ecologisch onderzoek 2021 Vlieland strandpaviljoen.pdf
Tekst van het document
De jaarrond plaatsing van het Strandpaviljoen Oost op het Noordzeestrand van Vlieland; een ecologische beoordeling. P.J.Zumkehr.
ZUMKEHR ECOLOGISCH ADVIESBUREAU Midsland – Terschelling September 2021
1
Colofon. Zumkehr, P.J., 2021. De jaarrond plaatsing van het Strandpaviljoen Oost op het Noordzeestrand van Vlieland; een ecologische beoordeling. Zumkehr Ecologisch Adviesbureau, MidslandTerschelling, September 2021. Opdrachtgever. Dhr. W.Joosse, Mevr. J.Otten Uitvoerder. Zumkehr Ecologisch Adviesbureau. P.J.Zumkehr, Oude Terpweg 3 8891 GE Midsland Terschelling. tel. 0562449196 mob. 0650816092 e-mail: admin@pzumkehr.nl © Zumkehr Ecologisch Adviesbureau Overname van gegevens uit dit rapport is toegestaan met bronvermelding.
2
De jaarrond plaatsing van het Strandpaviljoen Oost op het Noordzeestrand van Vlieland; een ecologische beoordeling. P.J. Zumkehr. 1.
Inleiding.
Op het Noordzeestrand van Vlieland staat bij de strandovergang aan de Fortweg sinds 2017 een klein, duurzaam strandpaviljoen. De gemeente Vlieland heeft de plaatsing van dit strandpaviljoen op het strand toegestaan voor de zomerperiode, jaarlijks van 15 maart tot en met de herfstvakantie. In de winterperiode wordt het paviljoen verwijderd, en opgeslagen op een andere locatie. Het plateau waarop het paviljoen geplaatst wordt, blijft jaarrond staan. De ondernemers van het paviljoen hebben bij de gemeente Vlieland het verzoek ingediend het paviljoen ook in de winterperiode te mogen laten staan en in die periode ook te mogen exploiteren. De locatie op het Noordzeestrand maakt deel uit van Natura2000-gebied Waddenzee, de aangrenzende duinen maken deel uit van Natura2000-gebied Duinen Vlieland. De jaarrond plaatsing van het paviljoen en de exploitatie ervan in de winterperiode kunnen gevolgen hebben voor de beschermde natuurwaarden in de directe omgeving in het kader van de verschillende natuurbeschermingswetten. Het is verplicht deze gevolgen in kaart te brengen. De exploitanten hebben aan Zumkehr Ecologisch Adviesbureau te Midsland – Terschelling – de opdracht gegeven de effecten van de wijziging op de natuurwaarden in een rapport aan te geven. Het rapport kan worden beschouwd als een voortoets in het kader van Natura2000. 2.
Het plangebied en het plan.
Het plangebied. Het plangebied betreft de locatie op het Noordzeestrand nabij de strandovergang bij de Fortweg en de directe omgeving ervan. De locatie ligt op het strand nabij de duinvoet ter oostzijde van de strandovergang. Zie het kaartje in dit rapport. Het project. Het project betreft een wijziging van het plaatsingsbeleid voor het strandpaviljoen op de aangegeven locatie. De gemeente Vlieland heeft in 2017 de mogelijkheid gegeven op de locatie een strandpaviljoen te plaatsen en te exploiteren. Het bestemmingsplan Buitengebied van Vlieland, artikel 23.1., geeft aan: “het strandpaviljoen mag gedurende het zomerseizoen van 15 maart tot en met de herfstvakantie aanwezig zijn”. De wijziging die nu wordt voorgesteld betreft de jaarrond plaatsing van het paviljoen op het plateau. Het paviljoen hoeft dan niet meer te worden verwijderd na de herfstvakantie en te worden teruggeplaatst na 15 maart. De wijziging maakt ook een jaarrond exploitatie van het paviljoen mogelijk. 3.
Informatiebronnen.
Voor het opstellen van dit rapport is gebruik gemaakt van beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde natuurwaarden op Vlieland. Alleen gegevens van na 2000 zijn benut. Oudere gegevens worden als niet relevant beschouwd. De belangrijkste bron voor het toetsen van de effecten aan de eisen van de natuurbeschermingswetgeving is het beheerplan voor de Natura2000-gebieden van Vlieland dat in 2015 door de Dienst Landelijk Gebied is gepubliceerd (DLG, 2015). Voor het in kaart brengen van de habitattypen in de nabijheid van het plangebied is gebruik gemaakt van de habitattypenkaart die deel uitmaakt van het beheerplan. Wat betreft de vegetatiekundige gegevens is gebruik gemaakt van de vegetatiekartering van Buro Bakker (Buro Bakker, 2007) en de kartering van terreinen van Staatsbosbeheer door Altenburg & Wymenga in 2013 (A&W, 2014). Vogelkundige gegevens zijn afkomstig van de in opdracht van Staatsbosbeheer uitgevoerde broedvogelinventarisatie (SOVON, 2017). Aanvullende informatie is verkregen tijdens een veldbezoek aan het paviljoen en omgeving op 7 september 2021. Tevens is op 8 september 2021 de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op het voorkomen van zeldzame soorten in de omgeving.
3
De effectanalyse heeft betrekking op de mogelijke effecten op de beschermde natuurwaarden die kunnen ontstaan door de wijziging van de plaatsing en de exploitatie in de periode vanaf de herfstperiode tot 15 maart. Een analyse van de mogelijke effecten van de plaatsing van het paviljoen in de zomerperiode is in 2017 opgesteld (Zumkehr, 2017), en heeft als basis gediend voor de vergunning voor de jaarlijkse plaatsing van het paviljoen en de exploitatie tot nu toe. De effectanalyse in dit rapport behandelt alleen de mogelijke effecten van de wijziging in de winterperiode, maar laat de zomerperiode verder buiten beschouwing omdat dit deel uitmaakt van de reeds bestaande situatie.
4. Wettelijk kader. 4.1. Wet natuurbescherming (Wnb) Per 1 januari 2017 is het oude wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals voorheen neergelegd in de Natuurbeschermingswet1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen door één wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb vormt het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid van het Rijk naar de provincies, waarbij de bevoegdheden en verantwoordelijkheden op het gebied van het natuurbeleid en het landelijk gebied zo veel mogelijk worden overgedragen van het Rijk naar de provincies, overeenkomstig het ‘decentraal-tenzij-beginsel’. Dit is in het verlengde van de bestuursafspraken 2011 – 2015 tussen Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen en het daarop gebaseerde onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur van 20 september 2011, gesloten tussen Rijk en provincies. Het is de bedoeling dat de Wnb over een paar jaar op haar beurt zal opgaan in de Omgevingswet. Op grond van de Wnb worden provinciale staten verplicht voor bepaalde onderwerpen regels op te stellen. Daarnaast hebben provinciale staten de mogelijkheid om op een aantal onderwerpen regels te stellen. Deze regels zijn opgenomen in de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017. Naast de bevoegdheden die provinciale staten hebben, hebben gedeputeerde staten van Fryslân ook haar bevoegdheden.
Dit zijn onder andere bevoegdheden tot het opstellen van beleidsregels op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De beleidsregels in het kader van de Wnb zijn opgenomen in deze beleidsregel: de Beleidsregel Wet natuurbescherming Fryslân 2017. De beleidsregel gaat in op de tegemoetkoming in faunaschade en de toedeling van ontwikkelingsruimte uit segment 2 in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof Fryslân. 4.1.1. Natura2000 De natuurgebieden in Nederland die deel uitmaken van het netwerk van Natura2000 ontlenen hun bescherming aan op Europees niveau gemaakte afspraken. De gebiedsbeschermingswetgeving voor de Natura2000-gebieden maakte tot voor kort deel uit van de Natuurbescherminswet1998. Per 1 januari 2017 is deze wetgeving onveranderd in de nieuwe Wnb overgenomen. De Natura2000-gebieden gelden als Speciale Beschermingszones (SBZ’s), die zijn aangewezen op grond van de Europese Habitatrichtlijn en/of de Vogelrichtlijn. De SBZ’s die in het kader van de Habitatrichtlijn zijn vastgesteld worden ook wel Habitatrichtlijngebieden genoemd. Ze zijn aangewezen vanwege bijzondere habitats en soorten (de zogenaamde ‘kwalificerende waarden’), genoemd in respectievelijk bijlage I en bijlage II van de richtlijn. De SBZ’s in het kader van de Vogelrichtlijn staan ook wel bekend als Vogelrichtlijngebieden.
Ze zijn aangewezen ter bescherming van het leefgebied van bedreigde vogels en trekvogels. Als projecten en andere handelingen in of nabij een Natura2000 gebied plaatsvinden, moet onderzocht worden of deze significant negatieve effecten op de kwalificerende waarden van het gebied hebben. Als uit deze beoordeling blijkt dat het gebied wordt aangetast, of duidelijke twijfel bestaat over het uitblijven van die aantasting, kan het bevoegd gezag slechts vergunning verlenen voor de gevraagde activiteit als er geen alternatieven zijn, er een dwingende reden van groot openbaar belang met die activiteit is gemoeid en vóór de ingreep compensatie van natuurwaarden is gerealiseerd. Als gevolg van de decentralisatie van rijkstaken naar de provincies is de provincie in de nieuwe Wnb bevoegd gezag voor vrijwel alle Natura2000-gebieden. Een uitzondering daarop zijn gebieden van grote omvang die deel uitmaken van meerdere provincies en waarvoor een samenhangend beleid is opgesteld. Het gaat dan onder meer om grote open wateren, zoals de Waddenzee en de Noordzee. Het Rijk is voor deze gebieden bevoegd gezag voor zover het de gedeelten betreft die kunnen worden beschouwd als open water. Wat betreft de toekenning van een Omgevingsvergunning voor de uitvoering van projecten die Natura2000gerelateerd zijn, gelden de gemeenten als loket.
De provincie heeft echter een beoordelende taak, en kan voor projecten waarbij significant negatieve effecten met zekerheid zijn uit te sluiten een “verklaring van geen bedenkingen”afgeven. Een dergelijk oordeel is echter pas mogelijk als de effecten van de uitvoering van
4
projecten zijn geanalyseerd in een zogenaamde “voortoets”. Indien uit een voortoets blijkt dat significant negatieve effecten niet met zekerheid uitgesloten zijn, dient een vergunning voor de Wnb te worden aangevraagd bij de provincie. Er dient dan een Passende beoordeling voor het project te worden opgesteld, waarin de aard van de significant negatieve effecten verder wordt uitgewerkt en wordt geanalyseerd of deze effecten door middel van mitigerende maatregelen of compensatie kunnen worden voorkomen. Stikstof. De Natura2000-gebieden van Vlieland zijn gevoelig voor de negatieve effecten van stikstofdepositie uit de atmosfeer. Voor projecten die binnen of in de omgeving van Natura2000-gebieden worden uitgevoerd is het verplicht de uitstoot van stikstof te berekenen die tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of structureel na voltooiing van het project ontstaan. De berekening kan worden gemaakt door middel van het digitaal toegankelijke programma Aerius Calculator 2020. In de berekening is de stikstofuitstoot van het project, die structureel ontstaat in de gebruiksfase van belang. Indien de structurele stikstofuitstoot dermate beperkt is dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen met zekerheid zijn uitgesloten, geldt het project wat betreft de stikstofproblematiek als vergunningvrij.
Sinds een uitspraak van de Raad van State in 2021 hoeft tijdelijke depositie die ontstaat tijdens de aanlegfase van het plan, bijvoorbeeld door de tijdelijke inzet van mobiele werktuigen of door transport, niet meer in de berekening worden meegenomen. 4.1.2. Soortsbescherming in de Wnb De nationale bescherming van soorten werd tot voor kort geregeld door de Flora- en faunawet. Deze is echter per 1 januari 2017 opgegaan in de nieuwe Wnb. Daarmee zijn ook enkele wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste wijziging betreft de verplaatsing van het bevoegd gezag van het Rijk naar de provincies. Een andere wijziging betreft de lijst van beschermde soorten. In de Flora- en faunawet was sprake van drie verschillende beschermingsregimes. Dit onderscheid is in de Wnb vervallen. Wel maakt de wet onderscheid in soorten die beschermd zijn op basis van internationale afspraken en soorten die alleen op nationaal niveau beschermd zijn (de nationale soorten). De bescherming van soorten van internationale betekenis komt overeen met die van de “strikt beschermde soorten”, als onderdeel van de oude Flora- en faunawet. Wat deze strikt beschermde soorten betreft zijn er in de nieuwe wet geen veranderingen opgetreden. Het onderscheid tussen “matig beschermde soorten” en “licht beschermde soorten” uit de Flora- en faunawet is in de Wnb komen te vervallen.
In de Wnb geldt voor alle in Nederland voorkomende soorten de zorgplicht. Dit betekent dat bij de uitvoering van plannen of projecten verslechtering van de “staat van instandhouding” van de soorten niet is toegestaan. In de oude Flora- en faunawet was een lijst opgenomen van in Nederland algemene soorten met een “algemeen goede staat van instandhouding in Nederland”. Voor dit lijstje gold vrijstelling van de wet als in de algemeen goede staat van instandhouding geen verandering zou optreden. Nu dit onderscheid is opgeheven geldt vanuit de Wnb nu ook voor deze soorten de zorgplicht. Vrijstelling wordt vanuit de Wnb niet meer gegeven. Echter met het verplaatsen van het bevoegd gezag naar de provincies is het verlenen van vrijstelling waar het algemene soorten betreft nu provinciaal beleid geworden. De provincies hebben daarom in aparte beleidsnotities vrijstellingslijsten opgenomen voor soorten waarvoor op provinciaal niveau vrijstelling mogelijk is. Deze vrijstellingslijsten kunnen per provincie verschillen. De lijst van de provincie Fryslân als bijlage 1 in de Beleidregels Wet Natuurbescherming van de Provincie Fryslân 2017 bevat een aantal algemene soorten zoogdieren en amfibieën waarvoor vrijstelling mogelijk is. Daarnaast is een bijlage 2 opgenomen met enkele soorten waarvoor vrijstelling geldt ingeval van overlast.
Ook zijn beleidsregels opgesteld over beheer van ganzenpopulaties en betreffende de steenmarter. Bijlage 1. Vrijstellingslijst Provincie Fryslân. Beleidsregels Wet Natuurbescherming Fryslân 2017. Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Bunzing Dwergspitsmuis Gewone bosspitsmuis Egel Haas Hermelijn Huisspitsmuis
Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Micromys minutus Mustela putorius Sorex minutus Sorex araneus Erinaceus europaeus Lepus europaeus Mustela erminea Crocidura russula
5
Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Wezel Woelrat
Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Mustela nivalis Arvicola terrestris
Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
Rana temporaria Bufo bufo Triturus vulgaris Rana ridibunda.
Bijlage 2. Vrijstellingslijst Provincie Fryslân. Beleidsregels Wet Natuurbescherming Fryslân 2017. Roek Kokmeeuw Zilvermeeuw Woelrat Aardmuis Dwergmuis Veldmuis
Corvus frugilegus ssp frugilegus Larus ridibundus Larus argentatus ssp argentatus Arvicola terrestris Microtus agrestis Micromys minutus Microtus arvalis
Voor alle andere soorten geldt in de Wnb een zogenaamde actieve beschermingsplicht gedefinieerd als zorgplicht, waarvoor de “staat van instandhouding” van de populaties centraal staat. Daarnaast geldt voor een aantal in de Wnb apart genoemde soorten een passieve beschermingsplicht. In deze beleidsregel worden de individuen van de opgenomen soorten beschermd tegen schadelijke activiteiten (plukken, het vangen van vlinders etc.). Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn veranderingen doorgevoerd, waardoor een groot aantal vaatplanten de beschermde status is kwijtgeraakt. Daarentegen zijn aan de lijst enkele soorten dagvlinders toegevoegd, waaraan voorheen geen beschermde status is toegekend. 4.2. Overige relevante wetgeving. 4.2.1. NNN: Natuur Netwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur). Het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS) is onderdeel van het rijksbeleid voor een netwerk van natuurgebieden door Nederland. Waar de grenzen nog globaal zijn vastgesteld, moeten onomkeerbare ingrepen voorkomen worden. Na vaststelling van de exacte grenzen zijn ruimtelijke ingrepen binnen de EHS niet toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van ‘redenen van groot openbaar belang’.
In uitzonderingsgevallen kan het Rijk de natuurwaarden en functies van het EHS-gebied laten wijken voor andere functies van groot maatschappelijk belang. De initiatiefnemer dient deze belangen en mogelijke alternatieven uitgebreid te motiveren. Daarnaast dient hij compenserende dan wel mitigerende (verzachtende) maatregelen te treffen (Ministerie van LNV 2003). In vrijwel geheel Friesland is inmiddels de feitelijke Provinciale Ecologische Hoofdstructuur vastgesteld (Streekplan Fryslân 2006). In het streekplan is verwoord dat een algemene zorgplicht bestaat voor de instandhouding van kwetsbare soorten. Ruimtelijke ingrepen in de EHS zijn niet toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van ‘redenen van groot openbaar belang’. Voor Vogelrichtlijngebieden of Natuurbeschermingswetgebieden – zoals hier het geval is – gelden aanvullende eisen. In het geval van een ingreep worden alle nodige mitigerende maatregelen getroffen. Bij Habitatrichtlijngebieden met prioritaire soorten en/of habitats, zijn onder ‘dwingende redenen van groot openbaar belang’ niet begrepen ‘redenen van sociale of economische aard’. Bij natuurcompensatie is een uitgangspunt dat geen netto-verlies optreedt aan waarden voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang van de EHS.
Voor de Waddeneilanden geldt dat feitelijk alleen kwalitatieve (geen kwantitatieve compensatie) mogelijk is.
6
Verordening Romte Fryslân Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslan/werkwijze RO 2014 vastgesteld (Provincie Friesland, 2015). De provincie stelt hierin o.a. vast welke gebieden deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en hoe deze beschermd worden. Deze hoofdstructuur is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Dit netwerk vormt de basis voor het natuurbeleid. De EHS bestaat uit kerngebieden (grote aaneengesloten natuurgebieden met een hoge kwaliteit) natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Planologisch heeft de EHS een extra beschermde status. Sinds 2014 wordt de EHS Natuur Netwerk Nederland genoemd (NNN). Deze titel wordt in dit rapport verder gebruikt. De bescherming van het NNN is vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân (31 juli2014 (Provincie Friesland, 2015)). Hierin is onder meer vastgelegd: • Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden binnen het NNN dient een passende bestemming te hebben met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
• Het plan maakt geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gronden, of tot significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het NNN. • Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden nabij het NNN kan nieuwe, niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Hiervan kan worden afgeweken wanneer sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven voor de beoogde ontwikkeling zijn en schade door mitigerende maatregelen zoveel wordt beperkt als redelijkerwijs mogelijk is. Resterende schade wordt gecompenseerd door het treffen van zodanige maatregelen dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in termen van areaal, kwaliteit en samenhang. Daarnaast kan een ruimtelijk plan onderling samenhangende activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken die mede tot doel hebben de kwaliteit of kwantiteit van het NNN op gebiedsniveau te verbeteren, indien per saldo sprake is van verbetering van de natuurwaarden in en rond het gebied, waarbij de oppervlakte van het NNN gelijk blijft of toeneemt.
In de plantoelichting dient daartoe een verantwoording opgenomen te worden over de aard, omvang, locaties en het tijdvak van realisatie van de verbetering van de natuurwaarden. Ook dient de wijze waarop tenuitvoerlegging van de daartoe benodigde maatregelen en ingrepen plaatsvindt feitelijk en planologisch gewaarborgd te worden. Een ruimtelijk plan dat nieuwe activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maakt nabij het NNN, die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan kan doorgang vinden mits er geen reële alternatieven voor de beoogde ontwikkeling zijn, schade door mitigerende maatregelen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt en resterende schade wordt gecompenseerd door het treffen van zodanige maatregelen dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden in termen van kwaliteit en samenhang van de ecologische hoofdstructuur. 4.2.2. Planologische Kernbeslissing Waddenzee II en III De planologische kernbeslissing (PKB) Derde Nota Waddenzee (VROM 2001) bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de Waddenzee (VROM 2001). De PKB is gebiedsgericht van karakter en integreert het ruimtelijk en ruimtelijk relevante rijksbeleid voor de Waddenzee. De grens van het PKB-gebied kan worden omschreven als het zeegebied van Den Helder tot de rijksgrens met Duitsland.
Het PKB-gebied wordt aan de noordkant begrensd door onder meer de kwelders en platen van de Waddenzeekust van de eilanden. De hoofddoelstelling voor de Waddenzee is de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap. Om dit te bereiken is het beleid onder meer gericht op de duurzame bescherming en/of een zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling van de flora en de fauna en tevens op behoud van de landschappelijke kwaliteiten, met name rust, weidsheid, open horizon en natuurlijkheid. Nieuwe activiteiten dan wel uitbreiding of wijziging van bestaande activiteiten met een economische en/of recreatieve betekenis zijn mogelijk, mits zij passen binnen de hoofddoelstelling voor de Waddenzee.
7
Met betrekking tot het ontwikkelingsperspectief stelt de PKB onder meer: De Waddenzee is primair een natuurgebied en een uniek open landschap. De natuurlijke dynamiek van de fysische processen in de Waddenzee, op de Waddeneilanden en in de Noordzeekustzone wordt zo min mogelijk beperkt, zodat zich nieuwe platen, geulen en jonge duin- en kustgebieden kunnen ontwikkelen. De rust, weidsheid en open horizon zijn gewaarborgd en worden hoog gewaardeerd. Zeezoogdieren, vissen en (trek)vogels zijn duurzaam verzekerd van voldoende voedsel en rust- en voortplantingsgebieden. Het rijksbeleid ten aanzien van de recreatie op de Waddenzee is gericht op het beheersbaar maken en houden van het recreatief medegebruik en het ontwikkelen van duurzame vormen van recreatie, waarbij de natuurlijke draagkracht van het gebied uitgangspunt is. Voor het recreatief medegebruik geldt een zonering waarbij de voor verstoring gevoelige gebieden worden ontzien. Voorts wordt gesteld dat de flora en fauna van de Waddenzee zich meer ongestoord dienen te kunnen ontwikkelen. Zeehonden behoeven voldoende voedsel en rustplaatsen. Hetzelfde geldt voor de vogels die voldoende ongestoorde hoogwatervluchtplaatsen moeten kunnen vinden en op acceptabele vluchtafstand over voldoende voedsel moeten beschikken, wat zij aldaar ongestoord tot zich moeten kunnen nemen.
Een meer ongestoorde ontwikkeling van de Waddenzee is alleen mogelijk wanneer het menselijk gebruik van het gebied hierop (meer) wordt afgestemd (bijvoorbeeld via zonering) of indien bepaald gebruik - op termijn – wordt afgebouwd. Richting het jaar 2030 zet het kabinet hierop in. Nieuwe activiteiten en uitbreiding of wijziging van bestaande activiteiten in de Waddenzee dienen daarom aan de hoofddoelstelling te worden getoetst. Het afwegingskader dient ook te worden toegepast voor activiteiten buiten het PKB-gebied die de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee kunnen aantasten (externe werking). Het afwegingskader komt sterk overeen met dat van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Elementen hieruit zijn: Nagegaan dient te worden of er sprake is van aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee. Er dient rekening te worden gehouden met eventuele cumulatieve effecten van verschillende activiteiten op de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee. Toestemming voor een activiteit kan slechts worden gegeven nadat zekerheid is verkregen dat de activiteit de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee niet zal aantasten. Het voorzorgbeginsel brengt met zich mee dat er bij twijfel wordt uitgegaan van aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden en van de meest verstrekkende effecten voor de Waddenzee (worst-case scenario).
Voor een activiteit die leidt tot aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden en waarvoor geen reële alternatieven aanwezig zijn dient te worden nagegaan of er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bij een activiteit die leidt tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden dienen mitigerende en compenserende maatregelen getroffen te worden. Deze maatregelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien waarbij de eis geldt dat geen netto verlies aan wezenlijke kenmerken of waarden optreedt. 4.2.3.
Verdere gebiedsbescherming
De verdere bescherming van natuurgebieden is in beginsel geregeld in bestemmingsplannen die voor alle gronden in Nederland zijn opgesteld wegens de WABO. 4.2. Welke natuurbeschermingswetgeving is van toepassing op het plangebied? 4.2.1. Natuurbeschermingswet 1998 en Natura2000 gebieden. Op Vlieland is sprake van drie Natura2000-gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet 1998, namelijk: - Duinen Vlieland - Noordzeekustzone - Waddenzee. Het plangebied zelf is gelegen binnen de grenzen van Natura2000-gebied Waddenzee, en grenst aan Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Het duingebied, dat op enkele tientallen meters ten zuiden van de locatie
8
ligt, maakt deel uit van dit Natura2000-gebied. Zie verder het kaartje in dit rapport. Het Natura2000-gebied Noordzeekustzone valt volledig buiten het plangebied. De afstand van het plangebied tot dit Natura2000gebied is dermate groot, dat geen effecten van de plaatsing en het gebruik van het paviljoen op de beschermde natuurwaarden ervan zullen optreden. Een toetsing met betrekking tot de instandhoudingsdoelen Natura2000gebied Noordzeekustzone is niet nodig. 4.2.2. Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het plangebied ligt binnen de grenzen die door de Provincie Fryslân voor de Ecologische Hoofdstructuur zijn vastgelegd. De regelgeving van de EHS is derhalve van toepassing. 4.2.3. PKB-Waddenzee III. De PKB-Waddenzee beschermt het Nederlandse waddengebied. Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van het PKB-gebied en ook niet langs de rand ervan. De PKB-Waddenzee is dan ook niet van toepassing. 4.2.4. Soortenbescherming in de Wet natuurbescherming De soortenbescherming werd tot voor kort geregeld in de Flora- en faunawet. Deze is echter per 1 januari 2017 opgegaan in de Wet natuurbescherming. Ten opzichte van de oude wet zijn wijzigingen doorgevoerd. Voor alle binnen of in de omgeving van het plangebied voorkomende soorten geldt de zorgplicht.
Dit betekent dat de uitvoering van het plan niet tot verslechtering mag leiden van de “staat van instandhouding van de soort”. Voor soorten die beschermd zijn op basis van internationale verdragen geldt binnen het plangebied een strikte bescherming. De soortenlijst komt overeen met die van de “strikt beschermde soorten” van de oude Flora- en faunawet. De zorgplicht geldt echter tevens voor de andere voorkomende, nationaal beschermde soorten. Voor algemene soorten is vrijstelling mogelijk. Het gaat dan om soorten met een “algemeen gunstige staat van instandhouding in Nederland”. Vrijstelling geldt als de uitvoering van het plan geen hierin geen verandering teweeg brengt. De vrijstellingslijst is in december 2016 door de provincie Fryslân vastgesteld (Provincie Fryslân, 2016a en 2016b). Het soortenbeschermingsaspect in de Wet natuurbescherming is niet gekoppeld aan Natura2000 en is derhalve ook buiten Natura2000-gebieden van toepassing. 4.3. De instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen Vlieland. De volgende instandhoudingsdoelen zijn voor Natura2000-gebied Duinen Vlieland geformuleerd (prioritaire typen en soorten zijn aangeduid met een *): Habitattypen. - H1310. Eenjarige pioniervegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia ssp. en andere zoutminnende soorten. - H1330. Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae). - H2120.
Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”). - H2130. * Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (‘grijze duinen”) - H2140. * Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum. - H2150. * Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno – Ulicetea). - H2160. Duinen met Hippophae rhamnoides. - H2170. Duinen met Salix repens ssp argentea (Salicion arenariae). - H2180. Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied. - H2190. Vochtige duinvalleien Soorten. - H 1930. Groenknolorchis (Liparis loeselii). Broedvogels: - Lepelaar - Bruine kiekendief - Blauwe kiekendief - Porseleinhoen
9
-
Kluut
Trekvogels en overwinteraars. - Aalscholver - Pijlstaart - Slobeend - Eider - Tureluur - Kleine mantelmeeuw - Tapuit. De instandhoudingsdoelen zijn vastgelegd in het definitieve aanwijzingsbesluit voor het Natura2000gebied Duinen Vlieland, maar zijn enigszins gewijzigd ten opzichte van het concept aanwijzingsbesluit. Onder meer is de Velduil uit de lijst van broedvogels geschrapt. De kernopgaven voor Natura2000- gebied Duinen Vlieland luiden als volgt: - Ruimte voor natuurlijke verstuiving in de witte en embryonale duinen, onder meer van belang als habitat van de Kleine mantelmeeuw en de Strandplevier. - Uitbreiding en herstel van de kwaliteit van de grijze duinen als habitat van Tapuit en Blauwe kiekendief door het tegengaan van vergrassing en verstruweling. - Behoud oppervlakte en kwaliteit duinen met Kraaiheide - Behoud oppervlakte en kwaliteit vochtige duinvalleien (kalkrijk). 4.3. De instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Waddenzee. Natura2000-gebied Waddenzee is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje): H1110A Permanent overstroomde zandbanken (getijdengebied).
H1140A Slik- en zandplaten (getijdengebied) H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) H1310B Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur) H1320 Slijkgrasvelden H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) H2110 Embryonale duinen H2120 Witte duinen H2130B * Grijze duinen (kalkarm) H2160 Duindoornstruwelen H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Het Natura2000-gebied is aangewezen voor de volgende habitatsoorten: H1095 Zeeprik H1099 Rivierprik H1103 Fint H1364 Grijze zeehond H1365 Gewone zeehond Broedvogelsoorten: A034 A063 A081 A082 A132 A137 A138 A183
Lepelaar Eider Bruine kiekendief Blauwe kiekendief Kluut Bontbekplevier Strandplevier Kleine mantelmeeuw
10
A191 A193 A194 A195 A222
Grote stern Visdief Noordse stern Dwergstern Velduil
Niet broedvogelsoorten: A005 A017 A034 A037 A039 A043 A045 A046 A048 A050 A051 A052 A053 A054 A056 A062 A063 A067 A069 A070 A103 A130 A132 A137 A140 A141 A142 A143 A144 A147 A149 A156 A157 A160 A161 A162 A164 A169 A197
Fuut Aalscholver Lepelaar Kleine zwaan Toendrarietgans Grauwe gans Brandgans Rotgans Bergeend Smient Krakeend Wintertaling Wilde eend Pijlstaart Slobeend Toppereend Eider Brilduiker Middelste zaagbek Grote zaagbek Slechtvalk Scholekster Kluut Bontbekplevier Goudplevier Zilverplevier Kievit Kanoet Drieteenstrandloper Krombekstrandloper Bonte strandloper Grutto Rosse grutto Wulp Zwarte ruiter Tureluur Groenpootruiter Steenloper Zwarte stern
11
5.
De natuurwaarden van het plangebied en de directe omgeving.
5.1. Het Noordzeestrand. Het Noordzeestrand is ter hoogte van de strandovergang bij de Fortweg smal; de breedte is maximaal 100 meter. Het strand is verstevigd door strekdammen. Direct ten oosten van de locatie buigt het strand af in zuidelijke richting en vormt zo de oostelijke kop van Vlieland. Het strand heeft een min of meer natuurlijke opbouw van de vloedlijn tot aan de duinen van de zeereep. Het strandgedeelte nabij de zeereep op de locatie voor het strandpaviljoen ligt enkele meters hoger dan het strandgedeelte nabij de vloedlijn. Er komt op dit deel van het Noordzeestrand geen vegetatie voor. Er zijn geen embryonale duinen aanwezig. Het strand is op en in de omgeving van de locatie te smal om geschikt te zijn als broedlocatie voor vogels. Er komen dan ook geen broedvogels voor. Het strand nabij de vloedlijn en de strekdammen worden gebruikt als foerageergebied voor een aantal vogelsoorten, waaronder drieteenstrandloper, steenloper, diverse soorten meeuwen en incidenteel de paarse strandloper. Het strand is niet geschikt als rustplaats voor zeehonden. 5.2. Het duingebied ten zuiden van de locatie. 5.2.1.
Vegetatie.
Zeereep. De duinen op enkele tientallen meters ten zuiden van de locatie behoren tot de zeereep van Vlieland. Het betreft hoge duinen met een hoge mate van dynamiek. De kustlijn van dit deel van Vlieland is betrekkelijk stabiel of iets terugwijkend, maar is zeker geen aangroeiende kustlijn. De zeereep heeft dan ook aan de zeezijde het karakter van een afslagduin, met een naar het strand toe steile helling. De duinvoet aan de strandzijde is begroeid met helm (Ammophila arenaria) en een smalle zone van biestarwegras (Elytrigia juncea boreoatlantica). De vegetatie aan de landzijde van de zeereep wordt eveneens gedomineerd door helm. Hier is sprake van een hogere biodiversiteit, dankzij de aanwezigheid van een aantal duineigen plantensoorten, zoals zeemelkdistel (Sonchus arvensis maritimus), roodzwenkgras (Festuca rubra), duinzwenkgras (Festuca arenaria), heksenmelk (Euphorbia esula), kruipend stalkruid (Ononis repens repens), zanddoddegras (Phleum arenarium), zandhoornbloem (Cerastium semidecandrum), scheve hoornbloem (Cerastium diffusum) en groot duinsterretje (Syntrichia ruralis ruraliformis). In plantensociologisch opzicht wordt de zeereep gerekend tot het Ammophilion, de zogenaamde Witte duinen. Plaatselijk komen struwelen voor van duindoorn (Hippophae rhamnoides) en van de exoot rimpelroos (Rosa rugosa) Grijze duinen.
De vegetatie aan de binnenzijde van de zeereep wordt in het algemeen gerekend tot de associatie van buntgras en duinviooltje (Violo-Corynephoretum). Op de overgang naar de zeereep komt de associatie van groot duinsterretje en zanddoddegras (Tortula-phleetum) voor. Elders komen vegetaties voor van de associatie van fijn schapengras en geel walstro (Festuco Galietum). Deze vegetaties worden allen gerekend tot de zogenaamde Grijze duinen. In het algemeen zijn de vegetaties in het duingebied vergrast en is sprake van een dominantie van helm, duinriet (Calamagrostis epigejos) of gewoon struisgras (Agrostis capillaris). Verjonging van de vegetatie ontstaat door het instuiven van geringe hoeveelheden zand uit de zeereep en door de begrazing van de vegetatie door konijnen. Binnen de grijze duinen komen een aantal waardevolle plantensoorten voor, zoals duinviooltje (Viola curtisii), hondsviooltje (Viola canina), gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris), kruipend stalkruid (Ononis repens repens), geel walstro (Galium verum), glad walstro (Galium mollugo), duinkruiskruid (Jacobaea vulgaris dunense), egelantier (Rosa rubiginosa), gewone ossentong (Anchus officinalis), ruw vergeetmijnietje (Myosotis ramosissima), zandhoornbloem (Cerastium semidecandrum), wondklaver (Anthyllis vulneraria), duinlangbaardgras (Vulpia ciliata) en eikvaren (Polypodium vulgare).
Plaatselijk komen struwelen voor van duindoorn, kruipwilg (Salix repens), zachte berk (Betula pubescens) en rimpelroos (Rosa rugosa). Op een afstand van meer dan 100 meter van de locatie gaat de vegetatie in de binnenduinen geleidelijk over in grijze duinen van een kalkarmer type, waarin ook struikhei (Calluna vulgaris) en kraaihei (Empetrum nigrum) voorkomt. Vochtige duinvallei. Aan de binnenzijde van de zeereep tussen de locatie en camping Stortemelk ligt de Oosterse Vallei, een vochtige duinvallei met een soortenrijke hooilandvegetatie, waarin onder meer voorkomen rietorchis
12
(Dactylorhiza majalis praetermissa), harlekijn (Orchis morio), welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia), moeraswespenorchis (Epipactis palustris), vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incatnata), addertong (Ophiogossum vulgatum), kleine ratelaar (Rhinanthus minor), echte koekoeksbloem (Silene flos-cuculi), egelboterbloem (Ranunculus flammula), sierlijk vetmuur (Sagina nodosa), gewone ogentroost (Euphrasia stricta), geelhartje (Linum catharticum), dwergzegge (Carex viridula), zeegroene zegge (Carex flacca) en drienervige zegge (Carex trinervis). De afstand van de locatie voor het strandpaviljoen tot de vallei bedraagt meer dan 300 meter. 5.2.2.
Vogels
Het duingebied nabij de locatie van het strandpaviljoen aan weerszijde van de Fortweg is in mei 2012 geïnventariseerd op het voorkomen van broedvogels. Aangetroffen soorten zijn: Bergeend (1 paar) Fazant (1 paar) Wulp (1 paar) Holenduif (1 – 2 paar) Houtduif (1 paar) Koekoek ( 1 paar) Graspieper (min. 5 paar) Witte kwikstaart ( 1 paar) Heggenmus ( 1 paar) Grasmus ( min. 3 paar) Fitis ( min. 3 paar) Roodborsttapuit ( 1 paar) Nachtegaal (1 paar) Kneu ( min. 1 paar) Ekster (1 paar) Er zijn recent (na 2000) geen broedgevallen van de Tapuit vastgesteld. Broedgevallen van Blauwe kiekendief, Bruine kiekendief, Velduil, Lepelaar, Porseleinhoen, Eider, Kluut, Dwergstern, Strandplevier, Bontbekplevier en Kleine mantelmeeuw komen in de directe en ruime omgeving van het plangebied niet voor. Ze zijn binnen afstand van twee kilometer van het plangebied niet vastgesteld. 5.2.3.
Reptielen en Amfibieën.
In het duingebied ten zuiden van het plangebied komt een populatie voor van de zandhagedis (Lacerta agilis). Het betreft hier een Habitatrichtlijn 4 soort die echter geen deel uitmaakt van de instandhoudingsdoelen van Natura2000- gebied Duinen Vlieland. De soort maakt deel uit van de soorten die beschermd zijn door middel van internationale regelgeving en afspraken, en geldt in de WNb als strikt beschermd. Het duingebied betreft een open, droog gebied, waarbinnen geen geschikt leefgebied voorkomt voor amfibieën. De Oosterse vallei is in beperkte mate geschikt als leefgebied van de rugstreeppad (Bufo calamita), eveneens een soort van Habitatrichtlijn 4 die niet tot de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied behoort, maar wel strikt beschermd is in de WNb. Alleen in vochtige jaren waarin het grondwater in het voorjaar langdurig boven het maaiveld staat kan de vallei als leefgebied door de rugstreeppad worden benut. Overige soorten reptielen en amfibieën komen in en in de omgeving van het plangebied niet voor. 5.2.4.
Ongewervelden
Er zijn geen populaties vastgesteld van soorten ongewervelden van de Habitatrichtlijn. Er zijn geen kolonies van de kale of behaarde rode bosmier (Formica)aangetroffen. Wel komen populaties voor van duinparelmoervlinder (Argynnis niobe) en grote parelmoervlinder (Argynnis aglaja). Deze soorten genieten in de WNb sinds 1 januari 2017 bescherming. Ze komen voor in droge duinen aan de binnenzijde van de zeereep bij de groeiplaatsen van de waardplanten duinviooltje (Viola curtisii) en hondsviooltje (Viola canina).
13
5.2.5.
Zoogdieren.
Voorkomende soorten zoogdieren in en in de omgeving van het plangebied zijn konijn, egel, bosmuis, huismuis, bosspitsmuis en bruine rat. Het betreft soorten van de provinciale vrijstellingslijst. Voor deze soorten geldt vrijstelling als de uitvoering van het plan geen verandering teweegbrengt is de “algeheel goede staat van instandhouding” van de soorten in Nederland. Er komen geen populaties voor van soorten vleermuizen.
14
6.
De effecten van de uitvoering van het plan op de beschermde natuurwaarden 6.1. Algemeen.
Voor de effectanalyse is het van belang aan te geven wat de effecten van de jaarrond plaatsing en de exploitatie in de winterperiode op de natuurwaarden zijn. Het gaat daarbij om de veranderingen die kunnen plaatsvinden ten opzichte van de bestaande situatie; de situatie waarbij het paviljoen alleen in de zomerperiode aanwezig en open is. Vooropgesteld wordt dat de veranderingen plaatsvinden in het winterhalfjaar vanaf de herfstvakantie (eind oktober) tot 15 maart. Mogelijke effecten op de natuurwaarden hebben derhalve vooral betrekking op die waarden die in de winterperiode van belang zijn. Zo zijn effecten op de broedvogels in essentie op voorhand uitgesloten, daar de veranderingen plaats vinden buiten het broedseizoen van de vogels. Hetzelfde geldt ten aanzien van de activiteiten van soorten die in deze periode in winterslaap verkeren of buiten het eiland overwinteren, zoals reptielen (zandhagedis), amfibieën (rugstreeppad), insecten en vleermuizen. Wel dient te worden overwogen of de realisatie van het plan in de winterperiode kan leiden tot een aantasting van het leefgebied van deze soorten in de winterperiode, zodanig dat in de zomerperiode negatieve effecten mogelijk zijn. Het laten staan van het paviljoen in de winterperiode is in zichzelf geen handeling. Daarentegen wordt een contractueel verplichte handeling – het verwijderen van het paviljoen – achterwege gelaten.
In de huidige situatie wordt in de winterperiode wel het paviljoen verwijderd, maar het plateau waar dit op staat niet. De locatie van het paviljoen bestaat uit dynamisch, door de wind verwaaiend zand. Er is ter plaatse geen vegetatie aanwezig. Andere natuurwaarden ontbreken op en rondom de locatie. Het laten staan van het paviljoen brengt hierin geen wezenlijke veranderingen te weeg. Er zullen geen beschermde natuurwaarden verdwijnen. Het enige mogelijke effect dat kan optreden is een toename van het invangen van stuivend zand in de winterperiode door de aanwezigheid van het paviljoen. Zand kan zich ophopen tussen het paviljoen en de zeereep, en verder tot in de zeereep doorstuiven. Het betreft dan een proces dat de kwaliteit en de omvang van de zeereep versterkt, en ook verjongend kan werken op de vegetatie aan de binnenzijde ervan. Een dergelijk effect leidt derhalve tot natuurwinst. Van groter belang is een analyse van de effecten die kunnen ontstaan als gevolg van de exploitatie in de winterperiode. Omdat het paviljoen in deze periode klanten trekt – al zal dit niet gedurende de hele periode grote aantallen betreffen – neemt de recreatiedruk op de Fortweg toe. Het betreft dan vooral bezoekers die lopend of per fiets via de Fortweg het paviljoen bereiken. Voor het overgrote deel beperkt zich deze nieuwe verkeersstroom tot de verharde weg.
Verwacht wordt dat betreding van het aangrenzend duingebied door bezoekers in deze periode incidenteel zal voorkomen. Er is echter geen sprake van een grootschalige of voor het ecosysteem schadelijke toename van de betreding. Daarnaast wordt opgemerkt dat de exploitatie in de winterperiode ook zal leiden tot verkeersbewegingen door de exploitanten zelf, door personeel en toeleveranciers. Deze verkeersbewegingen blijven tot de Fortweg beperkt, en hebben geen invloed op de natuurwaarden in het aangrenzend duin. Wel omvatten deze verkeersbewegingen ook gemotoriseerd verkeer. Het paviljoen is duurzaam en energieneutraal gebouwd. Het produceert geen stikstofuitstoot en derhalve geen stikstofdepositie in het Natura2000-gebied. De jaarlijkse verplichting het paviljoen te verwijderen en weer op te bouwen hebben twee maal per jaar tot gevolg dat stikstofuitstoot ontstaat door het gebruik van mobiele werktuigen. Het gaat dan om structurele, jaarlijks terugkerende uitstoot, dat deel uitmaakt van de gebruiksfase van het huidige paviljoen. De stikstofuitstoot is betrekkelijk omvangrijk, doordat voor de verwijdering en de plaatsing een zware telescoopkraan wordt ingehuurd, die niet op Vlieland aanwezig is, en van buiten het eiland moet worden aangevoerd.
Door deze handeling achterwege te laten en het paviljoen te laten staan, wordt deze stikstofuitstoot voorkomen, waardoor ook de depositie in het Natura2000-gebied vermindert. In dit opzicht is sprake van natuurwinst. Het gebruik van licht gemotoriseerd verkeer via de Fortweg naar het paviljoen door exploitanten, personeel en toeleveranciers betreft daarentegen een nieuwe bron van stikstofuitstoot van geringe omvang, die in de stikstofberekening van het plan is meegenomen.
15
6.2. Natura2000 6.2.1.
Natura2000-gebied Waddenzee
De locatie van het paviljoen ligt op het Noordzeestrand op enkele tientallen meters van de duinvoet aan de oostzijde van de strandovergang van de Fortweg. De locatie valt volledig binnen Natura2000-gebied Waddenzee. De effecten van de aanwezigheid van het paviljoen en de exploitatie ervan in de winterperiode op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied worden hier in kaart gebracht. Habitatrichtlijn typen De habitattypen die tot de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied behoren, zijn hieronder nogmaals genoemd. Per habitattype wordt aangegeven op welke afstand van het plangebied de habitattypen voorkomen H1110A Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken. Het betreft hier een habitattype dat voornamelijk voorkomt in de zeegaten tussen de verschillende Waddeneilanden. Ook in het zeegat tussen Vlieland en Terschelling is het habitattype toegewezen. Nabij de locatie voor het paviljoen op het Noordzeestrand komt het habitattype niet voor. De afstand tot de betreffende zandbanken in het zeegat tussen Vlieland en Terschelling bedraagt minimaal 1500 meter H1140A Slik- en zandplaten Op het Noordzeestrand wordt de zone die dagelijks tijdens hoog water overstroomt, maar bij laag water droog valt tot dit habitattype gerekend.
De zone strekt zich uit langs de zeezijde van het hele Noordzeestrand tussen de strekdammen, en ligt derhalve ook op het strand nabij de locatie van het paviljoen. De Habitattypenkaart (DLG, 2015) geeft aan dat het strandgedeelte waarop het paviljoen geplaatst kan worden geheel tot het habitattype wordt gerekend. Dit betekent dat de locatie waar het paviljoen gepland is zelf tot het habitattype behoort. Desondanks wordt benadrukt dat de locatie in ecologische zin niet overeenstemt met hetgeen onder het habitattype verstaan wordt. Feitelijk betreft het hier droog strand en geen getijdengebied, dat dagelijks wordt overstroomd. H1310A en B Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten Het betreft hier een habitattype met pioniervegetaties van zeekraal die binnen het Natura2000-gebied alleen voorkomt op plekken met brede stranden en een aangroeiende kustlijn. Op het Noordzeestrand van het oostelijke deel van Vlieland komt het habitattype niet voor. De afstand van de locatie tot de meest dichtbij zijnde gebied waar het habitattype voorkomt bedraagt meer dan 10 kilometer. H1320 Slijkgrasvelden Locaties met habitattype H1320 worden gedomineerd door Engels slijkgras. Ze komen lokaal voor in het Waddengebied op plaatsen met een aanzienlijke aanslibbing.
Op Vlieland is het type zeldzaam in de kweldervegetaties in de Waddenzee ten zuiden van het eiland. Binnen 10 kilometer van het plangebied komt het habitattype niet voor. H1330A en B Atlantische schorren (Glauco Puccinellietalia maritimae) Het betreft hier een kweldervegetatie die binnen Natura2000-gebied Noordzeekustzone uitsluitend voorkomt in gebieden met brede stranden en een aangroeiende kust. Op het Noordzeestrand van het oostelijke deel van Vlieland komt het habitattype niet voor. De afstand van de locatie tot de meest dichtbij zijnde gebied waar het habitattype voorkomt bedraagt meer dan 10 kilometer. H2110 Embryonale wandelende duinen Embryonale duinen komen op het Noordzeestrand uitsluitend voor op stranden met een breedte van meer dan 500 meter. Het gaat dan om een zone aan de duinvoet waar zandophoping plaats vindt en waar pioniervegetaties van biestarwegras aanwezig zijn. Het strand rondom de locatie van het paviljoen is smal, en een zone met embryonale duinen ontbreekt er. Feitelijk geldt dit voor het hele Noordzeestrand van oostelijk Vlieland. Embryonale duinen komen niet voor binnen een afstand van 10 kilometer van de locatie voor het paviljoen.
16
H2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”) Het betreft hier hoog opgestoven duinen met een dominante begroeiing van helm. De direct ten zuiden van de locatie liggende duinen behoren tot het habitattype, maar liggen binnen Natura2000-gebied Duinen Vlieland (zie hierna). Binnen Natura2000-gebied Noordzeekustzone komt het habitattype niet voor binnen een afstand van 10 kilometer van de locatie. H2130B * Grijze duinen (kalkarm) H2160 Duindoornstruwelen Habitattype H2130B komt veelvuldig voor in de duinen ten zuiden van het plangebied. Deze gebieden worden echter gerekend tot Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Binnen de grenzen van Natura2000-gebied Waddenzee ontbreekt het habitattype H2130 binnen een afstand van 10 kilometer van het plangebied. Hetzelfde geldt voor habitattype H2160 Duindoornstruwelen. H2190B Vochtige duinvalleien Vochtige duinvalleien in de nabijheid van de locatie liggen binnen Natura2000-gebied Duinen Vlieland (zie hierna). Binnen Natura2000-gebied Noordzeekustzone komt het habitattype niet voor binnen een afstand van 10 kilometer van de locatie. Effectanalyse Het enige habitattype dat voorkomt in de omgeving van de locatie is habitattype H1140A – Slik en zandplaten (Waddenzee).
Alle andere habitattypen komen voor op een dermate grote afstand van het plangebied dat enig effect van de uitvoering van het plan op de habitattypen is uitgesloten. Met betrekking tot habitattype H1140A kan het volgende worden opgemerkt. - De locatie van het paviljoen ligt binnen het deel van het strand dat tot het habitattype gerekend wordt. Op de Habitattypenkaart (DLG, 2015) wordt het gehele strand aan weerszijde van de overgang van de Fortweg van de vloedlijn tot aan de duinvoet tot het habitattype gerekend. - De locatie echter voldoet in ecologische zin niet aan de eigenschappen van het habitattype. Het betreft ter plaatse droog strand aan de duinvoet dat niet dagelijks wordt overstroomd, en niet ligt binnen het gebied van dagelijkse getijdenwisseling. - Op de Habitattypenkaarten van de verschillende Waddeneilanden wordt het reguliere strand nooit tot een habitattype gerekend en ligt tussen habitattype H1140A en de duinvoet steeds een brede strandzone welke geen habitattype is. Op deze locatie is op de Habitattypenkaart van het elders gebruikelijke patroon afgeweken, mogelijk omdat het strand er vrij smal is. Desondanks is er sprake van een “aberratie”. - De plaatsing van het paviljoen op de locatie heeft in 2017 tot gevolg gehad dat een gering oppervlak van hooguit 1000 m² van het habitattype in strikte zin verloren gaat.
Door het paviljoen nu in de winter te laten staan gaat geen extra oppervlak van het habitattype verloren. Er is derhalve geen sprake van oppervlakverlies. - Er is evenmin sprake van een significant negatief effect op de kwaliteit van het habitattype, daar de kenmerken van het type ter plaatse niet voorkomen. - De exploitatie van het paviljoen in de winterperiode zal er toe leiden dat het Noordzeestrand ter plaatse door recreanten iets drukker gebruikt gaat worden dan tot nu toe het geval is. Habitattype H1140B wordt extensief betreden door recreanten bij laag water zonder enige negatieve gevolgen voor de omvang en kwaliteit van het habitattype. Een geringe toename van de betredingsdruk heeft geen negatieve effecten op de omvang en de kwaliteit van het habitattype ter plaatse. - Samengevat heeft zowel het laten staan van het paviljoen als de exploitatie ervan in de winterperiode geen significant negatieve effecten op habitattype H1140B. Daar alle andere habitattypen in de nabijheid van de locatie ontbreken, wordt geconcludeerd dat de uitvoering van het plan geen negatieve effecten heeft op de habitattypen van Natura2000-gebied Waddenzee. Habitatrichtlijn soorten Hieronder wordt het voorkomen van de soorten in de omgeving van het plangebied aangegeven. H1095 Zeeprik H1099 Rivierprik H1103 Fint
17
Het betreft hier drie vissoorten die incidenteel worden aangetroffen in de zeegaten tussen de Waddeneilanden. Het is waarschijnlijk dat de soorten incidenteel ook voorkomen in de zee nabij het paviljoen. H1364 Grijze zeehond H1365 Gewone zeehond Beide soorten zeehonden komen veelvuldig voor in het zeegat tussen Vlieland en Terschelling, en gebruiken droogvallende zandbanken als rustplaats. Het Noordzeestrand van het oostelijk deel van Vlieland, waaronder het strand bij de locatie voor het paviljoen, is smal en wordt vrijwel nooit als rustgebied door zeehonden gebruikt. Effectanalyse De locatie van het paviljoen maakt deel uit van het hogere strand, waar geen van de genoemde soorten voorkomt. Het voorkomen van de genoemde soorten beperkt zich tot de Waddenzee zelf. Geen van de soorten maakt gebruik van het strand. De jaarrond plaatsing van het paviljoen heeft geen negatief effect op de soorten evenmin als de exploitatie van het paviljoen in de winterperiode. Vogelrichtlijn soorten Het gebied is aangewezen op basis van de volgende soorten broedvogels: A034 Lepelaar A063 Eider A081 Bruine kiekendief A082 Blauwe kiekendief A132 Kluut A137 Bontbekplevier A138 Strandplevier A183 Kleine mantelmeeuw A191 Grote stern A193 Visdief A194 Noordse stern A195 Dwergstern A222 Velduil Dwergstern, Visdief, Noordse stern, Grote stern.
Bontbekplevier Strandplevier Van deze soorten kunnen broedgevallen worden aangetroffen op brede stranden van meer dan 500 meter breed. Het Noordzeestrand van oostelijk Vlieland is dermate smal dat het ongeschikt is als broedgebied voor deze soorten. Broedgevallen zijn recent slechts aangetroffen op de Vliehors op meer dan tien kilometer van het plangebied. Overige broedvogelsoorten Een aantal van de broedvogelsoorten broedt in de duinen van Vlieland, echter op grote afstand van de locatie. Deze broedlocaties worden gerekend tot Natura2000-gebied Duinen Vlieland (zie hierna). Binnen de grenzen van Natura2000-gebied Waddenzee komen geen broedlocaties voor van deze soorten binnen een afstand van 10 kilometer van de locatie. Trekvogels en overwinteraars Het gebied is aangewezen op basis van de volgende soorten trekvogels en overwinteraars: A005 Fuut A017 Aalscholver A034 Lepelaar A037 Kleine zwaan A039 Toendrarietgans A043 Grauwe gans A045 Brandgans A046 Rotgans A048 Bergeend
18
A050 A051 A052 A053 A054 A056 A062 A063 A067 A069 A070 A103 A130 A132 A137 A140 A141 A142 A143 A144 A147 A149 A156 A157 A160 A161 A162 A164 A169 A197
Smient Krakeend Wintertaling Wilde eend Pijlstaart Slobeend Toppereend Eider Brilduiker Middelste zaagbek Grote zaagbek Slechtvalk Scholekster Kluut Bontbekplevier Goudplevier Zilverplevier Kievit Kanoet Drieteenstrandloper Krombekstrandloper Bonte strandloper Grutto Rosse grutto Wulp Zwarte ruiter Tureluur Groenpootruiter Steenloper Zwarte stern
Voor drieteenstrandloper, scholekster en steenloper is het Noordzeestrand een foerageergebied. De overige soorten zijn alleen aangemeld als instandhoudingsdoel als zij in grotere aantallen voorkomen binnen hoogwatervluchtplaatsen of in belangrijke foerageergebieden die liggen op de wadplaten van de Waddenzee of in kweldervegetaties langs de zuidzijde van Vlieland. Voor een aantal soorten heeft Vlieland in zijn geheel geen betekenis als doortrek- of overwinteringsgebied; ze worden zelden op het eiland waargenomen (kleine zwaan, toendrarietgans, toppereend, brilduiker, grote zaagbek, zwarte stern). Drieteenstrandloper, scholekster, steenloper De soorten foerageren jaarlijks in een wisselend aantal op het hele Noordzeestrand van Vlieland. Daarbij wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de zone tussen de hoogwater- en de laagwaterlijn. Voor de steenloper en de scholekster zijn daarbij de strekdammen van bijzondere betekenis. Ook deze zone nabij de locatie wordt regelmatig door kleine aantallen vogels als zodanig benut. Dit deel van het strand is echter niet van bijzondere betekenis. Er komen geen grote concentraties van de soorten voor. Het strandgedeelte nabij de locatie heeft geen specifieke functie als rustgebied voor de soorten.
De drieteenstrandloper en de steenloper maken voornamelijk in de winterperiode gebruik van het Noordzeestrand als foerageergebied, de periode derhalve met een geringe recreatieve druk. Er is echter wel enige sprake van overlap, daar de drieteenstrandloper ook in april, mei en september in het gebied aanwezig is. De scholekster is jaarrond aanwezig. Hoogwatervluchtplaatsen Een aantal soorten maakt bij hoog tij gebruik van hoogwatervluchtplaatsen (scholekster, kluut, bontbekplevier, zilverplevier, kanoet, krombekstrandloper, bonte strandloper, rosse grutto, wulp, zwarte ruiter, tureluur, groenpootruiter, steenloper). De genoemde soorten genieten bescherming op de hoogwatervluchtplaatsen. Binnen de grenzen van Natura2000-gebied Waddenzee komen dergelijke hoogwatervluchtplaatsen alleen voor langs de zuidzijde van het eiland. Het smalle strand van oostelijk Vlieland wordt niet gebruikt als hoogwatervluchtplaats. De afstand van de locatie tot de meest dichtbij zijnde hoogwatervluchtplaats bedraagt meer dan 5 kilometer.
19
Effectanalyse Uit bovenstaande blijkt dat in de nabijheid van het plangebied binnen de grenzen van Natura2000-gebied Waddenzee geen broedlocaties voorkomen van de Vogelrichtlijnsoorten broedvogels. Ook ontbreken hoogwatervluchtplaatsen van Vogelrichtlijnsoorten niet-broedvogels. Een negatief effect van de uitvoering van het plan op deze instandhoudingsdoelen is uitgesloten. Daarnaast treden de veranderingen op in de winterperiode buiten het broedseizoen van de vogels. Ook om deze reden zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen uitgesloten. Met betrekking tot drieteenstrandloper, scholekster en steenloper is aangegeven dat het strand nabij het paviljoen geen bijzondere betekenis heeft als foerageergebied. De locatie van het paviljoen maakt geen deel uit van het foerageergebied, maar ligt op een afstand van 100 tot 150 meter van het foerageergebied. De aanwezigheid van het paviljoen op de locatie heeft geen negatief effect op de geschiktheid van het strand als foerageergebied. Mogelijk leidt de exploitatie van het paviljoen in de winterperiode tot een iets grotere druk van recreanten op het foerageergebied langs de vloedlijn en de strekdammen nabij het paviljoen dan nu het geval is.
Drieteenstrandlopers en steenlopers foerageren vooral langs de waterlijn in de omgeving van de strekdammen, delen van het strand die door wandelaars in de winterperiode niet frequent worden betreden. De toename van de betreding van het strand langs de waterlijn in relatie tot de exploitatie van het paviljoen in de winterperiode is verwaarloosbaar gering. Een significant negatief effect van de exploitatie van het paviljoen op de geschiktheid van het Noordzeestrand van Vlieland als foerageergebied is geheel is uitgesloten. Samengevat wordt geconcludeerd dat zowel de jaarrond plaatsing van het paviljoen op de locatie als de exploitatie in de winterperiode geen significant negatieve effecten heeft op de Vogelrichtlijn-soorten van Natura2000-gebied Waddenzee. Natura2000-gebied Waddenzee, conclusies Uit het bovenstaande wordt geconcludeerd dat: - de uitvoering van het plan geen significant negatieve effecten heeft op de habitattypen van het Natura2000-gebied. - de uitvoering van het plan geen negatieve effecten heeft op de habitatrichtlijn-soorten. - de uitvoering van het plan geen significant negatieve effecten heeft op de vogelrichtlijnsoorten.
Derhalve kan worden gesteld dat de uitvoering van het plan mogelijk is zonder significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied, en niet strijdig is met de Wnb, aangaande de gebiedsbescherming van Natura2000. 6.2.2.
Natura2000-gebied Duinen Vlieland