Inkomend - SCP - Notities Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2023
Tekst van het document
Daar komt bij dat zij zich duurzame alternatieven (bv. een zuinige woning, isolatie, zonnepanelen, warmtepomp of elektrisch voertuig) moeilijker kunnen veroorloven. Zo kunnen mechanismen optreden die leiden tot toename van ongelijkheid. Diverse studies geven inzicht in het effect van dergelijke mechanismen: mensen met weinig inkomen zijn gemiddeld een groter deel van hun inkomen kwijt aan kosten die verband houden met het klimaatbeleid 17 dan hogere inkomens (Vergeer et al. 2017) en geven vaker aan niet in staat te zijn de kosten van woningverduurzaming te betalen (Kullberg en Ras 2019). Woningverduurzaming is voor een aanzienlijk deel van de huishoudens niet toegankelijk (Bokhorst et al. 2022), de mogelijkheden om te verduurzamen zijn ongelijk verdeeld en hogere inkomens profiteren het meest van verduurzamingssubsidies en andere financiële ondersteuningsmaatregelen (Vergeer 2017; Steenbekkers et al. 2021a). Zo kan klimaatbeleid onbedoeld denivelleren. Niet alleen verschillen in de financiële situatie kunnen ongelijkheid vergroten in de transitie. Verduurzaming vraagt ook om vaardigheden waarover burgers in verschillende mate beschikken (bv. digitale vaardigheden, taalvaardigheden, organisatievaardigheden). Daardoor vindt niet iedere burger even gemakkelijk toegang tot overheidsvoorzieningen. Ook beschikt niet elke burger in gelijke 88
mate over relaties en sociale netwerken om bij aan te haken of om ondersteuning te vragen. Het individuele vermogen om mee te kunnen doen, kan als nieuwe scheidslijn tussen burgers fungeren. Het is belangrijk om bij de ontwikkeling van beleid met dergelijke verschillen tussen burgers rekening te houden. Ook uit landen-vergelijkend onderzoek komen duidelijke signalen naar voren dat het risico van ongelijke verdeling van lusten en lasten van klimaatbeleid op de loer ligt, wanneer hier niet steeds nadrukkelijk aandacht voor is in beleidsontwikkeling en uitvoering (Markkanen en AngerKraavi 2018). Voorafgaand aan de ontwikkeling van klimaatbeleid is vaak maar beperkt sprake van discussie over de rechtvaardigheid van verdelingen en komt dit daardoor onvoldoende aan bod in de beleidsvorming (WRR 2023). Effecten van de oorlog in Oekraïne op bestaanszekerheid in Nederland De enorme prijsstijgingen in 2022 door de oorlog in Oekraïne versterken de zorgen over dagelijkse uitgaven voor huishoudens die financieel al krap zitten (Den Ridder et al. 2022). De recente Stresstest kosten van het levensonderhoud van het CPB laat zien dat door de aanhoudende prijsstijgingen tot 1,2 miljoen huishoudens, vooral huishoudens met weinig inkomen, financieel in de problemen kunnen komen (Schulenberg en Vlekke 2022).
De Nationale Ombudsman krijgt steeds meer signalen van burgers die moeilijk rond kunnen komen door de stijging van de energierekening. Recent onderzoek van TNO naar energiearmoede in Nederland bevestigt het beeld dat het aantal huishoudens dat kampt met energiearmoede is toegenomen (tot circa 600.000 in 2022). Zonder compensatiemaatregelen was dit naar verwachting zelfs opgelopen tot ruim een miljoen huishoudens (Mulder et al. 2023). Hoewel de toekomstige prijsontwikkeling zich moeilijk laat voorspellen, 18 is de verwachting dat wonen in slecht geïsoleerde woningen steeds duurder wordt, terwijl niet iedereen even makkelijk in staat is de woning te isoleren. De Nationale Ombudsman concludeert dat juist degenen die nu (verder) in de problemen dreigen te komen, de mogelijkheden en voorzieningen vanuit de overheid voor woningverduurzaming niet goed weten te vinden (Bokhorst et al. 2022). Beleid dat inzet op het belasten van burgers, zal zich er dus zowel rekenschap van moeten geven dat denivellerende mechanismen kunnen optreden, als dat de financiële rek om die lasten te kunnen dragen er bij veel huishoudens al uit is. Burgers ervaren onrechtvaardige verdeling, verwachten financiële achteruitgang en groei ongelijkheid Veel burgers hebben het gevoel dat de lasten van klimaataanpak oneerlijk zijn verdeeld tussen bedrijven en burgers en tussen arme en rijke burgers.
Veel burgers verwachten ook dat de transitie zal zorgen voor achteruitgang in hun financiële situatie en een grotere kloof tussen arm en rijk (De Kluizenaar en Flore 2021). Veel burgers vinden dat grote bedrijven nog te weinig verantwoordelijkheid nemen, terwijl die in hun ogen juist het grootste verschil kunnen maken (Den Ridder en Dekker 2019; De Kluizenaar en Flore 2021). Onderzoek in focusgroepen laat een gebrek aan vertrouwen in de intenties van grote bedrijven zien. Deelnemers vrezen dat bedrijven winstmaximalisatie boven het publieke belang zullen stellen (De Kluizenaar et al. 2022). Zulke gevoelens kunnen de acceptatie van (pijnlijke) maatregelen voor burgers ondermijnen. Burgers vinden een rechtvaardige verdeling van klimaatbeleid vaak belangrijker dan maximale emissiereductie (WRR 2023). De aanvaarding van een ambitieus klimaatbeleid is voorwaardelijk, laat ook een brede klimaatraadpleging uit 2021 zien. Zo is voor burgers de zichtbaarheid dat andere maatregelen maximaal zijn toegepast en de grote vervuilende sectoren ook streng worden aangepakt een belangrijke voorwaarde voor aanvaarding van maatregelen die de persoonlijke levenssfeer van burgers direct raken. Daarnaast zijn het beschermen van huishoudens met lage 89
inkomens, het voorkomen van een toenemende kloof tussen arm en rijk en een positieve batenkostenverhouding voor burgers voorwaarden voor aanvaarding (Mouter et al. 2021). Wat burgers zien als een rechtvaardige verdeling in het Nederlands klimaatbeleid hangt sterk af van het soort vraagstuk en het type maatregel en kunnen sterk verschillen van de huidige praktijk (WRR 2023). 4.4.2
Reflectie beleidsplannen
Burgerbetrokkenheid bij klimaatbeleid Veel mensen zijn kritisch op de politiek (Miltenburg et al. 2022; zie ook de notitie Democratie en vertrouwen). Hun zorgen gaan vaak over de afstand tussen de politiek en de samenleving. Burgers hebben het gevoel dat politici weinig gevoel hebben voor wat er in de samenleving speelt, waardoor politici besluiten nemen die niet goed aansluiten bij wat er onder burgers leeft (Den Ridder et al. 2022). Een positieve ontwikkeling is de groeiende erkenning van het belang rekening te houden met burgers (en verschillen tussen burgers). Bijvoorbeeld door aandacht te hebben voor de mate waarin zij betrokken kunnen en willen zijn en in wat zij daarvoor nodig hebben. Dit werkt door in beleidsontwikkelingen, zoals de aandacht voor burgerbetrokkenheid bij klimaatbeleid laat zien. In beleidsvoorbereiding is meer aandacht nodig voor burgervisies op de verantwoordelijkheidsverdeling (De Kluizenaar et al. 2022) en op de rechtvaardigheid van verdelingen (WRR 2023). Grotere burgerbetrokkenheid aan de voorkant van beleidsontwikkeling kan daaraan bijdragen. Streven naar verduurzaming en brede welvaart in samenhang In Europese beleidsontwikkeling krijgen maatschappelijke thema’s een centralere plek in beleid.
Zo legt de Europese Green Deal de verbinding met sociaal-maatschappelijke doelen, zoals ondersteuning voor kwetsbaardere huishoudens in de transitie, duurzame banen en gezond en betaalbaar voedsel. Op nationaal niveau zien we paralellen terug, bijvoorbeeld in de aandacht voor ondersteuning van verschillende groepen burgers in het woningverduurzamingsbeleid en in het Actieplan groene en digitale banen. Ook de ambitie van lokaal eigendom – hoewel gedreven vanuit het belang meer draagvlak te creëren en zo het proces te versoepelen – biedt kansen voor het terugvloeien van rendementen naar de samenleving en zeggenschap van burgers over veranderingen in hun omgeving. Meer aandacht is nodig om de kansen die de transitie biedt om de brede welvaart in Nederland te versterken nog beter te signaleren en benutten. Bijvoorbeeld door in visievorming (bv. de langetermijnstrategie voor de Nederlandse energievoorziening; het Nationaal Plan Energiesysteem 2050), beleidsontwikkeling en implementatie aan brede welvaart een centrale plek toe te kennen in het afwegingskader. Aandacht voor mensen in kwetsbaardere positie We zien in beleidsdoelen aandacht voor specifieke groepen terug.
Zo is er in het woningverduurzamingsbeleid aandacht voor groepen met weinig inkomen (in financiering en aanvullende maatregelen), geeft het kabinet aan inzicht te willen in (het voorkomen van) risico’s op mobiliteitsarmoede voor verschillende groepen en is er in het Actieplan groene en digitale banen aandacht voor groepen die nu nog aan de kant staan. In hoeverre dit zich vertaalt in het versterken van de positie van burgers in het algemeen, groepen in kwetsbare positie in het bijzonder en de samenleving als geheel, is afhankelijk van implementatie en uitvoering.
90
In de gedachtenvorming over nieuw beleid is van belang steeds na te blijven gaan of en welke alternatieven voor maatregelen denkbaar zijn die zowel het klimaat als de burger dienen. Zo kan de overheid in het arbeidsmarktkraptebeleid een actieve rol spelen door het vergroten van toegang voor mensen met meer afstand tot de arbeidsmarkt, mogelijkheden voor ontwikkeling, de aanpak van discriminatie op de arbeidsmarkt en het versterken van de positie en de onderhandelingsmacht van verschillende groepen werknemers op de arbeidsmarkt (Olsthoorn en Roeters 2023). Dit kan hand in hand gaan met het verkleinen van het tekort aan voor de transitie benodigde vakmensen. Zo kan arbeidsmarktkraptebeleid bijdragen aan een toekomstbestendigere arbeidsmarkt, verduurzaming en het verkleinen van sociale ongelijkheid. Dat vraagt een overkoepelende benadering in het arbeidsmarktkraptebeleid, met nadrukkelijke aandacht voor de afruilen in de te nemen keuzes (bv. in hoeverre mag het oplossen van tekorten in de techniek ten koste gaan van andere sectoren, of van de ruimte die overblijft voor onbetaalde arbeid (bv. zorgtaken)?). Daarnaast is aandacht nodig voor kansen op synergie (bv.
hogere kwaliteit van werk als onderdeel van de oplossing voor tekorten op de arbeidsmarkt, waardoor betaald werk ook positief bijdraagt aan de kwaliteit van leven en beter te combineren is met onbetaalde verantwoordelijkheden in het leven van burgers (Roeters et al. 2021; Olsthoorn en Roeters 2023)). Ook blijft de uitdaging om oplossingen voor acute problemen op korte termijn, rakend aan meerdere maatschappelijke vraagstukken, te verbinden aan domeinoverstijgende oplossingen voor de lange termijn. Zo worden financiële problemen voor mensen met weinig inkomen op de korte termijn verzacht via verschillende compensatiemaatregelen. De toename in energiearmoede is beduidend minder groot dan zonder compensatiemaatregelen het geval was geweest (Mulder et al. 2023). Voor de lange termijn zijn echter meer structurele oplossingen nodig, die burgers in een kwetsbare positie weerbaarder maken voor toekomstige prijsstijgingen. Het versneld verduurzamen van slecht geïsoleerde woningen van groepen met een groot risico op energiearmoede kan daar bijvoorbeeld aan bijdragen. Dit is tot op heden beperkt ingezet en is hard nodig. In het buitenland is ervaring opgedaan met diverse effectief gebleken aanpakken (zie Steenbekkers et al. 2021b).
Overvraging van burgers en decentrale overheden? In de transitie wordt een steeds groter beroep gedaan op lokale overheden en burgers (Blijleven en Kooiker 2022). De ontwikkeling van de Regionale Energiestrategieën (RESsen), de gemeentelijke regie in de wijkgerichte aanpak van woningverduurzaming, de ambitie van 50% lokaal eigendom in lokale energieprojecten en het vergroten van burgerbetrokkenheid bij klimaatbeleid zijn daar voorbeelden van. Er zijn echter grenzen aan de bijdrage die burgers kunnen (en willen) leveren. Dit kan een risico vormen voor de effectiviteit van beleid. We zien aanwijzingen voor een spanningsveld tussen verwachtingen van burgers in beleid en het daaraan kunnen en willen voldoen van burgers. Het opzetten van lokale energieprojecten, bijvoorbeeld, is in de ogen van veel burgers een complexe verantwoordelijkheid, die niet zonder meer bij burgers kan worden neergelegd. Zij uiten zorgen dat verschillen tussen burgers in beschikbare kennis en vaardigheden, sociaal netwerk en middelen, lokale context en mogelijkheden zullen zorgen dat het recht van de sterkste geldt. Er kan ook niet altijd van worden uitgegaan dat er tijd en ruimte is voor extra taken (De Kluizenaar et al. 2022; Hoff et al. 2021). In de leefsituatie van burgers stapelen verantwoordelijkheden zich op (bv.
werk, mantelzorg, zorg voor kinderen, huishouden, deelname aan verenigingsactiviteiten, vrijwilligerswerk). Dat kan tot overvraging leiden (Roeters et al. 2021; Olsthoorn en Roeters 2023). 91
Beleid dat inzet op gedragsverandering moet voldoende laagdrempelig en praktisch inpasbaar handelingsperspectief bieden, met oog voor differentiatie in mogelijkheden, zodat mensen kunnen bijdragen op een manier die past bij hun mogelijkheden en die hen niet overvraagt. Burgers baseren hun handelen niet alleen op eigenbelang (bv. bezit, status, eigen welbevinden, gemak, comfort), maar ook op collectieve belangen (bv. zorg voor natuur en milieu en ideeën over algemeen welzijn) (Bouman et al. 2018, 2020). Individueel verantwoordelijkheid nemen voor collectieve zaken vraagt veel van burgers en is niet voor iedereen weggelegd. Het gaat om het realiseren van publieke doelen en publiek belang. De overheid heeft daarin een belangrijke taak en kan niet volstaan met faciliteren alleen. Verantwoordelijkheidsverdeling De overgang naar een klimaatneutrale samenleving vraagt keuzes rond welke verantwoordelijkheden waar belegd moeten zijn en welke verantwoordelijkheden burgers kunnen en willen dragen. Voor de legitimiteit van overheidsbeleid dat een beroep doet op burgers, is van belang dat burgers het probleem zien en dat zij aanvaarden dat zij in het algemeen belang ook zelf een bijdrage moeten leveren aan de oplossing (Van Noije 2019).
Burgers zien het probleem: het bewustzijn van klimaatverandering, de urgentie van mitigatie en het belang van de overstap naar duurzame energie leeft breed. Tegelijkertijd leven er vragen rond wie waarvoor primair aan zet is en of ieder wel zijn deel doet. De visies van burgers en decentrale ambtenaren in focusgroepen op burgerbetrokkenheid en overheidsverantwoordelijkheid in lokale energieprojecten lijken te verschillen, maar komen meer overeen op de gewenste publieke uitkomsten. Deelnemers beargumenteren hun visie namelijk op basis van waarden en gewenste sociaal-maatschappelijke uitkomsten (bv. een rechtvaardige verdeling van lusten en lasten, het terugvloeien van baten naar de samenleving, inclusiviteit (profiteert iedereen mee ongeacht woonplek, sociaal netwerk, beschikbare tijd, vaardigheden of middelen?), sociale samenhang, voldoende inspraak voor burgers en breed gedragen oplossingen). Onderliggend aan deze discussie lijkt de fundamentelere vraag te schuilen welke verantwoordelijkheidsverdeling deze publieke belangen het beste kan dienen. Hieronder liggen normatieve vragen over welke waarden en sociaal-maatschappelijke doelen een duurzaam energiesysteem kan en moet dienen, rekening houdend met de grondrechten van burgers. De antwoorden op die vragen zijn bouwstenen voor een langetermijnvisie die kan bijdragen aan legitimiteit van beleid (De Kluizenaar et al. 2022).
Een langetermijnvisie op de te dienen maatschappelijke doelen en hoe die het best te bereiken, gaat vooraf aan de vraag wie er waarvoor aan zet is. Wanneer helder is (of en) welke rol burgers kunnen spelen, is van belang dat zij hun rol voor zich kunnen zien en dat zij een duidelijk handelingsperspectief hebben, redenerend vanuit realistische mensbeelden (Gebhardt en Feijten 2022) opdat ze die verantwoordelijkheden ook redelijkerwijs kunnen dragen. Wanneer beleid het belang van het thema blijft benadrukken en daarbij aanstuurt op het neerleggen van verantwoordelijkheden bij burgers terwijl zij zich machteloos voelen, kan dit op den duur leiden tot legitimiteitsproblemen, ook als maatregelen op vrijwilligheid berusten. Ervaren overvraging en gebrek aan erkenning van hun zorgen kan van invloed zijn op de acceptatie van beleid en op het vertrouwen van burgers in de overheid. 4.4.3 Tot slot Transities die een fundamentele maatschappelijke verandering vragen, dwingen ons tot nadenken over de samenleving waarin wij willen leven. Door brede welvaart een centrale plek toe te kennen in het afwegingskader, kunnen verduurzaming en brede welvaart in samenhang worden nagestreefd. 92
Wat is er in het hier en nu nodig om langetermijndoelen te bereiken? En waar zitten de afruilen in de te maken keuzes, bijvoorbeeld ten aanzien van welvaart en welbevinden in het hier en nu en later? Verduurzaming vraagt daarbij ook om voldoende rekening te houden met mogelijkheden (en onmogelijkheden) van verschillende groepen burgers. De laatste jaren is veel geïnvesteerd in het beter betrekken van gedragskennis in beleid. Dat is in zichzelf een goede ontwikkeling. Tegelijkertijd moet ervoor gewaakt worden het burgerperspectief niet plat te slaan tot gedragsverandering(sbereidheid) en draagvlak, waarbij de nadruk te eenzijdig op het (individuele) kunnen, willen en doen van burgers wordt gelegd. Op die manier kunnen risico’s voor ernstige negatieve gevolgen voor groepen in de samenleving over het hoofd gezien worden en kansen voor veranderingen die bijdragen aan de bredere kwaliteit van leven worden gemist. Er is een beweging nodig van ‘hoe burgers meekrijgen’ (denken vanuit beleid) naar ‘hoe met én voor burgers’ (denken vanuit burgers).
In aanvulling op de inzet van gedragskennis, is inzet van kennis nodig over sociaal-culturele maatschappelijke ontwikkelingen en over uitsluitingsmechanismen die voortkomen uit sociale ongelijkheid, kansenongelijkheid en ongelijke machtsverhoudingen, waardoor bepaalde groepen in de samenleving niet meer (of minder goed) mee kunnen doen en daardoor achterop raken. Dit vraagt beleid te doordenken vanuit een sociaal-maatschappelijk perspectief, voorbij gedragskennis en draagvlak. Wat zijn de effecten van maatregelen (individueel en in samenspel met andere maatregelen) voor groepen in de samenleving die verschillen in hulpbronnen? Wat zijn de effecten van maatregelen voor die hulpbronnen in verschillende groepen? Verduurzamingsbeleid kan onbedoeld tot sociale uitsluitingsmechanismen leiden die mensen in een kwetsbare positie brengen (of houden). Mits hiervoor voldoende aandacht is in de ontwikkeling van beleid, kunnen daarentegen ook kansen worden benut om de veerkracht en weerbaarheid van individuele burgers, groepen in de samenleving en samenleving als geheel te versterken. Het is daarom van belang na te gaan welke mechanismen kunnen bijdragen aan veranderingen ten gunste van burgers. De klimaatopgave vraagt een aantrekkelijk langetermijnperspectief.
Het gaat niet alleen over broeikasgasemissiereductie, maar ook over ongelijkheid, werkgelegenheid, leefbaarheid, verantwoordelijkheidsverdeling en machtsverhoudingen. De vraag is niet alleen: wat willen we stoppen? Maar ook: waar willen we heen?
Noten 1 Zie eur-lex.europa.eu/content/paris-agreement/paris-agreement.html. 2 Een verplichtend beleidsinstrument voor particuliere woningeigenaren is het zorgen voor een definitief energielabel bij woningverkoop. 3 Onder andere via een Nationaal Isolatieprogramma en een programma Hybride Warmtepompen. 4 Onder andere via een Nationaal Warmtefonds voor renteloze leningen voor verduurzaming. 5 Bijvoorbeeld met via gemeenten beschikbaar gesteld geld voor burgers om energiebesparingsmaatregelen door te voeren. 6 Het voorgestelde Europese Emissions Trading System for Buildings and Road Transport (ETS-BRT) zou een afzonderlijk emissiehandelssysteem moeten worden voor de gebouwde omgeving en het wegvervoer. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft geschat dat dit voor de gebruikers kan leiden tot hogere kosten (12 cent extra per m3 aardgas, 12-14 cent per liter benzine/diesel) (EZK 2022). 7 Onder andere via de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE-regeling) (www.rvo.nl/subsidiesfinanciering/sce). 8 Burgerbetrokkenheid is op onderdelen al wettelijk geregeld (bv. met de verplichte publieksconsultatie van het Klimaatplan).
93
9 We baseren ons in deze notitie op de dataverzamelingen Nederland in Beeld – Deel 1 (SCP/CBS (NIB’21 en ’22)), SCPonderzoek naar de Kwaliteit van Leven (SCP/CBS (SLI’19-’22)) januari 2019 – maart 2022 en het LISS-panel. De Nederland in Beeld-vragenlijst is uitgezet door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in de periode juli 2021november 2022. De LISS-SCO-vragenlijst is online uitgezet door CenterData in augustus 2022. De LISS-VV-vragenlijst is uitgezet in september 2022. 10 In het Continu Onderzoek Burgerperspectieven (COB) wordt respondenten (met een open vraag) gevraagd wat zij zien als grootste maatschappelijke probleem in Nederland op dit moment. 11 Zie bijlage A voor een overzicht van de gebruikte vragenlijstgegevens, met volledige vraagstelling en antwoordschaal en meetperiode, te vinden via www.scp.nl bij deze notitie. 12 Dit impliceert niet dat mensen met een hbo- of wo-diploma minder bijdragen aan CO2-emissies. Mensen met een hoger inkomen hebben een grotere CO2-voetafdruk dan mensen met een lager inkomen (o.a. doordat zij (gemiddeld) een grotere woning en vaker een auto bezitten en meer vliegen) (Ecorys 2022). Mensen met een hbo- of wo-diploma hebben gemiddeld vaker een hoger inkomen.
Een verband tussen opleiding en uitstoot staat daarmee uiteraard niet vast, maar het is ook niet uitgesloten dat mensen met een hbo- of wo-diploma (vanwege gemiddeld betere financiële situatie) gemiddeld ook meer uitstoot veroorzaken dan mensen met een andere opleidingsachtergrond. 13 Ingedeeld volgens de SCP-gemeentetypologie (Vermeij et al. 2021). 14 De enquête Nederland in Beeld wordt continu afgenomen en omvat een groot aantal waarnemingen (circa 400 respondenten per maand). Dit biedt de kans om op maandniveau te kijken naar de publieke opinie. 15 Voor meer inzicht in burgervisies op verantwoordelijkheidsverdeling in verschillende maatschappelijke opgaven op basis van deze grootschalige vragenlijststudie in het LISS-panel, zie Wagemans en Peters (nog te verschijnen). 16 Ook is de stelling voorgelegd: ‘De overheid mag niet voor mij bepalen hoe duurzaam ik leef, dat bepaal ik zelf’ (eens: 56%, oneens: 25%) (SCP/CBS (CV/SLI’19-’22)). 17 Netto-uitgaven zijn in deze studie gedefinieerd als uitgaven min subsidies (uitgaven zoals investeringen in klimaatneutrale technologie en betalingen in verband met door overheid ingezette financiële instrumenten om CO2uitstoot te ontmoedigen).
18 Dat komt door onzekerheden over het beschikbaar komen van meer duurzame energie, de ontwikkeling van internationale markten, grondstofschaarste en de gevolgen van het totale pakket aan beleidsmaatregelen voor de energierekening van huishoudens (o.a. ETS-gebouwde omgeving, belastingschuif gas/elektriciteit).
94
Literatuur Blijleven, W. en S. Kooiker (2022). Overheidsvisies op verantwoordelijkheid 2012-2021: van ‘loslaten’ naar regeren met akkoorden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Bokhorst, M., N. Ruckert, M. Klip en T. van Manen Kooij (2022). Ongelijke toegang tot de energietransitie. Laagdrempeliger voorzieningen voor alle huishoudens. Den Haag: Nationale Ombudsman. Bouman, T., L. Steg en H.A.L.L. Kiers (2018). Measuring Values in Environmental Research: A Test of an Environmental Portrait Value Questionnaire. In: Frontiers in Psychology, jg. 9, nr. 564, p. 1-15. Bouman, T., L. Steg en S.J. Zawadzki (2020). The value of what others value: When perceived biospheric group values influence individuals’ pro-environmental engagement. In: Journal of Environmental Psychology, jg. 71, nr. 101470, p. 1. BZK (2022). Beleidsprogramma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Commissie-Brenninkmeijer (2021). Betrokken bij klimaat: burgerfora aanbevolen. Den Haag: Adviescommissie Burgerbetrokkenheid bij klimaat. Geraadpleegd 24 juni 2022 via www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2021/03/21/adviesrapport-betrokken-bij-klimaat. CBD (2020). Global Biodiversity Outlook 5 – Summary for Policy Makers. Montreal: Convention on Biological Diversity - Secretariat of the Convention on Biological Diversity.
Geraadpleegd 24 juni 2022 via www.cbd.int/GBO5. Dekker, P. en J. den Ridder (2020). Burgerperspectieven 2020|1. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Dekker, P., J. den Ridder, P. van Houwelingen en E. Miltenburg (2020). Burgerperspectieven 2020|2. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Ecorys (2022). Onderzoek Nederlandse inkomens en CO2 voetafdruk. Inzichten uit bestaande data bronnen. Rotterdam: Ecorys. Europees Parlement (EP) en de Raad van de Europese Unie (2021). Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees parlement en de raad, van 30 juni 2021, tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”). In: Publicatieblad van de Europese Unie, 9 juli 2021, L.243/1. EZK (2019). Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan 2021-2030. Den Haag: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Geraadpleegd 19 oktober 2022 via www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/11/01/integraal-nationaal-energie-en-klimaatplan. EZK (2022). Ontwerp Beleidsprogramma Klimaat. Den Haag: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Geraadpleegd 24 juni via www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2022/06/02/ontwerpbeleidsprogramma-klimaat. Gebhardt, W. en P. Feijten (2022). Mensbeelden bij beleid. Bewust worden, bespreken en bijstellen.
Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Hoff, S., C. Vrooman, J. Iedema, J. Boelhouwer en J. Kullberg (2021). Verschil in Nederland 2014-2020. Factsheet oktober 2021. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. IenW (2021). Stand van zaken uitvoering Klimaatakkoord mobiliteit. Den Haag: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Geraadpleegd 27 juni 2022 via www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/06/01/bijlage-1-stand-vanzaken-uitvoeringklimaatakkoord-mobiliteit-2021. IPCC (2018). Global warming of 1.5°C. An IPCC Special Report on the impacts of global warming of 1.5°C above pre-industrial levels and related global greenhouse gas emission pathways, in the context of strengthening the global response to the threat of climate change, sustainable development, and efforts to eradicate poverty. Zwitzerland: Intergovernmental Panel on Climate Change. Klimaatberaad (2019). Klimaatakkoord. Geraadpleegd 24 juni 2022 via www.klimaatakkoord.nl/documenten/publicaties/2019/06/28/klimaatakkoord. Kloosterman, R., M. Akkermans, C. Reep, M. Wingen, H. Molnár-In ’t Veld en J. van Beuningen (2021). Klimaatverandering en energietransitie: opvattingen en gedrag van Nederlanders in 2020. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 29 november 2022 via www.cbs.nl/nl-
95
nl/longread/rapportages/2021/klimaatverandering-en-energietransitie-opvattingen-en-gedrag-vannederlanders-in-2020. Kluizenaar, Y. de en P. Flore (2021). Klimaataanpak: toekomstbepalende keuzes voor onze samenleving. De energietransitie vanuit burgerperspectief. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kluizenaar, Y. de, C. Carabain en A. Steenbekkers (2020). Klimaatbeleid en de samenleving. Een korte samenvatting van inzichten uit het SCP-onderzoek op het vlak van duurzame samenleving. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kluizenaar, Y. de, A. Steenbekkers, K. Muiderman, A. Mangnus en W. Blijleven (2022). Burgers, overheid of bedrijven: wie is aan zet? Burgervisies en beleidsvisies op verantwoordelijkheidsverdeling bij lokale energieopwekking. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Koning, F. de, J. den Ridder, S. Peters, W. Blijleven en Y. de Kluizenaar (2023). SCP-reflectie op het organiseren van burgerfora: vier aandachtspunten vanuit het burgerperspectief (kennisnotitie). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kullberg, J. en M. Ras (2019). Wonen en omgeving. In: R. Bijl, J. Boelhouwer en A. Wennekers (red.), De sociale staat van Nederland 2019 (p. 275-303). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Langley, M.G., T. Bouman en L. Steg (2020).
De waarden achter klimaatgedrag: Hoe persoonlijke waarden en waargenomen groepswaarden klimaatgedrag motiveren en versterken. In: Mens en Maatschappij, jg. 95, nr. 3, p. 175-196. Markkanen, S. en A. Anger-Kraavi (2018). Social impacts of climate change mitigation policies and their implications for inequality. In: Climate Policy, jg. 19, nr. 7, p. 827-844. Mensink, W. (2021). Barstjes in de lokale gemeenschap. Conflicten over verduurzamingsplannen in de leefomgeving. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Miltenburg, E., B. Geurkink, S. Tunderman, D. Beekers en J. den Ridder (2022). Burgerperspectieven bericht 2 – 2022. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Mouter, N., L. van Beek, A.R. de Ruijter, J.I. Hernandez, S. Schouten, L. van Noord en S. Spruit (2021). Brede steun voor ambitieus klimaatbeleid als aan vier voorwaarden is voldaan. Delft: TU Delft. Mulder, P., F. Dallo Longa en A. Batenburg (2023). Energiearmoede in Nederland 2022. Een actuele inschatting op nationaal en lokaal niveau. Amsterdam: TNO. Noije, L. van. (2019). Overheidslegitimiteit in SCP-onderzoek: Een conceptuele verkenning (working paper). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Olsthoorn, M. en A. Roeters (2023). Reflectie SCP op Aanpak Arbeidsmarktkrapte: Krappe arbeidsmarkt vraagt om meer mensgerichte oplossingen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. PBL (2022).
Klimaat- en Energieverkenning 2022. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. Philippen, S. en S. Duijn (2022). Arbeidstekorten onder klimaatberoepen steeds grotere drempel voor de energietransitie. In: Sustainaweekly, 25 april 2022, p. 2-4. Ridder, J. den en P. Dekker (2019). Publieke opinie. In: A. Wennekers, J. Boelhouwer, C. van Campen en J. Kullberg (red.), De sociale staat van Nederland 2019 (p. 53-76). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Ridder, J. den, T. Fiselier en C. van Ham (2021). Draagvlak voor het burgerforum. Een verkenning van de Nederlandse publieke opinie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Ridder, J. den, E. Miltenburg, S. Kunst, L. van ’t Hul en A. van den Broek (2022). Burgerperspectieven – bericht 1/2022. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. ROB (2020). Akkoord?! Besturen met akkoorden als evenwichtskunst. Den Haag: Raad voor Openbaar Bestuur. Roeters, A., A. de Boer, W. Portegijs, R. Maslowski en J. Omlo (2021). De werkende duizendpoot. Hulpbronnen en barrières voor werkenden die zorgen en leren. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. RVO (2020). Lange Termijn Renovatiestrategie. Op weg naar een CO2-arme Gebouwde Omgeving. Den Haag: Rijksdienst voor ondernemend Nederland.
Geraadpleegd 19 oktober 2022 via www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/03/06/lange-termijn-renovatiestrategie-op-wegnaar-een-co2-arme-gebouwde-omgeving. Scholte, S., Y. de Kluizenaar, T. de Wilde, A. Steenbekkers en C. Carabain (2020). Op weg naar aardgasvrij wonen. De energietransitie vanuit burgerperspectief. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Schulenberg, R. en M. Vlekke (2022). Stresstest kosten van het levensonderhoud. Den Haag: Centraal Planbureau.
96
Schwencke, A.M., L. Schreurs, L. Kik en R. Hoenkamp (2021). Monitor 2021: Participatiemonitor. Monitor participatie hernieuwbare energie op land. Resultaten tot en met 2020. Wind op land en niet-gebouwgebonden zon. Leiden: ASISEARCH en Bosch & van Rijn (in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)). Schyns, P. (2016). Kiezen bij de kassa. Een verkenning van maatschappelijk bewust consumeren in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. SER (2013). Energieakkoord voor duurzame groei. Den Haag: Sociaal-Economische Raad. SER (2018). Energietransitie en werkgelegenheid. Kansen voor een duurzame toekomst. Den Haag: Sociaal-Economische Raad. Steenbekkers, A. en S. Scholte (2019). Onder de pannen zonder gas? Woningeigenaren en hun overwegingen voor aardgasvrije alternatieven. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Steenbekkers, A., R. Fransman en Y. de Kluizenaar (2021a). Woningverduurzaming: Kunnen en willen betekent nog niet doen. Drijfveren en ervaren barrières bij woningverduurzaming. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Steenbekkers, A., R. Fransman en W. Mensink (2021b). Meedoen aan woningverduurzaming. In: L. van Noije, D. Verbeek-Oudijk en J. de Haan (red.), Kwesties voor het kiezen 2021. Analyse van vijf urgente maatschappelijke vraagstukken voor de komende kabinetsperiode. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Straver, K., A.G.
Fijn van Draat, S. van Polen, R. Kooger, M. Hulshof en B. Wesselink (2017). De winnaars en verliezers van de energietransitie. Verkenning van problemen, visies en oplossingen. Petten: Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) Swart, L. en S. van der Laan (2022). Ondernemen organisaties op milieu- en klimaatverantwoorde wijze? In: Arbeidsmarkt in kaart: Werkgevers - editie 3. Geraadpleegd 8 december 2022 via digitaal.scp.nl/arbeidsmarkt-in-kaart-werkgevers-editie-3/ondernemen-organisaties-op-milieu-enklimaatverantwoorde-wijze. TK (2019/2020). Kabinetsaanpak Klimaatbeleid. Brief van 25 november 2019 van de minister van EZK inzake aanbieding Integrale Nationale Energie- en Klimaatplan (INEK) aan Eerste Kamer. Tweede Kamer, vergaderjaar 2019/2020, 32813, nr. L. TK (2021/2022a). Inzet op arbeidsmarktkrapte voor de klimaat- en digitale transitie. Brief van de ministers van Economische Zaken en Klimaat en voor Klimaat en Energie aan de Tweede Kamer van 15 juli 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022, 29544, nr. 1120. TK (2021/2022b). Aanhangsel van de Handelingen. Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022 (2651), Aanhangsel (ah-tk20212022-2651 ISSN 0921 - 7398). TK (2022). Aanpak arbeidsmarktkrapte.
Brief van 24 juni 2022 van de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Armoedebeleid Participatie en Pensioenen (APP), Economische Zaken en Klimaat (EZK), Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW), Primair en Voortgezet Onderwijs (PVO) en Langdurige Zorg en Sport (LZS) aan de Tweede Kamer. Referentie: 2022-0000140831. TK (2022/2023). Appreciatie resultaten gedragsscan beleidsprogramma Klimaat. Brief van de minister van EZK aan de Tweede Kamer van 11 november 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023, 32813, nr. 1117. Vergeer, R. (2017). Wie profiteert van het klimaatbeleid? Verdeling van subsidies en belastingkortingen tussen armere en rijkere huishoudens. Delft: CE Delft. Vergeer, R., F.J. Rooijers en M. Davidson (2017). Rechtvaardigheid en inkomenseffecten van het klimaatbeleid: de impact van het klimaatbeleid op de inkomensongelijkheid. Delft: CE Delft. VVD, D66, CDA en ChristenUnie (2021). Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst. Coalitieakkoord 2021 – 2025. Den Haag: Rijksoverheid. Vermeij, L., J. Iedema, J. Boelhouwer, I. Ooms en J. Kullberg (2021). Vier typen gemeenten. Een laagdrempelig instrument om de belangrijkste verschillen tussen gemeenten een plek te geven in SCP-onderzoek (achtergrondnotitie). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Wagemans, F. en S. Peters (nog te verschijnen).
Burgers over de verdeling van verantwoordelijkheden bij grote maatschappelijke opgaven (werktitel). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. WRR (2023). Rechtvaardigheid in klimaatbeleid - Over de verdeling van klimaatkosten. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
97
5
Democratie en vertrouwen Lonneke van Noije, Josje den Ridder en Bram Geurkink
5.1
Steun voor de democratische rechtsstaat en zijn instituties
Een voortdurende opgave in een democratische rechtsstaat zoals de onze, is om te zorgen dat er voldoende steun is voor de democratie en haar instituties. Een legitiem bestuur draagt bij aan een stabiel en effectief bestuur, en daarmee aan de kwaliteit van de samenleving, waarin mensen problemen aangepakt, doelen verwezenlijkt en rechten beschermd zien. Zorgen over politiek en democratie zijn van alle tijden. Dat is niet verwonderlijk; de democratie is een breed gedragen ideaal, maar in de praktijk van alledag zijn er voortdurend spanningen, bijvoorbeeld tussen luisteren naar burgers en het nemen van moeilijke beslissingen voor de langere termijn, of tussen het zoeken naar consensus en het waarderen van tegengestelde belangen en opvattingen. De wijze waarop politiek en bestuur met dergelijke dilemma’s omgaan, beïnvloedt hun legitimiteit. Dit valt deels in kaart te brengen met objectieve indicatoren. Daarbij kan gedacht worden aan indicatoren voor good governance, zoals de mate van corruptie en de inrichting van het openbaar bestuur. Maar alle goede intenties en goed gedrag ten spijt, legitimiteit staat of valt met de toekenning ervan door burgers. De subjectieve percepties en aanvaarding door burgers van de democratie en politieke instituties als de regering en het parlement staan daarom centraal in deze notitie.
5.1.1 Legitimiteit als structurele basis voor vertrouwen Institutioneel vertrouwen verwijst naar het geloof dat ‘de overheid’ het juiste zal doen, of tenminste de intentie en competentie heeft om het juiste te doen en zich daarvoor inzet (Thomassen et al. 2017). Wat volgens burgers ‘het juiste’ is, en in hoeverre de overheid daaraan volgens hen tegemoet komt, is bepalend voor de legitimiteit die de overheid in hun ogen geniet (Easton 1957; Netelenbos 2016; Thomassen en Van Ham 2017). De mate waarin de overheid deze legitimiteit kan bevestigen, zorgt voor een structurele basis voor vertrouwen. Vertrouwen en legitimiteit worden in de literatuur regelmatig door elkaar gebruikt. Ze liggen in elkaars verlengde, maar zijn geen pseudoniemen (Andeweg 2014; Thomassen et al. 2017). Legitimiteit verwijst naar de morele criteria waaraan de overheid steeds moet voldoen om haar bestaansrecht ‘te bewijzen’, terwijl vertrouwen zowel op morele gronden als op instrumentele motieven (zoals eigenbelang) gebaseerd kan zijn (Thomassen en Van Ham 2017). Als mensen gezagsuitoefening legitiem vinden, aanvaarden zij het vrijwillig op morele gronden: omdat ze het gerechtvaardigd vinden, óók als het niet in hun eigen voordeel is, en óók als ze het er niet mee eens zijn (Andeweg 2014; Beetham en Lord 1998; Dahl 1982; Gilley 2006, Weber 1978 [1922]).
Die morele aanvaarding van gezag is betekenisvol, omdat het de kans vergroot dat mensen als constructief-kritische burgers aan de democratische rechtsstaat deelnemen (Andeweg 2014; Gilley 2006; Tyler 2000). Steun vanuit een instrumenteel belang verdwijnt zodra dat belang niet meer wordt gediend; daardoor is ook de bereidheid tot inwilliging van beleid grilliger. Een legitieme overheid doet gemakkelijker een beroep op een individueel plichtsbesef. Een niet-legitieme overheid kun je eenvoudiger terzijde schuiven, of zien als een vrijbrief voor ondermijnend gedrag (Van Noije 2019). Zo is legitimiteit bepalend voor de stabiliteit van de democratische rechtsstaat (Habermas 1996; Thomassen et al. 2017). Een dip in toegekende legitimiteit is dan ook zorgwekkender dan een
98
dip in vertrouwen, omdat dit laatste ook kan wijzen op een tijdelijke ontevredenheid over actueel overheidsfunctioneren onder gezond kritische burgers (Decreus 2011; Lenard 2008). 5.1.2 Leeswijzer Een zekere mate van institutioneel vertrouwen en legitimiteit is dus van belang voor een stabiel bestuur en een goed functionerende democratie. Blind vertrouwen in een democratie is niet wenselijk; diep wantrouwen evenmin. Het is vooral van belang dat burgers de instituties van de democratie en de mensen die erin werkzaam zijn kritisch volgen en op relevante aspecten beoordelen (zie o.a. Van der Meer en Zmerli 2017; Norris 2022). In deze notitie kijken we daarom niet alleen naar het niveau van institutioneel – in dit geval politiek – vertrouwen en legitimiteit, maar ook naar achterliggende criteria waarop mensen politieke instituties kunnen beoordelen. Dit wijst ons in de richting van de belangrijkste pijnpunten in het functioneren van de democratie, die het vertrouwen of de legitimiteit kunnen helpen verklaren. Na een schets van beleid ter verbetering van de democratische rechtsstaat voor herstel van vertrouwen (§ 5.2), bespreken we de ontwikkelingen in de publieke opinie op dit gebied (§ 5.3).
Naast tevredenheid met de democratie, politiek vertrouwen en een eerste globale indicator van legitimiteit, gaan we in op drie elementen waarvan bekend is dat ze bijdragen aan een legitiem bestuur, te weten houdingen over 1) responsiviteit, 2) de mate waarin de overheid rechtvaardig optreedt en 3) de mate waarin de overheid presteert. We kijken vervolgens welke van deze elementen het sterkst samenhangen met politiek vertrouwen. In de slotparagraaf (§ 5.4) vatten we de belangrijkste bevindingen samen en doordenken we de beleidsimplicaties. We richten ons in deze bijdrage vooral op de nationale overheid.
5.2
Kabinetsbeleid ter versterking van democratie en rechtsstaat Vertrouwen van burgers in de overheid is afhankelijk van de zekerheid die de overheid kan bieden bij de oplossing van maatschappelijke problemen; nu, in de komende maanden, in de jaren die voor ons liggen. Zekerheid dat de overheid doet wat ze zegt en zegt wat ze doet. De formatie moet in dienst van dat vertrouwen staan. (TK 2020/2021b: 1)
Deze oproep van informateur Tjeenk Willink vond gehoor in coalitieakkoord dat VVD, D66, CDA en ChristenUnie eind 2021 sloten, met daarin aandacht voor maatregelen ter versterking van de democratische rechtsstaat. De veronderstelling was dat als de democratische rechtsstaat op een aantal pijnpunten zou worden aangepakt, dit randvoorwaarden zou scheppen voor het herstel van vertrouwen onder burgers, dat in de periode vóór 2021 geschonden zou zijn door onder meer de toeslagenaffaire en de afhandeling van de gaswinning in Groningen. Al het overheidsbeleid kan invloed hebben op het vertrouwen en de legitimiteit. We beperken ons tot het beleid dat gericht is op het verbeteren van het eigen functioneren van de overheid, met als doel vertrouwen (terug) te winnen. Op hoofdlijnen kan dit beleid worden ingedeeld in vier strategieën, te weten: 1 rechtvaardiger wetgeving en beleidsuitvoering 2 het versterken van tegenmacht 3 het vergroten van invloed van burgers op de besluitvorming 4 het beschermen van de democratische rechtsstaat tegen antidemocratische krachten 99
5.2.1 Rechtvaardiger wet- en regelgeving en uitvoering De toeslagenaffaire en de afhandeling van gaswinning in Groningen hebben het herstel van de democratische rechtsstaat, en daarmee het vertrouwen van burgers, hoog op de agenda van het kabinet gezet. Het kabinet zoekt dat herstel in een betere aansluiting van de beleidsuitvoering op de behoeften en omstandigheden van mensen. Om de menselijke maat terug te brengen, moet wet- en regelgeving eenvoudiger en realistischer worden. Ook moeten evaluaties in het uitvoeringsproces worden ingebouwd. Daarnaast wil het kabinet het voor professionals in de beleidsuitvoering mogelijk maken af te wijken van procedures als zij constateren dat de gevolgen voor mensen onevenredig nadelig of onrechtvaardig uitpakken. Bovendien moet het voor burgers gemakkelijker worden om in contact te komen met de overheid (VVD et al. 2021). Om een start te maken met deze ambities, heeft het kabinet de staatscommissie Rechtsstaat voorgesteld. Deze commissie moet adviseren hoe de onderlinge verhoudingen tussen de drie staatsmachten verbeterd kunnen worden, zodat burgers beter beschermd zijn tegen de overheid (TK 2021/2022a).
1 Ook heeft het kabinet ingestemd met de instelling van de staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme, die onderzoek gaat doen naar de oorzaken van en effectieve interventies tegen discriminatie en racisme binnen alle sectoren inclusief de overheid. 2 Begin 2022 werd een internetconsultatie onder de bevolking gehouden om inzicht te krijgen in wetten en regels waardoor mensen disproportioneel in de knel kunnen komen. Er zijn drie wetswijzingen voorgesteld om de politieke en financiële onafhankelijkheid, onpartijdigheid en integriteit van de rechtsspraak te bevorderen. 3 Binnen departementen zijn inmiddels eenheden opgericht om misstanden te voorkomen dan wel op te lossen. Zo kent het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) sinds 2022 de Unit Signalering en Responsiviteit, die tot doel heeft signalen van burgers in de knel op te pikken, op waarde te schatten en er betekenisvolle opvolging aan te geven. Dit moet soms tot individuele oplossingen en soms tot systeemveranderingen leiden. Ook is eind 2021 binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) het programma Dialoog en Ethiek opgericht. Dit moet de gesprekscultuur tussen ambtenaren binnen departementen verbeteren, zodat zij signalen van misstanden zoals de kinderopvangtoeslagaffaire vroegtijdig bespreekbaar willen en durven maken.
5.2.2 Versterking tegenmacht Een van de klachten over de heersende politiek-bestuurlijke cultuur, is dat de uitvoerende macht binnen de trias politica te veel macht heeft gekregen (Mair 2013; Wille 2022a). Het kabinet-Rutte IV is voornemens om de uitvoerende macht meer aan democratische en staatrechtelijke controle te onderwerpen en de positie van instituties met tegenmacht te versterken. Het kabinet wil de positie van de Tweede Kamer versterken door een duidelijkere scheiding tussen Kamer en kabinet, meer financiële armslag voor de Kamer en een betere informatiepositie van de Kamer. Ook moeten toezichthouders meer middelen krijgen, met wettelijke verankering van hun onafhankelijke positie. Topambtenaren zouden minder vaak van positie moeten wisselen, waardoor relevante expertise langer behouden blijft. De rechterlijke macht moet worden versterkt en de gang naar de rechter moet voor burgers laagdrempeliger worden gemaakt. Om de positie van de pers als tegenmacht te versterken, heeft het kabinet investeringen in onafhankelijke (ook lokale) media en onderzoeksjournalistiek toegezegd. Persvrijheid moet als democratische kernkwaliteit worden bewaakt, terwijl nepnieuws en desinformatie moeten worden bestreden.
100