CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.3 Rvs reactie artikel 12 rapport 2020 bijlage 1 rapport

Commissie Ruimte 25 november 2021, gemeente VlissingenBij agendapunt: Reactie artikel artikel 12 rapport 202051.513 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

2.3.2

Uitgavencluster Samenkracht en burgerparticipatie Het uitgavencluster Samenkracht en burgerparticipatie bestaat uit de taakvelden 6.1 (Samenkracht en burgerparticipatie) en 6.2 (Wijkteams). Tot dit cluster behoren dan ook algemene voorzieningen (waarvoor geen individuele beschikking van de gemeente nodig is) gericht op participatie en alle loketvoorzieningen gericht op het identificeren van eigen kracht en het geleiden naar de juiste vorm van individuele ondersteuning (maatwerkvoorzieningen en -dienstverlening). De verschillende vergelijkingen voor het cluster Samenkracht en burgerparticipatie staan in tabel 2.5.

21

Tabel 2.5

Vergelijkingen cluster Samenkracht en burgerparticipatie

Cluster Samenkracht en burgerparticipatie a

b1

b2

b3

b4

c

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Verschil Vlissingen met uitkering GF

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

IJkpunt van het gemeentefonds

Gemiddelde nettolasten selectiegroep

Gemiddelde nettolasten soortgenoten

Gemiddelde nettolasten groottegroep

Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland

Verschil selectiegroep met uitkering GF

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

2018

-113

3

27

-7

22

8

2019

-197

-6

25

-35

2

-1

2020

-204

-69

-32

-92

-57

-63

Jaar

-/- is hogere nettolasten voor Vlissingen Nettolasten 2020 op basis van Iv3 initiele begroting 2020 Gemeentefonds 2020 op basis van septembercirculaire 2019 (betaalmaand februari 2020) C ijfers 2018 en 2019 conform Inspectierapport 2019 Vergelijking a: Inclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang Vergelijking b en c: Exclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang

Ook bij dit cluster is het beeld dat Vlissingen meer uitgeeft. Vlissingen heeft in 2020 bij alle zes vergelijkingen hogere nettolasten. In 2019 was dat nog bij vier van de zes vergelijkingen. In 2020 ten opzichte van 2019 zijn de verschillen bovendien bij alle vergelijkingen verslechterd. Deze stijging wordt volgens Vlissingen vooral veroorzaakt door een hogere toerekening van de overhead als gevolg van een uitbreiding van de formatie binnen het sociaal domein en de positionering van buurtteams (generalistische basishulp) o.b.v. de specifieke problematiek in de wijk/buurt. Daar staat tegenover dat de taken van Porthos (toegang Wmo en jeugd) nu binnen de gemeente zelf is gesitueerd, wat een dalend effect heeft op de lasten Ook op dit cluster dienen de baten dan ook meer toe te groeien naar het niveau van de baten. In het inspectierapport 2019 zijn in paragraaf 4.4 en bijbehorende bijlagen de maatregelen beschreven die Vlissingen moet nemen om dit te realiseren. In hoofdstuk 4 van dit inspectierapport over 2020 wordt hier verder op ingegaan en een stand van zaken geschetst. Voor Vlissingen zien we een forse stijging van de nettolasten per inwoner op dit cluster. In 2020 ten opzichte van 2018 stijgen de nettolasten per inwoner met liefst 66% (tabel 2.2). Daar staat een stijging van het ijkpunt van het gemeentefonds per inwoner van ‘maar’ 18% tegenover (tabel 2.1).

Weliswaar in sterk mindere mate, maar voor de andere groepen gemeenten is dat beeld er ook. Bij de selectiegroep, de soortgenoten, de groottegroep en de gemeenten in Zeeland stijgen de nettolasten per inwoner over de periode 2018-2020 met gemiddeld circa 14%. Er is op dit cluster dan ook sprake van een trend van stijgende nettolasten voor zowel Vlissingen als voor de groepen van andere gemeenten. Zoals aangegeven stijgen de nettolasten van Vlissingen over de periode 2018-2020 fors meer dan die van de andere groepen gemeenten. Dit blijkt ook uit de vergelijking in kolom c van tabel 2.5. Vlissingen geeft in 2020 € 63 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds uit dan de selectiegemeenten. In 2018 was dat nog € 8 per inwoner minder. In eerste instantie dient Vlissingen dan ook de maatregelen te nemen om zelf het tekort op dit cluster te verminderen. Gezien de landelijk stijgende trend van de uitgaven moet echter ook worden bezien door Vlissingen in hoeverre er landelijke of regionale (exogene) factoren zijn die ervoor zorgen dat het tekort stijgt en die ervoor zorgen dat

22

Vlissingen zelf minder invloed heeft op de hoogte van de lasten. In hoofdstuk 4 wordt hierop nader ingegaan.

2.3.3

Uitgavencluster Jeugd Het uitgavencluster Jeugd is opgedeeld in de taakvelden 6.72 (Maatwerkdienstverlening 18-) en 6.82 (Geëscaleerde zorg 18-). Tot taakveld 6.72 behoren vormen van jeugdhulp die door de gemeente als individuele (niet vrij toegankelijke) voorziening worden aangemerkt. Tot taakveld 6.82 behoren maatregelen gericht op de opvang en het verbeteren van de veiligheid van kinderen en jeugdigen (jonger dan 18 jaar) met inbegrip van maatwerkdienstverleningsmaatregelen voor jeugdigen die in de desbetreffende opvangvoorzieningen verblijven. In tabel 2.6 staan de verschillende vergelijkingen voor dit cluster. Tabel 2.6

Vergelijkingen cluster Jeugd

Cluster Jeugd Jaar

a

b1

b2

b3

b4

c

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Verschil Vlissingen met uitkering GF

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

IJkpunt van het gemeentefonds

Gemiddelde nettolasten selectiegroep

Gemiddelde nettolasten soortgenoten

Gemiddelde nettolasten groottegroep

Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland

Verschil selectiegroep met uitkering GF

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

2018

47

44

64

-16

-7

14

2019

-12

24

64

-34

-26

5

2020

-50

-37

2

-120

-80

-38

-/- is hogere nettolasten voor Vlissingen Nettolasten 2020 op basis van Iv3 initiele begroting 2020 Gemeentefonds 2020 op basis van septembercirculaire 2019 (betaalmaand februari 2020) C ijfers 2018 en 2019 conform Inspectierapport 2019 Vergelijking a: Inclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang Vergelijking b en c: Exclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang

In 2020 heeft Vlissingen op het cluster Jeugd bij de vergelijkingen met het gemeentefonds (a), de selectiegroep (b1), de groottegroep (b3), de gemeenten in Zeeland (b4) en het verschil selectiegroep met uitkering gemeentefonds (c) hogere nettolasten. Alleen bij de vergelijking met de soortgenoten (b2) heeft Vlissingen in 2020 nog iets lagere nettolasten. In 2020 verslechtert het beeld verder bij alle vergelijkingen. Vlissingen geeft aan dat de verdere stijging met name wordt veroorzaakt door: 1. Het aantal jeugdigen in zorg neemt toe en ook de intensiteit van de ingezette zorg (duurder) neemt verder toe. Van het aantal jeugdigen onder de 18 in Vlissingen (8.209) ontvangen er 1.154 jeugdhulp (14%, gebaseerd op eigen gegevens 1e halfjaar 2019). 2. Gemeentelijke grip op de toegang tot jeugdhulp is lastig omdat ruim de helft van de instroom tot stand komt via de doorverwijzing van huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten (m.n. naar geestelijke gezondheidszorg en licht verstandelijk gehandicaptenzorg) of uitspraken van de kinderrechter over de inzet van jeugdbescherming en jeugdreclassering. 3. In de verschillende deelsectoren van de jeugdhulp sprake van tariefstijging. Ook bij de jeugdzorg dienen de lasten meer toe te groeien naar de baten en dit cluster is dan ook in zijn geheel onderwerp van onderzoek. In het inspectierapport 2019 zijn in paragraaf

23

4.4 en bijbehorende bijlagen de maatregelen beschreven die Vlissingen moet nemen om dit te realiseren. In hoofdstuk 4 van dit voorliggende inspectierapport wordt hier verder op ingegaan en een stand van zaken geschetst. Op het cluster Jeugd is er een aanzienlijke stijging van de nettolasten per inwoner over de periode 2018-2020 van maar liefst 80% (tabel 2.2). Het ijkpunt van het gemeentefonds per inwoner stijgt voor Vlissingen met 26% echter aanzienlijk minder (tabel 2.1). Ook bij de andere groepen gemeenten is er over die periode een stijgende trend te zien. Echter met een gemiddelde stijging van de nettolasten per inwoner van ongeveer 36% is die stijging wel aanzienlijk minder dan bij Vlissingen. Ook blijkt dat Vlissingen vanaf 2020 meer € 38 per inwoner meer boven het ijkpunt van het gemeentefonds uitgeeft dan de selectiegemeenten. Hierbij speelt ook mee dat ook uit diverse onderzoeken en publicaties blijkt dat landelijk gezien de lasten van de jeugdzorg gestegen zijn en er daarnaast diverse ontwikkelingen zijn die van invloed kunnen zijn op de lasten bij de jeugdzorg ook van Vlissingen. Om te beginnen ligt hier dus een taak van Vlissingen om via maatregelen de tekorten op het cluster Jeugd aanzienlijk te verminderen.

Daarnaast zal echter gezien de landelijke trend van stijgende lasten bij de jeugdzorg ook moeten worden bezien door Vlissingen in hoeverre er landelijke of regionale (exogene) factoren zijn die ervoor zorgen dat het tekort stijgt en die ervoor zorgen dat Vlissingen zelf minder invloed heeft op de hoogte van de lasten. In hoofdstuk 4 wordt hierop nader ingegaan.

2.3.4

Uitgavencluster Maatschappelijke ondersteuning Het uitgavencluster Maatschappelijke ondersteuning is opgebouwd uit de taakvelden 6.6 (Maatwerkvoorzieningen Wmo), 6.71 (Maatwerkdienstverlening 18+) en 6.81 (Geëscaleerde zorg 18+). Hiertoe behoren de materiële voorzieningen om zelfstandig te kunnen functioneren (Wmo) voor mensen met fysieke beperkingen die op basis van een beschikking verstrekt worden. Daarnaast is de dienstverlening aan individuele cliënten met een beperking (fysiek/psychisch) die zelfstandig wonen en die ondersteuning behoeven in de vorm van beschikbare uren op basis van een toekenningsbeschikking onderdeel van dit cluster. Tot slot valt alle opvang- en beschermd wonen voorzieningen met inbegrip van eventuele maatwerkdienstverlening en maatwerkvoorzieningen voor personen die in de betreffende opvangvoorzieningen verblijven onder het cluster Maatschappelijke ondersteuning. Onderstaande tabel 2.7 geeft inzicht in de verschillende vergelijkingen voor het cluster Maatschappelijke ondersteuning.

24

Tabel 2.7

Vergelijkingen cluster Maatschappelijke ondersteuning

Cluster Maatschappelijke ondersteuning a

b3

b2

b1

b4

c

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Nettolasten Vlissingen

Verschil Vlissingen met uitkering GF

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

vergeleken met

IJkpunt van het gemeentefonds

Gemiddelde nettolasten selectiegroep

Gemiddelde nettolasten soortgenoten

Gemiddelde nettolasten groottegroep

Gemiddelde nettolasten gemeenten in Zeeland

Verschil selectiegroep met uitkering GF

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

per inwoner

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

( x € 1)

2018

92

-112

-52

-134

-109

-81

2019

115

-50

-35

-99

-78

-20

2020

112

-91

-69

-145

-128

-58

Jaar

-/- is hogere nettolasten voor Vlissingen Nettolasten 2020 op basis van Iv3 initiele begroting 2020 Gemeentefonds 2020 op basis van septembercirculaire 2019 (betaalmaand februari 2020) C ijfers 2018 en 2019 conform Inspectierapport 2019 Vergelijking a: Inclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang Vergelijking b en c: Exclusief Beschermd wonen, Vrouwenopvang en Maatschappelijke opvang

De tabel geeft een beeld van fors lagere nettolasten dan het ijkpunt van het gemeentefonds (a) en fors hogere nettolasten dan de gemiddelden van de groepen gemeenten (b1 t/m b4 en c). Na een verbetering in 2019 ten opzichte van 2018, verslechtert het beeld zich in 2020. Weliswaar stijgen de nettolasten op dit cluster in 2020 ten opzichte van 2018 met ruim € 9,9 miljoen (tabel 2.1). Daar staat echter een stijging van het ijkpunt van het gemeentefonds van € 10,8 miljoen tegenover. De redenen voor de stijging van de netto lasten zijn volgens Vlissingen: 1. Binnen het taakveld 6.71 (Wmo-dienstverlening) stijgen zowel de kosten voor Wmo begeleiding als huishoudelijke hulp. De toenames wordt veroorzaakt door een aantal ontwikkelingen zoals vergrijzing, overbelasting van mantelzorgers en de laagdrempeligheid voor huishoudelijke hulp vanwege het lage abonnementstarief. Anderzijds stromen er weinig cliënten uit doordat de toegang tot de Wet Langdurige Zorg (WLZ) strenger geworden is. 2. Binnen het taakveld 6.6 (Wmo-voorzieningen) nemen de kosten voor vervoersvoorzieningen toe. Zowel het aantal cliënten dat gebruik maakt van de vervoersvoorziening neemt toe alsmede de frequentie per cliënt. Dit wordt enerzijds veroorzaakt door de verdere vergrijzing, anderzijds door meer bekendheid van deze Wmo-voorziening.

Ondanks het feit dat Vlissingen aanzienlijk minder uitgeeft dan het ijkpunt van het gemeentefonds, heeft Vlissingen wel fors meer nettolasten per inwoner dan de groepen gemeenten. Ook op dit cluster wordt dan ook onderzocht of er maatregelen kunnen worden genomen om de nettolasten te verminderen. Dit past ook binnen een van de uitgangspunten van het verlengde artikel 12-onderzoek, zoals beschreven in paragraaf 4.2 van het inspectierapport 2019, namelijk dat het sociaal domein en werk & inkomen in zijn geheel onderwerp van onderzoek zijn. De reden hiervoor is dat de middelen die de gemeente krijgt uit het gemeentefonds (dus ook voor het sociaal domein en werk & inkomen) ontschot en vrij besteedbaar zijn. Dat betekent dus dat ondanks dat deze middelen gelabeld zijn, de gemeente binnen de kaders van de wet zelf mag beslissen hoe ze deze middelen wil gebruiken. Met deze vrijheid is het mogelijk om één budget voor het sociaal domein te maken en financiële schotten weg te halen. Daarmee is het mogelijk integraal te werken en beleid en uitvoering te ontschotten. Daarom zijn de gemeentefondsclusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd

25

en Maatschappelijke ondersteuning in zijn geheel onderwerp van onderzoek. In hoofdstuk 4 van het voorliggende inspectierapport wordt ingegaan op de stand van zaken hiervan. In de periode 2018-2020 stijgen de nettolasten per inwoner voor Vlissingen op dit cluster met 13% (tabel 2.2). Het gemeentefonds per inwoner stijgt met 16% echter meer (tabel 2.1). De gemiddelde stijging van de nettolasten per inwoner van de andere groepen gemeenten is 17%. De stijging van de nettolasten per inwoner voor Vlissingen is dus lager dan de stijging van het gemeentefonds en de andere groepen gemeenten. Wel is er een landelijke trend zichtbaar van stijging van de nettolasten. Daar staat echter een grotere stijging van het gemeentefonds tegenover. Op basis daarvan zou geconcludeerd kunnen worden dat de stijging van de nettolasten met name te maken heeft met extra taken en loon- en prijsbijstelling en er niet of nauwelijks sprake is van landelijke of regionale (exogene) factoren die de stijging van de nettolasten veroorzaken.

2.4

Conclusie In dit hoofdstuk is inzichtelijk gemaakt welke afwijkingen er zijn tussen enerzijds de nettolasten van Vlissingen en anderzijds het niveau van het gemeentefonds en het niveau van een aantal groepen gemeenten bij de uitgavenclusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning en bijbehorende taakvelden. Dit is normaliter van belang om te bepalen of er terreinen zijn waar een vervolgonderzoek moet plaatsvinden om te bezien of bezuinigingen mogelijk zijn. In dit vanaf 2019 verlengde artikel 12-onderzoek zijn het sociaal domein en werk & inkomen echter in zijn geheel onderwerp van onderzoek, ook op de clusters (taakvelden) waar Vlissingen lagere nettolasten heeft dan de ijkpunten van het gemeentefonds en/of andere groepen van gemeenten. De analyse is de komende periode dan ook vooral van belang om te volgen of de in dit inspectierapport beschreven onderzoeken en maatregelen uiteindelijk leiden tot lagere afwijkingen. Over het algemeen valt te zeggen dat het zonder extra maatregelen niet de goede kant uitgaat. In 2020 heeft er op drie van de vier clusters bij bijna alle vergelijkingen een verslechtering plaatsgevonden. Alleen bij het cluster Inkomen en participatie is er een kleine verbetering zichtbaar.

Hoofdstuk 4 gaat in op de maatregelen die worden genomen om het tij te keren en de lasten van Vlissingen meer te laten toegroeien naar het niveau van de baten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Naast de stijgende nettolasten per inwoner bij Vlissingen is er met name bij de clusters Samenkracht en burgerparticipatie en Jeugd ook bij de andere groepen gemeenten een stijgende trend te zien van de nettolasten per inwoner. En alhoewel om te beginnen er bij Vlissingen de taak ligt om via maatregelen de tekorten te verminderen, zal daarnaast bij deze clusters gezien de landelijke trend van stijgende lasten ook moeten worden bezien door Vlissingen in hoeverre er landelijke of regionale (exogene) factoren zijn die ervoor zorgen dat het tekort stijgt en die ervoor zorgen dat Vlissingen zelf minder invloed heeft op de hoogte van de lasten. In hoofdstuk 4 wordt hierop nader ingegaan. Bij het cluster Inkomen en participatie heeft Vlissingen bij vijf van de zes vergelijkingen hogere nettolasten. Alleen bij de vergelijking met de soortgenoten (gemeenten met een zwakke sociale structuur en redelijke centrumfunctie) heeft Vlissingen lagere nettolasten. Wel nemen de verschillen iets af in 2020 ten opzichte van 2019. Ook bij het cluster Samenkracht en burgerparticipatie is het beeld dat Vlissingen meer uitgeeft.

Vlissingen heeft in 2020 bij alle zes vergelijkingen hogere nettolasten. In 2019 was dat nog bij vier van de zes vergelijkingen. In 2020 ten opzichte van 2019 zijn de verschillen bovendien bij alle vergelijkingen verslechterd. In 2020 heeft Vlissingen op het cluster Jeugd bij de vergelijkingen met het gemeentefonds, de selectiegroep, de groottegroep, de gemeenten in Zeeland en het verschil selectiegroep

26

met uitkering gemeentefonds hogere nettolasten. Alleen bij de vergelijking met de soortgenoten heeft Vlissingen in 2020 nog iets lagere nettolasten. In 2020 verslechtert het beeld verder bij alle vergelijkingen. Bij de vergelijkingen bij het cluster Maatschappelijke ondersteuning zijn er fors lagere nettolasten dan het ijkpunt van het gemeentefonds en fors hogere nettolasten dan de gemiddelden van de groepen gemeenten. Na een verbetering in 2019 ten opzichte van 2018, verslechtert het beeld zich in 2020.

27

3

Reserves

3.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de stand en het verloop van de algemene reserve en de bestemmingsreserve Centrumtaken. De overige reserves en de voorzieningen vallen niet onder de scope van dit verlengde artikel 12-onderzoek dat zich concentreert op het sociaal domein en werk & inkomen. Paragraaf 3.2 gaat in op de algemene reserve en paragraaf 3.3 op de reserve Centrumtaken. De conclusies staan in paragraaf 3.4.

3.2

Algemene reserve In tabel 3.1 staat een overzicht van het verloop van de algemene reserve voor de periode 2015 t/m 2020, op basis van jaarrekening. De algemene reserve is daarbij gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de grondexploitatie, een deel dat betrekking heeft op het sociaal domein en werk & inkomen en een deel dat betrekking heeft op de ‘normale’ exploitatie (het restant). Tabel 3.1

Verloop algemene reserve (bedragen x € 1.000)

Jaar

2015

2016

2017

2018

2019

2020

AR 'normale' exploitatie

12.351

15.302

15.803

21.400

40.500

45.220

AR grondexploitatie

-45.342

-144.359

-173.424

-166.467

-140.934

-122.013

Te saneren AR a.g.v. grondexploitatie

-32.991

-129.057

-157.621

-145.067

-100.434

-76.793

AR sociaal domein en werk & inkomen

0

0

0

0

-11.078

-17.675

Te saneren AR a.g.v. SD en W&I

0

0

0

0

-11.078

-17.675

-32.991

-129.057

-157.621

-145.067

-111.512

-94.468

Totaal algemene reserve 2015 t/m 2020 o.b.v. jaarrekening

Het te saneren deel van de algemene reserve als gevolg van de tekorten bij de grondexploitatie is het saldo van de algemene reserve ‘normale’ exploitatie en de algemene reserve grondexploitatie 3. Dit deel van de algemene reserve wordt gesaneerd via de uitgangspunten en bedragen zoals opgenomen in het inspectierapport 2017-2018 en de beschikking van de beheerders van het gemeentefonds van 19 december 2019. In het actualisatieonderzoek in 2023 wordt onderzocht of de inschattingen die zijn gedaan en de adviezen die zijn gegeven in het inspectierapport 2017-2018 realistisch zijn gebleken en er aanleiding is voor aanpassing van de artikel 12-uitkering en de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve grondexploitatie op basis van het inspectierapport 2017-2018 en de beschikking van de fondsbeheerders. Indien het jaarrekeningsaldo hoger is dan de voorgeschreven passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering dan komt dit verschil ook ten goede aan dit deel van de algemene reserve. De negatieve algemene reserve als gevolg van het tekort sociaal domein en werk & inkomen wordt gesaneerd via de beschikking van de beheerders van het gemeentefonds van 4 februari 2021 (zie ook bijlage 1.2), via de in dit inspectierapport voorgestelde aanvullende uitkering over 2020 en via de resultaatbestemming 2020.

3 In tegenstelling tot bij de bepaling van de aanvullende uitkering in het inspectierapport 2017-2018 is hier niet gecorrigeerd voor het niet meenemen opbrengsten na 10-jaars termijn.

28

De sanering van de negatieve algemene reserve wordt weergegeven in onderstaande tabel 3.2. Aangetekend dient te worden dat de aanvullende uitkering 2020 uit de beschikking van de fondsbeheerders van 19-12-2019 van € 7 miljoen reeds is verwerkt in de stand van de te saneren algemene reserve 2020. Tabel 3.2

Sanering algemene reserve (bedragen x € 1.000) Sanering algemene reserve

'Normale' exploitatie

Grondexploitatie

Te saneren algemene reserve 2020 (zie tabel 3.1)*

-122.013

Sociaal domein en werk & inkomen

45.220

-17.675

Resultaatbestemming 2020: aanvullende uitkering (beschikking fondsbeheerders 4-2-2021)

10.363

3.944

2.047

13.494

-114.510

49.164

-5.265

-70.611

Anvullende uitkering( beschikking fondsbeheerders 19-12-2019)

7.000

Passende bijdrage Vlissingen (beschikking fondsbeheerders 19-12-2019)

1.690

7.000 1.690

Voorgestelde aanvullende uitkering inspectierapport 2020 Stand algemene reserve na sanering 2021

-94.468

10.363 7.503

Resultaatbestemming 2020: restant jaarrekeningsaldo 2020 Stand algemene reserve na sanering 2020

Totaal

-105.820

49.164

5.265

5.265

0

-56.656

* Aanvullende uitkering beschikking fondsbeheerders 19-12-2019 m.b.t. 2020 van € 7 miljoen hierin reeds vewerkt

3.3

Reserve Centrumtaken Verloop reserve Centrumtaken De centrumgemeentemiddelen voor Zeeland voor de uitvoering van beschermd wonen (BW), maatschappelijke opvang (MO) en vrouwenopvang (VO) worden jaarlijks opgenomen in de gemeentelijke begroting en de begroting van het College Zorg en Welzijn (CZW) bureau. Eventuele overschotten of tekorten in een bepaald jaar maakten tot en met 2015 onderdeel uit van de jaarrekening van het CZW-bureau. Tot en met 2015 maakte het financiële resultaat dan ook geen onderdeel uit van het jaarrekeningresultaat van Vlissingen. Aangezien de gemeente Vlissingen financieel verantwoordelijk is en ook de risico’s draagt bij overschrijding van de middelen, is het noodzakelijk om het jaarlijkse resultaat over de jaarrekening van de gemeente Vlissingen te laten lopen. Dit gebeurt vanaf 2016. In tabel 3.4 staat een overzicht van het verloop van de bestemmingsreserve Centrumtaken. Tabel 3.4

Verloop bestemmingsreserve Centrumtaken (bedragen x € 1.000)

Omschrijving (bedragen x 1000) Stand per 1 januari

2017

2018

2019

2020

2021

0

3.376

2.903

4.502

7.298

Totaal

2.379

1 Overschot op basis van Jaarrekening 2016 (via resultaatbestemming)

2.379

2 Beschermd wonen Zeeuwse gronden

-311

-311

3 Overschot op basis van Jaarrekening 2017

1.308

1.308

4 Tekort op basis van Jaarrekening 2018

-473

-473

5 Overschot op basis van Jaarrekening 2019

1.599

1.599

6 Overschot op basis van Jaarrekening 2020

2.796

2.796

7 Eerste begrotingswijziging 2021 CZW-bureau

-369

-369

8 Inkoop beschermd wonen

7.135

7.135

9 Walk-Inn en Doorstroomhuis

-212

-212

Totaal mutatie

3.376

-473

1.599

2.796

Stand per 31 december

3.376

2.903

4.502

7.298 13.852

29

6.554 13.852

Toelichting bij de tabel: 1-5) Diverse posten Deze posten zijn toegelicht in het inspectierapport 2019, paragraaf 3.4. 6) Overschot op basis van jaarrekening 2020 Het overschot op basis van Jaarrekening 2020 van per saldo € 2,8 miljoen betreft een voordelig effect op de PGB-bestedingen beschermd wonen, hogere eigen bijdragen beschermd wonen en niet bestede middelen beschermd wonen en vrouwenopvang. Daar tegen over staan nadelige effecten als gevolg van een claim van een zorgaanbieder beschermd wonen en verlaging vordering niet bestede middelen beschermd wonen en vrouwenopvang. 7) Eerste begrotingswijziging 2021 CZW-bureau De voorgestelde subsidieprogramma’s maatschappelijke opvang en vrouwenopvang zijn in 2021 hoger dan de bedragen in de programmabegroting 2021 van het CZW-bureau. Dit wordt met name veroorzaakt door indexering en om de door gemeenten en het Rijk gewenste doorontwikkeling van de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang te bewerkstelligen. Een deel van de extra lasten (€ 375.640) wordt gedekt via extra middelen in de septembercirculaire 2020 en decembercirculaire 2020, een andere deel (€ 368.570) via de reserve Centrumtaken. 8) Inkoop beschermd wonen Omdat de financiële grenzen ten aanzien van de betaalbaarheid van beschermd wonen in Zeeland waren bereikt, zijn er een aantal onderzoeken geweest naar o.a. de cliëntaantallen en de kostprijs/tarieven.

Uit deze onderzoeken bleek dat de tarieven naar beneden kunnen worden bijgesteld. Daarom zijn met ingang van 1-1-2020 nieuwe tarieven ingevoerd waardoor beschermd wonen in Zeeland € 39,4 miljoen kost. Het budgetplafond 2020 wordt daarmee ook € 39,4 miljoen (ter vergelijking: het budgetplafond voor 2019 stond op € 42,5 miljoen). Dit zet een rem op de ongebreidelde uitbreiding van beschermd wonen. Daarnaast wordt ook de productstructuur vereenvoudigd naar ‘slechts’ vier producten. Bovenop dit plafond wordt eenmalig een compensatiefonds gevuld met in totaal € 4 miljoen. Daarvan wordt de overgangstermijn voor 2020 en 2021 bekostigd voor de zorgaanbieders die er nu fors op achteruitgaan. Ook wordt een transformatiefonds ingesteld van ook in totaal € 4 miljoen, waaruit o.a. in 2021 en 2022 de transformatie naar tussenvoorzieningen bekostigd wordt conform de commissie Dannenberg, die er vanuit gaat dat cliënten zoveel als mogelijk in de wijken (gaan) wonen. Na toevoeging van de eigen bijdragen en aftrek van het PGB, kosten bedrijfsvoering en een aantal overige kosten ontstaat er hierdoor in 2020 een overschot beschermd wonen van € 5,044 miljoen. In onderstaande tabel wordt e.e.a. cijfermatig weergegeven.

Aangetekend hierbij dient te worden dat dit beleidsterrein erg in ontwikkeling is (gedeeltelijke overgang naar de Wet langdurige zorg, doordecentralisatie, ontwikkeling objectieve verdeelmodellen en transitie Dannenberg), waarbij nu nog geen rekening kon worden gehouden met eventuele financiële consequenties daarvan in de tabel.

30

Tabel 3.5

Beschermd wonen (bedragen x € 1.000)

Omschrijving (bedragen x 1.000)

2020

2021

Rijksbijdrage Beschermd W onen*

50.089

38.677

PGB

-2.700

-400

Eigen bijdrage

2.300

700

Budgetplafond

-39.400

-17.000

Ophoging budgetplafond

-500

Overgangsclienten januari-maart 2021

-4.800

Overgangsclienten april-juni 2021

-4.800

Compensatiefonds

-3.100

-900

Transformatiefonds

-4

-2.009

Kosten bedrijfsvoering

-547

-598

Diverse kosten

-35

-35

Berichtenverkeer beschermd w onen

-60

-50

Onafhankelijke deskundige beschermd w onen Inhuur inkoop beschermd w onen

-100 -4

Niet inbare eigen bijdrage beschermd w onen

0

Beroep op hardheidsclausule beschermd w onen

-18

Landelijk actieprogramma W eer Thuis

-18

Inhuur Significant

-21

Beschermd w onen Zeeuw se Gronden

-139

1e begrotingsw ijziging 2020 CZW -bureau

-550

-45

Programmabegroting 2021 CZW -bureau

-316

Contractbeheer beschermd w onen

-38

Tijdelijk verblijf client BW W est-Brabant

-48

-22

Onderzoek uitvoering centrumtaken

-25

Accountantsonderzoek beschermd w onen

-14

Beleidsontw ikkeling beschermd w onen (Nautus) Compensatie ZG 2019-2020

-81 -700

Regio-overstijgende casuïstiek

-500

Cliëntparticipatie beschermd w onen

-10

Overschot**

5.044

7.135

* Op basis van decembercirculaire 2020 ** LET OP: In deze tabel is nog geen rekening gehouden met de financiële consequenties van de gedeeltelijke overgang naar de Wet langdurige zorg, de doordecentralisatie, de ontwikkeling van de objectieve verdeelmodellen en de transitie Dannenberg.

9) Walk-Inn en Doorstroomhuis Het Walk-Inn en Doorstroomhuis is een bestaande regionale voorziening van het Leger des Heils waar dag- nacht en een tussenvorm van 24-uursopvang plaatsvindt. Na een verzoek van de gemeente Goes en de Oosterschelderegio is in de werkgroep Maatschappelijke opvang overeengekomen dat deze vanaf 2021 uit de centrummiddelen bekostigd zou moeten worden met een subsidie van € 212.487. Omdat de voorzieningen in Vlissingen (Walcheren) en Terneuzen (Zeeuws-Vlaanderen) ook gefinancierd worden vanuit de centrumgemeentemiddelen, is het logisch dat dat ook het geval is voor de voorziening in Goes (Oosterschelderegio). Daarnaast is financieren van het Walk-Inn en Doorstroomhuis vanuit de centrumgemeentemiddelen in lijn met de afspraken van 2020, toen de noodbedden in Goes werden overgeheveld. Toen is aangekondigd dat de ontwikkeling in Goes, waar tot een paar jaar geleden volledig een opvangvoorziening ontbrak, een verantwoordelijkheid is van de regio Zeeland.

31

Inzet reserve Centrumtaken De inspecteur is van mening dat met ingang van 2020 voor de centrumgemeentemiddelen beschermd wonen (BW), vrouwenopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO) uit het gemeentefonds geldt dat deze door Vlissingen kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken. De redenen zijn: 1. In de Financiële verhoudingswet wordt bepaald dat de middelen uit het gemeentefonds vrij besteedbaar zijn voor de gemeente. Dit geldt ook voor de middelen beschermd wonen (BW), vrouwenpopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO). Formeel zijn de middelen MO, VO en BW dan ook van de centrumgemeente. De overschotten bij BW, MO en VO kunnen dan ook aan andere onderdelen van het sociaal domein worden uitgegeven door Vlissingen. 2. Op dit moment zijn er met de Zeeuwse gemeenten geen afspraken gemaakt over verevening. In geval van budgetoverschrijding zal op dat moment moeten blijken of de Zeeuwse gemeenten bereid zijn een deel van de last te dragen. Dat betekent naar het oordeel van de inspecteur dat de risico’s bij een overschrijding in de regio momenteel geheel bij Vlissingen liggen als centrumgemeente. Dat betekent echter ook dat overschotten ten goede kunnen komen aan Vlissingen.

In de deelovereenkomst beschermd wonen voor de Zeeuwse regio wordt bepaald dat voor de vaststelling van de bekostiging in 2018 en 2019 als budgetplatfond geldt het totaal van de uitkering die hiervoor jaarlijks door het Rijk aan de gemeente Vlissingen beschikbaar wordt gesteld (macrobudgettair kader). Dat betekent naar het oordeel van de inspecteur dat in 2019 nog niet gebruik kan worden gemaakt van de reserve Centrumtaken voor het opvangen van de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen als geheel. Voor 2020 en verder geldt deze overeenkomst echter niet meer. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag dat uit de reserve Centrumtaken kan worden gebruikt voor de sanering van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen is het volgende meegewogen: 1. Het spanningsveld tussen het juridisch eigendom van de bestemmingsreserve en de regio. De andere 12 Zeeuwse gemeenten zien de reserve Centrumtaken als gemeenschappelijk eigendom. Indien de gemeente Vlissingen eenzijdig besluit het geld in te zetten ten behoeve van haar eigen tekorten, dan kan dat de samenwerking met de overige gemeenten een forse knauw geven. Gezien de grote hoeveelheid samenwerkingsverbanden in het Zeeuwse zou dat tot ongewenste spanningen kunnen leiden.

Dat neemt echter niet weg dat gezien de omvang van de reserve aan de ene kant en de omvang van de tekorten in Vlissingen aan de andere kant naar het oordeel van de inspecteur de regiogemeenten als blijk van solidariteit zouden kunnen instemmen met een tijdelijke inzet van een deel van de reserve voor de tekorten in Vlissingen. Daarnaast dient hierbij ook het belang van de collectiviteit der gemeenten via de aanvullende uitkering te worden meegewogen. 2. Het spanningsveld tussen de inzetbare bestemmingsreserve en onzekerheden en financiële risico’s ten aanzien van (de toekomstige kosten van) het overheidsbeleid. Het gaat dan om de volgende risico’s: a. Naar verwachting in 2021 gaat een groot aantal cliënten beschermd wonen over naar de Wet langdurige zorg (Wlz). Landelijk gaat men uit van 1/3 deel van de cliënten. In Zeeland wordt uitgegaan van ‘ruim de helft’: ± 55%. Het risico bestaat dat de berekening van de uitname uit de integratie-uitkering Beschermd wonen ongunstig uitpakt voor Zeeland. Bij deze uitname wordt gerekend met de (hogere) tarieven uit 2019. b. Naar verwachting in 2023, als de integratie-uitkering Beschermd wonen gedaald is, vindt de doordecentralisatie beschermd wonen en maatschappelijke opvang plaats. Dat betekent dat de individuele gemeenten (ook) in financieel opzicht zelf verantwoordelijk worden en er niet meer gewerkt wordt met centrumgemeente.

Er wordt (in tien jaar tijd) overgegaan naar een nieuw objectief verdeelmodel. Daarnaast is er een ingroeipad van 10 jaar waarin de regiogemeenten stapsgewijs meer verantwoordelijkheid krijgen. Het begint met het onderscheid dat de nieuwe

32

c.

d.

cliënten onder verantwoordelijkheid van de regiogemeenten gaan vallen en de bestaande cliënten blijven onder verantwoordelijkheid van de centrumgemeente. Het is nog onbekend hoe dit precies uitpakt voor Zeeland als regio en Vlissingen in het bijzonder. Zoals het er nu naar uitziet betekent dit dat het bedrag dat Vlissingen voor BW nu krijgt voor de heel Zeeland van circa € 38,7 miljoen in 2021 geleidelijk daalt naar een bedrag voor alleen Vlissingen van circa € 4,4 miljoen in 2032 (zie ook bijlage 4.3, opdracht 5.1). In 2023 wordt de herijking van het gemeentefonds voor het sociaal domein doorgevoerd. Ook hiervan zijn de gevolgen voor Zeeland als regio en de dertien lokale gemeenten nog onbekend. Transitie Dannenberg.

De omvang van deze risico’s is nu nog niet met zekerheid vast te stellen, echter naar het oordeel van de inspecteur is de omvang van de reserve dusdanig dat een deel besteed kan worden voor de huidige tekorten en er dan nog voldoende resteert. Of er daadwerkelijk een bedrag uit de reserve Centrumtaken gebruikt wordt voor de tekorten sociaal domein en werk & inkomen en zo ja welk bedrag, zal per jaar echter ook afhangen van de realisatie van de bezuinigingen en de ontwikkeling van het tekort. Gezien de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen (zie hoofdstuk 5) wordt geadviseerd deze reserve van € 7,3 miljoen (stand 31 december 2020) voor 2020 (nog) niet in te zetten voor de sanering van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. Voor 2021 en verder zal deze afweging opnieuw dienen te worden gemaakt.

3.4

Conclusie De sanering van de negatieve algemene reserve wordt weergegeven in tabel 3.2 in paragraaf 3.2. Hierbij geldt: 1. Het te saneren deel van de algemene reserve als gevolg van de tekorten bij de grondexploitatie is het saldo van de algemene reserve ‘normale’ exploitatie en de algemene reserve grondexploitatie. Dit deel van de algemene reserve wordt gesaneerd via de uitgangspunten en bedragen zoals opgenomen in het inspectierapport 20172018 en de beschikking van de beheerders van het gemeentefonds van 19 december 2019. In het actualisatieonderzoek in 2023 wordt onderzocht of de inschattingen die zijn gedaan en de adviezen die zijn gegeven in het inspectierapport 2017-2018 realistisch zijn gebleken en er aanleiding is voor aanpassing van de artikel 12-uitkering en de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve grondexploitatie op basis van het inspectierapport 2017-2018 en de beschikking van de fondsbeheerders. Indien het jaarrekeningsaldo hoger is dan de voorgeschreven passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering dan komt dit verschil ook ten goede aan dit deel van de algemene reserve. 2.

De negatieve algemene reserve als gevolg van het tekort sociaal domein en werk & inkomen wordt gesaneerd via de beschikking van de beheerders van het gemeentefonds van 4 februari 2021 (zie ook bijlage 1.2), via de in dit inspectierapport voorgestelde aanvullende uitkering over 2020 en via de resultaatbestemming 2020. Met betrekking tot de bestemmingsreserve Centrumtaken is de inspecteur van mening dat met ingang van 2020 voor de centrumgemeentemiddelen beschermd wonen (BW), vrouwenopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO) uit het gemeentefonds geldt dat deze door Vlissingen kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken. De redenen zijn: 1. In de Financiële verhoudingswet wordt bepaald dat de middelen uit het gemeentefonds vrij besteedbaar zijn voor de gemeente. Dit geldt ook voor de middelen beschermd wonen (BW), vrouwenpopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO). Formeel zijn de middelen MO, VO en BW dan ook van de centrumgemeente. De overschotten bij BW,

33

MO en VO kunnen dan ook aan andere onderdelen van het sociaal domein worden uitgegeven door Vlissingen. 2. Op dit moment zijn er met de Zeeuwse gemeenten geen afspraken gemaakt over verevening. In geval van budgetoverschrijding zal op dat moment moeten blijken of de Zeeuwse gemeenten bereid zijn een deel van de last te dragen. Dat betekent naar het oordeel van de inspecteur dat de risico’s bij een overschrijding in de regio momenteel geheel bij Vlissingen liggen als centrumgemeente. Dat betekent echter ook dat overschotten ten goede kunnen komen aan Vlissingen. Of er daadwerkelijk een bedrag uit de reserve Centrumtaken gebruikt wordt voor de tekorten sociaal domein en werk & inkomen en zo ja welk bedrag, zal per jaar afhangen van de realisatie van de bezuinigingen en de ontwikkeling van het tekort op dit vlak en eventuele benodigde inzet van deze reserve voor onzekerheden en risico’s de komende jaren, zoals de doordecentralisatie beschermd wonen, transitie Dannenberg en de gedeeltelijke overgang beschermd wonen naar de Wet langdurige zorg. Gezien de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen (zie hoofdstuk 5) wordt geadviseerd deze reserve van € 7,3 miljoen (stand 31 december 2020) voor 2020 (nog) niet in te zetten voor de sanering van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. Voor 2021 en verder zal deze afweging opnieuw dienen te worden gemaakt.

34

4

Onderzoek en maatregelen

4.1

Inleiding In het kader van het verlengde artikel 12-onderzoek dient Vlissingen onderzoek uit te voeren en maatregelen te nemen op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Het belangrijkste doel hiervan is betere grip op de kostenontwikkeling en reduceren van de tekorten. Dit hoofdstuk wordt ingegaan op de onderzoeken en maatregelen op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. In paragraaf 4.2 worden de uitgangspunten van het artikel 12-onderzoek weergegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 ingegaan op het Plan van aanpak en in paragraaf 4.4 op de maatregelen voor het saneren van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen en de daaraan gekoppelde taakstellingen. De conclusies volgen in paragraaf 4.5.

4.2

Uitgangspunten artikel 12-onderzoek In het verlengde artikel 12-onderzoek wordt tot en met 2022 alleen onderzoek gedaan naar het sociaal domein en werk & inkomen. In het inspectierapport 2019 paragraaf 4.2 is ingegaan op de uitgangspunten hierbij. Voor de volledigheid en zelfstandige leesbaarheid worden deze uitgangspunten hieronder nogmaals vermeld: 1. Het belangrijkste doel binnen artikel 12 is betere grip op de kostenontwikkeling en reduceren van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen zodat Vlissingen meer toegroeit naar het niveau van de ontvangsten op dit vlak en weer op eigen benen kan staan. 2. Het sociaal domein en werk & inkomen zijn in zijn geheel onderwerp van onderzoek. De reden hiervoor is dat de middelen die de gemeente krijgt uit het gemeentefonds (dus ook voor het sociaal domein en werk & inkomen) ontschot en vrij besteedbaar zijn. Dat betekent dus dat ondanks dat deze middelen gelabeld zijn, de gemeente binnen de kaders van de wet zelf mag beslissen hoe ze deze middelen wil gebruiken. Met deze vrijheid is het mogelijk om één budget voor het sociaal domein te maken en financiële schotten weg te halen. Daarmee is het mogelijk integraal te werken en beleid en uitvoering te ontschotten.

Dat betekent dat de gemeentefondsclusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning in zijn geheel worden onderzocht. 3. Ook voor de centrumgemeentemiddelen beschermd wonen (BW), vrouwenopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO) uit het gemeentefonds geldt dat deze vrij besteedbaar zijn en dus kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken. 4. Als er meer geld komt vanuit het Rijk (gemeentefonds) voor sociaal domein en werk & inkomen dan dient dit gebruikt te worden voor opvangen van bestaande tekorten. Vlissingen dient via O&O (onontkoombaar en onuitstelbaar) te onderbouwen als een deel betrekking heeft op loon-, prijs- of volumeontwikkelingen of gebruikt dient te worden voor nieuwe taken of intensiveringen van bestaande taken. Het per definitie een op een vertalen in ook hogere lasten of doorzetten naar samenwerkingsverbanden (gemeenschappelijke regelingen) is niet meer passend in de huidige situatie van Vlissingen en niet mogelijk binnen artikel 12. 5. Alle intensiveringen, lastenstijgingen en nieuw beleid op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen (zoals opgenomen in begrotingen, jaarrekeningen, bestuursrapportages, begrotingswijzigingen en kadernota’s) moeten via O&O (Onvermijdelijk en Onuitstelbaar) beoordeeld worden.

Vlissingen dient deze posten te onderbouwen, waarna deze door de provincie en de inspecteur beoordeeld en

35

eventueel geaccordeerd worden. Uitgangspunt hierbij is dat de Rijksmiddelen toereikend moeten zijn voor de uitvoering van deze taken. Daarbij geldt dat zolang er (nog) geen O&O-akkoord ligt er ook daadwerkelijk geen uitgaven mogen worden gedaan op deze vlakken. 6. Naast de onderzoeken en maatregelen van Vlissingen zelf worden er ook landelijk een aantal onderzoeken en evaluaties uitgevoerd op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. De uitkomsten hiervan kunnen vanzelfsprekend van invloed zijn op Vlissingen en dienen dan ook te worden meegenomen in dit artikel 12-onderzoek. Van belang hierbij is ook te bezien in hoeverre bepaalde landelijke wet- en regelgeving en jurisprudentie effect hebben op de mate van invloed (grip) van Vlissingen op de beheersing van de lasten en de sturingsmogelijkheden van de gemeente zelf. Van belang is dus dat dit artikel 12-onderzoek inzicht geeft in wat aan de ene kant specifiek lokale vraagstukken zijn die Vlissingen al dan niet binnen de samenwerkingsverbanden moet oplossen en aan de andere kant wat landelijke problematiek is dat alleen landelijk kan worden opgelost. 7. Zoals aangegeven is het sociaal domein en werk & inkomen in zijn geheel onderwerp van onderzoek.

Dat betekent ook dat de uit te voeren taken binnen dit beleidsterrein zo breed als mogelijk worden onderzocht en dat daarbij ook ingegaan moet worden op: a) Inkoop (inclusief bekostigingssystematiek, opdrachtgeverschap en aanbesteding). b) Toegang. c) Beleid, visie, ambitie en doelstellingen van de gemeente. d) Governance en aansturing en bijsturing door de gemeente (inclusief bij de samenwerkingsverbanden). e) Gebruik data, aanwezige kennis en inzicht m.b.t. sociaal domein. f) Uitvoering. g) Uitstroom. 8. Aangezien het uitgangspunt is dat Vlissingen, behoudens het sociaal domein en werk & inkomen, weer financieel op eigen benen staat en eigen risicodrager is, wordt de ontwikkeling van het totale begrotingssaldo inclusief de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve ‘slechts’ op hoofdlijnen gevolgd. Dit met name omdat het van belang is om te bezien in hoeverre Vlissingen zelf kan bijdragen aan de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Er wordt hier echter geen onderzoek meer naar uitgevoerd. De afgelopen periode 2015-2018 is hier immers reeds uitgebreid naar gekeken. 9. Vlissingen maakt op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen deel uit van een aantal samenwerkingsverbanden.

Bij jeugd (provinciaal inkoopbureau), bij Wmo (bijvoorbeeld uitbesteding via het CZW-bureau en deelname GR GGD) en bij werk (deelname GR Orionis), is sprake van verplichtingen die voortvloeien uit (juridisch vastgelegde) afspraken en die een claim leggen op (een deel van) de middelen. Dit betekent echter niet dat er hierdoor geen veranderingen te realiseren zijn. Ook hierbij dient te worden bezien of het op het vlak van organisatie, aansturing en kosten anders kan en of de afspraken die zijn gemaakt binnen de bestaande samenwerkingsverbanden aangepast kunnen worden. Vlissingen is hiervoor zelf aan zet.

4.3

Plan van aanpak In het inspectierapport 2019 (paragraaf 4.2) is de aanpak weergegeven van de gemeente Vlissingen om de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen te saneren. Deze aanpak bevatte drie sporen, die vanzelfsprekend niet los van elkaar kunnen worden gezien: 1) hefbomen voor verbetering, 2) opdrachten Plan van aanpak en 3) de Ontwikkelagenda.

36

Het Plan van aanpak artikel 12 sociaal domein en werk & inkomen (verder PvA) is het overkoepelende document. Het PvA geeft een overzicht en de stand van zaken van de aanpak van de problematiek en de aanpak van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. Dit gebeurt aan de hand van concrete opdrachten van de artikel 12-inspecteur aan de gemeente Vlissingen, waarin bovengenoemde sporen samenkomen. Het doel is dat de opdrachten leiden tot concrete maatregelen en bezuinigingen. De opdrachten zijn breed en behelzen het gehele sociaal domein en werk & inkomen. De opdrachten worden onderstaand kort beschreven. Aangetekend dient te worden dat ten opzichte van het inspectierapport 2019 opdracht 7 is vervallen, omdat alle onderzoeken vallen onder de opdrachten 1 t/m 6. Daarnaast hebben sommige opdrachten een andere naam en invulling gekregen. Opdracht 1: Onderbouwing via Onvermijdelijk en Onuitstelbaar (O&O) van alle intensiveringen vanaf 2019 op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen Alle intensiveringen, lastenstijgingen en nieuw beleid (ten opzichte van het niveau 2018) op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen (zoals opgenomen in begrotingen, bestuursrapportages, begrotingswijzigingen en kadernota’s) moeten via O&O (Onvermijdelijk en Onuitstelbaar) beoordeeld worden.

Vlissingen dient deze posten te onderbouwen, waarna deze door de provincie en de inspecteur beoordeeld en eventueel geaccordeerd worden. Uitgangspunt hierbij is dat de Rijksmiddelen toereikend moeten zijn voor de uitvoering van deze taken. Daarbij geldt dat zolang er (nog) geen O&O-akkoord ligt er ook daadwerkelijk geen uitgaven mogen worden gedaan op deze vlakken. Op dit onderdeel als alsmede welke consequenties dat heeft voor de begrotingssaldi wordt dieper ingegaan in hoofdstuk 5 van het voorliggende inspectierapport. Opdracht 2: Nettolasten vergeleken (clusteranalyse clusters gemeentefonds) Voor de clusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning wordt een clusteranalyse uitgevoerd. Het doel is niet zo zeer om te bepalen op welke terreinen onderzoek moet plaatsvinden. Dat is namelijk het sociaal domein en werk & in komen als geheel. Het doel is met name om te bezien of de nettolasten van Vlissingen toegroeien naar het niveau van het gemeentefonds en andere groepen gemeenten. Deze opdracht wordt gepresenteerd in hoofdstuk 2 van dit inspectierapport. Opdracht 3: Onderzoek effectiviteit en efficiency Deze opdracht bestaat uit vier delen, die niet los van elkaar kunnen worden gezien: a. Onderzoek naar effectiviteit en efficiency op het vlak werk & inkomen.

Bezien of er mogelijkheden zijn om verbeteringen aan te brengen zodat de lasten structureel kunnen dalen. b. Onderzoek naar effectiviteit en efficiency op het vlak sociaal domein. Bezien of er mogelijkheden zijn om verbeteringen aan te brengen zodat de lasten bij jeugd en Wmo structureel kunnen dalen. c. Vergelijkingsonderzoek op basis van (norm-)indicatoren in het sociaal domein en werk & inkomen (landelijk, regionaal, lokaal). d. Vergelijkingsonderzoek op basis van ‘best-practices’. Deze opdracht is nader uitgewerkt in de opdrachten 3.1 t/m 3.13. Deze worden beschreven in bijlage 4.1. Opdracht 4: Mate van invloed van Vlissingen Onderzoek naar de mate van invloed van Vlissingen op het vlak van sociaal domein en werk & inkomen. Hieronder valt o.a. in hoeverre bepaalde (exogene) factoren effect hebben op de mate van invloed van Vlissingen op de beheersing van de lasten. Ook zijn hierbij de Zeeuwse samenwerkingsverbanden van belang. De belangen van de samenwerkingsverbanden zijn immers niet ‘vanzelf’ gelijk aan die van de gemeente Vlissingen. Daarnaast wordt hier bezien in hoeverre de herijking van de verdeelmodellen sociaal domein in het gemeentefonds invloed heeft. De manier waarop de Rijksmiddelen worden verdeeld over de gemeenten is van groot belang. Op het ogenblijk vindt er breed

37

kwantitatief onderzoek van het gemeentefonds plaats met als doel te komen tot volledige en integrale herijking van de verdeling van het gemeentefonds, zodat de bekostigingssystematiek beter rekening houdt met regionale verschillen. De uitkomsten kunnen consequenties hebben voor Vlissingen. De vragen die bij deze opdracht beantwoord moeten worden hebben o.a. betrekking op aspecten uit de bedrijfsvoering en/of de wijze waarop de gemeente invulling kan geven aan haar rol als regisseur en opdrachtgever in het sociaal domein. Deze vragen nodigen uit tot het maken van een aantal richtinggevende keuzes in de wijze waarop Vlissingen in de komende jaren samen met de uitvoeringsorganisaties de uitdagingen in het sociaal domein op wil pakken. Deze keuzes bieden dan de aansturingskaders voor de realisatie van de ambities, waarbij voorop blijft staan het uitgangspunt dat Vlissingen betere grip krijgt op de kostenontwikkeling en meer wordt toegegroeid naar het niveau van de ontvangsten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Deze opdracht is nader uitgewerkt in de opdrachten 4.1 en 4.2. Deze worden beschreven in bijlage 4.2. Opdracht 5: Regiomiddelen sociaal domein Vlissingen is centrumgemeente voor de regio Zeeland met betrekking tot beschermd wonen (BW), maatschappelijke opvang (MO) en vrouwenopvang (VO).

In kaart moet gebracht worden wat de consequenties zijn voor Vlissingen van het nieuwe verdeelmodel m.b.t. de regiomiddelen en de doordecentralisatie van beschermd wonen. Daarnaast dient te worden bezien welke knoppen Vlissingen heeft om de stijging in aanbod van met name beschermd wonen te kunnen kanaliseren. Deze opdracht is nader uitgewerkt in de opdracht 5.1. Deze wordt beschreven in bijlage 4.3. Opdracht 6: Ondersteuning Vlissingen De gemeente heeft reeds gebruikt gemaakt van de Visitatiecommissie sociaal domein van de VNG. Zie hiervoor inspectierapport 2019, paragraaf 4.3. Daarnaast dient geïnventariseerd te worden of er nog trajecten zijn waarin gemeenten ondersteuning kunnen krijgen op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Waar wenselijk en nuttig moet de gemeente gebruik maken van deze mogelijkheden. Deze opdracht wordt nader uitgewerkt in opdracht 6.1 (bijlage 4.4). Opdrachten en maatregelen/ontwikkelingen Op basis van deze opdrachten zijn er in 2020 en 2021 een aantal maatregelen geformuleerd en (landelijke) ontwikkelingen in kaart gebracht. Deze maatregelen en ontwikkelingen worden in paragraaf 4.4 behandeld. In onderstaande tabel 4.1 worden de verschillende opdrachten en bijbehorende maatregelen en ontwikkelingen weergeven.

38

Tabel 4.1

Opdrachten Plan van aanpak artikel 12

Onderzoeksopdrachten Plan van aanpak artikel 12

Vindplaats inspectierapport Maatregel/ontwikkeling

1) Onderbouwing via Onvermijdelijk en Onuitstelbaar (O&O)

Hoofdstuk 5

nvt

2) Clusteranalyse clusters gemeentefonds

Hoofdstuk 2

nvt

Opdracht 3.1 Onderzoek Werk & Inkomen (Orionis)

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

3. Herijking uitvoering participatiewet en invulling adviezen Orionis

Opdracht 3.2 Onderzoek Jeugd

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

13. Maatregelen jeugdzorg

Opdracht 3.3 Onderzoek Wmo & Welzijn

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

1. Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie 5. Deelvoorstel ondersteuningsinfrastructuur: dagbesteding 6. Deelvoorstel ondersteuningsinfrastructuur: ambulantisering

Opdracht 3.4 Zeeuwse samenwerking sociaal domein (ZSSD)

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

11. Financiële impact (exogene) factoren 15. Vergroten grip en sturing samenwerkingsverbanden

Opdracht 3.5 Ontwikkelagenda sociaal domein

Bijlage 4.1

nvt

Opdracht 3.6 Lokale toegang Wmo en Jeugd

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

2. Inrichten integrale toegang

Opdracht 3.7 Doelgroepenvervoer

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

14. Maatregelen doelgroepenvervoer

Opdracht 3.8 Gecertificeerde Instellingen

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

13. Maatregelen jeugdzorg

Opdracht 3.9 Verbeterplan hulpinstanties Zeeland

Bijlage 4.1

nvt

Opdracht 3.10 Aanvullende acties & maatregelen en bezuinigingen

Paragraaf 4.4, bijlage 4.1

4. Aanvullende maatregelen 2020 7. Aanvullende bezuinigingen vanaf 2021 8. Instellen budgetplafonds 10. Verbreden artikel 12-onderzoek en -reikwijdte 16. Overige bezuinigingen

Opdracht 3.11 Vergelijkingsonderzoek algemeen (Benchmarks)

Bijlage 4.1

nvt

Opdracht 3.12 Vergelijkingsonderzoek gemeenten (Best Practices)

Bijlage 4.1

nvt

Opdracht 3.13 Informatiebeleid in het sociaal domein

Bijlage 4.1

nnb

Opdracht 4.1 Mate van invloed van Vlissingen (en exogene factoren)

Paragraaf 4.4, bijlage 4.2

9. Financiële impact landelijke ontwikkelingen sociaal domein 11. Financiële impact (exogene) factoren

Opdracht 4.2 Herijking verdeelmodellen sociaal domein

Paragraaf 4.4, bijlage 4.2

9. Financiële impact landelijke ontwikkelingen sociaal domein

Paragraaf 3.3, bijlage 4.3

12. Inkoop beschermd wonen en inzet reserve centrumtaken

Bijlage 4.4

nvt

3) Onderzoek effectiviteit en efficiency

4) Mate van invloed van Vlissingen

5) Regiomiddelen sociaal domein Opdracht 5.1 Regiomiddelen (BW, VO en MO) 6) Ondersteuning Vlissingen Opdracht 6.1 Ondersteuning Vlissingen

4.4

Sanering tekorten Op basis van het Plan van aanpak zijn in 2020 en 2021 een aantal concrete maatregelen uitgewerkt. Hieraan zijn voor zover nu mogelijk concrete taakstellingen gekoppeld om de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen te saneren. Op basis van de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen zal worden bezien of ook nog extra taakstellingen nodig zijn. Ook is in kaart gebracht welke (landelijke) ontwikkelingen er zijn op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen. Deze maatregelen en ontwikkelingen zijn: 1. Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie. 2. Inrichten integrale toegang. 3. Herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis. 4. Aanvullende maatregelen 2020. 5. Deelvoorstel ondersteuningsinfrastructuur: dagbesteding. 6. Deelvoorstel ondersteuningsinfrastructuur: ambulantisering. 7. Aanvullende bezuinigingen vanaf 2021.

39

8. Instellen budgetplafonds. 9. Financiële impact landelijke ontwikkelingen sociaal domein. 10. Verbreden artikel 12-onderzoek en -reikwijdte. 11. Financiële impact (exogene) factoren. 12. Inkoop beschermd wonen en inzet reserve Centrumtaken. 13. Maatregelen jeugdzorg. 14. Maatregelen doelgroepenvervoer. 15. Vergroten grip en sturing samenwerkingsverbanden. 16. Overige bezuinigingen. 1) Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie De maatregelen met betrekking tot de ombouw van de ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie zijn vooral gebaseerd op de uitkomsten van het in het kader van het Plan van aanpak uitgevoerde best practice onderzoek. De verschillende veranderelementen in de voorstellen hebben zich in de landelijke praktijk bewezen. Enkele voorbeelden zijn het werken met een zeer beperkt aantal leveranciers, integrale buurtteams die generalistische ondersteuning in de woonomgeving bieden, de inzet van budgetplafonds en populatiebekostiging. Om doelmatiger en doeltreffender te kunnen werken en het aantal individuele maatwerkvoorzieningen terug te dringen, wordt de ondersteuning naar de inwoners in de eigen woonomgeving toegebracht. Afgestemd op de samenstelling van de wijk en buurt, is een team van medewerkers verantwoordelijk voor het oppakken van alle ondersteuningsvragen.

In de huidige situatie is er een versnipperd voorliggend veld in de gemeente Vlissingen. Het aanbod van voorliggende voorzieningen is groot, er is veel overlap in het aanbod en is het onsamenhangend georganiseerd. Overzicht en grip ontbreken. De gedachte bestaat “dat de hoge consumptie in achterstandswijken mede komt door inadequaat handelen van professionals, omdat zij zich alleen richten op de problemen die binnen het eigen domein vallen”. Er wordt daarom een ondersteuningsnetwerk (buurtteams) gebouwd naar analogie van de best practices in het land en daarvoor wordt gebruik gemaakt van een deel van de bestaande kennis en expertise die al beschikbaar is in Vlissingen. De uitgangspunten voor de nieuwe aanpak zijn: • Één aanbieder (nieuwe organisatie). • Één zak met geld (lump-sum/budgetplafond). • Positionering buurtteams (generalistische basishulp) o.b.v. de specifieke problematiek in de wijk/buurt. • Specialismen ondersteunen de buurtteams in de wijk/buurt. • Reflecteren, leren en onderling uitwisselen (o.b.v. casuïstiek) Het doel is: efficiënter en effectiever organiseren van preventie, participatie en vroegsignalering in de vertrouwde woonomgeving van onze inwoners en daarmee instroom in individuele maatwerkvoorzieningen (vanuit de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet) voorkomen.

Het resultaat is: Generalistische basishulp is beschikbaar in de wijken/buurten, afgestemd op de samenstelling en de ondersteuningsvragen van de inwoners. Dit wordt stapsgewijs in 2021-2022 ingevoerd. In tabel 4.2 wordt weergeven welke taakstelling hieraan gekoppeld is. Hierbij is het uitgangspunt dat via deze maatregel en via de onder punt 2 beschreven maatregel een percentage van de in 2021 begrote uitgaven op het vlak van Wmo en jeugd wordt bezuinigd. In 2021 is dat 5%, in 2022 is dat 10% en vanaf 2023 is dat 15%. 2) Inrichten integrale toegang Ook deze maatregel vloeit voort uit het best practice onderzoek uit het Plan van aanpak. Daaruit blijkt dat de gemeente zoveel als mogelijk de indicatiestelling en het verstrekken

40

van beschikkingen in eigen hand moet houden om werkelijk control te verkrijgen op de uitgaven. Dat vraagt om het bijeenbrengen van expertises in de integrale toegang. Het doel is daarom te komen tot een betaalbare, toekomstbestendige en zo optimaal mogelijk functionerende uitvoering en organisatie van de toegang in de gemeente Vlissingen, mede in relatie tot het integrale sociaal domein. Om dit te bereiken is een integrale gemeentelijke toegang gerealiseerd waar de uitvoering is belegd van de Wmo, Jeugdwet, (een deel van de) Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, bijzondere bijstand, nieuwe Wet inburgering, openbare geestelijke gezondheidszorg (meldpunt), Wet gedwongen geestelijke gezondheidszorg (meldpunt), beschermd wonen en problematiek van verwarde personen (procesregie). De integrale gemeentelijke toegang voert de regie op complexe en meervoudige hulpvragen en verleend de toegang tot individuele maatwerkvoorzieningen en controleert deze. Toegangsmedewerkers maken deel uit van en/of werken samen met de buurt/wijkteams met een specifieke taak en mandaat om toe en af te wijzen van individuele maatwerkvoorzieningen (Poortwachtersfunctie). De integrale toegang heeft een regieteam dat een specifieke taak heeft bij domein overstijgende casussen waar risicofactoren en veiligheidsaspecten spelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10787495/2