CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Inkomend - ROB - Rapport Koersen op klimaatneutraal bijlage

Informatiebijeenkomst 29 maart 2024, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken31.241 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

87 Zie Andersson Elffers Felix & Improven (2024), p. 99: ‘Op één taak van de waterschappen na bestaan er geen taken voor de decentrale overheden voor de productie van groen gas.’ 88 Aan de expertsessies hebben ca. 60 deskundigen op het gebied van klimaat- en energie­ beleid deelgenomen. 89 Zie bijlage IV voor de samenstelling van de klankbordgroep. IPO en VNG namen hieraan deel.

72

koersen op klimaatneutraal – advies van de raad voor het openbaar bestuur

• De rol van provincies bij het verduurzamen van bedrijventerreinen en mkb is meegenomen onder taak P4.2. De rol van gemeenten bij het ver­ duurzamen van het mkb wordt meegenomen in de taken G2.1 en G2.2 (zoals beschreven in bijlage C van het onderzoek). Het onderzoek noemt dat het onderzoek de rol van decentrale overheden bij het verduurzamen van bedrijventerreinen niet altijd volledig heeft kunnen meenemen omdat er op dit gebied weinig formele afspraken gemaakt zijn tussen Rijk en decentrale overheden, hoewel decentrale overheden al wel veel doen op dit gebied.90 • De uitvoeringskosten voor het verduurzamen van het maatschappelijk vastgoed zijn meegenomen in de taken G2.1 en G2.2. De investeringskos­ ten daarvoor worden gebaseerd op een onderzoek dat in opdracht van de VNG in 2020 uitgevoerd is.91 • Het onderzoek ziet geen rol voor gemeenten en provincies in de productie van groen gas, behalve in de vergunningverlening met betrekking tot de ruimtelijke inpassing.92 Vergunningverlening valt op zichzelf buiten de scope van het onderzoek als er verder op dat gebied geen formele taken aan decentrale overheden zijn toebedeeld. • Op de gemeentelijke investeringen in het energiesysteem gaat de ROB in in paragraaf 4.4 voor wat betreft de warmtenetten; voor wat betreft waterstof, zie hierboven.

• Gezien de aard van de taak ligt het voor de hand dat gemeenten gesprekspartner zijn voor de provincie wanneer zij regionale mobiliteits­ plannen opstellen. Deze beperkte rol heeft het onderzoek niet in kaart gebracht.

90 Zie Andersson Elffers Felix & Improven (2024), p. 115. 91 Zie Andersson Elffers Felix & Improven (2024), p. 77: ‘De VNG heeft in februari

2020 scenario’s laten doorrekenen voor verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed.54 In het onderzoek is aangegeven dat tot 2050 gemeenten € 44 miljard uitgeven aan onderhoud en vervanging van vastgoed. Daarbovenop hebben ge­ meenten € 9,1 miljard nodig voor de verduurzaming van gebouwen. Daarbij speelt wel dat deze berekeningen ook verduurzaming van maatschappelijk vastgoed omvatten. Dat wordt apart bekostigd.’ (Republic (2020). Doorrekening scenario’s verduurzaming ­gemeentelijke vastgoed. Niet publiek beschikbaar.) 92 Zie Andersson Elffers Felix & Improven (2024), p. 99: ‘Op één taak van de waterschap­ pen na bestaan er geen taken voor de decentrale overheden voor de productie van groen gas.’

73

Bijlage II

Adviesaanvraag

> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag

Raad voor het Openbaar Bestuur T.a.v. de voorzitter, dhr. J.M.M. Polman Korte Voorhout 7 Postbus 20011 2500 EA Den Haag

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Klimaat Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/ezk

Datum Betreft

Ons kenmerk DGKE-K / 27073176

Adviesaanvraag herijking uitvoeringslasten decentrale overheden klimaat- en energiebeleid

Uw kenmerk Bijlage(n)

Geachte heer Polman, Op 25 januari 2021 publiceerde de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) het adviesrapport ‘Van Parijs naar praktijk’. Op basis van dat advies heeft het huidige kabinet uitvoeringsmiddelen ter beschikking gesteld aan decentrale overheden voor de uitvoering van klimaat- en energiebeleid. Sinds 2021 heeft het Nederlandse klimaat- en energiebeleid een behoorlijke ontwikkeling doorgemaakt. Ten eerste hebben gemeenten, provincies en waterschappen grote stappen gemaakt bij de uitvoering van klimaat- en energiebeleid. Daardoor is duidelijker geworden wat hun taken precies behelzen. Daarbij is aanvullend klimaat- en energiebeleid getroffen waardoor decentrale overheden aanvullende taken hebben gekregen. Tot slot zijn in het genoemde ROB-rapport aanbevelingen gedaan over de gewenste herijking. Hierdoor is het opportuun om opnieuw te onderzoeken welke uitvoeringslasten decentrale overheden hebben rondom klimaat- en energiebeleid. Met dit onderzoek wordt voldaan aan de verplichting van het Rijk voortkomend uit artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet. Om bovenstaande redenen vraag ik u het adviesrapport ‘Van Parijs naar praktijk’ te herijken. Ik verzoek u om dit te doen door het uitzetten van een onderzoek en daarbij advies uit te brengen.

Ik verzoek u deze herijking in lijn te doen met de afspraken die hierover zijn gemaakt in de bestuurlijke afspraken ‘schouder aan schouder voor het klimaat’1. Beoogd resultaat van het onderzoek en advies zijn:  Een herijking van de taken en daarvoor benodigde middelen van gemeenten, provincies en waterschappen rondom het klimaat- en energiebeleid zoals onderzocht in het adviesrapport ‘Van Parijs naar praktijk’ en het onderliggende onderzoek ‘Uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord voor decentrale overheden in 2022 - 2030’ door Andersson Elffers Felix.  Bij het onderzoek in het kader van de herijking moeten alleen de klimaat- en energietaken op gebied van de landbouw en landgebruik meegenomen worden die niet vallen onder het NPLG (in de praktijk zal dit met name de Zie p. 60 e.v. van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2022/06/02/bijlagen-bij-ontwerpbeleidsprogramma-klimaat 1

Pagina 1 van 3

74

koersen op klimaatneutraal – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Klimaat Ons kenmerk

 

glastuinbouw zijn). De ROB wordt wel verzocht het lopende artikel 2DGKE-K / 27073176 onderzoek naar taken voortkomend uit het NPLG mee te nemen in zijn advies op het onderzoek. De herijking betreft ook taken uit het Klimaatakkoord die niet of onvoldoende waren meegenomen in het ROB-advies omdat ze nog niet goed in beeld waren in 2021 zoals taken rondom circulariteit, netcongestie, PMIEKs en soortenbescherming, als ook de taken die voortkomen uit energie en klimaatbeleid dat na het klimaatakkoord tot stand is gekomen waaronder het Klimaatpakket van de Voorjaarsbesluitvorming 2023. Onderzoek naar de benodigde overheidsinvesteringen voor de klimaat- en energietaken van gemeenten, provincies en waterschappen. Ook juridische kosten bij grote rechtszaken voor bv Wgiw vallen hier onder. Onderzoek naar de benodigde bedragen voor verduurzaming eigen bedrijfsvoering (met name mobiliteit en vastgoed) van gemeenten en provincies en de wijze van bekostiging daarvan. Onderzoek naar een eerlijke en efficiente manier van verdeling van de uitvoeringsmiddelen over provincies en gemeenten, waarbij wordt gekeken of deze verdeling meer opgavespecifiek kan worden gedaan. Onderzoek of de nationale programma’s bijdragen aan een efficiënte uitvoering van de medeoverheden.

Op basis hiervan moet bepaald worden of en zo ja in welke mate dit leidt tot een vermindering van door provincies en gemeenten benodigde uitvoeringsmiddelen. Reflectie van de ROB op de uitkomsten van het onderzoek. Advies van de ROB ten aanzien van de bekostigingswijze van de uitvoeringsmiddelen waarbij wordt gekeken in hoeverre kan worden voorzien in de benodigde financiële meerjarige zekerheid van medeoverheden. Daarbij wordt ook gekeken naar de wijze waarop de governance rondom de bekostiging en de actualisatie van de omvang van de middelen het beste georganiseerd kan worden. Hierbij wordt rekening gehouden met het gegeven dat hier sprake is van structurele taken die mogelijk tot 2050 doorlopen.

Op het bestuurlijk overleg klimaat & energie van 31 mei 2023 zijn de overheden gezamenlijk de volgende uitgangspunten voor deze adviesaanvraag overeengekomen:  Als vertrekpunt voor het onderzoek kunt u nemen uw advies ‘Van Parijs naar praktijk’.  Als planning wordt het volgende aangehouden: (i) 29 juni 2023 bespreking opzet onderzoek en adviestraject in ROB, (ii) juli - augustus 2023 uitzetten onderzoeksopdracht en reactie tijd onderzoeksbureaus, (iii) looptijd onderzoek september tot 31 december 2023 en (iv) adviestraject januari 2024 tot 31 maart 2024.  Het onderzoek heeft betrekking op de periode 2023 tot aan 2030.  U kunt een extern onderzoeksbureau met kennis en ervaring op het terrein van de gemeentelijke, provinciale en waterschapsfinanciën vragen het gevraagde onderzoek uit te voeren. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat zal hiertoe een onderzoeksbudget beschikbaar stellen. Om het advies en het onderzoek in goede banen te leiden, verzoek ik u een klankbordgroep in te richten. Deelnemers aan deze klankbordgroep zijn in ieder Pagina 2 van 3

75

koersen op klimaatneutraal – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Klimaat Ons kenmerk

geval vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het DGKE-K / 27073176 Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de ministeries van Economische Zaken en Klimaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Infrastructuur en Waterstaat, Landbouw en Natuur en Voedselkwaliteit. De leden van de klankbordgroep zullen het onderzoek begeleiden en desgevraagd de voor het onderzoek benodigde informatie aanreiken. Vanwege de onafhankelijke positie als raad zal er geen betrokkenheid zijn van deze klankbordgroep bij het opstellen van het advies. Mocht u nadere vragen hebben over deze adviesaanvraag dan kunt u zich wenden tot (gelakt) van de directie Klimaat van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (email, tel. nr. gelakt).

R.A.A. Jetten Minister voor Klimaat en Energie

Pagina 3 van 3

76

Bijlage III

/

Managementsamenvatting van het onderzoek van AEF en Improven

Managementsamenvatting Aanleiding Sinds de ondertekening van het Klimaatakkoord in juni 2019 hebben gemeenten, provincies en waterschappen nieuwe taken rond klimaat- en energiebeleid. In het Klimaatakkoord is daarom de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) gevraagd om advies uit te brengen over een passende bekostiging voor deze nieuwe taken. Inmiddels zijn er enkele jaren verstreken. Het klimaat- en energiebeleid is verder uitgewerkt. De doelstellingen zijn aangescherpt naar 55% emissiereductie in 2030 en klimaatneutraliteit in 2050. Er zijn nationale programma’s gekomen rond dit thema. Tegelijkertijd is er meer inzicht ontstaan in de kosten van decentrale overheden. Op 29 juni 2023 heeft de minister v oor Klimaat en Energie daarom de ROB verzocht om zijn advies over de bekostiging van decentrale overheden te herijken. Daarvoor is een herijkt kostenonderzoek nodig. Dit rapport presenteert dat herijkte kostenonderzoek. Opdracht en scope De ROB heeft AEF en Improven gevraagd om onderzoek te doen naar de uitvoerings- en investeringskosten voor decentrale overheden voor taken die zij uitv oeren als gevolg van klimaat- en energiebeleid.

De hoofdvraag die de ROB aan ons als onderzoekers heeft gesteld, luidt: Welke extra uitvoerings- en investeringskosten zullen decentrale overheden hebben tussen 2025 en 2030 ten gevolge van klimaat- en energiebeleid? Binnen scope van het onderzoek zijn de extra kosten die decentrale overheden maken in hun eigen processen (uitvoeringskosten) en in de samenleving (investeringskosten) om hun taken rond klimaaten energiebeleid uit te voeren. De belangrijkste punten buiten scope van dit onderzoek zijn:  Kosten voor taken die (nog) niet zijn vastgelegd in afspraken tussen Rijk en decentrale overheden  Kosten die voortkomen uit lokale beleidskeuzes  Het bekostigingsvraagstuk: hoe worden kosten gedekt en door wie? De ROB gaat daar wel op in. Methode De ramingen in dit onderzoek zijn opgesteld met data die via vijf methoden is verkregen:  Documentenanalyse: op basis van wet- en regelgeving, bestuurlijke plannen en andere formele documenten zijn de taken van decentrale overheden in beeld gebracht  Expertsessies: in werksessies met in totaal 60 deskundigen op het gebied van klimaat- en energiebeleid is het overzicht van taken verder getoetst.  Dieptestudies: we hebben bij zestien decentrale overheden in series interviews met verschillende medewerkers gedetailleerde informatie verzameld over hun benodigde inzet.

 Uitvraag: aan alle andere decentrale overheden is gevraagd om in een uitvraag de dieptestudieuitkomsten te valideren. De uitvraag is ingevuld door 164 overheden.  Bijeenkomst: in een afsluitende bijeenkomst met 90 deelnemers zijn de uitkomsten van de dieptestudies en uitvraag doorgesproken en is aanvullende informatie opgehaald.

3

77

koersen op klimaatneutraal – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Op basis van deze gegevens is voor elke geïdentificeerde taak geraamd welke personele inzet (fte en salarisschaal) nodig is om deze taken uit te voeren. Op basis daar van zijn landelijke cijfers voor de periode van 2025 tot 2030 berekend voor gemeenten, provincies en waterschappen. Vroeg in het onderzoek bleek dat de investeringskosten niet met dezelfde methode in beeld konden worden gebracht als de uitvoeringskosten. De verwachting was dat niet elke overheid elke potentiële investering zou kunnen schatten. Daarom is met de ROB en de klankbordgroep afgesproken om de investeringskosten te onderzoeken door per type investeringskosten businesscases te verzamelen en de best onderbouwde businesscase te rapporteren. Totaalcijfers De onderstaande tabel schetst de extra uitvoeringskosten voor klimaat- en energiebeleid door decentrale overheden, voor zover binnen scope van het onderzoek. Uitvoeringskosten klimaat- en energiebeleid (in miljoen €) 2025

2026

2027

2028

2029

2030

Gemeenten

€ 775 mln

€ 902 mln

€ 948 mln

€ 909 mln

€ 973 mln

€ 1.037 mln

Provincies Waterschappen

€ 64 mln € 37 mln

€ 68 mln € 36 mln

€ 66 mln € 36 mln

€ 59 mln € 30 mln

€ 59 mln € 30 mln

€ 59 mln € 30 mln

Dit zijn grote bedragen. Dat komt omdat de decentrale overheden voor een grote én veelomvattende opgave staan. De opgave is groot omdat de ambities hoog liggen en er in relatief korte tijd grote transities moeten plaatsvinden. De opgave is veelomvattend omdat die tal van terreinen raakt en beleidsdomeinen raakt, bij alle overheden. Die opgave heeft ook baten; zo vermindert die kosten voor klimaatadaptatie en import van fossiele brandstoffen. De investeringskosten komen nog bovenop deze uitvoeringskosten . De investeringskosten zijn in veel gevallen substantieel, maar konden niet goed worden geraamd, zie hieronder. Uitvoeringskosten gemeenten In totaal onderscheiden we 30 taken voor gemeenten. In 2025 is naar verwachting € 775 miljoen nodig voor de uitvoeringskosten van deze taken. De jaarlijkse uitvoeringskosten van gemeenten lopen tot 2030 steeds verder op. Dat komt omdat ze in steeds meer buurten tegelijk moeten werken om de verduurzamingsambities te halen. Dat stabiliseert pas tegen 2030. De taak met de meeste uitvoeringskosten is de wijkgerichte aanpak van de gebouwde omgeving, met zowel collectieve oplossingen als individuele oplossingen. Dat komt omdat een buurtaanpak gemiddeld acht jaar duurt en gemeenten de komende jaren met veel nieuwe buurten moeten starten. Dat heeft tot gevolg dat zij over een aantal jaar aan veel verschillende wijken tegelijk werken.

Andere taken die relatief veel inzet vergen zijn gemeentebrede communicatie (bijvoorbeeld met energieloketten) en het tegengaan van netcongestie. Uitvoeringskosten provincies In totaal onderscheiden we 26 verschillende taken die provincies moeten uitvoeren . In 2025 is naar verwachting € 64 miljoen nodig om de uitvoeringskosten voor deze taken te dekken. Dit loopt eerst op naar € 68 miljoen in 2026, om vervolgens af te lopen naar € 59 miljoen in 2030. De inzet van provincies daalt licht over de tijd. Dit komt omdat er taken zijn die provincies afronden vóór 2030.

4

78

koersen op klimaatneutraal – advies van de raad voor het openbaar bestuur

De taak met de hoogste uitvoeringskosten is het integraal programmeren van het energiesy steem. Dat omvat onder andere het opstellen van een energievisie, een programma energie-infrastructuur samenwerking in de Werkgroep Integraal Programmeren en het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie & Klimaat (pMiek). Provincies hebben de komende jaren veel capaciteit nodig voor deze activiteiten. Ook het opstellen van regionale mobiliteitsplannen vraagt relatief veel inzet. Uitvoeringskosten waterschappen In totaal onderscheiden we 16 verschillende taken die waterschappen moeten gaan uitvoeren. In 2025 is hier naar verwachten € 37 miljoen voor nodig, aflopend naar € 30 miljoen in 2030. Naast een beleidsmatig kant hebben waterschappen ook een uitvoerende k ant, met bijvoorbeeld installaties om de waterstand te regelen en installaties om afvalwater te zuiveren. Waterschappen hebben dan ook relatief hoge kosten rond het opstellen van uitvoeringsbeleid om hun eigen energiebehoefte en emissies te reduceren. Om de reductie tot stand te brengen, zullen waterschappen daar ook relatief grote investeringen in moeten doen in de komende jaren. Investeringskosten We hebben 29 typen investeringskosten geïdentificeerd waar decentrale overheden mee te maken kunnen hebben: dertien voor gemeenten, zeven voor provincies en negen voor waterschappen.

Uit het onderzoek komt echter naar voren dat er op dit moment nauwelijks nog betrouwbare informatie beschikbaar is over de investeringskosten. Voor 13 van de 29 typen investering en bleek er geen businesscase beschikbaar. Bij de typen investeringen waar wel informatie is, is de mate van onderbouwing wisselend en meestal beperkt. Het is bovendien zeer onzeker in hoeverre die representatief zijn voor andere gevallen. Daarmee is er nu geen goede raming van de investeringskosten te maken. Uit het onderzoek komt wel het indicatieve beeld naar voren dat de investeringskosten substantieel kunnen zijn voor zowel gemeenten, provincies als waterschappen. Hoewel er bij veel van de allergrootste posten ook wel kanttekeningen gelden, zijn de investeringen vrij talrijk en divers. Kostendrijvers We hebben onderzocht of er factoren zijn die bepalen dat de ene overheid noodzakelijkerwijs meer kosten moet maken dan de andere. Voor gemeenten komt daar uit dat het inwoneraantal van een gemeente gerelateerd is aan de totale inzet van gemeenten. Ook woningdichtheid speelt een rol: hoe hoger de woningdichtheid, hoe hoger de inzet. Ook voor provincies lijkt er een verband te zijn tussen het aantal inwoners en de totale kosten, al is dat statistisch niet hard te maken. Het aantal woningen en de oppervlakte van een provincie blijken geen goede voorspeller van kosten te zijn.

Voor waterschappen is geen significante relatie gevonden voor factoren die op basis van dit onderzoek geanalyseerd kunnen worden. Verschil ramingen 2023 ten opzichte van 2020 De bovenstaande kostenramingen zijn hoger dan de ramingen uit het eerdere onderzoek van 2020. Over de gehele periode van 2025 t/m 2030 komen de ramingen voor gemeenten 39% hoger uit, voor provincies 164% hoger en voor waterschappen 113% hoger dan in 2020 werd geraamd. Daarvan is ongeveer 7% veroorzaakt door inflatie. We zien twee factoren die zorgen voor de toename:

5

79

koersen op klimaatneutraal – advies van de raad voor het openbaar bestuur

 In het nieuwe onderzoek zijn taken meegerekend die in 2020 nog niet werden meegerekend. Dat komt omdat de scope nu breder is (dit nieuwe onderzoek richt zich niet meer enkel op het Klimaatakkoord maar op het hele klimaat- en energiebeleid) en ook omdat er nieuwe uitdagingen zijn ontstaan, zoals het tegengaan van netcongestie.  De meeste respondenten schatten, nu ze enige ervaring met klimaat- en energiebeleid hebben opgedaan, dat de meeste van hun taken iets arbeidsintensiever zijn of inzet in een iets hogere salarisschaal vergen dan in 2020 nog werd gedacht. Reflectie Dit rapport is deel van een groter traject om decentrale overheden passend te bekostigen. Op basis van onze ervaringen, zien we zes punten om op te letten in het vervolg van dat traject:  Baken de investeringskosten verder af. Op dit moment is er veel onzekerheid over de investeringskosten die decentrale overheden moeten maken, mede vanwege het gebrek aan duidelijke kaders. Het Rijk zou, samen met decentrale overheden, snel duidelijk moeten uitwerken wat er op dit gebied inhoudelijk van decentrale overheden worden verwacht.  Prioriteer de investeringskosten rond eigen gebouwen, mobiliteit en GGW: Binnen de groep investeringen vragen de eigen gebouwen, mobiliteit en grond-, weg en waterwerken bijzondere aandacht.

Dit zijn taken waar alle decentrale overheden nu al mee te maken hebben, dus het is zowel dringend als passend om deze snel goed te bekostigen.  Onderzoek investeringskosten in de toekomst apart. In de komende jaren komt waarschijnlijk meer duidelijkheid over de hoogte van de investeringskosten voor decentrale overheden. Toch kan het dan nodig zijn om ze met gespecialiseerd onderzoek in beeld te brengen. Want ook in de toekomst zullen investeringskosten specifieke onderzoeksmethoden vergen.  Let op aflopende bekostiging: Tot de scope van dit onderzoek behoorden alleen taken die nog niet op andere wijze waren bekostigd. Taken waarvan de bekostiging tijdelijk was (vaak via SPUK’s), zijn niet in dit onderzoek meegenomen. Als de bekostiging afloopt terwijl de taken blijven voortbestaan, vraagt dat om passende oplossingen.  Vergeet de pijler landbouw niet: Afgezien van glastuinbouw is in dit onderzoek de pijler landbouw van het Klimaatakkoord niet meegenomen. Decentrale overheden hebben zorgen geuit over de bekostiging van taken die onder deze pijler vallen omdat de financiering op dit moment onzeker is.  Overweeg tussenoplossingen voor opkomende vraagstukken: Het klimaat- en energiebeleid is nog volop in beweging. Daarom zou het passend zijn om het kostenbeeld later nogmaals te herijken.

Echter, een tussentijd van jaren kan te lang zijn voor opkomende vraagstukken die eind 2023 nog net niet ‘rijp’ waren om in het onderzoek mee te wegen , zoals activiteiten rond circulaire economie of waterstof. Voor die vraagstukken zouden tussenoplossingen nodig zijn.

6

80

Bijlage IV

Klankbordgroep voor het onderzoek van AEF en Improven

Ministerie van Binnenlandse Zaken Martin Bottema (gebouwde omgeving) Marianne van den Berg en Laura Cappetti (financiën decentrale overheden) Ministerie van Financiën Joost Frudiger (financiën decentrale overheden) Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Bart Muller (mobiliteit) Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Coen van Dijk en Julia Moes (Industrie) Seger Bauwens (Klimaat) Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Peter Reffeltrath (glastuinbouw) Vereniging van Nederlandse Gemeenten Erik van Zuylen Interprovinciaal Overleg Cor Hagen Unie van Waterschappen Rafael Lazeroms en Eric Arnts

81

Bijlage V

Samenstelling Raad voor het Openbaar Bestuur

Drs. Han Polman, voorzitter Commissaris van de Koning, provincie Zeeland Prof. dr. Caelesta Braun, vicevoorzitter Hoogleraar Openbaar Bestuur en Maatschappelijke Democratie, ­Universiteit Leiden Drs. Angelique Berg Tijdelijk raadslid, directeur-generaal Centraal Bureau voor de Statistiek Dr. Martiene Branderhorst Algemeen directeur, gemeente Den Haag Prof. dr. Frank Hendriks Hoogleraar vergelijkende bestuurskunde, Tilburg University Prof. mr. dr. Frank van Ommeren Hoogleraar Staats- en bestuursrecht, Vrije Universiteit Amsterdam Prof. dr. Ronald van Raak Hoogleraar Erasmiaanse waarden, Erasmus Universiteit Rotterdam Huri Sahin Burgemeester, gemeente Rijswijk Drs. Peter Verheij Zelfstandig adviseur en interim-professional publieke sector Drs. Peter Wilms Tijdelijk raadslid, economisch consultant publieke sector

82

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13988981/1