Inkomend - SCP - Notities Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2023
Tekst van het document
Kromhout, m.m.v. E. van den Berg (2022). Uitdagingen in het sociaal domein. Nieuwe gemeentebesturen aan zet. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Klerk, M. de, E. Eggink, I. Plaisier en K. Sadiraj (nog te verschijnen). Zicht op zorgen. Kerncijfers over de problematiek, hulpbronnen, leefsituatie en ondersteuning van mensen in het sociaal domein. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kooiker, S., A. de Jong, D. Verbeek-Oudijk en A.de Boer (2019). Mantelzorg voor ouderen in de toekomst. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kromhout, M., N. Kornalijnslijper en M. de Klerk (red.) (2018). Veranderde zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking. Landelijke evaluatie van de Hervorming Langdurige Zorg. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kromhout, M., P. van Echtelt en P. Feijten (2020). Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kruiter, A.J. en S.L. de Lange (2014). Over kennislacunes en lokale mogelijkheden. In: Beleid en Maatschappij, jg. 41, nr. 1, p. 50-52. Kruiter, A.J., F. Bredewold en M. Ham (2016). Hoe de verzorgingsstaat verbouwd wordt. Kroniek van een verandering. Amsterdam: Van Gennep Amsterdam. Linders, L. (2010). De betekenis van nabijheid. Een onderzoek naar informele zorg in een volksbuurt. 's Gravenhage: Sdu uitgevers. Madsen, J.K., K.S.
Mikkelsen en D.P. Moynihan (2020). Burdens, sludge, ordeals, red tape, oh my!: A user's guide to the study of frictions. In: Public Administration, jg. 100, nr. 2, p. 375-393. Meer, F. van der, J. Raadschelders en T. Kerkhoff (2011). Van nachtwakersstaat naar waarborgstaat. Proliferatie en vervlechting van het Nederlandse openbaar bestuur in de lange twintigste eeuw (1880–2005). In: P. Wagenaar, T. Kerkhoff en M. Rutgers (red.), Duizend jaar openbaar bestuur in Nederland: Van patrimoniaal bestuur naar waarborgstaat (p. 221-290). Bussum: Uitgeverij Coutinho. Meer, F. van der, C. van den Berg, C. Van Dijck, G. Dijkstra en T. Steen (2019). Consensus democracy and bureaucracy in the Low Countries. In: Politics Low Countries, jg. 1, p. 27. Nederlandse Arbeidsinspectie (2022). Spiegel Bestaanszekerheid 2022. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken. Pearlin, L.I. en C. Schooler (1978). The Structure of Coping. In: Journal of Health and Social Behavior, jg. 19, nr. 1, p. 2-21. Peters, K., P. Castenmiller, M. Boogers en M. van Dam (2020). Beginselen versus praktijken: toetsing van decentralisatieprocessen, met aanbevelingen voor versterking. Stichting Decentraalbestuur.nl. Geraadpleegd 23 januari 2023 via www.decentraalbestuur.nl/images/Beginselen_versus_praktijkenEindrapport_doorlichting_decentralisatiebeleid.pdf. Plaisier, I. en M. de Klerk (2015). Zicht op zorggebruik.
Ontwikkelingen in het gebruik van huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en verpleging tussen 2004 en 2011. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Plaisier, I. en M. den Draak (2021). Passende zorg voor ouderen thuis: knelpunten in kaart. Geraadpleegd 25 januari 2022 via www.scp.nl/publicaties/publicaties/2021/07/08/passende-zorg-voor-ouderen-thuis. Plaisier, I., P. Schijns, K. Kadrouch-Outmany, A. L. Schotel en M. de Klerk (te verschijnen). Niet-bereik van ondersteuning in het sociaal domein: oorzaken en gevolgen (werktitel). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Pommer, E. en J. Boelhouwer (2016). Overall rapportage sociaal domein 2015. Rondom de transitie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Pommer, E., J. Boelhouwer, E. Eggink, A.M. Marangos en I. Ooms (2018). Overall rapportage sociaal domein 2017. Wisselend bewolkt. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Prognosemodel Zorg en Welzijn (2022). Prognosemodel Zorg en Welzijn. Geraadpleegd 8 februari 2022 via prognosemodelzw.databank.nl/dashboard/dashboard-branches. Putters, K.(2018). Een lokaal sociaal contract. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Putters, K. (2022). De menselijke staat: Burgerperspectief als voorwaarde voor een toekomstbestendig sociaal contract. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Reijnders, M. (2020).
Non-take-up of social support and the implications for social policies. Leiden: Universiteit Leiden.
70
Rfv (2017). Geld om te zorgen. Naar een toekomstbestendige bekostiging van het gemeentelijk sociaal domein. Den Haag: Raad voor de financiële verhoudingen. Ridder, J. den, C. van Campen, E. Josten en J. Boelhouwer (2020). De sociale staat van Nederland 2020 op hoofdlijnen kwaliteit van leven in onzekere tijden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. RMO (2008). De ontkokering voorbij. Slim organiseren voor meer regelruimte. Amsterdam: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. ROB (2017). Zorg voor samenhangende zorg. Over zorgwetten die door gemeenten worden uitgevoerd. Den Haag: Raad voor het Openbaar Bestuur. ROB (2018). Advies n.a.v. uw adviesaanvraag van 28-11-2017 over informatievoorziening TK over decentralisaties. Den Haag: Raad voor het Openbaar Bestuur. ROB (2021). Rust-reinheid-regelmaat. Evenwicht in de bestuurlijk-financiële verhoudingen. Den Haag: Raad voor het Openbaar Bestuur. Roeters, A., P. van Echtelt, C. Vrooman, J.D. Vlasblom en M. Olsthoorn (2021). Slotbeschouwing van de reeks ‘De veranderende wereld van werk'. Een verkenning van de kwaliteit van werk in de toekomst. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Rooijackers, T., M. Wetzels en S. Metzelthin (2019). Blijf Actief Thuis: Van ‘zorgen voor…’ naar ‘zorgen dat…’. Onderzoek naar een Reablement scholingsprogramma voor thuiszorgmedewerkers. In: Geron, jg. 21, nr. 3. Roos, Simone de, F. Bucx en E.
van den Berg (2021). Sociale netwerken van ouders. Steun bij de opvoeding en andere ouderschapstaken. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Sabel, C., J. Zeitlin en J.K. Helderman (2023). Transforming the Welfare State, One Case at a Time: How Utrecht Makes Customized Social Care Work. In: Politics & Society (doi.org/10.1177/00323292221140710). Schellingerhout, R., E. Eggink, J. Boelhouwer en I. Ooms (2021). Voorzieningen in 3D. Gebruik van voorzieningen in het sociaal domein 2015-2019 vanuit verschillende perspectieven: personen, huishoudens, regio’s en trends. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Schillemans, T. (2008). Regelruimte. Over de logica van verkokering en alternatieven voor ontkokering. In Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (red.). De ontkokering voorbij. Slim organiseren voor meer regelruimte (p. 107-154). Amsterdam: SWP. Geraadpleegd 6 maart 2023 via www.raadrvs.nl/binaries/raadrvs/documenten/publicaties/2008/09/01/de-ontkokeringvoorbij/De_ontkokering_voorbij.pdf. SCP (2021). Koersen op de samenleving. Maatschappelijke opgaven en kansrijke oplossingen door de bril van burgers bezien. Geraadpleegd 15 januari 2022 via digitaal.scp.nl/pdf/16-04-2021/koersen-op-de-samenleving.pdf. SCP (2022). Reflectie op het coalitieakkoord 2021-2025 vanuit het burgerperspectief.
Geraadpleegd 19 januari 2022 via www.scp.nl/publicaties/publicaties/2022/01/10/reflectie-op-het-coalitieakkoord-2021-2025-vanuit-hetburgerperspectief. SER (2021). Jeugdzorg: van systemen naar mensen. Tien aanbevelingen voor de korte termijn. Den Haag: Sociaal-Economische Raad. SER (2022). Tastbaar beleid voor de jeugdzorg. ADVIES 22/09. Den Haag: Sociaal-Economische Raad. Smith, B.W., J. Dalen, K. Wiggins, E. Tooley, P. Christopher en J. Bernard (2008). The Brief Resilience Scale: Assessing the Ability to Bounce Back. In: International Journal of Behavioral Medicine, jg. 15, nr. 3, p. 194-200 (doi.org/10.1080/10705500802222972). Stuurgroep Staat van de Uitvoering (2023). Staat van de Uitvoering 2022. Geraadpleegd 27 januari 2023 via staatvandeuitvoering.nl/app/uploads/2023/01/Staat-van-de-Uitvoering-2022-1.pdf. SZW (2022). Participatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. TK (2012/2013). Regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Jeugdwet). Tweede Kamer, vergaderjaar 2012/2013, 33684, nr. 2. TK (2021/2022a). Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2022. Memorie van toelichting.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022e, 35 925 XVI, nr. 2. TK (2021/2022b). Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2022. Memorie van toelichting. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022d, 35 925 XV, nr. 2. TK (2021/2022c). Hervormingen jeugdzorg. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022a, 31839, nr. 853. TK (2021/2022d). Integrale visie op de woningmarkt; Brief regering; Programma ‘Een thuis voor iedereen’ en rapport 'Voorrang bij toewijzing sociale huurwoningen'. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022b, 32 847, nr. 883. TK (2022/2023a). Maatschappelijke Opvang; Brief regering; Voortgang van beschermd wonen naar een beschermd thuis. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023d, 29325, nr. 137. TK (2022/2023b). Hoofdlijnenbrief toekomst Wmo. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023b, 29538, nr. 332. TK (2022/2023c). Kamerbrief over integrale visie op mantelzorg in relatie tot informele zorg. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023c, 30169, nr. 73. TK (2022/2023d). Hervormingsagenda jeugd. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023a, 31839, nr. 917. TK (2022/2023e). Stand van zaken Participatiewet in balans. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023e, 34352, nr. 260.
71
TK (2022/2023f). Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein. Voorstel van wet. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023f, 26295, nr. 2. Toonen, T.A.J. (1981). Gemeentelijke invloed in een vervlochten bestuur. De relaties tussen nationale en lokale overheden. In: Beleid en Maatschappij, jg. 8, nr. 11, p. 334-342. TSD (2016). Vierde rapportage TSD: Eén sociaal domein. Den Haag: Transitiecommissie Sociaal Domein. TSD (2020). Terugblik Toezicht Sociaal Domein 2016-2020. Den Haag: Toezicht Sociaal Domein. Veldheer, V., J.-J. Jonker, L. van Noije en C. Vrooman (2012). Een beroep op de burger. Minder verzorgingsstaat, meer eigen verantwoordelijkheid? Sociaal en Cultureel Rapport 2012. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Versantvoort, M. (red.) (2019). Samenvatting Eindevaluatie van de Participatiewet. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Versantvoort, M. en P. van Echtelt (red.) (2012). Belemmerd aan het werk. Trendrapportage ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en arbeidsdeelname personen met gezondheidsbeperkingen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Versantvoort, M. en K. Putters (2020). Naar nieuwe scheidslijnen op de Nederlandse arbeidsmarkt? Een pleidooi voor uitvoerbaarheid van beleid. In: Beleid en Maatschappij, jg. 47, nr. 2, p. 172-182. VNG (2019). De staat van het sociaal domein. Terug-, rond- en vooruitkijken.
Den Haag: Vereniging van Nederlandse Gemeenten. VNG (2021). Visitatiecommissie financiële beheersbaarheid sociaal domein. Eindrapportage. Den Haag: Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Geraadpleegd 23 januari 2023 via vng.nl/sites/default/files/202112/visitatiecommissie-financiele_20211104.pdf. VNG (2023). Gemeentelijke Monior Sociaal Domein. Geraadpleegd 30 januari 2023 via www.waarstaatjegemeente.nl/dashboard/dashboard/gemeentelijke-monitor-sociaal-domein. Vonk, G., A.M. Zwanenveld en J.D. Pruim (2021). Eindverslag Commissie Menselijke Maat Enschede. Maatvoering is mensenwerk II. Enschede: Gemeente Enschede. Vrooman, C., J. Boelhouwer, J. Iedema en A. van der Torre (2023). Eigentijdse ongelijkheid. De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal. Verschil in Nederland 2022. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. VVD, D66, CDA en ChristenUnie (2021). Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst. Coalitieakkoord 2021-2025. Den Haag: VVD, D66, CDA en ChristenUnie. WRR (2006a). De verzorgingsstaat herwogen. Verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. WRR (2006b). Lerende overheid. Een pleidooi voor probleemgerichte politiek. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. WRR (2017). Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid.
Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. WRR (2020). Doenvermogentoets. Geraadpleegd 18 oktober 2022 via www.wrr.nl/adviesprojecten/doenvermogen/doenvermogentoets. Xanten, H. van en T. Daniëls (2014). Succesvolle burgerinitiatieven in wonen, welzijn & zorg. Utrecht: Movisie. Zoest, F. van, L. Stouthard, R. van Schaijk, K. Sok, N. van der Heijden en J. Smelik (2021). Monitor Zorgzame Gemeenschappen. Utrecht: Vilans, Movisie en Nederland Zorgt voor Elkaar.
72
4
Verduurzaming vanuit burgerperspectief Yvonne de Kluizenaar en Ab van der Torre
4.1
Het maatschappelijke thema verduurzaming vanuit burgerperspectief
Klimaataanpak en -gevolgen steeds duidelijker merkbaar voor burgers en samenleving Het overschrijden van de natuurlijke grenzen van de planeet, wat zich uit in verminderde biodiversiteit, een veranderend klimaat en het schaarser worden van grondstoffen, vormt een bedreiging voor de huidige en toekomstige kwaliteit van leven (CBD 2020; IPCC 2018). Deze problemen overstijgen landsgrenzen. Ecologische, economische, technologische, politieke, demografische en sociaal-culturele factoren vormen samen de drijvende krachten voor verduurzaming. Internationale afspraken beogen het tij te keren door te sturen op een duurzame en klimaatneutrale samenleving. Klimaatneutraliteit staat zowel mondiaal, Europees, als nationaal hoog op de politieke agenda. Het doel om in 2050 klimaatneutraal te zijn, is vastgelegd in Europese wetgeving en heeft een prominente plek in het huidige coalitieakkoord. Het realiseren van de gemaakte afspraken binnen enkele decennia is een complexe maatschappelijke opgave die veel vraagt van overheden, het bedrijfsleven, het maatschappelijk middenveld én burgers. Het vraagt aanpassingen in de manier van produceren (o.a. landbouw en industrie), consumeren, wonen en reizen.
Een belangrijk onderdeel van de transitie naar een klimaatneutrale samenleving waar burgers in hun dagelijks leven direct en indirect mee te maken krijgen, is de verduurzaming van de productie en consumptie van energie. De urgentie van die omslag is toegenomen door zorgen over geopolitieke afhankelijkheden, de leverings- en voorzieningszekerheid en de sterke stijging van energieprijzen (en daarmee samenhangende inflatie) door de oorlog in Oekraïne. Deze ontwikkeling treft burgers, bijvoorbeeld door gevolgen voor de manier waarop hun huizen worden verwarmd, hun manier en de intensiteit van vervoer, de inrichting van hun woon- en leefomgeving en hun kosten van levensonderhoud. De veranderingen zijn hiermee niet alleen direct en indirect van invloed op de leefsituatie van burgers. Ze kunnen in veel gevallen ook niet plaatsvinden zonder actieve betrokkenheid van burgers. Verduurzaming is niet alleen een technische of economische, maar terdege ook een sociaal-maatschappelijke uitdaging. Het Klimaatakkoord spreekt dan ook van een maatschappelijke transitie (Klimaatberaad 2019).
Een belangrijke vraag is: is deze transitie mogelijk zonder negatieve gevolgen voor – of positiever: op een manier die bijdraagt aan – de kwaliteit van de Nederlandse samenleving, voor zowel de huidige als de volgende generaties? Verduurzaming vergt immers keuzes met gevolgen voor het welbevinden van burgers op individueel niveau en voor welvaarts-, verdelings- en rechtvaardigheidsvraagstukken op maatschappelijk niveau. Hoe pakt de balans van lusten en lasten voor individuele burgers en voor groepen burgers uit? Voor welke veranderingen komen burgers te staan? Kan iedereen meedoen en meeprofiteren? Brengt het mensen samen of drijft het mensen uiteen? Hoe grijpt dit in op de bereidheid van burgers om in de transitie mee te bewegen? De uitdaging is om burgers te betrekken, rekening houdend met wat burgers kunnen en willen en op een manier die niemand achterlaat. In deze notitie staan de sociaal-maatschappelijke aspecten van de transitie naar een klimaatneutrale samenleving centraal. We richten ons daarbij op de percepties van burgers.
73
4.2
Hoofdlijnen staand beleid op nationaal niveau
Internationale afspraken zijn sterk bepalend voor nationaal beleid Door het grensoverschrijdend karakter van het thema klimaat is nationaal beleid niet los te zien van internationaal beleid. Europees en nationaal klimaatbeleid is een uitwerking van wereldwijde afspraken uit het VN-Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 1. Met die overeenkomst committeerden 195 landen, waaronder de lidstaten van de Europese Unie, zich aan het terugdringen van broeikasgasemissies om de temperatuurstijging te beperken tot ruim onder de 2 graden (zo mogelijk 1,5 graad). Daarop lanceerde de Europese Commissie de Europese Green Deal; de strategie waarmee Europa de transitie naar een duurzame samenleving wil realiseren. De kerndoelstelling, het bereiken van klimaatneutraliteit vóór 2050, is wettelijk vastgelegd in de Europese Klimaatwet (EP en Raad 2021). Nationale ambities zijn verankerd in de Klimaatwet, met als doel 95% reductie van broeikasgasuitstoot in 2050 vergeleken met 1990 en een tussendoel van 49% reductie in 2030. Het klimaatbeleid is verder uitgewerkt in het Klimaatakkoord (Klimaatberaad 2019) en het Integraal Nationale Energie- en Klimaatplan (INEK) (TK 2019/2020; EZK 2019).
Het huidige coalitieakkoord scherpt die ambitie aan tot 55% reductie in 2030, waarbij wordt aangestuurd op 60%, en bevat beleidsvoornemens rond onder meer verduurzaming van de industrie en de gebouwde omgeving (VVD et al. 2021; EZK 2022). Burgerperspectief vraagt aandacht door beroep op burgers en effecten op dagelijks leven De verdeling van verantwoordelijkheden in de samenleving is aan voortdurende verschuiving onderhevig. De laatste decennia zijn verantwoordelijkheden voor verschillende publieke voorzieningen naar de markt verschoven en wordt daarnaast in toenemende mate een beroep gedaan op burgers, zo ook in het klimaatbeleid (Blijleven en Kooiker 2022). De transitie naar een klimaatneutrale samenleving raakt het dagelijks leven (wonen, mobiliteit, energie, consumptie, woon- en leefomgevingskwaliteit, werk en onderwijs), vraagt om economische, ecologische, technologische, sociale, culturele en politieke afwegingen en om actieve betrokkenheid van verschillende overheidslagen, het maatschappelijk middenveld, bedrijven en burgers. In de aanpak, zoals onder andere vastgelegd in het Energieakkoord (SER 2013) en het Klimaatakkoord (2019), kiest de overheid dan ook vaak voor een benadering waarin klimaatdoelen in samenwerking met andere actoren worden gerealiseerd (ROB 2020).
Terwijl het ook van burgers veel verwacht, ziet het kabinet ook dat beleid nu nog vaak onvoldoende rekening houdt met hun drijfveren, motivaties en handelingsmogelijkheden en verschillen daarin tussen groepen. Het kabinet signaleert dat dit beter moet, ook gezien de beleidsambitie om de klimaat- en energietransitie de komende jaren verder te versnellen en op te schalen (TK 2022/2023). Beleidsontwikkelingen waar burgers de komende jaren mee te maken krijgen, omvatten de verduurzaming van de gebouwde omgeving en mobiliteit, lokaal opwekken van duurzame energie, de aanpak van het tekort aan vakmensen in de techniek en ICT op de arbeidsmarkt en het vergroten van burgerbetrokkenheid bij beleid. Woningverduurzaming is één van de voor burgers meest ingrijpende onderdelen van het huidige klimaatbeleid en een prominent onderdeel van het huidige coalitieakkoord. Woningverduurzaming – op weg naar aardgasvrij wonen in 2050 Het Klimaatakkoord bevat de ambitie van een aardgasvrije gebouwde omgeving vóór 2050 (Klimaatberaad 2019). Deze ingrijpende verandering is niet voor niets ook weleens De grote verbouwing van Nederland genoemd. De Lange Termijn Renovatiestrategie beschrijft hoe Nederland invulling geeft aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving (RVO 2020). Gemeenten spelen een grote rol in de verduurzaming van woonwijken.
Zij werken hun Transitievisies warmte (2021) met een tijdpad voor het verduurzamen van wijken, uit in Wijkuitvoeringsplannen. De rijksoverheid 74
ondersteunt gemeenten onder meer via het Kennis- en Leerprogramma Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) en het Expertise Centrum Warmte (ECW), per 1 januari 2023 opgegaan in het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie. In de toekomst wil zij gemeenten verder ondersteunen met extra middelen en instrumenten voor de wijkaanpak (via een Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie). De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (die nu voorligt bij de Raad van State) geeft een gemeente de bevoegdheid om binnen haar grondgebied bepaalde wijken aan te wijzen die aardgas moeten vervangen door een duurzaam alternatief. Woningcorporaties, verhuurders en particuliere woningeigenaren zijn verantwoordelijk voor het verduurzamen van huuren koopwoningen. De rol van particuliere woningeigenaren is vooralsnog vooral vrijwillig. 2 Zij worden met subsidies (bv. de Investeringssubsidie duurzame energie) en fiscale instrumenten (bv. de btw-teruggaaf bij de aanschaf van zonnepanelen) gestimuleerd tot woningverduurzaming. Met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de voorgenomen komst van nationale normering voor bestaande gebouwen en installaties doen meer verplichtende maatregelen hun intrede (EZK 2022). Het Beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving beschrijft het voorgenomen beleid voor versterking van de aanpak op individueel en gebiedsniveau (o.a.
de wijkaanpak) dat aan versnelling moet bijdragen (BZK 2022). Er wordt ingezet op een combinatie van normeren en beprijzen en het beter ondersteunen van woningeigenaren met informatie, ontzorging, subsidiëring 3 en financiering. 4 Ook wordt ingezet op aanvullende maatregelen voor mensen met weinig inkomen. 5 Met de zogenoemde belastingschuif wordt elektriciteitsgebruik steeds aantrekkelijker en aardgasgebruik minder aantrekkelijk gemaakt. De voorgestelde Europese invoering van een Emission Trading System (ETS), 6 waaronder ook de gebouwde omgeving gaat vallen, stelt een plafond aan CO2-emissies van de gebouwde omgeving. De emissierechten worden door de overheid geveild. Dit leidt (via energieleveranciers) tot een CO2-prijs voor eindgebruikers (bv. huishoudens) en zal dus effecten hebben op de energierekening van burgers. Mobiliteit – geleidelijke overgang naar emissieloze voertuigen Verschillende beleidsmaatregelen moeten bijdragen aan de realisatie van mobiliteit zonder uitstoot in 2050. Het Ontwerp Beleidsprogramma Klimaat kondigt het voorgenomen beleid aan, dat inzet op actieve mobiliteit (meer lopen en fietsen) en verduurzamen van personenmobiliteit, elektrische personenauto’s, logistiek en brandstoffen (EZK 2022). Voor burgers betekent dit dat zij op termijn alleen nog emissieloze (bv. elektrisch of door waterstof aangedreven) voertuigen kunnen kopen.
Veel veranderingen zijn al merkbaar. Zo neemt het aantal elektrische auto’s en scooters de laatste jaren al flink toe (IenW 2021). Burgers zullen ook gestimuleerd worden minder of anders te reizen (bv. meer thuis te werken, te fietsen en te reizen met het ov, gebruik te maken van vormen van deelmobiliteit, en hogesnelheidstreinen als alternatief voor kortere afstandsvluchten te gebruiken). De Europese Commissie heeft voorgesteld een kerosineaccijns op EU-niveau in te voeren. Het kabinet heeft besloten tevens de vliegticketbelasting te verhogen (EZK 2022). Deze maatregelen zijn van invloed op de prijs van vliegreizen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) werkt aan een Nationale Mobiliteitsvisie 2050. Het kabinet wil dat iedereen mee kan in de overgang naar een duurzaam mobiliteitssysteem en werkt aan een programma voor vergroening van personenvervoer en reisgedrag, met aandacht voor doelgroepen en reismotieven. Het kabinet wil inzicht krijgen in het risico op mobiliteitsarmoede voor groepen en mogelijke oplossingen ontwikkelen (TK 2022/2023). Duurzame energieprojecten met een streven naar 50% lokaal eigendom Om een emissievrij elektriciteitssysteem te kunnen realiseren voor 2050, wordt steeds meer elektriciteit opgewekt met zon en wind. De regionale energiestrategieën (RES) dragen hieraan bij. In 75
de beleidsvisie op de verduurzaming van de energievoorziening spelen niet alleen overheden en bedrijven, maar ook burgers een rol. In het verleden was de energievoorziening (nutsvoorziening) primair bij de overheid belegd. Dit veranderde in de privatiseringsgolf van de jaren tachtig en negentig. In die periode groeide ook het aantal burgerinitiatieven (energie-coöperaties). Er vinden nu opnieuw verschuivingen plaats. Illustratief is bijvoorbeeld de ambitie van 50% lokaal eigendom (burgers en bedrijven) in duurzame energieprojecten uit het Klimaatakkoord (Klimaatberaad 2019). De overheid streeft naar burgerbetrokkenheid in de regionale energiestrategieën en stimuleert coöperatieve energieopwekking 7. Veel duurzame energieprojecten op land (zonneweides en windmolens) zijn nu in handen van commerciële partijen (Schwencke et al. 2021). In die constructie draagt de lokale gemeenschap vaak wel de lasten (bv. visueel minder aantrekkelijke woon- en leefomgeving, geluidhinder, slagschaduw, woningwaarde), maar niet (of beperkt) de lusten (rendement) en heeft ze weinig zeggenschap. Dit heeft gevolgen voor de acceptatie van projecten. Het streven naar 50% lokaal eigendom moet daar verandering in brengen. Het streven is burgers meer eigendom (zij delen direct of indirect mee in de baten) en meer zeggenschap te geven. Dit zou ook moeten bijdragen aan de acceptatie van lokale projecten.
Het kabinet wil een visie ontwikkelen op de rol van burgerinitiatieven in de transitie, met aandacht voor hoe deze het beste kunnen worden ondersteund (EZK 2022). Arbeidsmarkt en onderwijs – Actieplan groene en digitale banen De klimaattransitie doet een flink beroep op de toch al krappe arbeidsmarkt. De wens van het kabinet om te versnellen versterkt de urgentie om het tekort aan vakmensen in de groene technieken ICT-sectoren aan te pakken. Het (verwachte) Actieplan groene en digitale banen moet hieraan bijdragen (TK 2021/2022a). Dit actieplan is een aanvulling op het al bestaande generieke arbeidsmarktkraptebeleid (TK 2022). Het kijkt naar manieren om jongeren te enthousiasmeren voor het techniekonderwijs, zijinstroom en het vergroten van de instroom van groepen die nu nog aan de kant staan (bv. mensen met een uitkering). Om groepen aan te spreken die nu nog ondervertegenwoordigd zijn in de techniek en ICT (o.a. vrouwen en jongeren met een migratieachtergrond), wordt gedacht aan de inzet van rolmodellen, studievoorlichting en het tegengaan van genderstereotypering en stage- en arbeidsmarktdiscriminatie. Het kabinet zet hierbij in op een cultuurverandering bij werkgevers middels een gezamenlijk programma van werkgevers, arbeidsmarktregio’s en departementen.
Roep om grotere burgerbetrokkenheid In het coalitieakkoord is aandacht voor het versterken van de democratische rechtsorde en herstel van vertrouwen van burgers in de overheid. Het voorgenomen beleid zet in op meerdere doelen, waaronder het vergroten van de invloed van burgers op de besluitvorming als aanvulling op de representatieve democratie (zie de notitie Democratie en vertrouwen). De laatste jaren groeit ook de roep om grotere burgerbetrokkenheid in afwegingsprocessen bij ingrijpende en complexe maatschappelijke kwesties zoals het klimaatbeleid (Commissie-Brenninkmeijer 2021). Het kabinet wil burgers hier meer bij betrekken en wil bekijken welke bestaande en nieuwe instrumenten hiertoe kunnen worden ingezet (VVD et al. 2021; EZK 2022; TK 2022/2023). 8 Een van die instrumenten is het burgerforum. Het kabinet ziet een burgerforum voor klimaat als kans om betrokkenheid te vergroten en ook om meer inzicht te krijgen in motieven, meningen en houdingen van burgers rond gedrag(sverandering) (TK 2022/2023). Doordat burgerbetrokkenheid op decentraal niveau verschillend wordt ingevuld, ontstaan verschillen naar woonplaats. Daarom zet het kabinet, in samenspraak met decentrale overheden, in op het formuleren van algemeen geldende uitgangspunten en principes voor burgerbetrokkenheid bij de transitie (EZK 2022). 76
4.3
Actuele stand van zaken
Inzicht in het burgerperspectief van verduurzaming is nodig gezien de gevolgen van klimaatverandering en verduurzaming in brede zin voor burgers en het beroep dat het klimaatbeleid op burgers doet. Deze notitie gaat in op de percepties van burgers rond de transitie naar een klimaatneutrale samenleving. 9 We besteden daarbij aandacht aan verschillen tussen groepen. Rond het thema klimaat lijkt zich met name een scheidslijn af te tekenen naar opleiding (Dekker en Den Ridder 2020; Schyns 2016; De Kluizenaar en Flore 2021; Kloosterman et al. 2021). Daarom kijken we in het bijzonder naar verschillen in opleiding. 4.3.1 Betrokkenheid bij het thema klimaat en verduurzaming in brede zin Hoe belangrijk vinden Nederlanders verduurzaming en de aanpak van klimaatverandering? Hoe belangrijk vinden zij gedragsverandering ten behoeve van het klimaat en aanpassing van eigen gedrag in het bijzonder? Brengt het thema mensen samen of drijft het hen uiteen? Velen bezorgd over klimaat, natuur en geopolitieke afhankelijkheid Burgers plaatsten klimaat en milieu al jaren in de top 5 van grootste problemen van Nederland. 10 Vanaf 2016 groeit dit probleembesef sterk (Den Ridder en Dekker 2019; Dekker et al. 2020; Dekker en Den Ridder 2020).
Ook wanneer actuele zorgen rond corona andere thema’s naar de achtergrond drukken, zien burgers klimaat en milieu als prioritair thema voor de toekomst (Dekker et al. 2020). Steeds meer mensen zijn ervan overtuigd dat klimaatverandering door de mens plaatsvindt (Dekker et al. 2020; De Kluizenaar et al. 2020). Een ruime meerderheid is bezorgd over de gevolgen daarvan (De Kluizenaar en Flore 2021). Ook nieuwe gegevens laten zien dat er weinig twijfel is over de vraag of het klimaat de afgelopen 100 jaar is veranderd (94% zeker/waarschijnlijk wel) en dat dit in elk geval voor een deel door de mens wordt veroorzaakt (90%). Mensen zijn bezorgd dat klimaatverandering gevolgen heeft voor het leven van volgende generaties (81% bezorgd tot heel erg bezorgd) en voor hun eigen leven (59%). Ook zorgen over de achteruitgang van de natuur (81%), de afhankelijkheid van Nederland van buitenlandse energiebronnen (77%) en het opraken van grondstoffen (70%) zijn breed gedeeld. 11 Kort samengevat: het publieke bewustzijn van de bredere problematiek is groot. Er zijn verschillen naar opleiding in de overtuiging van klimaatverandering door de mens en in zorgen over gevolgen daarvan (mensen die hbo of wo afrondden zijn hier bezorgder over).
77
Figuur 4.1
a
Overzicht van indicatoren met betrekking tot het ervaren belang en zorgen rond het thema klimaat en duurzaamheid, naar opleiding, personen van 18 jaar en ouder, 2021 en 2022 (in procenten)
Inclusief antwoordcategorie ‘Evenveel door de mens als door de natuur’.
Bron: SCP/CBS (NIB’21 en ’22); SCP (SCO'22)
Het belang van gedragsverandering wordt breed gevoeld Het urgentiegevoel voor mondiale klimaatactie leeft breed. In 2019 vindt 65% dat de mensheid zo snel mogelijk in actie moet komen om klimaatverandering tegen te gaan en vindt 70% het in enige mate belangrijk dat hiertoe anders geleefd gaat worden (De Kluizenaar en Flore 2021). In 2022 is dit respectievelijk 72% en 86%. Ruim de helft van de mensen (58%) denkt na over wat zij hiertoe in hun dagelijks leven kunnen doen. Met name voor wat betreft dat laatste bestaan verschillen naar opleiding. Hoewel het belang van handelen breed gezien wordt in alle groepen, leeft het sterker onder mensen met een hbo- of wo-diploma dan onder mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden, vooral waar het gaat om het eigen dagelijks handelen. 12
78
Figuur 4.2
Overzicht van indicatoren voor het ervaren belang van klimaatactie, naar opleiding, personen van 18 jaar en ouder, 2021 en 2022 (in procenten)
Bron: SCP/CBS (NIB’21 en ’22); SCP (SCO'22)
Vanaf 2019 meer verdeeldheid rond klimaat Vanaf 2019 zien we meer verdeeldheid en politisering rond het thema klimaat. Het aantal mensen dat neutraal staat tegenover het onderwerp neemt af (Dekker en Den Ridder 2020). Er zijn mensen die bezorgd zijn over klimaatverandering en over langzaam ingrijpen door de politiek en er zijn mensen die bezorgd zijn over (in hun ogen overdreven) klimaatmaatregelen (Miltenburg et al. 2022; Den Ridder et al. 2022). De meeste mensen zijn bezorgd over zowel klimaatverandering en ontoereikendheid van klimaatbeleid, als over gevolgen van klimaatmaatregelen voor de kosten van levensonderhoud (respectievelijk 76%, 75% en 74% in 2019). Zij hebben ook vaker het gevoel dat de kosten van klimaataanpak niet eerlijk zijn verdeeld tussen burgers en bedrijven (60%) dan wel (17%) (De Kluizenaar en Flore 2021).
In grote lijnen zien we vijf groepen in de samenleving met een verschillend zwaartepunt qua zorgen: 1) een kleine groep die vooral bezorgd is over de gevolgen van klimaatbeleid voor de kosten van levensonderhoud (8%); 2) een kleine groep zogenoemde onbezorgden (13%); 3) een brede middengroep (41%) die gemiddeld over alles een beetje bezorgd is; 4) een groep bezorgden (15%) met zorgen over zowel de gevolgen van klimaatverandering als van klimaatbeleid voor burgers en 5) een zogenoemde klimaatgerichte groep (22%) die vooral bezorgd is over klimaatverandering en de toereikendheid van klimaatbeleid. Mensen met meer sociaaleconomische hulpbronnen (opleiding, een goede financiële situatie) hebben meer kans om in de laatste groep te vallen dan tot de middengroep, terwijl mensen in een slechtere financiële situatie meer kans hebben om in groep 1 en 4 te vallen dan in de middengroep (De Kluizenaar en Flore 2021). Sociale norm lijkt te verschuiven Veel mensen storen zich weleens aan anderen die geen rekening houden met duurzaamheid of aan mensen die daar juist erg mee bezig zijn (65% en 41% in 2019) (De Kluizenaar en Flore 2021). In recente cijfers uit 2022 zien we dat die eerste groep groter is (70%), terwijl de laatste groep kleiner is (28%). Het begrip voor onduurzaam gedrag lijkt af te nemen. Dit roept de vraag op of de sociale norm aan het verschuiven is.
Er zijn grote verschillen naar opleiding.
79
Figuur 4.3
Overzicht van indicatoren voor sociale spanningen en onvrede rond het thema klimaat en duurzaamheid, naar opleiding, personen van 18 jaar en ouder, 2022 (in procenten)
Bron: SCP (SCO'22)
4.3.2
Betrokkenheid bij klimaatbeleid
1) Steun voor overkoepelende doelen klimaatbeleid Groter ervaren belang van een nationale bijdrage aan klimaataanpak
Er is enige consensus over het belang van mondiale klimaataanpak, maar meer verdeeldheid over de zin van nationale aanpak. Sommigen wijzen op de kleine rol die Nederland kan spelen in de mondiale context en stellen de zin van (pijnlijke) maatregelen in Nederland ter discussie. Anderen vinden juist dat we meer moeten doen (Dekker en Den Ridder 2020; Steenbekkers en Scholte 2019). Dit beeld is mogelijk wat aan het kantelen. Recente cijfers tonen dat een meerderheid een Nederlandse bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering belangrijk vindt (85% in 2022). Daar staat tegenover dat 23% het eens is met de stelling boos te zijn over alle aandacht voor het klimaat, terwijl er (in hun ogen) belangrijkere problemen zijn. Verschillen naar opleiding zijn daarbij groot (mensen met een hbo-of wo-diploma: 35%; mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden: 14%). Het ervaren belang van klimaataanpak en een Nederlandse bijdrage daaraan is dus in het algemeen groot, maar een substantiële minderheid ervaart klimaatonvrede omdat zij andere problemen als prangender ervaren. Meer kans op boosheid over prioritering klimaat ten opzichte van andere issues in specifieke groepen
Ervaren onvrede rond aspecten van klimaat en duurzaamheid hangt samen met kenmerken zoals de opleiding en financiële situatie van mensen (De Kluizenaar en Flore 2021). Een analyse met recente gegevens waarin de relatie tussen kenmerken (demografisch en hulpbron-indicatoren: economisch, sociaal, cultureel en persoonskapitaal) en boosheid over klimaataandacht is onderzocht, laat een verband zien met opleiding, geslacht, samenstelling van het huishouden, tevredenheid over de financiële situatie, type woongemeente, 13 sociale cohesie in de woonomgeving, vrijwilligerswerk en zelfvertrouwen. Mensen die een hbo- of wo-opleiding afrondden, scholieren/studerenden, mensen die tevredener zijn met hun financiële situatie, vrouwen, bewoners van welvarende woongemeenten en universiteitssteden (vs. bewoners van kleinschalige gemeenten), mensen die wonen in een buurt waar mensen elkaar kennen (sociale cohesie) en mensen die vrijwilligerswerk doen hebben daarbij 80
een lagere kans om boosheid te rapporteren. Een aanvullende analyse laat ook een relatie zien met vertrouwen in de regering. Dit werkt mogelijk twee kanten op: het is denkbaar dat onvrede over beleid en de gevolgen daarvan voor burgers leidt tot lager vertrouwen, maar ook dat er eerder boosheid ontstaat over beleid als burgers al weinig vertrouwen hebben in de regering. Ervaren belang energietransitie breed gedragen
De meeste mensen hechten belang aan de overgang van fossiele bronnen (bv. kolen, olie, gas) naar duurzame bronnen van energie (bv. zon, wind) om klimaatverandering tegen te gaan (76% in 2019; 86% in 2021/2022) (De Kluizenaar en Flore 2021). Daarbij zijn wel zorgen: veel mensen verwachten er door de energietransitie financieel op achteruit te gaan (61%). Slechts 8% verwacht erop vooruit te gaan. Mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden zijn hier bezorger over dan mensen met een hbo- of wo-diploma. Zoals we in de slotbeschouwing bespreken, zijn die zorgen niet geheel onterecht. Figuur 4.4
Ervaren belang en zorgen over gevolgen energietransitie, naar opleiding, personen van 18 jaar en ouder, 2021 en 2022 (in procenten)
Bron: SCP/CBS (NIB’21 en ’22); ); SCP (SCO'22)
Met de Russische inval in Oekraïne in februari 2022 begon het grootste militaire conflict in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. Internationale sancties tegen Rusland volgden. De oorlog zorgde voor energieprijzen op recordhoogte en sterke inflatie. De gevolgen zijn ook voor Nederlandse burgers voelbaar. Nederland is mede door de afbouw van de eigen gaswinning in toenemende mate afhankelijk geworden van Russisch gas. Op Europees niveau is een plan voorgesteld om de afhankelijkheid van energiebronnen uit andere landen, waaronder Rusland, voor 2030 uit te faseren (REPowerEU). Zo wil Europa zorgen voor meer (betaalbare, veilige en duurzame) energie. Het is de vraag of de huidige onzekerheid rond energie voor een verschuiving heeft gezorgd in de Nederlandse publieke opinie omtrent het belang van de overstap van fossiele bronnen (bv. aardgas) naar duurzame energiebronnen. We zien zo’n verandering in de periode juli 2021 tot en met juni 2022 nog niet in onze gegevens terug. Mogelijk komt dit deels doordat het ervaren belang al hoog is. Het ervaren belang is mogelijk de afgelopen maanden verder gestegen, doordat steeds meer mensen te maken krijgen met hogere (variabele) tarieven doordat vaste contracten aflopen, terwijl in het stookseizoen het energiegebruik veelal stijgt. 14
81
2) Steun voor specifieke klimaatmaatregelen Een andere belangrijke vraag is of overheidsingrijpen instemming heeft van de bevolking. We gaan daarop in voor een aantal voor burgers prominente beleidsontwikkelingen die eerder zijn beschreven in paragraaf 4.2. Niet iedereen kan en wil op dezelfde manier meekomen met woningverduurzaming
Een van de voor burgers meest ingrijpende maatregelen is de verduurzaming van de gebouwde omgeving. De helft van de mensen steunde het aardgasvrij-wonenbeleid in 2019 (49%), ruim een kwart niet (27%) (De Kluizenaar en Flore 2021). Mensen die hbo of wo afrondden staan hier gemiddeld positiever tegenover dan mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden. Er is gemiddeld meer steun voor dit beleid onder mensen in een betere financiële situatie. Dit hangt voor een deel samen met een hoger vertrouwen in de regering en lagere bezorgdheid over de impact van klimaatbeleid op de eigen manier van leven in die groep (Scholte et al. 2020). De steun voor subsidie voor woningverduurzaming is hoog (79%) (De Kluizenaar en Flore 2021). In 2019 overwoog nog minder dan de helft (42%) van de woningeigenaren een aardgasvrij alternatief te kiezen wanneer hun huidige cv-ketel aan vervanging toe was (Scholte et al. 2020) en veel woningeigenaren namen een afwachtende houding aan (Steenbekkers en Scholte 2019; Steenbekkers et al. 2021a). Mogelijk speelt mee dat er veel onzekerheid is over goede alternatieven en overheidsplannen. Het ligt in de lijn der verwachting dat door de huidige geopolitieke situatie en de zorgen over energie en energieprijzen, de steun voor het aardgasvrij-beleid is toegenomen en meer woningeigenaren tot verduurzaming overgaan.
Hoewel de langere wachttijden door toegenomen vraag, het tekort aan technische vakmensen (bv. installateurs) en lange levertijden van benodigde materialen (bv. zonnepanelen, warmtepompen) tot vertraging kunnen leiden (TK 2021/2022b). We zien mensen die voorlopen en achterblijven. Woningeigenaren met een betere financiële situatie en een hbo- of wo-diploma hebben meer kans om bij de voorlopers te horen, terwijl ouderen, alleenstaanden en mensen die moeilijker kunnen rondkomen meer kans hebben om bij de achterblijvers te horen (Scholte et al. 2020; De Kluizenaar et al. 2020; Steenbekkers et al. 2021a). De oproep de eigen woning te verduurzamen kan (te) veel van burgers vragen. Vaak is niet alleen een grote financiële investering nodig, maar ook tijd, kennis en (digitale en organisatorische) vaardigheden. Daarin zijn grote verschillen tussen burgers. Ook zijn er grote verschillen in context die zorgen voor ongelijke toegang tot woningverduurzaming. Terwijl sommige woningen ingrijpende, complexe renovaties vragen, volstaat een relatief eenvoudige ingreep in andere woningen. In sommige woningen is verduurzaming niet toegestaan (bv. door monumentale status). En er zijn verschillen tussen huurders en kopers. Huurders hebben zelf niet (of beperkt) de mogelijkheid te verduurzamen, doordat zij daarin sterk afhankelijk zijn van de verhuurder.
Verhuurders dragen investeringskosten voor woningverduurzaming, die zij terug zullen willen verdienen (bv. via de huur en via subsidies of andere financiële regelingen voor private verhuurders). Zij profiteren namelijk zelf meestal niet van de lagere energierekening. Mensen die wonen in een woning met een vereniging van eigenaren (vve) zijn vaak ook beperkt in hun mogelijkheden zelf actie te ondernemen. Volgens een recente schatting van de Nationale Ombudsman zouden circa 4 miljoen mensen niet in staat zijn om zelf hun huis te verduurzamen (Bokhorst et al. 2022). Lokaal opwekken van energie
Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) waarbij burgers en lokale beleidsmakers in gesprek gingen over de realisatie van lokale energieprojecten, laat zien dat zij verschillend denken over wie op lokaal niveau aan zet is. Terwijl de overheid van burgers verwacht dat zij steeds meer 82
meedenken, meebeslissen en meedoen, klinkt bij een deel van de burgers de roep om meer regie vanuit de overheid in het zorgdragen voor deze complexe zaak. Burgers hebben hier volgens de deelnemers vaak onvoldoende kennis, deskundigheid, menskracht en middelen voor. Zij uiten zorgen dat niet iedereen mee kan doen en mee kan profiteren. Een deel ziet dan ook het liefst dat de overheid het regelt in het belang van iedereen (De Kluizenaar et al. 2022). Deelnemers zien niet altijd een rol voor zichzelf, hoewel enkelen zich kunnen voorstellen zelf een bijdrage te leveren. Onzekerheid over het eigen kunnen komt vaak in de argumentatie terug (heb ik daar wel genoeg kennis voor?). Ook speelt een gebrek aan vertrouwen (in de overheid en/of in bedrijven), tijd en interesse een rol. Veel deelnemers zien op tegen lastige discussies en meningsverschillen bij bijeenkomsten en vrezen voor sociale spanningen in de lokale gemeenschap. Conflicten rond lokale duurzaamheidsplannen zijn lastig te voorkomen, mede doordat omwonenden zich overvallen kunnen voelen door de plannen en initiatiefnemers niet altijd zijn voorbereid op weerstand. Ze kunnen langdurig effect hebben op de sociale samenhang in lokale gemeenschappen (Mensink 2021). Mobiliteit
In 2019 bestaat enige steun voor subsidie voor de aanschaf van elektrische auto’s (voor: 59%, tegen: 18%), voor de vliegtaks (voor: 49%, tegen: 28%) en het verlagen van de maximumsnelheid naar 100 km/u (voor: 36%, tegen: 40%) (De Kluizenaar en Flore 2021). Arbeidsmarkt
De energietransitie gaat gepaard met grote veranderingen op de arbeidsmarkt, die mede gezien de huidige krapte op de arbeidsmarkt extra sterk voelbaar zijn. De veranderingen gaan snel. Eerder was er vooral zorg over het verdwijnen van grijze banen in de fossiele sector. De zorg was dat, als deze werknemers niet zouden kunnen doorstromen naar nieuwe banen, dit zou kunnen leiden tot verliezers op de arbeidsmarkt (Straver et al. 2017). Nu ligt vooral de nadruk op zorgen over de tekorten op de arbeidsmarkt, waardoor niet voldaan kan worden aan de sterk groeiende vraag naar werknemers voor het toenemend aantal groene banen, onder meer in de techniek en ICT, om de energietransitie in goede banen te kunnen leiden (SER 2018; Philippen en Duijn 2022; PBL 2022). SCP-onderzoek toont aan dat het aantrekken van personeel op de krappe arbeidsmarkt het meest genoemde knelpunt is voor werkgevers (Swart en Van der Laan 2022). Dit onderzoek laat ook zien dat ongeveer vier op de vijf werkgevers milieu- en klimaatverantwoord ondernemen zien als hun verantwoordelijkheid en zich daar ook op verschillende manieren voor inzetten. Zij geven aan dit vooral te doen uit een gevoel van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Burgerbetrokkenheid bij klimaatbeleid
Onderzoek van het SCP en de Radboud Universiteit laat zien dat – na uitleg over wat een burgerforum is – een meerderheid het algemene idee van een burgerforum over maatschappelijke thema’s op lokaal (66%) of nationaal niveau (54%) steunt. Een meerderheid (55%) steunt het idee van een burgerforum over klimaat. Mensen vinden dat een burgerforum een goede aanvulling of correctie op de representatieve democratie kan zijn, omdat het een manier is om de ervaringen en opvattingen van gewone mensen in te brengen in het politieke debat. Mensen zien echter ook nadelen aan een burgerforum. Zo zijn er zorgen over een gebrek aan deskundigheid van deelnemers, over een te grote diversiteit aan meningen om tot goede beslissingen te komen, dat verkeerde overwegingen meespelen en de vrees dat de grootste schreeuwers de discussie zullen domineren. Minder dan de helft van de mensen is bereid zelf aan een burgerforum over klimaat deel te nemen. Redenen om niet mee te willen doen zijn een gebrek aan kennis, tijd en interesse. Terwijl de steun voor het idee van een burgerforum even groot is onder mensen, zijn personen die alleen 83
basisonderwijs of vmbo afrondden gemiddeld minder geneigd mee te doen (Den Ridder et al. 2021; De Koning et al. 2023). Mensen vinden vaker dat mensen zoals zij mee mogen denken over klimaatbeleid (47%) dan niet (20%). Personen met een hbo- of wo-diploma vinden beduidend vaker dat mensen zoals zij mogen meedenken (52%) dan mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden (37%). Tegelijkertijd hebben mensen niet het gevoel dat er goed rekening wordt gehouden met de mening van mensen zoals zijzelf (19% wel, 42% niet). Mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden hebben vaker het gevoel dat er niet goed rekening wordt gehouden met hun mening (48%) dan mensen met een hbo- of wo-diploma (33%). Desalniettemin vinden alle groepen vaker dat er niet goed rekening wordt gehouden met hun mening dan wel. Mensen geven vaker aan dat zij het belangrijk vinden om zelf mee te kunnen denken over het klimaatbeleid (49%) dan niet (13%). Ook hier zien we verschillen naar opleiding. Mensen met een hbo- of wo-diploma (52%) vinden het vaker belangrijk om zelf mee te denken dan mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden (42%).
Het percentage mensen dat het belangrijk vindt dat mensen zoals zij in het algemeen mee kunnen denken ligt wat hoger (gemiddeld 58%; mensen met een afgeronde havo-, vwo-, mbo-, hbo- of wo-opleiding: 61-62%; mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden: 48%), slechts 8% vindt dat niet belangrijk. Kortom; ruim de helft van de mensen vindt het belangrijk dat mensen zoals zij met het klimaatbeleid mee mogen denken en iets minder dan de helft heeft ook het gevoel dat die mogelijkheid er is. Slechts een minderheid heeft het gevoel dat er met de mening van burgers zoals zij ook daadwerkelijk rekening gehouden wordt. Figuur 4.5
Burgerbetrokkenheid bij beleid: ervaren belang, naar opleiding, personen van 18 jaar en ouder, 2022 (in procenten)
Bron: SCP (SCO'22)
3) Steun voor huidige verantwoordelijkheidsverdeling Vanuit de samenleving klinkt de roep om meer overheidsregie in het borgen van maatschappelijke belangen (Blijleven en Kooiker 2022; De Kluizenaar et al. 2022). Als burgers het voor het zeggen zouden hebben, dan zouden zij primair de landelijke overheid verantwoordelijkheid willen geven 84
voor het verduurzamen van het Nederlandse energiegebruik in het algemeen (73% wil veel tot heel veel verantwoordelijkheid leggen bij de landelijke overheid; 65% bij bedrijven, 63% bij gemeenten en 42% bij burgers). Specifiek waar het gaat om lokale duurzame energieprojecten (wind en zon) vindt 69% dat de landelijke overheid veel tot heel veel verantwoordelijkheid moet nemen; 58% vindt dat (ook) gemeenten dit moeten doen. De belangrijkste redenen om die verantwoordelijkheid bij de overheid te leggen, zijn dat de overheid kan ‘zorgen voor de benodigde financiële investering’, ‘zorgen dat kosten en opbrengsten eerlijk worden verdeeld’, ‘zorgen dat iedereen meeprofiteert’ en ’zorgen dat iedereen mee kan doen’. Een meerderheid van de burgers (58%) vindt overigens ook dat bedrijven veel tot heel veel verantwoordelijkheid moeten nemen, met als belangrijkste redenen dat bedrijven kunnen ‘zorgen voor de benodigde financiële investering’, ‘kennis en vaardigheden inbrengen’ en ‘zorgen voor een goede kwaliteit van zulke projecten’. Het minst vaak wordt geantwoord dat men hiervoor graag veel tot heel veel verantwoordelijkheid bij burgers zou willen leggen (slechts 23%). 15 We zien grote verschillen tussen burgers en beleidsmakers in hun visies op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen burgers en de (decentrale) overheid.
Deelnemers aan focusgroep-gesprekken dragen het idee van burgerinitiatieven voor lokale energieprojecten vaak een warm hart toe. Tegelijkertijd uiten zij zorgen over de haalbaarheid en wenselijkheid van de brede toepassing van een model waarin burgers die verantwoordelijkheid moeten dragen, vanwege zorgen over gebrek aan kennis en kunde en over toename van sociaal-economische ongelijkheid. Ambtenaren geven juist de voorkeur aan dit model en zijn positiever over de haalbaarheid en wenselijkheid, mits is voorzien in de juiste toetsende beleidskaders, ondersteuning en facilitering. Een deel van de burgers vindt dat de overheid hiermee verantwoordelijkheid afschuift en burgers overvraagt. Burgers en beleidsmakers delen de zorg dat een ongelijk speelveld en ongelijke machtsverhoudingen tussen bedrijven en burgers nadelig zullen zijn voor burgers wat betreft mogelijkheden voor het opzetten van initiatieven, zeggenschap en opbrengstdeling. Hoewel er in de deelnemersgroepen zowel onder burgers als ambtenaren vertrouwen is in de competentie van bedrijven, vrezen beide groepen dat winstdoelstellingen ten koste gaan van maatschappelijke belangen (De Kluizenaar et al. 2022). 4) Steun voor verschillende typen klimaatmaatregelen varieert Niet alle klimaatmaatregelen kunnen op evenveel steun rekenen van burgers (Scholte et al. 2020; Steenbekkers en Scholte 2019; De Kluizenaar en Flore 2021).
Dat belonende maatregelen vaak op meer steun kunnen rekenen dan maatregelen met een meer bestraffend karakter, lijkt ook te gelden voor klimaatmaatregelen. Zo is de steun voor woningverduurzamingssubsidie het grootst (79%) en de steun voor de vleestaks en de verlaging van de maximumsnelheid het laagst (40% en 39%) (De Kluizenaar en Flore 2021). Maar we zien ook een aantal opvallende zaken. Zo is de steun voor één maatregel met belonend karakter (subsidie voor bedrijven om hun fossiele brandstofgebruik te verminderen: 61%) zelfs lager dan de bestraffende variant (belastingverhoging voor bedrijven die veel fossiele brandstoffen gebruiken: 73%). En het contrast in steun voor bepaalde belonende en bestraffende maatregelen, zoals subsidie voor aanschaf van elektrische auto’s (59%) en de vliegtaks (49%), is relatief klein. De meeste mensen vinden dat de overheid ‘duwtjes in de goede richting’ mag geven, zodat zij op duurzame manier leven (80%). Maar die steun daalt zichtbaar naarmate de overheid zich meer dwingend bemoeit met de levensstijl van burgers. Zo zijn meningen meer verdeeld bij de stellingen: ‘Om ervoor te zorgen dat mensen duurzamer gaan leven zijn overheidsregels noodzaak’ (eens: 66%, oneens: 18%) en ‘De overheid mag zich bemoeien met hoe ik 85
leef, als dat de samenleving duurzamer maakt’ (eens: 44%; oneens: 33%). 16 Verschillen naar opleiding zijn groot. Mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden staan duidelijk minder positief tegenover overheidsbemoeienis met de eigen leefstijl dan mensen met een hbo- of wo-diploma. Figuur 4.6
Aandeel dat het eens is met gedragsbeïnvloeding door de overheid, naar opleiding, totale populatie, personen van 16 jaar en ouder, 2019-2022 (in procenten)
Bron: SCP/CBS (CV/SLI’19-’22)
4.4
Slotbeschouwing
4.4.1
Reflectie
Verduurzaming vraagt om integraal beleid vanuit een brede-welvaartsperspectief De klimaat- en energietransitie vormt een complex maatschappelijke vraagstuk en is sterk verweven met het leven van burgers en de kwaliteit van de samenleving. De transitie brengt inclusie- en verdelingsvraagstukken met zich mee, met effecten op de sociaal-economische positie van burgers en (on)gelijkheid. Keuzes en beleidsontwikkeling vragen om integrale afweging vanuit een bredewelvaartsperspectief. Wat vinden we als samenleving belangrijk voor de toekomst? Welke beleidskeuzes vraagt dat? Ervaren belang en ervaren urgentie groot De meeste mensen vinden tegengaan van klimaatverandering en de overgang naar een duurzame energievoorziening belangrijk en ruim de helft denkt ook na over aanpassingen in het dagelijks leven. Verduurzaming kan burgers en de samenleving als geheel weerbaarder maken, bijvoorbeeld voor toekomstige stijging van energiekosten of schaarste. 86
Hulpbronnen en onvrede over prioritering klimaat ten opzichte van andere problemen Er zijn grote verschillen tussen burgers individueel en tussen groepen burgers in hulpbronnen. Het gaat daarbij niet alleen om verschillen in economisch kapitaal (bv. inkomen, vermogen, opleiding) die vaak wel in het vizier zijn, maar ook om verschillen in sociaal kapitaal (bv. sociaal netwerk), cultureel kapitaal (bv. taal- en digitale vaardigheden, leefstijl) en persoonskapitaal (bv. fysieke en mentale gezondheid, zelfbeeld en zelfvertrouwen). Zo laat de notitie Adequate ondersteuning van mensen in kwetsbare situaties zien dat problemen niet evenredig over de bevolking zijn verdeeld: de kans op stapeling van problemen is groter bij ouderen (65-plussers), alleenstaanden, eenoudergezinnen en mensen met een migratieachtergrond. Tegelijkertijd beschikken mensen zonder problemen vaak over meer hulpbronnen dan mensen met een stapeling van problemen. In deze bijdrage zien we dat boosheid over de aandacht voor klimaat ten opzichte van andere problemen samenhangt met demografische kenmerken en hulpbronnen (o.a. geslacht, samenstelling van het huishouden, opleiding, stedelijkheid, tevredenheid over de financiële situatie, sociale cohesie in de woonomgeving, sociaal netwerk en zelfvertrouwen). Een aanvullende analyse laat ook een verband zien met het vertrouwen van burgers in de regering.
Mogelijk worden verschillen in onvrede over aandacht voor klimaat ten opzichte van andere voor burgers belangrijke problemen deels verklaard door ervaren in- en exclusie (kan en wil iedereen wel meedoen?) en/of doordat mensen met weinig inkomen mogelijk relatief hard geraakt worden door de gevolgen van klimaatbeleid. Diverse belemmeringen remmen woningverduurzaming De huidige hoge energieprijzen en een groeiend aanbod aan oplossingen, geven de energietransitie momentum. Het aantal woningen met zonnepanelen is sterk toegenomen en het elektrisch wagenpark groeit snel. Toch gaat verduurzaming op verschillende terreinen nog niet snel genoeg om de ambities uit het coalitieakkoord te realiseren (PBL 2022). Arbeidsmarktkrapte en materialentekort belemmeren verduurzaming van de bestaande bouw en samen met de stikstofcrisis ook de (in het coalitieakkoord geambieerde) nieuwbouw van 100.000 woningen per jaar (PBL 2022). Burgers ervaren ook financiële en praktische belemmeringen voor woningverduurzaming. Daarnaast spelen onzekerheden (bv. over resterende woonduur, alternatieven en beleid), timing (verbouwing bij verhuizing), tijd, kennis en vaardigheden een rol (Scholte et al. 2020; Steenbekkers et al. 2021a; De Kluizenaar et al. 2022). Woningverduurzaming is voor velen niet toegankelijk (bv. door afhankelijkheid van anderen, zoals de verhuurder of een vve) (Bokhorst et al. 2022).
Dat burgers vaak nog een afwachtende houding aannemen moet dus niet te snel geduid worden als onwil of een gebrek aan probleembesef. Verschuiving van de sociale norm? Het aandeel mensen dat zich soms stoort aan anderen die ‘helemaal geen rekening houden met milieu, klimaat of duurzaamheid’ stijgt, terwijl het aandeel mensen dat zich juist soms stoort aan ‘mensen die heel erg bezig zijn met milieu, klimaat of duurzaamheid’ daalt. Dit roept de vraag op of de sociale norm aan het verschuiven is. Uit de literatuur is bekend dat mensen niet alleen tot klimaatgedrag worden gemotiveerd door individuele waarden, maar ook door groepswaarden (Langley et al. 2020). Ervaren verschuiving van de sociale norm kan zichzelf zo versterken. De overheid kan deze ontwikkeling in de samenleving verder versterken door duidelijk te maken dat Nederland verduurzaming voor klimaat, natuur en milieu belangrijk vindt en daar consistent beleid op te voeren.
87
Sociale samenhang: klimaat als splijtzwam of als verbinder? Mensen met een hbo- of wo-diploma storen zich vaker aan niet-duurzaam gedrag, terwijl mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden zich vaker storen aan mensen die zich juist erg duurzaam gedragen. Duurzaam gedrag hangt ook samen met opleiding. Zo hebben mensen met een hbo- of wo-diploma en mensen in een betere financiële situatie een hogere kans om tot de voorlopers te horen bij woningverduurzaming. Mensen met een hbo- of wo-diploma denken vaker na over aanpassing van hun dagelijks gedrag voor het klimaat. Zij consumeren vaker maatschappelijk bewust dan mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden (Schyns 2016). Dit betekent niet automatisch dat mensen met een hbo- of wo-diploma ook een minder grote milieu-impact hebben. Het consumptiepeil is bij hen naar verwachting hoger, doordat zij zich vaak meer kunnen veroorloven. De hoogste inkomens veroorzaken de meeste broeikasgasuitstoot, doordat zij (gemiddeld) vaker in een grote woning wonen, een auto bezitten en vliegen (Ecorys 2022). Dat mensen met een hbo- of wo-diploma op sommige vlakken duurzamer consumeren, wordt mogelijk niet alleen verklaard door verschillen in probleembewustzijn, maar ook doordat duurzame consumptie voor mensen die alleen basisonderwijs of vmbo afrondden minder toegankelijkheid is (Schyns 2016).
Zij hebben (gemiddeld) minder inkomen en duurzame alternatieven (bv. biologische producten en nieuwe zuinige apparaten) zijn vaak duurder. Als een groene leefstijl meer de norm wordt en een deel van de mensen niet kan (of wil) meedoen, kan dit leiden tot moraliserend gedrag, frictie en tegenstellingen in de samenleving. De verschillen naar opleiding in het zich storen aan nietduurzaam (of duurzaam) gedrag duiden al in die richting. De transities zó inrichten dat groene keuzes betaalbaar en laagdrempelig toegankelijk worden, ook voor mensen met weinig inkomen, kan helpen voorkomen dat bestaande scheidslijnen in de samenleving groter worden. Rechtvaardige verdeling: aandacht nodig voor mechanismen die leiden tot ongelijke verdeling Beleid voor een klimaatneutrale samenleving doet een beroep op overheden, bedrijven en burgers en brengt lasten en lusten met zich mee. Hoe die balans uitpakt voor burgers individueel, voor verschillende groepen in de samenleving en de samenleving als geheel, staat niet vast en is mede afhankelijk van beleidskeuzen. Zo kan toepassing van het principe dat de vervuiler betaalt in het belastingsysteem (bv. belasting op aardgas, benzine) verhoudingsgewijs zwaar drukken op de kosten van levensonderhoud van mensen met weinig inkomen. Die groep is ook zonder extra belastingen al een relatief groot deel van het inkomen kwijt aan energie.