3.1 rvs Spuikom fase 1 en 2 - planologische procedure bijlage 1 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a, Spuikom fase 1 vastgesteld 1 Bijlagen bij de motivering 2807127
Tekst van het document
Uitgevoerde bodemonderzoeken
Vanuit de gegevens, welke door de opdrachtgever bij de offerte aanvraag zijn aangeleverd, blijkt dat een deel van de landbodem al eerder is onderzocht voor de aanleg van een hemelwaterafvoer. Op basis van het bodeminformatiesysteem blijkt dat het onderzoek in maart 2024 is uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van het zuidwestelijke terreingedeelte van de asfaltverharding. In onderstaande afbeelding is de onderzoekslocatie vanuit het in maart 2024 uitgevoerde onderzoek weergegeven.
Tijdens het uitgevoerde onderzoek zijn binnen het onderzoeksgebied acht boringen geplaatst op het parkeerterrein. Hierbij zijn vier kernboringen door de asfaltverharding geboord en vier boringen door een puinverharding. Daarnaast is één peilbuis geplaatst. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat in de bodem onder de fundering en/of puinverharding in de zandhoudende bodemlagen geen verhoogde gehaltes zijn aangetoond. Enkel in de kleiige ondergrond (2,20 - 2,50 m-mv), ter plaatse van boring A01, is een lichte verontreiniging met zware metalen, PAK en minerale olie aangetoond. In de grond zijn geen verhoogde gehalten aan PFOS, PFOA en PFAS aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan molybdeen aangetoond. Voor het lozen op niet aangewezen oppervlaktewater, aangewezen oppervlaktewater, schoonwaterriool en vuilwaterriool zijn er geen belemmeringen. In de funderingslaag (puingranulaat) is visueel geen asbest aangetroffen. Analytisch is een gehalte van 0,467 mg/kg ds chrysotiel aangetoond. De resultaten geven geen aanleiding voor nader onderzoek. Onder het asfalt is een slakkenfundering aangetroffen welke onverdacht is op het voorkomen van een asbestverontreiniging.
Pagina 11