CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 rvs Vaststellen bestemmingsplan 'Scheldekwartier-noord, gedeelte De Dempo' bijlage 1 bp

Commissie Ruimte 13 januari 2022, gemeente VlissingenBij agendapunt: Raadsbesluit vaststellen bestemmingsplan 'Scheldekwartier-noord, gedeelte De Dempo'32.056 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Er bestaat geen verplichting tot het treffen van geluidreducerende maatregelen. Uiteraard kunnen deze in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden overwogen. In de praktijk zal het effect van maatregelen naar verwachting tegenvallen. Het verlagen van de maximum snelheid van 50 km/uur naar 30 km/uur zou wel zorgen voor een logisch wegbeeld ten opzichte van het overige deel van de Van Dishoeckstraat en de wegen in de omgeving, waarvoor al een 30 km/uur snelheidsregime van toepassing is. Industrielawaai De transformatie van het industrieterrein 'de Schelde/Buitenhaven' tot stedelijk gebied noodzaakte tot herziening (verkleining) van de geluidzone rondom dit industrieterrein. De uit 1990 daterende geluidzone was voor een belangrijk deel gebaseerd op de industriële activiteiten, die plaatsvonden op het terrein van de Koninklijke Schelde Groep (KSG). Op 18 augustus 2009 is daarom het bestemmingsplan 'Parapluherziening geluidzone de Schelde/Buitenhaven' vastgesteld. Daarin is de geluidzone vanwege het industrielawaai van het industrieterrein 'de Schelde/Buitenhaven' verankerd.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

55

Figuur 4.9

Uitsnede bestemmingsplan Parapluherziening geluidzone de Schelde/Buitenhaven

Voor woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen die liggen binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein moet onderzoek verricht worden naar de geluidbelasting op de gevels van de beoogde bebouwing ten gevolge van het geluid afkomstig van het industrieterrein. Het bestaande appartementengebouw is binnen deze contour gelegen (oranje contour). De eisen met betrekking tot studentenhuisvesting is niet zwaarder dan een regulier appartement. De huidige situatie en de toekomstige situatie wijzingen voor wat betreft geluidbelasting en geluidisolatie niet. Voor onderhavig bestemmingsplan is geen nader onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai. Nu er geen geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone worden gerealiseerd, vormt dit aspect geen belemmering voor de realisering van dit plan. Spoorweglawaai Het plangebied ligt buiten de wettelijk van toepassing zijnde invloedssfeer (250 meter) van de spoorlijn Vlissingen‐Roosendaal. Om die reden kan onderzoek naar het spoorweglawaai achterwege blijven en vormt dit aspect geen belemmering voor de realisering van dit project. 4.11.3 Conclusie Op 3 locaties in het Scheldekwartier (inclusief de daarbuiten liggende bouwlocatie Prins/Edelweiss en de tegenoverliggende woningen aan de Van Dishoeckstraat) wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden.

Maatregelen aan de bron, ofwel de verharding, zijn technisch niet mogelijk of gewenst en ook niet effectief genoeg. Alleen voor het noordelijk deel van de Van Dishoeckstraat is het terugbrengen van de maximumsnelheid een effectieve maatregel om de (toename van de) geluidbelasting te verminderen. Hiervoor zal uiteindelijk wel de inrichting van deze weg moeten worden aangepast. Dit kan pas als het grootste deel van het Scheldekwartier aan deze zijde is gerealiseerd. Voor de woningen waar de voorkeursgrenswaarde niet wordt gehaald zal een procedure voor toekenning van een hogere waarde in gang worden gezet. Langs de wegen waarvoor een maximum snelheid geldt of gaat gelden van 30 km/uur wordt de richtwaarde van 48 dB op de gevels van nieuwe woningen niet overschreden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

56

Een deel van het plangebied van dit bestemmingsplan ligt binnen de geluidzone industrielawaai vanwege het gezoneerde KSG‐terrein. Er worden daarbinnen geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen gerealiseerd. Daarmee vormt het aspect industrielawaai geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Dat geldt ook voor het aspect spoorweglawaai.

4.12

Externe veiligheid

4.12.1 Wettelijk kader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Gemeentelijk en provinciaal beleid externe veiligheid In maart 2006 is door de gemeente de Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Vlissingen vastgesteld. Een toelichting daarop is door de Gemeente Vlissingen op 28 september 2010 vastgesteld. In de beleidsvisie is aangegeven, dat de gemeente risicosituaties beoordeelt aan de hand van de volgende veiligheidscriteria: plaatsgebonden risico, groepsrisico, zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffect. Vervolgens heeft de provincie op 10 april 2012 de Beleidsvisie Externe Veiligheid "Verantwoorde Risico's" vastgesteld. Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geven een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen.

In het Revi zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens‐ en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (zie hierna). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet van belang. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Normstelling Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is omschreven als de kans dat een persoon, die gedurende een heel jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, ten gevolge van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof komt te overlijden. De PR‐contour met kans 10‐6 geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten. Dat wil zeggen dat in het gebied binnen deze contour geen kwetsbare objecten voor mogen komen. Kwetsbare objecten zijn gebouwen waar personen zich gedurende een dag langere tijd bevinden (zoals woningen) of gebouwen, waarin grote groepen van kwetsbare personen verblijven (zoals verpleeghuizen). De contour met kans 10‐6 geldt als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour met kans 10‐5 als grenswaarde. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen, die niet als kwetsbaar object worden aangemerkt (zoals bedrijfsgebouwen). Ook objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefooncentrale voor hulpdiensten, worden als beperkt kwetsbaar beschouwd.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

57

Groepsrisico (GR) Het GR is de cumulatieve kans dat een groep personen van 10, 100 en 1.000 personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof. Het GR kan grafisch worden weergegeven in een curve, de zogenaamde fN‐curve. Het GR is niet wettelijk genormeerd. Voor het GR geldt enkel de oriënterende waarde als richtlijn. Het invloedsgebied is het gebied, waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt vaak bepaald door de berekening van het grootste mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt (1%‐letaliteitsgrens). Bij een overschrijding van de oriënterende waarde en/of toename van het groepsrisico is een verantwoording van het groepsrisico verplicht. In de Beleidsvisie externe veiligheid is aangegeven, dat bij een toename van het groepsrisico van meer dan 10% van de oriënterende waarde, een uitgebreide verantwoording noodzakelijk is, waarbij aandacht wordt besteed aan de criteria zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. 4.12.2 Onderzoek In 2007 is ter voorbereiding van het MER onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid voor het gehele projectgebied Scheldekwartier.

Uit het rapport3 is gebleken, dat de ontwikkeling van het projectgebied Scheldekwartier tot gevolg heeft dat er een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is vereist. Destijds waren er voor de ontwikkeling van het totale projectgebied Scheldekwartier twee risicobronnen relevant, te weten:  de bovengrondse propaantank met inhoud van 18 m3 van de Koninklijke Schelde Groep B.V.;  het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde. Vanwege de herijkte plannen voor het Scheldekwartier is in 2011 en 2013 nieuw onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen voor het groepsrisico (zie bijlage 10). Naar aanleiding van recente ontwikkelingen in het Scheldekwartier is eind 2020 aanvullend een kwalitatieve analyse uitgevoerd van de impact op het onderzoek uit 2013 (zie eveneens bijlage 10). Propaantank Eind 2009 is de bovengrondse propaantank van 18 m3 vervangen door een kleinere propaantank van 9,1 m3. Doordat de inhoud kleiner is dan 13 m3, valt de propaantank niet langer onder het Bevi maar is het Activiteitenbesluit wet milieubeheer van toepassing. Op grond van het Activiteitenbesluit geldt een veiligheidsafstand van 25 meter vanuit het vulpunt en de opslagtank. De voorgenomen woningbouw in het Scheldekwartier wordt gebouwd op meer dan 25 meter vanaf het vulpunt en de opslagtank.

De propaantank is dan ook niet langer een relevante risicobron voor de ontwikkeling van dit plan in het Scheldekwartier. Vervoer gevaarlijke stoffen over de Westerschelde Ten aanzien van de nieuw te bouwen woningen is de enige relevante risicobron het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde. Het gehele Scheldekwartier ligt in het invloedsgebied hiervan. Uit het onderzoek van 2013 blijkt, dat de 10‐6 PR‐contour niet op het land komt. Dit geeft dus geen beperking voor de bouw van de woningen. Uit het onderzoek blijkt dat het GR zowel in de situatie met de ontwikkeling van het Scheldekwartier als in de huidige situatie onder de oriëntatiewaarde (OW) ligt, maar wel boven de lijn 0,1 x OW. Dit geldt ook ten aanzien van de prognoses 2015‐2030 voor risico's transport gevaarlijke stoffen Westerschelde. Op basis van de kwalitatieve analyse uit 2020 blijkt, dat de uitgangspunten uit 2013, met uitzondering voor de Timmerfabriek, voor het merendeel conservatief zijn. Echter, deze toename is gelet op de omvang daarvan (80 personen) zeer beperkt van aard en leidt daarmee niet tot significante wijzigingen op het groepsrisico. Zoals in het gemeentelijk Externe veiligheidsbeleid en de toelichting daarop is vastgelegd, is in dit geval een uitgebreide verantwoording noodzakelijk.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

58

4.12.3 Verantwoording groepsrisico Motieven voor de acceptatie van (een verslechtering van) een risicosituatie In de gemeentelijke en provinciale beleidsvisies ten aanzien van externe veiligheid wordt gesteld, dat de motivatieplicht ten aanzien van het groepsrisico zich beperkt tot relevante gevallen. Dit betreft gevallen waarin het GR de oriënterende waarde (bijna) overschrijdt of wanneer sprake is van een aanzienlijke toename (>10%) van het aantal slachtoffers. Motieven voor de acceptatie van (een verslechtering van) een risicosituatie kunnen zijn: a. Het opvullen van kleine open gaten of vervangende nieuwbouw in bestaand stedelijk gebied; b. een voor de specifieke locatie belangrijke ontwikkeling; c. een situatie waarbij anders de externe veiligheidsproblematiek (elders) zou toenemen. Voor het Scheldekwartier en daarmee voor het plangebied, is punt b en in mindere mate punt a van toepassing. De ontwikkelingsvisie voorziet in het opvullen van een open gat in bestaand stedelijk gebied. Het Scheldekwartier, en dit daarvan deel uitmakende deelproject, zijn van zeer groot belang voor de ontwikkeling van de stad, vanuit zowel economisch, maatschappelijk, ruimtelijk als sociaal perspectief. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid van personen bij rampen en zware ongevallen heeft betrekking op de mogelijkheid van personen zichzelf en anderen in veiligheid te brengen.

De mate van zelfredzaamheid van een persoon hangt af van zijn eigen fysieke en psychische mogelijkheden en daarnaast van de omgeving. Een goede ontsluiting, beperking van hoogbouw, de ligging van kwetsbare objecten ten opzichte van de bron en aanvullende maatregelen aan gebouwen kunnen eraan bijdragen dat de effecten van de ramp beperkt blijven. In het onderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van het MER is aangegeven dat het plan als geheel tot een verbetering leidt van de bereikbaarheid van de binnenstad. Het te realiseren plan voorziet niet specifiek in de huisvesting van verminderd zelfredzame personen, hoewel van de aanwezigheid hiervan wel sprake kan zijn. Vanuit de mogelijke ongevalscenario's met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde, zijn de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en ook de vereisten die hieraan zouden kunnen worden gekoppeld zeer beperkt. De grootste bedreiging wordt gevormd door een grote ontsnapping van brandbaar gas, gevolgd door een wolkbrand of een gaswolkexplosie. In beide gevallen zal het ongeval binnen 5 tot 10 minuten na het initiële ongeval tot schadelijke effecten in het Scheldekwartier kunnen leiden. Deze tijd is onvoldoende voor een snelle alarmering en duidelijke instructies voor de bevolking. De aanwezigen in het plangebied kunnen dan ook tijdig worden gewaarschuwd bij een ongeval.

Extra investeringen in vluchtwegen leveren geen bijdrage voor de beperking van het aantal slachtoffers ten gevolge van de eerste "klap". Wel zal het daarna ook nog noodzakelijk zijn om het gebied te ontruimen, gewonden op te vangen en secundaire branden te blussen. Naast ongevallen met brandbare gassen zijn ook ongevallen met ammoniak relevant voor het gebied. Afhankelijk van de weersomstandigheden (en de grootte van de ontsnapping) kunnen de gevolgen ook tot in (en voorbij) het Scheldekwartier reiken. Bij een dergelijk scenario zal er over het algemeen voor worden gekozen om de bevolking te alarmeren en instructies te geven naar binnen te gaan en ramen en deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Dit is een aandachtspunt in de bouwplannen. Voor de publieke gebouwen in het Scheldekwartier is het van belang, dat de beheerder en het personeel weet hoe te handelen bij een dergelijke calamiteit. Dit geldt overigens ook voor de rest van Vlissingen. Voor de ontwikkeling van het Scheldekwartier is voorzien in een goede verkeersontsluiting. Hulpverleningsdiensten kunnen snel ter plaatse zijn om het potentiële schadegebied snel te ontruimen. Verder zijn er voldoende vluchtmogelijkheden om het gebied te verlaten.

Door de gerealiseerde oostelijke ontsluiting van de binnenstad en de aanleg van De Willem Ruysstraat, is de bereikbaarheid, maar ook de vluchtroute van de binnenstad sterk verbeterd.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

59

In 2012 is het Gemeentelijk Verkeer‐ en Vervoerplan en het Verkeerscirculatieplan voor de binnenstad vastgesteld. Hulpdiensten (ambulancedienst, politie, brandweer) zijn betrokken geweest bij de totstandkoming hiervan. In dit kader hebben zij aangegeven tevreden te zijn met de destijds beoogde ‐ en inmiddels gerealiseerde ‐ verbetering van de bereikbaarheid van de binnenstad en het Scheldekwartier. Gezien het bovenstaande is de bereikbaarheid van de binnenstad als gevolg van de ontwikkeling van het Scheldekwartier verbeterd. Met de genoemde maatregelen is de bereikbaarheid en ontsluiting van de binnenstad verder geoptimaliseerd. Dit komt de zelfredzaamheid en beheersbaarheid bij een calamiteit ten goede. Daarnaast wordt in zijn algemeenheid informatie verstrekt aan Vlissingse bewoners over op welke wijze te handelen in risicosituaties bij calamiteiten. Dit kan ertoe bijdragen dat ze beter in staat zijn om te gaan met informatie die ze tijdens een calamiteit van de hulpdiensten krijgen. In het plangebied worden geen specifieke functies/voorzieningen mogelijk gemaakt voor verminderd zelfredzame personen. Er kan dan ook geconcludeerd worden, dat zich geen knelpunten voordoen ten aanzien van de aspecten 'ontvluchting' en 'bereikbaarheid'. Beheersbaarheid en resteffect Ongevallen met ammoniak en brandbare stoffen kunnen tot grote slachtofferaantallen leiden.

De mogelijkheden van de hulpverleningsdiensten om deze ongevallen te bestrijden zijn beperkt. Bij ongevallen met toxische stoffen is het van belang, dat de alarmering snel verloopt en dat er snel voor wordt gekozen om de bevolking te waarschuwen met het advies: ramen en deuren en ventilatieopeningen sluiten. Daarbij is het ook van belang dat de brandweer snel ter plaatse van het ongeval is om een inschatting te maken van de situatie. Het vrijkomen van een brandbaar gas dat vertraagd wordt ontstoken, heeft warmtestraling en eventueel drukeffecten tot gevolg. Door de vertraagde ontsteking kan de wolk zich verspreiden wat indien de wolk zich richting Vlissingen verspreidt, kan leiden tot een grote toename van het aantal slachtoffers. De mogelijkheden voor de hulpverleningsdiensten zijn beperkt. Detectie en alarmering heeft hierbij minder effect dan bij ammoniak aangezien het advies dat gegeven moet worden niet op voorhand duidelijk is, omdat het (vrijwel) niet te voorspellen is of een wolkbrand of wolkexplosie op zal treden. Personen die zich binnenshuis bevinden worden in grote mate beschermd tegen warmtestraling. Bij het optreden van drukeffecten kan het verblijf binnenshuis echter ook tot extra gewonden of zelfs doden leiden (als gebouwen instorten, of door brokstukken, gesprongen ramen).

Met de huidige middelen is het voor de hulpverleningsdiensten niet mogelijk om de effecten van een wolkbrand of wolkexplosie te voorkomen. Bij de concrete invulling van de openbare ruimte zal aansluiting worden gezocht bij de handleiding 'Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid' van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR). Deze invulling wordt in overleg met de gemeentelijke brandweer/Veiligheidsregio Zeeland bepaald. 4.12.4 Conclusie en afweging Conclusie De mogelijkheden van de hulpverlening om de gevolgen te beperken die worden veroorzaakt door een ongeval op de Westerschelde zijn zeer beperkt. Vooral bij ongevallen met brandbare gassen kunnen honderden slachtoffers vallen. De ontwikkelingstijd hiervan is zo snel dat er onvoldoende tijd is om met repressief optreden de gevolgen te beperken.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

60

Ook zijn ongevallen met ammoniak van belang. Afhankelijk van de weersomstandigheden kan het noodzakelijk zijn om grote delen van Vlissingen (ook het Scheldekwartier) te alarmeren en te instrueren om ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Dit vereist een zeer snel handelen van de hulpverleningsdiensten. Voorwaarde daarbij is uiteraard dat de hulpverleningsdiensten zelf ook snel gealarmeerd zijn. De hulpdiensten zijn in Zeeland op het overgrote deel van de rampen voorbereid. Echter bij een bepaald aantal rampen zal de hulpverleningscapaciteit niet toereikend zijn. Het schadebeeld dat bij deze rampen op kan treden vergt meer van de hulpverleningsdiensten dan waar zij toe uitgerust zijn. De realisatie van het Scheldekwartier en dit plan kan bij een calamiteit zorgen voor een toename van het aantal gewonden. De hulpverleningsdiensten zijn bij een worst‐case‐scenario onvoldoende in staat te voldoen aan de hulpvraag. Afweging Het Scheldekwartier, en dit daarvan deel uitmakende plan, is van zeer groot belang voor de ontwikkeling van de stad, vanuit zowel economisch, maatschappelijk, ruimtelijk als sociaal perspectief. Het is een stadsdeel, dat gezien moet worden als uitbreiding van de binnenstad. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid en intensief ruimtegebruik, worden bestaande terreinen en bestaande gebouwen getransformeerd tot nieuwe bestemmingen en daarmee nieuw gebruik.

Dit belang moet afgewogen worden tegen de toename van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde. Indien zich een calamiteit voordoet, waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, kunnen de gevolgen groot zijn. Echter door het treffen van maatregelen in het kader van zelfredzaamheid en beheersbaarheid (zoals hiervoor beschreven), in combinatie met de zeer kleine kans op een calamiteit, wordt dit niet als een belemmering voor de realisering van dit project gezien.

4.13

Windhinder

4.13.1 Wettelijk kader In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. De beoordeling van windhinder is nodig vanuit een goede ruimtelijke ordening. De, inmiddels algemeen en ook in de jurisprudentie, aanvaarde norm NEN 8100 geeft normen voor het beoordelen en onderzoeken van windhinder en windgevaar in de bebouwde omgeving. In deze norm is een beslismodel weergegeven, wanneer windhinderonderzoek nodig is: 1. beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 – 30 meter: een deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is; 2. onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: een deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is. 3. gebouwen, hoger dan 30 meter: windonderzoek. 4.13.2 Toetsing Voor de locatie Broederband (op de hoek 5 bouwlagen) is in verband met de hoogte overleg geweest met een deskundige, nader onderzoek was niet noodzakelijk. Het bouwplan voor de Dempo wordt aan de Dempostraat 4 bouwlagen hoog en aan de parkzijde wordt deze 5 bouwlagen. De bebouwing van de Dempo/ de Kantine is daarmee vergelijkbaar met de Broederband. Het bouwplan voegt zich voor wat betreft de bouwhoogtes in de omgeving. Daarnaast is aan de zijde van de heersende windrichting (zuidwest) bebouwing in 4 bouwlagen aanwezig. Nader onderzoek wordt voor deze locatie dan ook niet noodzakelijk geacht.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

61

4.13.3 Conclusie Het is niet de verwachting dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot ernstige vormen van windhinder of windgevaar. Daarmee vormt het aspect geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.14

Ecologie

4.14.1 Wettelijk kader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier‐ en plantensoorten en de bescherming van het NatuurNetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura‐2000 gebieden; b. Bijzondere nationale natuurgebieden; c. NatuurNetwerk Nederland (NNN). Daarvan zijn de Natura‐2000‐gebieden en het NatuurNetwerk Zeeland (als onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland van belang).

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.

De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

62

bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Deze lijst is in de provincie Zeeland ongeveer vergelijkbaar met de “Tabel 1‐soorten”, dus de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel‐ en Habitatrichtlijn) is er overigens geen beleidsruimte en blijft de bescherming onveranderd. 4.14.2 Onderzoeksresultaten Voor de beoordeling van de ecologische consequenties van de herontwikkeling van het Scheldekwartier is in 2017 een ecologische verkenning uitgevoerd. Deze zogenoemde 'quickscan ecologie' is opgenomen in bijlage 11. In de Quickscan is ook bepaald of eventuele strijdigheden van de voorgenomen ingreep/ontwikkeling met de Wnb de aanvraag van een ontheffing dan wel het werken volgens een goedgekeurde gedragscode noodzakelijk maken.

De planlocatie is op 23 februari 2017 bezocht, waarbij het terrein is onderzocht op de aanwezigheid van groeiplaatsen van hogere planten en het voorkomen van fauna, die volgens de Wnb beschermd zijn. Ook is een algemene beoordeling gemaakt voor de geschiktheid van het gebied voor overige (niet aangetroffen) beschermde soorten. Een quickscan is maximaal 3 jaar geldig. Sindsdien is het beleid van de provincie over soorten waarvoor een vrijstelling van ontheffing Wnb gewijzigd. Tegenwoordig zijn onder andere ook de haas en het konijn beschermd en is een ontheffing nodig als deze soorten zijn aangetroffen. Daarom is besloten om de Quickscan te actualiseren. Het plangebied is in het kader van het actualiseren van de quickscan op 5 april en 15 mei 2021 bezocht door een ecoloog. Deze heeft een concept memo gemaakt die eveneens is opgenomen in bijlage 11. De conclusies en aanbevelingen luiden als volgt. Gebiedsbescherming De nabij gelegen Westerschelde is aangewezen als Natura 2000‐gebied. Het plangebied is niet gelegen in of nabij dit Natura‐2000 gebied, zodat er als gevolg van het plan geen effecten (los van stikstofdepositie) denkbaar zijn. Dit is dan ook niet meegewogen in de effectbeoordeling van het plan.

Wel is op enige afstand het Natuur Netwerk Nederland (Zeeland) aanwezig, de dichtstbijzijnde gebieden zijn de natuurlijke oevers langs het Kanaal door Walcheren (zie figuur 4.10). De gebieden Vliedberg Paauwenburg en Kaapduinen liggen op circa 2 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Ook in de omgeving van Ritthem, op circa 4 km van het plangebied, bevindt zich een onderdeel van het NNZ. Verstoring is door de afstand tot het plangebied en het feit dat dit hiervan gescheiden is, uitgesloten.

Figuur 4.10

Natuur Netwerk Zeeland (bron: Provinciale Omgevingsverordening Zeeland)

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

63

Soortenbescherming Kort samengevat is het resultaat van de quickscan 2017 dat er op de projectlocatie beschermde soorten voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling van de locatie. Bij de het bouwrijp maken, zal met name rekening gehouden moeten worden met de zich in en om het plangebied bevindende gemengde broedkolonie van kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw. Daarnaast kunnen algemeen voorkomende broedvogels zich in en in de nabijheid van het plangebied bevinden. Door te werken buiten het vogelbroedseizoen en/of mitigerende maatregelen toe te passen, zoals buiten het broedseizoen broedbiotoop te verwijderen en het terrein onder ecologische begeleiding broedvrij te houden worden de verbodsbepalingen zoals geformuleerd onder artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming niet overtreden. Naar aanleiding van deze conclusies uit 2017 is het plangebied in 2018 en 2019 intensief bezocht in het kader van het broedvrij houden ten tijde van de bouw. Ook blijkt uit de natuurtoets dat sporen zijn aangetroffen waar hemelwater in stond; deze zijn potentieel geschikt voor de rugstreeppad. Deze sporen zijn voorafgaand aan het voortplantingsseizoen van de rugstreeppad ongeschikt gemaakt, zodat potentiele voortplantingsmogelijkheden niet voor handen waren.

Later in het jaar 2017 is tijdens twee voorjaarsbezoeken voor vleermuizen rond het nabijgelegen “Dok” geen kooractiviteit gehoord van de rugstreeppad op en rond het Scheldeterrein. De vegetatie was toen ook dermate hoog dat het plangebied in potentie voor de rugstreeppad ongeschikt habitat was geworden. Voor de ruimtelijke inrichting van het Scheldeterrein die in 2018 is gestart, is een ecologisch werkprotocol opgesteld (ten aanzien van broedvogels en rugstreeppad) dat is voorgelegd aan de provincie Zeeland. De reactie uit 2018 van de provincie Zeeland dat geen ontheffing Wnb nodig is, is opgenomen in bijlage 12. Het project is van 15 februari tot 15 juli 2018 ecologisch begeleid door een deskundige en ook tijdens de avond‐ en enkele nachtbezoeken zijn door hem geen roepende rugstreeppadden gehoord (ook niet in de wijde omgeving van het voormalig Scheldeterrein). Op basis van de gevolgde werkwijze en bevindingen kan de aanwezigheid van rugstreeppad worden uitgesloten. Door het mobiele karakter van de soort en mogelijk toekomstige aanvoer van zand van elders kan de soort wel geïntroduceerd worden op de bouwlocatie. Door het voorkomen van geschikt voortplantingswater kan het permanent vestigen van de soort worden voorkomen. Ecologische begeleiding tijdens de bouwfase van de Scheldewijk kan hierin voorzien.

Op basis van geraadpleegde verspreidingsatlassen, de bevindingen van de ecologische begeleiding in 2018, 2019 en de twee recente terreinbezoeken is een inschatting/beoordeling gemaakt ten aanzien van beschermde soorten. De volledige memo met de bevindingen per soortgroep is opgenomen in bijlage 13. Hierna zijn de bevindingen kort weergegeven: Vogels Doordat het plangebied in 2018 en 2019 preventief broedvrij is gehouden is de gemengde meeuwenkolonie (zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw) niet meer aanwezig. In 2020 hebben nog enkele zilvermeeuwen gebroed op het aanwezige gronddepot maar de meeste vogels hebben zich verspreid in de omgeving (vooral op daken in Vlissingen zelf (o.a. Koningsweg en Paul Krugerstraat en de Binnenhaven (lasloods). Omdat de nieuwe bewoners van de Scheldewijk en andere omwonenden de braakliggende bouwterreinen gebruiken als hondenuitlaat en losloopgebied is de potentie voor broedvogels zeer beperkt geworden. In het afgesloten depot met Japanse Duizendknoop broeden nog enkele fazanten. Bij de amovering van dit depot dient eerst een check op broedvogels plaats te vinden indien dit gebeurt binnen het kwetsbare broedseizoen van vogels (globaal tussen 1 maart en 1 september). Effecten op beschermde vogels kunnen op voorhand worden uitgesloten mits er zorgvuldig wordt gewerkt (check vooraf).

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

64

Vaatplanten Beschermde planten zijn tijdens het terreinbezoek niet aangetroffen en worden op basis van het aanwezige biotoop ook niet verwacht. Effecten op beschermde planten kunnen op voorhand worden uitgesloten Vleermuizen Door het ontbreken van opgaande beplanting is de Scheldewijk nu nog niet interessant of nauwelijks interessant voor vleermuizen. Na de realisatie (o.a. aanleg park) zal de potentie voor vleermuizen toenemen. Effecten op vleermuizen kunnen op voorhand worden uitgesloten Haas en konijn Gelet op de ligging in urbaan gebied (woonwijk) worden alleen algemeen voorkomende muizen verwacht zoals huismuis en huisspitsmuis en de egel. Geschikte holen en verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen zijn niet aangetroffen en worden op basis van het biotoop niet verwacht. Wel komen er enkele hazen en konijnen voor. (De konijn is nog niet vermeld in bijlage 13 maar wel daarna alsnog waargenomen.) De populatie hazen is wel hard afgenomen ten gevolge van de verstoring (loslopende honden en ontwikkeling van de woonwijk). Naar schatting zijn er nog 3‐5 hazen aanwezig. Bij gevaar verplaatsen de hazen zich richting de met bouwhekken omheinde terreindelen. Duidelijk is dat het op de langere termijn geen duurzaam gebied is voor haas en konijn. Dempo en Koperslagerij In overleg met Provincie Zeeland is de mogelijkheid tot ontheffing in het kader van Wnb besproken.

Voor de hazen en konijnen is tijdelijk extra habitat aanwezig doordat de gemeente de braakliggende delen heeft ingezaaid en beheerd als ruw gras. De plots van de Dempo en de Koperslagerij worden in de winterperiode ongeschikt gemaakt voor deze soorten. Voor de korte termijn biedt het aanleggen van extra habitat een alternatief voor de hazen bij de gefaseerde ontwikkeling van de woonwijk. Een ontheffing voor dit deelgebied is aannemelijk. Uiteindelijk zal het biotoop verloren gaan. Een ontheffing in kader van de Wet natuurbescherming voor de haas en het konijn voor het verstoren en vernietigen van verblijfplaatsen wordt aangevraagd. Omdat de woonwijk en nog te realiseren park op langere termijn geen geschikt alternatief is voor de haas. Beide soorten kunnen via het NNN langs het kanaal andere geschikte gebieden bereiken in de toekomst. 4.14.3 Stikstofdepositie De nabij gelegen Westerschelde en de wat verder gelegen Manteling van Walcheren zijn aangewezen als Natura 2000‐gebieden. In bepaalde gebieden in de Natura 2000‐gebieden komen stikstofgevoelige habitats voor.

Vanwege de gevoeligheid voor stikstofdepositie van bepaalde habitats binnen Natura 2000 zijn voor de gebruiksfase (als alle woningen in de Scheldewijk zijn gebouwd) met het programma AERIUS Calculator (2020) berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositie in beeld te brengen en om te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De berekeningen zijn bijgevoegd als bijlage 14. Daaruit blijkt dat er alleen voor het Natura 2000‐gebied Westerschelde & Saeftinghe een toename van stikstofdepositie is berekend. Het gaat om 0,01 tot 0,02 mol/ha/j op 5 verschillende het habitats die niet overbelast zijn met stikstof. Stikstofdepositie vormt daarom geen probleem voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

65

Figuur 4.11

Resultaten stikstofdepositieberekening

4.14.4 Conclusie Op grond van het vorenstaande wordt geconcludeerd, dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de realisatie van dit project. Wel zal bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening moeten worden gehouden met de aanwezigheid van hazen en konijnen. Hiervoor zal een ontheffing Wnb worden aangevraagd. Verwacht wordt dat deze wordt verleend.

4.15

Duurzaamheid en energie

4.15.1 Beleids‐/toetsingskader In het klimaatverdrag van Parijs (2015) hebben 195 landen ervoor getekend om de mondiale temperatuurstijging tot ruim onder 2 graden Celsius te beperken, en daarbij te streven naar een verdere beperking van de opwarming tot maximaal 1,5 graad Celsius. De Europese Unie heeft namens alle lidstaten harde toezeggingen gedaan om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met ten minste 40 procent te verminderen ten opzichte van 1990. De Nederlandse Rijksoverheid legt de lat echter hoger dan deze toezegging en acht maatregelen noodzakelijk die voorbereiden op een extra reductie van 9 procent. In het verlengde hiervan is in de Wet Voortgang Energietransitie (Wet Vet) onder andere geregeld dat nieuwbouwwoningen niet meer mogen worden aangesloten op een aardgasnetwerk. De voorheen geldende aansluitplicht van woningen is vervangen door een warmterecht, waarmee eindgebruikers aanspraak kunnen maken op een aansluiting op een (verzwaard) elektriciteitsnet of een warmtenet. Als gevolg daarvan worden ook de energieprestatie‐eisen voor nieuwbouw aangescherpt. Het kabinet maakt ook afspraken met gemeenten, provincies, waterschappen en netbeheerders om de gebouwde omgeving te verduurzamen. De gemeente Vlissingen heeft uitgesproken, dat haar duurzaamheidsambities verder reiken dan waartoe de wettelijke voorschriften de gemeente verplichten.

De gemeente heeft echter geen juridische mogelijkheden om initiatiefnemers te verplichten meer energiebesparende maatregelen te treffen dan wettelijk is voorgeschreven. De gemeente kan initiatiefnemers wel stimuleren om zo duurzaam mogelijke woningen te bouwen. Vanzelfsprekend worden alle plannen bijna energieneutraal uitgevoerd en voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012, maar de ambitie is om meer te doen. De verschillende initiatiefnemers zullen moeten onderzoeken op welke wijze zij hun plannen duurzamer kunnen maken in relatie tot de bouwkosten.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

66

Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). De BENG‐norm heeft de eerder geldende normen van energetische efficiëntie van nieuwbouw (in de vorm van Energieprestatiecoëfficiënten) vervangen. 4.15.2 Toetsing Uit het voorgaande blijkt dat voor het plan niet meer de verplichting geldt om op het gasnet te worden aangesloten. Dat wordt dan ook niet gedaan. Om gasloze woningen te bouwen, zal balansventilatie worden toegepast. Dit is een gesloten systeem van mechanische ventilatie waarbij gebruikte vochtige lucht wordt afgezogen er droge verse lucht wordt ingeblazen. De hoeveelheid aangevoerde lucht is volledig in balans met de hoeveelheid afvoerde lucht. Het is een gesloten ventilatiesysteem waarin warmte terugwinning plaatsvindt. Verder worden op de dakvlakken P(hoto) V(oltaic)‐panelen (ofwel zonnepanelen) gelegd. Verder is op het niveau van het bestemmingsplan de duurzame combinatie tussen water en ruimtelijke ontwikkeling van belang. In het plangebied wordt echter geen open water aangelegd voor berging van schoon hemelwater. De overige thema's spelen vooral op het niveau van bouwplannen een rol. Het gebouw zal voldoen aan alle voorwaarden met betrekking tot duurzaamheid uit het Bouwbesluit.

Er zal gebruik worden gemaakt van duurzame materialen, dat wil zeggen hout, betongranulaat, pvc, gips en zo min mogelijk tot geen lood en geen koper. Kozijnen en goten worden uitgevoerd in kunststof. Lood door loodvervangers waar mogelijk. 4.15.3 Conclusie Op verschillende niveaus van de planontwikkeling wordt ingezet op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling.

4.16

Kabels en leidingen (ondergrondse infrastructuur)

In en rondom het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig of in voorbereiding. Wel ligt de reguliere ondergrondse infrastructuur direct rondom het plangebied. Het kabel‐ en leidingenprofiel zal worden ingepast in de profielen van de openbare ruimte.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

67

Hoofdstuk 5

5.1

Toelichting op het juridische plan

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de juridisch ‐planologische regeling in dit bestemmingsplan toegelicht. Die regeling moet voldoen aan bepaalde eisen. Zo is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en andere bestemmingsplannen en verordeningen zijn van belang voor het opstellen van een bestemmingsplan. De regels dienen op een dusdanige wijze te zijn opgesteld, dat deze uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. In dit bestemmingsplan zijn geen bestemmingen of gebruiksregels opgenomen, die doelbewust huidig feitelijk gebruik zouden uitsluiten. De wijziging van wonen naar specifieke vorm van studentenhuisvesting vindt plaats onder het overgangsrecht en kent een uitsterfconstructie.

5.2

Toelichting op de verbeelding

Algemeen Een bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Verder geldt het volgende:  De ondergrond waarop de verbeelding is gebaseerd, geeft informatie over de actuele (kadastrale) situatie.  Op de verbeelding wordt met de bestemming en de aanduidingen aangegeven of, en zo ja welke bebouwing is toegestaan. Het bestaande wooncomplex en de beoogde nieuwbouw zijn bestemd voor Wonen. Voor een deel van het plangebied zijn met arceringen gebiedsaanduidingen opgenomen. Hierover volgt later meer uitleg.  Hoofdgebouwen mogen (uitsluitend) binnen het op de verbeelding aangeduide 'bouwvlak' worden opgericht. Bijbehorende bouwwerken (aan‐ en uitbouwen, bijgebouwen en uitbreidingen van het hoofdgebouw) mogen ook daarbuiten, mits deze binnen de bestemming worden gebouwd. De maximale bouwhoogte van de hoofdgebouwen is op de verbeelding aangeduid met een aanduiding  Op de analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan: 1. worden maatvoeringsaanduidingen zoals de maximum goot‐ of boeibordhoogte aangegeven door middel van een matrix bij het bouwvlak; 2.

wordt de betekenis van de bestemmingen en de aanduidingen aangegeven op het renvooi. De gehanteerde bestemmingen Het Dokter Stumphiuspark en de daarin liggende De Kungsholmstraat zijn bestemd voor Verkeer ‐ Verblijfsgebied. Het park zal namelijk als de centrale openbare ruimte van Scheldewijk fungeren. Aan de gronden waar de bebouwing is voorzien is de bestemming 'Wonen' toegekend. De maximum

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

68

bouwhoogte van de gebouwen is met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' concreet aangegeven en afgestemd op de bestaande situatie en het voorgenomen bouwplan. Voor het bestaande complex wordt afgeweken van de ter plaatse geldende beheersverordening omdat de hoogteregeling daarin niet bleek te kloppen.

5.3

Toelichting op de regels

De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:  Hoofdstuk 1 Inleidende regels;  Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels;  Hoofdstuk 3 Algemene regels;  Hoofdstuk 4 Overgangs‐ en slotregels. Hieronder worden de hoofdstukken en onderliggende artikelen nader toegelicht. 5.3.1 Inleidende regels In de inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. Een van deze begrippen is het peil. Alle bouwmaten in dit bestemmingsplan worden ten opzichte hiervan gemeten. Het is in de gemeentelijke bestemmingsplannen gebruikelijk om de kruin van de weg als referentiepunt te nemen indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 meter (in een enkel van 10 meter) bedraagt en anders de gemiddelde hoogte van het op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld. Vanwege de wisselende hoogten van het maaiveld is ervoor gekozen om voor de nieuwbouw 2,55 meter + N.A.P aan te houden. Dit is de hoogte van het maaiveld ter hoogte van de hoofdentree aan de parkzijde.

Voor het bestaande gebouwen waar de studenten worden gehuisvest, geldt als peil de hoogte van de Van Dishoeckstraat. Dit is gemiddeld 1,45 meter + N.A.P. In andere gevallen en voor bijbehorende bouwwerken en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde kan wel de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld worden aangehouden. 5.3.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Verkeer ‐ Verblijfsgebied De primaire functie van het Dokter Stumphiuspark en de daarin liggende De Kungsholmstraat is verblijfsgebied; auto's zijn 'te gast'. Dit wordt ondersteund door de verschillende aan het verblijf ten dienste staande functies, zoals een speelplein. Vanwege de omvang van dit speelplein (geen ondergeschikte functie) en de mogelijkheid om hiervoor bouwwerken te kunnen plaatsen, is het speelplein geregeld met een aanduiding ('specifieke vorm van maatschappelijk – speelplein'). Ook een voorziening ten behoeve van een eventueel warmtenet in de wijk kan binnen deze bestemming worden gerealiseerd. Hiervoor zijn passende bouw‐ en gebruiksregels opgenomen. Binnen de verkeersbestemming zijn verder de gebruikelijke verkeersfuncties met daarnaast bijbehorende groen‐ en speelvoorzieningen en water toegestaan. De inrichting is niet gedetailleerd vastgelegd.

Hiermee is ondergeschikte herinrichting van de openbare ruimte mogelijk zonder dat, onnodig, gedetailleerde bepalingen van het bestemmingsplan dergelijke ontwikkelingen in de weg staan. Artikel 4 Wonen In de bouwregels zijn ten hoogste 184 woningen toegestaan. Dit aantal bestaat uit de 80 appartementen die in opdracht van l'escaut worden gebouwd en de 104 studentenwoningen. Het maximum aantal woningen kan door het college worden gewijzigd (lid 4.5) als blijkt dat na de oplevering van het gebouw minder woningen zijn gebouwd, c.q. in het plangebied aanwezig zijn.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

69

Voor het bestaande complex is met de aanduiding 'studentenhuisvesting' de doelgroep vastgelegd. Hiermee kan worden gerekend met een lagere parkeerbehoefte (zie paragraaf 2.2). Omdat de behoefte aan studentenhuisvesting sterk kan variëren (zie paragraaf 3.3.4) is in lid 4.5.2 een wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen om de aanduiding (geheel of gedeeltelijk) te schrappen. Hiermee kunnen de woningen weer voor een ruimere doelgroep worden ingezet. Om de wijzigingsbevoegdheid te kunnen toepassen, zal moeten worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Zo zal onder andere moeten worden aangetoond dat het aantal woningen en de doelgroep daarvan passen binnen vastgestelde regionale woningmarktafspraken (zie paragraaf 3.2.3) en zullen voor de bewoners en bezoekers van de woningen voldoende parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Dit zal moeten worden beoordeeld aan de hand van het op dat moment geldende gemeentelijke parkeerbeleid. Er is dus niet gekozen voor het opnemen van een harde norm. Elke woning mag worden bewoond door ten hoogste één huishouden. In artikel 1, lid 1.29 is beschreven wat onder een huishouden wordt verstaan. Met deze regeling wordt de huisvesting van meerdere personen in een los verband, bijvoorbeeld (internationale) werknemers, voorkomen.

In het bestaande gebouw mogen niet meer studenten worden gehuisvest dan dat er woningen zijn. Een dergelijke regeling is nodig omdat anders niet kan worden geanticipeerd op een lagere parkeernorm. Gebruikelijk is om in woningen de uitoefening van aan‐huis‐gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toe te staan. Omdat het in dit bestemmingsplan gaat om appartementen met sociale huurwoningen en studentenhuisvesting wordt hiervan afgeweken en worden kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten niet mogelijk gemaakt. Dat zijn doorgaans namelijk wat ambachtelijker activiteiten dan die van aan‐huis‐gebonden beroepen. Om hinder te voorkomen moet de oppervlakte beperkt blijven (maximum 50 m2) en mag er geen detailhandel en internetverkoop plaatsvinden. Tot slot is in de woonbestemming de verplichting opgenomen om voldoende parkeerplaatsen aan te leggen en in stand te houden. Daarbij is gekozen voor een maatwerkregeling. 5.3.3 Algemene bepalingen In dit hoofdstuk zijn onderstaande regels opgenomen: Artikel 5 Anti‐dubbeltelregel Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Artikel 6 Algemene bouwregels In lid 6.1 is geregeld dat bestaande afstands‐, hoogte‐, inhouds‐ en oppervlaktematen die afwijken van de maten die in dit bestemmingsplan zijn vastgelegd en die met vergunning tot stand zijn gekomen, mogen worden aangehouden. Er is dus geen sprake van een uitsterfregeling met overgangsrecht. Vanzelfsprekend geldt een dergelijke bepaling alleen voor bestaande bouwwerken. In lid 6.2 is geregeld dat bouwgrenzen mogen worden overschreden door ondergeschikte bouwdelen van gebouwen. Er mogen geen bestemmingsgrenzen worden overschreden, want dan zou sprake zijn van strijdig gebruik. Artikel 7 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn 2 gebiedsaanduidingen geregeld: Geluidzone ‐ industrie De Schelde/Buitenhaven en Milieuzone ‐ bodembeschermingsgebied. Het waarom van deze aanduidingen is uitgelegd in de paragrafen 4.11.2 en 4.6.2. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

70

Op grond van deze bepaling kan met een omgevingsvergunning in geringe mate worden afgeweken van de voorgeschreven maten en bouwgrenzen in het bestemmingsplan. Om te voorkomen dat kleine meetfouten tot grote gevolgen leiden en om enigszins flexibel met maatvoeringen om te kunnen gaan, zijn enkele afwijkingsmogelijkheden opgenomen om in geringe mate te kunnen afwijken van genoemde maten, oppervlaktes enzovoorts. Artikel 9 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze bepaling gaat verder dan die van lid 8.1 Geringe afwijkingen maten en bouwgrenzen. Vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders. Artikel 10 Overige regels Dit lid is opgenomen, omdat in een aantal gevallen in de regels van bestemmingsplannen verwezen wordt naar een (andere) wettelijke regeling (zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan) of wordt een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard.

5.3.4 Overgangs‐ en slotregels In Artikel 11 is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid Overgangsrecht bouwwerken is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 11.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. De slotregel geeft de naam van het plan aan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

71

Hoofdstuk 6 Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1

Kostenverhaal

In de Wet en het Besluit ruimtelijke ordening zijn bepalingen opgenomen, die gaan over verplicht kostenverhaal door de gemeente. In bepaalde gevallen kan dit uitmonden in een verplicht op te stellen grondexploitatieplan. Nu dit bestemmingsplan ziet op de ontwikkeling van bouwplannen als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening is verplicht kostenverhaal in beginsel aan de orde. Op grond van artikel 6.12, lid 2, van de Wet ruimtelijke ordening kan worden afgezien van de vaststelling van een exploitatieplan, indien het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd en het niet noodzakelijk is om een tijdvak of fasering te bepalen dan wel andere eisen te stellen aan de inrichting van het gebied. Deze bepaling brengt met zich mee, dat, indien alle gronden binnen een gebied, waarvoor een bestemmingsplan wordt vastgesteld op basis waarvan bouwplannen mogelijk zijn, in eigendom zijn van de gemeente, er geen exploitatieplan nodig is. De gemeente regelt het kostenverhaal via de uitgifte van de bouwgrond. Ook de fasering en inrichting bepaalt de gemeente zelf. Het vaststellen van een grondexploitatieplan is daarom niet vereist.

6.2

Financiële uitvoerbaarheid

Voor het projectgebied Scheldekwartier is een grondexploitatie vastgesteld. De uitvoering van dit project past daar binnen. De financieel‐economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is daarmee gewaarborgd.

6.3

Overleg instanties

Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg worden gepleegd met de besturen van eventueel betrokken andere gemeenten, het waterschap, de provincie en met die diensten van het rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen, die in het plan in het geding zijn.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

72

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

73

Eindnoten

1. Expload, 17 april 2017 2. Luchtkwaliteit bestemmingsplan Scheldekwartier‐Zuid. (Aanvullend onderzoek), d.d. 4 mei 2010 3. Onderzoek externe veiligheid Dokkershaven en Edisongebied, juni 2017, TNO Bouw en Ondergrond

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

74

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

bijlagen bij de Toelichting

76

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

77

Bijlage 1 Verkennend bodem‐ en asbestonderzoek Scheldewijk, d.d. 18 december 2018

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

78

Rho adviseurs voor leefruimte

20200722

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Scheldewijk op Scheldekwartier te Vlissingen

projectnummer 0436189.00 definitief revisie 00 18 december 2018

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Scheldewijk op Scheldekwartier te Vlissingen

projectnummer 0436189.00 definitief revisie 00 18 december 2018

Auteur ing. N. Gelderland

Opdrachtgever Gemeente Vlissingen Postbus 3000 4380 GV Vlissingen

datum vrijgave 18-12-2018

beschrijving revisie 00 Definitief

PL2018 M.F. Elings

goedkeuring N. Gelderland

vrijgave M.F. Elings

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

2

2

Vooronderzoek

3

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Algemeen Terreinbeschrijving Voormalig- en huidig gebruik Toekomstig gebruik Bodemopbouw en geohydrologie Conclusie vooronderzoek en hypothese

3 3 4 7 7 7

3

Verrichte werkzaamheden

9

3.1 3.2

Veldwerkzaamheden Laboratoriumonderzoek

9 10

4

Onderzoeksresultaten

12

4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3

Lokale bodemopbouw en veldwaarnemingen Analyseresultaten Toetsingskader Grond (incl. verhardingslagen) Grondwater

12 13 13 14 17

5

Conclusies

18

Bijlagen 1. Profielbeschrijvingen en zintuiglijke waarnemingen 2. Analyseresultaten grondmonsters met overschrijding normwaarden 3. Analyseresultaten grondwatermonsters met overschrijding normwaarden 4. Normwaarden grond en grondwater 5. Toelichting op normwaarden grond en grondwater 6. Analysecertificaten 7. Kwaliteitsaspecten bodemonderzoek 8. Verantwoording uitvoering onderzoek BRL 2000 9. Indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit 10. Toelichting toetsing Besluit bodemkwaliteit 11. Toelichting toetsingskader asbest 12. Foto’s

Tekeningen 436189-O-1 436189-O-2 436189-S-1 t/m S-3

Overzichtstekening met ligging locatie Overzichtstekening bladindeling Situatietekening met locaties boringen, asbestgaten, peilbuizen en fotonamepunten

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Scheldewijk op Scheldekwartier te Vlissingen projectnummer 0436189.00 18 december 2018 revisie 00

1

Inleiding In opdracht van de gemeente Vlissingen is door Antea Group in de periode oktober-november 2018 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd in het kader van project ‘Scheldewijk te Vlissingen’. De onderzoekslocatie is gelegen op het Scheldekwartier, ter hoogte van De Willem Ruysstraat te Vlissingen.

Aanleiding De aanleiding tot het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Ten tijde van het onderzoek vindt ter plaatse van de onderzoekslocatie een sanering plaats door het huidige maaiveld af te dekken met geotextiel en vervolgens een leeflaag van 1 meter aan te brengen met een maximale bodemkwaliteitsklasse Wonen ten behoeve van de te realiseren woonwijk.

Doel Het doel van het verkennend bodem- en asbestonderzoek is de bodemkwaliteit vast te leggen van de bodem onder de aan te brengen leeflaag.

Onderzoeksstrategie en kwaliteit Het bodemonderzoek is gebaseerd op de richtlijnen uit de NEN 5740 (Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek). Het onderzoek naar de aanwezigheid van asbest is uitgevoerd conform de NEN 5707+C1: 2016 'Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem'. Met betrekking tot de kwaliteitsaspecten, toegepaste methoden en betrouwbaarheid/garanties van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7. In dit rapport wordt verslag gedaan van de uitgevoerde werkzaamheden en worden de resultaten van het onderzoek beschreven.

Blad 2 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Scheldewijk op Scheldekwartier te Vlissingen projectnummer 0436189.00 18 december 2018 revisie 00

2

Vooronderzoek

2.1

Algemeen Bij toepassing van de NEN 5740 en NEN 5707 moet een hypothese worden opgesteld omtrent de aan-/ afwezigheid, de aard en de ruimtelijke verdeling van eventuele verontreinigingen. Ten behoeve van het opstellen van een hypothese dient een vooronderzoek te worden uitgevoerd overeenkomstig de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek). Op basis van de verzamelde basisinformatie, de aanleiding van het onderzoek en de mate van verdachtheid van de onderzoekslocatie is gekozen voor een standaard vooronderzoek. Het standaard vooronderzoek richt zich op de onderzoekslocatie en de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel <10 meter breed is, worden ook de percelen hier weer aangrenzend meegenomen. Bij grotere aangrenzende percelen, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de onderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij aanleiding bestaat het gehele aangrenzende perceel in het vooronderzoek te betrekken. In de periode november-december 2017 is door Antea Group reeds een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter hoogte van onderhavige locatie (Verkennend bodem- en asbestonderzoek Scheldeterrein te Vlissingen, Antea Group, kenmerk: 419397 d.d. 31 januari 2018) Ten behoeve van het vooronderzoek is gebruik gemaakt van het voorgaande onderzoek uit 2018.

Aanvullend historisch onderzoek is in overleg met de opdrachtgever niet uitgevoerd.

2.2

Terreinbeschrijving De onderzoekslocatie bevindt zich tussen De Willem Ruysstraat en de Paul Krugerstraat. De totale oppervlakte van de onderzoekslocatie is circa 4,4 hectare (44.000 m2) en betreft een braakliggend terrein. Op een gedeelte van de onderzoekslocatie zijn rijplaten aanwezig. De situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in de tekeningen 436189-O-1, O-2 en 436189-S-1 t/m S-3. Op de volgende luchtfoto is de onderzoekslocatie weergegeven. In bijlage 12 zijn enkele foto’s van de onderzoekslocatie opgenomen.

Blad 3 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Scheldewijk op Scheldekwartier te Vlissingen projectnummer 0436189.00 18 december 2018 revisie 00

Figuur 2.1: Luchtfoto onderzoekslocatie

(Bron: AGODP: applicatie Antea Group, Copyright Esri Nederland en het Kadaster)

2.3

Voormalig- en huidig gebruik Voor het vaststellen van het voormalige en huidige gebruik is informatie verkregen uit het vooronderzoek van het in 2017 uitgevoerde bodem- en asbestonderzoek (projectnummer: 419397, d.d. 31 januari 2018). Archieven Voor zover bekend hebben er op de onderzoekslocatie geen calamiteiten of overtredingen van voorschriften in het kader van de Wet milieubeheer en/of Wet bodembescherming en/of andere milieuregelgeving plaatsgevonden. Historische luchtfoto’s Op de historische luchtfoto’s van 1959 en 1970 is te zien dat ter plaatse van de onderzoekslocatie bebouwing aanwezig is. Deze bebouwing is op de historische luchtfoto van 2007 niet meer aanwezig. Sindsdien is de locatie braakliggend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10975090/1