CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

5.6 rvs Vaststelling bestemmingsplan Stadslandgoed Nieuwerve Vlissingen bijlage 2 bestemmingsplan

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente VlissingenBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Stadslandgoed Nieuwerve29.057 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

De kerncentrale van Borsele (geen BEVI-inrichting) ligt op ruim 7 kilometer afstand waarmee het plangebied in de zone ligt waarin geëvacueerd moet worden (<10 km) in geval van een ongeluk bij de centrale. Van Citters Beheer ligt op ruim 5 kilometer afstand; het invloedsgebied reikt wel tot over het plangebied. Om deze reden is in de verantwoording van het groepsrisico ook rekening gehouden met de risico’s vanuit deze inrichting. Er zijn windmolens gelegen langs de zuidwestelijke rand van het plangebied. Voor het mogelijk maken van gebouwen wordt rekening gehouden met de plaatsgebonden risicocontour van deze windmolens. Verder wordt ten behoeve van het JCV binnen het beveiligde terreindeel het opstijgen en landen van een helikopter mogelijk gemaakt. Er is door het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum onderzoek gedaan naar de effecten hiervoor voor het aspect externe veiligheid (Nederlands Lucht- en ruimtevaartcentrum, 2021). Het gaat voor deze landingsplaats om circa 3 vluchten per maand (6 vluchtbewegingen). Met die hoeveelheid vluchten geldt er geen beperkend plaatsgebonden risico. Belangrijke nadelige milieugevolgen vanuit het aspect externe veiligheid zijn uitgesloten.

14/19

3.7

Bodem & Water

3.7.1 Bodem In het kader van de planologische procedure voor de marinierskazerne is een groot aantal bodemonderzoeken verricht, een aantal van deze onderzoeken is inmiddels gedateerd (onderzoeken zijn ouder dan 5 jaar). Op basis van onder meer deze onderzoeken is binnen het totale projectgebied sprake van: ● een aantal gebieden die vanwege puinbijmengingen nader onderzocht dienen te worden op asbest in bodem. Een aantal van deze gebieden is nog niet nader onderzocht; ● een aantal gevallen van ernstige bodemverontreiniging; ● een tweetal stortplaatsen. Voor de bekende bodemverontreinigingen is reeds een saneringsplan opgesteld. Het nadere onderzoek dient nog uitgevoerd te worden. Beide kunnen uitgesteld worden tot de aanvraag van de omgevingsvergunning. Verder heeft de ontwikkeling naar verwachting geen negatieve effecten op de bodemkwaliteit. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect bodem zijn dan ook uitgesloten. 3.7.2 Water Uit de watertoets blijkt dat: ● De primaire waterkering langs de Westerschelde deels in het plangebied gelegen is, evenals de beschermingszone van de dijk. In het Inpassingsplan voor de ontwikkeling van de Marinierskazerne is hier reeds een beschermingszone voor opgenomen. Deze wordt overgenomen in het bestemmingsplan voor het Stadslandgoed. ● Het plan extra verharding mogelijk maakt.

In relatie tot het vergroting van de oppervlakte verharding zal voor voldoende waterberging worden gezorgd in het plangebied, conform de normen van het Waterschap Scheldestromen. Deze compenserende maatregelen worden middels een voorwaardelijk verplichting geborgd in de regels bij het bestemmingsplan. ● Een watervergunning benodigd is en verkregen dient te worden. Met bovenstaande uitgangspunten kan voorkomen worden dat er negatieve effecten optreden op het watersysteem ter plaatse en zijn belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect water uitgesloten.

3.8

Natuur

3.8.1 Gebiedsbescherming Zoals beschreven in paragraaf 2.1.2 maakt het plangebied geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland. Wel ligt het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe op dusdanig geringe afstand (circa 150 meter) dat externe effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. In dit kader is een voortoets opgesteld (Rho adviseurs, 2021). Oppervlakteverlies Het plangebied maakt geen deel uit van het Natura 2000-gebied maar voorziet in de huidige situatie wel in functies voor de doelsoorten. Voor de kuifeend verdwijnen met het plan hoogwatervluchtplaatsen voor maximaal 20 exemplaren. Gezien de staat van instandhouding en gunstige populatietrend is dit geen significant negatief effect. Voor de bruine kiekendief gaat een deel foerageergebied verloren. Ook voor deze soort komen de instandhoudingsdoelen niet in het geding als gevolg van de ontwikkeling. Er worden dan ook geen significant negatieve effecten verwacht. Verstoring Geconcludeerd is dat verstoring door helikoptervluchten incidenteel zal voorkomen maar niet zal leiden tot significante effecten op de instandhoudingsdoelen van het aangrenzende Natura 2000-gebied. Daarbij gelden de volgende overwegingen:

15/19

●

● ● ●

Langs deze noordoever van de Westerschelde is reeds veel dagelijkse verstoring aanwezig in de vorm van windturbines achter de dijk, fietsers, wandelaars en honden onderaan de dijk, havenactiviteiten aan de westzijde en scheepvaartbewegingen naar en van deze haven. Het JCV genereert gemiddeld slechts 6 vliegbewegingen per maand die mogelijk deels over het Natura 2000-gebied zullen voeren. Uitgaande van een helikoptersnelheid van 200 km/uur (ca 3,3 km/minuut) duurt de lokale verstoring van vogels door een passerende helikopter minder dan een minuut. Bij onderzoek naar het verstorende effect van helikopters bij Maritiem Vliegkamp De Kooy, op korte afstand van de Waddenzee, is gebleken dat opvliegende vogels in de meeste gevallen 1-3 minuten in de lucht blijven. Uit een vergelijking van de energetische kosten die gemoeid zijn met extra vliegen als gevolg van passages van 5 helikopters (10-15 minuten extra vliegen) voor rosse grutto's en kanoeten en de snelheid waarmee door deze soorten voedsel kan worden opgenomen, blijkt dat de extra vliegtijd kan worden gecompenseerd in 10-15 minuten foerageertijd. Bij de beoogde 6 vliegbewegingen per maand vanuit het JCV is deze verstoring en de benodigde compensatietijd derhalve verwaarloosbaar klein (circa 15 minuten per maand).

Meer dan geringe optische verstoring als gevolg van werkzaamheden, gebruik of helikoptervluchten is vanwege de omringing van de zeedijk, hoge begroeiing en reeds gevestigde windturbines niet te verwachten. Significant negatieve effecten zijn uitgesloten. Met de aanleg is het van belang dat er gebruik wordt gemaakt van geluidsarme heitechnieken zodat de relevante 47 dB(A)contour niet over het Natura 2000-gebied valt. Voor andere werkzaamheden zal het geluidsniveau beperkter blijven en helpt het dat de zeedijk een afscherming vormt. Geluidsarme heitechnieken in acht nemend, kunnen significant negatieve effecten als gevolg van verstoring door geluid worden uitgesloten. Met betrekking tot verstoring als gevolg van licht is het nodig dat er maatregelen worden genomen zoals speciale verlichting (rood-arm licht en speciale armaturen). Daarmee kan worden uitgesloten dat er extra verstoring plaatsvindt ten aanzien van de referentiesituatie en dat er negatieve effecten optreden voor instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied Westerschelde en Saeftinghe. Vermesting en verzuring Als gevolg van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Westerschelde & Saeftinghe kan vermesting en/of verzuring een bedreiging zijn voor de instandhoudingsdoelen. Om de stikstofdepositie te bepalen zijn met AERIUS Calculator berekeningen uitgevoerd (Tauw, 2021).

Aanlegfase Wat betreft de aanlegfase geldt op basis van de op 1 juli 2021 in werking getreden Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) in het vergunningenspoor een vrijstelling voor stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door bij AMvB aangewezen activiteiten van de bouwsector. Zoals ook volgt uit paragraaf 5.4 uit de Nota van Toelichting bij het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering kan de partiële vrijstelling echter wel helpen bij het vaststellen van bestemmingsplannen: 'Deze partiële vrijstelling kan ook helpen bij het vaststellen van bestemmingsplannen door gemeenten. Als het bestemmingsplan dient om bepaalde bouwactiviteiten of de aanleg of wijziging van werken mogelijk te maken, zal voor dit onderdeel van het plan kunnen worden verwezen naar het feit dat al een beoordeling door de wetgever heeft plaatsgevonden die een partiële vrijstelling voor de bouwfase van het project heeft vastgesteld. Als gevolg daarvan kan bij de beschouwing van de stikstofemissies wat betreft de bouwfase gebruik worden gemaakt van de onderbouwing in de toelichting van het besluit.'

In artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming is bepaald dat als activiteiten van de bouwsector als bedoeld in artikel 2.9a van de wet worden aangewezen:

16/19

a) b)

het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.

Zowel de bouw als de aanleg van het JCV, de uitbreiding van het bedrijventerrein Poortersweg en de overige ontwikkelingen binnen het Stadslandgoed vallen onder deze bepalingen. Daarmee is op de beoogde ontwikkeling de partiële vrijstelling zoals opgenomen in artikel 2.9a van de Wnb van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de depositie-effecten van de aanlegfase wel bepaald voor dit plan. Resultaten aanleg- en gebruiksfase Uit de berekeningen blijkt dat er een toename in stikstofdepositie ten gevolge van het plan kan optreden op de Natura 2000-gebieden Westerschelde & Saeftinghe en Manteling van Walcheren. Daarom is gekozen om een mitigerende maatregel in te zetten, namelijk externe saldering met een varkensstal. In de berekeningen is gewerkt met de inzet van 70% van de uitstoot van de betreffende stal ten behoeve van het plan. Na het treffen van deze maatregel blijft er een toename in stikstofdepositie over van maximaal 0,06 mol/ha/jaar op 0,17 hectare van het Natura 2000- gebied Westerschelde & Saeftinghe. Uit de verrichte voortoets blijkt dat de depositie rond deze hexagonen in de praktijk geen effect hebben op de stikstofhuishouding en daarmee het behalen van instandhoudingsdoelen. Van een significant negatief effect zal dan ook geen sprake zijn.

Tijdens de gebruiksfase is sprake van 0,1 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie op Westerschelde & Saeftinghe. Deze depositie leidt ter hoogte van drie hexagonen tot extra stikstofdepositie op reeds overbelaste habitats. Uit de verrichte voortoets blijkt dat de depositie rond deze hexagonen in de praktijk geen effect hebben op de stikstofhuishouding en daarmee het behalen van instandhoudingsdoelen. Van een significant negatief effect zal dan ook geen sprake zijn. Aanvullend worden twee agrarische percelen langs de Visodeweg opgenomen in het plangebied en uitgesloten van bemesting. Hierdoor wordt stikstofruimte gecreëerd voor toekomstige ontwikkelingen die mogelijk meer stikstofruimte vragen dan nu is voorzien. Op deze wijze kunnen ontwikkelingen die passen binnen het bestemmingsplan, maar niet voorzien zijn in de stikstofberekening toch toegestaan worden. 3.8.2 Soortbescherming In het kader van het bestemmingsplan is een quickscan ecologie opgesteld (Adviesbureau E.C.O. Logisch BV, 2021). Hieruit blijkt dat het plangebied in potentie geschikt is voor verschillende beschermde soorten. Planning technisch is het niet mogelijk alle soortonderzoeken uit te voeren in het kader van het bestemmingsplan. Een deel van het plangebied wordt waarschijnlijk ook pas over een aanzienlijke tijd ontwikkeld waardoor soortenonderzoek in dit stadium geen waarde heeft.

Het deel van het plangebied waar het JCV gaat komen wordt wel snel ontwikkeld. Hiervoor geldt dat er geen bebouwing aanwezig is en dat het benodigde onderzoek is ingepland. Voor het overige deel van het plangebied zal in het kader van de omgevingsvergunning per ontwikkeling gekeken worden welke soorten aanwezig kunnen zijn en hoe overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen kan worden (nader onderzoek en/of ontheffingsaanvraag). Doordat 30% van het stadslandgoed een groene functie krijgt is afdoende ruimte beschikbaar voor eventuele mitigerende maatregelen. 3.8.3 Conclusie Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden. Versnippering als gevolg van de ontwikkeling is daarmee uitgesloten. Verontreiniging of verdroging kunnen gezien de aard van de ontwikkeling ook op voorhand worden uitgesloten. Om de andere aspecten te onderzoeken is een voortoets opgesteld. Hieruit blijkt dat: ● Significant negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies voor doelsoorten uitgesloten kunnen worden. ● Verstoring als gevolg van helikoptervluchten niet tot significant negatieve effecten zal leiden, voorbehoudend de in de tekst opgenomen overwegingen. ● Verstoring als gevolg van licht voorkomen kan worden door het treffen van enkele maatregelen. ● Optische verstoring niet te verwachten is.

17/19

● ●

Verstoring als gevolg van geluid tijdens de aanlegfase significant kan zijn, maar voorkomen kan worden door geluidsarme heitechnieken toe te passen. Er geen sprake zal zijn van significant negatieve effecten als gevolg van vermesting of verzuring.

Verder is het plangebied in potentie geschikt voor verschillende beschermde soorten. Per deelontwikkeling zal nader onderzoek worden uitgevoerd en wanneer nodig een ontheffing worden aangevraagd. Zo ver als planning technisch mogelijk worden onderzoeken voor de onderdelen van het plan met een concrete invulling al uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan. Er is in het stadslandgoed ruimte beschikbaar voor eventuele benodigde mitigerende maatregelen. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten.

3.9

Cultuurhistorie & Archeologie

Zoals beschreven in paragraaf 1.2.1 zijn er in het plangebied enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Hier is rekening mee gehouden bij de invulling van het plangebied waardoor de waarden als gevolg van de ontwikkeling niet zullen afnemen. Ook zijn er enkele archeologisch potentiële vindplaatsen. Hiervoor wordt in het bestemmingsplan een dubbelbestemming ‘archeologie’ opgenomen. Naast deze locaties is het plangebied verder vrijgesteld van verder archeologisch onderzoek. Dit is op basis van eerder verricht onderzoek in het kader van de planologische procedure voor de marinierskazerne bepaald. Aangezien aanwezige cultuurhistorische elementen behouden blijven en archeologische waarden met een dubbelbestemming geconserveerd blijven is voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen.

3.10 Mitigerende maatregelen

In het bestemmingsplan zijn de kaders voor de verschillende ontwikkellocaties binnen het plangebied vastgelegd. Daarbinnen is (zowel stedenbouwkundig als programmatisch) sprake van enige mate van flexibiliteit. Uit voorgaande sectorale analyse blijkt dat er voor enkele aspecten bij de verdere uitwerking van de plannen nog nader onderzoek of anderszins extra aandacht benodigd is. Dat nader onderzoek kan aanleiding zijn om maatregelen te treffen. Het gaat dan om de volgende aspecten: ● ●

●

●

●

18/19

Parkeren: Van belang is dat de parkeerbehoefte per ontwikkellocatie op eigen terrein wordt opgevangen. Om dit te borgen is dit als voorwaardelijke verplichting meegenomen in het bestemmingsplan. Bodem: Nader onderzoek is nog benodigd naar de aanwezige bodemvervuiling ter hoogte van functiewijzigingen die beoogd zijn met het bestemmingsplan. In het kader van de omgevingsvergunning moet aangetoond worden dat de bodemkwaliteit past bij de beoogde functie. Water: Het plan leidt tot extra verharding en daarmee is sprake van een watercompensatieopgave. In de verdere uitwerking dient hier uitvoering aan te worden gegeven. Dit is geborgd als voorwaardelijke verplichting voor een vergunning in de planregels. Ecologie: Er is een quickscan ecologie uitgevoerd waaruit blijkt dat er verschillende beschermde soorten mogelijk voorkomen in het plangebied. Niet al het benodigde aanvullende onderzoek kan uitgevoerd worden in het kader van het bestemmingsplan. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning dienen per ontwikkeling het benodigde onderzoek en eventuele ontheffingen te worden verkregen. Daarnaast dient er voldoende stikstofemissies te zijn beëindigd om te kunnen salderen met de toename veroorzaakt door de activiteiten in Stadslandgoed Nieuwerve. Archeologie: Het plangebied kent een aantal potentiële archeologische vindplaatsen.

Deze worden overgenomen in het bestemmingsplan als dubbelbestemming ‘archeologie’. Voorafgaand aan bodemingrepen ter hoogte van deze vindplaatsen dient nog nader archeologisch onderzoek te worden verricht.

4. CONCLUSIE Met het in achtnemen van de in paragraaf 3.10 genoemde mitigerende maatregelen zijn belangrijke nadelige milieugevolgen uitgesloten. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-beoordeling wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

19/19

Bijlage 2

97/1064

Notitie Verkeersgeneratie

Notitie Voor: Van: Bedrijf:

Rho Adviseurs Raymond Bout Iv-Infra b.v.

Datum: Referentie: Onderwerp:

17 december 2021 INFR211116 Ontsluiting Stadslandgoed Vlissingen

Inleiding Als gevolg van diverse ontwikkelingen op het Stadslandgoed Vlissingen vindt extra verkeersgeneratie plaats. Deze ontwikkelingen zijn: • bouw justitieel complex Vlissingen (JCV); • uitbreiding bedrijventerrein Poortersweg; • invulling stadslandgoed. In deze notitie worden de gevolgen voor de verkeersintensiteiten als gevolg van deze ontwikkelingen behandeld.

Verkeersgeneratie De verkeerstoedeling is verkeersgeneratie is reeds bepaald in het “Stikstofdepositie-onderzoek Stadslandgoed Nieuwerve” (kenmerk R001-1281828BRA-V01). Het stadslandgoed en bedrijventerrein Poortersweg worden volledig ontsloten via de Oostelijke Bermweg, Poortersweg en Havendorpweg naar de A58. Ook maakt, naar verwachting van het JCV, 85% van het verkeer naar het justitieel complex gebruik van deze route. De resterende 15% maakt gebruik van een nieuwe route via de Visodeweg en Marie Curieweg naar de Rithemsestraat (N662). In afbeelding 1 staat de wegenstructuur van het gebied weergegeven.

Afbeelding 1: toekomstige wegenstructuur en ontsluitingsroutes

1/6

Uit het “Stikstofdepositie-onderzoek Stadslandgoed Nieuwerve” (kenmerk R001-1281828BRA-V01) zijn de volgende gegevens beschikbaar voor planjaar 2027: • Justitieel complex: 514.522 voertuigbewegingen per jaar. • Uitbreiding bedrijventerrein Poortersweg: 480 voertuigbewegingen per etmaal door licht verkeer, 46,1 voertuigbewegingen per etmaal door middelzwaar verkeer en 66,4 voertuigbewegingen per etmaal door zwaar vrachtverkeer. • Stadslandgoed: 2500 voertuigbewegingen per etmaal, waarvan 90% licht verkeer, 5% middelzwaar verkeer en 5% zwaar vrachtverkeer. Een voertuigbeweging is een enkele rit. Voor het aantal voertuigbewegingen per richting moet het aantal voertuigbewegingen door twee worden gedeeld. Om te bepalen of het wegennet voldoende capaciteit heeft om deze ontwikkelingen op te vangen is de maatgevende periode van belang. Dit zijn de ochtendspits en avondspits op een werkdag. Om te komen van etmaalintensiteiten of jaarintensiteiten naar een werkdagspits zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Voor het justitieel complex is een uitgebreide verkeersgeneratieberekening beschikbaar (bijlage 1 uit het stikstofdepositie-onderzoek) met onderscheid in werkdagen en weekenddagen. Op basis hiervan is teruggerekend van jaarintensiteiten naar werkdagintensiteiten (jaarintensiteit gedeeld door 260 werkdagen).

• Voor de uitbreiding van bedrijventerrein Poortersweg en de realisatie van het Stadslandgoed zijn de etmaalintensiteiten vermenigvuldigd met 1,33 (conform tabel A8 uit de CROW-publicatie Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). In tabel 1 staat per ontwikkeling het berekende aantal voertuigbewegingen per werkdagetmaal. Tabel 1 – aantal voertuigbewegingen per werkdagetmaal ruimtelijke ontwikkelingen (totaal afgerond op gehele getallen)

Ontwikkeling

Licht verkeer

Middelzwaar verkeer

Zwaar vrachtverkeer

Justitieel Complex Vlissingen

1627,5

68,5

0,1

Uitbreiding bedrijventerrein Poortersweg Realisatie Stadslandgoed

638,4

61,3

88,3

2992,5

166,3

166,3

Totaal

5258

296

255

Aangenomen is dat 10% van de verkeersgeneratie plaatsvindt in het drukste spitsuur (zowel in de ochtendspits als in de avondspits). In tabel 2 staat per ontsluitingsroute de spitsuurintensiteit als gevolg van deze drie ontwikkelingen. Tabel 2 – verkeersgeneratie drukste spitsuur per richting als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen (afgerond op hele voertuigen)

Ontsluitingsroute

Licht verkeer Middelzwaar verkeer

Zwaar vrachtverkeer Totaal

Marie Curieweg

12

1

0

13

Oostelijke Bermweg

251

14

13

268

2/6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12902824/1