ecologisch onderzoek 2021 Vlieland strandpaviljoen.pdf
Tekst van het document
Habitattypen Kaart 4 in dit rapport geeft weer welke habitattypen in het duingebied aangrenzend aan de locatie voor het paviljoen voorkomen. De volgende habitattypen staan op het kaartje niet afgebeeld en ontbreken binnen een afstand van 500 meter van de locatie: - H1310. Eenjarige pioniervegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia ssp. en andere zoutminnende soorten. Vegetaties van dit habitattype zijn kwelderpioniervegetaties die voorkomen in het getijdengebied. Op Vlieland komt het habitattype voornamelijk voor op de Vliehors, derhalve op meer dan 10 kilometer afstand van de locatie. - H1330. Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) Ook het habitattype Atlantische schorren komt voor op kwelders, derhalve in terreinen die regelmatig door zout water kunnen worden overspoeld. Op Vlieland komen dergelijke vegetaties voor op de Vliehors en in de Kroonspolders. Ook ten oosten van de jachthaven komen dergelijke vegetaties voor. Het habitattype ontbreekt binnen een afstand van 2 kilometer van het plangebied. - H2150. * Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno – Ulicetea) Dit habitattype komet in de duinen van Vlieland voor, maar ontbreekt in de duinen ten zuiden van de locatie voor het paviljoen.
De afstand van de locatie tot de meest dichtbij zijnde plekken waar deze vegetatietypen voorkomen, bedraagt ongeveer 700 meter (cranberry-vallei ten zuiden van het Witte Lid).
20
- H2190 – Vochtige duinvalleien De Oosterse vallei is het enige gebied in de omgeving van het plangebied met grondwaterinvloed. Het gebied wordt echter beschouwd als een duingrasland, waaraan grotendeels geen habitattype is toegekend. Enkele delen behoren tot andere habitattypen. Habitattype H2190 – vochtige duinvalleien komt derhalve binnen een afstand van 500 meter van het plangebied niet voor. De hierboven genoemde habitattypen komen voor op een dermate grote afstand van het plangebied dat een negatief effect van de uitvoering van het plan op de omvang en kwaliteit van de habitattypen is uitgesloten. De hieronder genoemde habitattypen komen op korte afstand van het plangebied voor (zie ook kaart 4). - H2120. Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”) De zeereep van Vlieland wordt gerekend tot de witte duinen. De duinen op enkele tientallen meters ten zuiden van de locatie voor het paviljoen worden tot dit habitattype gerekend. De Habitattypenkaart geeft aan dat verreweg het grootste deel van het duinoppervlak nabij de planlocatie tot dit type wordt gerekend. Ook de vergraste “grijze duinen” aan de binnenzijde van de zeereep zijn tot habitattype H2120 gerekend. Opmerkelijk is wel dat binnen het duincomplex aan enkele kleine delen geen habitattype is toegekend. Deze kleine enclaves behoren dan ook niet tot type 2120 of tot enig ander type.
- H2130. * Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (‘grijze duinen”) De droge duinen aan de binnenzijde van de zeereep behoren deels tot dit type. Het type komt over een betrekkelijk groot oppervlak voor. - H2140B. Duinen met Kraaiheide, droog Een deel van het droge duin ten oosten en zuiden van het Oosterse veld wordt tot dit habitattype gerekend. - H2160. Duinen met Duindoorn Het habitattype betreft dichte duindoornstruwelen. Aan de binnenzijde van de zeereep zijn lokaal struwelen van duindoorn aanwezig. - H2170. Duinen met Kruipwilg Salix repens ssp argentea (Salicion arenariae) Het habitattype betreft dichte kruipwilgstruwelen. In het duingebied aan de binnenzijde van de zeereep komen lokaal dergelijke struwelen voor, met name langs de rand van de Oosterse vallei. In het algemeen geldt dat alle vegetaties van de duinen nabij de locatie voor het paviljoen deel uitmaken van een habitattype. Er zijn wel enkele uitzonderingen. Sommige struwelen maken geen deel uit van een habitattype. Dit geldt onder meer voor de struwelen van rimpelroos (Rosa rugosa) die o.a. nabij de strandovergang van de Fortweg voorkomen. Bij de splitsing van de Fortweg en het hier oostwaarts lopende zandpad, net voor de strandovergang, is een groter gedeelte aanwezig dat niet tot een habitattype wordt gerekend. Effectanalyse.
De locatie voor het paviljoen ligt niet binnen het Natura2000-gebied Duinen Vlieland. De uitvoering van het plan geschiedt volledig binnen Natura2000-gebied Waddenzee. Het laten staan van het paviljoen in de winterperiode en heeft geen enkel effect op een van de habitattypen binnen Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Een uitzondering hierop kan zijn de mogelijkheid dat het paviljoen in de winterperiode meer instuivend zand invangt. Indien dit zand of een deel ervan doorstuift naar de achterliggende zeereep, versterkt dit de kwaliteit ervan. Dit mogelijke bijeffect van de aanwezigheid van het paviljoen in de winterperiode is een positief effect op habitattype H2120 – Witte duinen. De exploitatie van het paviljoen in de winter zal er toe leiden dat het verkeer in de winterperiode op de Fortweg zal toenemen. Deze weg loopt door het Natura2000-gebied, maar valt onder de exclaveringsregeling, met andere woorden: de weg wordt beschouwd als geen onderdeel van het Natura2000-gebied. De exploitanten van het paviljoen, personeel en toeleveranciers maken uitsluitend gebruik van de Fortweg en betreden of berijden het aangrenzend duingebied niet. Zij dragen dan ook niet bij aan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied. Van de winterbezoekers aan het paviljoen zal een enkeling
21
incidenteel het Natura2000-gebied betreden. De toename van de recreatiedruk binnen het Natura2000-gebied is zeer gering. Er ontstaan daardoor geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen. Het duingebied ten zuiden van de locatie van het paviljoen is voor het publiek vrij toegankelijk en wordt extensief door recreanten gebruikt. Indien er een toename van de recreatiedruk op het duingebied zal optreden, zal dit zich voornamelijk op kleine schaal voordoen in de droge duinen aangrenzend aan het paviljoen. Het betreft dan duinen behorend tot habitattype H2120 en H2130B. Habitattype H2120 betreft de witte duinen van de zeereep, een habitattype waarbinnen sprake is van een hoge mate van natuurlijke verstuivingsdynamiek door winderosie. Een geringe toename van de recreatiedruk draagt mogelijk iets bij aan de verstuivingsdynamiek, echter dit wordt vanuit de ecologie van het habitattype juist als een gewenst effect beschouwd. Er is dan geen sprake van een significant negatief effect op het habitattype bij een geringe toename van de recreatiedruk. Hetzelfde kan worden gesteld ten aanzien van habitattype H2130B – grijze duinen. Sowieso ligt dit habitattype op een aanzienlijke afstand van de planlocatie, en blijft een toename van de betredingsdruk binnen het habitattype als gevolg van de aanwezigheid van het paviljoen in de winter vrijwel uit.
Ook voor dit type geldt dat enige toename van de betreding als gevolg van een geringe toename van de recreatiedruk kan leiden tot een geringe toename van verstuivingsdynamiek. Verstuivingsdynamiek draagt echter bij aan verjonging van de vegetatie en wordt niet als een negatief effect op het habitattype beschouwd. Voor de habitattypen H2160 – duindoornstruweel – en H2170 kruipwilgstruweel geldt dat deze habitattypen als gevolg van de eigen vegetatiestructuur ongeschikt zijn als recreatiegebied. Habitattype H2140B – duinen met kraaiheide en H2180A – Atlantische duinbossen komen voor op een dermate grote afstand van het plangebied dat toename van de betredingsdruk als gevolg van de openstelling van het paviljoen in de winter onwaarschijnlijk is. Er is zeker geen negatief effect op oppervlak en kwaliteit van de beide habitattypen. Geconcludeerd wordt dan ook dat bij een geringe toename van de recreatiedruk, die mogelijk kan ontstaan als gevolg van de openstelling van het paviljoen in de winter geen significant negatieve effecten zullen ontstaan op de omvang en de kwaliteit van de habitattypen binnen Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Habitatrichtlijn soorten. - H 1930. Groenknolorchis (Liparis loeselii) De groenknolorchis is de enige soort uit de lijst van habitatrichtlijn-soorten die is aangewezen voor Natura2000-gebied Duinen Vlieland.
De orchidee komt op Vlieland uitsluitend voor op de Vliehors en in delen van de Kroonspolders, op een afstand van meer dan tien kilometer van het plangebied. Effectanalyse De uitvoering van het plan heeft geen effecten op de populatie van de groenknolorchis. Vogelrichtlijn soorten Broedvogels: - Lepelaar - Bruine kiekendief - Blauwe kiekendief - Porseleinhoen - Kluut Lepelaar, bruine kiekendief en blauwe kiekendief komen voor als broedvogel in de duinen van Vlieland. Broedlocaties komen echter niet voor in het duingebied ten zuiden van de locatie voor het paviljoen. De soorten broeden niet binnen een afstand van 5 kilometer van de locatie. Porseleinhoen wordt incidenteel als broedvogel aangetroffen in de Kroonspolders. Hetzelfde geldt voor de kluut, die ook op de Vliehors tot broeden komt. Broedlocaties komen niet voor binnen een afstand van 10 kilometer van het plangebied. Trekvogels en overwinteraars - Aalscholver - Pijlstaart - Slobeend - Eider - Tureluur - Kleine mantelmeeuw - Tapuit.
22
De duinen ten zuiden van het plangebied hebben geen bijzondere waarde voor trekvogels. Van de genoemde soorten kan alleen de tapuit er als doortrekker worden aangetroffen. Effectanalyse Aangegeven is dat van de broedvogels geen enkele soort in de nabijheid van de locatie van het paviljoen voorkomt. Daarnaast reden de veranderingen als gevolg van de openstelling in de winterperiode op buiten het broedseizoen van de vogels. Er is derhalve geen effect van de uitvoering van het plan op de broedpopulaties van de genoemde soorten. Ook heeft de uitvoering van het plan geen negatief effect op de genoemde trekvogels. Van de genoemde soorten komt uitsluitend de tapuit als doortrekker voor. De uitvoering van het plan heeft echter geen enkel effect op de geschiktheid van het duinlandschap als doortrekgebied voor de soort, mede doordat de veranderingen in de winterperiode plaatsvinden – in de periode dat de tapuit op het eiland niet voorkomt. Geconcludeerd wordt dat als gevolg van jaarrond plaatsing van het paviljoen en de exploitatie in de winterperiode op de locatie op het Noordzeestrand geen negatieve effecten zullen ontstaan op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Natura2000-gebied Duinen Vlieland, conclusies Uit het bovenstaande wordt geconcludeerd dat: - de uitvoering van het plan geen negatieve effecten heeft op de habitattypen van het Natura2000gebied.
- de uitvoering van het plan geen negatieve effecten heeft op de Habitatrichtlijn-soorten. - de uitvoering van het plan geen significant negatieve effecten heeft op de Vogelrichtlijn-soorten. Derhalve kan worden gesteld dat de jaarrond plaatsing van het paviljoen op de locatie en de exploitatie ervan in de winterperiode mogelijk is zonder strijdigheid is met de instandhoudingsdoelen van het Natura2000gebied. 6.2.3.
De instandhoudingsdoelen van de Natura2000-gebieden Waddenzee en Duinen –Vlieland en de Wet Natuurbescherming.
De belangrijke vraag of en in hoeverre de uitvoering van het plan leidt tot onaanvaardbare significant negatieve effecten op een van de instandhoudingsdoelen van de Natura2000-gebieden is hierboven beantwoord. Indien dergelijke effecten optreden is de uitvoering van het plan in beginsel strijdig met de Wnb, en is sprake van vergunningsplicht. Mede met inachtneming van het bovenstaande kunnen de volgende conclusies worden getrokken. - Het plangebied maakt deel uit van Natura2000-gebied Waddenzee. - De uitvoering van het plan heeft geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Waddenzee - De uitvoering van het plan heeft geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen Vlieland. - Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten als gevolg van externe werking vanuit het plangebied naar het aangrenzende Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Samengevat wordt de conclusie getrokken dat er geen significant negatieve effecten op de habitattypen en soorten van de Habitatrichtlijn of de Vogelrichtlijn zullen optreden in beide Natura2000-gebieden als gevolg van de uitvoering van het plan. De aanvraag van een vergunning van de Wet natuurbescherming bij de provincie Fryslân is niet nodig (voor de stikstofproblematiek zie hierna). 6.2.4.
Cumulatieve effecten.
In de omgeving van het plangebied is geen sprake van de uitvoering van andere plannen. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten als gevolg van cumulatie met andere plannen.
23
6.2.5.
Stikstof-uitstoot en PAS-regeling
De hoeveelheid extra emissie van stikstof als gevolg van de uitvoering van het plan kan worden berekend middels het digitale programma Aerius Calculator 2020. Het paviljoen is duurzaam opgebouwd en is niet aangesloten op het gasnet. Het stoot geen stikstof uit, en draagt ook niet bij aan de stikstofdepositie binnen het Natura2000-gebied. Door het laten staan van het paviljoen in de winterperiode vernadert hieraan niets. De exploitatie van het paviljoen in de winterperiode leidt wel tot enige extra uitstoot van stikstof. Deze wordt veroorzaakt door het licht gemotoriseerd verkeer van de exploitanten zelf en het personeel naar het paviljoen toe, en door licht verkeer van toeleveranciers. De extra stikstofuitstoot is van geringe omvang, maar is structureel en maakt deel uit van de gebruiksfase in de nieuwe situatie. De stikstofuitstoot die jaarlijks ontstaat door de afbraak van het paviljoen en de opbouw ervan is in de huidige situatie structureel en maakt deel uit van de bestaande gebruiksfase van het huidige paviljoen. De jaarlijkse afbraak en opbouw is een aanzienlijke operatie, waarbij de aanvoer van een telescoopkraan van buiten het eiland noodzakelijk is. Het paviljoen bestaat uit vier te demonteren units, die in de winterperiode moeten worden opgeslagen.
De operatie veroorzaakt jaarlijks door het draaien van mobiele werktuigen en transport (zwaar wegverkeer) een hoeveelheid stikstofemissie. Door het laten staan van het paviljoen in de winterperiode behoort deze operatie tot het verleden, evenals de daarmee gepaard gaande stikstofemissie. Er is dienaangaande sprake van een structurele vermindering van de stikstofemissie. Deze vermindering van de stikstofemissie is in omvang groter dan de toename van de emissie door licht wegverkeer tijdens de exploitatie in de winterperiode. De berekening met Aerius Calculator laat dan ook een negatief getal zien aangaande de stikstofemissie, resulterende is een 0-berelening wat betreft de stikstofdepositie binnen Natura2000-gebied. Als gevolg daarvan zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de Natura2000gebieden door stikstofdepositie uitgesloten. Daarmee vervalt ook de vergunningplicht voor de Wet natuurbescherming. Het is niet nodig een vergunning van de Wnb aan te vragen aangaande de stikstofproblematiek bij de provincie Fryslân. De stikstofberekening met Aerius Calculator 2020 is als bijlage aan dit rapport oegevoegd. 6.3. Soortenbescherming De soortenbescherming is sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. De oude Flora- en faunawet bestaat niet meer als een zelfstandige wet.
Inhoudelijk zijn wijzigingen doorgevoerd wat betreft de te beschermen soorten. In het algemeen geldt echter voor iedere soort de zorgplicht. Dit betekent dat de uitvoering van het plan geen veranderingen tot gevolg mag hebben in de “staat van instandhouding” van de soorten. Deze maatregel geldt voor alle soorten, maar is vooral bedoeld om kwetsbare soorten te beschermen. Voor enkele algemene soorten zoogdieren wordt door de Provincie Fryslân vrijstelling verleend, als de uitvoering van het plan geen verandering brengt in de “algeheel goede staat van instandhouding”van deze soorten in Nederland. De soortenbescherming is overal in Nederland van toepassing, dus ook op en in de omgeving van het plangebied. 6.3.1.
Voorkomende soorten
Strikt beschermde soorten. - Zandhagedis In het duingebied ten zuiden van de locatie van het paviljoen komt een populatie voor van de zandhagedis. - Rugstreeppad In jaren waarbij de grondwaterstand langdurig boven het maaiveld staat kan de Oosterse vallei gebruikt worden als voortplantingsplek door de rugstreeppad. - Vleermuizen In en rondom het plangebied komen geen populaties van vleermuizen voor. Overige soorten. Op het Noordzeestrand in de directe omgeving van de planlocatie komen geen kwetsbare soorten voor. In de aangrenzende duinen zijn echter tal van soorten aanwezig waarvoor de zorgplicht van belang is. Dit geldt tevens voor de kwetsbare vegetatie van het Oosterse veld waarin onder andere voorkomen rietorchis (Dactylorhiza majalis praetermissa) , welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia), harlekijn (Orchis morio), moeraswespenorchis (Epipactis palustris) en Vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incarnata).
24
Van belang is ook het voorkomen van populaties van duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder in de droge duinen ten zuiden en zuidwesten van de planlocatie. Beide soorten dagvlinders genieten sinds 1 januari 2017 in de Wnb bescherming. Vrijstellingssoorten Soorten uit deze lijst die in het duingebied ten zuiden van de locatie voor het paviljoen voorkomen zijn uitsluitend kleine zoogdieren, met name bosmuis, konijn, egel, bosspitsmuis, en mogelijk bruine rat en haas. Vogels Alle soorten broedvogels zijn beschermd door de Wnb. Voor deze soorten geldt de zorgplicht. In § 5.2. is aangegeven welke soorten in en in de omgeving van het plangebied voorkomen. Het betreft in meerderheid algemene broedvogels van duinstruwelen. De wulp kan worden beschouwd als een kwetsbare broedvogel van open duin. In de duinen nabij het plangebied is in recente tijd het broeden van de tapuit niet vastgesteld. 6.3.2. -
-
-
-
-
-
-
Effectanalyse.
De locatie van het paviljoen ligt op het hogere deel van het Noordzeestrand van Vlieland op enkele tientallen meters van de duinvoet van de zeereep. Op de locatie komen geen strikt beschermde soorten voor, evenmin als andere soorten waarvoor de zorgplicht geldt. Ook vogelsoorten ontbreken. De laten staan van het paviljoen op de locatie in de winterperiode heeft geen enkel effect op populaties van beschermde soorten, en is niet strijdig met het beginsel van zorgplicht van de Wnb. In de duinen ten zuiden van de locatie komt een populatie voor van de zandhagedis. De soort ontbreekt op de planlocatie zelf, en ondervindt geen nadelige gevolgen van jaarrond plaatsing van het paviljoen op het strand en de exploitatie in de winterperiode. De verandering die optreedt speelt zich af in de winterperiode van het jaar, als de zandhagedis in winterslaap verkeert en niet actief is. Ook worden ten behoeve van het plan geen activiteiten uitgevoerd binnen het leefgebied van de zandhagedis, zodat verstoring van overwinterende exemplaren is uitgesloten. Het leefgebied van de zandhagedis in de duinen is voor het publiek vrij toegankelijk, en er wordt in beperkte mate door het publiek gerecreëerd. Het is mogelijk dat de recreatiedruk in het duingebied met name in de zeereep iets zal toenemen als gevolg van de aanwezigheid van het paviljoen in de winter.
Dit leidt niet tot een verandering van de kwaliteit van het leefgebied van de zandhagedis of tot een achteruitgang van de populatie. Er is geen sprake van een significant negatief effect op de populatie. De Oosterse vallei ligt op een afstand van 300 meter ten westen van de locatie. In de vallei komt onder gunstige omstandigheden een populatie voor van de rugstreeppad. De vallei ligt op een dermate grote afstand van de locatie van het paviljoen dat een toename van de recreatiedruk door het aanwezigheid van het paviljoen in de winterperiode zich hier niet zal voordoen. Een negatief effect op de populatie van de rugstreeppad is uitgesloten. Er zullen derhalve geen negatieve effecten optreden voor de populaties van strikt beschermde soorten als gevolg van uitvoering van het plan. Overige soorten in de nabije omgeving van de locatie waarvoor de zorgplicht van toepassing is, zijn broedvogels, rietorchis, welriekende nachtorchis en andere kwetsbare plantensoorten in de Oosterse vallei, de groeiplaatsen van viooltjes en de daaraan gebonden populaties van duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder in de droge duinen en de kleine zoogdieren. Zorgplicht. Met betrekking tot kwetsbare soorten met een matige tot slechte staat van instandhouding is de zorgplicht van toepassing.
Van belang daarbij is dat na uitvoering van het plan in het plangebied ruimte overblijft als broedgebied voor de broedvogels en als leefgebied voor de andere soorten, zonder dat verslechtering van de staat van instandhouding optreedt. Bij de inrichting van het plangebied dient daarmee rekening te worden gehouden. Broedvogels. Op de locatie van het paviljoen komen geen broedvogels voor. Van de in het aangrenzend duingebied voorkomende vogelsoorten broedt alleen de graspieper in klein aantal in de aan het plangebied grenzende zeereep. De overige soorten broeden in de binnenduinen. Indien als gevolg van het gebruik van het paviljoen er sprake is van een geringe toename van de recreatiedruk in de nabije omgeving, blijft dit nagenoeg beperkt tot de winterperiode buiten het broedseizoen van de vogels. Verstoring van broedvogels is dan uitgesloten. Ook is de toename van de recreatiedruk in het gebied als gevolg van de exploitatie in de winterperiode zeer gering, zodat schade aan de kwaliteit van het broedgebied uitblijft.
25
-
-
-
-
-
7.
Plantensoorten. De verschillende soorten orchideeën komen voor in de Oosterse vallei, op 300 meter van het plangebied, op een zodanig grote afstand dat enig negatief effect van uitvoering van het plan op de groeiplaatsen kan worden uitgesloten. In het algemeen leidt een mogelijk geringe toename van de recreatiedruk in het duingebied als gevolg van de exploitatie in de winterperiode niet tot schade aam de populaties van voorkomende plantensoorten. Dagvlinders. De groeiplaatsen van de viooltjes in de duinen achter de zeereep zullen bij een mogelijke geringe toename van de recreatiedruk in het droge als gevolg van de aanwezigheid van het paviljoen niet in kwaliteit of omvang achteruitgaan. Hetzelfde geldt voor de aan de viooltjes gebonden populaties van duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder. Vrijstelling. Voor de kleine zoogdieren geldt op voorhand vrijstelling van de Wnb, daar geen sprake is van verslechtering van de “goede staat van instandhouding” van de populaties in Nederland. Conclusie zorgplicht. Er is geen sprake van verslechtering van de “staat van instandhouding” van kwetsbare soorten in de ruime omgeving van de planlocatie. Aan de eis van zorgplicht wordt voldaan; het is niet nodig extra mitigerende maatregelen te nemen. Zorgvuldig handelen. In het kader van zorgvuldig handelen is het niet toegestaan broedvogels in het broedseizoen opzettelijk te verstoren.
De veranderingen treden op buiten het broedseizoen, zodat verstoring van broedvogels uitblijft. Er is derhalve geen sprake van strijdigheid met het beginsel van zorgvuldig handelen. Externe werking. De uitvoering van het plan heeft geen significant negatieve effecten op de populaties van beschermde soorten op grotere afstand het plangebied. Cumulatief effect. Er wordt in de directe omgeving van het plangebied niet tezelfdertijd uitvoering gegeven aan andere plannen. Er is geen sprake van een cumulatief effect. Vergunningplicht. Omdat binnen het plangebied geen strikt beschermde soorten voorkomen, negatieve effecten op strikt beschermde soorten in de aangrenzende duinen zijn uitgesloten, en negatieve effecten op kwetsbare soorten en de broedvogels in het algemeen zijn uitgesloten, wordt voldaan aan de uitgangspunten van de wet, en is de aanvraag van een ontheffing van de Wnb aangaande de soortenbescherming niet nodig. Er zal bij de uitvoering van het plan geen sprake zijn van een overtreding van de wet.
Nationaal Natuur Netwerk (NNN).
Het plangebied maakt deel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Door de bouw van het paviljoen is een gering oppervlak van het Netwerk verloren gegaan. De bouw van het paviljoen is in 2017 al vergund. De veranderingen die nu optreden door het laten staan van het paviljoen leiden niet tot een verlies van oppervlak NNN-terrein. Ook is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied. Bovendien komen geen bijzondere natuurwaarden voor. De conclusie wordt dan ook getrokken dat compensatie of mitigatie in het kader van het Natuurnetwerk niet nodig is.
26
8.
Conclusies. Met betrekking tot Natura2000-gebied Waddenzee worden de volgende conclusies getrokken: - Het plangebied valt volledig binnen de grenzen van het Natura2000-gebied. - De locatie voor het paviljoen maakt deel uit van habitattype H1140A – slik- en zandplaten (Waddenzee), de kenmerken van het habitattype ontbreken er echter. Geconcludeerd wordt dat de aanwezigheid van het paviljoen in de winterperiode en de exploitatie ervan in de winterperiode geen significant negatief effect teweeg brengt. - In de omgeving van de locatie komen geen andere habitattypen voor. - In de omgeving van de locatie komen geen Habitatrichtlijn-soorten voor. - In de omgeving van de locatie komen geen broedvogels voor, die deel uitmaken van de Vogelrichtlijnsoorten broedvogels. - Een negatief effect op de geschiktheid van het strand als foerageergebied voor de drieteenstrandloper, scholekster en steenloper is uitgesloten. - Negatieve effecten op overige trekvogels die deel uitmaken van de Vogelrichtlijn-soorten nietbroedvogels zijn uitgesloten. - Er is geen sprake van cumulatie van effecten in relatie met andere uit te voeren plannen in de omgeving. - Significant negatieve effecten op alle instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied door uitvoering van het plan zijn uitgesloten.
Met betrekking tot de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen – Vlieland worden de volgende conclusies getrokken: -
-
-
-
-
-
Het plangebied zelf valt buiten het Natura2000-gebied Duinen Vlieland. De jaarrond plaatsing van het paviljoen op het Noordzeestrand en de exploitatie in de winterperiode heeft geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied. Als gevolg van het gebruik van het paviljoen is een geringe toename van de recreatiedruk in het duingebied niet uit te sluiten. Deze toename zal zich voornamelijk beperken tot de ten zuiden van de locatie gelegen zeereepduinen. Een negatief effect op de omvang en kwaliteit van de habitattypen van het duingebied als gevolg van een geringe toename van de betredingsdruk door de exploitatie van het paviljoen in de winterperiode is uitgesloten. De effecten van de uitvoering van het plan op de instandhoudingsdoelen zijn alleen in kaart gebracht in de omgeving van het plangebied, tot op een 500 meter afstand van het plangebied. Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen op grotere afstand is uitgesloten. Habitatrichtlijn-soorten en Vogelrichtlijn-soorten komen binnen 500 meter van het plangebied niet voor. Er is geen sprake van cumulatie van effecten in relatie met andere plannen in de omgeving. Significant negatieve effecten op alle instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied door uitvoering van het plan zijn uitgesloten. Stikstof.
Door het nalaten van de jaarlijkse afbraak en opbouw van het paviljoen vervalt de stikstofuitstoot door zwaar wegverkeer en het draaien van mobiele werktuigen ter plaatse. Er is dus wat betreft de stikstofuitstoot sprake van winst. Deze is groter dan de geringe stikstofuitstoot die ontstaat door licht wegverkeer tijdens de exploitatie in de winter (o.m. door toeleveranciers). Er is aangaande de stikstofproblematiek geen vergunningplicht voor de Wnb.
Met betrekking tot de Soortenbescherming kan het volgende worden geconcludeerd: -
-
Binnen het plangebied op het Noordzeestrand komen geen strikt beschermde soorten voor. Er zijn geen negatieve effecten door de exploitatie van het paviljoen in de winter op de populaties van strikt beschermde soorten (zandhagedis, rugstreeppad) in het aangrenzend duingebied. Er is geen sprake van verslechtering van de “staat van instandhouding” van kwetsbare soorten als gevolg van de uitvoering van het plan. Aan het beginsel van zorgplicht wordt voldaan, zonder dat extra mitigerende maatregelen nodig zijn. De plannen leiden niet tot strijdigheid met de Wnb.
27
-
Aan het beginsel van zorgvuldig handelen wordt voldaan. Er is geen sprake van cumulatieve effecten. Het aanvraag van een ontheffing van de Wet natuurbescherming op basis van de soortenbescherming is niet nodig.
Natuur Netwerk Nederland (NNN). De wijzigingen leiden niet tot een verlies aan oppervlak NNN-terrein. Ook is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het landschap. Compensatie is niet nodig.
28
9.
Literatuur
Altenburg & Wymenga, 2014. Vegetatiekartering van de duinen van Vlieland. Veenwouden. Aptroot A., et.al., 1998. Bedreigde en kwetsbare korstmossen in Nederland; basisrapport met voorstellen voor de Rode Lijst. Buxbaumiella 44. Beenen, R, 1998. Soortsbeschermingsplan Rugstreeppad. Provincie Utrecht, Utrecht. Buro Bakker, 2007. Vegetatiekartering van de terreinen van Staatsbosbeheer op Vlieland 2006 – 2007. Buro Bakker adviesburo voor ecologie, Assen. Dijksen, L.J. & B.J.Koks ,2001. Broedvogelmonitoring in het Nederlandse Waddengebied in 2000. Monitoringrapport 2001/09. SOVON, Beek-Ubbergen. DLG, 2015. Concept-beheerplan voor de Natura2000-gebieden van Vlieland, incl. habitattypenkaart. Dienst Landelijk Gebied, Leeuwarden. Hustings F., C.van Turnhout, R.L.Vogel en M.van der Weide, 1997. Aantalsontwikkelingen van karakteristieke broedvogels op de Nederlandse Waddeneilanden. – In: T.M.van der Have en E.R.Osieck (red.). Aantalsontwikkelingen en beheersmaatregelen voor karakteristieke vogels van het Waddengebied. Technisch Rapport 18. Vogelbescherming Nederland, Zeist 49 – 114. Hustings, F en J.W.Vergeer, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels, 1998 – 2000. Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum, KNNV Uitgeverij, EIS-Nederland, Leiden. Janssen J.A.M. en J.H.J.Schaminée, 2003. Habitattypen. Europese natuur in Nederland. KNNV-uitgeverij Utrecht. Janssen J.A.M.
en J.H.J. Schaminée, 2004. Soorten van de Habitatrichtlijn. Europese Natuur in Nederland. KNNV-uitgeverij Utrecht. Koopman, J en W.Stouthamer, 2006. Flora van Vlieland. ongepubliceerd. Fryske Feriening foar Fjildbiology. Meijden, R.van der, B. Odé, C.L.G.Groen, J.P.M.Witte en D.Bal, 2000. Bedreigde en kwetsbare vaatplanten in Nederland. Basisrapport met voorstel voor de Rode Lijst. Gorteria, 26-4 (2000). Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV-uitgeverij, EIS-Nederland; Leiden. Ministerie LNV, 1991. Aanwijzingsbesluit van het gebied ‘Waddenzee’ als Speciale Beschermingszone, Nr. J.9115397, d.d. 8 november 1991. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, directie Natuurbeheer, Den Haag. Ministerie LNV, 2000. Aanwijzingsbesluit van het gebied ‘Waddeneilanden/ Noordzeekust, Breebaart’ als Speciale Beschermingszone, N/2000/320 d.d. 24 maart 2000. Ministerie van landbouw, Natuurbeheer en Visserij, directie Natuurbeheer, Den Haag. Ministerie van LNV, 2004a. Werken aan Natura 2000. Handreiking voor de bescherming van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Concept Ministerie van LNV, Den Haag. Ministerie van LNV, 2004b. Besluit Rode Lijsten flora en fauna. Ministerie van LNV, Den Haag. Ministerie van LNV, 2009a.
Aanwijzingsbesluit Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Ministerie van LNV, 2009b. Nota van toelichting van het Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Natuurcompendium, 2003. Natuur in cijfers. Rijksinstituut voor milieu en natuur. 2003 Provincie Fryslân, 2016a. Verordening Wet natuurbescherming Fryslân, 2017. Provinciaal Blad Nr 6515, december 2016. Provincie Fryslân, 2016b. Besluit van gedeputeerde staten van Fryslân d.d. 27 september 2016 tot vaststelling van de Beleidsregel Wet natuurbescherming 2017. Provinciaal Blad Nr 6542, december 2016. SOVON. Broedvogelinventarisatie duinen Vlieland in 2005. Westhoff, V. en M.F.van Oosten, 1991. De Plantengroei van de Waddeneilanden. KNNV-Utrecht. Zuiderwijk, A., 2001. Zoektocht naar zandhagedissen op Waddeneilanden. Meetnet reptielen, Nieuwsbrief 21: 13-14. Zumkehr, P.J., 2012. De plaatsing van een demontabel strandpaviljoen op het Noordzeestrand van Vlieland; een ecologische beoordeling. Zumkehr Ecologisch Adviesbureau, Midsland – Terschelling. Zumkehr, P.J., 2017. De plaatsing van een nieuw strandpaviljoen op het Noordzeestrand van Vlieland; een ecologische beoordeling. Zumkehr Ecologisch Adviesbureau, Midsland-Terschelling, Januari 2017.
29
10. Tabellen. 10.1. Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Habitattypen, soorten van de Habitatrichtlijn en soorten van de Vogelrichtlijn in de omgeving van het plangebied. Instandhoudingsdoelen Natura 2000 gebied Duinen - Vlieland voorkomen: soort of type komt in de omgeving van het plangebied wel of niet voor. Omg = voorkomen in de nabije omgeving. effect: geen. Er is geen sprake van een significant negatief effect op het type .
Habitatrichtlijn typen H1310. Eenjarige pioniervegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia ssp. H1330. Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae). H2120. Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”). H2130. * Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (‘grijze duinen”) H2140. * Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum. H2150. * Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno – Ulicetea). H2160. Duinen met Hippophae rhamnoides. H2170. Duinen met Salix repens ssp argentea (Salicion arenariae). H2180. Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied. H2190. Vochtige duinvalleien Habitatrichtlijn soorten H 1930. Groenknolorchis (Liparis loeselii). Vogelrichtlijn Broedvogels: Lepelaar Bruine kiekendief Blauwe kiekendief Porseleinhoen Kluut Trekvogels en overwinteraars. Aalscholver Pijlstaart Slobeend Eider Tureluur Kleine mantelmeeuw Tapuit.
voorkomen niet niet omg omg omg niet omg omg omg niet
niet
niet niet niet niet niet
niet niet niet niet niet niet niet
30
effect
geen geen geen geen geen geen
10.2. Natura2000-gebied Waddenzee. Habitattypen, soorten van de Habitatrichtlijn en soorten van de Vogelrichtlijn in de omgeving van het plangebied.
Instandhoudingsdoelen Natura2000-gebied Waddenzee Voorkomen: niet = soort/type komt binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied niet voor. Voorkomen: wel = soort/type komt op de planlocatie voor. Voorkomen: omg. = soort/type komt binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied wel voor. Effect: geen = er is geen significant negatief effect op type of soort. Habitatrichtlijn-typen H1110A Permanent overstroomde zandbanken (getijdengebied). H11440A Slik- en zandplaten (getijdengebied) H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) H1310B Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur) H1320 Slijkgrasvelden H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) H2110 Embryonale duinen H2120 Witte duinen H2130B * Grijze duinen (kalkarm) H2160 Duindoornstruwelen H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
Voorkomen Niet Wel Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet
Habitatrichtlijn-soorten H1095 Zeeprik H1099 Rivierprik H1103 Fint H1364 Grijze zeehond H1365 Gewone zeehond
Niet Niet Niet Niet Niet
Vogelrichtlijn-soorten Broedvogels. A034 Lepelaar A063 Eider A081 Bruine kiekendief A082 Blauwe kiekendief A132 Kluut A137 Bontbekplevier A138 Strandplevier A183 Kleine mantelmeeuw A191 Grote stern A193 Visdief A194 Noorde stern A195 Dwergstern A222 Velduil
Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet
31
Effect Geen
Vervolg tabel. Voorkomen Niet broedvogels: A005 Fuut A017 Aalscholver A034 Lepelaar A037 Kleine zwaan A039 Toendrarietgans A043 Grauwe gans A045 Brandgans A046 Rotgans A048 Bergeend A050 Smient A051 Krakeend A052 Wintertaling A053 Wilde eend A054 Pijlstaart A056 Slobeend A062 Toppereend A063 Eider A067 Brilduiker A069 Middelste zaagbek A070 Grote zaagbek A103 Slechtvalk A130 Scholekster A132 Kluut A137 Bontbekplevier A140 Goudplevier A141 Zilverplevier A142 Kievit A143 Kanoet A144 Drieteenstrandloper A147 Krombekstrandloper A149 Bonte strandloper A156 Grutto A157 Rosse grutto A160 Wulp A161 Zwarte ruiter A162 Tureluur A164 Groenpootruiter A169 Steenloper A197 Zwarte stern
Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Omg Niet Niet Niet Niet Niet Niet Omg Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Niet Omg Niet
32
Effect
Geen
Geen
Geen
Kaart 1. Ligging van het plangebied op Vlieland.
33
Kaart 2. Het plangebied (rood kader). De locatie van het strandpaviljoen.
34
Kaart 3: De Natura2000-gebieden. De gele lijn geeft de grens aan tussen Natura2000-gebied Waddenzee en Natura2000-gebied Duinen Vlieland.
35
Kaart 4. De habitattypen in de omgeving van het plangebied. De volgende habitattypen van Natura2000-gebied Duinen Vlieland komen voor: H2120: Witte duinen. H2130B: Grijze duinen, kalkarm H2140B: Duinen met Kraaiheide, droog H2160: Duindoornstruweel H2170: Kruipwilgstruweel H2180A: Atlantische duinbossen, droog
36
Kaart 5. Ligging van habitattype H1140A – Slik- en zandplaten (Waddenzee) binnen Natura2000-gebied Waddenzee, op en rondom het plangebied.
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47