5.6 rvs Vaststelling bestemmingsplan Stadslandgoed Nieuwerve Vlissingen bijlage 2 bestemmingsplan
Tekst van het document
Het stadslandgoed heeft een groen-blauwe hoofdstructuur, deze groen-blauwe structuur zorgt voor een ruime landschappelijke inpassing van het JCV. De zuidkant van de Havenweg zal bestaan uit proefvelden, opslagruimte en laboratoria gericht op onder meer klimaatadaptatie en energietransitie. Daarnaast is er ruimte voor vrijetijdsfuncties, verblijfsrecreatie en openluchtrecreatie. Het gebied heeft een groene basis waarin slechts 20% bebouwing mogelijk is. Het is een gebied waar geen grote groepen mensen (langdurig) zullen verblijven. Vluchtroutes zijn aanwezig in noordelijke en oostelijke richting, van het water af. Beperkte verantwoording groepsrisico In de 'Risico-inventarisatie en verantwoording van het groepsrisico' opgesteld 18 januari 2021 is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld en zijn mogelijke maatregelen als tijdige alarmering, expliciete communicatie vooraf en het realiseren van vluchtroutes van de risicobron af voorgesteld. De Risico-inventarisatie en verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 8. Conclusie Er liggen verschillende risicovolle bronnen in de omgeving van het plangebied, waaronder de transportroute over de Westerschelde. Uit bestaande gegevens en onderzoeken valt op te maken dat deze geen onaanvaardbare risico's voor het plangebied vormen. Verder ligt het invloedsgebied voor Van Citters Beheer over het plangebied.
Er is hiervoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld waaruit blijkt dat er met de nodige voorzorgsmaatregelen sprake is van een aanvaardbaar risico. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Veiligheidsregio Zeeland heeft in het kader van het vooroverleg advies gegeven door ruimtelijke en bouwtechnische maatregelen die getroffen kunnen worden. Met betrekking tot het opstijgen en landen van de helikopter is in paragraaf 4.13 geconcludeerd dat de 10-6-risicocontour is gelegen binnen het terrein van het JCV (zie ook bijlage 6). Er is dan ook geen sprake van relevant risico voor de omgeving. Binnen het plangebied worden daarnaast geen BEVI-inrichtingen toegestaan.
4.14 Ecologie Toetsingskader
58/1064
Wet natuurbescherming (Wnb) Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en; 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Zeeland heten deze gebieden dan ook NNZ (Natuurnetwerk Zeeland). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten
59/1064
(hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ligt op circa 150 m en betreft Westerschelde & Saeftinghe. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van ongeveer 700 m (figuur 4.14.2).
60/1064
4.14.1 Ligging plangebied ten aanzien van Natura 2000-gebieden (bron:AERIUS Calculator)
Figuur 4.14.2 Ligging plangebied ten aanzien van NNN (Provincie Zeeland) Wel ligt het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe op dusdanig geringe afstand (circa 150 m) dat externe effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. In dit kader is een voortoets opgesteld (bijlage
61/1064
10). Hieronder is per aspect uitgewerkt welke effecten te verwachten zijn en of er maatregelen nodig zijn om significant negatieve effecten uit te kunnen sluiten. Oppervlakteverlies Het plangebied maakt geen deel uit van het Natura 2000-gebied, maar voorziet in de huidige situatie wel in functies voor de doelsoorten. Voor de kuifeend verdwijnen met het plan hoogwatervluchtplaatsen voor maximaal 20 exemplaren. Gezien de staat van instandhouding en gunstige populatietrend is dit geen significant negatief effect. Voor de bruine kiekendief gaat een deel foerageergebied verloren. Ook voor deze soort komen de instandhoudingsdoelen niet in het geding als gevolg van de ontwikkeling. Er worden dan ook geen significant negatieve effecten verwacht. Verstoring Geconcludeerd is dat verstoring door helikoptervluchten incidenteel zal voorkomen, maar niet zal leiden tot significante effecten op de instandhoudingsdoelen van het aangrenzende Natura 2000-gebied. Daarbij gelden de volgende overwegingen. Langs deze noordoever van de Westerschelde is reeds veel dagelijkse verstoring aanwezig in de vorm van windturbines achter de dijk, fietsers, wandelaars en honden onderaan de dijk, havenactiviteiten aan de westzijde en scheepvaartbewegingen naar en van deze haven. Het JCV genereert gemiddeld slechts 6 vliegbewegingen per maand die mogelijk deels over het Natura 2000-gebied zullen voeren.
Uitgaande van een helikoptersnelheid van 200 km/uur (ca 3,3 km/minuut) duurt de lokale verstoring van vogels door een passerende helikopter minder dan een minuut. Bij onderzoek naar het verstorende effect van helikopters bij Maritiem Vliegkamp De Kooy, op korte afstand van de Waddenzee, is gebleken dat opvliegende vogels in de meeste gevallen 1-3 minuten in de lucht blijven. Uit een vergelijking van de energetische kosten die gemoeid zijn met extra vliegen als gevolg van passages van 5 helikopters (10-15 minuten extra vliegen) voor rosse grutto's en kanoeten en de snelheid waarmee door deze soorten voedsel kan worden opgenomen, blijkt dat de extra vliegtijd kan worden gecompenseerd in 10-15 minuten foerageertijd. Bij de beoogde 6 vliegbewegingen per maand vanuit het JCV is deze verstoring en de benodigde compensatietijd derhalve verwaarloosbaar klein (circa 15 minuten per maand). Meer dan geringe optische verstoring als gevolg van werkzaamheden, gebruik of helikoptervluchten is vanwege de omringing van de zeedijk, hoge begroeiing en reeds gevestigde windturbines niet te verwachten. Significant negatieve effecten zijn uitgesloten. Met de aanleg is het van belang dat er gebruik wordt gemaakt van geluidsarme heitechnieken zodat de relevante 47 dB(A)-contour niet over het Natura 2000-gebied valt.
Voor andere werkzaamheden zal het geluidsniveau beperkter blijven en helpt het dat de zeedijk een afscherming vormt. Geluidsarme heitechnieken in acht nemend, kunnen significant negatieve effecten als gevolg van verstoring door geluid worden uitgesloten. Met betrekking tot verstoring als gevolg van licht is het nodig dat er maatregelen worden genomen zoals speciale verlichting (rood-arm licht en speciale armaturen). Daarmee kan worden uitgesloten dat er extra verstoring plaatsvindt ten aanzien van de referentiesituatie en dat er negatieve effecten optreden voor
62/1064
instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Westerschelde en Saeftinghe. Vermesting en verzuring Als gevolg van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in de omgeving kan vermesting en/of verzuring een bedreiging zijn voor de instandhoudingsdoelen van deze gebieden. De stikstofdepositie die als gevolg van de ontwikkelruimte die het bestemmingsplan biedt kan ontstaan, is door Tauw berekend met AERIUS Calculator (bijlage 9, Tauw, 2023). Daarbij is zowel de stikstofdepositie in de aanleg- als in de gebruiksfase berekend. Resultaten Uit de berekeningen blijkt dat er een toename in stikstofdepositie ten gevolge van het plan kan optreden op de Natura 2000-gebieden Westerschelde & Saeftinghe en Manteling van Walcheren. Daarom is ervoor gekozen om mitigerende maatregelen in te zetten, namelijk externe saldering met een aantal dierplaatsen van een varkensbedrijf in Boudewijnskerke. Na het treffen van deze maatregel blijft er een beperkte toename in stikstofdepositie over voor een beperkte oppervlakte van enkele hexagonen van het Natura 2000- gebied Westerschelde & Saeftinghe. Uit de opgestelde passende beoordeling (bijlage 10) blijkt dat de depositie op deze hexagonen in de praktijk geen effect heeft op de beschermde natuurwaarden en daarmee op het behalen van de instandhoudingsdoelen.
Zekerheidshalve worden aanvullend twee agrarische percelen ten oosten van de Visodeweg aangekocht met het oog op de saldering van de stikstofdepositie die als gevolg van het bestemmingsplan Stadslandgoed Nieuwerve kan ontstaan. Ook hier gaat het om externe saldering. De bemesting van deze gronden is ook zelfstandig voldoende om de stikstofdepositie als gevolg van het Stadslandgoed te salderen. Ook in deze salderingsoptie blijft een beperkte stikstofdepositie op een beperkte oppervlakte binnen enkele hexagonen in het Natura 2000-gebied Westerschelde en Saeftinghe over. Ook hiervoor geldt de ecologische onderbouwing uit de passende beoordeling. Met inachtneming van de aangegeven maatregelen treden geen negatieve effecten op voor beschermde natuurwaarden in de omgeving. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee wordt gewaarborgd dat aanleg en gebruik van het Stadslandgoed slechts mag plaatsvinden als voldoende stikstofdepositie van de saldogevende activiteiten daadwerkelijk is beëindigd en de bijbehorende toestemmingen zijn ingetrokken. In het plangebied zijn bovendien de agrarische percelen ten oosten van de Visodeweg opgenomen.
Voor deze gronden is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee - als deze gronden worden ingezet ten behoeve van externe saldering van de stikstofdepositie als gevolg van het bestemmingsplan Stadslandgoed - de bemesting ook planologisch kan worden geëlimineerd. Soortbescherming Om te onderzoeken of zich beschermde soorten (flora en fauna) in het plangebied bevinden waarop de ontwikkeling mogelijk een negatief effect kan hebben, is een quickscan ecologie gedaan (bijlage 11). Uit de quickscan is gebleken dat het projectgebied mogelijk functies herbergt voor amfibieën, broedvogels met jaarrond beschermde nesten, flora, grote vos, haas, konijn, kleine marterachtigen en steenmarter, vleermuizen en de waterspitsmuis. Naar de functie van het plangebied voor deze soorten is nader onderzoek verricht (bijlage 12). Binnen het projectgebied is een nestlocatie van de buizerd en een roestplaats van de kerkuil vastgesteld. In
63/1064
het projectgebied zijn minimaal 20 verblijfplaatsen van de haas te verwachten en is een verblijfplaats van het konijn vastgesteld. Ook zijn een verblijfplaats van de bunzing, twee verblijfplaatsen van de steenmarter en drie verblijfplaatsen van de wezel te verwachten. Tot slot is er een vliegroute van de gewone dwergvleermuis vastgesteld binnen het projectgebied. Tijdens het onderzoek zijn geen individuen of beschermde functies aangetroffen van de alpenwatersalamander, rugstreeppad, grote vos en de waterspitsmuis in het projectgebied. Er zijn tevens geen exemplaren aangetroffen van de bokkenorchis, glad biggenkruid, grote leeuwenklauw en de stijve wolfs . De nestlocatie van de buizerd, de roestplaats van de kerkuil, de verblijfplaatsen van de bunzing, haas, konijn en de steenmarter en de vliegroute van de gewone dwergvleermuis kunnen tijdens de werkzaamheden worden aangetast en vernield. Daarnaast kunnen individuen worden verstoord en gedood gedurende de geplande ontwikkeling. Het is noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen voor de verbodsbepalingen uit artikel 3.1, 3.5 en 3.10, indien de aanwezige, beschermde functies door de werkzaamheden worden aangetast. Dit zal dan ook gedaan worden indien de werkzaamheden daar aanleiding toe geven.
Daarnaast wordt aanbevolen kolonisatie van het projectgebied door de rugstreeppad te voorkomen, en werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Ook wordt aanbevolen geen nachtelijke verlichting te gebruiken om vleermuizen niet te verstoren. Doordat 30% van het stadslandgoed een groene functie krijgt, is afdoende ruimte beschikbaar voor eventuele mitigerende maatregelen. Daarmee is het bestemmingsplan voor het onderwerp soortenbescherming op basis van de Wnb uitvoerbaar. Conclusie Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden. Versnippering als gevolg van de ontwikkeling is daarmee uitgesloten. Verontreiniging of verdroging kunnen gezien de aard van de ontwikkeling ook op voorhand worden uitgesloten. Om de andere aspecten te onderzoeken is een voortoets opgesteld.
Hieruit blijkt dat: significant negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies voor doelsoorten uitgesloten kunnen worden; verstoring als gevolg van helikoptervluchten niet tot significant negatieve effecten zal leiden, voorbehoudend de in de tekst opgenomen overwegingen; verstoring als gevolg van licht voorkomen kan worden door het treffen van enkele maatregelen; optische verstoring niet te verwachten is; verstoring als gevolg van geluid tijdens de aanlegfase significant kan zijn, maar voorkomen kan worden door geluidsarme heitechnieken toe te passen; er geen sprake zal zijn van negatieve effecten als gevolg van vermesting of verzuring. Het is noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen voor de verbodsbepalingen uit artikel 3.1, 3.5 en 3.10, indien de aanwezige, beschermde functies van de hiervoor genoemde soorten door de werkzaamheden worden aangetast. Op voorhand kan worden aangenomen dat een dergelijke ontheffing kan
64/1064
worden verleend. Daarmee is de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op dit onderdeel voldoende onderbouwd.
4.15 Leidingen en kabels Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied is een gasleiding en hoogspanningsleiding aanwezig ter plaatse van de Visodeweg. Verder is een rioolpersleiding aanwezig binnen het plangebied. Rioolpersleiding Door het plangebied (langs de Visodeweg en de Havenweg) loopt een rioolpersleiding. Voor deze leiding geldt een zakelijk rechtstrook van 5 m aan weerszijden van de leiding. Binnen deze strook is in beginsel geen bebouwing anders dan ten behoeve van de leiding toegestaan. Deze persrioolleiding wordt naar aanleiding van de nieuwe inrichting van het gebied verplaatst naar een tracé elders aan de oostzijde van het plangebied. Om de realisatie van de nieuwe rioolpersleiding mogelijk te maken, zal een brede zone worden voorzien van een dubbelbestemming, die realisatie van de leiding mogelijk maakt en die voorts dient ter bescherming van het leidingbelang Hogedrukaardgasleiding De hogedrukaardgasleiding loopt in de noordrand van het gebied Buitenhaven (zie ook paragraaf externe veiligheid). Deze leiding bevindt zich aan de noordrand van het plangebied ter plaatse van de nieuwe aansluiting van de Visodeweg op de Marie Curieweg. Ook deze leiding heeft een zakelijk rechtstrook van 5 m aan weerszijden van de leiding.
Er zal contact opgenomen worden met de leidingbeheerder voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden. Hiervoor zal een vergunning aangevraagd worden. Hoogspanningsverbinding Voor een onbelemmerde bedrijfsvoering dient een zakelijk rechtstrook van 2 x 30 m breed te worden aangehouden, gemeten vanuit het hart van de bovengrondse leiding. De indicatieve zone bedraagt 80 m aan weerszijden. Deze hoogspanningsverbinding bevindt zich over het noordelijk deel van de te verbreden Visodeweg en vormt geen directe belemmering voor de beoogde werkzaamheden. Overige leidingen In het kader van toekomstige bouwactiviteiten zal tenminste drie werkdagen voor de aanvang van graafwerkzaamheden door degene die de graafwerkzaamheden uitvoert contact moeten worden opgenomen met het KLIC1, waarbij dient te worden gemeld waar en wanneer wordt gegraven. Conclusie en randvoorwaarden In het plangebied dient rekening te worden gehouden met de zakelijkrecht stroken van de aanwezige leidingen. Bij bouwactiviteiten is een KLIC-melding noodzakelijk.
65/1064
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Wettelijk kader
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de gemeentelijke standaardregels voor de bestemmingsplannen zijn van belang voor bestemmingsplannen.
5.2
Opzet van de bestemmingsregeling
5.2.1 Verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. Op de analoge verbeelding worden de bestemmingen door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'M' voor 'Maatschappelijk'. Met aanduidingen kan het gebruik nader worden gespecificeerd en het bouwen worden gereguleerd. 5.2.2 Regels Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde. In hoofdstuk 1 (Inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. In hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven.
Hoofdstuk 3 (Algemene regels) bevat een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing). Hoofdstuk 4 (Overgangs- en slotregels) ten slotte bevat het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Ook bij de opstelling van een bestemming (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
66/1064
Voorts is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling. Tot slot dienen de regels zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels van andere bestemmingsplannen binnen de gemeente Vlissingen. 5.2.3 Gehanteerde bestemmingen Artikel 3 Agrarisch met waarden Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de agrarische gronden ten oosten van de Visodeweg. Binnen deze bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee de agrarische bestemming gewijzigd kan worden in de bestemming Groen of natuur, danwel waarmee een aanduiding kan worden opgenomen om bemesting van de gronden wordt verboden. Als gebruik wordt gemaakt van saldering van de stikstofdepositie door de aangekochte agrarische gronden bemestingvrij te maken of uit productie te nemen, zullen deze maatregelen worden geborgd door gebruikmaking van deze wijzigingsbevoegdheid. Artikel 4 Bedrijf Deze bestemming is geprojecteerd op de gronden voor de beoogde afronding van het bedrijventerrein Poortersweg. De belangrijkste bouwregels betreffen een bebouwingspercentage van 75%, een bouwhoogte van 7 m, een minimale afstand van de gebouwen tot de openbare weg (5 m) en een minimale afstand van de gebouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen (3 m).
Aan deze bestemming is een Staat van Bedrijfsactiviteiten gekoppeld (zie bijlage 14 voor een toelichting op deze Staat). Overeenkomstig de milieuzonering zijn bedrijven t/m categorie 3.2 rechtstreeks toegelaten. Een afwijkingsregeling is opgenomen voor bedrijven, die voorkomen in twee categorieën hoger dan de staat aangeeft en voor bedrijven, die niet in de staat voorkomen. Voor beide afwijkingsbevoegdheden geldt, dat de milieubelasting qua aard en omvang vergelijkbaar moet zijn met de rechtstreeks toegelaten bedrijven. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de realisatie van een landschappelijke inpassing binnen de bestemming ' Groen' en ten behoeve van voldoende waterberging. De opslag van materialen, goederen en stoffen is niet toegestaan vóór de voorgevels van de bedrijfsgebouwen. Artikel 5 Gemengd - Stadslandgoed De gronden ten zuiden van de Havenweg en ten westen van het JCV zijn bestemd met bestemming 'Gemengd Stadslandgoed'.
Hierbinnen zijn naast de bescherming en ontwikkeling van een robuuste groen- en waterstructuur, bestaande uit opgaande beplanting, water en open graslandvegetaties de volgende functies toegestaan: dagrecreatie; horeca t/m categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten (zie bijlage 13 voor een toelichting op deze Staat); voorzieningen gericht op cultuur in de buitenlucht; maatschappelijke voorzieningen en commerciële instellingen gericht op de thema's waterhuishouding, duurzame voedselproductie, energie en klimaat; kennis- en onderzoeksinstellingen, laboratoria;
67/1064
proefvelden; kinderboerderij; grondgebonden agrarisch gebruik, met dien verstande het aanwenden van dierlijke mest en/of kunstmest en veehouderij niet zijn toegestaan volkstuinen ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - 2' en 'overige zone 3'; verblijfsrecreatie ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' . Wegen, paden, water en groenstructuren, maar ook parkeervoorzieningen passen binnen deze bestemming. Binnen deze bestemming is een flexibele indeling mogelijk. Een aantal elementen is vastgelegd. Zoals de laanbeplanting langs de Havenweg en een invulling met minimaal 30% robuuste groen en waterstructuur. Binnen deze groene invulling is extensieve dagrecreatie toegestaan. Daarnaast is er maximaal 20% bebouwing per bouwperceel met een maximale hoogte van 7 m toegestaan oplopend in zuidelijke richting naar 10 m (met afwijkingsmogelijkheid naar 12m). Voor de bouwhoogte van overige bouwwerken zijn de volgende aanduidingen met maximale hoogtes opgenomen: 1. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - 1': 7 m; 2. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - 2': 15 m, met dien verstande dat de hoogte van vrijstaande windturbines ten hoogste 21 m bedraagt; 3.
ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - 3': 20 m; In het landschapsplan op hoofdlijnen (bijlage 1) zijn voorwaarden opgenomen voor de landschappelijke inpassing en de robuuste groen en waterstructuur. Artikel 6 Groen De bestemming Groen wordt gehanteerd voor de landschappelijke inpassing van het JCV en het bedrijventerrein. De bestemming is vooral bedoeld voor (opgaande) beplanting. Daarnaast zijn daarbij behorende (lees: ondergeschikte) functies toegestaan, zoals bijvoorbeeld ontsluitingswegen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze bestemming mogen vrijwel uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd met een bouwhoogte van 3 m. Ten behoeve van de nodige kavelruil voor de nieuwe ontsluiting van de agrarische percelen ten oosten van de Visodeweg is mogelijk compensatiegrond nodig, ter plaatse van de bestemming 'Groen', waarmee aan de noordzijde van het JCV, ten oosten van de Visodeweg wordt voorzien in de benodigde landschappelijke inpassing. Als deze gronden agrarisch gebruikt worden, zal de landschappelijke inpassing ter plaatse van de bestemming Maatschappelijk moeten worden gerealiseerd. Daartoe is een regeling opgenomen, gekoppeld aan de aanduiding 'agrarisch' binnen de bestemming Groen de aanduiding 'groen' binnen de bestemming Maatschappelijk.
Artikel 7 Maatschappelijk De gronden voor het JCV hebben de bestemming 'Maatschappelijk' met de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - JVC'. Hier zijn een justitieel complex, groen, water en verkeer- en parkeervoorzieningen
68/1064
toegestaan. De gronden zijn flexibel in te richten. Voor het gebruik is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de realisatie van een landschappelijke inpassing binnen de bestemming Groen en ten behoeve van voldoende waterberging. Daarnaast zijn bebouwingspercentages (50%) en maximale bouwhoogtes aangegeven. Artikel 8 Recreatie Voor de gronden aan de Deinsvlietweg ten westen van het volkstuinencomplex is de huidige bestemming Recreatie overgenomen, inclusief de daarvoor geldende wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming Agrarisch met waarden. Artikel 9 Verkeer De Oostelijke Bermweg en Visodeweg hebben de bestemming Verkeer. De benodigde verbreding van de Visodeweg is hierin meegenomen. Binnen deze bestemming zijn de gebruikelijke verkeersfuncties met daarnaast bijbehorende groen- en speelvoorzieningen en water toegestaan. Artikel 11 Leiding - Gas De zakelijk rechtstrook van de in het plangebied voorkomende aardgastransportleiding bedraagt 2 x 4 m uit het hart van de leiding. Deze gronden hebben deze dubbelbestemming verkregen. Op grond van de regels behorend bij deze bestemming mag uitsluitend worden gebouwd na instemming van de leidingbeheerder (Nederlandse Gasunie). Artikel 12 Leiding - Hoogspanningsverbinding De zakelijk rechtstrook van de in het plangebied voorkomende hoogspanningsverbinding bedraagt 2 x 30 m uit het hart van de verbinding.
Deze gronden hebben deze dubbelbestemming verkregen. Op grond van de regels behorend bij deze bestemming mag uitsluitend worden gebouwd na instemming van de leidingbeheerder, die aan deze instemming (veiligheids)voorschriften kan verbinden (TenneT). Artikel 13 Leiding - Riool Gronden met deze bestemming zijn mede bestemd voor een strook ten behoeve van een rioolleiding. Op grond van de regels behorend bij deze bestemming mag uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Artikel 14 Waarde - Archeologie 1 Artikel 14geeft de bestemmingsomschrijving, bouwregels, afwijkingsmogelijkheden en specifieke gebruiksregels voor de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. In deze gebieden is op grond van eerder onderzoek geconstateerd dat er archeologische waarden aanwezig zijn. Deze dubbelbestemming geldt voor de waardevolle archeologische vindplaatsen zoals beschreven in het selectiebesluit: Marinierskazerne Vlissingen selectiebesluit met vindplaatsenkaart.
Voorwaarden uit dit selectiebesluit zijn opgenomen in bijlage 4 van de regels en maken onderdeel uit van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'.
69/1064
Artikel 15 Waarde - Archeologie 2 Artikel 15geeft de bestemmingsomschrijving, bouwregels, afwijkingsmogelijkheden en specifieke gebruiksregels voor de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Het grote verschil met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' is dat er in dit gebied archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, maar dat daar geen zekerheid over bestaat. Dit vraagt met name bij graafwerkzaamheden om extra aandacht. Artikel 16 Waterstaat Artikel 16 geeft de bestemmingsomschrijving, bouwregels, afwijkingsmogelijkheden en specifieke gebruiksregels voor de dubbelbestemming 'Waterstaat'. Deze zone ligt langs de primaire waterkering aan de westzijde van het plangebied en dient ter bescherming van de waterstaatsfunctie. In deze zone mag zeer beperkt worden gebouwd. De voor 'Waterstaat' aangewezen gronden zijn, mede bestemd voor: a. beschermingszone van een primaire waterkering; b. waterberging of waterloop met een waterhuishoudkundige of waterstaatkundige functie; c. voet- en rijwielpaden; d. andere voorzieningen dan genoemd onder a en b met een waterstaatkundige functie; e. nutsvoorzieningen; f. wiekoverslag van windturbines.
5.2.4 Algemene regels Artikel 17 Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld in geval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deel erf kan worden betrokken. Artikel 18 Algemene bouwregels Dit artikel bevat één lid. Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. Artikel 19 Algemene aanduidingsregels Het gehele plangebied is gelegen in de geluidszone van het gezoneerd industrieterrein 'Buitenhaven'. Hiervoor is de aanduiding 'geluidszone - industrie' opgenomen. Slechts onder voorwaarden zijn op deze locaties geluidsgevoelige functies toegestaan. Voor de vrijwaringszone langs de dijk bij de Oostelijke Bermweg is een vrijwaringszone opgenomen waarbinnen opslag en bewerking van explosiegevaarlijk materiaal niet is toegestaan. Artikel 20 Algemene afwijkingsregels Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen.
70/1064
Artikel 21 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2' te verwijderen, te wijzigen of het bestemmingsvalk van vorm te veranderen. Artikel 22 Algemene gebruiksregels In dit artikel is het strijdig gebruik vermeld. Tevens is hier een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van het realiseren van voldoende parkeergelegenheid. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de externe saldering van de stikstofdepositie van het Stadslandgoed Nieuwerve juridisch te borgen. 5.2.5 Overgangs- en slotbepalingen In Artikel 23 Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. Artikel 24 bevat de slotregel van het bestemmingsplan.
71/1064
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1 Voorontwerpbestemmingsplan In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de diverse overleginstanties. Daarnaast is het voorontwerp gedurende de ter inzage legging aan eenieder ter inspraak aangeboden. De ingediende reacties zijn opgenomen in een Antwoordnota (bijlage 15). 6.1.2 Vaststellingsprocedure Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden(op grond van artikel 3.8, lid 1, Wet ruimtelijke ordening). Tijdens deze periode heeft iedereen de mogelijkheid een zienswijze kenbaar te maken. Na de zienswijzeprocedure is de raad bevoegd tot vaststelling van het bestemmingsplan. 6.1.3 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan geldt na publicatie een beroepstermijn van 6 weken. Het bestemmingsplan wordt hiervoor weer ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling daarvan is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of een omgevingsvergunning met afwijking. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² bvo of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bvo bedraagt;
72/1064
de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bvo. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. Tussen de gemeente en het Rijk wordt voor de ontwikkeling van het JCV het kostenverhaal anderszins verzekerd door middel van een nog te sluiten anterieure overeenkomst. Een exploitatieplan zal om deze reden niet noodzakelijk zijn. Voor de benodigde middelen voor de realisatie van het JCV zijn voldoende middelen gereserveerd. Gronden ten behoeve van de ontwikkeling van het overige gedeelte van Stadslandgoed Nieuwerve worden beschikbaar gesteld door gemeente Vlissingen, provincie Zeeland. Ook hiervoor is een anterieure overeenkomst in voorbereiding.
73/1064
74/1064
Bijlagen toelichting
75/1064
76/1064
Bijlage 1
77/1064
Mer-beoordelingsnotitie
M.E.R.-BEOORDELING BP Stadslandgoed Vlissingen 20 oktober 2022
1/19
DATUM KENMERK
20 oktober 2022 20210605.001
PROJECT PROJECTLEIDER
BP Stadslandgoed Vlissingen ir. C.A. Louws
OPDRACHTGEVER Gemeente Vlissingen PROJECTNUMMER 20210605 AUTEUR STATUS
2/19
Mink Enthoven Definitief
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
3.
4.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
4 5 5
Aanleiding Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in? Leeswijzer
Plaats en kenmerken van het project
6
2.1 2.2
6 10
Plaats van het project Kenmerken van het project
Milieueffecten
11
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10
11 11 11 12 13 14 15 15 18 18
Algemeen Verkeer en parkeren Geluid Geur Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bodem & Water Natuur Cultuurhistorie & Archeologie Mitigerende maatregelen
Conclusie
ONDERZOEKSRAPPORTEN (BIJLAGEN BESTEMMINGSPLAN):
• • •
• • •
3/19
19
Akoestisch onderzoek herinrichting Stadslandgoed Vlissingen, Tritium Advies, 13 september 2021, 2105/030/RV-01. Risico-inventarisatie en verantwoording van het groepsrisico, Sweco, 18 januari 2021, 375896. Geluidbelasting, externe veiligheid en vliegveiligheid vanwege vliegverkeer rond mogelijke helikopterlandingsplaats JCV Vlissingen, Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum, december 2021, 709533. Voortoets Natura 2000, Rho adviseurs, december 2021, 20210605. Stikstofdepositie-onderzoek Stadslandgoed Nieuwerve, TAUW, december 2021, 1281828. Quickscan Justitieel Complex en Stadslandgoed Vlissingen, Adviesbureau E.C.O. Logisch BV, 14 september 2021, RANA2133.
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
In 2019 is besloten dat de marinierskazerne definitief niet naar Vlissingen verhuist. Als compensatie hiervoor is een compensatiepakket opgesteld genaamd ‘Wind in de zeilen’. Onderdeel hiervan is dat er in plaats van de marinierskazerne een Justitieel Complex komt. In dat Justitieel Complex worden naast een penitentiaire inrichting ook andere onderdelen gepland, zoals een extra beveiligde inrichting, een hoog beveiligde zittingslocatie, een steunpunt voor de Dienst Vervoer & Ondersteuning en een beveiligde faciliteit waar rechters, officieren van justitie en advocaten kunnen werken en overnachten. Onderdeel van het Justitieel complex is teven het opstijgen en landen van een helikopter. Daarnaast wordt ruimte gecreëerd voor vrijetijdsfuncties die passen binnen het stadslandgoed zoals een natuurspeeltuin, een mountainbikeparcours, waterrecreatie (suppen, kanoën, e.d.), een openluchttheater en verblijfsrecreatie. Ook wordt in een landgoedachtige setting ruimte gereserveerd voor onderzoeksfaciliteiten die een relatie hebben met duurzaamheidsvraagstukken, zoals klimaatadaptatie, energietransitie en aan proefvelden voor duurzaam waterbeheer en duurzame voedselproductie in een landgoedachtige setting. Voor de inbedding van deze ontwikkelingen in een nieuw landschap is de visie ‘Visie Stadslandgoed Nieuwerve Vlissingen – een proeftuin in de Law Delta’ opgesteld (december 2020).
Daarmee is een eerste ruimtelijk kader geschetst voor het onderdeel stadslandgoed. Aanvullend op de aangegeven ontwikkelingen wordt ook uitbreiding van het bedrijventerrein Poortersweg met een oppervlakte van 5 ha mogelijk gemaakt, ter plaatse van het bestaande MOB-complex aan de Oostelijke Havenweg. De totale oppervlakte van het ontwikkelgebied van het Stadslandgoed Nieuwerve beslaat daarmee ongeveer 60 ha. De noordelijke helft hiervan is beoogd voor de uitbreiding van het bedrijventerrein en de realisatie van het JCV en de zuidelijke helft voor het stadslandgoed. Ter scheiding van de verschillende functies worden er veel groene randen aangelegd en krijgt het een stadslandgoed een krachtig groen karakter (30% groen functie). Om de beschreven ontwikkelingen planologisch mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan Stadslandgoed Nieuwerve Vlissingen opgesteld. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het Besluit milieueffectrapportage. In het Besluit milieueffectrapportage is in categorie D 11.2 opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen zoals opgenomen in tabel 1. De huidige planontwikkeling blijft onder de drempelwaarden voor deze categorie, waardoor er een vormvrij m.e.r-beoordeling moet worden uitgevoerd voor het bestemmingsplan.
Tabel 1 Stedelijk ontwikkelingsproject Besluit milieueffectrapportage Categorie D 11.2
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
De aanleg, wijziging of
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De structuurvisie,
De vaststelling van het
bedoeld in de
plan, bedoeld in artikel
artikelen 2.1, 2.2
3.6, eerste lid,
uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
4/19
en 2.3 van de Wet onderdelen a en b, van ruimtelijke
de Wet ruimtelijke
ordening, en het
ordening dan wel bij
plan, bedoeld in
het ontbreken daarvan
artikel 3.1, eerste
van het plan, bedoeld
lid, van die wet.
in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
D 6.1
De aanleg, inrichting of het In gevallen waarin de gebruik van een luchthaven activiteit betrekking heeft op een luchthaven als bedoeld in de Wet die: Luchtvaart. • De beschikking krijgt over een start- of
De structuurvisie,
Een luchthavenbesluit
bedoeld in de
als bedoeld in de Wet
artikelen 2.2 en
luchtvaart.
2.3 van de Wet ruimtelijke ordening.
landingsbaan met een lengte van 1.000 meter of meer of
•
Uitsluitend geschikt is voor het starten of landen van helikopters.
1.2
Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in?
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit dient het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) in een zo vroeg mogelijk stadium, maar in ieder geval voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan, een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Concreet betekent het m.e.r.-beoordelingsbesluit: een besluit over het al dan niet doorlopen van een mer-procedure in het kader van het bestemmingsplan Stadslandgoed Vlissingen. De voorliggende notitie vormt de basis voor dit m.e.r.beoordelingsbesluit. Bij het maken van het besluit moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: • de plaats van het project; • de kenmerken van het project; • de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria).
1.3
Leeswijzer
Deze aanmeldingsnotitie is als volgt opgebouwd: ● hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de plaats en kenmerken van het project; ● hoofdstuk 3 geeft inzicht in de verwachte milieueffecten; ● en in hoofdstuk 4 is de conclusie opgenomen. Ten behoeve van de analyse in hoofdstuk 3 is gebruik gemaakt van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan.
5/19
2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1
Plaats van het project
2.1.1 Locatie De locatie van de beoogde ontwikkeling ligt in het agrarisch gebied tussen de Buitenhaven van Vlissingen en Ritthem. Aan de westzijde grenst het plangebied aan het industrieterrein Buitenhaven. Aan de noordzijde wordt een groot deel van de plangrens door het bedrijventerrein Poortersweg gevormd, de resterende noordzijde van het plangebied grenst aan agrarische gronden. Aan de oostgrens vormen de Havenweg en de Zuidersluiswatergang de plangrens. Aan de zuidzijde ligt Rioolwaterzuiveringsinstallatie Walcheren, een gronddepot van het Waterschap en Fort de Ruyter. Voor de realisatie van het JCV is aanpassing van de Visodeweg en de Oostelijke Bermweg noodzakelijk. De Visodeweg, inclusief de nieuwe aansluiting op de Marie Curieweg, en de Havenweg maken daarom ook onderdeel uit van het plangebied. In figuur 2-1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 2-1 Ligging plangebied
2.1.2 Kwetsbaarheid en gevoeligheid van het gebied Bij de beoordeling van de effecten van het project op grond van de EEG-richtlijn vanwege de locatie van het project, zijn de kwetsbaarheid van het gebied en de eventuele aanwezigheid van gebieden met een beschermde status van belang. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen natuurgebieden en cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Van beschermde functies onder de Provinciale milieuverordening, zoals een stiltegebied of grondwaterbeschermingsgebied, is geen sprake (figuur 2-2).
6/19
Figuur 2-2 Ligging milieubeschermingsgebieden ten opzichte van planlocatie (globaal rood omcirkeld)
Natuurgebieden Het plangebied is geen onderdeel van een natuurgebied met een beschermde status. De afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’ bedraagt circa 150 meter (zie figuur 2-3). Gezien deze afstand zijn er wel effecten mogelijk. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 3.8.
Figuur 2-3 Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van planlocatie
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland ligt op ongeveer 700 meter (figuur 2-4). Gezien de afstand kunnen effecten op voorhand worden uitgesloten.
7/19
Figuur 2-3 Ligging Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van planlocatie
Cultuurhistorisch waardevolle gebieden Wat betreft archeologie is uit eerdere onderzoeken een aantal behoudenswaardige vindplaatsen voortgekomen. Het bevoegd gezag heeft besloten het gehele plangebied, uitgezonderd de vindplaatsen, vrij te stellen van verder archeologisch onderzoek. Voor het plangebied wordt voor deze vindplaatsen een archeologische dubbelbestemming opgenomen waardoor bij werkzaamheden groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm nader archeologisch onderzoek vereist is. Binnen het plangebied is volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland een aantal cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig (figuur 2-5). Enkele hiervan zijn feitelijk niet meer aanwezig, zoals de twee boerderijen aan de Havenweg aan de oostzijde van het plangebied (groene stippen in figuur 2-5). De aanwezige elementen ter hoogte van het plangebied worden overgenomen in het landschapsplan voor het Stadslandgoed en worden zo veel mogelijk behouden en ingebed in de beoogde ontwikkeling.
8/19
Figuur 2-4 Cultuurhistorische waardenkaart (roze stip = tankgracht, groene lijnen midden = landschapselementen Visodeweg en Havenweg, paarse lijn = cultuurhistorisch waardevolle waterkering en groene stippen = cultuurhistorische boerderijen).
9/19
2.2
Kenmerken van het project
In deze paragraaf worden de kenmerken van het project beschreven op basis van de informatie uit het bestemmingsplan. De ontwikkeling van het Stadslandgoed Nieuwerve Vlissingen bestaat uit verschillende deelontwikkelingen (zie ook figuur 2-6): De ontwikkeling van het Stadslandgoed zoals opgenomen in voorliggend bestemmingsplan bestaat dan ook uit de volgende deelontwikkelingen: ● de realisatie van het JCV (als onderdeel van het Stadslandgoed, in het noordoostelijk deel van het plangebied) realisatie van het JCV; ● de benodigde aanpassingen van de toeleidende infrastructuur (Visodeweg, Oostelijke Bermweg, Havenweg); ● maatschappelijke voorzieningen, proefvelden en bedrijvigheid op het gebied van duurzaamheidsvraagstukken zoals klimaatadaptatie, energietransitie, watermanagement en duurzame voedselproductie; ● leisurefuncties. Dit alles in een samenhangende landschappelijke inbedding en een landgoedachtige setting. Daarnaast bestaat het bestemmingsplan uit: ● de afronding van bedrijventerrein Poortersweg ter plaatse van het huidige MOB-complex en aangrenzende gronden;
Figuur 2-5 Verdeling deelontwikkelingen over plangebied
10/19
3. MILIEUEFFECTEN 3.1
Algemeen
In dit hoofdstuk worden de milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Als referentiesituatie voor de beoordeling van de effecten is de huidige, feitelijke (legale) situatie binnen het gebied genomen. Onderzoeken waar naar wordt verwezen zijn opgenomen als bijlagen bij het bestemmingsplan en de verwijzing hiernaar is ook opgenomen in de inhoudsopgave van deze rapportage. Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan de orde: verkeer, woon- en leefklimaat (geluid, geur, luchtkwaliteit, externe veiligheid), bodem en water, natuur, cultuurhistorie en archeologie. Ook wordt kort ingegaan op de milieugevolgen die samenhangen met de sloop- en bouwfase en de mogelijke cumulatie van milieugevolgen door ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving.
3.2
Verkeer en parkeren
3.2.1 Verkeer Ontsluiting van het Stadslandgoed zal plaatsvinden via de Visodeweg, de Oostelijke Bermweg en de Havenweg. De Oostelijke Bermweg (tussen de Poortersweg en de Havenweg), de Havenweg (tussen de Oostelijke Bermweg en de ontsluiting van het JCV) en de Visodeweg worden verbreed, waarbij twee rijstroken worden gerealiseerd, zodat verkeer in beide richtingen elkaar goed kan passeren. De Visodeweg wordt een weg voor bestemmingsverkeer naar het JCV, die niet toegankelijk wordt voor ander verkeer. De aansluitingen op de overige wegen in de omgeving worden afgesloten. Voor de ontsluiting van de aangrenzende agrarische percelen wordt een afzonderlijk kavelontsluitingspad gerealiseerd. Door het doortrekken van de Visodeweg naar de Marie Curieweg wordt een goede verkeersafwikkeling van en naar de A58 via deze route gewaarborgd. Met het oog op het extra verkeer richting het Stadslandgoed en het JCV wordt langs de Oostelijke Bermweg tussen de Poortersweg en de Havenweg en langs de Havenweg een vrij gelegen fietspad gerealiseerd. In de Havenweg wordt een knip aangebracht, waardoor snelverkeer niet van de Havenweg kan doorrijden langs de Zuidersluiswatergang. Daarmee krijgt de Havenweg ook uitsluitend een functie ten behoeve van de ontsluiting van het JCV en het Stadslandgoed.
Met deze ontsluitingsstructuur wordt een duurzaam veilige ontsluiting van het JCV en het Stadslandgoed gecreëerd. De uitbreiding van het bedrijventerrein Poortersweg ter plekke van het MOB-complex zal via de Oostelijke Bermweg worden ontsloten. De extra verkeersgeneratie van de uitbreiding kan worden opgevangen door de bestaande infrastructuur. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect verkeer zijn niet te verwachten. 3.2.2 Parkeren De parkeerbehoefte van het JCV zal op eigen terrein worden opgevangen, door de aanleg van parkeervoorzieningen aan de Havenweg (voor personeel en bezoekers) en elders op het terrein voor overige parkeerbehoefte. Voor het Stadslandgoed zal ten zuiden van de Havenweg door middel van openbare parkeerplaatsen en parkeerplaatsen bij de afzonderlijke functies in de parkeerbehoefte worden voorzien. De precieze uitwerking hiervan volgt nog. De openbare parkeerplaatsen zijn bedoeld voor het openbare gebruik van het stadslandgoed. Voor de diverse leisure-, onderzoeks- en bedrijfsfuncties zal op eigen terrein in de parkeerbehoefte moeten worden voorzien. Wat betreft de uitbreiding van het bedrijventerrein Poortersweg zal ook, zoals gebruikelijk op de gemeentelijke bedrijventerreinen, op eigen terrein in de parkeerbehoefte moeten worden voorzien. Dit is vastgelegd als een voorwaardelijke verplichting voor het ontvangen van een omgevingsvergunning.
Belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect parkeren zijn daarmee uitgesloten.
3.3
Geluid
Met de ontwikkeling worden geen geluidgevoelige objecten opgericht. Wel is de beoogde aansluiting van de Visodeweg op de Marie Curieweg een nieuwe weg en een wijziging van de weg. In dat kader is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai verricht (Tritium Advies, 2021), waaruit blijkt dat de geluidsbelasting als gevolg van de ontwikkeling op enkele huizen toeneemt, maar nergens boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB komt.
11/19
Door het JCV zal voor een deel van de transporten gebruik worden gemaakt van een helikopter. De politie mag op basis van hun bevoegdheid starten en landen met een helikopter ter plaatste. Uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is onderzoek gedaan naar een situatie met een helikopterlandingsplaats. Binnen de Regelgeving burgerluchthavens wordt de Lden (Level, Day, Evening, Night) geluidsindicator gehanteerd voor het bepalen van de geluidsbelasting. De Lden is een indicator voor de totale geluidsbelasting op jaarbasis, waarbij vliegtuigpassages in de avond, nacht en vroege ochtend zwaarder meetellen dan passages overdag. Bij een luchthavenregeling dient de 56 dB(A) Lden geluidscontour binnen het luchthavengebied te vallen. Om de geluidsbelasting te bepalen, is onderzoek verricht (het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum, 2021). Hieruit blijkt, gebaseerd op het te verwachten aantal vliegtuigbewegingen van maximaal 72 per jaar en de helikoptertypen (EC-135 en AW-139), dat de 56 dB(A) Lden geluidscontour binnen het totale terrein van de PI Vlissingen blijft. De 56 dB(A) Lden contour reikt tot maximaal 60 m vanaf de landplaats van de helikopter, in de hoofd start- en landingsrichting. Daarmee zijn belangrijke nadelige gevolgen voor geluid niet te verwachten. Een andere mogelijk relevante geluidsbron betreft industrielawaai.
Het plangebied bevindt zich in de geluidszone van het gezoneerde industrieterrein Buitenhaven. Binnen het plan worden onder andere een penitentiaire inrichting en verblijfsrecreatie mogelijk gemaakt. Ook al is de penitentiaire inrichting niet een geluidgevoelig object, toch is het wenselijk om aan de maximale binnenwaarde van 33 dB te voldoen ter plaatse van de beoogde cellen. De verwachting is dat met de voorgestelde stedenbouwkundige inrichting en bouwkundige uitvoering kan worden voldaan aan de gewenste binnenwaarde, mede vanwege hoge muren zonder grote ramen. Om voor de verblijfsrecreatie de geluidbelasting te bepalen zal nader onderzoek noodzakelijk zijn. Ook al is verblijfsrecreatie niet geluidgevoelig volgens de Wet geluidhinder is het wenselijk en vanuit jurisprudentie noodzakelijk dat er sprake is van een gezond akoestisch verblijfsklimaat.
3.4
Geur
Met het bestemmingsplan worden verblijfsfuncties mogelijk gemaakt. Deze zijn in de regel geurgevoelig. In de omgeving van het plangebied zijn twee relevante geurbronnen aanwezig; de rioolwaterzuivering ten zuiden en Vesta Terminals Flushing B.V. ten westen van het plangebied. Voor Vesta geldt dat er tijdens laden en lossen tijdelijk en incidenteel sprake kan zijn van geuremissies. Deze zullen gebaseerd op de analyse zoals uitgevoerd voor het vorige plan – de marinierskazerne - geen effecten hebben voor de beoogde ontwikkeling. Voor de rioolwaterzuivering zijn in 2012 geuremissieberekeningen uitgevoerd door RoyalHasKoningDHV, zie figuur 3-1. Hieruit blijkt dat de contour van 1,5 OU/m3 deels over het plangebied gelegen is (oranje contour).
12/19
Figuur 3-1 Geurcontouren RWZI Ritthem (bron: RHK)
Door de provincie Zeeland is geurbeleid vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 en is een handreiking geur opgesteld (vastgesteld d.d. 4 december 2007). Deze handreiking heeft geen status (het is een ambtelijke notitie) en heeft als doel handvaten te geven hoe om te gaan met het aspect geur. Op basis van deze handreiking wordt naast het aantal geureenheden per kubieke meter tevens de hedonische waarde bepaald, op basis waarvan de gemiddelde hinderlijkheid van een geur kan worden vastgesteld. De beleidslijn die in het omgevingsplan is vastgelegd, is dat geurgevoelige objecten niet mogen blootstaan aan een hedonische waarde van meer dan H -1 (licht onaangenaam). Buiten de H-1 contour is sprake van een acceptabel hinderniveau. Rondom de rioolwaterzuivering zijn OU-contouren bepaald. Een 2 OU-(ofwel 4 Ge)contour is gelijk aan de H-1 contour (licht onaangename geur). De nieuwe geurgevoelige objecten dienen buiten de 2 OU-contour te worden geplaatst om te kunnen spreken van een acceptabel hinderniveau (en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat). Voor zover de geurgevoelige objecten binnen deze contour vallen, dient dit nader te worden onderbouwd. Gezien het vroege projectstadium zijn exacte locaties van de geurgevoelige objecten nog onbekend.
Bij de nadere uitwerking en in ieder geval voorafgaand aan vergunningverlening dient een onderbouwing geleverd te worden wanneer de objecten binnen de 2 OU-contour komen te liggen.
3.5
Luchtkwaliteit
De ontwikkeling heeft waarschijnlijk alleen vanwege een toename van verkeersbewegingen mogelijk effecten op de luchtkwaliteit. Met een worst-case inschatting van het aantal verkeersbewegingen blijkt uit de NIBM-tool (figuur 3-2) dat sprake is van een toename aan luchtverontreinigende stoffen die mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan een wijziging van de mate van verontreinigende stoffen in de lucht. In de huidige situatie voldoen de achtergrondwaarden van verontreinigende
13/19
stoffen ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden. Met de komst van de ontwikkeling blijft de situatie in die zin gelijk dat de luchtkwaliteit goed is. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect luchtkwaliteit zijn daarmee uitgesloten.
Figuur 3-2 NIBM-tool worst-case inschatting
3.6
Externe veiligheid
Met het bestemmingsplan wordt de oprichting van een zeer kwetsbaar object mogelijk gemaakt - de gevangenis- en kwetsbare objecten; verblijfsfunctie JCV en verblijfsrecreatie-eenheden. Ook wordt een risicobron opgericht; de helikopterlandingsplaats. In de omgeving van het plangebied zijn verder verschillende risicobronnen aanwezig. Er vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de Westerschelde. In het kader van de planologische procedure voor de Marinierskazerne is hier al onderzoek (bijlage 2) naar gedaan, waaruit blijkt dat een toevoeging van een hoeveelheid gebruikers, vergelijkbaar met het Stadslandgoed, geen overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico tot gevolg heeft. Gezien over het gehele invloedsgebied van de transportroute is het aantal gebruikers dat toeneemt als gevolg van de ontwikkeling minimaal. Wel neemt de dichtheid aanzienlijk toe ten aanzien van de referentiesituatie. Omdat het risico echter ruimschoots onder de oriëntatiewaarde blijft wordt dit risico als aanvaardbaar beschouwd. Gezien de ligging binnen het invloedsgebied is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld (Sweco, 2021). Hieruit blijken de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid afdoende voor de locatie. Er liggen verder verschillende risicovolle inrichtingen met invloed op het plangebied in de omgeving.