden op de jeugdzorg. Het zorglandschap is onoverzichtelijk en onsamenhangend en er is weinig samenwerking en weinig gedeeld leren. Door krimpende budgetten, taakverzwaring en personeelstekorten trekken aanbieders en professionals zich terug op hun eigen domein. De huidige wildgroei aan jeugdzorgaanbieders staat duurzaam partnerschap in de weg. Om de versnippering tegen te gaan en te komen tot een samenhangend aanbod van jeugdzorg, is goed zicht op wat nodig is van belang. De gemeente moet zicht hebben op de lokale en regionale opgave voor een goed functionerende sociale basisinfrastructuur en voor de jeugdzorg, op basis van beschikbare kennis en data. Ook de partijen uit het preventieve veld, zoals het sociaal werk, jeugd- en jongerenwerk, jeugdgezondheidszorg, scouting, de sportvereniging, steun- en meeleefgezinnen, etc. moeten worden meegenomen in de afspraken tussen de gemeente en de zorgaanbieders.
Deze partijen zijn onmisbaar wanneer het gaat om het realiseren van een civil society, waarin mensen elkaar ondersteunen en waarin hulpvragen op een laagdrempelige manier, dichtbij mensen, worden opgepakt. Het nodig dat er overzicht in het zorglandschap komt, meer samenwerking tussen jeugdzorgaanbieders onderling en dat het aantal contractpartners fors wordt gereduceerd. Bij dit laatste denken we niet aan het sluiten van jeugdzorgorganisaties, maar aan samenvoegen. Het is cruciaal dat de jeugdprofessionals en hun expertise behouden blijven. Meerjarige contracten tussen gemeenten en jeugdzorgzorgaanbieders zijn nodig en gemeenten zullen de samenwerking tussen jeugdzorgaanbieders moeten stimuleren. Hierbij is het belangrijk dat beleidsontwikkeling en sturing plaats vinden op basis van maatschappelijke doelen en beschikbare data. Bij de contractering gaan gemeente en jeugdzorgaanbieder een langdurige samenwerkingsrelatie aan, gebaseerd op vertrouwen en partnerschap. Hiermee ontstaat ruimte voor de jeugdprofessional, voor innovatie en voor lange termijn beleid. Duurzaam partnerschap biedt ruimte voor jeugdzorgaanbieders om de arbeidsomstandigheden van jeugdprofessionals aantrekkelijker te maken en langere contracten te bieden, met eerlijke tarieven op basis van kostprijsonderzoek. Het is noodzakelijk dat alle gemeenten en jeugdzorgaanbieders een langdurig partnerschap aangaan.
Zo zullen regio’s / gemeenten en jeugdzorgaanbieders steeds meer moeten gaan samenwerken vanuit het besef dat zij elkaar nodig hebben om passende gezinsgerichte hulpverlening voor kinderen, jongeren en hun ouders beschikbaar te stellen. 8. Vereenvoudig en uniformeer administratieve verplichtingen Gemeenten kiezen bij het inrichten van hun inkoop en verantwoording van jeugdzorg voor een eigen werkwijze, wat leidt tot diversiteit tussen maar ook binnen jeugdzorgregio’s. Aanbieders die voor meerdere gemeenten werken hebben hierdoor te maken met een grote diversiteit aan productcodes, specificaties, verantwoordingstermijnen, aanlevertermijnen, etc.. De meerwaarde van deze diversiteit weegt niet op tegen de administratieve lasten in termen van inspanning en kosten8. 8
J.B. Lorenz, Gemeenten belangrijke veroorzaker van administratieve lasten jeugdhulp.
10
Om het administratieve proces te vereenvoudigen en de administratieve lasten voor zowel de jeugdzorgaanbieder als de gemeente / regio te beperken pleiten wij ervoor om administratieve verplichtingen zoveel mogelijk landelijk te uniformeren. Het gaat in de eerste plaats om de in te kopen producten jeugdzorg, de tarieven hiervan, monitoringsen verantwoordingsverplichtingen en andere administratieve zaken, zoals factureringstermijnen. Wij zien dat er al veel producten ontwikkeld zijn ter verbetering van de uitvoering en de administratieve processen. Het Ketenbureau i-Sociaal domein ontwikkelt diensten ter vermindering van administratieve lasten. Probleem is dat de ontwikkelde producten als gevolg van de vrijblijvendheid niet (eenduidig) worden toegepast, wat een grote variatie aan administratieve verplichtingen tot gevolg heeft. VWS werkt in het programma ‘Ontregel de Zorg’ samen met de sector aan het terugdringen van administratieve lasten bij professionals in de jeugdzorg en het Wmodomein9. Een van de resultaten hiervan is het 4-partijen convenant ‘Stoppen met tijdschrijven’10. Ook het Wetsvoorstel ‘Wet maatschappelijk verantwoord inkopen jeugdwet en Wmo 2015’ is hier van belang.
De beoogde effecten van deze wet worden door ons ondersteund, namelijk beperking van de uitvoeringslasten van aanbesteden, het bewerkstelligen van reële prijzen in de Jeugdwet en het bewerkstelligen van op continuïteit gerichte opdrachtverlening of subsidiering. Wij betwijfelen echter of deze effecten worden gerealiseerd met het wetsvoorstel dat ter consultatie is voorgelegd. Hierbij willen we de volgende overwegingen meegeven: • Het aantal producten dient zo veel mogelijk te worden beperkt en zo omschreven te worden dat ze eenduidig worden geïnterpreteerd. Hierbij wordt een werkwijze afgesproken met gemeenten, professionals en aanbieders, met afspraken over de frequentie van monitoring en aanpassing. Aandachtspunt hierbij is het voorkomen van cherry picking, het verschijnsel dat zorgaanbieders zich binnen een productgroep richten op de lichtere cliënten. • De vaste reële tarieven van producten zijn kostendekkend, doen recht aan de complexiteit van de zorg en zijn vastgesteld op basis van (beschikbaar) kostprijsonderzoek. Tariefregulatie en toezicht dragen hieraan bij. Een fatsoenlijk salaris vormt de basis van de tarieven. Jaarlijks vindt indexering plaats. Bijscholing, loopbaanpaden, doorontwikkeling vakmanschap, innovatie en samenwerking zijn in ieder geval onderdeel van de kostendekkende tarieven.
Sommige aanbieders ontvangen een extra opslag voor aanvullende systeemfuncties, zoals bijvoorbeeld opleiding en onderzoek , crisisdienst of een rol in uitvoering van de Wet verplichte ggz. • Het is daarnaast nodig om het gebruik van de ontwikkelde uniforme monitorings- en verantwoordingsverplichtingen en verplichtingen met betrekking tot facturatie te uniformeren, zoals met formats en vastgestelde termijnen voor alle gemeenten verplicht te stellen. De monitorings- en verantwoordingsverplichtingen zullen ook bruikbaar moeten zijn in het kader van de leer- en verbetercyclus binnen de jeugdzorgorganisatie.
9
Uit de landelijke schrapdagen die in het kader van het programma ‘ontregel de zorg’ zijn georganiseerd, zijn voor de jeugdzorg de volgende zes administratieve ergernissen naar voren gekomen: 1. Tijdschrijven 2. Beschikkingen 3. Verantwoordingsprocessen aanbieders 4. Controlerende instanties: accountants, inspectie en SKJ 5. Toegang 6. Verschillen binnen een regio tussen gemeenten.
10
‘Stoppen met tijdschrijven in de jeugdzorg’, convenant van het Ministerie van VWS, de VNG, Jeugdzorg Nederland en de FNV (mede namens CNV).
11
Creëren van de juiste randvoorwaarden De aanbevelingen 9 en 10 richten zich aan het nieuwe kabinet. De rijksoverheid is verantwoordelijk voor het creëren van de juiste randvoorwaarden. 9. Duidelijke afspraken tussen rijk en gemeenten nodig In de knelpuntennotitie die bij dit briefadvies hoort, gaan we in op de hoge verwachtingen bij de decentralisatie van de jeugdzorg. Verondersteld werd dat gemeenten als meest nabije overheid de jeugdzorg doelmatiger en goedkoper zouden kunnen organiseren. Ook ging men er van uit dat door investeringen in preventie en vroegsignalering het beroep op duurdere, specialistische zorg zou afnemen. Beide effecten zijn niet gerealiseerd. De beoogde omslag naar meer preventie is niet uitgekomen, hetgeen een belangrijke aanname was bij de bezuiniging op het macrobudget van de jeugdzorg in 2015. Ook wordt in de knelpuntennotitie uitvoerig ingegaan op de wijze waarop gemeenten de jeugdzorg organiseren en inkopen en hoe zij jeugdzorgaanbieders aansturen. Dit heeft geleid tot hoge administratieve lasten, hoge uitvoerings- en coördinatiekosten voor jeugdzorgaanbieders en jeugdprofessionals, met gevolgen op personeel en financieel vlak en een onoverzichtelijk jeugdzorglandschap. Tegelijkertijd zien we ook dat de vraag naar jeugdzorg groeit. Dit alles heeft geleid tot stijgende uitgaven voor jeugdzorg.
Sinds de decentralisatie zijn de uitgaven voor jeugdzorg met 53% gestegen van 3,6 miljard in 2015 naar 5,5 miljard in 2019. Het financiële tekort op de jeugdzorgtaken bedraagt ongeveer 1,5 miljard euro per jaar; ruim 2 op de 3 gemeenten kampt met tekorten. En ook veel grote jeugdzorginstellingen verkeren in zwaar weer, vanwege de niet-kostendekkende tarieven van complexe zorg, en de onvoldoende vergoeding voor systeemfuncties als onderwijs, onderzoek, crisisopvang, etc. Tegelijkertijd blijkt dat circa 29% van het beschikbare budget opgaat aan zogenaamde coördinatiekosten (in plaats van aan jeugdzorg zelf). Een deel hiervan zijn vermijdbare kosten, zoals hoge administratieve lasten door versnipperde inkoop. Het nieuwe kabinet zal met de gemeenten duidelijke afspraken moeten maken over hoe gemeenten de uitvoering van jeugdzorgtaken zullen verbeteren, zodat jeugdigen en gezinnen de zorg krijgen die ze nodig hebben. Wij pleiten ervoor om hier ook (vertegenwoordigers van) cliënten, jeugdzorgaanbieders, jeugdprofessionals en vakbonden bij te betrekken. Het is belangrijk dat ook het financiële conflict tussen rijk en gemeenten wordt beslecht, zodat gemeenten hun taken beter kunnen uitvoeren. Wij kunnen ons hierbij voorstellen dat er extra middelen nodig zijn. Het is belangrijk om hier twee voorwaarden aan te stellen.
Ten eerste moet dit gekoppeld worden aan een niet vrijblijvende veranderaanpak van gemeenten. Ten tweede is het nodig dat de eventuele extra middelen aan de zorg zelf worden besteed11. De SER constateert ook dat er voorlopers van gemeenten zijn die, in afwijking van bovenstaand beeld, de jeugdzorg anders organiseren. Daarom is het goed om te inventariseren welke gemeenten dat zijn, hoe zij dat aanpakken en wat de resultaten daarvan zijn. Deze analyse en de bevindingen daarvan zullen ook worden benut bij het vervolgadvies van de SER. 11
Inmiddels heeft Blokhuis in zijn brief van 22 april aan de Tweede Kamer aangegeven dat 613 miljoen euro extra beschikbaar wordt gesteld voor jeugdzorg in 2021. Hierbij zijn ook afspraken gemaakt tussen rijk en gemeenten waaraan de extra middelen besteed worden en hoe de houdbaarheid van het jeugdstelsel bevorderd kan worden.
12
Mogelijk kan dit ook een bron van inspiratie zijn voor de vele andere gemeenten die met dit vraagstuk worstelen. 10. Verduidelijk het toezicht Toezicht op de jeugdzorg wordt gehouden door de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de recent ingestelde Jeugdautoriteit (JA). De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van zorg en de Jeugdautoriteit houdt toezicht op de continuïteit van zorg. Wij vinden het van belang dat de IGJ ook toeziet op de kwaliteit van de geboden hulp van de lokale teams, inclusief de toegang tot specialistische jeugdhulp. Een aanvulling en aanscherping van de wettelijke taken en bevoegdheden van de Jeugdautoriteit zijn nodig om dit stelsel weer op de rails te krijgen. Ook vinden we het van belang dat toegezien wordt op de inbedding van professionele standaarden in de organisatie, zodat het verschil tussen de professionele en bestuurlijke wereld kleiner wordt of kan worden opgeheven. Via het Toezicht Sociaal Domein (TSD) spelen ook andere inspecties en toezichtinstanties een rol. Het TSD houdt onder andere in de gaten of organisaties zich houden aan de kwaliteitseisen in de Jeugdwet. In het TSD werken de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie Justitie en Veiligheid en Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen. Het KeurmerkInstituut ziet toe op de gecertificeerde instellingen.
De Jeugdwet bepaalt dat de samenwerkende inspecties toezicht houden op de jeugdhulpaanbieders en de organisaties van de jeugdbescherming en jeugdreclassering. Een goede samenwerking en afstemming tussen de IGJ, TSD en de Jeugdautoriteit is nodig; de kwaliteit en continuïteit van zorg liggen in elkaars verlengde. De Jeugdautoriteit moet beschikken over mandaat cq. doorzettingsmacht. Wij pleiten voor een verduidelijking van taken van toezichtinstanties en voor het stroomlijnen van toezichtstaken met het doel het toezicht effectiever te maken. Op 15 maart 2021 hebben de Jeugdautoriteit en de IGJ hun samenwerking bekrachtigd in een protocol. Beide partijen zien vanuit hun eigen verantwoordelijkheid toe op de jeugdhulp in Nederland. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en de JA op de marktwerking van jeugdhulp. Samenwerking vergroot de slagkracht en zorgt voor zo een optimaal mogelijke taakuitoefening van IGJ en JA. Het gaat onder meer om samenwerking op het gebied van beleid, regelgeving, toezicht en informatieverstrekking. Ook dient het toezicht op de rol en uitvoering van gemeenten goed geborgd te zijn, daar zit nu een lacune. Momenteel werken de Jeugdautoriteit, de VNG en BGZJ aan een convenant, dat een goede basis moet bieden voor latere wettelijke borging. Tot slot Dit korte termijn advies gaat over de nodige verbeteringen binnen het stelsel.
We pleiten voor een verbetering van het huidige gedecentraliseerde stelsel met meer eenvoud, uniformiteit en stabiliteit, meer ruimte voor de jeugdprofessional om het werk goed te kunnen doen en meer samenhang in het jeugdzorgaanbod. Onze voorstellen richten zich op verbetering van de uitvoering en kunnen zonder (ingrijpende) wijzigingen in wet- en regelgeving worden doorgevoerd. Wij verwachten dat met de implementatie van deze korte termijn aanbevelingen de uitvoeringskosten en administratieve lasten tot een aanvaardbaar niveau zullen worden teruggebracht, dat de hulpvraag van de jeugdige en zijn of haar gezin meer centraal
13
komt te staan en dat er meer ruimte voor de zorgprofessional ontstaat. Wij achten het nodig om naast gemeenten en jeugdzorgaanbieders ook cliënten, jeugdprofessionals en vakbonden te betrekken bij de verdere uitwerking en implementatie van deze aanbevelingen. Naast deze aanbevelingen gericht aan het nieuwe kabinet en gemeenten, zien we dat er ook voor jeugdprofessionals en jeugdzorgaanbieders een opgave ligt. Jeugdprofessionals zouden nog beter gebruik kunnen maken van bewezen effectieve methoden, zouden de moed moeten hebben om gemotiveerd af te wijken van regels of protocollen als dat nodig is om passende zorg te leveren en zouden nog beter kunnen samenwerken met collega-professionals en het netwerk rond het gezin. Jeugdprofessionals moeten binnen de organisatie ruimte en steun krijgen om te doen wat nodig is zodat jeugdigen en hun gezinnen tijdig passende zorg ontvangen. Voor jeugdzorgaanbieders is het van belang om ook op andere aspecten invulling te geven aan goed werkgeverschap. Daarnaast verdient de bedrijfsvoering bij sommige jeugdzorgaanbieders de nodige aandacht. Ook kunnen innovatie en inzet van alternatieve vormen van zorg (zo thuis mogelijk) meer worden gestimuleerd. En last but not least is het stimuleren van de inzet van de ervaringsdeskundigheid en jongerenparticipatie een belangrijk aandachtspunt.
De fundamentele vraagstukken ten aanzien van het jeugdzorgstelsel worden met dit korte termijn advies niet opgelost of beantwoord. Daarom wil de raad begin 2022, of zoveel eerder als mogelijk, een vervolgadvies over de jeugdzorg uitbrengen. Centrale vraag van het vervolgadvies is hoe we ervoor kunnen zorgen dat de beschikbare middelen goed worden besteed en worden ingezet voor de meest kwetsbare groepen. De Raad zal in vervolg op dit briefadvies de inrichting van het jeugdzorgstelsel onder de loep nemen. Daarnaast is het, gezien de groeiende vraag naar jeugdzorg en de daarmee samenhangende kostenexplosie, ook nodig om een visie te ontwikkelen als antwoord op de vraag voor welke problemen van jeugdigen en voor welke jeugdzorg we als maatschappij willen betalen. Daarbij willen we in het vervolgadvies ingaan op wat we mogen verwachten van preventie en vroegsignalering. We zullen hiermee niet alleen een bijdrage leveren aan een goede inrichting van het jeugdzorgstelsel maar ook aan de financiële beheersbaarheid van de jeugdzorg.
Hierbij zijn de volgende vragen aan de orde: Preventie • Wat mogen we verwachten van de versterking van preventieve jeugdzorg en vroegsignalering? • In hoeverre kunnen door versterking van het opgroei- en opvoedklimaat, ergere problemen en een beroep op intensievere zorg worden voorkómen? • Hoe kunnen we de inzet op preventie stimuleren en versterken? Demedicalisering en normalisering • Wat mogen we verwachten van demedicalisering en normalisering? • Welke hulp en zorg willen we als maatschappij voor kinderen, jongeren en hun gezinnen beschikbaar houden? Organisatie en toezicht • Welk sturingsmodel verdient de voorkeur bij de inrichting van het jeugdzorgstelsel? • Op welk niveau (lokaal, regionaal en landelijk) moet welke vorm van jeugdzorg geregeld worden?
14
• • •
Welke mate van uniformiteit versus diversiteit is passend en in hoeverre zijn verschillen in het voorzieningenaanbod acceptabel? Hoe moet het toezicht worden ingericht? Hoe moet het klacht- en tuchtrecht worden ingericht?
De SER neemt zich voor om bij de beantwoording van deze vragen de verbinding met de andere onderdelen van het sociaal domein (zoals kinderopvang en gastouderopvang, (passend) onderwijs, jeugdgezondheidszorg, jeugd- en jongerenwerk, schuldhulpverlening en arbeidsmarktondersteuning) als uitgangspunt te nemen, zodat hulpverlening echt vanuit de jeugdige en het gezin kan worden bezien. Wij vinden het belangrijk en wij hopen dat meer mensen, net als wij, de uitgaven aan jeugdzorg weer kunnen zien als een investering in de toekomst van de samenleving. Het is cruciaal dat we de positieve bijdrage van jeugdzorg voorop stellen, benadrukken en (her)waarderen. Want veel gaat mis, maar de Jeugdwet heeft ook goede ontwikkelingen in gang gezet. Er zijn mooie initiatieven van praktisch maatwerk en de expertise van de jeugd-ggz wordt beter benut. We zien dat mensen die betrokken zijn bij de jeugdzorg zich enorm inspannen om goede en tijdige jeugdzorg te bieden aan kinderen of jongeren en hun gezinnen die dat nodig hebben. Ook jongeren geven aan dat er mooie dingen gebeuren en dat het belangrijk is om daar oog voor hebben. Want er zijn veel kinderen die dankzij de jeugdzorg hun leven weer hebben kunnen oppakken en weer naar school gaan. Graag gaan wij met u in gesprek over dit korte termijn advies en het vervolg.
Hoogachtend,
De Voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, Namens deze
Jacqueline Prins Algemeen Secretaris
Bijlage 1
Knelpuntennotitie bij brief Jeugdzorg: Van Systemen naar mensen
1. 2. 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 3. 3.1 3.2 3.3 3.4 4. 4.1 4.2 4.3 5. 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 6.
Inleiding ....................................................................................................2 Waar lopen jeugdigen en hun ouders tegen aan? .............................................3 Jeugdigen en hun ouders willen als gelijkwaardige partner meebeslissen .............3 Jeugdigen weten niet waar ze recht op hebben en waar ze terecht kunnen ..........3 Wachtlijsten ...............................................................................................4 Wisselingen van jeugdprofessionals ...............................................................5 De overgang naar volwassenenzorg ...............................................................6 Waar lopen jeugdprofessionals tegenaan? ......................................................7 Procedures kunnen belemmeren dat tijdig juiste hulp wordt ingezet ...................7 Hoge administratieve lasten en hoge werkdruk ................................................9 Personeelstekorten .................................................................................... 10 Gevolgen van de personeelstekorten voor de zorg ......................................... 12 Impact van de coronacrisis ......................................................................... 13 Gevolgen voor de hulpvraag van kinderen en jongeren ...................................
13 Personeelstekorten en financiële tekorten en wachtlijsten toegenomen ............. 14 Gevolgen voor de hulpverlening .................................................................. 15 Het perspectief van zorgaanbieders en gemeenten......................................... 16 Integrale zorg en preventie komen onvoldoende van de grond ........................ 16 De inkoop belemmert samenwerking en verhoogt de administratieve lasten ...... 18 Wisselende regionale samenwerkingsverbanden ............................................ 19 Financiële tekorten .................................................................................... 19 Rollen van partijen .................................................................................... 21 Tot slot.................................................................................................... 22
2
1.
Inleiding
Deze knelpuntennotitie hoort bij de brief ‘Jeugdzorg: van systemen naar mensen. Tien aanbevelingen voor de korte termijn’. De brief en de knelpuntennotitie vormen samen het briefadvies, dat de SER op 21 mei 2021 heeft vastgesteld en heeft toegezonden aan de informateur mevrouw M. Hamer. Bij het opstellen van het briefadvies zijn we uitgegaan van jeugdigen en gezinnen met een hulpvraag en jeugdprofessionals. We willen namelijk niet vanuit het systeem denken, maar vanuit mensen. De eerste vragen waren dan ook: waar lopen jeugdigen en hun ouders met een hulpvraag tegenaan wanneer zij gebruik (gaan) maken van jeugdzorg en welke knelpunten ervaren jeugdprofessionals bij het bieden van passende hulp? Van daaruit zijn we na gaan denken over de maatregelen die nodig zijn om de uitvoering van de jeugdzorg te verbeteren. Bij de voorbereiding van het briefadvies is veel input verzameld. Het secretariaat van de SER heeft zich in vele onderzoeken en rapporten verdiept. Het secretariaat van de SER heeft veel materiaal aangereikt gekregen van de leden van de Commissie Sociale Zekerheid en Gezondheidszorg (SZG) die dit advies heeft voorbereid, alsook van de leden van de Werkgroep Jeugdzorg die de Commissie heeft ondersteund bij de voorbereiding van dit briefadvies.
Daarnaast is dankbaar gebruik gemaakt van de informatie uit de informele gesprekken die we hebben gevoerd met jongeren die ervaring hebben met jeugdzorg, (pleeg)ouders, jeugdprofessionals, gemeenten en experts. In deze notitie treft u ter illustratie citaten van cliënten en jeugdprofessionals aan. Deze notitie focust op de knelpunten die we in de jeugdzorg zijn tegen gekomen en die we op korte termijn willen verlichten of oplossen. Het geeft hierdoor geen volledig beeld van wat er speelt in de jeugdzorg, want we gaan niet in op de positieve ontwikkelingen die er ook zijn. We realiseren ons dat hierdoor een eenzijdig beeld kan ontstaan. We hebben besloten om deze knelpuntennotitie als bijlage bij de brief mee te sturen, omdat ze een uitvoerige beschrijving bevatten van de problemen, waar onze aanbevelingen op zijn gericht. De knelpuntennotitie gaat in op de knelpunten waar jeugdigen, hun gezinnen en jeugdprofessionals mee te maken hebben. We schetsen in deze notitie een algemeen beeld en gaan slechts summier in op de specifieke problemen die spelen in de verschillende deelsectoren, zoals de jeugd-GGZ of de zorg voor kinderen met een beperking. De knelpunten die in dit document beschreven worden, dienen vooral ter illustratie en uitwerking en van de beschreven knelpunten in de brief.
We hebben echter gezien dat er ook goede en inspirerende voorbeelden zijn in de jeugdzorg, die ook aandacht behoeven. Deze goede voorbeelden zullen we in het vervolgadvies uitvoerig belichten. In bijlage 2 vindt u meer informatie over de totstandkoming van dit briefadvies. Grote dank gaat uit naar een ieder die een bijdrage heeft geleverd aan dit document. De knelpuntennotitie gaat eerst in op de knelpunten waar jeugdigen en hun gezinnen en de jeugdprofessionals tegenaan lopen. Daarna bespreken we hoe de coronacrisis de problematiek heeft verergerd. Tot slot komt het gemeentelijk perspectief en die van de jeugdzorgaanbieder aan de orde.
3
2.
Waar lopen jeugdigen en hun ouders tegen aan?
Voor jeugdigen en hun ouders zijn de belangrijkste thema’s meebeslissen, toegang tot de zorg en zicht op het aanbod, wachtlijsten, het aantal hulpverleners waar kinderen en gezinnen mee te maken hebben en de overgang naar volwassenenzorg. 2.1
Jeugdigen en hun ouders willen als gelijkwaardige partner meebeslissen
Met de invoering van de Jeugdwet was het de bedoeling is dat jeugdigen en hun ouders/verzorgers meer invloed krijgen op de kwaliteit van de hulpverlening. Zowel op hun eigen, individuele hulp als ook op het beleid. Gemeenten en instellingen zijn verplicht jeugdigen en hun ouders de gelegenheid te geven om de regie te voeren op hun eigen hulpverleningsproces en hen te betrekken bij het jeugdhulpbeleid en de uitvoering ervan. Uitgangspunt is dat jeugdigen en hun ouders zoveel mogelijk eigen regie voeren over de hulp, zonodig met cliëntondersteuning. Jongeren geven aan inspraak bij de keuze voor de hulp die ze (gaan) ontvangen heel belangrijk te vinden. Vaak wordt echter alleen gemeld wat voor hulp ze krijgen, zonder dat met hen over deze keuze of andere mogelijkheden wordt gesproken. Hierdoor voelen ze zich niet serieus genomen. Het komt vaak voor dat voornamelijk de hulpverleners de doelen van de hulp bepalen. Bij de start meldt de hulpverlener dan wat de hulp zou kunnen opleveren. Verder wordt weinig of geen tijd gemaakt voor het regelmatig reflecteren op het behalen van doelen. Als verbeterpunt noemen jongeren het in overleg tussen de jongeren en de hulpverlener bepalen van de doelen van de jeugdhulp in plaats van dat de hulpverlener hierover het laatste woord heeft. Ook geven zij aan meer ondersteuning te wensen bij het bedenken en bepalen van doelen van jeugdhulp.
Ouders zijn positiever over het meebeslissen. Een grote meerderheid van de ouders– ruim acht op de tien respondenten – is volgens eigen zeggen gevraagd welk soort hulp hij/zij zou willen en heeft mee kunnen beslissen over de hulp. Ouders en jongeren lijken vaak niet goed op de hoogte van datgene waar men recht op heeft. Veel ouders zeggen er bijvoorbeeld niet bekend mee te zijn dat zij een vertrouwenspersoon kunnen inschakelen, of een onafhankelijke cliëntondersteuner 1. In het gesprek dat de SER heeft georganiseerd met (vertegenwoordigers van) cliënten en ouders en verzorgers werd aangegeven dat het nu te veel afhangt van hoe een gemeente of organisatie het heeft geregeld. De cliëntenraad komt op voor de belangen van de jeugdigen of ouders/verzorgers die hulp van een instelling krijgen. Alle jeugdzorginstellingen moeten een cliëntenraad hebben. Cliënten of hun vertegenwoordigers gaven aan dat sommige organisaties het heel goed doen en de cliëntenraad ook heel serieus nemen. Ook is naar voren gebracht dat bij de inkoop van jeugdzorg de inspraak niet geregeld is. Het is daardoor vrijwel onmogelijk om vanuit cliëntperspectief invloed te kunnen uitoefenen op de inkoop en aanbestedingen. 2.2
Jeugdigen weten niet waar ze recht op hebben en waar ze terecht kunnen
Vanwege de grote diversiteit van lokale teams verschilt de toegang tot jeugdhulp tussen gemeenten. Elke gemeente hanteert haar eigen toegangsroute 2. Jeugdigen en hun ouders weten daardoor niet waar ze terecht kunnen voor hulp bij opvoed- en opgroeiproblemen. Vooral kwetsbare gezinnen (eenoudergezinnen en gezinnen met een laag inkomen) geven aan dat het veel moeite heeft gekost om hulp te kunnen krijgen. Daarnaast zijn er ook mondige ouders die juist de weg naar lichte hulp heel goed weten
1 2
ZonMw, Eerste evaluatie Jeugdwet, januari 2018 Memorie van Toelichting van het Wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen.
4
te vinden3. Recent onderzoek van AEF laat ook zien dat met name niet-kwetsbare groepen de toegang tot de lichtere vormen van jeugdhulp goed weten te vinden 4. Ook weten jeugdigen en hun ouders niet welke hulp ze mogen verwachten. De taken van de lokale teams lopen uiteen. Er zijn lokale teams die cliënten direct doorverwijzen naar een jeugdhulpinstelling, maar er zijn ook lokale teams die zelf ondersteuning bieden bij opvoed- en opgroeiproblemen. Als gevolg van de gemeentelijke autonomie en beleidsvrijheid bepalen gemeenten het aanbod van zorg, de toegang en de aard en omvang van de jeugdhulpplicht. Dit wordt door cliënten als rechtsongelijkheid ervaren: dezelfde gevallen kunnen in de ene gemeente anders worden behandeld als in een andere gemeente. 2.3
Wachtlijsten
Voor het tijdig bieden van passende hulp zijn naast wachtlijsten bij een instelling ook een goede doorstroming na verwijzing en het aantal doorverwijzingen in de gehele keten relevant. Sinds de jeugdzorg zes jaar geleden werd gedecentraliseerd, wordt niet systematisch gemeten hoe lang wachttijden zijn en welke zorgaanbieders voldoen aan de maximaal aanvaardbare wachttijden. Daardoor zijn de wachttijden bij veel zorgaanbieders onbekend en bestaat er geen inzicht in de wachttijden per jeugdzorgvorm en in de verschillen tussen regio’s. Bovendien kunnen wachttijden bij verschillende instanties anders worden geregistreerd. Wachttijden in de gehele keten kunnen ontstaan door tal van factoren, zoals een mismatch tussen vraag en aanbod, personeelstekorten bij aanbieders, door onvoldoende inkoop van bepaalde vormen van specifieke zorg, verwijsgedrag van verwijzers en ingerichte procedures rond het verkrijgen van toestemming. Fusies, overnames en faillissementen leiden tot extra wisselingen in personeel, maar kunnen ook leiden tot extra wachttijden, wanneer kinderen opnieuw op de wachtlijst komen bij overdracht naar een andere instelling. Wachtlijsten kunnen al vroeg in de keten – bij het preventief jeugdbeleid – ontstaan.
Door bezuinigingen in het sociaal domein, schoolmaatschappelijk werk, jeugd- en jongerenwerk bestaan in het voorveld al onvoldoende mogelijkheden om jeugdigen passende ondersteuning te bieden. De expertise binnen de lokale teams om complexe problemen tijdig te signaleren verschilt. Dit kan ertoe leiden dat te vroeg, te laat of dat onnodig wordt doorverwezen naar de specialistische jeugdhulp. Jeugd-GGZ De laatste tijd bestaat veel aandacht voor de lange wachtlijsten in de jeugdpsychiatrie en de schadelijke gevolgen voor jeugdigen met psychische problemen en de gezinnen waar zij wonen. Recent onderzoek van de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd laat zien dat hoe slecht het gesteld is met de beschikbaarheid van zorg en ondersteuning voor kinderen en jongeren met complexe problematiek. Het gaat dan om jeugdigen met eetstoornissen, depressie, en zelfbeschadiging. Er zijn lange wachtlijsten voor ambulante en klinische hulp, en zelfs jeugdigen met een zeer acute hulpvraag, zoals bij suïcidaliteit, kunnen niet altijd direct worden geholpen. Het aanbod blijft achter bij een toenemende vraag, met groeiende wachtlijsten tot gevolg. De problematiek van jeugdigen die (lang) op hulp moeten wachten, kan verergeren. Het gevolg kan zijn dat de jeugdige als gevolg van de veranderde hulpvraag niet meer geholpen kan worden door de betreffende jeugdzorgaanbieder, waarna de jeugdige na
3
Eerste Evaluatie van de Jeugdwet: transformatie in zicht? Freek Bucx (Sociaal en Cultureel Planbureau), Janke de Groot (Nivel) , Rutger Hageraats (Nederlands Jeugd Instituut) , Tarik Pehlivan (Stichting Alexander) TSG: Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen: 2018, 96 (8), 342-347) 4 AEF, Stelsel in groei. Een onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg. December 2020