CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.3 Rvs reactie artikel 12 rapport 2020 bijlage 1 rapport

Commissie Ruimte 25 november 2021, gemeente VlissingenBij agendapunt: Reactie artikel artikel 12 rapport 202051.513 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Dit team bestaat uit casus- en procesregisseurs, gespreksleiders, gedragswetenschappers en juridische specialisten. Het regieteam werkt samen met veiligheidshuis, gecertificeerde instellingen, reclassering, forensische zorg en OM/kinderrechters. Het doel hiervan is een kostenbesparing, zicht op de caseload, grip op uitgaven van individuele voorzieningen en een wettelijk vangnet alleen voor degenen waar het echt niet anders kan. Daarnaast worden de huidige verordeningen en beleidsregels aangepast met als doel gezamenlijke integrale juridische kaders voor de integrale Toegang. Uitgangspunt is het algemene deel van de verordening die nu gaat gelden voor Wmo en jeugd in 2021. De gemeente zal meer regels, taxatie-instrumenten en beoordelingscriteria moeten vaststellen en vastleggen in de beleidsregels (per product). Dit om de toegang en de inwoner meer houvast te geven bij de brede uitvraag, voor het beoordelen van de noodzaak en ten behoeve van het vaststellen van een eigen aandeel (wederkerigheid, indiceren). Bovendien zal ook moeten worden bezien in hoeverre de invloed en grip kan worden vergroot op die plekken waar de toegang tot de zorg ergens anders plaatsvindt en dus niet in eigen beheer kan worden genomen. Bijvoorbeeld via inzet praktijkondersteuners bij huisartsen. In tabel 4.2 wordt weergeven welke taakstelling hieraan gekoppeld is.

Hierbij is het uitgangspunt dat via deze maatregel en via de onder punt 1 beschreven maatregel een percentage van de in 2021 begrote uitgaven op het vlak van Wmo en jeugd wordt bezuinigd. In 2021 is dat 5%, in 2022 is dat 10% en vanaf 2023 is dat 15%. Tabel 4.2

Onderdeel Wmo * Jeugd** Totaal

Taakstelling maatregelen 1 en 2: ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie & inrichten lokale toegang (bedragen x € 1.000)

2020

0

2021 835 790 1.625

2022 1.700 1.600 3.300

2023 2.500 2.400 4.900

2024 2.500 2.400 4.900

* Percentage (2021: 5%, 2022: 10% en 2023-2024: 15%) van begrote uitgaven 2021 van € 16,7 miljoen ** Percentage (2021: 5%, 2022: 10% en 2023-2024: 15%) van begrote uitgaven 2021 van € 15,8 miljoen

41

3) Herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis Orionis Walcheren voert voor de gemeente Vlissingen, Middelburg en Veere taken uit met betrekking tot de Participatiewet, de schuldhulpverlening en het minimabeleid. Al geruime tijd is er bij Orionis Walcheren een structureel tekort. Gelet op deze tekorten is besloten tot het instellen van een onderzoek naar Orionis Walcheren. Ook de gemeenten Middelburg en Veere hebben zich bij het onderzoek aangesloten. In overleg met de artikel 12-inspecteur en de gemeenten zijn een aantal onderzoeksvragen geformuleerd die zijn opgenomen in het Plan van aanpak artikel 12. Het gehele onderzoeksproces met betrekking tot Orionis is gestart met een quick scan welke is uitgevoerd door onderzoeksbureau Adlasz. Het door Adlasz uitgebrachte onderzoeksrapport biedt veel aanknopingspunten voor de gemeenten om concreet mee aan de slag te gaan. De potentiële efficiencywinsten zijn substantieel te noemen. In bijlage 4.2 van het inspectierapport 2019 worden de belangrijkste uitkomsten van de quick scan Orionis beschreven. Mede op basis van de inzichten en verbeteradviezen uit de quick scan en research naar best practices, worden op het vlak van werk & inkomen een aantal maatregelen geïmplementeerd. Deze maatregelen zijn een uitwerking van de 10 acties zoals genoemde in bijlage 4.2 van het inspectierapport 2019.

Vanwege de integraliteit van het sociaal domein en werk & inkomen hebben deze maatregelen sterke raakvlakken met de maatregelen zoals beschreven onder de punten 1 en 2. De maatregelen zijn: a) Beleidsregie. De gemeente Vlissingen (en de andere deelnemende gemeenten) haalt de beleidsregie t.a.v. de Participatiewet, schuldhulpverlening en minimaregelingen actief terug naar de eigen gemeente. Het bepalen van de doelen, resultaten, (financiële) middelen en voorwaarden, met de bijbehorende sturing en informatie, behoort toe aan de gemeente. b) Integrale toegang. Ook op het vlak van werk & inkomen wordt een onafhankelijke, integrale toegang sociaal domein in de gemeentelijke organisatie ingericht, waarin ook de (toegangs-)taken tot werk/re-integratie, (bijstands-)uitkeringen, schuldhulpverlening, minimaregelingen en activiteiten gericht op maatschappelijke dienstverlening worden belegd. (Zie ook maatregel 2, integrale toegang.) Zo kan een inwoner met al zijn ondersteuningsvragen in het sociaal domein en werk & inkomen terecht bij één toegangsorganisatie. c) SW-infrastructuur. Om het rendement te verbeteren en de loonwaarde te verhogen wordt het bedrijfsconcept van het Werkleerbedrijf aangepast en de SW-infrastructuur versneld afgebouwd via transformatie van een productiegerichte omgeving naar een omgeving gericht op zoveel als mogelijk uitstroom/detacheren van de SW- en PWdoelgroep.

Onrendabele werksoorten worden gestopt of afgestoten. d) Re-integratiebudget. Door een gerichte sturing op en monitoring van (lokale) doelstellingen en inzet van middelen en instrumenten (o.b.v. werkladder) wordt het reintegratiebudget gericht en adequaat ingezet. In de quick scan van Adlasz wordt onder andere geconstateerd dat de volgende bezuinigingen voor Orionis mogelijk zijn: • Bij Orionis Walcheren een gemiddelde loonwaarde geconstateerd van slechts 12% bij het SW-bedrijf (% van het wettelijk minimumloon). Door voor de korte/middellange termijn op de bestaande infrastructuur toe te groeien naar het branchegemiddelde van een gemiddelde loonwaarde van 26% kan een structurele besparing worden gerealiseerd van circa € 2 miljoen. Volgens het onderzoeksbureau is dit streven een eerste stap naar een toekomstbestendige situatie. De doelstelling zou daarvoor gesteld moeten worden op het realiseren van een loonwaarde van gemiddeld 50%, hetgeen op de wat langere termijn een structurele efficiencyverbetering oplevert van circa € 5 miljoen. • Er is nog geen sprake van een integrale benadering van de doelgroep van de Participatiewet. Door de doelgroep in de Participatiewet integraal te benaderen en meer te sturen op het realiseren van loonwaarde zijn nog verdere besparingen mogelijk.

Enerzijds door ervoor te zorgen dat de direct bemiddelbare doelgroep op eigen kracht en tenminste binnen een jaar de uitkering weer verlaat en anderzijds door te sturen op

42

•

het realiseren van loonwaarde bij de overige doelgroepen via het instrument loonkostensubsidie. Met een potentiële besparing van circa € 1 miljoen structureel. Via rendementsverbetering op de bestaande werksoorten zou nog eens circa € 2 miljoen haalbaar moeten zijn.

In totaal dus een bezuiniging van € 8 miljoen voor Orionis als geheel. Via een verdiepend onderzoek (opdracht 3.1, bijlage 4.1) moeten op basis van de conclusies en aanbevelingen uit de quick scan van Adlasz concrete maatregelen worden geformuleerd zodat de bovenstaande bezuinigingen zo veel als mogelijk maximaal worden gerealiseerd. Op basis hiervan en vooruitlopend op het verdiepend onderzoek wordt echter met betrekking tot Orionis een te realiseren structurele taakstelling ingeboekt als aandeel van Vlissingen in de mogelijke bezuinigingen bij Orionis. Hierbij is rekening gehouden met de reeds gerealiseerde voordelen in de jaarrekening 2020 Orionis en eerste begrotingswijziging 2021 Orionis, inclusief meerjarenraming 2022-2024 (zie tabel 5.4, paragraaf 5.4). In onderstaande tabel 4.3 wordt dit weergegeven. Tabel 4.3

Taakstelling maatregel 3: Herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis (bedragen x € 1.000)

Onderdeel Beleidsregie Integrale toegang Sw-infrastructuur (rendement en loonwaarde) Re-integratiebudget (10% van het budget) Efficiency en kostenbeheersing (5% van de exploitatie) Totaal taakstelling

2020

2021 100 100 1000 290 360

2022 100 200 1500 290 360

2023 100 300 2000 290 360

2024 100 400 2500 290 360

0

1.850

2.450

3.050

3.650

-1.731

-921

-1.662

-2.269

119

1.529

1.388

1.381

Realisatie (Jaarrekening 2020 en Eerste begrotingswijziging 2021 Orionis) Totaal resterende taakstelling

0

4) Aanvullende maatregelen 2020

In het inspectierapport 2019 (paragraaf 4.5) is ook voor 2020 een ambitieniveau opgenomen voor de te realiseren bezuinigingen en de omvang van het resterende tekort sociaal domein en werk & inkomen. Over 2020 wordt uitgegaan van een gemeentelijke taakstelling van € 3,344 miljoen. Uitgangspunt daarbij was dat als het tekort oploopt ook de taakstelling moet stijgen om het resterend tekort niet te laten oplopen. Omdat de overig beschreven maatregelen in 2020 nog niet leiden tot concrete bezuinigingen dient deze taakstelling gerealiseerd te worden door het inzetten van restbudgetten en/of (nog) niet geactiveerde budgetten. In totaal is er een potentieel van € 3,87 miljoen aan in te zetten middelen voor sanering van het tekort sociaal domein en werk & inkomen in 2020. Voor 2020 betreft dit nog incidentele bedragen en maatregelen. Vanaf 2021 dienen de door Vlissingen te nemen maatregelen en bijbehorende bezuinigingen echter een structureel karakter te krijgen. Vlissingen heeft daarbij via O&O (Onvermijdelijk en Onuitstelbaar) voorgesteld dit bedrag als volgt in te zetten: a) € 2,763 miljoen in zetten voor verkleining van het tekort op het sociaal domein en werk & Inkomen, om grotendeels de in het inspectierapport 2019 opgenomen ambitie over 2020 te realiseren. b) € 1,107 miljoen in te zetten als dekking voor de projectbegroting 2021.

De beschreven maatregelen en veranderprojecten om de tekorten sociaal domein en werk & inkomen de komende jaren te saneren vergen extra capaciteit en expertise. Concreet bestaan de extra lasten uit lasten capaciteit uitvoerend projectteam, lasten adviesdiensten, lasten deelproject buurtteams, lasten deelproject integrale toegang en overhead. Om deze noodzakelijke investeringen te doen is het genoemde bedrag nodig en dient via

43

een budgetoverheveling naar 2021 gebracht te worden. Deze voorgestelde inzet is via O&O goedgekeurd door de inspecteur. Tabel 4.4 geeft een cijfermatig inzicht van de aanvullende maatregelen 2020. Tabel 4.4

Onderdeel

Taakstelling maatregel 4: Aanvullende bezuinigingen 2020 (bedragen x € 1.000)

2020

Decentralisatie-uitkering Maatschappelijke begeleiding statushouders Loon-prijscompensatie Centrumgemeente taken Loon-prijscompensatie Participatiewet Loon-prijscompensatie Wmo Decentralisatie-uitkering voor de meerkostenregeling Maatschappelijke opvang en Vrouwenopvang Niet ingezette deel TOZO-vergoeding voor uitvoeringskosten Aanvullend pakket re-integratie (compensatie corona) Bijzondere bijstand (compensatie corona) Beschermd Wonen (IU) Continuïteit van zorg (compensatie corona) Niet volledig benutte budgetten

36 1.540 262 33 1.103 250 196 17 146 12 275

Totaal beschikbare middelen

3.870

Inzet voor benodigde investeringen m.b.t. sanering tekorten vanaf 2021

-1.107

Totaal beschikbaar voor tekort sociaal domein en werk & inkomen 2020

2.763

5) Deelvoorstel ondersteuningsinfrastructuur: dagbesteding Deze maatregel betreft het aanbieden van dagbesteding van aanbieders op fysieke locaties in de wijken, die zonder indicatie opengesteld worden voor de inwoners. Hierbij worden de indicaties voor de Wmo afgeschaft. In eerste instantie voor de doelgroep ouderen en later ook voor andere doelgroepen. Hierbij wordt de dagbesteding goedkoper, breder en met minder administratieve lasten toegankelijk gemaakt. Door deze maatregel is een besparing te realiseren omdat de lasten per deelnemer dalen, de personeelslasten dalen en het aantal matwerkvoorzieningen daalt. Ook kunnen een aantal subsidies voor welzijnswerk worden herbezien. Er kunnen meer mensen geholpen worden voor minder geld. Ook met het oog op de toenemende vraag naar dagbesteding omdat mensen geacht worden steeds langer thuis te blijven wonen is dat een gunstige ontwikkeling. In totaal is de inschatting dat de te realiseren bezuiniging € 100.000 per jaar is. 6) Deelvoorstel ondersteuningsinfrastructuur: ambulantisering Het doel van deze maatregel is de instroom in beschermd wonen in een instelling te beperken en de uitstroom te bevorderen. Om dit te bewerkstelligen wordt een passend, integraal ondersteuningsaanbod gecreëerd in de wijk, zowel qua aard van productenaanbod als de wijze waarop dat aanbod is georganiseerd.

Vrijwilligers, onderwijs, werkgevers, zorg (ook in het voorliggend veld) en woningcorporaties worden hiervoor met elkaar verbonden. Concreet omvat dit aanbod het volgende: betaalbare, passende woningen die aansluiten bij de specifieke behoeften van de kwetsbare inwoner, flexibele ambulante begeleiding door zorgorganisaties, deskundig netwerk in de wijk, schuldhulpverlening en budgetbeheer, toegankelijk maken van algemene voorzieningen voor verschillende doelgroepen en een snelle interventiemethodiek na een melding van verward gedrag.

44

Het resultaat is een situatie waarin kwetsbare inwoners, ongeacht de aard van de kwetsbaarheid, (langer) in hun vertrouwde woonomgeving kunnen blijven en de kosten voor beschermd wonen in een instelling worden teruggedrongen. Als een inwoner in plaats van het product beschermd wonen all-inclusive het product intensieve begeleiding thuis (IBT) krijgt, wordt € 26.988 – € 44.580 per inwoner per jaar bespaard. Als een inwoner helemaal geen product beschermd wonen krijgt toegekend, wordt € 54.492 – € 72.084 per inwoner per jaar bespaard. Uitgaand van een succespercentage van 80% (acht van de tien inwoners krijgt óf IBT óf helemaal geen product beschermd wonen), wordt in de eerste fase minimaal € 215.904 en maximaal € 576.672 op jaarbasis bespaard. Voor nu wordt een taakstelling van € 250.000 per jaar ingeboekt vanaf 2021. 7) Aanvullende bezuinigingen vanaf 2021 Gezien de omvang van het tekort op het vlak van sociaal domein en werk & inkomen dienen er dan ook, naast de bezuinigingen van de maatregelen 1/m 6, op basis van de (overige) opdrachten van het PvA aanvullende bezuinigingen gerealiseerd te worden. Op het ogenblik vinden er nog onderzoeken plaats en wordt in kaart gebracht welke maatregelen er in gang kunnen worden gezet om tot de aanvullende bezuinigingen te komen. Ook moet er nog een doorrekening plaatsvinden welke bezuinigen te realiseren zijn.

Een eerste inventarisatie levert de volgende maatregelen op (niet uitputtend): • omzetten van huishoudelijke hulp naar een algemene voorziening; • korting op en geen indexering van diverse subsidies (€ 54.345); • verlaging van het tarief informele zorg; • nadere afspraken op inkoop en contractbeheer; • nieuwe aanbesteding, opzeggen huidige contract Wmo maatwerk; • bewust sturen op terugdringen fraude en handhaving; • inzetten op andere vormen van hulp in de huishouding; • check op wat inkomensafhankelijk gemaakt kan worden; • maximering aantal vergoede behandelingen voor vaktherapie; • controle gebruikersbestand en tariefsverhoging doelgroepenvervoer; • geen mantelzorgwaardering meer voor iedereen; • inzet naaste familie via minimumloon; • handhaven collectieve zorgverzekering gemeenten; • versoberen Wmo-hulpmiddelen; • begrenzing via nieuwe verordening Wmo en jeugd. De inschatting is dat er via de aanvullende bezuinigingen PvA circa € 2 miljoen per jaar is te realiseren vanaf 2021. Dit is dan ook vooralsnog het bedrag dat met ingang van 2021 wordt ingeboekt. Er dient echter verder in kaart te worden gebracht per opdracht en per de daar genoemde acties/onderzoeken wat werkelijk te realiseren is aan bezuinigingen.

8) Instellen budgetplafonds Gezien de in begroting 2021 gepresenteerde tekorten sociaal domein en werk & inkomen dient door Vlissingen een extra inspanning geleverd te worden om de tekorten te saneren. Dat betekent dat naast de overige in dit hoofdstuk in kaart gebrachte taakstellingen, waar eventueel ook een extra inspanning wordt gevergd, er bezien dient te worden in hoeverre via de inzet van budgetplafonds op onderdelen van het sociaal domein en werk & inkomen extra bezuinigingen te realiseren zijn. Naar het oordeel van de inspecteur kan een belangrijk deel van de benodigde bezuinigingen om het tekort sociaal domein en werk & inkomen te saneren, gerealiseerd worden door budgetplafond(s). Budgetplafonds leiden ertoe dat gemeenten meer grip en regie krijgen op zorguitgaven. De inspecteur is van oordeel dat het hanteren van een budgetplafonds op onderdelen van het sociaal domein en werk & in komen niet per definitie strijdig is met wettelijke kaders en de op de gemeenten rustende zorgplicht. Het budgetplafond kan een prikkel vormen voor de aanbieder van zorg om de zorg op een zo

45

efficiënt mogelijke wijze te verlenen. Daarmee kunnen de kosten dalen zonder dat daarbij de zorgplicht van de gemeente in het geding hoeft te komen. Gezien de maatschappelijke kosten van de zorg en de huidige tekorten bij Vlissingen is het ontbreken van zo’n prikkel ongewenst en dienen er budgetplafonds te worden ingesteld, waarbij de totale som van de budgetten van alle dienstverleners op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen hier niet kan boven uitstijgen. Dit budgetplafond dient echter wel aan de eisen van redelijkheid en billijkheid te voldoen. Uit een aantal rechterlijke uitspraken 4 kan worden opgemaakt dat dit voor het budgetplafond het volgende betekent: 1. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst moet de opdrachtnemer (zorgaanbieder) er mee bekend zijn dat binnen het daarvoor beschikbaar gestelde budget uitvoering moeten worden geven aan de zorgtaak. Via een tussentijdse wijziging van reeds gesloten overeenkomsten een budgetplafond invoeren valt niet binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid. 2. Indien het risico van overschrijdingen van het budgetplafond reëel is, een daarbij passende allocatie van de risico's voor de hand ligt.

Het volledig neerleggen van alle risico’s bij de opdrachtnemer valt niet binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid, tenzij het risico dat de opdrachtnemer zou moeten opdraaien voor een kostenstijging boven het budgetplafond van meet af aan kenbaar is geweest en er in dat geval voldoende rekening is gehouden met de belangen van de opdrachtgever. Met betrekking tot het instellen van budgetplafonds voor onderdelen van het sociaal domein en werk & inkomen wordt vooralsnog een taakstelling opgenomen € 1 miljoen per jaar. Dit kan echter nog worden herbezien afhankelijk van de realisatie van de andere taakstellingen en de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen. 9) Financiële impact landelijke ontwikkelingen sociaal domein en werk & inkomen Naast de onderzoeken en maatregelen van Vlissingen zelf zijn er ook een aantal landelijke ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op het tekort sociaal domein en werk & inkomen van Vlissingen. De uitkomsten hiervan kunnen vanzelfsprekend van invloed zijn op Vlissingen en dienen dan ook te worden meegenomen in dit artikel 12-onderzoek. a) Onderzoek jeugdzorg Door onderzoeksbureau AEF is in opdracht van het Rijk een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de jeugdzorg om te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra middelen nodig hebben.

Hierin komt naar voren dat gemeenten in 2019 € 1,6 tot € 1,8 miljard meer hebben uitgegeven dan dat zij hiervoor ontvangen uit het gemeentefonds. Oorzaken voor deze toename zijn dat kinderen steeds langer jeugdhulp ontvangen, waardoor het aantal kinderen dat jeugdhulp ontvangt in totaal toeneemt, en dat de gemiddelde prijs per cliënt omhoog is gegaan. In het onderzoek is ook gekeken naar een aantal maatregelen die gemeenten kunnen nemen om de Jeugdwet doelmatiger en doeltreffender uit te voeren. Vijf van de onderzochte maatregelen leiden daadwerkelijk tot een mogelijke besparing: 1. Invoering van een POH-jeugd bij huisartsen. 2. Tijdige doorstroming naar de Wlz als kinderen daarvoor in aanmerking komen (59 tot 85 miljoen euro). 3. Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband naar kinderopvang en bso (49 tot 78 miljoen euro). 4. Hulpverlening in lokale teams, waarbij hoogopgeleide medewerkers in de toegang een randvoorwaarde zijn (- 4 tot 8 miljoen euro). 4 - Rechtbank Den Haag 11 juli 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:8300, r.o. 4.8) over de houdbaarheid van een declaratieplafond in overeenkomsten ter uitvoering van de Jeugdwet. - Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:260, r.o. 26) over een budgetplafond in het kader van jeugdzorg. - Rechtbank Oost-Brabant 1 februari 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:609) over een budgetplafond bij beschermd wonen

46

5. Een duidelijker afbakening tussen jeugdhulp en onderwijs. Deze vijf maatregelen zouden ook voor Vlissingen kunnen resulteren in mogelijke bezuinigingsopties. Dat betekent echter niet dat op voorhand gezegd kan worden dat dit de enige mogelijke maatregelen zijn voor Vlissingen. Via (extern) onderzoek dient Vlissingen in kaart te brengen welke maatregelen Vlissingen kan nemen om de tekorten jeugd te kunnen terugdringen. Zie ook onderstaande maatregel 13. Aan het Rijk wordt geadviseerd om op onderdelen de uitgangspunten van de Jeugdwet te heroverwegen (zoals het invoeren van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage) en samen met gemeenten een fundamentele discussie te voeren over het gewenste voorzieningenniveau. Naar aanleiding van het onderzoek is er een stuurgroep opgericht die uitwerkt welke maatregelen aan het stelsel van de Jeugdwet moeten worden genomen om de financiële beheersbaarheid te vergroten. Besluitvorming over de maatregelen en het daarbij benodigde structurele bedrag wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Wel heeft het kabinet besloten tot een extra incidentele bijdrage van € 613 miljoen in 2021. Zie ook opdracht 4.1, bijlage 4.2. b) Onderzoek verdeelmodellen gemeentefonds De fondsbeheerders van het gemeentefonds werken samen met de VNG aan een nieuwe verdeling van het gemeentefonds.

Het doel van deze herijking is om de verdeling weer aan te laten sluiten bij de kosten van gemeenten. De nieuwe verdeling beoogt daarnaast recht te doen aan de geconstateerde knelpunten die de afgelopen jaren in verschillende adviezen zijn benoemd, bijvoorbeeld ten aanzien van de verdeling sociaal domein en de mate waarin de eigen inkomsten van gemeenten een rol spelen in de verdeling. Daarnaast was een belangrijke aanleiding de wens tot een substantiële vereenvoudiging van de verdeling te komen. Op 9 juli 2021 heeft de minister van BZK de Tweede Kamer nader geïnformeerd over de invoering van de nieuwe verdeling. Aangegeven is dat de beoogde invoeringsdatum van het nieuwe verdeelvoorstel 1 januari 2023 is. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: • De nieuwe verdeling wordt stap voor stap ingevoerd, zodat gemeenten voldoende tijd hebben om zich aan de nieuwe financiële situatie aan te passen. Gezien al de ontwikkelingen in de gemeentelijke financiën, kiezen de fondsbeheerders ervoor de herverdeeleffecten te maximeren op € 60 per inwoner over een periode van vier jaar, oftewel € 15 per inwoner per jaar. Dit geldt zowel voor gemeenten met een negatief herverdeeleffect als voor gemeenten met een positief herverdeeleffect. • De ontwikkeling van de kosten van gemeenten en de invloed daarvan op de verdeling wordt nauwgezet in de gaten gehouden.

Als opvallende effecten optreden, voeren de fondsbeheerders onderzoek uit naar verdere verbetering van het model. Vier jaar na invoering (per 1 januari 2027) zal bekeken worden of bijstelling van de verdeling nodig is. Het wordt aan het volgende kabinet gelaten om uiteindelijk te besluiten over de invoering van het nieuwe verdeelmodel voor het gemeentefonds. Uit de voorlopige nieuwe verdeling op basis van cijfers 2019 gaat Vlissingen er in totaal € 55 per inwoner op vooruit. Overigens benadrukken de fondsbeheerders dat er sprake is van voorlopige effecten en dat de gepresenteerde herverdeeleffecten voor 2019 slechts een indicatie zijn. Eventueel kan met nieuwe gegevens nog een actualisatie plaatsvinden naar 1 januari 2023. Deze laatste actualisatieslag zal inzicht geven in de definitieve herverdeeleffecten voor gemeenten. Zie ook opdracht 4.2, bijlage 4.2.

47

10) Verbreden artikel 12-onderzoek en –reikwijdte In het besluit van de fondsbeheerders van 19 december 2019 is onder andere bepaald dat in 2019 en verder de inspecteur onderzoek zal uitvoeren op de het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen, onder de volgende voorwaarden: • Daarbij wordt gestart met de sanering van de als gevolg van grondexploitatieproblematiek ontstane negatieve algemene reserve via de artikel 12uitkering en via de passende bijdrage van Vlissingen. • Er wordt in eerste instantie alleen onderzoek gedaan naar het sociaal domein en werk & inkomen. • Op alle andere clusters blijft het uitgangspunt dat Vlissingen eigen risicodrager is van kracht tot het actualisatie-onderzoek in 2023. • De gemeente hoeft voor de periode 2020-2022 niet elk jaar een artikel 12-aanvraag in te dienen. Met andere woorden in dit verlengde artikel 12-onderzoek wordt alleen onderzoek gedaan naar de clusters op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. De overige gemeentefondsclusters, de OZB en de eigen inkomsten blijven tot en met 2022 buiten beschouwing. Het uitgangspunt is dat Vlissingen, behoudens het sociaal domein en werk & inkomen, weer financieel op eigen benen staat en eigen risicodrager is.

De ontwikkeling van het totale begrotingssaldo inclusief de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve wordt dan ook ‘slechts’ op hoofdlijnen gevolgd. Dit met name omdat het van belang is om te bezien in hoeverre Vlissingen zelf kan bijdragen aan de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Er wordt hier echter geen onderzoek meer naar uitgevoerd. In de periode 2015-2018 is hier immers reeds uitgebreid naar gekeken. Gezien de in de begroting 2021 gepresenteerde tekorten sociaal domein en werk & inkomen is het de vraag in hoeverre de sanering van dat tekort geheel gevonden kan worden binnen het sociaal domein en werk & inkomen. Bovendien staat de wereld niet stil en hebben zich vanaf 2019 ook op de overige clusters van het gemeentefonds veranderingen voorgedaan. De volgende aanvullende maatregelen kunnen dan ook worden voorgesteld in dit kader. a) Stijging OZB en eigen inkomsten Op grond van het artikel 12-onderzoek 2015-2018 is het OZB-tarief van Vlissingen gestegen naar 140% van het landelijke gemiddelde. Deze stijging was nodig zodat Vlissingen een passende eigen bijdrage kan leveren aan de sanering van de als gevolg van grondexploitatietekorten ontstane negatieve algemene reserve.

Bezien kan worden of vanaf 2022 een verdere stijging van de OZB en toerekening aan de tekorten sociaal domein en werk & inkomen van een deel van de OZB nodig is. Dat geldt ook voor de (overige) eigen inkomsten. Of dit echt nodig is zal moeten blijken uit de realisatie van de taakstellingen bij het sociaal domein en werk & inkomen en de ontwikkeling van het tekort op dat vlak. b) Verbreden onderzoek naar overige clusters gemeentefonds Zoals aangeven vindt er nu tot 2023 alleen artikel 12-onderzoek plaats op de clusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning. Bezien dient te worden of het noodzakelijk is om reeds vanaf 2022 het onderzoek te verbreden naar ook de overige clusters in het gemeentefonds en in kaart te brengen of daar nog bezuinigingen te realiseren zijn. Ook hier geldt dat moet blijken uit de realisatie van de taakstellingen bij het sociaal domein en werk & inkomen en de ontwikkeling van het tekort op dat vlak of verbreding echt nodig is. 11) Financiële impact (exogene) factoren Mogelijk zijn er (exogene) factoren die ervoor kunnen zorgen dat Vlissingen minder of zelfs geen grip heeft op de lasten van onderdelen van het sociaal domein en werk & inkomen.

Met andere woorden de mate van invloed van Vlissingen om zelf het tekort op het vlak van sociaal domein en werk & inkomen geheel te saneren kan daardoor worden verminderd.

48

Deze factoren worden onderstaand behandeld. Overigens is het niet zo dat Vlissingen bij elke factor helemaal geen invloed heeft. a) Samenwerkingsverbanden Vlissingen maakt op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen deel uit van een aantal samenwerkingsverbanden. Bij deze samenwerkingsverbanden is er sprake van verplichtingen die voortvloeien uit (juridisch vastgelegde) afspraken en die een claim leggen op (een deel van) de middelen. Dit kan betekenen dat Vlissingen minder flexibiliteit heeft om op korte termijn zelf bezuinigingen door te voeren. Weliswaar kan de gemeente haar zienswijze kenbaar maken aan een gemeenschappelijke regeling, echter in de meeste gevallen zal de gemeente in eerste instantie akkoord moeten gaan met extra bijdragen aan de gemeenschappelijke regeling. Echt invloed uitoefenen is pas mogelijk als alle deelnemende gemeenten overeenstemming bereiken over de te volgen koers. Dit is vaak een langduriger proces. Dit betekent echter niet dat er hierdoor geen veranderingen te realiseren zijn. Ook hierbij dient te worden bezien of het op het vlak van organisatie, aansturing en kosten anders kan en of de afspraken die zijn gemaakt binnen de bestaande samenwerkingsverbanden aangepast kunnen worden. Vlissingen is hiervoor zelf aan zet en vergroten grip van de lasten bij de samenwerkingsverbanden is van belang.

In het Plan van aanpak wordt dan ook ingegaan op deze samenwerkingsverbanden: • Opdracht 3.4: Onderzoek naar de samenwerkingsverbanden in Zeeland op vlak van sociaal domein en werk & inkomen. Doel is om een einde te maken aan de bestuurlijke drukte, te bezien welke taken op welke schaalgrootte kunnen worden uitgevoerd en in welke vorm en bezien welke maatregelen nodig zijn om de grip op de lasten en de regionale samenwerkingsverbanden te vergroten. Zie ook onderstaande maatregel 15. • Opdracht 4.1: Onderzoek in hoeverre Vlissingen in bestuurlijke, financiële en operationele zin gedwongen wordt om te participeren in gemeenschappelijke regelingen en hoe de grip op regionale samenwerkingsverbanden vergroot kan worden. b) Wet- en regelgeving en jurisprudentie Van belang is ook te bezien in hoeverre bepaalde wet- en regelgeving en jurisprudentie effect hebben op de mate van invloed (grip) van Vlissingen op de beheersing van de lasten en de sturingsmogelijkheden van de gemeente zelf. Van belang is dus dat dit artikel 12onderzoek inzicht geeft in wat aan de ene kant specifiek lokale vraagstukken zijn die Vlissingen al dan niet binnen de samenwerkingsverbanden moet oplossen en aan de andere kant wat landelijke problematiek is dat alleen landelijk kan worden opgelost. Opdracht 4.1 van het Pan van aanpak gaat hierop in.

Te denken valt hierbij aan het abonnementstarief huishoudelijke hulp, toegang via huisarts, aanzuigende werking uit andere regio’s en openeinderegelingen. c) Structuurkenmerken Het rijksgeld voor sociaal domein en werk & inkomen wordt verdeeld via verdeelmodellen. Deze verdeelmodellen verdelen het geld over de gemeenten op basis van maatstaven. Deze maatstaven (zoals aantal jongeren, aantal ouderen, aantal minderheden en aantal bijstandsontvangers) zeggen iets over de (sociale) structuur van een gemeente. In kaart moet worden gebracht of er specifieke structuurkenmerken zijn die niet of onvoldoende tot uiting komen via de maatstaven in de verdeelmodellen. Overigens is het wel zo dat de verdeelmodellen objectief zijn. Dat betekent dat niet met alle specifieke structuurkenmerken van gemeenten rekening kan worden gehouden en dat van gemeenten verwacht wordt dat ze zelf de benodigde maatregelen nemen om eventuele

49

extra lasten als gevolg van structuurkenmerken waar de verdeelmodellen niet of onvoldoende rekening mee houden op te vangen. Opdracht 4.1 van het Plan van aanpak gaat hierop in. Onderzoek Aangezien er hier eventueel sprake kan zijn van de uitzonderlijke situatie dat het tekort sociaal domein en werk & inkomen niet geheel via het huidige artikel 12-onderzoek opgelost kan worden, dient dit fundamenteel onderbouwd te worden. Op basis van bovenstaande factoren dient dan ook onderzoek te worden uitgevoerd door Vlissingen. Dit onderzoek dient in te gaan op tenminste de volgende elementen: 1. In kaart brengen van alle samenwerkingsverbanden op vlak van sociaal domein en werk & inkomen, op welke onderdelen van het sociaal domein en werk & in komen, hoeveel geld daarin omgaat en per samenwerkingsverband welke bijdrage aan het tekort een samenwerkingsverband veroorzaakt. 2. In kaart brengen welke wetgeving en jurisprudentie op vlak van sociaal domein en werk & inkomen zorgt voor minder grip door de gemeente, op welke onderdelen van het sociaal domein en werk & in komen dit speelt en hoeveel tekort dit veroorzaakt. 3.

In kaart brengen welke structuurkenmerken op vlak van sociaal domein en werk & inkomen niet of onvoldoende tot uiting komen in de verdeelmodellen, hoeveel zorgkosten deze structuurkenmerken veroorzaken, voor hoeveel deze worden gehonoreerd in de verdeelmodellen en hoeveel van het tekort deze structuurkenmerken veroorzaken. 4. In kaart brengen eventuele overige (exogene) factoren, op welke onderdelen van het sociaal domein die spelen en wat hun financiële impact is (bijdrage aan het tekort) Hierbij dient tenminste te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Onderbouwd moet worden dat eventuele lastenstijgingen niet het gevolg zijn van eigen

beleid en uitvoering in de toegang. De lastenkant (meer zorgkosten) dient zichtbaar te worden gemaakt in harde indicatoren. De batenkant (meer geld via verdeelmodellen of juist niet) dient zichtbaar gemaakt in harde indicatoren. d. Inzichtelijk dient te worden gemaakt wat Vlissingen zelf aan maatregelen kan treffen om de mate van invloed te verhogen en de tekorten te verminderen.

b. c.

12) Inkoop beschermd wonen en inzet reserve Centrumtaken In paragraaf 3.3 van dit inspectierapport zijn onder de noemer ‘inkoop beschermd’ wonen een aantal maatregelen beschreven ten aanzien van de centrumtaken (beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang). Deze maatregelen zijn 1 januari 2020 ingegaan en zorgen voor een overschot bij deze centrumtaken. Het jaarlijkse overschot wordt gestort in de bestemmingsreserve Centrumtaken. Ook in paragraaf 3.3 is onderbouwd waarom de inspecteur van mening is dat met ingang van 2020 voor de centrumgemeentemiddelen beschermd wonen (BW), vrouwenopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO) uit het gemeentefonds geldt dat deze door Vlissingen kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken en de reserve Centrumtaken dus gebruikt kan worden voor (tijdelijke) sanering van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. Of dit nodig is zal jaarlijks worden beoordeeld aan de hand van de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen, de realisatie van de taakstellingen op dat vlak en de toekomstige risico’s ten aanzien van de centrumtaken. In paragraaf 5.4 bij de bepaling van het relevante tekort wordt dit verwerkt onder punt E (inbreng reserves). 13) Maatregelen jeugdzorg Ook op het cluster Jeugd kampt Vlissingen met tekorten.

Op basis van opdrachten 3.2 en 3.8 (bijlage 4.1) dient Vlissingen dan ook maatregelen in kaart te brengen die ervoor zorgen dat de lasten bij de jeugdzorg structureel dalen. Kijken naar de financiële vraagstukken bij jeugd betekent echter ook kijken naar de landelijke vraagstukken. Een deel van de problematiek doet zich namelijk ook bij andere

50

gemeenten voor. Daarom is een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de jeugdzorg om te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra middelen nodig hebben. Op basis van dit onderzoek zijn er vijf maatregelen geformuleerd die mogelijk kunnen leiden tot besparingen bij gemeenten. Hierop wordt nader ingegaan onder maatregel 9 (Financiële impact landelijke ontwikkelingen sociaal domein en werk & inkomen). Deze vijf maatregelen zouden ook voor Vlissingen kunnen resulteren in mogelijke bezuinigingsopties. Dat betekent echter niet dat op voorhand gezegd kan worden dat dit de enige mogelijke maatregelen zijn voor Vlissingen om bezuinigingen te kunnen realiseren op het vlak van de jeugdzorg. Voor een deel vinden bezuinigingen reeds plaats via het inrichten van een integrale toegang voor Wmo en jeugd, zie maatregel 2. Daarnaast moeten er echter aanvullende maatregelen worden genomen op het vlak van jeugd om het tekort verder te verminderen. Zie hiervoor de inventarisatie van mogelijke maatregelen in bijlage 4.1 bij opdracht 3.2. Via (extern) onderzoek dient in kaart te worden gebracht in hoeverre deze maatregelen ook in Vlissingen de tekorten jeugd kunnen terugdringen. Hiervoor wordt een taakstelling opgenomen van € 0,5 miljoen in 2021 oplopend tot structureel € 1 miljoen vanaf 2023.

14) Maatregelen doelgroepenvervoer Op basis van opdracht 3.7 dient Vlissingen in kaart te brengen in hoeverre het doelgroepenvervoer in de breedste zin beter en goedkoper kan. Voor Vlissingen gaat hier ruim € 1,7 miljoen in om. Hiervan wordt vanaf 2022 een taakstelling opgenomen van 10%. 15) Vergroten grip en sturing samenwerkingsverbanden Vergroten grip en sturing bij de samenwerkingsverbanden sociaal domein en werk & inkomen is van belang. Op basis van opdracht 3.4 dienen hiervoor concrete instrumenten in kaart te worden gebracht. Te denken valt hierbij aan: • De Raden kunnen op nagenoeg hetzelfde moment een besluit nemen en alle informatie met elkaar delen. Daartoe worden vergadercycli op elkaar afgestemd en daarnaast wordt alle informatie (inclusief zienswijzen) voor alle raden ontsloten in bestaande raadsinformatiesystemen. Raden kunnen op deze manier hun krachten bundelen en er kan richting het samenwerkingsverband meer bereikt worden • Een systeem van ‘adoptiegriffiers’. Koppels van een aantal griffiers hebben elk een samenwerkingsverband onder hun hoede. Zij hebben direct contact met het bestuur ervan en bespreken met hun wat er de komende periode aan zit te komen en op welke momenten inbreng van de raden wordt verwacht. Raden kunnen dan goed en eerder in positie worden gebracht.

• Twee keer per jaar worden voor de raadsleden regio-brede bijeenkomsten gehouden waarin de samenwerkingsverbanden centraal staan. Samenwerkingsverbanden kunnen zich presenteren en aangeven waar hun behoefte ligt. Hiermee vergroot je de kennis van de raadsleden over de samenwerkingsverbanden en daarnaast zijn er ook onderlinge contacten tussen raadsleden van verschillende gemeenten. • Uiteindelijk kan ernaartoe worden gegroeid dat besluitvorming ten aanzien van samenwerkingsverbanden in regionaal verband, met raadsleden en portefeuillehouders uit alle betrokken gemeenten, plaatsvindt. • Ook zou ernaartoe kunnen worden gegroeid dat raadsleden uit verschillende gemeenten vooraf de koppen bij elkaar steken om samen een amendement in te dienen of zelfs ten aanzien van de samenwerkingsverbanden een verenigde vergadering van alle raden via een regioraad in het leven te roepen. 16) Overige bezuinigingen In de bijlagen 4.1 t/m 4.4 worden bij de opdrachten een aantal mogelijke acties beschreven. Deze acties worden (gedeeltelijk) ingevuld via bovenstaand beschreven maatregelen 1 t/m 14. Per beschreven actie dient echter wel in kaart te worden gebracht of via bovenstaand beschreven maatregelen het volledige bezuinigingspotentieel wordt gerealiseerd.

Met andere woorden per mogelijke actie dient aangeven te worden of deze volledig wordt gerealiseerd via de beschreven maatregelen of dat deze nog kan leiden tot aanvullende bezuinigingen.

51

Totaal taakstellingen van de maatregelen In onderstaande tabel worden de bovenstaand beschreven maatregelen en ontwikkelingen 1 t/m 16 weergeven. Daarbij wordt per maatregel de door de inspecteur ingeboekte taakstelling voor de periode 2020-2024 vermeld. Ook staat in de tabel welke bedragen reeds gerealiseerd zijn. In hoofdstuk 5 bij de bepaling van het relevant tekort (paragraaf 5.4) wordt inzicht geven wat deze taakstellingen betekenen voor het begrotingssaldo over die periode. Tabel 4.5

Taakstellingen maatregelen sociaal domein en werk & inkomen 2020-2024 (bedragen x € 1.000)

Nummer Maatregel 1 en 2 Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie & inrichten lokale toegang 3 Herijking uitvoering participatiewet en invulling adviezen Orionis 4 Aanvullende maatregelen 2020 5 Deelvoorstel ondersteuningsinfrastructuur: dagbesteding 6 Deelvoorstel ondersteuningsinfrastructuur: ambulantisering 7 Aanvullende bezuinigingen vanaf 2021 o.b.v. opdrachten Plan van aanpak 8 Budgetplafonds 9 Financiele impact landelijke ontwikkelingen sociaal domein en werk & inkomen 10 Verbreden artikel 12-onderzoek en -reikwijdte 13 Maatregelen jeugdzorg 14 Maatregelen doelgroepenvervoer 15 Vergroten grip en sturing samenwerkingsverbanden 16 Overige bezuinigingen

2.763

pm pm

2021 1.625 1.850

2022 3.300 2.450

2023 4.900 3.050

2024 4.900 3.650

100 250 2.000 1000

100 250 2.000 1000

100 250 2.000 1000

100 250 2.000 1000

500

pm pm

Totaal taakstelling

2.763

Gerealiseerd: Aanvullende maatregelen 2020 Realisatie Orions (Jaarrekening 2020 en Eerste begrotingswijziging 2021 Orionis)

-2.763

Totaal resterende taakstelling

4.5

2020

0

pm pm

pm pm

750 170

pm pm

pm pm

1000 170

pm pm

1000 170

7.325

10.020

12.470

13.070

-1.731

-921

-1.662

-2.269

5.594

9.099

10.808

10.801

Conclusie In het verlengde artikel 12-onderzoek wordt tot en met 2022 alleen onderzoek gedaan naar het sociaal domein en werk & inkomen. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: 1. Het belangrijkste doel binnen artikel 12 is betere grip op de kostenontwikkeling en reduceren van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. 2. Het sociaal domein en werk & inkomen zijn in zijn geheel onderwerp van onderzoek. 3. Ook voor de centrumgemeentemiddelen uit het gemeentefonds geldt dat deze vrij besteedbaar zijn en dus kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken. 4. Als er meer geld komt vanuit het Rijk (gemeentefonds) voor sociaal domein en werk & inkomen dan dient dit gebruikt te worden voor opvangen van bestaande tekorten. 5. Alle intensiveringen, lastenstijgingen en nieuw beleid op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen moeten via O&O (Onvermijdelijk en Onuitstelbaar) beoordeeld worden. 6. De uitkomsten van landelijke onderzoeken dienen te worden meegenomen in dit artikel 12-onderzoek. 7. De uit te voeren taken binnen het sociaal domein en werk & inkomen dienen zo breed als mogelijk te worden onderzocht. 8. De ontwikkeling van het totale begrotingssaldo inclusief de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve wordt ‘slechts’ op hoofdlijnen gevolgd. 9.

Ook bij de samenwerkingsverbanden sociaal domein en werk & inkomen dient te worden bezien of het op het vlak van organisatie, aansturing en kosten anders kan. Vlissingen is hiervoor zelf aan zet.

52

pm pm

In het Plan van aanpak artikel 12 sociaal domein en werk & inkomen (verder PvA) is beschreven hoe de tekorten sociaal domein en werk & inkomen opgelost dienen te worden. Het PvA geeft een overzicht en de stand van zaken van de aanpak van de problematiek en de aanpak van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. Dit gebeurt aan de hand van concrete opdrachten van de artikel 12-inspecteur aan de gemeente Vlissingen. Het doel is dat de opdrachten leiden tot concrete maatregelen en bezuinigingen. De opdrachten zijn breed en behelzen het gehele sociaal domein en werk & inkomen. Deze opdrachten zijn nader uitgewerkt in de bijlagen 4.1 t/m 4.4 en zijn: • Opdracht 1: Onderbouwing via Onvermijdelijk en Onuitstelbaar (O&O) van alle intensiveringen vanaf 2019 op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. • Opdracht 2: Nettolasten vergeleken (clusteranalyse clusters gemeentefonds). • Opdracht 3: Onderzoek effectiviteit en efficiency. • Opdracht 4: Mate van invloed van Vlissingen. • Opdracht 5: Regiomiddelen sociaal domein. • Opdracht 6: Ondersteuning Vlissingen. Op basis van het Plan van aanpak zijn in 2020 en 2021 een aantal concrete maatregelen uitgewerkt. Hieraan zijn voor zover nu mogelijk concrete taakstellingen gekoppeld om de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen te saneren.

Ook is in kaart gebracht welke (landelijke) ontwikkelingen er zijn op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Deze maatregelen en ontwikkelingen zijn uitgewerkt in paragraaf 4.4 en zijn: 1. Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie. 2. Inrichten integrale toegang. 3. Herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis. 4. Aanvullende maatregelen 2020. 5. Deelvoorstel ondersteuningsinfrastructuur: dagbesteding. 6. Deelvoorstel ondersteuningsinfrastructuur: ambulantisering. 7. Aanvullende bezuinigingen vanaf 2021. 8. Instellen budgetplafonds. 9. Financiële impact landelijke ontwikkelingen sociaal domein. 10. Verbreden artikel 12-onderzoek en -reikwijdte. 11. Financiële impact (exogene) factoren. 12. Inkoop beschermd wonen en inzet reserve Centrumtaken. 13. Maatregelen jeugdzorg. 14. Maatregelen doelgroepenvervoer. 15. Vergroten grip en sturing samenwerkingsverbanden. 16. Overige bezuinigingen. Het totaal aan taakstellingen dat is gekoppeld aan deze maatregelen zijn: • 2020: € 2,8 miljoen, geheel gerealiseerd. • 2021: € 7,3 miljoen, waarvan € 1,7 miljoen gerealiseerd en € 5,6 miljoen resterend. • 2022: € 10,0 miljoen, waarvan € 0,9 miljoen gerealiseerd en € 9,1 miljoen resterend. • 2023: € 12,5 miljoen, waarvan € 1,7 miljoen gerealiseerd en € 10,8 miljoen resterend.

• Vanaf 2024: € 13,1 miljoen structureel, waarvan € 2,3 miljoen gerealiseerd en € 10,8 miljoen structureel resterend. Op basis van de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen zal worden bezien of nog extra taakstellingen nodig zijn.

53

5

Het begrotingssaldo

5.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de berekening van het relevante begrotingssaldo en de saneringsbegroting op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen gepresenteerd. Aan de hand daarvan wordt de omvang van de extra artikel 12-steun over 2020 bepaald 5. Het uitgangspunt is dat Vlissingen, behoudens het sociaal domein en werk & inkomen, op eigen benen staat en eigen risicodrager is. Daarom wordt de ontwikkeling van het totale begrotingssaldo inclusief de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve als gevolg van de tekorten grondexploitaties op hoofdlijnen gevolgd. Dit is in het actualisatieonderzoek in 2023 weer onderwerp van onderzoek. Allereerst wordt in paragraaf 5.2 de ontwikkeling van het financieel meerjarenperspectief vanaf 2020 met betrekking tot sociaal domein en werk & inkomen geschetst. Daarna wordt in paragraaf 5.3 het geaccepteerde begrotingssaldo sociaal domein en werk & inkomen bepaald en in paragraaf 5.4 het relevante begrotingssaldo sociaal domein en werk & inkomen berekend en toegelicht. In paragraaf 5.5 gaat in op de aanvullende uitkering en de bijzondere voorschriften, waarna in paragraaf 5.6 het hoofdstuk wordt afgesloten met conclusies.

5.2

Financieel meerjarenperspectief In onderstaande tabel 5.1 wordt de ontwikkeling van het financieel meerjarenperspectief sociaal domein (SD) en werk & inkomen (W&I) voor de periode 2020-2024 geschetst op basis van de Programmabegrotingen 2020 en 2021, effecten circulaires gemeentefonds, Begrotingswijzigingen, Bestuursrapportages en Jaarrekening 2020. De verschillende posten worden na de tabel kort toegelicht. In bijlage 5.1 staat de ontwikkeling van de begroting van Vlissingen in totaal.

5 Indien de fondsbeheerders van het gemeentefonds dit advies geheel of gedeeltelijk overnemen betreft het

een extra aanvullende uitkering bovenop de aanvullende uitkering van € 7.000.000 over 2020 zoals door de fondsbeheerders d.d. 19 december 2019 besloten naar aanleiding van het inspectierapport 2017-2018.

54

Tabel 5.1 O mschrijving (bedragen x 1000)

Ontwikkeling financieel meerjarenperspectief 2020-2024 sociaal domein (SD) en werk & inkomen (W&I) (bedragen x € 1.000) 2020

A.1

Programmabegroting 2020:

A.1.1

Clus te r Inko me n e n pa rticipa tie

-3.374

A.1.2

Clus te r Sa me nkra cht e n burge rpa rticipa tie

-9.992

A.1.3

Clus te r Je ugd

A.1.4

Clus te r Ma a ts cha ppe lijke o nde rs te uning

Effecten circulaires 2020: De ce mbe rcircula ire 2019 SD e n W &I

A.2.2

Me icircula ire 2020 SD e n W &I

2.725

A.2.3

Se pte mbe rcircula ire 2020 SD e n W &I

3.071

A.2.4

De ce mbe rcircula ire 2020 SD e n W &I

-11

674

Totaal effecten circulaires 2020 Begrotings wijzigingen 2020: Ee rs te be gro tings w ijz iging 2020 Orio nis Tw e e de be gro tings w ijz iging 2020 Orio nis

A.3.3

Budge to ve rhe ve ling 2020-2021 a a nvulle nde ta a ks te lling 2020

A.3.4

Budge to ve rhe ve linge n 2020-2021 s o cia a l do me in

6.459

-30 429 1.103 551

Totaal Begrotingswijzigingen 2020

2.053

A.4

Eers te bes tuurs rapportage 2020:

A.4.1

Bo o ds cha ppe ns e rvice Orio nis

A.4.2

Ove rhe a d te a m W mo e n Je ugd

A.4.3

Ve rw a chte co mpe ns a tie Rijk inz a ke Co ro na

A.4.4

W mo Ve rvo e rs ko s te n e n ve rvo e rs hulpmidde le n

-190

A.4.5

W mo P e rs o o ns ge bo nde n budge t be ge le iding

-114

A.4.6

Aa nbe s te ding le e rlinge nve rvo e r me t GGZ indica tie

A.4.7

W mo Ve rva lle n a bo nne me nts ta rie f a pril e n me i 2020 i.v.m. Co ro na

A.4.8

Structure le do o rw e rking na de le n Tw e e de be s tuurs ra ppo rta ge 2019

A.4.9

Ove rige na de le n s o cia a l do me in

50 85 34

-25 -34 -126 -24

Totaal Eerste bestuursrapportage 2020

-344

A.5

Tweede bes tuurs rapportage 2020:

A.5.1

Re s ulta a t ja a rre ke ning 2019 GGD

A.5.2

La ge re la s te n P GB-je ugdz o rg

A.5.3

Me icircula ire 2020: Ma a ts cha ppe lijke be ge le iding s ta tus ho ude rs

A.5.4

Me icircula ire 2020: Be s che rmd w o ne n

A.5.5

Me icircula ire 2020: P a rticipa tie

A.5.6

Me icircula ire 2020: W mo

A.5.7

Me icircula ire 2020: Inburge ring

A.5.8

Inko o p je ugdz o rg

-520

A.5.9

W mo ma a tw e rk die ns tve rle ning e n vo o rz ie ninge n

-363

A.5.10

GGZ-ve rvo e r je ugd

A.5.11

Se pte mbe rcircula ire 2020: P a rticipa tie

A.5.12

Se pte mbe rcircula ire 2020: Ma a ts cha ppe lijke o pva ng

A.5.13

Se pte mbe rcircula ire 2020: Ge z o nd in de s ta d

A.5.14

Se pte mbe rcircula ire 2020: Vro uw e no pva ng

A.5.15

Se pte mbe rcircula ire 2020: Co mpe ns a tie co ro na cris is (SD e n W &I)

A.5.16

Ta a ks te lling a rtike l 12 s o cia a l do me in e n w e rk & inko me n

59 50 -36 -1.540 -262 -33 -88

-50 -667 -1.220 -6 -1.092 -226 1.139

Totaal Tweede bestuursrapportage 2020

-4.855

A.6

Jaarrekening 2020:

A.6.1

De ce mbe rcircula ire 2020: Co ntinuïte it va n z o rg i.v.m. COVID 19

A.6.2

De ce mbe rcircula ire 2020: Co ntinuïte it va n be s che rmd w o ne n i.v.m. COVID 19

-146

A.6.3

De ce mbe rcircula ire 2020: Vro uw e no pva ng

-113

A.6.4

De ce mbe rcircula ire 2020: Schulde nbe le id

A.6.5

Schulde nbe le id budge to ve rhe ve ling

A.6.6

De ce mbe rcircula ire 2020: Co ro na co mpe ns a tie re -inte gra tie e n bijz o nde re bijs ta nd

A.6.7

Ma a tw e rkvo o rz ie ning (W MO)

A.6.8

Inko me ns re ge linge n

A.6.9

Sa me nkra cht e n burge rpa rticipa tie

A.6.10

Ma a tw e rkdie ns tve rle ning 18+

A.6.11

W ijkte a ms

A.6.12

Ma a tw e rkdie ns tve rle ning 18-

A.6.13

Ge ë s ca le e rde z o rg 18+

A.6.14

Do ta tie re s e rve ce ntrumta ke n

A.6.15

Be ge le ide pa rticipa tie

A.6.16

Ove rig s o cia a l do me in e n w e rk & inko me n

A.6.17

Ta a ks te lling a rtike l 12 s o cia a l do me in e n w e rk & inko me n

-59

-50 50

Programmabegroting 2021:

A.7.1

Clus te r Inko me n e n pa rticipa tie

A.7.2

Clus te r Sa me nkra cht e n burge rpa rticipa tie

A.7.3

Clus te r Je ugd

A.7.4

Clus te r Ma a ts cha ppe lijke o nde rs te uning

-213 244 223 287 -379 -14 -50 4.583 -3.368 -225 684 1.624

Totaal Jaarrekening 2020 A.7

3.077

Totaal Programmabegroting 2021 A.8

Effecten circulaires 2021:

A.8.1

De ce mbe rcircula ire 2020 SD e n W &I

A.8.2

Me icircula ire 2021 SD e n W &I

PM

A.8.3

Se pte mbe rcircula ire 2021 SD e n W &I

PM

A.8.4

De ce mbe rcircula ire 2021 SD e n W &I

PM

Totaal effecten circulaires 2021 A.9 A.9.1

2024

4.471

A.2.1

A.3.2

2023

-11.656

A.2

A.3.1

2022

-2.761

Totaal Programmabegroting 2020

A.3

2021

-2.410

-1.205

-164

168

-10.307

-10.526

-10.895

-11.218

-1.340

-249

102

654

4.270

4.768

5.463

5.335

-9.787

-7.212

-5.494

-5.061

3.849

58

72

74

3.849

58

72

74

Begrotings wijzigingen 2021: Budge to ve rhe ve ling 2020-2021 a a nvulle nde ta a ks te lling 2020

-1.107

A.9.2

Budge to ve rhe ve linge n 2020-2021 s o cia a l do me in

A.9.3

Orio nis 1e be gro tings w ijz iging 2021: a fre ke ning ja a rre ke ning 2020

A.9.4

Orio nis 1e be gro tings w ijz iging 2021: ge me e nte lijke bijdra ge

-551 758

1.215

1.720

2.111

A.9.5

Orio nis 1e be gro tings w ijz iging 2021: a a nvulle nde inko me ns vo o rz ie ninge n

-293

-294

-58

158

A.9.6

De ce mbe rcircula ire 2020: s pe cifie k Vlis s inge n

-265

4

4

4

A.9.7

De ce mbe rcirculia re 2020: ho ge re bijdra ge n ce ntrumge me e nte n

-2.676

15

15

15

A.9.8

De ce mbe rcirculia re 2020: Co ro na co mpe ns a tie s o cia a l do me in e n w e rk & inko me n

-3.700

940

1.681

2.288

A.10

Eers te bes tuurs rapportage 2021:

A.10.1

Inrichte n re gie te a m be s pa ring inko o pko s te n Je ugd Ze e la nd

350

350

350

350

A.10.2

Ove rige vo o rde le n s o cia a l do me in

A.10.3

W e lz ijns a cco mmo da tie s co rre ctie a fra ming pa nde n

-39

-39

-40

-41

-77

0

0

77

0

0

0

-110

-110

-110

-110

-200

-200

1.266

-833

Totaal Begrotingswijzigingen 2021

A.10.4

Frictie ko s te n o ntvle chting P o rtho s

A.10.5

De kking uit re s e rve frictie ko s te n a lge me e n

A.10.6

Inrichting re gie te a m uitbre iding fo rma tie

A.10.7

4 0

Ta a ks te lling a rtike l 12 be s pa ring inko o p je ugd

-200

-200

A.10.8

Ca pa cite it W mo e n je ugdhulp

-285

-638

0

A.10.9

Inrichting W vGGZ co rre ctie prima ire be gro ting

-21

-21

-20

-19

-188

-178

-178

-178

A.10.10 Je ugd e xtra ko s te n inte rve nce A.10.11 Ca s us re gie dw a ngz a ke n

-94

A.10.12 4e co mpe ns a tie pa kke t Co ro na ma a tre ge le n s o cia a l do me in e n w e rk & inko me n A.10.13 Acute pro ble ma tie k Je ugdz o rg A.10.14 Vro e gs igna le ring Totaal Eerste bestuursrapportage 2021 Begrotingssaldo SD en W&I

-5.264

55

0

0

-798

0

0

0

-1.872

0

0

0

-70

A.10.15 Inrichting re gie te a m o ve rhe a d

0

0

-70

-70

-70

-40

-40

-40

-40

-3.362

-946

-308

-307

-13.000

-7.160

-4.048

-3.006

A.1) Programmabegroting 2020 Het saldo van de programmabegroting 2020 voor het sociaal domein en werk & inkomen wordt bepaald aan de hand van: 1. De geboekte baten en lasten op de taakvelden van de gemeentefondsclusters Inkomen en participatie (taakvelden 6.3, 6.4 en 6.5), Samenkracht en burgerparticipatie (taakvelden 6.1 en 6.2), Jeugd (taakvelden 6.72 en 6.82) en Maatschappelijke ondersteuning (taakvelden 6.6, 6.71 en 6.81). 2. De uitkering uit het gemeentefonds (taakveld 0.7) op basis van de septembercirculaire 2019 voor de clusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning. Dit betreft de algemene uitkering + de decentralisatie-uitkeringen + de integratie-uitkeringen. 3. De overhead (taakveld 0.4) die wordt toegerekend naar rato van de geraamde directe loonkosten (categorie 1.1 Lonen en salarissen) en inhuur (categorie 3.5.1). In bijlage 5.2 staat een cijfermatig overzicht per cluster en per taakveld van de geboekte baten en lasten op basis van Programmabegroting 2020. A.2) Effecten circulaires 2020 Op basis van de verschillende gemeentefondscirculaires verandert de uitkering uit het gemeentefonds door het jaar heen. Dat is vanzelfsprekend van invloed op het te berekenen begrotingssaldo.

In bijlage 5.3 staat een overzicht per gemeentefondscluster op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen van hoe de gemeentefondsuitkering vanaf de stand septembercirculaire 2019 wijzigt in de verschillende daaropvolgende circulaires. Dit betreft de algemene uitkering + de decentralisatie-uitkeringen + de integratie-uitkeringen. Uitgangspunt is dat als er meer geld komt vanuit het Rijk (gemeentefonds) voor sociaal domein en werk & inkomen dit gebruikt dient te worden voor opvangen van bestaande tekorten. Vlissingen dient via O&O (onontkoombaar en onuitstelbaar) te onderbouwen als een deel betrekking heeft op loon-, prijs- of volumeontwikkelingen of gebruikt dient te worden voor nieuwe taken of intensiveringen van bestaande taken. Het per definitie één op één vertalen in ook hogere lasten of doorzetten naar samenwerkingsverbanden (gemeenschappelijke regelingen) is niet meer passend in de huidige situatie van Vlissingen en niet mogelijk binnen artikel 12. Gezien bovenstaand uitgangspunt worden de effecten van de circulaires via vier mutaties op het begrotingssaldo verwerkt: 1. De Programmabegroting is gebaseerd op de septembercirculaire. Alle mutaties ten opzichte van de septembercirculaire in de daaropvolgende circulaires worden een op een geheel als mutatie opgenomen (betreft post A.2 in tabel 5.1). 2.

Van de begrotingswijzigingen waarin door Vlissingen de mutaties circulaires worden verwerkt worden alleen de door Vlissingen opgenomen extra lasten voortvloeiende uit de circulaires opgenomen (betreft posten A.3 t/m A.6 in tabel 5.1). 3. Deze begrotingswijzigingen zoals beschreven in bovenstaande punt 2 zijn geheel O&O. Dat betekent dat deze extra lasten voortvloeiende uit de circulaires in zijn geheel gecorrigeerd worden (betreft post B in tabel 5.2). 4. Op het moment dat een extra last via O&O wordt geaccordeerd dan wordt deze weer opgenomen (betreft post C in tabel 5.3). A.3.1) Eerste begrotingswijziging 2020 Orionis De eerste begrotingswijziging 2020 van Orionis Walcheren betekent in 2020 een hogere bijdrage van Vlissingen van € 30.065. Oorzaken hiervan zijn mutaties in de rijksbijdragen en hogere loonkosten als gevolg van cao-aanpassingen. A.3.2) Tweede begrotingswijziging 2020 Orionis Op basis van de tweede begrotingswijziging 2020 van Orionis Walcheren ontstaat voor Vlissingen een voordeel van per saldo € 429.121. Dit betreft een bedrag van € 605.121 voornamelijk als gevolg van extra geld uit het gemeentefonds (meicirculaire 2020 en septembercirculaire 2020) op het vlak van participatie minus € 262.000 (LPO participatie)

56

en € 250.000 (Tozo) die gebruikt worden voor de aanvullende maatregelen 2020 (paragraaf 4.4). Daarnaast betreft dit voordeel een bedrag van € 336.000 als gevolg van de hogere Rijksbijdrage participatie 2020 uit de meicirculaire 2019 en septembercirculaire 2019. A.3.3) Budgetoverheveling 2020-2021 aanvullende taakstelling 2020 Vlissingen wil van de aanvullende bezuinigingen 2020 (paragraaf 4.2) € 1,103 miljoen in te zetten als dekking voor de projectbegroting 2021. De maatregelen en veranderprojecten om de tekorten sociaal domein en werk & inkomen de komende jaren te saneren vergen extra capaciteit en expertise. Concreet bestaan de extra lasten uit lasten capaciteit uitvoerend projectteam, lasten adviesdiensten, lasten deelproject buurtteams, lasten deelproject integrale toegang en overhead. Om deze noodzakelijke investeringen te doen is het genoemde bedrag nodig en dient via een budgetoverheveling naar 2021 gebracht te worden. A.3.4) Budgetoverhevelingen 2020-2021 sociaal domein Met betrekking tot het sociaal domein zijn er een aantal budgetoverhevelingen van 2020 naar 2012 nodig. Het betreft de volgende posten: • Minimabeleid van € 122.000: Hierdoor kan in 2021 de vroegsignalering in de integrale gemeentelijke toegang worden opgestart en geïmplementeerd.

• Inburgering van € 274.700: De verantwoordelijkheid voor de invoering en de uitvoering van de wet inburgering is een wettelijke taak. De gemeenten hebben de opdracht gekregen de invoering van de nieuwe wet voor te bereiden. De middelen die door het rijk via de integratie-uitkering en via een specifieke uitkering beschikbaar zijn gesteld zijn hiervoor ook in 2021 nodig. • Onderzoekskosten Orionis van € 128.000: Een belangrijk deel van de gemeentelijke ondersteuningstaken in het brede sociaal domein heeft betrekking op de Participatiewet, schuldhulpverlening en het minimabeleid, dat wordt uitgevoerd door Orionis. Aan de hand van het verkregen inzicht en advies uit de quick scan dienen op genoemde terreinen wezenlijke verbeteringen van efficiency en effectiviteit doorgevoerd te worden (zie ook paragraaf 4.4). Dit wordt in 2021 verder uitgewerkt via een verdiepend onderzoek. • Inhuur team Wmo en jeugd van € 26.000: Er zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden van het team Wmo en jeugd extra gelden beschikbaar gesteld om de werkvoorraad terug te brengen, overgekomen evaluaties terug te brengen en invulling te geven aan de nieuwe werkprocessen. Deze middelen zijn ook in 2021 nodig. A.4) Eerste bestuursrapportage 2020 Op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen wordt in de Eerste bestuursrapportage 2020 per saldo een nadeel gerapporteerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10787495/2