CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

5.7 rvs Verklaring van geen bedenkingen huisvesting internationale werknemers Baskensburg-West bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente VlissingenBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen huisvesting internationale werknemers plan Baskensburg Delfaerde20.975 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afstand tussen twee complexen: in een straal van 200 meter is op dit moment geen ander complex aanwezig. Afstand complex vs kamerverhuurpand: het dichtstbij gelegen verhuurpand ligt op meer dan 100 meter. Parkeernorm: voor de ontwikkeling is uitgegaan van een parkeernorm van 0,7. Het initiatief houdt rekening met bovenstaande beleidsregels en is bovendien in de toewijzing van de exploitatievergunning al beoordeeld. Hierdoor vormen de beleidsregels geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. In de beleidsregels is daarnaast bepaald dat een exploitatievergunning (op grond van artikel 2:42, eerste lid, van

31/70

de APV) vereist is om een complex te kunnen exploiteren. Een dergelijke vergunning kan enkel worden verleend indien de bestemming geschikt is voor complexgewijze huisvesting. Een complex voor de huisvesting van (inter)nationale werknemers kan worden gerealiseerd onder de bestemming 'Horeca – logies voor (inter)nationale werknemers'. Concreet betekent dit dat voor de huisvesting van werknemers die verwachten korter dan 4 maanden in Vlissingen te verblijven, geen bestemming Wonen nodig is. Toetsing en conclusie De ontwikkeling past binnen de beleidsregels die zijn opgesteld voor de huisvesting van (inter)nationale werknemers. 3.4.7 Bedrijventerreinprogramma Walcheren 2017 - 2021 Beleidskader In de structuurvisie ' Vlissingen stad aan zee – een zee van ruimte' (zie paragraaf 3.4.2) is dit gebied aangeduid voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Baskensburg. In het Bedrijventerreinprogramma Walcheren 2017 2021, de regionale bedrijventerreinprogrammering, is beschreven dat Baskensburg-West (voormalige sportvelden) in beeld is om te wijzigen naar bedrijventerrein (6,5 hectare netto). Hierbij gaat het om bedrijven tot een milieucategorie van 3.2/4.1. De kavelindeling is flexibel. Zowel kleine als grote bedrijven zouden hier naar toe kunnen. In het programma is de ontwikkeling van dit terrein tot bedrijventerrein voorzien vanaf 2021 en volgende jaren.

Omdat het programma loopt tot en met 2021, zijn de 3 Walcherse gemeenten inmiddels gestart met het actualiseren ervan. Tegelijkertijd bestaat de mogelijkheid om “snel te schakelen” als er concrete interesse van bedrijven aanwezig is. Toetsing en conclusie Het gebruik van het gebouw is maximaal toegestaan voor 15 jaar. Vervolgens krijgen de gronden een bedrijfsbestemming. Totdat Baskensburg-West zich heeft ontwikkeld tot een volwaardig bedrijventerrein is de huisvesting van arbeidsmigranten op deze locatie binnen de plannen vanuit stedenbouwkundig oogpunt wenselijk. 3.4.8 Gemeentelijke Verkeer- en Vervoerplan Vlissingen 2012-2020 Beleidskader Gemeentelijke Verkeer- en Vervoerplan Vlissingen 2012 - 2020 (GVVP) legt de kaders vast en geeft sturing aan de ontwikkelingen omtrent verkeer, vervoer en mobiliteit in de gemeente Vlissingen. Het doel van het GVVP is het vastleggen van het verkeer- en vervoersbeleid voor de gemeente Vlissingen voor de periode tot en met 2020. Verkeer De gemeente Vlissingen wil de maatschappelijke, ruimtelijke en economische ontwikkeling in de stad en de regio stimuleren. Verkeer en vervoer zijn hierin faciliterend. Het Vlissingse netwerk van wegen, fietspaden, trottoirs en openbaar vervoersroutes is opgezet om mobiliteit mogelijk te maken. Parkeren De GVVP volgt de parkeerkencijfers van het CROW.

Bij nieuwe ontwikkelingen mag de parkeerdruk niet toenemen en wordt de behoefte aan parkeerplaatsen altijd opgelost op eigen terrein. Toetsing

32/70

Verkeer Voorliggende ontwikkeling is het begin van de verdere ontwikkeling van Baskensburg-West. De locatie is goed ontsloten en met de verdere ontwikkeling van het gebied zal dit nog beter worden. Parkeren De parkeerbehoefte wordt opgelost op eigen terrein. Voor een verdere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.3. Conclusie De ontwikkeling past binnen de beleidsregels die zijn opgesteld voor de huisvesting van (inter)nationale werknemers. 3.4.9 Beleidsplan openbaar groen 2016-2023 Beleidskader Het groenbeleidsplan geeft de visie van de gemeente Vlissingen weer voor de instandhouding van het openbare groen. Hierbij wordt ingegaan zowel op de groene inrichting van de openbare ruimte als op beheer en onderhoud van het groen. Met andere woorden: het groenbeleidsplan geeft het kader waarbinnen keuzes gemaakt kunnen worden bij: Inrichting en ontwerp; Ruimtelijke ingrepen die invloed hebben op het openbaar groen. De wijze waarop het groen wordt beheerd. Het groen vormt de zachte contramal van de gebouwde omgeving en is van invloed op de ruimtelijke beleving en opbouw van de stad. Het al of niet aanwezig zijn van groenvoorzieningen draagt bij aan de sfeer van wijken en buurten en benadrukt soms de relatie met de geologische opbouw of ontstaansgeschiedenis van de stad.

Op de structuurelementenkaart is het voormalig sportpark Baskensburg West aangeduid als park en groengebied. De brede bermen van de Sloeweg vormen een lijnvormige verbinding tussen het landschap aan de oostzijde van de stad en het Nollebos/Westduin en duingebied aan de westzijde. Voor versterking van de natuurwaarden is het in stand houden en verbeteren van groene verbindingen (zgn. corridors) tussen de grote groengebieden en het buitengebied belangrijk. Planten en dieren kunnen zich via deze ecologische verbindingsroutes verplaatsen. In het beleidsplan is de volgende doelstelling geformuleerd: "Het tegen maatschappelijk verantwoorde kosten in stand houden van het openbaar groen binnen een gezonde hoofdgroenstructuur op stedelijk, wijk- en buurtniveau." De hoofdgroenstructuur is vastgelegd in bestemmingsplannen en komt niet in aanmerking voor vervreemding of andere aantasting van de groene en recreatieve functie, tenzij er, bij hoge uitzondering, dwingende maatschappelijke redenen voor aanwezig zijn. Toetsing en conclusie In het bestemmingsplan Sportparken & Tuin van Vlissingen is alleen langs de Sloeweg een brede strook bestemd tot groen (zie figuur 3.5). Deze groenstructuur wordt gerespecteerd. Het groen op het voormalige

33/70

sportveldencomplex was niet behoudenswaardig en is inmiddels gerooid. In de nieuwe visie voor het gebied komen de voormalige oost-west-groenstructuren zoveel mogelijk terug (zie paragraaf 3.4.10).

Figuur 3.5 De bestaande groenstructuur langs de Sloeweg is planologisch beschermd (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) 3.4.10 Stedenbouwkundige verkenning Baskensburg-West Beleidskader In de bedrijventerreinenprogrammering Walcheren 2017-2021 (zie paragraaf 3.4.7) is rekening gehouden met de herontwikkeling van het voormalige sportpark Baskensburg tot bedrijventerrein (Baskensburg-West). Om deze ontwikkeling ruimtelijk te vertalen is een stedenbouwkundige verkenning uitgevoerd. Daarbij is ook onderzocht of 3 niet-bedrijfsfuncties inpasbaar zijn in het gebied. Dit betreft: de Touba moskee (die op de huidige locatie binnen de gemeente moet wijken); de huisvesting van (inter)nationale werknemers; een tenniscomplex (betreft de verplaatsing en samenvoeging van bestaande tennisverenigingen in de gemeente). De verkenning heeft geresulteerd in 2 stedenbouwkundige varianten. Beide varianten bieden ruimte voor diverse bedrijfskavels, en ook mogelijkheden om de moskee en de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers in te passen in de structuur. De varianten zijn identiek met uitzondering van de invulling van de noordwestelijke hoek.

34/70

Figuur 3.6 Stedenbouwkundige varianten invulling Baskensburg West. Links: invulling met tennisbanen (variant 1), rechts invulling noordwesthoek met bedrijfskavels en rotonde (variant 2). (bron: gemeente Vlissingen) Bij de modellen kan het volgende worden opgemerkt: 1. Het gebied wordt ruimtelijk in tweeën gedeeld door een centrale as aan te leggen vanaf de President Rooseveltlaan. Deze centrale as, die aan de zuidzijde al aanwezig is, dient tevens voor groen en water(berging). 2. De voormalige oost-west-groenstructuren op het voormalig sportpark worden zoveel mogelijk ingepast. Hierdoor ontstaan 6 compartimenten. 3. Dit gebied wordt met de functionele wijziging minder groen. De groenstructuur aan de oostgrens van het gebied zal ter compensatie worden versterkt. 4. De ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer vanuit het gebied vindt in elk geval plaats via de President Rooseveltlaan en via de Gildeweg die eveneens aansluit op de President Rooseveltlaan. 5. In de uiteindelijke situatie zal het Baskensburgplein dienen als ontsluiting voor de voetganger of fietser. Gemotoriseerd verkeer zal niet via het Baskenburgplein worden ontsloten maar via nieuw aan te leggen wegenstructuur van het toekomstig bedrijventerrein. 6. In het gebied worden bedrijven uit maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan. Deze milieucategorie sluit aan op het bestaande bedrijventerrein Baskensburg. 7.

De bestaande verenigingen worden waar mogelijk ingepast. 8. Voor de moskee is een locatie aan de zuidwestkant van het gebied gereserveerd. Ten aanzien van de sportverenigingen binnen het gebied geldt bij beide modellen het volgende: Schietvereniging De Fles kan op de huidige locatie blijven zitten. Handboogvereniging HBS Eendracht kan, door hun ruimtelijke wensen (grootschalige buitenruimte), niet in het gebied worden ingepast. Voor de Vlissingse turnvereniging (VTV) is de gymzaal inpasbaar, het clubhuis/de danszaal niet. In overleg

35/70

met de vereniging worden de mogelijkheden voor uitbreiding van de gymzaal met aansluitend een clubhuis/danszaal bekeken. De gemeenteraad heeft op 4 november 2021 ingestemd met de stedenbouwkundige invulling , met uitzondering van de noordwestelijke hoek van Baskensburg-West. Dit heeft geresulteerd in de afbeelding die in figuur 3.7 is opgenomen.

Figuur 3.7 Stedenbouwkundige invulling Baskensburg West dat door de gemeenteraad is vastgesteld (bron: gemeente Vlissingen).

36/70

Het gebied Baskensburg-West wordt gefaseerd ontwikkeld. De eerste fase is de huisvesting van de (inter)nationale werknemers. Op dit moment wordt afgewogen of het gewenst is het gebied te ontsluiten via de noordzijde door middel van een rotonde ter plaatse van de Sloeweg/ Baskensburgpad. De aanleg zorgt namelijk voor een afname van het aantal verkeersbewegingen op de Nieuwe Vlissingseweg en voor sluipverkeer naar het huidige bedrijventerrein Baskensburg. Na besluitvorming van de raad over de aanleg van een eventuele rotonde en het aanpassen van de bedrijventerreinprogrammering wordt het overige deel van het gebied ontwikkeld. Dan is ook duidelijk of de tennisvereniging naar dit gebied kunnen verhuizen. Toetsing en conclusie De ontwikkeling past binnen de visie voor Baskensburg-West.

37/70

Hoofdstuk 4 4.1

Toetsing aan omgevingsaspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling getoetst aan alle relevante sectorale aspecten. Deze toetsing geldt als basis voor de planologische afweging.

4.2

Milieueffectrapportage

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de bouw van 342 kamereenheden voor maximaal 350 personen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r-beoordelingsnotitie opgesteld op basis waarvan het bevoegd gezag op PM: datum 2023 heeft besloten dat geen milieueffectrapportage voor de voorgenomen planontwikkeling noodzakelijk is.

38/70

4.3

Verkeer en parkeren

4.3.1 Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer is er geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en dat er in de gebruiksfase voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie worden berekend op basis van kencijfers uit publicaties van het kennisplatform CROW. Tegenwoordig is dat publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen, maart 2020). Hiervan kan worden afgeweken, maar dan zal dit goed moeten worden gemotiveerd of onderbouwd. Voor het parkeren heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen met de vaststelling van de 'parkeernormering Vlissingen 2018-2022' (hierna: Nota parkeernormering) op 20 maart 2018 afgeweken van de destijds beschikbare CROW publicatie '317 - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (oktober 2012; de voorganger van publicatie 381).

In paragraaf 3.4.1 is al aangegeven dat in de parkeernota niet is voorzien in de complexgewijze van huisvesting van (inter)nationale werknemers, zodat op andere wijze de benodigde parkeerbehoefte moet worden bepaald. Veelal wordt teruggegrepen naar kencijfers van het CROW horende bij ‘kamerverhuur’ of goedkope hotels. In Vlissingen wordt aangesloten voor de parkeernorm die behoort bij kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten). Hiervoor geldt een parkeernorm van 0,6 tot 0,8 parkeerplaats per kamer. In artikel 6 lid 3 van de Beleidsregels Huisvesting (inter)nationale werknemers Vlissingen 2019 (zie paragraaf 3.4.6) is daarom de parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per in het complex verblijvend persoon vastgelegd. Voor het bepalen van het toekomstig aantal verkeersbewegingen wordt in de CROW-publicatie 381 rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad en wordt onderscheid in 4 verschillende stedelijke zones: centrum, schil/overloopgebied, rest bebouwde kom en buitengebied. Op basis van de Beleidsnota parkeernormering Vlissingen valt het gebied in een 'matig stedelijk'-gebied en in de stedelijke zone 'rest bebouwde kom'. 4.3.2 Toetsing verkeersaspecten Verkeersontsluiting gemotoriseerd verkeer Baskensburg-West Verwezen wordt naar hetgeen in paragraaf 3.4.10 is geschreven.

Verkeersgeneratie complex voor huisvesting (inter)nationale werknemers en toekomstige verkeersintensiteiten Voor de vestiging van internationale werknemers zijn in de CROW-publicatie 381 geen standaard kencijfers beschikbaar. Internationale werknemers beschikken vaak niet over eigen vervoer, dus het autobezit onder deze groep is laag. Daarnaast worden de bewoners vaak met collectief vervoer van en naar de werklocatie gebracht. Hierdoor ligt het aantal bewegingen lager dan bij een gemiddeld huishouden. Onder parkeren is al aangegeven dat de verkeersgeneratiecijfers voor kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten) het meest passend zijn. Rekening houdend met de hiervoor vermelde stedelijkheidsgraad en stedelijke zone, bedragen deze per kamer 1,8 tot 2,4 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm). Voor het bepalen van de verkeerseffecten dient te worden

39/70

uitgegaan van een maximale verkeersgeneratie. De verkeersgeneratie komt daarmee op (342 x 2,4) = 820 mvt/etm. Dit aantal geeft de verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag weer (gemiddelde van alle dagen van de week). Echter op gemiddelde werkdagen (maandag t/m vrijdag) zijn de verkeersbewegingen hoger dan in het weekend. Voor de maximale verkeersgeneratie kan de verkeergeneratie op een weekdag met de voorgeschreven omrekenfactor van 1,11 worden opgezet naar een werkdag. De maximale verkeersgeneratie komt daarmee op 911 mvt/etm. Voor het beoordelen van milieueffecten kan worden uitgegaan van een gemiddelde verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag. Die bedraagt (342 x 2,1 =) 718 mvt/etm. De CROW-publicatie 381 vermeldt 0,02 vrachtwagenbewegingen per woning of appartement per gemiddeld etmaal. Dit geeft voor de huisvesting internationale werknemers in totaal 7 (middelzware) vrachtwagenbewegingen per gemiddeld etmaal. Ontsluiting gemotoriseerd verkeer De ontwikkeling wordt via een nieuw aan te leggen weg ontsloten via het de weg waar Speelpaleis Bambini en Sporthal Baskensburg aan is gelegen op de President Rooseveltlaan. Verkeersontsluiting openbaar/collectief vervoer De gemeente Vlissingen hanteert een straal van 600 meter als invloedsgebied voor bushaltes (GVVP Vlissingen 2012-2020).

De meest nabij gelegen bushalte (Vlissingen, Sporthal) ligt op circa 650 meter vanaf de locatie. Daarmee is het projectgebied gezien de doelgroep voldoende bereikbaar met openbaar vervoer. Ontsluiting langzaam verkeer De locatie is goed ontsloten voor langzaam verkeer. Zowel voet- als fietspaden zijn op korte afstand bereikbaar. Verkeersafwikkeling tijdens de aanlegfase Behalve verkeer in de gebruiksfase zal er ook in de aanlegfase verkeer van en naar de bouwlocatie rijden. Om het bestaande woongebied ten westen van het Baskensburgplein zo veel als mogelijk te ontzien, wordt het bouwverkeer afgewikkeld via de bestaande aansluiting op de President Rooseveltlaan, tussen de sporthal Baskensburg en sportschool / kinderspeelpaleis, en een aantal bouwwegen van het toekomstige bedrijventerrein Baskensburg-West. Gezien de verkeersintenisteit op de President Rooseveltlaan (vooral de avondspits) en de situatie (inrichting wegen) ter plaatse, moet bij de volledige ontwikkeling van het gebied de aansluiting op deze weg worden herzien. Een robuste oplossing zou kunnen zijn de aanleg van een rotonde.

40/70

Figuur 4.1 Route bouwverkeer van en naar de projectlocatie (bron: gemeente Vlissingen) 4.3.3 Toetsing aan parkeerbeleid Algemeen Uitgaande van een parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per in het complex verblijvend persoon zijn (350 personen x 0,7 =) 245 parkeerplaatsen nodig. Daarbij komt nog 1 parkeerplaats voor een beheerder/toezichthouder. In het plan is rekening gehouden met 247 parkeerplaatsen , waarmee aan de norm kan worden voldaan. Op het parkeerterrein kan ook eventueel langparkeren plaatsvinden. Evenals het binnenterrein wordt dit terrein afgesloten met een slagboom. Parkeren van tweewielers Het stallen van fietsen en gemotoriseerde tweewielers van bewoners kan op eigen terrein plaatsvinden.

41/70

4.3.4 Conclusie De ontsluiting voor de verschillende vervoerswijzen is goed te noemen. De verkeersgeneratie leidt niet tot onacceptabel hoge verkeersintensiteiten op de omliggende toegangswegen. Het plan voorziet in de eigen parkeerbehoefte. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. In paragraaf 2.2 is al vermeld dat het complex voor huisvesting van (inter)nationale werknemers wordt aangemerkt als een logiesgebouw. Daarmee is het geen gevoelige milieugevoelige functie en evenmin van een geluidgevoelig gebouw (zie ook paragraaf 4.5). Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is voor dit plan toch getoetst aan de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In het geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' kunnen kleinere afstanden worden aangehouden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

In de VNG-publicatie is tevens de mogelijkheid opgenomen te werken met een Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging. Bedrijven die genoemd zijn in deze staat kunnen in een functiemengingsgebied direct naast gevoelige functies aanwezig zijn, zonder dat er richtafstanden in acht genomen moeten worden. 4.4.2 Toetsing In de directe omgeving zijn verschillende potentieel milieubelastende functies aanwezig waarvoor richtafstanden gelden ten opzichte van milieugevoelige functies. In tabel 4.1. zijn de functies benoemd en de daarbij behorende richtafstanden aangegeven. Tabel 4.1 Relevante milieugevoelige functies met bijbehorende richtafstanden

tenniscomplex (met verlichting) veldsportcomplex (voetbal) met verlichting (noord, oost,zuid) overdekte sporthal (Baskensburg) zuidzijde) overdekte speelhal (zuidzijde)

42/70

richtafstand 'rustige woonwijk' 50 meter (alleen geluid) 50 meter (alleen geluid)

richtafstand 'gemengd gebied' 30 meter (alleen geluid) 30 meter (alleen geluid)

50 meter (alleen geluid)

30 meter (alleen geluid)

30 meter (alleen geluid)

10 meter (alleen geluid)

bedrijventerrein (bedrijfspercelen) 50 meter (alle milieuaspecten) (oostzijde) (categorie 3.1 bedrijven) Moskee 30 meter (alleen geluid)

30 meter (alle milieuaspecten)

10 meter (alleen geluid)

Gezien de ligging van het complex op een toekomstig bedrijventerrein wordt voor de beoordeling ervan uitgegaan van een omgevingstype 'gemengd gebied'. De afstand van het complex tot het eventuele tenniscomplex bedraagt ten minste circa 30 meter, tot het bestaande veldsportcomplex ten minste 35 meter, tot de sporthal ten minste 200 meter en tot het toekomstige bedrijfspercelen en de toekomstige moskee ten minste 30 meter. Daarmee wordt aan de richtafstanden voldaan. Aan de President Rooseveltlaan, op een afstand van meer dan 200 meter, bevindt zich een tankstation waar ook LPG wordt verkocht. Uit de toelichting op het bestemmingsplan Stedelijke bedrijventerrein Vlissingen blijkt dat deze inrichting voldoet aan de normstelling uit het Bevi: binnen de risicocontouren bevinden zich geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. Het toekomstig complex voor de tijdelijke huisvesting van (inter)nationale werknemers valt ook buiten de genoemde contouren. Er is dan ook sprake van een acceptabel verblijfsklimaat. Daarnaast staat de ontwikkeling de andere functies niet in de weg. 4.4.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook vormt de ontwikkeling geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de functies in de omgeving.

4.5

Geluid

4.5.1 Toetsingskader Wegverkeerslawaai Indien bij een ruimtelijke procedure nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wet geluidhinder (Wgh) akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau. Industrielawaai Indien in een bestemmingsplan (of ruimtelijke procedure) een nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de zone van een geluidbron. Railverkeerslawaai In hoofdstuk VII 'Zones langs spoorwegen' van de Wgh en in hoofdstuk 4 van het Besluit geluidhinder is de zonering van spoorwegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. In de Regeling Zonekaart spoorwegen is per spoortraject de zonebreedte vastgesteld. Deze zonebreedte varieert van 100 tot maximaal 1.300 meter.

43/70

Luchtvaartlawaai De geluidregelgeving met betrekking tot dergelijke vliegvelden is in het Besluit Geluidsbelasting Kleine Luchtvaart (BGKL). Dit betekent bij regionale vliegvelden dat de provincie hiervoor beleid opstelt. In Zeeland geldt hiervoor de Verordening Luchthavenbesluit Midden-Zeeland. 4.5.2 Toetsing Wegverkeerslawaai Het gebouw is gericht op het tijdelijk verblijven van ((inter)nationale) werknemers en is daarmee geen geluidgevoelige functie op grond van de Wet geluidhinder. Het aspect wegverkeerslawaai is daarmee niet relevant. Industrielawaai In de nabijheid van de ontwikkeling is geen sprake van een gezoneerd bedrijventerrein. Voor geluid specifiek gericht op de bedrijven die grenzen aan de oostzijde van Baskensburg-West wordt in paragraaf 4.4 in gegaan. Railverkeerslawaai Het dichtst nabijgelegen spoor ligt op circa 700 meter. De zonebreedte ter hoogte van het projectgebied bedraagt 100 meter. Er zijn geen aanvullende maatregelen of onderzoeken noodzakelijk. Luchtvaarlawaai Het dichtst bijzijnde vliegveld is Vliegveld Midden-Zeeland op circa 12 kilometer afstand. De ontwikkeling heeft niet te maken met geluidcontouren op basis van de Verordening Luchthavenbesluit Midden-Zeeland. 4.5.3 Conclusie Lawaai vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid te worden gekeken naar: bedrijven (inrichtingen) waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Het wettelijke toetsingskader voor externe veiligheid is het volgende: rondom risicovolle inrichtingen: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi); Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet dat voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) beoogt duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken; het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water; Voor buisleidingen bestemd voor het transport van gevaarlijke stoffen: het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het gemeentelijk toetsingskader is vastgelegd in: de Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Vlissingen (vastgesteld door het college van burgemeester en

44/70

wethouders op 2 maart 2006); de Nota van Toelichting Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Vlissingen (vastgesteld op 28 september 2010). Daarnaast beschikt de provincie over de Beleidsvisie Externe Veiligheid “Verantwoorde Risico's” (2012). Plaatsgebonden risico en groepsrisico Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een uitgebreide omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Bij een overschrijding daarvan en/of toename van het groepsrisico is een verantwoording van het groepsrisico verplicht. In de hiervoor vermelde gemeentelijke beleidsvisie is aangegeven, dat de motivatieplicht ten aanzien van het groepsrisico zich beperkt tot relevante gevallen. Dit betreft gevallen waarin het GR de oriënterende waarde (bijna) overschrijdt of wanneer sprake is van een aanzienlijke toename (>10%) van het aantal slachtoffers. Voor die gevallen vereist de gemeente een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico, waarbij aandacht wordt besteed aan de criteria zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffect. Motieven voor de acceptatie van (een verslechtering van) een risicosituatie kunnen zijn: a. Het opvullen van kleine open gaten of vervangende nieuwbouw in bestaand stedelijk gebied; b. Een voor de specifieke locatie belangrijke ontwikkeling; c.

Een situatie waarbij anders de externe veiligheidsproblematiek (elders) zou toenemen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg

45/70

en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Bevb wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Vaarroute Westerschelde De Westerschelde is in het Basisnet Water aangeduid als een 'rode vaarweg'. Van rode routes wordt gebruikgemaakt door grote zeeschepen al dan niet met gevaarlijke stoffen. Maatgevende ongevalscenario's zijn: 1. ongeval met een zeeschip met gevaarlijke stoffen; 2. aanvaring van een binnenschip met gevaarlijke stoffen door een groot zeeschip. Voor de maatgevende contour van het PR (10-6) bij rode routes geldt dat deze op de waterlijn ligt. Daarnaast geldt ook een toetsingsafstand voor het plasbrandaandachtsgebied (PAG), te weten een afstand van 40 m vanaf de oeverlijn.

Vanwege de status van de Westerschelde als internationale vaarroute, geldt dat de verantwoordelijkheid voor het monitoren en borgen van de veiligheidssituatie rondom de vaarroute over de Westerschelde bij de internationale Scheldecommissie ligt. Het monitoren hiervan gebeurt buitenom het Basisnet Water. Eind 2011 is door 'Det Norske Veritas' een QRA opgesteld voor de Westerschelde. De conclusie hiervan is weergegeven in het rapport: 'Actualisatiestudie 2011 risico's transport gevaarlijke stoffen Westerschelde en prognoses 2015-2030'. In deze rapportage is geconcludeerd dat de PR10-6-contour indien aanwezig niet tot de oever reikt. Het GR overschrijdt in geen enkele situatie de oriëntatiewaarde. Uit de veiligheidsstudie blijkt dat de maatgevende PR-contour niet tot de oever reikt en dat nergens binnen Vlissingen de oriënterende waarde voor het groepsrisico wordt overschreden. Wat de berekening van het groepsrisico betreft, dient voor bestemmingsplannen, die na 1 januari 2010 ter inzage worden gelegd en die betrekking hebben op de omgeving van de in de bij het besluit genoemde wegen en vaarwegen (onder meer de Westerschelde), uit te worden gegaan van de in tabel 4.2 vermelde vervoercijfers. Deze vervoercijfers zijn gebaseerd op een maximale benutting van de groeiruimte voor het vervoer. Tabel 4.2. Vervoerscijfers Westerschelde (bron: Professionele risicokaart)

46/70

4.6.2 Toetsing Inventarisatie risicobronnen Het projectgebied ligt binnen de invloedsgebieden van de volgende risicobronnen met gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen Aanwezigheid van gevaarlijke stoffen bij Verbrugge Zeeland Terminals, Engelandweg 12 Ritthem (gifwolkscenario) Voorliggende ontwikkeling ligt op circa 7,8 km afstand van Verbrugge Zeeland Terminals. Het invloedsgebied van Verbrugge Zeeland Terminals reikt tot 7.937 meter. De ontwikkeling ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de inrichting Verbrugge Zeeland Terminals. Groepsrisico Het invloedsgebied is berekend door middel van een QRA. Deze afstand is berekend voor de worst case (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid -Holland. Hierin staat beschreven dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico.

Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen op een grotere afstand dan 1.500 meter en er binnen het projectgebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen aanwezig (zullen) zijn. De ontwikkeling ligt op een veel grotere afstand dan 1.500 meter van bovengenoemd bedrijf. Deze ontwikkeling gelegen in een stedelijke druk bewoonde woonomgeving, zal in combinatie met de zodanig grote afstand tot de risicobron- niet zorgen voor een significante toename van het groepsrisico. In verband met een toxisch scenario dient wel aandacht te worden besteed aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Plaatsgevonden risico Het plaatsgebonden risico van Verbrugge ligt niet over het projectgebied. Volgens de Revi is het invloedsgebied berekend door middel van een QRA. Uit de QRA blijkt dat bij de inrichting de PR 10-6 buiten de inrichtingsgrens ligt. De PR 10-6 reikt niet verder dan 600 meter. Tankstation aan de President Rooseveltlaan In paragraaf 4.4.2 is dit tankstation al genoemd. Ter plaatse wordt LPG wordt verkocht. De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen de relevante risicocontouren van deze inrichting.

Kampeerwinkel aan de Gildeweg Bij deze kampeerwinkel is een ondergrondse propaantank (20 m3) aanwezig en worden gasflessen worden gevuld, opgeslagen en verkocht. De vaste afstand voor het plaatsgebonden risico bedraagt conform het Revi 40 meter en reikt niet tot aan het projectgebied. Het invloedsgebied bedraagt 150 meter. De ontwikkeling ligt op 200 meter.

47/70

Vervoer van gevaarlijke stoffen Over de A58, die op circa 400 meter van het projectgebied is gelegen, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het projectgebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 contour of plasbrandaandachtsgebied. Omdat het projectgebied gelegen is op meer dan 200 meter afstand, behoeft geen toetsing aan artikel 8 van het Bevt plaats te vinden. In verband met een toxisch scenario dient wel aandacht te worden besteed aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Besluit externe veiligheid buisleidingen In de nabij van de locatie vindt geen transport plaats van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Vaarroute Westerschelde Ten zuiden van het projectgebied worden over de Westerschelde gevaarlijke stoffen getransporteerd. De PR-contour voor dit transport ligt op het water en daarmee buiten het kader van het projectgebied. Zodoende wordt voldaan aan de norm voor het PR vanuit het Basisnet Water. Binnen het PAG worden geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied van de Westerschelde. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten. Vanwege de zeer kleine percentuele bijdrage aan het aantal aanwezige personen als gevolg van de ontwikkeling neemt het GR met minder dan 10% toe.

Omdat de ontwikkeling binnen het invloedsgebied ligt, maar het GR minder dan 10% toeneemt, kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Hierin dient in te worden gegaan op de bestrijdbaarheid, de bereikbaarheid en de zelfredzaamheid. Maatregelen In verband met het gifwolkscenario van de Verbrugge Zeeland Terminal, de A58 en de Westerschelde wordt geadviseerd om mechanische ventilatie toe te passen die uitschakelbaar is. 4.6.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het project niet in de weg. Geadviseerd wordt om mechanische ventilatie toe te passen die uitschakelbaar is.

4.7

Archeologie en Cultuurhistorie

4.7.1 Toetsingskader archeologie Wettelijk kader Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Besluit omgevingsrecht (Bor) Op grond van de Wro en de Wabo zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient

48/70

te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. In het Bor is bepaald, dat voor vergunningsvrije bouwwerken tot 50 m2 geen beperkingen ten aanzien van archeologie gelden. Beleid gemeente Vlissingen Op 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad de 'Nota Archeologische Monumentenzorg Walcheren 2006' vastgesteld. De Nota archeologische monumentenzorg Walcheren 2006 is in 2008 geëvalueerd. De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 24 april 2008 de nieuwe 'Nota archeologische monumentenzorg Walcheren evaluatie 2008' vastgesteld. Op 28 januari 2016 heeft de gemeenteraad een actualisatie van deze nota vastgesteld in de 'Nota archeologische monumentenzorg Walcheren 2016-2022'. Onderdeel van de nota vormt een vrijstellingsregeling, waarbij is bepaald, dat in gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde grondwerkzaamheden zonder archeologisch onderzoek mogen plaatsvinden tot een diepte van 0,40 m en een oppervlakte van 500 m2.

Voor gebieden ter hoogte van (AMK-)terreinen met een vastgestelde archeologische waarde en voor gebieden ter hoogte van een zogenaamde verwachtingszone op basis van historische kaarten en voor gebieden binnen een straal van 50 meter rondom een vindplaats geldt, dat uitsluitend bodemingrepen, die niet dieper gaan dan 0,40 meter onder huidig maaiveld en geen grotere oppervlakte hebben dan 30 m2, vrijgesteld zijn van archeologisch onderzoek. De archeologische waarden- en verwachtingskaart Walcheren en de archeologische beleidsadvieskaart Walcheren maken onderdeel uit van dit beleid. De verwachtingskaart is een nadere detaillering van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) die tot stand is gekomen door nader bureauonderzoek. De kaart is op maat gesneden op de Walcherse schaal en geeft de verwachting weer ten aanzien van archeologische vondsten. Op de beleidsadvieskaart is de vrijstellingsregeling gekoppeld aan de archeologisch waardevolle gebieden en verwachtingszones. Dit resulteert in een overzicht van de beleidsadviezen per gebied. Archeologisch onderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling van het gehele plangebied Baskensburg West heeft onderzoeksbureau Artefact! in opdracht van de gemeente een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 1.

De conclusie van dit onderzoek is dat in de ondergrond archeologische sporen en vondsten te verwachten zijn van een zogenaamd reduit behorende bij een kroonwerk dat onderdeel was van de vestingwerken rond Vlissingen uit de Franse Tijd. Het reduit was een klein vijfhoekig fort bestaande uit aarden wallen en een omliggende gracht als onderdeel van een groter fort, namelijk hier het Midden Kroonwerk (zie figuur 4.2) Centraal zal een stenen gebouw hebben gestaan. De locatie hiervan lijkt buiten het plangebied te vallen. Het Kroonwerk is in 1833 geëgaliseerd en het reduit heeft in de jaren twintig van de twintigste eeuw plaats gemaakt voor een vliegveld alhier. Daarnaast zijn in het plangebied ook de archeologische sporen en vondsten van het voormalige Hof Mallegem te verwachten, gelegen langs een voormalige weg. Deze hofstede bestond uit een herenhuis, een boerenwoning en een schuur. De hofstede dateert vermoedelijk uit de late zeventiende eeuw en is in het begin van de twintigste eeuw gesloopt en vervangen door een woonhuis.

49/70

Figuur 4.2 Overzicht van de locaties van het reduit (wal en gracht) en van de gebouwen behorende bij Hof Mallegem. (Bron Artefact!; Coppens en Wattenberghe 2021). Advies Er zijn 2 vindplaatsen geconstateerd (reduit en Hof Mallegem) Het advies luidt om beide vindplaatsen nader te onderzoeken. In de Nota archeologische monumentenzorg Walcheren 2016-2022 zijn verschillende hoofdthema's vastgesteld, waarop het archeologiebeleid en het archeologisch onderzoek zich met name moet richten. Zowel het onderzoek naar verdedigingswerken als naar buitenplaatsen / hofsteden vallen onder deze hoofdthema's. Er moet daarom als volgende stap een waarderend onderzoek plaatsvinden in de vorm van proefsleuven. Dit onderzoek kon pas worden uitgevoerd nadat de atletiekbaan was verwijderd en wordt daarom nu (situatie april 2023) uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of in de ondergrond de archeologische resten van beide fenomenen nog in een goede staat bewaard zijn gebleven en zogenaamd behoudenswaardig zijn. Als dit laatste het geval blijkt dan kan de gemeente ervoor kiezen om de vindplaatsen in situ te bewaren. Dat wil zeggen dat zij ongestoord in de ondergrond moeten blijven liggen. Vaak is hiervoor planaanpassing nodig.

Als planaanpassing niet mogelijk is of onwenselijk in de afweging met andere, economische en/of maatschappelijke belangen, dan kiest de gemeente voor behoud ex situ. Dat houdt in dat de vindplaatsen opgegraven moeten worden. Conclusie Er zijn 2 vindplaatsen geconstateerd (reduit en Hof Mallegem). Beide vindplaatsen zijn van contouren voorzien in figuur 4.3. Ter hoogte van de vindplaatsen geldt een vrijstellingsregeling voor graafwerkzaamheden die niet dieper gaan dan 40 cm. Omdat ter plaatse wel graafwerkzaamheden zijn voorzien die dieper gaan dan 40 cm, is een een waarderend archeologisch onderzoek in de vorm van proefsleuven nodig. Dit onderzoek wordt momenteel (situatie april 2023) uitgevoerd. Afhankelijk van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek

50/70

kunnen voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden worden met betrekking tot vervolgonderzoek. In de terreindelen die buiten de in figuur 4.3 aangeduide vindplaatsen liggen en wit zijn gelaten, kan de archeologische dubbelbestemming worden geschrapt.

Figuur 4.3 Contouren van de archeologische vindplaatsen (in blauw en rood) waar de dubbelbestemming Waarde

51/70

Archeologie zal worden gehandhaafd. Blauwe lijn geeft het projectgebied aan. 4.7.2 Cultuurhistorie Wettelijk kader In het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In het gemeentelijk beleid wordt ingezet op het behouden en beschermen van bestaande kwaliteiten en waarden. Om te kunnen beoordelen of er in het projectgebied en directe omgeving daarvan cultuurhistorische waarden zijn, kan gebruik worden gemaakt van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Toetsing en conclusie Volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart zijn in het projectgebied en directe omgeving daarvan geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig.

4.8

Bodemkwaliteit

4.8.1

Toetsingskader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project, onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op de voor de functie geschikte bodemkwaliteit te worden gerealiseerd. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient een recent bodemonderzoek te worden aangeleverd. Dat betekent dat een onderzoek in het algemeen niet ouder dan 5 jaar mag zijn. Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. 4.8.2 Onderzoek en conclusie In verband met de voorgenomen herontwikkeling van de locatie is in opdracht van gemeente Vlissingen, een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek, waarvan de rapportage is opgenomen in bijlage 2, is uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen NEN 5707, NEN 5725 en NEN 5740. De onderzoekslocatie betreft een gras-/sportveld en sintelbaan nabij het Baskensburgplein en Baskenburgpad.

De oppervlakte van de totale onderzoekslocatie bedraagt circa 90.000 m2. Ter plaatse van de eerste fase lag op het terrein een atletiekbaan. Rondom de bebouwing is plaatselijk een verharding van klinkers, tegels of asfalt aanwezig. Volgens historisch topografisch kaartmateriaal was op de locatie vanaf 1850 een burcht gelegen. Deze burcht, of in ieder geval de resterende gracht daarvan, maakt vanaf 1924 plaats voor een (onverhard) vliegveld. De gracht is

52/70

vermoedelijk gedempt met gebiedseigen grond. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is het vliegveld gebombardeerd. Vanaf 1962 is er op de locatie een sport- en evenemententerrein en zijn er diverse sportverenigingen gevestigd. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van bodembedreigende activiteiten op de locatie en in de directe omgeving is de locatie onverdacht op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Hierom wordt, conform de NEN 5740, de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie niet lijnvormig (ONV-NL). Voor de voormalige gracht is met de situatie van de diepe boringen en peilbuizen rekening gehouden om te bevestigen dat er sprake is van demping met gebiedseigen grond. Binnen de onderzoekslocatie worden geen andere stoffen verwacht dan de parameters uit het standaardpakket grond en het standaardpakket grondwater aangevuld met arseen. Ter plaatse van het hoofdterrein zijn in de grond sporadisch resten baksteen of puin waargenomen. Op basis hiervan is de grond beoordeeld als niet verdacht op het voorkomen van asbestverontreiniging. Op basis van de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen is het aannemelijk dat de voormalige gracht is gedempt met gebiedseigen grond. In de grond zijn diverse licht verhoogde gehaltes aan lood, zink, cadmium, kwik, koper, kobalt, nikkel, PCB en PAK aangetroffen.

In het grondwater zijn licht verhoogde gehaltes molybdeen en barium en licht tot sterk verhoogde arseenconcentraties aangetroffen. De licht verhoogde waarden zijn geen aanleiding tot vervolgonderzoek. De verhoogde arseenconcentraties zijn regionaal verhoogde concentraties, ook hiervoor is vervolgonderzoek niet nodig maar er dient bij eventuele werkzaamheden of activiteiten in het grondwater (bijv. bronnering) rekening te worden gehouden met deze concentraties. Het gebruik van het grondwater, bijvoorbeeld ten behoeve van beregening, wordt afgeraden. Naar aanleiding van de uitkomsten uit het verkennend bodemonderzoek is in april 2022 een nader onderzoek uitgevoerd naar de atletiekbaan, de grondwal ten zuiden van de atletiekbaan, het asfaltpad ten zuiden van de atletiekbaan, de klinkers met fundering en de voormalige bebouwing ten zuidwesten van de atletiekbaan.

53/70

Figuur 4.4 Fragment onderzoeksgebied met verdachte en te onderzoeken locaties Uit de tussentijdse onderzoeksresultaten blijkt het volgende: Verkennend bodemonderzoek naar chemische parameters: Deellocatie 2 (Grondwal zuiden van atletiekbaan): voor de parameters koper en lood zijn waarden boven de interventiewaarde aangetoond. Deellocatie 8 (Dammen): voor de parameters zink, lood, PAK 10 VROM zijn waarden boven de interventiewaarde aangetoond. Verkennend onderzoek naar asbest: Op een aantal locaties in het projectgebied is in puinmonsters asbest aangetoond. Indicatief bouwstoffenonderzoek: Dit is uitgevoerd voor 3 mengmonsters is een uitgevoerd. Daaruit blijkt dat wordt voldaan aan samenstellings- en emissiewaarden. Asfaltonderzoek: Ter plaatse van deellocatie 3 'Asfaltpad zuiden van atletiekbaan' en deellocatie 7 'Asfaltweg noordwestelijk deel locatie zijn asfaltkernen bemonsterd. De laagopbouw is bepaald en met de PAK-marker werd geen fluorescentie aangetoond. De PAK bepaling door middel van een GCMS-analyse is aangevraagd bij het laboratorium. Verder werd ter plaatse van deellocatie 1 'Atletiekbaan' eveneens asfalt waargenomen. Echter kon hiervan geen asfaltkern worden verzameld doordat het geen samenhangend geheel was. Hier is direct een GCMS-analyse op uitgevoerd. PAK werd niet boven de detectiegrens aangetoond (<18 mg/kg).

54/70

4.8.3 Conclusies en aanbevelingen Het verkennend onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat er geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie voor de huisvesting van (inter)nationale werknemers. Geadviseerd wordt geen grondwater te gebruiken, bijvoorbeeld voor beregening en er dient bij eventuele werkzaamheden of activiteiten in het grondwater (bijv. bronnering) rekening te worden gehouden met aangetroffen verhoogde concentraties. Voor de verlening van de omgevingsvergunning vormt het aspect bodem geen belemmering.

4.9

Water(toets)

4.9.1 Toetsingskader Voor ruimtelijke plannen en besluiten dient met een watertoets te worden aangetoond dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. In dat kader dient in een vroeg stadium overleg te worden gevoerd met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. De waterbeheerder is het Waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer binnen het projectgebied en de omgeving daarvan. Het waterschap zal het wateradvies geven in het kader van het vooroverleg. 4.9.2 Toetsing Voor de watertoets hanteert het Waterschap Scheldestromen een aanmeldformulier. Dit formulier is opgenomen in bijlage 3. Het formulier bevat een watertoetstabel met verschillende thema's en water(beheer)doelstellingen. Een van de thema's is het voorkomen overlast door oppervlaktewater. De nieuw te realiseren infrastructuur zorgt voor een toename aan verharding ten opzichte van de bestaande situatie. Ook de realisatie van huisvesting voor internationale werknemers zorgt voor een toename van verharding (dak, perceel en wegverhardingen). Bij elkaar gaat het om ca. 1,80 ha aan extra verhard oppervlak. De perceelverharding is daarin als 100% verhard oppervlak meegenomen.

Om negatieve effecten van de extra verharding op het bestaande watersysteem te beperken, dient volgens de norm van het waterschap een compenserende waterberging van 75mm (T=100) over het toegenomen verhard oppervlak te worden gerealiseerd. Dat betekent dat een volume van 1.350 m³ aan waterberging nodig is. De nieuwe waterberging zal onderdeel gaan uitmaken van het watersysteem binnen de peilgrenzen van het waterschap. Hierbij mag er volgens het waterschap van zomerpeil NAP-1,50 m tot een maximaal T=100 waterpeil van NAP-0,67 m (0,83 m stijghoogte) worden geborgen. Met de aanleg van de nieuwe waterpartijen wordt ca. 2.250 m² waterbergingsoppervlak gerealiseerd. Rekening houdend met 0,83 m stijghoogte bedraagt de te graven berging ca. 1.870 m3. Hiermee wordt ruimschoots aan norm van het waterschap voldaan. De benodigde waterberging wordt aangelegd in open verbinding met het oppervlaktewatersysteem in het betreffende peilgebied. De andere thema's zijn ruimtelijk minder relevant. Voor de uitwerking van deze thema's wordt verwezen naar de

55/70

genoemde bijlage. Het waterschap heeft op 13 februari 2023 mondeling ingestemd met de uitgevoerde watertoets. 4.9.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat met de hiervoor beschreven maatregelen het stedenbouwkundig plan Baskensburg West voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de verlening van de omgevingsvergunning voor het complex voor de huisvesting van (inter)nationale werknemers niet in de weg.

4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Wettelijk kader Wet milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.

56/70

4.10.2 Toetsing Op basis van metingen kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit op de locatie van de locatie ruim voldoet aan de wettelijke waarden. Het dichtstbijgelegen meetpunt dat onderdeel is van de NSL-monitoringstool is de Sloeweg, gelegen aan de noordzijde van de ontwikkeling. De luchtkwaliteit in de omgeving van deze weg voldoet ruim aan de wettelijke grenswaarden voor de aanwezige concentraties luchtverontreinigende stoffen (<35 µg/m³). Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling realisatie van 342 eenheden ten behoeve van (inter)nationale werknemers naar verhouding kleiner is dan de realisatie van 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg. De beoogde ontwikkeling valt daarom, naar analogie, onder het 3% criterium uit het Besluit Niet in betekenende mate (NIBM). Dit betekent dat geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig is en dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.10.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.11 Ecologie 4.11.1 Wettelijk kader Ter voorbereiding van een ruimtelijk plan of besluit dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en van natuurgebieden de uitvoering van het plan of project niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat de vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met het plan of besluit mogelijk worden gemaakt. Toetsingskader Bij de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantsoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten beschermde natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12902837/1